Het
EVANGELIE
van THOMAS
De verklaring
van de
geheime woorden
De TAO TE CHING
van LAO TZU
|
Geen
copyright. Mag
vrij en onbeperkt, gekopiëerd en zoveel mogelijk
geciteerd worden. Het staat iedereen vrij om alles wat hier staat
zonder
toestemming te verspreiden, maar wees zo attent wel te verwijzen naar
www.evangelievanthomas.net
|
|
Jean-Jacques
Rousseau
Vertoog
Dat
de
prijs
van
de Academie
van Dijon heeft gewonnen
In het jaar 1750
Op de
door de Academie gestelde vraag:
Of het herstel
van de
wetenschappen
en de kunsten heeft bijgedragen tot de
zuivering van
de zeden
Barbarus hic ego sum quia non intelligor
illis,
(Hier ben ik, een barbaar, omdat zij mij
niet begrijpen) Ovidius
Titelpagina
van de eerste uitgave
Openbare
en
Universiteitsbibliotheek,
Genève.
INHOUDSOPGAVE
Voorbericht
Inleiding
Vertoog
Deel Een
Deel Twee
VOORBERICHT
Wat is beroemdheid? Ziehier het armzalige werk
waar ik de mijne aan te
danken heb. Het is zeker dat dit stuk, dat mij een prijs heeft
opgeleverd en naam heeft laten maken, op zijn hoogst middelmatig is en
ik durf daar aan toe te voegen dat het een van de mindere van de
verzameling is. Welke poel van ellende had de schrijver kunnen
vermijden, als dit eerste boek was ontvangen zoals hij dacht dat het
verdiende? Maar het was kennelijk nodig dat ik me, door een
aanvankelijk onterecht gunstig onthaal, geleidelijk een nog meer
onterechte meedogenloosheid op de hals haalde.
INLEIDING
Ziehier een van de grootste en belangrijkste
vragen die ooit zijn
opgeworpen. Het gaat in dit Vertoog niet over de metafysische
scherpzinnigheden, die in alle onderdelen van de litteratuur zijn
doorgedrongen, en waar de academische leerplannen niet altijd vrij van
zijn; maar het gaat om een van die waarheden, waar het geluk van de
mensheid van afhangt.
Ik voorzie dat men mij, het standpunt dat ik
in heb durven nemen,
maar moeilijk zal vergeven. Omdat het indruist tegen alles wat
hedentendage door de mensen wordt bewonderd, kan ik alleen maar
algemene afkeuring verwachten; en het feit dat ik met de goedkeuring
van enkele wijze mensen ben vereerd, wil niet zeggen dat ik op de
goedkeuring van het publiek moet rekenen: maar ik heb mijn standpunt
ingenomen; het gaat er mij niet om de geleerden te behagen, noch de
bekende mensen. Er zullen te allen tijde mensen zijn, die aan de
meningen van hun tijd hechten, van hun land en van hun maatschappij:
dat bepaalt tegenwoordig de vrijdenker en de filosoof, die om dezelfde
reden, in de tijd van de Liga (XVIe eeuw), niet meer dan dwepers zouden
zijn geweest. Het heeft het geen zin om voor dergelijke lezers te
schrijven, als men verder dan zijn eigen tijd wil kijken,
Nog een enkel woord en dan hou ik op. Omdat ik
maar weinig rekening had
gehouden met de eer die mij te beurt is gevallen, heb ik, nadat ik het
had ingestuurd, dit Vertoog zodanig gewijzigd en aangevuld, om er tot
op zekere hoogte een ander werk van te maken; ik denk dat ik op dit
moment verplicht ben het, tot de staat waarin het bekroond is, terug te
brengen. Ik heb er alleen wat aantekeningen aan toegevoegd en heb twee
gemakkelijk herkenbare toevoegingen laten staan, die de Academie
misschien niet goedgekeurd zou hebben. Ik heb bedacht dat de
billijkheid, de eerbied en de erkenning, deze inleiding van mij vragen.
HET VERTOOG
Decipimur
specie
recti.
Wij laten ons door de schijn van het goede
misleiden, (Horatius).
Heeft het herstel van de wetenschappen en de
kunsten heeft bijgedragen
tot de zuivering van de zeden? Daar gaat het in dit onderzoek over.
Welk standpunt ik in dit vraagstuk moet innemen? Datgene, mijne heren,
dat past bij een oprecht man die niets weet, en zich daar niet minder
in vindt.
Ik besef dat het niet eenvoudig is om hetgeen
ik wil zeggen, voor de
rechtbank waar ik voor verschijn, aanvaardbaar te maken. Hoe zal ik de
wetenschappen durven laken ten overstaan van een van de meest geleerde
genootschappen van Europa, hoe moet ik voor een befaamde Academie de
onwetendheid prijzen, en hoe moet ik de verachting voor de studie met
de achting voor ware geleerden verzoenen? Ik heb die tegenstrijdigheden
onder ogen gezien, en heb me daar niet door af laten schrikken. Het is
niet de wetenschap die ik aanval, zei ik tot mijzelf; het is de deugd
die ik, ten overstaan van deugdzame mensen, verdedig. Rechtschapenheid
is voor rechtschapen mensen meer dierbaar, dan geleerdheid voor
geleerden. Waar heb ik dan voor te vrezen? De kennis van de Vergadering
die mij aanhoort? Dat geef ik toe, maar niet voor de mening van de
spreker, maar voor de inhoud van het vertoog. Rechtvaardige vorsten
hebben nooit geaarzeld zichzelf in twijfelachtige woordentwisten te
veroordelen; en de meest gunstige voorwaarde voor een juiste
beoordeling is als men zich moet verdedigen tegenover een oprechte en
verlichte groep rechters, die over zijn eigen zaak oordeelt.
Bij deze drijfveer die mij moed geeft, komt
nog een andere die voor mij
de doorslag geeft: namelijk, dat er, omdat ik naar mijn natuurlijke
kennis, de zaak van de waarheid heb verdedigd, hoe het voor mij ook mag
aflopen, er één beloning is die mij niet kan ontgaan: die
zal ik in het diepst van mijn hart vinden.
DEEL EEN
Het is een groots en fraai schouwspel om de
mens op enige wijze door
zijn eigen inspanningen uit het niets tevoorschijn zien komen; te zien
hoe hij, met behulp van het licht van de rede, de duisternis waarin de
natuur hem had gedompeld, verdrijft; hoe hij boven zichzelf uitstijgt;
hoe hij zich met zijn geest tot in de hemelse gewesten verheft; hoe
hij, net als de zon, met reuzenpassen de wijde uitgestrektheid van het
universum doorkruist; en wat nog grootser en moeizamer is, hoe hij weer
in zichzelf keert om de mens, zijn natuur en zijn plichten te
bestuderen en zijn einde te leren kennen. Al die wonderen zijn de
laatste paar generaties in ere hersteld.
