1844
De
wereldbrand
EARTH'S
HOLOCAUST
door Nathaniel Hawthorne (Salem,
Massachusetts, 4 juli 1804 - Plymouth, New Hampshire, 30 juli 1864),
OP EEN KEER -
het doet er
weinig of niet toe of dat nu in de verleden of in de komende tijd is -
was deze uitgestrekte wereld zo overladen geraakt met een opeenhoping
van
afgedragen rotzooi, dat de bewoners besloten zich daar door middel van
een groot vreugdevuur van te ontdoen. De plek die daarvoor, onder
protest
van de verzekeringsmaatschappijen en even centraal gelegen als welke
andere
plek ook op de aardbol, werd uitgezocht was een van de meest
uitgestrekte
prairies in het Westen, waar de vlammen geen menselijke nederzetting in
gevaar konden brengen en waar een uitgebreide menigte toeschouwers de
voorstelling
geriefelijk zou kunnen bewonderen. Omdat ik wel hou van dit soort
schouwspelen
en ik mij tevens verbeelde, dat de luister van dit vreugdevuur wellicht
iets diepers of een morele waarheid, eertijds in mist of duisternis
verborgen,
zou kunnen openbaren, schikte het mij derwaarts te reizen om het bij te
wonen. Bij mijn aankomst was, hoewel de stapel van de ertoe
veroordeelde
rotzooi nog betrekkelijke klein was, de brand er al in gestoken. Er was
midden op die grenzeloze vlakte, bij het vallen van de avond, als een
eenzame
verwijderde ster aan het firmament, slechts een flakkerende gloed
waarneembaar,
waar niemand van zou kunnen verwachten, dat het op zo'n meedogenloze
gloed,
als het voornemen was, zou uitlopen. Ieder ogenblik echter arriveerden
er reizigers te voet, vrouwen met geheven schorten, mannen te paard,
kruiwagens,
volgestouwde bagagewagens en andere voertuigen, grote en kleine en van
ver en nabij, volgeladen met zaken die nergens anders voor geschikt
bevonden
waren dan om verbrand te worden.
"Wat voor spullen
zijn er
gebruikt om de fik erin te steken?" vroeg ik aan een omstander, want ik
wilde me graag van het hele verloop van de zaak, van begin tot eind, op
de hoogte houden.
De persoon tot wie ik
mij
richtte, was een sombere man, vijftig jaar oud of daaromtrent, die daar
kennelijk als toeschouwer naartoe gekomen was; hij maakte onmiddellijk
op mij de indruk alsof hij voor zichzelf de werkelijke waarde van het
leven
in alle facetten gewogen had en daarom weinig persoonlijk belang
hechtte
aan het oordeel, dat de wereld daarover zou kunnen vellen. Voor hij
mijn
vraag beantwoordde, keek hij me bij het opvlammende licht van het vuur
recht in mijn ogen.
"O, gewoon wat
kurkdroge
brandbare spullen," antwoordde hij, "en uitermate geschikt voor het
doel
- in feite niets anders dan kranten van gisteren, tijdschriften van
afgelopen
maand en de droge bladeren van afgelopen jaar. Hier komt nu nog wat
verouderde
troep, dat als een handvol houtkrullen vlam zal vatten."
Terwijl hij sprak
naderden
een paar onguur-uitziende mannen de rand van het vreugdevuur en gooiden
er, naar het er uitzag, de hele rotzooi van de Hoge Raad van Adel in;
de
wapentekenen van de familiewapens, de helmtekens en wapenbeelden van
roemrijke
families; stambomen, die zich als lichtende lijnen uitstrekten, terug
in
de mist van duistere tijden, samen met sterren, kousenbanden en
geborduurde
kragen, waarvan elk, hoe armzalig en prullerig het voor het ongeoefende
oog ook mocht lijken, eens een ontzaggelijke betekenis had gehad en in
werkelijkheid nog steeds had en door de aanbidders van een luisterrijk
verleden, tot de meest kostbare van de morele of materiele zaken werden
gerekend. Vermengd met deze verwarde stapel, die met armenvol tegelijk
in de vlammen geworpen werd, waren ontelbare ridderordes, waaronder die
van alle Europesche soevereiniteiten; en Napoleons onderscheiding van
het
Legioen van Eer, welks linten verstrikt waren in die van de oude orde
van
St. Louis. Daar waren ook de medailles van ons eigen genootschap van
Cincinnati,
door middel waarvan men bijna, zoals de geschiedenis ons leert, een
orde
van erfelijke ridders kon laten afstammen van de koningbedwingers van
de
Revolutie. En daarnaast waren er de adelbrieven van Duitse graven en
baronnen,
van Spaanse grandes en Engelse peers, vanaf de wormstekige door Willem
de Veroveraar getekende oorkonden tot aan het fonkelnieuwe perkament
van
de laatste lord, die zijn eretekenen uit de fraaie hand van Victoria
had
ontvangen.
Bij het zien van
deze dichte
massa's rook die, vermengd met heldere uitbarstingen van vlammen, die
uit
deze immense hoop wereldse onderscheidingen gulpten en kolkten, hief de
menigte proletarische toeschouwers een vreugdekreet aan en klapten met
zo'n nadruk in hun handen, dat het tegen het uitspansel
weerkaatste.
Dit was, na eeuwen, hún moment van triomf over schepsels van
dezelfde
stof en dezelfde spirituele zwakheden, die het gewaagd hadden zich de
privileges
toe te eigenen, die slechts aan des Hemels hoogste bekwaamheid
toegedicht
kunnen worden. Maar nu snelde er een grijsharige man op de brandende
hoop
toe, gekleed in een jas, waarvan het leek alsof er aan de bovenkant een
ster of een ander onderscheidingsteken met geweld afgerukt was. Hij
droeg
op zijn gezicht geen tekenen van intellectuele kracht, maar toch was
het
een optreden - de vanzelfsprekende en bijna natuurlijke waardigheid -
van
iemand, die een erfgenaam was van het besef van zijn eigen
maatschappelijke
superioriteit en die dat, tot dat moment, nooit in twijfel getrokken
had.
"Mensen,"
schreeuwde hij,
terwijl hij met smart en verbijstering naar de puinhoop staarde van wat
hem in zijn ogen het dierbaarst was, maar desalniettemin met een zekere
statigheid; "mensen, wat hebben jullie gedaan! Dit vuur verteert alles
wat jullie vooruitgang op het barbarendom betekende of dat jullie de
terugval
daartoe zou kunnen hebben verhinderen. Wij, - mensen van bevoorrechte
klassen
- zijn diegenen geweest, die van eeuw tot eeuw de oude ridderlijke
geest
in leven hebben gehouden; de goedhartige en edelmoedige gedachte; het
hogere,
zuiverder en verfijndere en tedere leven! Met de edellieden gooi je ook
de dichter, de schilder en de beeldhouwer weg - alle schone kunsten;
want
wij waren hun beschermheren en schiepen de atmosfeer waarin zij
bloeiden.
Door het majestueuze klassenonderscheid af te schaffen verliest de
maatschappij
niet alleen haar gratie, maar ook haar stabiliteit - "
Ongetwijfeld had
hij nog meer
willen zeggen, maar er verhief zich een luid misbaar, uitbundig,
smalend
en verontwaardigd, dat de smeekbede van de gevallen edelman volkomen
overspoelde,
zózeer dat hij, terwijl hij een wanhoopsblik op zijn eigen
halfverbrande
stamboom wierp, zich in de menigte terugtrok, blij zich te kunnen
verschuilen
onder zijn pasontdekte onbeduidendheid.
"Laat hem zijn
sterren danken
dat wij hem niet in hetzelfde vuur geworpen hebben!" riep een
onbeschoft
figuur, terwijl hij de gloeiende as met zijn voeten wegschopte. "En
laat
voortaan niemand ook maar een stukje schimmelig perkament tonen als
zijn
volmacht om over zijn gelijken te heersen! Als hij zijn kracht aan het
wapen ontleent, het zij zo; dat is één manier van
superioriteit.
Als hij hersens heeft, wijsheid, de kracht van zijn karakter, laat die
hoedanigheden dan voor hem doen wat ze vermogen. Maar vanaf deze dag
mag
geen sterveling meer hopen op een positie en respect door te rekenen op
de muffe beenderen van zijn voorvaderen! Die onzin is
afgeschaft."
"Als maar niet
tegen die tijd,"
merkte echter de sombere toeschouwer naast mij met gedempte stem op -
"daarvoor
nog grotere onzin in de plaats komt. Maar dit soort onzin heeft
zichzelf
aardig overleefd."
Er was maar weinig
tijd om
boven de as van deze eerbiedwaardige rotzooi te mijmeren of te
moraliseren;
want voor het half opgebrand was, arriveerde er weer een menigte van de
andere kant van de zee, die de purperen mantels van de vorsten, de
kronen,
de rijksappels en scepters van keizers en koningen met zich meedroeg.
Al
deze dingen waren tot nutteloze prullaria gevonnist, op z'n best als
speeltjes,
slechts geschikt voor de kindsheid van de wereld, of als roeden om die
wereld in haar onvolwassenheid te regeren en te kastijden; maar waarvan
de universele mensheid, in haar volwassen gestalte niet langer kon
dulden
ermee beledigd te worden. Deze koninklijke symbolen werden kennelijk nu
als zo verachtelijk beschouwd, dat de vergulde kroon en de klatergouden
mantels van de toneelkoning van het Drury-Lane Theater, temidden van de
rest in het vuur geworpen werden, ongetwijfeld als een bespotting van
zijn
mede-vorsten op het grote wereldtoneel. Het was een vreemd gezicht om
de
kroonjuwelen van Engeland te ontdekken, flonkerend en flikkerend,
midden
in het vuur. Sommige ervan waren overgeleverd vanuit de tijd van de
Saksische
prinsen; andere waren tegen grote bedragen verworven, of
toevalligerwijze
geroofd van de dode voorhoofden van inheemse Hindoestaanse despoten; en
het geheel vlamde nu met een zo verblindende gloed, alsof er op die
plek
een ster was neergevallen en in stukken uiteengespat. De praal van de
vernietigde
monarchie weerkaatste slechts in die onschatbaar kostbare stenen. Maar
genoeg hierover. Het zou alleen maar saai zijn om te beschrijven hoe de
mantel van de Oostenrijkse Keizer in tondel veranderde en hoe de posten
en zuilen van de Franse troon een verkoolde hoop werden, die onmogelijk
te onderscheiden was van welk ander hout dan ook. Laat ik er echter nog
aan toevoegen, dat ik zag hoe een van de verbannen Polen het
vreugdevuur
oppookte met de scepter van de Russische Tsaar, die hij vervolgens in
de
vlammen slingerde.