Europa was in de barbarij van de vroegste
tijden teruggevallen. De
volkeren van dat werelddeel, die hedentendage zo verlicht zijn, leefden
een aantal eeuwen geleden, in een nog beroerdere toestand dan die van
onwetendheid. Ik weet niet welk wetenschappelijk jargon, nog
verachtelijker dan de onwetendheid, zich wederrechtelijk de naam van
kennis had toegeëigend, en op zijn beurt een vrijwel
onoverkomelijke hindernis opwierp. Er was een omwenteling nodig om de
mensen weer het gezonde verstand bij te brengen; dat kwam uiteindelijk
van een kant waar men het het minst van had verwacht. Het was de domme
Muzelman, de eeuwige gesel van de letteren, die bij ons voor de
wedergeboorte van het gezonde verstand zorgde. De val van de troon van
Constantinopel bracht de wrakstukken van het oude Griekenland naar
Italië. Vervolgens verrijkte Frankrijk zich met die kostbare
overblijfselen. Weldra werden de letteren door de wetenschappen
gevolgd; bij de schrijfkunst voegde zich de kunst van het denken; een
opeenvolging die vreemd lijkt, maar die wellicht maar al te natuurlijk
is; en men begon het voornaamste voordeel in te zien van de omgang met
de Muzen, dat de mensen meer sociabel maakt door hen met het verlangen
te bezielen om elkaar, door middel van daden die hun wederzijdse
goedkeuring droegen, te behagen.
De geest heeft net als het lichaam zijn
behoeften. Die van het lichaam
vormen de fundamenten van de maatschappij, de andere vormen de franje.
Terwijl de regering en de wetten de mensen gezamenlijk zekerheid en
welzijn verschaffen, vlechten wetenschappen, letteren en kunsten,
minder dwingend en wellicht machtiger, bloemslingers rond de ijzeren
ketenen, waaronder ze gebukt gaan, smoren in hen het besef van die
oorspronkelijke vrijheid, waarvoor ze geboren lijken te zijn, leren hen
van hun slavernij te houden en veranderen hen in wat men beschaafde
volkeren noemt. De behoefte richtte tronen op; de wetenschappen en
kunsten hebben die bevestigd. Machten der aarde, koester de talenten en
bescherm degenen die ze tot ontwikkeling brengen. Beschaafde volkeren,
woeker met jullie talenten: aan hen, gelukkige slaven, danken jullie
die gevoelige en fijne smaak, waar jullie je op laten voorstaan; die
zachtmoedigheid van karakter en die wellevendheid van zeden, die bij
jullie de onderlinge omgang zo vriendelijk en gemakkelijk maken;
kortom, de schone schijn van al die deugden, zonder dat er ook maar
één te zien is.
Door zo’n soort beschaving, des te
beminnelijker naarmate ze zich
minder laat zien, onderscheidden zich eertijds Athene en Rome in die zo
geroemde dagen van hun luister en pracht: en het is ongetwijfeld door
een dergelijke beschaving, dat onze eeuw en onze natie boven alle
tijden en alle volkeren zullen uittorenen. Een filosofische houding
zonder betweterigheid, een natuurlijke wijze van doen en toch
voorkomend, even ver afstaand van de Teutoonse boersheid als van de
Italiaanse pantomime: ziedaar de vruchten van degelijke studie,
ontwikkeld in de omgang met de wereld.
Wat zou het aangenaam zijn om temidden van ons
te leven, als de
uiterlijke houding altijd de spiegel van onze innerlijke gesteldheid
was; als ons fatsoen deugd was; als wij naar onze leefregels leefden;
als de werkelijke filosofie onafscheidelijk van de titel filosoof was!
Maar zoveel eigenschappen gaan zelden samen, en de deugd doet het
nauwelijks temidden van zoveel praal. Overvloed aan franje geeft blijk
van een mens met smaak; de gezonde en krachtige mens herkent men aan
andere dingen; aan de eenvoudige boerse kleding, en niet aan het
verguldsel van een hoveling, herkent men de kracht en wakkerheid van
het lichaam. Opschik is niet minder vreemd aan de deugd, die de kracht
en wakkerheid van de ziel vormt. De oprechte mens is een atleet die
graag naakt strijdt: hij veracht al die nietswaardige versierselen, die
het gebruik van zijn krachten hinderen, en die voornamelijk zijn
uitgevonden om misvormingen te verbergen.
Voordat de kunst onze manieren had gevormd en
onze hartstochten een
gekunstelde taal had leren spreken, waren onze zeden lomp, maar
natuurlijk; en de verschillende manieren van doen gaven blijk van de
verschillen van karakter. De menselijke natuur was eigenlijk niet beter
dan nu; maar de mensen vonden hun zekerheid in het vermogen elkaar te
kunnen doorgronden, en dat voordeel, waar wij de waarde niet meer van
kennen, bespaarden hen heel wat ondeugden.
Tegenwoordig heerst, omdat meer gezochte
gekunsteldheden en een fijnere
smaak de kunst om principes te behagen hebben verkleind, in onze zeden
een nietswaardige en bedrieglijke eenvormigheid, en lijkt het alsof
alle geesten in eenzelfde smeltpot zijn gegooid: onophoudelijk vereist
de beleefdheid het ene, en het beveelt het fatsoen het andere:
onophoudelijk volgt men gewoonten na, nooit zijn eigen aard. We durven
niet meer te laten zien wat we zijn; en in die eeuwigdurende dwang,
doen de mensen, die de kudde vormen die men maatschappij noemt en zich
dus in dezelfde omstandigheden bevinden, allemaal dezelfde dingen, als
er geen dwingender drijfveren zijn die hen daarvan afhouden. Men weet
dus nooit goed met wie men te maken heeft: en om je eigen vrienden te
kennen moeten er eerst grote dingen gebeuren, dat wil zeggen, als het
niet te laat is, want het is juist nodig om hen vóórdat
die dingen gebeuren te kennen.
Wat een stoet van ondeugden moet die
onzekerheid wel niet begeleiden!
Hoe oprechter vriendschappen, hoe meer echte waardering, hoe hechter
vertrouwen. Achterdocht, ergernis, angst, onverschilligheid,
terughoudendheid, haat en verraad verbergen zich voortdurend onder die
eenvormige en verraderlijke mantel van beleefdheid, onder die zo
geroemde wellevendheid, die wij aan onze verlichte eeuw hebben te
danken. Men zal niet langer de naam van de meester van het universum
met vloeken ontheiligen, maar men zal hem met godslasteringen honen,
zonder dat onze angstvallige oren daardoor worden beledigd. Men zal
zijn eigen bezit roemen, maar men zal dat van de ander kleineren. Men
zal niet zijn vijanden onbeschoft beledigen, maar men zal hem geniepig
belasteren. De nationale haat zal uitdoven, maar dat zal met het
uitdoven van de vaderlandsliefde gepaard gaan. De verachte onwetendheid
zal men door een gevaarlijk pyrronisme vervangen. Er zullen misbruiken
worden afgeschaft, ondeugden onbetamelijk worden gevonden, maar andere
zullen met de naam deugd worden gesierd; en men moet die bezitten of
tenminste doen alsof men ze bezit. Wie maar wil, kan de soberheid van
de huidige wijzen prijzen, maar ik zie daar wat mij betreft alleen maar
een verfijnde onmatigheid in, die mijn lofrede even onwaardig is als
hun kunstmatige eenvoud.
Dat is nou de zuiverheid die onze zeden hebben
bereikt. Zo zijn wij ook
fatsoenlijke mensen geworden. De letteren, wetenschappen en kunsten
moeten zelf maar opeisen wat hun rol in dat zo heilzame werk is
geweest. Ik zal daar alleen een overweging aan toevoegen: stel je voor
dat een inwoner van een ver land zal proberen zich aan de hand van onze
wetenschappen een voorstelling van de Europese zeden te vormen, van de
voortreffelijkheid van onze kunsten, van de welvoeglijkheid van onze
toneelspelen, van de beleefdheid van onze manieren, van de
vriendelijkheid van onze redevoeringen, van onze voortdurende
welwillendheid, en van die rumoerige bijeenkomsten van mensen van alle
leeftijden en standen, die van zonsopgang tot zonsondergang druk bezig
lijken te zijn met elkaar diensten te bewijzen; dan zal die
vreemdeling, dat verzeker ik je, zich een beeld van onze zeden vormen,
dat tegenovergesteld is aan wat ze in werkelijkheid zijn.
Als er geen enkel gevolg is, heeft het geen
zin om naar een oorzaak te
zoeken: maar hier is het gevolg, het werkelijke bederf, duidelijk en
onze zielen zijn in dezelfde mate bedorven als onze wetenschappen en
onze kunsten voortreffelijker zijn geworden. Moet men dan zeggen dat
dit helaas bij onze tijd hoort? Nee, heren, het kwaad dat door onze
ijdele nieuwsgierigheid is veroorzaakt, is even oud als de wereld. De
dagelijkse eb en vloed van de wateren van de oceaan worden even zeker
bepaald door de loop van de ster die ons gedurende de nacht verlicht,
als de lotgevallen van de zeden en de rechtschapenheid door de
vooruitgang van de wetenschappen en de kunsten. Men heeft de deugd zien
vervliegen naarmate hun licht zich verder boven de horizon verhief, en
dattzelfde verschijnsel is in alle tijden en op alle plaatsen
waargenomen.
Kijk maar naar Egypte, die eerste leerschool
van het universum, dat zo
vruchtbare klimaat onder een koperen zon, dat beroemde gewest,
waarvandaan ooit Sesostris vertrok om de wereld te veroveren. Het werd
de moeder van de filosofie, en weldra werd het door Cambyses veroverd,
vervolgens door de Grieken, de Romeinen, de Arabieren en tenslotte door
de Turken.
Kijk maar naar Griekenland, ooit door helden
bewoond die tweemaal
Azië overwonnen, de eerste keer voor Troje en de tweede keer in
hun eigen haardsteden. De opkomende letteren hadden in de harten van
haar inwoners nog geen bederf gezaaid; maar de vooruitgang van de
kunsten, het verval van de zeden en het juk van Macedonië hingen
nauw met elkaar samen; en Griekenland, altijd wijs, altijd weelderig,
en altijd slaaf, onderging in haar omwentelingen slechts een
verandering van meesters. Heel die welsprekendheid van Demosthenes is
nooit in staat geweest het lichaam, door weelde en kunsten verzwakt,
weer leven in te blazen.
Het was ten tijde van Ennius en Terentius dat
Rome, gesticht door een
herder, en door landbouwers beroemd gemaakt, in verval begon te raken.
Maar na een Ovidius, een Catullus, en een Martialis, en die menigte
obscene schrijvers, wier namen de eerbaarheid in rep en roer brachten,
werd Rome, ooit de tempel van de deugd, het toneel van de misdaad, de
schandvlek van de naties en de speelbal van de barbaren. Die hoofdstad
van de wereld zwichtte ten slotte voor het juk, dat het zelf zoveel
volkeren had opgelegd, en de dag vóór haar val had men
zelfs aan een van haar burgers de naam van scheidsrechter van de goede
smaak gegeven.
Wat moet ik zeggen over die wereldstad van het
keizerrijk van het
Oosten, dat door zijn ligging de metropool van de hele wereld leek te
moeten zijn, over dat toevluchtsoord van de, misschien meer uit
wijsheid dan uit barbarij, taboe verklaarde wetenschappen en kunsten
van de rest van Europa. Zie hoe de meest schandelijke losbandigheid en
bederf, verraad, moordaanslagen en de meest afschuwelijke vergiften, en
de samenloop van de meest wrede misdaden, het weefsel van de
geschiedenis van Constantinopel vormden; dat is nou de zuivere bron van
waaruit de kennis, waar onze tijd prat op gaat, is voortgekomen.
Maar waarom zouden we in vervlogen tijden
bewijzen voor een waarheid
zoeken, waarvan wij onder onze eigen ogen levende getuigenissen hebben?
Er bestaat in Azië een onmetelijk gewest waar de hooggeachte
letteren tot de eerste waardigheid van de Staat voeren. Als de
wetenschappen de zeden louteren, als zij de mensen leren hun bloed voor
het vaderland te vergieten, als zij moed aanwakkeren, zouden de
Chinezen wijzen, vrije en onoverwinnelijke wijzen zijn. Maar als er
geen ondeugd is die hen overheerst, geen misdaad bestaat die hen
vertrouwd is; als de kennis van hun ministers, noch de zogenaamde
wijsheid van de wetten, die massa inwoners niet heeft kunnen behoeden
voor het juk van de onwetende en barbaarse Tartaar, waartoe hebben dan
al hun wijzen gediend? Wat voor nut heeft het land dan gehad van de
eerbewijzen waarmee die wijzen zijn overladen? Toch niet dat het door
slaven en schurken bevolkt zou zijn?