"Hier is de stank
van verschroeide
gewaden is volkomen ondraaglijk," merkte mijn nieuwe kennis op, toen de
bries ons in de rook van een koninklijke garderobe hulde. "Laten we uit
de wind gaan en kijken wat ze aan de andere kant van het vreugdevuur
aan
het doen zijn."
Zo gezegd liepen
we erom heen
en waren net op tijd om getuige te zijn van een uitgestrekte stoet van
Washingtonianen - zoals de aanhangers van de geheelonthouding zich
tegenwoordig
noemen - vergezeld door duizenden Ierse volgelingen van pater Mattheus,
met de grote apostel aan het hoofd. Zij leverden een grote bijdrage aan
het vreugdevuur; namelijk niets minder dan alle okshoofden en fusten
drank
van de wereld, die zij voor zich uit over de prairie rolden.
"Welnu, mijn
kinderen," riep
pater Mattheus uit, toen zij de rand van het vreugdevuur bereikten -
"nog
één duwtje en het werk zit er op! En laten we nu een
stukje
achteruit gaan en zien hoe Satan met zijn eigen drank afrekent!"
Aldus schoof de
stoet, nadat
ze hun houten vaten binnen het bereik van de vlammen hadden geplaatst,
achteruit tot op een veilige afstand en weldra zagen ze alles in een
vlammenzee,
die tot de wolken reikte, uiteenbarsten, waarbij de hemel zelf in brand
dreigde te vliegen. En daar was wel reden voor. Want hier was 's
werelds
hele voorraad spiritualia, die in plaats van zoals voorheen een
uitzinnig
licht in de ogen van afzonderlijke zuiplappen te ontsteken, in een
verbijsterende
gloed, die het hele mensdom schrik aanjoeg, opsteeg. Het was de som van
dat hevige vuur, dat anders de harten van miljoenen verschroeid had.
Intussen
werden ontelbare flessen kostbare wijn in de vlammen, die aan de inhoud
likten alsof ze ervan hielden, geworpen en ze groeiden, net als andere
dronkaards, deste blijmoediger en verwoed, naarmate ze er meer van
dronken.
Nooit weer zal de onverzadigbare dorst van de vuurduivel zó
verwend
worden! Hier waren de schatten van vermaarde spiritualiën der
levensgenieters,
die op de oceaan heen en weer geslingerd waren, gerijpt in de zon en
lang
gekoesterd in de spelonken der aarde - het gouden, het robijnrode sap
van
welke uitgelezen wijngaarden dan ook - de hele wijnoogst van Tokay -
die
zich in een grote stroom met de verachtelijke vloeistoffen van
het
alledaagse bierhuis vermengden en bijdroegen aan de verheviging van
juist
die vuurzee zelve. En terwijl dat alles in een gigantische spiraal
opsteeg
en zich verenigde met het licht van de sterren, schreeuwde de menigte
het
uit, alsof de uitgestrekte aarde jubelde over haar verlossing van de
vloek
van eeuwen.
Maar de vreugde
was niet algemeen.
Velen waren de mening toegedaan dat het menselijk leven somberder dan
ooit
zou worden, als die kortdurende verlichting ineen zou schrompelen.
Terwijl
de hervormers aan het werk waren, ving ik gemompelde protesten op van
een
aantal achtenswaardige heren met rode neuzen en jichtige schoenen; en
een
haveloze beroemdheid, wiens gezicht eruit zag als een hart waarin het
vuur
gedoofd is, uitte nu zijn onvrede openlijker en
stoutmoediger:
"Waar is deze
wereld dan nog
goed voor," sprak de laatste zuiplap, "nu we nooit meer vrolijk kunnen
zijn? Wat moet dan de arme man in zijn leed en verwarring troosten? hoe
moet hij zijn hart verwarmen tegen de koude winden van deze
droefgeestige
aarde? en wat zijn jullie van plan hem te bieden in ruil voor de troost
die jullie hem ontnomen hebben? Hoe moeten oude vrienden nu samen bij
de
haard zitten zonder een opwekkend glas tussen hen in? Krijg de klere
met
jullie hervorming! Het is een trieste wereld, een kille wereld,
een
zelfzuchtige wereld, een gemene wereld, een eerlijke kameraad
onwaardig,
nu die goeie kameraadschappelijkheid voor immer verdwenen is!"
Deze toespraak
ontketende
een grote vrolijkheid onder de omstanders. Maar hoe belachelijk het
gevoel
ook was, ik kon het niet helpen dat ik medelijden had met de eenzame
toestand
van die laatste zuiplap, wiens vrolijke kornuiten zich van hem hadden
gedistantieerd
en de arme kerel hadden achtergelaten, zonder ook maar een enkele ziel
om samen met hem van zijn drank te nippen en inderdaad, zelfs zonder
enige
drank om van te nippen. Overigens was het in dit geval niet helemaal
waar,
want ik had gezien hoe hij op een steels moment een fles sterke
brandewijn,
die naast het vreugdevuur viel, achterover drukte en in zijn zak
verborg.
Toen ze op deze
manier met
de geestrijke en gefermenteerde dranken hadden afgerekend, dreef de
ijver
van de hervormers hen er vervolgens toe het vuur met alle theekisten en
koffiebalen ter wereld aan te vullen. En daar kwamen de planters uit
Virginia,
die hun tabaksoogst meebrachten. Terwijl die, samen zo hoog als een
berg,
op de stapel van nutteloosheid geworpen werd, bewierookten ze de
atmosfeer
met zo'n sterke geur dat ik dacht we nooit meer zuivere lucht zouden
kunnen
inademen. Dat offer leek de liefhebbers van het kruid meer te onthutsen
dan alles wat zij tot dan toe gezien hadden.
"Welja, ze hebben
mijn pijp
gedoofd," sprak een oude heer en gooide hem nijdig in de vlammen. "Waar
gaan we met deze wereld heen? Al het rijke en geurige - alle geur van
het
leven - wordt als nutteloos veroordeeld. Nu ze het hebben aangestoken,
zou het volstaan, als deze onzinnige hervormers zichzelf in het
vreugdevuur
zouden werpen!"
"Heb geduld,"
antwoordde een
toegewijde conservatief; "daar zal het uiteindelijk wel op uitdraaien.
Eerst zullen ze ons erin smijten en tot slot
zichzelf."
Nu wende ik mijn
aandacht
van de algemene en systematische hervormingsmaatregelen naar de
individuele
bijdragen aan dit gedenkwaardige vreugdevuur. In veel gevallen waren
die
zeer amusant. Een arme kerel gooide er zijn lege portemonnaie in en een
ander een bundel valse of verlopen bankbiljetten. Chique dames gooiden
hun hoeden van het laatste seizoen in het vuur, samen met stapels
linten,
gele kant, en nog veel meer halfsleetse modeartikelen, die allen in het
vuur zelfs nog vluchtiger bleken dan ze in de mode waren geweest. Een
menigte
geliefden van beide seksen - afgewezen meisjes of vrijgezellen, en
stellen
die genoeg van elkaar hadden - gooiden er pakken geparfumeerde brieven
en dweperige sonnetten in. Een broodpoliticus, door verlies van zijn
functie
van zijn dagelijks brood beroofd, gooide er zijn tanden in, die ook nog
eens vals bleken te zijn. De weleerwaarde Sydney Smith - die voor dat
doel
alleen, de hele Atlantische Oceaan overgestoken was - naderde het
vreugdevuur
met een bittere grijns en gooide er een aantal afgewezen convenanten
in,
hoewel ze bekrachtigd waren met het grote zegel van een soevereine
staat.
Een jongetje van vijf jaar, in de vroegtijdige mannelijkheid van dit
tijdperk,
gooide er zijn speelgoed in; een gediplomeerd student zijn diploma, een
apotheker, geruïneerd door de verbreiding van de homoeopathie,
zijn
hele voorraad drogerij en medicijnen; een geneesheer zijn bibliotheek;
een predikant zijn oude preken; en een keurige heer van de oude school
zijn leerboek der etiquette, dat hij eerder geschreven had ten bate van
de volgende generatie. Een weduwe, die tot een tweede huwelijk besloten
had, wierp stiekem de miniatuur van haar overleden echtgenoot in de
vlammen.
Een jongeman, de bons gegeven door zijn minnares, zou graag zijn eigen
wanhopige hart in de vlammen geworpen hebben, maar kon geen manier
vinden
om het uit zijn borst te rukken. Een Amerikaanse schrijver, wiens
werken
door het publiek genegeerd waren, gooide zijn eigen pen in het
vreugdevuur
en wijdde zich aan een minder ontmoedigende bezigheid. Ik was wat
geschokt,
toen ik toevallig hoorde, dat een aantal jongedames, zeer
achtenswaardig
van uiterlijk, van plan waren hun jurken en onderrokken in de vlammen
te
werpen, en vermoedelijk ook de rest van hun kleren, tezamen met de
manieren,
plichten, functies en verantwoordelijkheden van de andere sekse.
Ik kan niet zeggen
wat zij
met dat plan beoogden, maar mijn aandacht werd plotseling naar een arm,
wanhopig en halfwaanzinnig meisje getrokken, dat poogde, terwijl ze
uitriep
dat zij, dood of levend, het meest waardeloze schepsel was, zichzelf in
het vuur te werpen, temidden van al die verwoeste en gebroken wereldse
rommel. Een goeie kerel rende echter toe om haar te redden.
"Geduld, mijn arm
kind!" zei
hij, terwijl hij haar uit de verwoede omarming van de vernietigende
engel
terugtrok. "heb geduld en onderwerp je aan des Hemels wil. Zolang je
een
levende ziel bezit, kan alles tot de eerste frisheid hersteld worden.
Deze
zaken en scheppingen van de menselijke verbeelding, dienen nergens
anders
voor dan, als zij eenmaal hun tijd gehad hebben, om verbrand te worden.
Maar jouw dag is de eeuwigheid!"
"Ja," zei het
ongelukkige
meisje, wier waanzin nu tot een diepe moedeloosheid leek gedaald
"ja, en het licht van de zon is onzichtbaar gemaakt!"
Nu ging onder de
toeschouwers het
gerucht, dat alle oorlogswapens en munitie in het vreugdevuur gegooid
zouden
worden, met uitzondering van 's werelds voorraad buskruit, die alreeds,
als de meest veilige manier om ervan af te komen, in zee was geloosd.
Dit
bericht leek een grote verscheidenheid aan meningen wakker te roepen.
De
hoopvolle filantropist achtte het een teken dat het nieuwe millennium
reeds
aangebroken was; terwijl mensen van een ander slag, in wier ogen de
mensheid
een geslacht van buldoggen (de Engelsen, noot van de vertaler) was,
voorspelden
dat alle oude dapperheid, bezieling, adeldom, edelmoedigheid en
grootmoedigheid
van het ras zouden verdwijnen; deze eigenschappen hadden als voedsel
namelijk
bloed nodig. Zij stelden zichzelf echter gerust in het geloof dat de
voorgenomen
afschaffing van de oorlog onuitvoerbaar was, hoe lang het ook zou
duren.
Hoe het ook zij,
ontelbare
grote kanonnen, wier donder gedurende lange tijd de stem van de
veldslag
geweest was - de artillerie van de Armada, de belegeringstreinen van
Malborough
en het vijandige geschut van Napoleon en Wellington - werden middenin
het
vuur gerold. Door een onafgebroken aanvoer van brandstoffen was het nu
tot zo'n hevigheid toegenomen, dat brons noch ijzer het konden
weerstaan.
Het was prachtig om te zien hoe deze gruwelijke slachtinstrumenten als
wassen speelgoed wegsmolten. Vervolgens cirkelden de legers der aarde
rond
de vuurhaard en wierpen er, terwijl de militaire kapellen triomfmarsen
speelden, hun musketten en zwaarden in. De vaandeldragers wierpen nog
eenmaal
een blik opwaarts naar hun banieren, allemaal aan flarden geschoten en
beschreven met de namen van overwinningsslagvelden, gaven hen een
laatste
zwaai op de wind en streken hen neer in de vlammen, die hen weggraaiden
in hun jacht naar de wolken. Toen deze ceremonie voorbij was, bleef de
aarde achter zonder enig wapen in haar handen, behalve mogelijk een
paar
oude koninklijke wapens en roestige zwaarden en andere trofeeën
van
de revolutie, in enkele van onze staatsarsenalen. En nu werden de
trommels
geslagen en de trompetten schetterden allen tezamen als een voorspel
voor
de proclamatie van de universele en eeuwige vrede, en de aankondiging
dat
eer niet langer door bloed behaald kon worden, maar dat het menselijk
ras
zich voortaan zou beijveren voor het opperste onderlinge welzijn, en
dat
alleen goedheid, in de toekomstige annalen van de aarde, aanspraak zou
kunnen maken op de lof der dapperheid. Dienovereenkomstig werden de
gezegende
tijdingen verkondigd en ze veroorzaakten een eindeloze vreugde onder
diegenen
die ontzet waren geweest door de gruwel en absurditeit van de
oorlog.
Maar ik zag een
grijnslach
over het verschroeide gezicht van een statige oude commandant glijden -
door zijn door oorlog afgetobde gestalte en rijke militaire dracht had
hij een van Napoleons beroemde maarschalken kunnen zijn - die samen met
de rest van 's werelds soldatendom net zijn zwaard, dat gedurende een
halve
eeuw in zijn rechterhand thuis was geweest, had weggesmeten.
"Welja, welja!"
bromde hij.
"Laat ze maar verkondigen wat ze willen; maar uiteindelijk zullen we
merken
dat heel deze dwaasheid alleen maar meer werk gegeven heeft voor de
wapensmeden
en kanonnengieters."
"Waarom, heer,"
riep ik in
verbazing uit, "verbeeldt u zich dat het menselijk ras ooit weer zover
op zijn schreden naar het verleden zal terugkeren, dat het opnieuw een
zwaard zal smeden of opnieuw een kanon zal gieten?"
"Dat zal niet
nodig zijn,"
merkte iemand die noch een blijk van welwillendheid voelde, noch daar
vertrouwen
in had, schamper op. "Toen Kaïn zijn broer wilde vermoorden, was
hij
ook niet verlegen om een wapen."
"We zullen zien,"
antwoordde
de oud-commandant. "Als ik het mis heb, zoveel te beter, maar naar mijn
mening - zonder dat ik wil pretenderen dat ik over de zaak filosofeer -
ligt de noodzaak van oorlog veel dieper dan deze oprechte heren
veronderstellen.
Wat! Is er soms een slagveld voor al die luttele redetwisten van
individuen,
en zal er niet een groot gerechtshof nodig zijn voor het beslechten van
nationale problemen? Het slagveld is het enige hof waar zulke processen
uitgeprobeerd kunnen worden!"
"U vergeet,
generaal," hernam
ik, "dat in dit gevorderde stadium van beschaving, de Rede en de
Filantropie
tezamen juist zo'n benodigd tribunaal zullen instellen."
"O, dat ben ik
inderdaad vergeten!"
zei de oude krijger, terwijl hij weghinkte.
Het vuur moest nu
aangevuld
worden met materialen die tot nu toe als van nog groter belang voor het
welzijn van de maatschappij werden beschouwd, dan de oorlogsvoorraden,
die wij alreeds vernietigd hadden zien worden. Een groep hervormers was
de hele wereld over gereisd op zoek naar apparaten, waarmee de
verschillende
naties doorgaans de doodstraf ten uitvoer brachten. Een huivering voer
door de menigte toen deze afgrijselijke symbolen naderbij gesleept
werden.
Zelfs de vlammen leken aanvankelijk weg te schrompelen, terwijl ze de
vorm
en moorddadige vernuft van elk in een volle lichtgloed ten toon
spreidden,
wat op zich voldoende was om de mensheid te overtuigen van de
langdurige
en dodelijke dwaling van de menselijke wet. Deze oude werktuigen van
wreedheid
- deze afgrijselijke monsters van techniek - deze uitvindingen, waarvan
het leek dat zij iets ergers dan het menselijk hart nodig hadden gehad
om bedacht te worden, en die zich in de duistere hoeken van oude
gevangenissen
hadden schuilgehouden, het onderwerp van een met doodsangst geslagen
overlevering
- werden nu aan het daglicht gebracht. Beulsbijlen, met de roest van
edel
en koninklijk bloed er nog op, en een uitgebreide verzameling stroppen,
die de adem van proletarische slachtoffers hadden verstikt, werden er
tezamen
ingeworpen. Een schreeuw begroette de aankomst van de guillotine, die
naar
voren werd gerold op dezelfde wielen die hem van de ene naar de andere
met bloed bevlekte straat van Parijs hadden gedragen. Maar het luidste
lawaai van applaus, dat de verre hemel de triomf van 's werelds
verlossing
mededeelde, steeg op toen de galgen verschenen. Een onguur uitziende
man
echter, rende naar voren en brulde schor, terwijl hij zich in de baan
van
de hervormers opstelde en met een woeste razernij vocht om hun
voortgang
te verhinderen.
Het was misschien niet
erg verrassend
dat juist de beul zo zijn best zou doen om de machinerie te
rechtvaardigen
en te verdedigen, waarmee hij zelf zijn kost verdiend had en meer
waardevolle
personen hun dood. Maar het verdient een speciale vermelding, dat
mensen
uit hele andere kringen - zelfs uit die klasse aan wier hoede de wereld
geneigd is haar welzijn toe te vertrouwen - de mening van de beul over
de kwestie deelden.
"Wacht, mijn
broeders!" schreeuwde
een van hen. "Jullie zijn misleid door een valse filantropie! jullie
weten
niet wat jullie doen. De galg is een door de Hemel ingesteld
instrument!
Zet het dus eerbiedig terug en plaats het weer op zijn oude plek;
anders
zal de wereld spoedig tot een puinhoop en woestenij vervallen!"
"Voorwaarts,
voorwaarts!"
schreeuwde een leider van de hervorming. "Het vuur in met het
vervloekte
instrument van 's mensens bloedige politiek. Hoe kan het mensenrecht
weldadigheid
en liefde inprenten, terwijl het volhardt in het oprichten van galgen
als
zijn belangrijkste symbool! Nog één duw en de wereld zal
van haar grootste vergissing verlost zijn!"
Duizend handen,
die niettemin
walgden van de aanraking, verleenden hun hulp en smeten de
onheilspellende
vracht ver, heel ver in het midden van de kolkende vuurzee. Daar zag
men
haar noodlottige en verafschuwde beeld, eerst zwart, toen gloeiende
kool
en vervolgens as worden.
"Goed gedaan!"
riep ik uit.
"Ja, dat was goed
gedaan,"
antwoordde - maar met minder enthousiasme dan ik verwachtte - de
bedachtzame
toeschouwer, die nog steeds naast me stond; "goed gedaan, als de wereld
voor deze maatregel maar goed genoeg zou zijn. De dood is echter een
idee
waar je niet gemakkelijk buiten kunt, in elk stadium tussen de
oorspronkelijke
onschuld en die andere zuiverheid en volmaaktheid, waartoe wij
wellicht,
na de hele cirkel doorlopen te hebben, zijn voorbestemd die te
bereiken.
Maar het is in elk geval goed dat het experiment nu uitgeprobeerd
wordt.
"Te koud, te
koud!" riep de
jonge vurige leider in zijn triomf ongeduldig uit. "Laat het hart hier
net zo goed als het intellect aan het woord. En laat wat betreft de
rijpheid
- en wat betreft de vooruitgang - de mensheid altijd het hoogste, beste
en edelste doen, waar zij zich in elke willekeurige periode van bewust
is geworden. Dat kan dan nooit verkeerd of op een verkeerd tijdstip
zijn."