Laten wij die beelden, namelijk dat van de
zeden van een klein aantal
mensen, die gevrijwaard van die besmetting door ijdele kennis, door
middel van hun deugden hun eigen geluk hebben gecreëerd en het
voorbeeld van de andere naties, tegenover elkaar zetten. Dat beeld van
de oude Perzen, een bijzondere natie waar men de deugd onderwees zoals
men bij ons de wetenschap onderwijst; dat met zoveel gemak Azië
onderwierp, en dat in zijn eentje zo werd geroemd, dat de geschiedenis
van hun instellingen voor een filosofieroman had kunnen doorgaan. Dat
van de Scythen, die ons zo’n prachtige lofreden hebben nagelaten. Dat
van de Germanen, waar een schrijver, moe van het beschrijven van de
wandaden en gruwelijkheden van een bekwaam, zeer rijk en weelderig
volk, van de weeromstuit de eenvoud, de onschuld en de deugden van
schilderde. Zo is ook Rome, zelfs in de tijd van haar armoede en
onwetendheid, geweest. En tot slot wordt dat beeld tot op heden getoond
door dat kleine eenvoudige land, dat zo om zijn moed wordt geprezen,
omdat het zich door geen enkele tegenspoed heeft laten ontmoedigen, en
dat zo om zijn trouw wordt geprezen, omdat het voorbeeld van de andere
landen het niet heeft kunnen bederven.
Het is niet uit domheid, dat zij aan andere
oefeningen de voorkeur
hebben gegeven boven het oefenen van de geest. Zij wisten wel dat in
andere streken, hun tijd in ledigheid slijtende mensen, hun leven
doorbrachten met het redetwisten over het hoogste goed, over de deugd
en de ondeugd, en dat hoogmoedige redenaars, die zich aan de meest
grootste lofreden overgaven, de andere volkeren met de minachtende naam
van barbaren vernederden; maar ze hebben wel naar hun zeden gekeken en
hebben geleerd op hun eigen leer neer te kijken.
Moet ik vergeten dat het in de schoot van
datzelfde Griekenland was,
dat men die stad zag ontstaan, die net zo befaamd was om haar gelukkige
onwetendheid als om de wijsheid van haar wetten, die Republiek eerder
van halfgoden dan van mensen? wier deugden zo boven die van het mensdom
uittorenden. O Sparta! eeuwige schandvlek van een ijdele leer! Terwijl
de ondeugden, onder leiding van de schone kunsten gezamenlijk Athene
binnendrongen, terwijl een tiran er zo zorgvuldig de werken van de
vorst der dichters bijeenbracht, verjoeg jij de kunsten en de
kunstenaars, de wetenschappen en de geleerden, van je muren.
Dat verschil kenmerkte het resultaat. Athene
werd de zetel van de
beschaving en de goede smaak, het land van redenaars en filosofen. De
sierlijkheid van de gebouwen beantwoordde aan die van de taal. Men zag
er overal het door de meest bekwame meesterhanden bezielde marmer en
schilderslinnen. Uit dat Athene zijn die overrompelende werken
voortgekomen, die alle verdorven tijden tot voorbeeld zullen strekken.
Het beeld van Lacedaemon (Sparta)
is
niet
zo
schitterend. ‘Daar,’
vertelden de andere volkeren, ‘werden de mensen deugdzaam geboren, en
leek het alsof de lucht van het land zelf deugd inblies.’ Van haar
bewoners rest ons slechts de herinnering aan hun heldendaden. Zijn die
gedenktekenen voor ons dan minder waard dan die merkwaardige marmeren,
die Athene ons heeft nagelaten?
Het is waar dat een aantal wijzen de
hoofdstroom hebben weerstaan en
zich in de verblijfplaats van de Muzen voor de ondeugd hebben behoed.
Maar luister naar het oordeel dat de belangrijkste en meest ongelukkige
van hen over de geleerden en kunstenaars van zijn tijd uitsprak:
"Ik heb de dichters bekeken, en ik beschouw
hen als mensen wier
talenten henzelf en anderen bedriegen, die zichzelf voor wijzen
uitgeven, en die men voor zodanig houdt, maar die dat allesbehalve
zijn.”
‘Na de dichters,’ gaat Socrates verder, ‘heb
ik naar de kunstenaars
gekeken. Niemand was meer onbekend met de kunsten dan ik; niemand was
er meer van overtuigd, dat de kunstenaars in het bezit van
verbazingwekkende geheimen waren. Toch heb ik gezien dat hun toestand
niet beter was dan die van de dichters en dat beiden hetzelfde
vooroordeel koesteren. Omdat de meest bekwamen onder hen in hun vak
uitblinken, beschouwen ze zichzelf als de meest wijze onder de mensen.
In mijn ogen heeft die verwaandheid hun kennis ontluisterd, zodat ik,
als ik mij in de plaats van het orakel stel en me afvraag wat ik liever
zou zijn, wat ik ben of wat zij zijn, of ik liever zou weten wat zij
hebben geleerd of beseffen dat ik niets weet, ik mijzelf en God ten
antwoord heb gegeven: Ik wil blijven wat ik ben.
Wij, noch de sofisten, noch de dichters, noch
de redenaars, noch de
kunstenaars, noch ik, kennen het ware, het goede en het schone. Maar
het verschil tussen ons is dat, ofschoon die mensen niets weten, ze
allemaal denken wel iets te weten. Omdat ik daarentegen niets weet, ken
ik in ieder geval ook geen twijfels. Daarom komt die hele uitmuntende
wijsheid die mij door het orakel is geschonken, louter neer op het feit
dat ik er van overtuigd ben, dat ik niet weet wat ik niet ken.’
Zie dus hoe de, naar het oordeel van de goden,
meest wijze onder
de mensen, en de, naar het gevoel van heel Griekenland, meest wijze van
de Atheners, Sokrates, een lofrede op de onwetendheid houdt! Denkt u,
als hij temidden van ons zou herrijzen, dat onze wijzen en onze
kunstenaars hem van inzicht zouden kunnen doen veranderen? Nee, heren,
die rechtvaardige mens zou doorgaan met het verachten van onze ijdele
wetenschappen; hij zou die overvloed van boeken, waar wij aan alle
kanten in verdrinken, niet helpen vergroten, en hij zou alleen maar,
zoals hij als enige voorschrift aan zijn leerlingen en neven al deed,
het voorbeeld en de herinnering aan zijn deugd hebben gegeven. Dat is
de juiste manier om de mensen te onderwijzen!
Sokrates was in Athene begonnen; de oude Cato
ging in Rome verder met
het zich losmaken van de gekunstelde en spitsvondige Grieken, die de
deugd verleidden en de moed van zijn medeburgers deden verslappen. Maar
de wetenschappen, de kunsten en de disputeerkunst hielden nog de
overhand: Rome vulde zich met filosofen en redenaars; men
veronachtzaamde de militaire discipline, men minachtte de landbouw, men
omarmde sekten en vergat het vaderland. De heilige namen vrijheid,
onbaatzuchtigheid en gehoorzaamheid aan de wetten, werden opgevolgd
door de namen Epicurus, Zeno en Arcesilaus. ‘Vanaf het moment dat bij
ons de wijzen begonnen te verschijnen,’ zeiden hun eigen filosofen,
‘zijn de eerzame mensen verdwenen.’ Tot dan toe vonden de Romeinen
bevrediging in het uitoefenen van de deugd; alles ging verloren toen ze
zich op de studie gingen toeleggen.