Ik weet niet of
het de opwinding
van het tafereel was of dat de eerbare mensen rond het vreugdevuur echt
elk moment meer verlicht werden; maar zij namen vervolgens maatregelen
waar ik nauwelijks op voorbereid was om daar tot het eind in mee te
gaan.
Sommigen gooiden bijvoorbeeld hun trouwboekjes in de vlammen en
verklaarden
zichzelf tot kandidaat voor een hoger, heiliger en veelomvattender
vereniging,
dan diegene die vanaf de aanvang van de tijd, in de vorm van de
echtelijke
band had bestaan. Anderen haastten zich naar de kluizen van de
banken
en de geldkisten van de rijken - die allemaal, voor deze voorbestemde
gelegenheid,
voor de eerste de beste openstonden - en voerden hele balen papiergeld
aan om het vuur weer leven in te blazen, en tonnen munten om te laten
versmelten
in de hevigheid van de gloed. Voortaan, zeiden ze, zou de universele
goedheid,
ongemunt en onuitputtelijk, de gulden valuta van de wereld zijn. Bij
deze
tijding trokken de bankiers en beursspeculanten bleek weg; en de
zakkenroller,
die een grote oogst onder de menigte had buitgemaakt, viel in een
dodelijke
flauwte neer. Een paar zakenmensen verbrandden hun aantekenboeken en
grootboeken,
de rekeningen en obligaties van hun crediteuren en alle andere
bewijsstukken
van schulden aan henzelf; terwijl misschien een zelfs nog groter aantal
hun hervormingsijver bevredigden met het opofferen van elke
onbehagelijke
herinnering aan hun eigen schulden. Toen steeg er een kreet op, dat het
moment was aangebroken waarop de akten van eigendom van grondbezit aan
de vlammen prijsgegeven zouden worden, waarmee hele aardbodem weer aan
de gemeenschap, van welke het abusievelijk onttrokken was en uiterst
onevenredig
over individuen was verdeeld, zou vervallen. Een andere groep eiste dat
alle geschreven grondwetten, officiële regeringsformaliteiten,
wetgevende
akten, de gezamenlijke landswetten, en al het andere waarop de
menselijke
vindingrijkheid het gewaagd had de stempel van zijn willekeurige wetten
te drukken, tegelijkertijd vernietigd zouden worden, en daarmee de
voleindigde
wereld net zo vrij zouden achterlaten als de eerstgeschapen mens.
Of er aangaande
deze voorstellen
uiteindelijk enige actie werd ondernomen, is mij niet bekend; want net
op dat moment waren er andere zaken gaande die mijn sympathie meer
deelden.
"Kijk, kijk! wat
een stapels
boeken en brochures!" schreeuwde iemand, die kennelijk geen liefhebber
van litteratuur was. "Nou zullen we een fantastische fik krijgen!"
"Dat is het hem
net," sprak
een moderne filosoof. "Nu zullen we verlost worden van het gewicht van
het denken van de doden, dat tot nu toe zo zwaar op het levende
intellect
heeft gedrukt, dat het niet tot enige zelfwerkzaamheid in staat is
geweest.
Goed gedaan, m'n jongens! In het vuur ermee! Nu verlichten jullie
inderdaad
de wereld!"
"Maar wat moet er
van de Handel
terechtkomen?" riep een razende boekverkoper uit.
"O, laten zij
vooral hun handel
vergezellen," merkte een schrijver koeltjes op. "het zal een
indrukwekkende
brandstapel worden!"
De waarheid was,
dat het menselijk
soort nu een stadium in de vooruitgang had bereikt, zover voorbij het
punt
waarover de meest wijze en gevatte mensen uit voorbije tijden ook maar
hadden kunnen dromen, dat het een duidelijke absurditeit zou zijn
geweest
om de aarde nog langer te belasten met hun armzalige prestaties op
litterair
gebied. Bijgevolg had een gedegen en vorsend onderzoek de boekwinkels,
de boekkiosken, openbare en privé-bibliotheken en zelfs de
boekenplank
bij de haard, afgezocht en men had 's werelds volledige hoeveelheid
gedrukt
papier meegebracht, gebonden of in losse vellen, om de alreeds
torenhoge
massa van ons roemrijke vreugdevuur te doen zwellen. Dikke, zware
folianten,
het werk bevattend van lexicografen, commentatoren en encyclopedisten,
werden erin gesmeten en terwijl ze met een loodzware bons tussen de
gloeiende
sintels vielen, smeulden ze, als rot hout, weg. De kleine rijk vergulde
Franse boekdelen van de afgelopen eeuw, met de honderden banden van
Voltaire,
verdwenen in een schitterende vonkenregen en kleine vlammenschichten;
terwijl
de hedendaagse litteratuur van datzelfde land rood en blauw brandde,
een
hels licht op de gezichten van de toeschouwers wierp en hen allen
veranderde
in bontgekleurde duivels. Een verzameling Duitse verhalen zond een geur
van zwavel uit. De Engelse standaardschrijvers vormden een uitstekende
brandstof, en vertoonden over het algemeen de eigenschappen van
degelijke
eiken houtblokken. Met name de werken van Milton zonden een krachtige
gloed
omhoog en kleurden geleidelijk rood, wat beloofde dat ze het langer dan
welk ander materiaal van de stapel dan ook, zouden uithouden. Uit
Shakespeare
gutste een vlam van zulk een pracht dat mensen hun ogen ervoor afdekten
als voor de kracht van de middagzon; zelfs toen de werken van zijn
eigen
commentatoren op hem geworpen werden hield hij niet op een verblindende
straling van onder uit de zware hoop te flitsen. Ik geloof dat hij nog
steeds even hevig gloeit als ooit.
"Kon een dichter
maar zijn
licht opsteken aan die schitterende vlam," merkte ik op, "dan zou hij
zijn
middernachtelijke lampolie tenminste voor een goed doel gebruiken."
"Dat is nou juist
wat de moderne
dichters tezeer geneigd zijn te doen, of in ieder geval pogen te doen,"
antwoordde een criticus. "Het belangrijkste profijt dat je van deze
vlammenzee
van de voorbije litteratuur kunt verwachten is ongetwijfeld, dat
schrijvers
voortaan gedwongen zijn hun licht op te steken bij de zon of de
sterren.
"Als ze zo hoog
kunnen reiken,"
zei ik. "Maar die taak vraagt om een reus, die naderhand het licht
onder
zijn minderen kan uitdelen. Niet iedereen kan zoals Prometheus, het
vuur
uit de hemel stelen; maar als hij die daad eenmaal verricht heeft,
zouden
er duizend harten door kunnen ontvlammen."
Het verbaasde me
zeer te merken
hoe vaag de verhouding tussen de stoffelijke massa van een willekeurige
schrijver en de eigenschap van een schitterende en langdurige
verbranding
was. Er was bijvoorbeeld nog geen kwartoboek van de afgelopen eeuw -
trouwens
ook niet van de huidige - dat het kon opnemen, in het bijzonder, met
een
klein goud-op-snede kinderboek, dat de "Sprookjes van Moeder de Gans"
bevatte.
Het "Leven en Dood van Klein Duimpje" ging langer mee dan de biografie
van Malborough. Een heldendicht - trouwens een dozijn ervan -
veranderde
in witte as, voordat ook maar een vel van een oude ballade half
verteerd
was. In meer dan een geval, terwijl toegejuichte gedichtenbundels tot
niet
meer in staat bleken dan een verstikkende rook, steeg een
veronachtzaamd
liedje van een of ander naamloze zanger - misschien uit een hoekje van
de krant - op naar de sterren, met een even schitterende flakkering als
die van henzelf. Nu ik het over de eigenschappen van de vlammen heb,
zond
volgens mij Shelley's poëzie een helderder licht uit dan bijna
alle
andere voortbrengsels uit zijn tijd, prachtig contrasterend met de
grillige
en felle schijnsels en golven van zwarte damp, die uit de boekdelen van
Lord Byron flitsten en kolkten. Wat Tom Moore betreft, sommige van zijn
liederen verspreidden een geur als van een brandende medicijnpil.
Ik stelde een
bijzonder belang
in het aanschouwen van de verbranding van Amerikaanse schrijvers en ik
hield met mijn horloge nauwgezet de precieze tijdsduur bij waarin de
meeste
van hen van armoedig gedrukte boeken veranderden in niet te
onderscheiden
as. Het zou echter boosaardig, zo niet gewaagd, zijn om deze
afschuwelijke
geheimen te verraden, zodat ik mij tevreden zal stellen met op te
merken
dat het niet steevast de schrijver was, die het vaakst door het publiek
in de mond genomen werd, die het er in het vreugdevuur het beste
afbracht.
Ik herinner me in het bijzonder dat een grote hoeveelheid van
uitstekende
ontvlambaarheid ten toon gespreid werd door een dunne dichtbundel van
Ellery
Channing; hoewel er, om de waarheid te spreken, bepaalde delen waren
die
op een zeer onaangename manier sisten en sputterden. Er deed zich een
ook
merkwaardig verschijnsel met betrekking tot verschillende, zowel eigen
als buitenlandse schrijvers, voor. Hun boeken, ofschoon van zeer
respectabel
aanzien, smolten, in plaats van vlam te vatten of zelfs maar hun inhoud
als rook uit te smeulen, plotseling weg, op een wijze die te kennen gaf
dat ze van ijs waren.
Als het geen
gebrek aan bescheidenheid
moge zijn om mijn eigen werken te vermelden, moet ik hier bekennen dat
ik met vaderlijke belangstelling naar ze uitgekeken heb, maar
tevergeefs.
Waarschijnlijk waren zij ook bij de eerste werking van de hitte in damp
overgegaan; ik kan, op z'n best, alleen hopen, dat zij, op hun rustige
wijze, een of twee flonkerende vonken hebben bijgedragen aan de luister
van die avond.
"Helaas, wie ben
ik!" zo beklaagde
een gezette heer met een bril met groene glazen, zichzelf. De wereld is
totaal verruïneerd en er is niets meer om voor te leven! Mijn
levenswerk
is mij afhandig gemaakt. Geen enkel boek meer over om te liefkozen of
voor
de handel!"
"Dat," merkte de
bedaarde
toeschouwer naast mij op, "is een boekenworm - een van die mensen die
geboren
zijn om dode gedachten te herkauwen. Zoals je ziet zijn zijn kleren
bedekt
met het stof van bibliotheken. Hij heeft geen inwendige
ideeënbron;
en ik zie niet, in alle ernst, nu die ouwe voorraad afgeschaft is, wat
er van die arme ziel terecht moet komen. Hebt u een woord van troost
voor
hem?"
"Mijn waarde
heer," sprak
ik tot de wanhopige boekenworm, "is de Natuur niet beter dan een boek?
is het menselijk hart niet dieper dan welk filosofisch systeem dan ook?
is het leven niet overladen met meer lessen dan waarnemers uit
het
verleden in spreuken op hebben kunnen schrijven? Verheug u! Het grote
boek
van de Tijd ligt nog steeds helemaal voor ons open; en als we het juist
lezen, zal het voor ons een boek van eeuwige Waarheid zijn."
"O, mijn boeken,
mijn boeken,
mijn kostbare, gedrukte boeken!" herhaalde de troosteloze boekenworm
weer.
"Mijn enige werkelijkheid was een gebonden boek en nu zullen ze zelfs
geen
schimmig pamflet voor me overlaten!"
In werkelijkheid
daalden nu
de laatste restanten van de litteratuur van alle eeuwen, in de vorm van
een wolk pamfletten van de persen van de Nieuwe Wereld, op de vlammende
stapel neer. Deze werden insgelijks in een ogenblik verteerd en lieten
de aarde, voor de eerste keer sinds de dagen van Cadmus, vrij van de
letterpest
achter - een benijdenswaardig werkterrein voor de schrijvers van de
komende
generatie!
"Welnu! en is er
verder nog
iets te doen?" vroeg ik wat ongerust. "Tenzij we de aarde zelf in de
fik
steken en er vervolgens zelf dapper af de oneindige ruimte in springen,
zie ik niet wat we verder nog kunnen hervormen."
"Je vergist je
vreselijk,
mijn goede vriend," sprak de toeschouwer. "Geloof me, men zal het vuur
niet toestaan te doven zonder dat er een brandstof aan toegevoegd is,
die
vele mensen, die ons tot nu toe een welwillende hand hebben geleend,
zal
verbijsteren."
Er leek nochtans
voor een
korte tijd een rustpauze te zijn ingetreden, waarin de leiders van de
beweging
waarschijnlijk beraadslaagden over wat er verder moest gebeuren.
Intussen
gooide een filosoof zijn theorie in de vlammen; een offer dat, door
degenen,
die het naar waarde wisten te schatten, als het meest opmerkelijke dat
er tot nu toe was gebeurd beschouwd werd. De verbranding was echter
allesbehalve
schitterend. Een paar onvermoeibare mensen, die een moment rust
versmaadden,
hielden zich nu bezig met het verzamelen van alle verdorde en
afgevallen
bladeren van het woud en stookten het vreugdevuur daarmee tot een
grotere
hoogte dan ooit tevoren op. Maar dat was slechts een intermezzo.
"Daar komt de
nieuwe brandstof,
waar ik het over had," sprak mijn metgezel.
Tot mijn
ontsteltenis droegen
de mensen, die nu de lege plek rond het torenhoge vuur naderden,
koorhemden
en andere priesterkleden, mijters, kromstaven en een ratjetoe van
Paapse
en Protestantse symbolen, waarmee het leek dat zij de Acte van Geloof
wilden
vervullen. Kruisen van de torenspitsen van oude kathedralen werden met
even weinig wroeging op de hoop gesmeten, alsof de eerbied van eeuwen,
die in lange stoeten onder de hoogverheven torens voorbijgegaan waren,
niet tegen hen als de heiligste der symbolen op had gezien. Het
doopvont,
waarin de zuigelingen aan God gewijd waren; de wijvaten, waaruit de
Vroomheid
de heilige dronk ontving, werden aan dezelfde vernietiging
prijsgegeven.
Het raakte mijn hart misschien het meest toen ik temidden van deze
gewijde
relikwieën brokstukken van de nederige communiebanken en
onversierde
kansels zag, waarvan ik me realiseerde, dat ze uit de bedehuizen van
New
England gerukt waren. Deze eenvoudige bouwsels hadden alle geheiligde
versierselen,
die hun Puriteinse stichters hadden geschonken, in stand kunnen houden,
zelfs nu het machtige bouwsel van de Sint Pieter zijn rotzooi naar het
vuur van deze verschrikkelijke offerande had gestuurd. Toch voelde ik,
dat dit slechts de uiterlijkheden van de religie waren en heel gerust
door
zielen die heel goed de diepere betekenis ervan beseften, opgegeven
zouden
kunnen worden.
"Het is allemaal
best," zei
ik opgewekt. "De bospaden zullen de gangpaden van onze kathedraal zijn
- het firmament zelve zal het plafond vormen! Waarom zou er een dak
nodig
zijn tussen de Godheid en zijn aanbidders? Ons geloof kan zich best
veroorloven
alle draperieën, die zelfs de heiligste mensen erover heen gegooid
hebben, te verliezen en in zijn eenvoud zal het alleen maar verhevener
zijn. "
"Juist," sprak
mijn metgezel.
"Maar zullen ze hier ophouden?"
De twijfel die in
zijn vraag
schuilde was heel terecht. In de reeds eerder beschreven algehele
boekvernietiging,
was één heilig exemplaar - dat buiten de catalogus van de
menselijke litteratuur en er in zekere zin toch aan het hoofd van stond
- gespaard gebleven. Maar de Titaan der vernieuwing - engel of duivel,
dubbel in zijn natuur en tot daden in staat, die pasten bij beide
karakters
- had eerst slechts de oude en voze vormen van de dingen afgeschud en
had
nu, naar het scheen, zijn gruwelijke hand op de hoofdpijlers, die het
hele
bouwsel van onze morele en spirituele toestand droegen, gelegd. De
bewoners
der aarde waren tezeer verlicht geraakt om hun geloof binnen een vorm
van
woorden af te bakenen, of om het spirituele, door welke analogie met
ons
stoffelijk bestaan dan ook, in te perken. Waarheden, waarbij de hemelen
huiverden, waren nu nog slechts een fabel van 's werelds kindsheid. Wat
bleef er dan anders over als de ultieme offerande van de menselijke
dwaling,
om op de gloeiende kolen van die afschuwelijke stapel gegooid te
worden,
dan het Boek, dat, hoewel het voor de vergangene eeuwen een hemelse
openbaring
was geweest, slechts een stem uit lagere regionen was, gezien het
huidige
menselijke soort? Het werd gedaan! Boven op de vlammende berg van
leugens
en versleten waarheid - zaken die de aarde nooit nodig gehad had of
niet
meer nodig had, of die ze kinderlijk zat was geworden - viel de zware
Kerkbijbel,
dat grote oude boek, dat zolang op het kussen van de katheder gelegen
had
en waar de plechtige stem van de zielenherder op zovele Sabbathsdagen
heilig
uiting aan gegeven had. Zo viel ook de familiebijbel neer, die de reeds
lang begraven patriarch aan zijn kinderen had voorgelezen - in voor- en
tegenspoed, bij de haard en in de zomerse schaduw van de bomen - en die
als een erfstuk van generatie op generatie was overgegaan. Daar viel
het
zakbijbeltje, het kleine boekske, dat de zielsvriend van een of ander
verkreukeld
kind was geweest, dat daaruit moed geput had bij het gevecht op leven
en
dood, en vastberaden beiden het hoofd geboden had in de vaste
overtuiging
van onsterfelijkheid
Dat werd allemaal
in de woeste
en rebelse vuurzee gesmeten; en toen stak een machtige wind op die over
de vlakte huilde, met een zo godverlaten gegier, alsof het de razende
jammerklachten
waren van de Aarde over het verlies van de Hemelse zonneschijn, en het
schudde aan de gigantische vlammenpiramide en joeg de sintels van de
halfverteerde
afschuwelijkheden op de toeschouwers neer.
"Dit is
verschrikkelijk!"
zei ik en ik voelde dat mijn wangen verbleekten en zag eenzelfde
verandering
op de gezichten tegenover me.
"Houdt toch goede
moed," antwoordde
de man die ik al zovaak gesproken had. Hij bleef rustig, met een
eigenaardige
kalmte, naar het tafereel staren, alsof het hem slechts als toeschouwer
aanging. "Houdt goede moed - en juich nog niet teveel; want er is, in
het
resultaat van dit vreugdevuur, veel minder van zowel goed als kwaad,
dan
de wereld zou willen durven geloven."
"Hoe is dat dan
mogelijk?"
riep ik ongeduldig uit. "Heeft het niet alles vernietigd? Heeft het
niet
elk menselijk of goddelijk toevoegsel van onze sterfelijke toestand,
dat
voldoende substantie had om door het vuur aangetast te worden,
opgeslokt
en versmolten? Zal er morgenvroeg voor ons iets beters of slechters dan
een hoop sintels en as zijn overgebleven?"
"Dat zal er
zeker," sprak
mijn ernstige vriend. "Kom morgenvroeg - of wanneer het brandbare
gedeelte
van de stapel helemaal is uitgebrand - maar hierheen en je zult tussen
de as al het waardevolle vinden dat je in de vlammen hebt zien gooien.
Vertrouw me, de wereld van morgen zal zich weer verrijken met het goud
en de diamanten die door de wereld van vandaag weggeworpen zijn. Niet
één
waarheid is vernietigd - noch zo diep begraven onder de as, of zij zal
uiteindelijk weer opgerakeld worden."
Dit was een
vreemde verzekering.