O Fabricius (Gaius Fabricius Luscinus 3e eeuw v.C.)!
wat
zou
uw
grote
geest hebben gedacht, als u ongelukkigerwijs weer tot leven
gekomen, de praalzuchtige aanblik zou hebben gezien van dat door uw
handen geredde, en door uw eerbiedwaardige naam befaamder dan door al
haar overwinningen, Rome? ‘Mijn God,’ zou u hebben gezegd, ‘waar zijn
de met riet bedekte eenvoudige huizen en haarden gebleven, die ooit
door matigheid en deugd werden bewoond? Wat een rampzalige praal is er
voor die Romeinse eenvoud in de plaats gekomen? Wat is dat voor vreemde
taal? Wat zijn dat voor verwijfde zeden? Wat betekenen die
standbeelden, die schilderingen en die gebouwen? Dwazen, wat hebben
jullie gedaan? Jullie, meesters der naties, hebben je slaaf laten maken
van kleingeestige mensen, die jullie zelf hadden overwonnen? Zijn dat
de redenaars die jullie besturen? Hebben jullie in Griekenland en
Azië jullie bloed vergoten, om bouwmeester, schilders,
beeldhouwers en potsenmakers te verrijken? Vallen de puinhopen van
Carthago ten prooi aan een fluitspeler? Romeinen, haast je om de
amfitheaters te slopen; verbrijzel die standbeelden; verjaag die slaven
die jullie onder het juk houden, en wier rampzalige kunsten jullie
bederven. Laat andere handen maar door ijdele talenten beroemd worden;
het enige talent Rome waardig, is het talent om de wereld te veroveren
en daar de deugd te laten heersen. Toen Cyneas onze Senaat voor een
vergadering van vorsten hield, was hij noch door ijdele praal, noch
door gemaakte bevalligheid, verblind. Hij hoorde niet die kleingeestige
welsprekendheid, die wordt ingestudeerd en de bekoring vormt van
beuzelachtige mensen. Wat zag Cyneas dan wat zo majesteitelijk was? O
burgers, hij zag een schouwspel dat uw rijkdommen, noch uw kunsten ooit
kunnen verschaffen; het fraaiste schouwspel dat ooit onder de hemel is
vertoond, de vergadering van tweehonderd mannen, waardig om Rome en de
aarde te regeren.’
Maar laten wij de afstand van plaats en tijd
overbruggen, en laten wij
in ogenschouw nemen wat er in onze gewesten en onder onze eigen ogen is
gebeurd; of liever, laten we de verfoeilijke beelden, die onze
fijngevoeligheid kwetsen terzijde leggen, en laten wij ons de moeite
besparen om dezelfde zaken onder andere namen te herhalen. Het is niet
zomaar dat ik de schim van Fabricius heb opgeroepen; en wat ik die
grote man heb laten zeggen, had ik dat ook niet in de mond van Lodewijk
XII of Hendrik IV kunnen leggen? Het is waar dat bij ons Sokrates de
gifbeker niet had hoeven drinken; maar hij zou een nog veel bitterder
beker met honende spot, en een honderdmaal ergere verachting dan de
dood, hebben moeten drinken.
Dat is de manier waarop weelde, losbandigheid
en slavernij te allen
tijde de straf zijn geweest voor de hoogmoedige pogingen, die wij
hebben ondernomen, om te ontkomen aan de gelukkige onwetendheid, die de
eeuwige wijsheid ons had toebedeeld. De dichte sluier waarmee zij heel
haar doen heeft bedekt, lijkt een voldoende waarschuwing voor het
gegeven dat zij ons niet voor ijdele onderzoekingen heeft voorbestemd.
Maar is er één van haar lessen waar wij geen voordeel uit
hadden kunnen trekken, of die wij ongestraft in de wind hadden kunnen
slaan? Volkeren, weet dan voor eens en voor altijd dat de natuur jullie
voor de wetenschap heeft willen behoeden, zoals een moeder een
gevaarlijk wapen uit de handen van haar kind rukt; dat alle geheimen,
die zij voor u verborgen houdt, evenzoveel kwaden zijn waar zij u voor
bewaart, en dat de moeite die u ondervindt bij het opdoen van kennis,
niet de minste van haar weldaden is. De mensen zijn verdorven, maar zij
zouden het nog erger zijn, als ze het ongeluk hadden gehad om geleerd
te worden geboren.
Wat zijn deze overwegingen toch vernederend
voor het mensdom! wat moet
dat onze hoogmoed grieven! Wat? zou de rechtschapenheid de dochter van
de onwetendheid zijn? Zouden de wetenschap en de deugd onverenigbaar
met elkaar zijn? Wat voor conclusies zou men niet uit die vooroordelen
kunnen trekken? Maar om deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheden met
elkaar te verzoenen, hoeft men alleen maar de ijdelheid en de
nietszeggendheid te onderzoeken van die hoogmoedige benamingen, die ons
verblinden en die wij zo ongegrond aan de menselijke kennis geven.
Laten wij dus de wetenschappen en kunsten op zichzelf bekijken. Laten
we kijken wat het gevolg van hun ontwikkeling moet zijn: en laten wij
niet meer aarzelen om op alle punten, waarop onze redeneringen met de
historische gevolgtrekkingen overeenkomen, toe te geven.
DEEL TWEE
Volgens een oude overlevering die vanuit
Egypte naar Griekenland was
overgewaaid, was een of andere god die vijandig tegenover de rust van
de mensen stond, de uitvinder van de wetenschappen. Wat moesten de
Egyptenaren, bij wie ze waren ontstaan, zelf dan niet over die
wetenschappen hebben gedacht? Zij zagen de bronnen, de ze hadden
voortgebracht, van nabij. Eigenlijk vindt men, of men nu de
wereldannalen doorbladert, of de onzekere kronieken door filosofische
onderzoekingen vervangt, voor de menselijke kennis geen bron, die aan
het idee dat men zich daar graag van vormt beantwoordt. Astronomie is
uit bijgeloof ontstaan; welsprekendheid, eerzucht, haat en vleierij,
uit de leugen; meetkunde uit gierigheid; natuurkunde uit een ijdele
nieuwsgierigheid; allemaal, en zelfs de zedenleer, uit menselijke
hoogmoed. De wetenschappen en de kunsten danken hun ontstaan dus aan
onze ondeugden: wij zouden minder over hun voordelen twijfelen, als we
ze aan onze deugden hadden te danken.