Toch was ik geneigd hem te geloven; des te meer toen ik temidden van de
rondwentelende vlammen een exemplaar van de Heilige Schrift ontwaarde,
waarvan de bladzijden, in plaats van te verkolen, slechts een nog
verblindender
witheid aannamen dan toen ze van de vingerafdrukken van de menselijke
onvolmaaktheid
gezuiverd waren. Bepaalde kanttekeningen en commentaren zwichtten
weliswaar
voor de hevigheid van de vuurtest, maar zonder ook maar aan de
geringste
syllabe die uit de pen van de inspiratie ontvlamd was, schade te
berokkenen.
"Ja - daar is het
bewijs van
wat je zei," antwoordde ik terwijl ik me naar de toeschouwer wendde.
"Maar
als alleen wat slecht is de werking van het vuur kan voelen, dan is
deze
vuurzee zeker van onschatbaar nut geweest. Toch laat u, als ik u goed
begrijp,
een twijfel doorschemeren over het vooruitzicht op het nut dat de
wereld
ervan heeft."
"Luister maar naar
de woorden
van deze helden," sprak hij, terwijl hij wees naar een groep die voor
de
brandende stapel stond. "Mogelijk kunnen zij u onbedoeld iets
leren."
De mensen, die hij
aangewezen
had, waren de onmenselijke en uiterst aardse figuren, die zo furieus
opgetreden
waren bij de verdediging van de galgen - om kort te gaan, de beul,
samen
met de laatste dief en de laatste moordenaar -, die zich alle drie rond
de laatste zuiplap geschaard hadden. Deze laatste gaf vrijgevig de
laatste
fles brandewijn door, die hij uit de alomvattende vernietiging van de
wijnen
en spiritualia had gered. Het kleine en gezellige groepje scheen zich
in
het laatste stadium van moedeloosheid te bevinden, in aanmerking
genomen
dat de gezuiverde wereld wel totaal anders moest zijn dan de wereldbol
die ze tot dan toe gekend hadden en daarom slechts een vreemde en
desolate
verblijfplaats voor mensen van hun slag.
"De beste raad
voor ons allemaal,"
merkte de beul op, "is dat ik jullie - zo gauw we de laatste drup drank
ophebben - mijn drie vrienden, aan een geriefelijk eind zal helpen aan
de dichtstbijzijnde boom en mijzelf dan vervolgens aan dezelfde tak zal
verhangen. Dit is voor ons geen wereld meer."
"Poe, poe, mijn
beste vrienden!"
sprak een persoon met een donkere gelaatskleur, die zich nu bij de
groep
voegde - zijn teint was inderdaad angstaanjagend donker en zijn ogen
gloeiden
met een roder licht dan van het vreugdevuur - "Wees niet zo
terneergeslagen,
mijn beste vrienden; jullie zullen nog goede dagen zien. Er is
één
ding dat die betweters vergeten zijn in het vuur te gooien, en zonder
dat
stelt de hele rest van de brand helemaal niets voor; ja, al hadden ze
de
hele aarde tot as verbrand."
"En wat mag dat
dan wel wezen?"
vroeg de laatste moordenaar benieuwd.
"Wat dacht je van
het menselijk
hart zelf!" sprak de vreemdeling met het donkere gelaat, met een
onheilspellende
grijnslach. "En tenzij zij een manier vinden om die gore krochten te
zuiveren,
zullen daaruit opnieuw alle vormen van kwaad en ellende voortspruiten -
dezelfde oude vormen, of nog ergere - waar ze zich zo'n grote moeite
voor
getroost hebben om die tot as te vernietigen. Ik heb er deze hele
levenslange
nacht bijgestaan en geschaterd in mijn vuistje bij het hele gedoe. O,
geloof
me op mijn woord, 't zal toch weer de oude wereld worden!"
Dit kort
onderonsje verschafte
me een onderwerp voor een langdurige overpeinzing. Wat een droeve
waarheid
- als het waar zou zijn - dat het eeuwenlange streven van de Mens naar
volmaaktheid slechts gediend had om hem de spot van het Beginsel van
het
Kwaad te laten verdienen, omdat er gewoon een dwaling in het werkelijke
fundament van de zaak zit! Het hart - het hart - die kleine
grenzeloze
bol, waarin het oorspronkelijke kwaad huist, waarvan de misdaad en
ellende
van deze uitwendige wereld slechts zinnebeelden waren. Laten we die
inwendige
bol zuiveren en de vele vormen van het kwaad die in de buitenwereld
rondwaren
en die nu bijna onze enige werkelijkheden zijn, zullen tot vage
hersenspinsels
terugkeren en vanzelf verdwijnen. Maar als we niet dieper gaan dan het
verstand en alleen maar met dat instrument trachten te onderkennen en
te
verbeteren wat verkeerd is, zal onze hele inspanning een droom blijken;
zo onwezenlijk, dat het er niets toe doet of de brandstapel, die ik zo
getrouw beschreven heb, wat wij liever een werkelijk gebeuren noemen is
en een vuur dat onze handen verschroeit - of slechts een
fosforescerende
straling en een parabel van mijn eigen brein!
Commentaar:
Het is haast onbeschrijfelijk wat
er,
sinds Hawthorne dit schreef, aan rotzooi, die deze aarde en alle
hoofden
van de mensen bevuilt, is bijgekomen, maar aan de kern van zijn
boodschap
is niets veranderd. De stapel zal alleen hoger worden. Het is
begrijpelijk
en aandoenlijk tegelijk om de twijfel (of de angst om verketterd te
worden?)
te zien die het verbranden van de Bijbel bij hem oproept. Hij
durft
zelfs niet te zien in wat voor verstikkende, stinkende en gore rook die
zou opgaan. Of zou hij dat wel hebben gedurfd als hij het Internet tot
zijn beschikking had gehad?.
Over
Nathaniel Hawthorne
Onderstaande is een
samenvatting van
het essay van Jorge Luis Borges, gepubliceerd in "De cultus van het
Boek",
uitgegeven in 1981 door "De Bezige Bij", ISBN 90 234 1540 en opnieuw in
Borges' werken in 4 delen, deel 3 "De Geschiedenis van de Eeuwigheid en
andere Essays" ISBN 90 234 11773
Commentaar
in blauw
Hawthorne werd in 1804, in de
haven van
Salem, geboren. Salem ging, toen al, gebukt onder twee voor
Amerika
ongewone euvels: het was een heel oude, zij het arme stad; het was een
stad in verval. In die oude, vervallen stad met zijn onvervalste
bijbelse naam woonde Hawthorne tot 1836; hij hield ervan met de trieste
liefde die ons wordt ingegeven door personen die niet van ons houden,
mislukkingen,
ziekten, manieën; in wezen is het geen leugen te zeggen dat hij er
nooit van is weggegaan. Vijftig jaar later, in Londen of Rome,
toefde
hij nog altijd in zijn puriteinse Salem; bij voorbeeld toen hij, midden
in de negentiende eeuw, afkeurde dat beeldhouwers naakten maakten.
Zijn vader, kapitein Nathaniel
Hawthorne,
stierf in 1808, in Suriname, aan de gele koorts; een van zijn
voorvaders,
John Hawthorne, was rechter geweest tijdens de heksenprocessen van 1692
waarbij negentien vrouwen, onder wie een slavin, Tituba, tot de strop
werden
veroordeeld. Tijdens die zonderlinge processen (tegenwoordig kent
het fanatisme andere vormen) ging Justice Hawthorne streng maar
ongetwijfeld
eerlijk te werk. 'Hij blonk zo uit', schreef Nathaniel, onze
Nathaniel,
'in het martelen van heksen, dat we gevoeglijk mogen aannemen dat het
bloed
van de ongelukkigen een smet op hem heeft nagelaten. Een smet zo
diep dat hij nog altijd moet zitten op zijn oude botten, op het kerkhof
in Charter Street, als zij inmiddels niet tot stof zijn vergaan.' Na
dit
schilderachtige detail voegt Hawthorne er aan toe: 'Ik weet niet of
mijn
voorouders berouw hebben gehad en God hebben gesmeekt om erbarmen; ik
doe
het alsnog, namens hen, in de hoop dat iedere vloek die over ons
geslacht
mag zijn gekomen vanaf nu is weggenomen.' Toen kapitein Hawthorne was
gestorven,
trok zijn weduwe, Nathaniels moeder, zich terug in haar slaapkamer, op
de tweede verdieping. Daar lagen ook de kamers van de meisjes,
Louise
en Elizabeth; die van Nathaniel lag op de bovenste verdieping.
Die
mensen aten niet samen en spraken nauwelijks met elkaar; het eten werd
op een blad voor hun deur gezet. Nathaniel bracht de dagen door
met
het schrijven van fantastische verhalen; tegen de avond maakte hij een
wandeling. Deze steelse leefwijze hield hij twaalf jaar
vol.
In 1837 schreef hij Longfellow: 'Ik heb me teruggetrokken, zonder de
geringste
bedoeling om het te doen, zonder het geringste vermoeden dat het me zou
overkomen. Ik heb van mijzelf een gevangene gemaakt, ik heb
mijzelf
opgesloten in een kerker, en nu kan ik de sleutel niet meer vinden, en
ook al was de deur open, dan nog zou ik haast niet naar buiten durven.'
Hawthorne was lang, knap, slank, donker. Hij had de schommelende
gang van een zeeman. In die tijd bestond er (ongetwijfeld tot
geluk
van de kinderen) nog geen kinderliteratuur; Hawthorne had op zijn zesde
Pilgrim's Progress gelezen; het eerste boek dat hij van zijn geld kocht
was The Faerie Queene; twee allegorieën. Ook las hij, al
zeggen
zijn biografen het niet, de bijbel, misschien dezelfde als die welke de
eerste Hawthorne, William Hawthorne, van Wilton, in 1630, tegelijk met
een zwaard, uit Engeland had meegebracht.
Het is bekend dat Hawthorne door
Edgar
Allan Poe werd beticht van allegorisme en dat Poe die activiteit en dat
genre onverdedigbaar achtte. Hawthorne was iemand met een gestadige,
curieuze
fantasie maar hij was, om zo te zeggen, wars van denken. Niet dat
hij dom was; ik bedoel dat hij dacht in beelden, intuïtief, zoals
vrouwen plegen te doen, niet via een dialectisch mechanisme.
Eén
esthetische fout speelde hem parten: het puriteinse verlangen om van
iedere
fantasie een fabel te maken, bracht hem er toe moraliteiten toe te
voegen
die af en toe vervalsend en vervormend werken (voor
de
solipsistische
Borges,
de boekenworm uit Earth's Holocaust in optima
forma, een brein gevuld met woorden, schrijvers en labyrinten, voor wie
slechts boeken zijn wereld en zijn medeschepselen waren, waren
moraliteiten
iets uit een andere wereld). Er zijn schriften bewaard
gebleven
waarin hij, in het kort, plots noteerde; in één ervan,
uit
1836, staat: 'Een slang is toegelaten tot de maag van een man en wordt
door hem van zijn vijftiende tot zijn vijfendertigste gevoed, wat
gepaard
gaat met gruwelijke pijnen.' Dat is genoeg, maar Hawthorne acht zich
verplicht
er bij te zetten: 'Kan misschien een embleem zijn van jaloezie of een
andere
verdorven passie.' Nog een voorbeeld, ditmaal uit 1838: 'Een reeks
vreemde,
geheimzinnige, vreselijke gebeurtenissen laten plaatsvinden die iemands
geluk verwoesten. Deze de schuld laten geven aan geheime vijanden
en uiteindelijk laten ontdekken dat hij zelf de enige schuldige en de
oorzaak
is. Moraal: het geluk zit in onszelf.' Nog één, uit
het zelfde jaar: 'Iemand denkt, als hij wakker is, gunstig over een
ander
en vertrouwt hem volledig, maar hij wordt verontrust door dromen waarin
die vriend zich gedraagt als een doodsvijand. Uiteindelijk blijkt
dat het gedroomde karakter het ware was. De dromen hadden
gelijk.
Verklaring: de waarheid wordt instinctief waargenomen.' Zulke
spelletjes,
zulke kortstondige samenvloeiingen van de imaginaire wereld en de
werkelijke
wereld - de wereld waarvan we tijdens het lezen doen of zij werkelijk
is
- zijn, of lijken ons, modern. Hun oorsprong, hun aloude
oorsprong,
bevindt zich misschien op die plek in de Ilias waar Helena van Troje
haar
kleed weeft, want wat ze weeft is het strijdgewoel en de rampspoed van
de Trojaanse oorlog zelf. Dit detail moet indruk hebben gemaakt
op
Vergilius, want in de Aeneïs staat dat Aeneas, strijder in de
Trojaanse
oorlog, bij de poort van Carthago kwam en in het marmer van een tempel
taferelen uit die oorlog zag uitgehouwen met, te midden van vele andere
krijgersgestalten, ook zijn eigen beeltenis. Hawthorne hield van
dergelijke raakpunten tussen het imaginaire en het werkelijke, van
reflecties
en duplicaties in de kunst; ook kan men uit de schetsen die ik heb
aangehaald
opmaken, dat hij neigde tot de pantheïstische opvatting dat
één
mens de anderen is, dat één mens alle mensen is.
Er is met de schetsen iets
ernstigers
aan de hand dan duplicaties en pantheïsme, ernstiger voor iemand
die
een romanschrijver wil zijn, bedoel ik. Men merkt dat Hawthorne's
prikkel, dat Hawthorne's vertrekpunt, in het algemeen gevormd werd door
een situatie. Door een situatie, niet door een karakter.
Hawthorne
bedacht eerst, misschien onbewust, een situatie en zocht vervolgens de
karakters om deze te belichamen. Zo'n werkwijze kan knappe verhalen
opleveren,
of toelaten, omdat daarin, vanwege de kortheid, het plot zichtbaarder
is
dan de spelers, maar geen knappe romans, waarin de algemene lijn (zo
die
er is) pas zichtbaar wordt aan het eind en één slecht
verzonnen
karakter alle andere in zijn buurt kan aantasten met
irrealiteit.
De wereld van Kafka is het
jodendom, en
die van Hawthorne de toorn en vergelding van het Oude
Testament.
Op dit punt zou ik, zonder ook
maar enigszins
afbreuk aan Hawthorne te doen, een opmerking willen inlassen. De
omstandigheid, de vreemde omstandigheid dat we, in een verhaal van
Hawthorne
dat in het begin van de negentiende eeuw werd geschreven, dezelfde
sfeer
proeven als in de verhalen die Kafka in het begin van de twintigste
eeuw
maakte, mag ons niet doen vergeten dat Kafka's sfeer is gecreëerd,
is bepaald, door Kafka. Wakefield is een voorafschaduwing van
Franz
Kafka, maar deze wijzigt, en verfijnt, de lectuur van Wakefield.
De verplichting is wederzijds, een groot schrijver creëert zijn
voorgangers.
Hij creëert ze en hij rechtvaardigt ze, op de een of andere
manier.
Wat zou, bij voorbeeld, Marlowe zijn zonder Shakespeare?
Schopenhauer heeft de beroemde
woorden
geschreven dat er geen handeling, geen gedachte, geen ziekte bestaat,
die
niet vrijwillig is (ook Schopenhauer was een
gelovige
in de mythe van de vrije wil, de noodlottige erfenis van Augustinus);
als
daarin
een
kern van waarheid zit, zou de gissing passen dat
Nathaniel
Hawthorne zich jarenlang van de maatschappij afzijdig hield opdat in
het
universum, waarvan misschien verscheidenheid het doel is, de unieke
geschiedenis
van Wakefield niet zou ontbreken. Als Kafka dat verhaal had
geschreven,
was het Wakefield nooit gelukt om weer thuis te komen; Hawthorne staat
hem toe naar huis terug te gaan, maar zijn terugkeer is niet minder
jammerlijk
of gruwelijk dan zijn langdurige afwezigheid.
Een parabel van Hawthorne, die op
het
punt stond meesterlijk te zijn maar het niet is omdat zij wordt
ontsierd
door ethische preoccupatie, is Earth's Holocaust, de holocaust van de
Aarde.
Hawthorne heeft zich, hier, laten meeslepen door de christelijke, in
het
bijzonder de calvinistische, doctrine van de ingeboren slechtheid van
de
mens (eigenlijk is het verbijsterend dat Borges
dit
leest, terwijl het er helemaal niet staat) en schijnt niet te
hebben
gemerkt dat zijn parabel over een denkbeeldige verwoesting van alle
dingen
zich niet alleen tot een morele, maar ook tot een filosofische
betekenis
leent. Immers, als de wereld een droom van Iemand is, als er
Iemand
is die ons op dit moment droomt en de geschiedenis van het universum
droomt,
zoals de doctrine van de idealistische school wil, houdt de uitroeiing
van godsdiensten en kunsten, de algemene verbranding van bibliotheken,
niet veel meer in dan de verwoesting van het meubilair van een droom.(Hier
maakt Borges een merkwaardige en fundamentele vergissing. Zijn gedicht
"Ik ben niet eens stof" eindigt hij met de George Berkely-achtige
metafoor:
"Mijn God, mijn dromer, blijf mij dromen". Zijn Dromer droomt Borges,
de
anderen en de wereld, maar niet Borges' gedachten, niet zijn dromen,
niet
zijn emoties, niet zijn angsten en is derhalve niet
verantwoordelijk
voor het ontstaan voor het meubilair van Borges' droom. Dus houdt de
uitroeiing
van godsdiensten en kunsten, en de algemene verbranding van
bibliotheken,
niet veel meer in dan de verwoesting van het meubilair van Borges'
eigen
droom, van zijn eigen hersenspinsels. Het brein waaraan dit meubilair,
waarmee deze wereld bevuild en waardoor deze veranderd is, ontsproten
is,
is het brein van alle toneelspelers, die vergeten zijn dat ze mens
zijn,
met al zijn hersenspinnige en van realiteitszin gespeende gedachten.
Borges
is niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk blind voor wat Hawthorne
in werkelijkheid schrijft). Het brein dat dit meubilair eens
droomde,
zal het opnieuw dromen; zolang het brein blijft dromen, zal er niets
verloren
zijn. Het geloof in deze waarheid, die fantastisch aandoet,
maakte
dat Schopenhauer, in Parerga und Paralipomena, de geschiedenis
vergelijkt
met een kaleidoscoop waarin de figuren veranderen, niet de stukjes
glas,
en met een eeuwige, verwarde tragikomedie waarin de rollen en de
maskers
veranderen, maar niet de spelers (altijd zijn de
spelers in wezen mensen geweest en nog steeds, die zich niet als mens
maar
als toneelspelers op het wereldtoneel gedragen, in de tragische illusie
dat hun spel het leven is, dat hun levensvervulling in hun
maatschappelijke
taak ligt en dat hun masker een onlosmakelijk deel van henzelf is)
en dat de algemene geschiedenis in ieder mens zit, inspireerde Emerson
tot het schrijven van zijn gedicht History.
Wat de fantasie om het verleden
uit te
wissen betreft, ik weet niet of het op z'n plaats is er aan te
herinneren
dat hiertoe driehonderd jaar vóór Christus, met averechts
resultaat, een poging werd gedaan in China. Herbert Allen Giles
schrijft:
'Minister Li Su stelde voor de geschiedenis te laten beginnen met de
nieuwe
monarch, die de titel van Eerste Keizer aannam. Om de ijdele
pretenties
van de oudheid af te kappen, werd de confiscatie en verbranding gelast
van alle boeken, met uitzondering van studieboeken op het gebied van
landbouw,
artsenij en astrologie. Wie zijn boeken verstopte, werd gemerkt
met
een gloeiend ijzer en gedwongen te werken aan de bouw van de Grote
Muur.
Vele kostbare boeken gingen verloren; aan de opofferingsgezindheid en
de
moed (de kortzichtigheid) van anonieme of
onbekende geletterden dankt het nageslacht het (rampzalige)
behoud van Confucius' canon. Volgens zeggen werden er zoveel
literatoren
omgebracht wegens ongehoorzaamheid aan de keizerlijke bevelen, dat er
's
winters meloenen groeiden op de plaats waar zij werden begraven.'