De zwakke plek van hun oorsprong wordt voor
ons maar al te goed in de
dingen, waar zij zich op richten, weergegeven. Wat zouden de kunsten
ons kunnen schelen, zonder de weelde die hen voedt? Waar zou de
rechtspraak toe dienen, zonder het onrecht van de mensen? Wat zou er
van de geschiedenis worden, als er geen tirannen, oorlogen of
samenzweerders zouden zijn? Kortom, wie zou zijn leven willen slijten
met onvruchtbare bespiegelingen, als iedereen, rekening houdend met
verplichtingen aan het mensdom en aan natuurlijke behoeften, alleen
maar tijd aan het vaderland, de ongelukkigen en zijn vrienden zou
besteden? Zijn wij dus op aarde om, vastgeklonken aan de rand van de
put waarin de waarheid zich heeft teruggetrokken, dood te gaan? Alleen
die overweging al zou iedereen, die zich oprecht door middel van de
filosofie probeert te ontwikkelen, meteen afschrikken.
Wat een gevaren! wat een bedrieglijke wegen in
het onderzoek van de
wetenschappen! Hoeveel dwalingen, duizendmaal gevaarlijker dan de
waarheid nuttig is, moet men overwinnen om de waarheid te bereiken? De
nadelen zijn duidelijk; want de onwaarheid is voor een oneindige
hoeveelheid combinaties ontvankelijk; maar de waarheid bestaat slechts
op één manier. Wie is overigens die man, die de waarheid
oprecht zoekt? wat zijn de kentekenen waaraan hij haar, zelfs met de
beste wil van de wereld, met zekerheid kan herkennen? Wat moet, in de
veelheid van verschillende meningen, ons criterium zijn, om er een
juist oordeel over te vormen? En wat nog het moeilijkst is, als wij de
waarheid gelukkig uiteindelijk vinden, is de vraag wie van ons er een
juist gebruik van zou maken.
Als onze wetenschappen ijdel zijn in het
onderwerp dat ze bieden, zijn
ze nog gevaarlijker door de gevolgen die ze veroorzaken. Ontstaan in
ledigheid, voeden zij op hun beurt die ledigheid; en het onherstelbare
verlies van tijd is de eerste schade die ze noodzakelijkerwijs de
maatschappij aandoen. In politiek, net als in zedelijk opzicht, is het
een groot kwaad om geen goed te doen; en iedere nutteloze burger kan
als een verderfelijk mens worden beschouwd. Geef me dus antwoord,
doorluchtige filosofen: u door wie wij de redenen weten waarom lichamen
elkaar in het luchtledige aantrekken; wat is, in de omwentelingen van
de planeten, de verklaring van de in eenzelfde tijd doorlopen ruimte;
welke kurven hebben gemeenschappelijke punten, buigpunten en
keerpunten; hoe ziet de mens alles in God; hoe staan lichaam en geest
zonder communicatie met elkaar in verbinding, zoals dat met twee
horloges zou zijn; welke sterren zijn bewoonbaar; welke insecten
planten zich op een buitengewone manier voort? Geef me antwoord, vraag
ik u, u van wie wij zoveel uitmuntende kennis hebben gekregen; als u
ons helemaal nooit iets van die zaken had geleerd, zouden wij daar dan
minder talrijk, minder goed geregeerd, minder geducht, minder bloeiend
of minder verdorven door zijn geweest? Kom dus terug op het belang van
jullie voortbrengselen; en als het werk van onze meeste verlichte
geleerden en onze beste burgers ons zo weinig tot nut strekken, vertel
ons dan wat wij van die menigte vage schrijvers en zinloze geleerden
moeten denken, die zinloos het wezen van de Staat verscheuren.
Wat zeg ik, zinloos? God beware dat ze dat
echt zouden zijn! De zeden
zouden dan gezonder en de maatschappij zou vreedzamer zijn. Maar die
ijdele en beuzelachtige hoogdravende redenaars rukken, gewapend met hun
rampzalige paradoxen, van alle kanten op; ondergraven de fundamenten
van het vertrouwen, en vernietigen de deugd. Zij lachen minachtend over
die oude woorden vaderland en
godsdienst, en
zij
wijden hun talenten en
hun filosofie aan het vernietigen en onteren van alles wat de mensen
heilig is. Niet dat ze de deugd en onze dogma’s grondig haten; maar zij
zijn de vijanden van de openbare mening; en om ze voor het altaar op de
knieën te brengen, hoeft men ze alleen maar als atheïsten te
beschouwen. O hartstocht van het beter willen zijn dan anderen, wat
richt jij niet allemaal aan?
Tijdverdrijf is een groot kwaad. In het
kielzog van de letteren en de
kunsten volgt een nog erger kwaad. Dat is de weelde, net als zij
ontsproten aan de ledigheid en ijdelheid van de mensen. Weelde gaat
zelden zonder wetenschappen en kunsten, en zij gaan nooit zonder weelde
gepaard. Ik weet dat onze filosofie, altijd rijk aan merkwaardige
grondregels, tegen de ervaring van alle eeuwen in, voorgeeft dat weelde
de luister van Staten bepaalt; maar zal men, na de noodzaak van de
‘wetten tegen de weelde’ te hebben vergeten, nog durven ontkennen dat
goede zeden niet wezenlijk voor de duurzaamheid van keizerrijken zijn
en dat weelde niet lijnrecht tegenover goede zeden staat? Als weelde
een zeker teken van rijkdom is, en zelfs dient om rijkdom te vergroten:
wat voor gevolgtrekking moet men dan uit die paradox, die zo passend
aan onze tijd is ontstaan, trekken; en wat moet er van de deugd terecht
komen, als men zich tegen elke prijs moet verrijken? De politici van
weleer spraken voortdurend over zeden en deugd; die van ons praten
alleen maar over handel en geld. De een zal je vertellen dat in een
bepaald land een mens het bedrag waard is, waarvoor men hem in Algiers
verkoopt; de ander zal volgens dezelfde berekening landen vinden waar
een mens niets waard is, en andere waar hij nog minder dan niets waard
is. Zij taxeren mensen als kudden vee. Volgens hen is een mens voor de
Staat slechts waard, wat hij verbruikt. Dan zou een Sybariet wel dertig
Lacedaemoniërs waard zijn geweest. Raad dus maar welk van die twee
Republieken, Sparta of Sybaris, door een handvol boeren werd
onderworpen en welke Azië liet sidderen.
De alleenheerschappij van Cyrus werd met
dertigduizend man, door een
vorst die armer dan de minste van de Perzische Satrapen, veroverd; en
de Scythen, het allerongelukkigste van alle volkeren, heeft de
allermachtigste alleenheersers van het universum weerstaan. Twee
vermaarde republieken betwistten elkaar de heerschappij over de wereld;
de een was heel rijk, de ander had niets, en het was de laatste die de
andere vernietigde. Het Romeinse keizerrijk op zijn beurt werd, nadat
het alle rijkdommen van het universum had verzwolgen, de prooi van
lieden die niet eens wisten wat rijkdom was. De Franken veroverden de
Galliërs; de Saksen Engeland zonder andere schatten dan hun moed
en hun armoe. Een horde arme bergbewoners, wier hebzucht zich tot een
aantal schapenvachten beperkte, verpletterde, nadat ze de Oostenrijkse
trots hadden getemd, dat steenrijke en geduchte Huis van Bourgogne, dat
de Europese machthebbers deed sidderen. Tot slot zag de macht en heel
de wijsheid van de erfgenaam van Karel V, gesteund door alle schatten
van Indië, hoe ze door een handvol haringvissers werden
verbrijzeld. Laat onze politici zich verwaardigen hun berekeningen op
te schorten om die voorbeelden te overdenken, en laat ze voor eens en
altijd leren dat men met geld alles kan kopen, behalve zeden en burgers.
Waar gaat het dan eigenlijk om, als we het
over weelde hebben? Het gaat
erom te weten wat voor heerschappijen het meest belangrijk is: om
schitterend en tijdelijk, of deugdelijk en duurzaam te zijn. Ik zeg
schitterend, maar met wat voor schittering? De neiging naar praal
verdraagt zich in dezelfde geesten nauwelijks met die naar oprechtheid.
Nee, het is onmogelijk dat, door een veelheid van onbeduidende zorgen,
ontaarde geesten ooit iets groots zouden hebben; en als zij er de
kracht voor zouden hebben, zou hen de moed ontbreken.
Iedere kunstenaar wil toegejuicht worden. De
lofreden van zijn
tijdgenoten is het meest kostbare deel van zijn beloning. Wat moet hij
dan doen om die te krijgen, als hij per ongeluk is geboren in een volk
en in een tijd, waarin de geleerden in zwang zijn gekomen, die een
kleingeestige jeugd in staat hebben gesteld de toon aan te geven; een
tijd waarin de mensen hun smaak hebben opgeofferd aan de tirannen van
hun vrijheid; waarin een van de seksen niet durft in te stemmen met
hetgeen evenredig aan de lafhartigheid van de andere is, waarin men
meesterwerken van de dramatische dichtkunst laat vallen, en
wonderbaarlijke muziekstukken worden afgewezen? Is dat hetgeen de
kunstenaar zal doen, heren? Hij zal zijn begaafdheid tot het peil van
zijn tijd verlagen, en liever banale werken componeren, die men tijdens
zijn leven zal bewonderen, dan wondermooie, die men pas lang na zijn
dood zal bewonderen. Vertel ons eens, befaamde Arouet (Voltaire),
hoeveel mannelijke en krachtige schoonheden hebt u aan onze valse
verfijning opgeofferd, en hoezeer is die behaagzucht, die in
kleinigheden zo vruchtbaar is, bij u ten koste van uw grootheid gegaan?
Op die manier heeft losbandigheid van de zeden
- een onvermijdelijk
gevolg van weelde - op haar beurt het bederf van de smaak tot gevolg.
Want als er zich onder de uitzonderlijk begaafde mensen zich ook maar
één zou bevinden, die de standvastigheid van geest zou
hebben om te weigeren zich naar de tijdgeest te schikken en zich tot
kinderachtige voortbrengselen te verlagen, wee hem! Hij zal in armoe en
vergetelheid sterven. Ik doe hier geen voorspelling, maar ik vermeld
een ervaring! Carle, Pierre (Vanloo,
schilders), het ogenblik is
gekomen waarop het penseel, dat was bestemd om de grootsheid van onze
tempels door uitmuntende en geheiligde beelden op te hemelen, uit uw
handen zal vallen, of zich zal verlagen om de panelen van een koets met
wulpse schilderingen te versieren. En jij, onnavolgbare Pigalle, rivaal
van Praxiteles en Phidias, jij van wie de ouden de beitel zouden hebben
gebruikt om goden voor hen te beeldhouwen, die in staat zouden zijn
hun, in onze ogen, afgoderij te vergeven, zelfs jouw hand zal zich
uiteindelijk verlagen tot het hakken van een apenbuik, of hij zal
ongebruikt blijven.
Men kan alleen maar zijn gedachten over de
zeden laten gaan, als men er
behagen in schept om aan het beeld van de eenvoud van de
oorspronkelijke tijden terug te denken. Dan ziet men een fraaie kust,
slechts opgesierd door de hand van de natuur, waar onze ogen zich
onophoudelijk naar toewenden, en waar men zich met spijt van afkeert.
Toen de onschuldige en deugdzame mensen nog graag de goden als getuigen
voor hun daden zagen, woonden zij nog samen in dezelfde hutten; maar
zodra ze ongehoorzaam waren geworden, kregen ze genoeg van die
hinderlijke toeschouwers en borgen ze hen in prachtige tempels op. Ten
slotte verjoegen zij hen daaruit om zich er zelf in te vestigen, in
ieder geval onderscheidden de tempels der goden zich niet meer van de
huizen van de burgers. Dat werd dus het toppunt van bederf; en de
ondeugden werden nooit verder doorgevoerd dan, als het ware, aan de
ingang van de paleizen van de Groten zichtbaar was, op marmeren zuilen
en uitgehakt in Corinthische kapitelen.
Terwijl de gemakken van het leven toenamen, de
kunsten zich
ontwikkelden en de weelde zich uitbreidde, kwijnde de ware moed, de
militaire deugden verdwenen en dat was alweer het werk van de
wetenschappen en de kunsten, die zich in het duister van de werkkamers
afspeelden. Toen de Gothen Griekenland teisterden, werden alle
bibliotheken alleen maar van het vuur gered door die mening die door
van een van hen onder hen was gezaaid, namelijk dat men de vijanden de
huisraad moest laten, die zo geschikt is om hen van militaire
oefeningen af te houden, en om hen zich met ledige en huiselijke
bezigheden te laten amuseren. Karel VIII werd meester van Toscane en
het koninkrijk Napels, vrijwel zonder een zwaard te hebben getrokken;
en zijn hele hof droeg aan dat onverwachte eenvoudige succes bij
doordat de vorsten en de adel van Italië zich meer vermaakten met
het vernuftig en geleerd worden, dan dat ze oefenden om krachtig en
strijdlustig te worden. Eigenlijk, zegt de verstandige man, die van
deze twee gebeurtenissen melding maakt, leren alle voorbeelden ons dat,
in die krijgs- en al die daarmee vergelijkbare andere zaken, het
beoefenen van wetenschappen veel meer geschikt is om moed te
verwekelijken en te verwijven, dan om die te versterken en te bezielen.