Halverwege
de zeventiende eeuw leefde het plan weer op in Engeland, onder de
puriteinen,
onder Hawthorne's voorouders. 'Op één van de
volksparlementen
die door Cromwell werden bijeengeroepen,' vertelt Samuel Johnson, 'werd
in ernst geopperd de archieven van de Londense Tower te verbranden,
iedere
herinnering aan iets verledens uit te wissen en een heel nieuwe
leefwijze
te beginnen.' Oftewel, het plan om het verleden te vernietigen kwam al
in het verleden voor en vormt - op paradoxale wijze - één
van de bewijzen dat het verleden zich niet laat vernietigen. Het
verleden is onverwoestbaar; vroeg of laat komt alles terug, en
één
van de dingen die terugkomen is het plan om het verleden te
vernietigen. (Als Borges hier stelt dat het
verleden
onverwoestbaar
is, zegt hij met andere woorden, dat hij niet in staat geweest is met
zijn
eigen verleden af te rekenen)
Evenals Stevenson, ook een zoon
van puriteinen,
bleef Hawthorne altijd het gevoel houden dat zijn taak als schrijver
frivool
of, wat erger is, zondig was. In zijn voorwoord bij The Scarlet
Letter
stelt hij zich voor hoe de schimmen van zijn voorouders toekijken
terwijl
hij zijn roman schrijft. Het is een merkwaardige passage.
'Wat
zit hij te doen?' vraagt een aloude schim de andere. 'Hij schrijft
verhalen!
Wat voor bezigheid mag dat wel zijn, wat voor manier om God te eren of
de mensen in zijn tijd en generatie van dienst te zijn? De
ontaarde
had net zo goed violist kunnen zijn.' De passage is merkwaardig omdat
zij
een soort bekentenis inhoudt en duidt op innerlijke scrupules.
Zij
duidt ook op de aloude controverse tussen ethiek en esthetiek of, zo
men
wil, tussen theologie en esthetiek. Een van de eerste
getuigenissen
van deze controverse staat in de Heilige Schrift, waar de mensen
verboden
wordt afgoden te aanbidden. Een andere is die van Plato, die in
boek
X van De Staat als volgt redeneert: 'God schept het Archetype (de
oeridee)
tafel; de timmerman, een kopie.' Een andere is die van Mohammed, die
verklaarde
dat iedere weergave van een levend iets op de dag des Oordeels voor de
Heer moet worden gebracht. De engelen zullen de maker gelasten
haar
te bezielen; hij zal in gebreke blijven en zij zullen hem, voor een
bepaalde
tijd, in de Hel werpen. Sommige moslimgeleerden beweren dat
alleen
afbeeldingen die in staat zijn een schaduw te werpen (sculpturen)
verboden
zijn... Van Plotinus wordt verteld dat hij zich bijna schaamde om in
een
lichaam te wonen en dat hij de beeldhouwers de vereeuwiging van zijn
trekken
ontzegde. Op een keer verzocht een vriend hem zich te laten
portretteren;
Plotinus antwoordde: 'Het is al vermoeiend genoeg deze kopie waarin de
natuur me gevangen houdt te moeten meezeulen. Zou ik ook nog eens
moeten goedvinden dat de afbeelding van die kopie wordt vereeuwigd?'
Nathaniel Hawthorne loste de
moeilijkheid
(die niet denkbeeldig is) op de ons bekende wijze op; hij maakte
moraliteiten
en fabels; hij stelde, probeerde dit althans, de kunst in dienst van
het
geweten. Zo wil hij, om ons tot een enkel voorbeeld te bepalen,
in
de roman The House of the Seven Gables aantonen dat het kwaad dat door
een generatie is bedreven, in de volgende voortleeft en verdergaat, als
een soort geërfde straf. Dat Hawthorne morele doeleinden
nastreefde,
of duldde, ontkracht zijn werk niet, kan het niet ontkrachten. In
de loop van een leven dat minder aan leven dan aan lezen was gewijd,
heb
ik vele malen kunnen constateren dat literaire doeleinden en literaire
theorieën slechts prikkels zijn en dat het uiteindelijke werk ze
doorgaans
loochent of zelfs weerspreekt. Als een auteur iets heeft, zal
geen
enkel oogmerk, hoe onbenullig of onjuist ook, zijn werk op
onherstelbare
wijze aantasten. Een auteur kan last hebben van absurde
vooroordelen,
maar als zijn werk oprecht is, als het beantwoordt aan een oprechte
visie,
kan het niet absurd zijn. Bij Hawthorne was de kiemvisie altijd
waarachtig;
het valse, het eventuele valse, zijn de moraliteiten die hij in de
laatste
alinea stopte of de personages die hij bedacht, die hij in elkaar
zette,
om ze te vertegenwoordigen (dit is de mening van
de amorele Borges, dwalend en verdwaald in zijn eigen labyrinten, de
wereldvreemde
bibliothecaris, de tragische zoeker, die nooit gevonden heeft en die in
zijn gedicht "De wroeging" schrijft: "Ik heb de ergste zonde begaan,
die
een mens kan begaan. Ik ben niet gelukkig geweest"). De
personages
in The Scarlet Letter - met name Hester Prynne, de heldin - zijn
onafhankelijker,
autonomer, dan die in zijn overige werk; zij lijken doorgaans op de
bewoners
van de meeste romans en zijn niet louter projecties van Hawthorne, in
lichte
vermomming. Johnson merkt op dat geen enkele schrijver er van houdt
iets
aan zijn tijdgenoten verschuldigd te zijn; Hawthorne ging aan ze
voorbij
zoveel hij kon. Misschien deed hij daar goed aan; misschien
lijken
onze tijdgenoten - altijd - te veel op ons, en wie naar nieuwe dingen
zoekt
zal die eerder vinden bij de Ouden. Hawthorne, aldus zijn
biografen,
las De Quincey niet, las Keats niet, las Victor Hugo niet - die elkaar
evenmin lazen. Groussac duldde niet dat een Amerikaan wel eens
origineel
kon zijn; in Hawthorne laakte hij 'de opvallende invloed van Hoffmann',
een uitspraak die gebaseerd lijkt op een gelijk verdeelde onbekendheid
met beide auteurs. Hawthorne's verbeelding is romantisch; zijn
stijl
past, enkele uitwassen ten spijt, bij de achttiende eeuw, bij het
zwakke
einde van de bewonderenswaardige achttiende eeuw.
De wereld van dromen is de wereld
van
Hawthorne. Hij nam zich ooit voor een droom te schrijven, 'die
moest
zijn als een echte droom, en het gebrek aan samenhang, de
eigenaardigheden
en de ongerichtheid van dromen moest bezitten' en bij verbaasde zich er
over dat niemand, tot op de dag van toen, iets dergelijks had
gedaan.
In het zelfde dagboek waarin hij dit vreemde plan optekent - door onze
hele 'moderne' literatuur vergeefs nagestreefd en, misschien, alleen
verwezenlijkt
door Lewis Caroll - noteerde hij duizenden dagelijkse impressies,
kleine
concrete observaties (het gedrag van een kip, de schaduw van een tak op
de muur) die zes delen beslaan en in hun onverklaarbare overvloed de
schrik
van alle biografen zijn. 'Het zijn net plezierige, maar
overbodige
brieven,' schrijft Henry James, onthutst, 'die iemand zichzelf heeft
geschreven
met het voornemen niets compromitterends te zeggen uit angst dat ze op
het postkantoor zullen worden opengemaakt.' Ik voor mij houd het er op
dat Nathaniel Hawthorne deze trivialiteiten al die jaren registreerde
om
zichzelf te bewijzen dat hij echt was, om zich op de een of andere
manier
te bevrijden van het gevoel van onwezenlijkheid, van schimmigheid, dat
hem placht te bekruipen.
Op een dag in 1840 schreef hij:
'Hier
ben ik, op mijn gebruikelijke kamer, waar ik altijd lijk te zijn.
Hier heb ik vele verhalen geschreven, veel die ik later heb verbrand,
veel
die ongetwijfeld dat zelfde vurige lot verdienen. Dit is een
behekste
kamer, want haar ruimte is bevolkt geweest door duizenden en nog eens
duizenden
visioenen, waarvan enkele nu zichtbaar zijn voor de wereld. Soms
dacht ik in mijn graf te liggen, bevroren, stilgevallen, verstijfd; dan
weer dacht ik gelukkig te zijn... Nu begin ik te begrijpen waarom ik al
die jaren gevangen zat in deze eenzame kamer en waarom ik de
onzichtbare
tralies niet kon breken. Als het me eerder gelukt was te
ontsnappen,
zou ik nu hard en ruw zijn, bedekt met aards stof, en mijn hart zou
zijn
vereelt... Wij zijn waarlijk slechts schimmen...'
In de regels die ik zojuist
citeerde,
heeft Hawthorne het over 'duizenden en nog eens duizenden
visioenen'.
Misschien is dit niet overdreven; de twaalf delen van Hawthorne's
complete
werken zijn er maar een paar van de zeer vele die hij in zijn dagboek
schetste.
(Tussen de voltooide zit er één - Mr. Higginbotham's
Catastrophe
- dat een voorafschaduwing is van de detective story die Poe zou
uitvinden.)
Miss Margaret Fuller, die hem leerde kennen in de utopische gemeenschap
van Brook Farm, schreef later: 'Van die oceaan hebben we maar een paar
druppels gehad', en Emerson, ook met hem bevriend, meende dat Hawthorne
nooit het volle pond heeft gegeven. Hawthorne trouwde in 1842,
dat
wil zeggen, toen hij achtendertig was; tot dan toe was zijn leven bijna
zuiver imaginair, mentaal, geweest. Hij werkte bij de Bostonse
douane,
was consul van de Verenigde Staten in Liverpool, woonde in Florence, in
Rome en in Londen, maar zijn werkelijkheid was, altijd, de ijle,
schemerige
of maanachtige, wereld van de fantastische verbeelding.
Hawthorne stierf op 18 mei 1864,
in de
bergen van New Hampshire. Zijn dood was kalm en mysterieus, want
zij kwam in de slaap. Niets belet ons ons voor te stellen dat hij
dromend stierf en wij kunnen zelfs de geschiedenis die hij droomde - de
laatste van een onafzienbare reeks - verzinnen en de wijze waarop de
dood
haar bekroonde of uitwiste.