De Romeinen hebben toegegeven dat bij hen de
militaire deugd uitdoofde
naarmate zij verstand begonnen te krijgen van schilderingen, gravures
en vazen met goudsmeedwerk, en zij met het ontwikkelen van de schone
kunsten begonnen; en hoe, als dat befaamde gewest was voorbestemd om
voortdurend andere volkeren tot voorbeeld te strekken, de opkomst van
de Medici en het herstel van de letteren, opnieuw en misschien voor
altijd, die krijgshaftige naam die Italië een aantal eeuwen eerder
leek te hebben herontdekt, hebben doen verdwijnen.
De oude republieken van Griekenland, met die
wijsheid die in het
grootste gedeelte van hun instellingen schitterde, hadden hun burgers
al die rustige en huiselijke beroepen verboden die, doordat ze het
lichaam verzwakken en bederven, zo gauw de kracht van de geest
verminderen. Met welk oog, denkt men eigenlijk, dat die mensen, die
door de geringste behoefte worden bezwaard en door de geringste moeite
worden afgeschrikt, tegen honger, dorst, vermoeidheid, gevaren en dood
aankijken? Met welke moed zullen soldaten buitensporige inspanningen
doorstaan, waar zij op geen enkele manier aan zijn gewend? Met wat voor
geestdrift zullen zij gedwongen marsen afleggen, onder bevel van
officieren, die niet eens bij machte zijn te paard te reizen? Laat men
mij daar niet de befaamde kracht van al die nieuwerwetse kundig
gedisciplineerde krijgers tegeninbrengen. Men prijst mij wel hun moed
in een veldslag van één dag aan, maar men vertelt mij
niet hoe zij een overmatige inspanning verdragen, hoe zij de strengheid
van de seizoenen en weer en wind weerstaan. Er is maar een beetje zon
of sneeuw, of het verlies van een aantal overbodigheden nodig, om in
een paar dagen het puikje van onze legers te laten verdwijnen en te
vernietigen. Onverschrokken krijgers, durf voor één keer
naar de waarheid, die jullie zo zelden horen, te luisteren: jullie zijn
dapper, dat weet ik; jullie zouden met Hannibal bij Cannes en Trasimene
hebben gezegevierd; Cesar zou met jullie de Rubicon zijn overgestoken
en zijn land hebben bedwongen; maar met jullie was die eerste nooit de
Alpen overgestoken, en had die andere nooit jullie voorvaderen
overwonnen.
Veldslagen bepalen niet altijd het welslagen
van de oorlog, en er
bestaat voor bevelhebbers een vaardigheid, die boven het winnen van
veldslagen uitsteekt. Wanneer zo iemand onverschrokken onder vuur ligt,
wil dat nog niet zeggen dat hij geen slechte officier is: voor de
soldaat zelf, zou misschien een beetje meer kracht en geweld meer
noodzakelijk zijn, dan zoveel dapperheid die hem niet voor de dood
bewaart; en wat maakt het de Staat uit dat zijn troepen door koorts en
kou, of door het staal van de vijand omkomen?
Als de ontwikkeling van de wetenschappen al
nadelig voor de militaire
kwaliteiten zijn, voor de zedelijke kwaliteiten is die ontwikkeling dat
dan nog meer. Van onze eerste kinderjaren af doft een gevoelloze
opvoeding onze geest op en bederft ons oordeel. Ik zie overal enorme
instellingen, waar men met veel moeite de jeugd opvoedt met het doel
hen van alles bij te brengen, behalve hun plichten. Uw kinderen zullen
hun eigen taal negeren, maar zij zullen andere talen spreken, die
volslagen ongebruikelijk zijn: zij zullen verzen maken die ze
nauwelijks zullen begrijpen: niet in staat de dwaling en de waarheid
uit elkaar te halen, bezitten zij de vaardigheid die, onder andere door
middel van schoonschijnende argumenten, onherkenbaar te maken: maar ze
zullen niet beseffen wat die woorden grootmoedigheid, matigheid,
menselijkheid, en moed betekenen; het aangename woord vaderland zal
nooit hun oor strelen; en als ze over God zullen horen spreken, zal het
minder zijn om ontzag voor hem te hebben, dan om bang voor hem te zijn.
Ik zou net zo lief hebben, sprak een wijze, dat mijn leerling zijn tijd
met het kaatsspel zou hebben doorbracht, want daar is zijn lichaam
tenminste meer geschikt voor. Ik weet dat men de kinderen bezig moet
houden, en dat ledigheid voor hen het gevaar is dat het meest te vrezen
valt. Wat moeten zij dan leren? Dat is ongetwijfeld een juiste vraag!
Mogen zij datgene leren wat hen tot mensen maakt; en niet wat ze
behoren te vergeten.
Onze tuinen zijn opgesierd met beelden en onze
galerijen met
schilderijen. Wat denkt u dat die meesterwerken van de kunst
voorstellen, die ter bewondering van het publiek worden tentoongesteld?
De verdedigers van het vaderland? of die nog grotere mannen die ons met
hun deugden hebben verrijkt? Nee. Het zijn beelden van al die
buitensporigheden van hart en verstand, zorgvuldig ontleend aan de oude
mythologie, en vroegtijdig blootgesteld aan de nieuwsgierigheid van
onze kinderen; ongetwijfeld met het doel hen voorbeelden van slechte
daden voor ogen te houden, zelfs vóór ze kunnen lezen.
Waar komt dit oneigenlijke gebruik uit voort,
als het niet door de
rampzalige ongelijkheid komt, die door het onderscheid in begaafdheden
en door verloedering van de zeden zijn ingebracht? Dat is de meest
duidelijke uitwerking van ons leren, en het meest gevaarlijke van alle
gevolgen ervan. Men vraagt niet meer aan iemand of hij eerlijk is, maar
hoe begaafd hij is; niet of een boek nuttig is, maar of het goed is
geschreven. Beloningen worden kwistig aan het vernuft gespendeerd, en
de deugd blijft zonder eerbewijzen. Er bestaan duizend prijzen voor
fraaie vertogen, geen enkele voor goede daden. Maar vertel mij eens, is
de eer, die aan het beste van de vertogen die door de Academie zijn
bekroond, wordt toegekend, vergelijkbaar met de verdienste van het
instellen van die prijs?
De`wijze jaagt het geluk niet na; maar hij is
niet ongevoelig voor
roem; maar als hij ziet hoe mager die wordt toebedeeld, gaat zijn
deugd, die door een geringe wedijver weer tot leven zou zijn gewekt en
de maatschappij tot nut zou hebben gestrekt, kwijnen en sterft in
ellende en vergetelheid weg. Dat is dus wat op den duur overal de
voorkeur voor aangename boven nuttige begaafdheden moet teweegbrengen,
en wat door de ervaring sinds de opleving van de wetenschappen en de
kunsten maar al te zeer is bevestigd. Wij beschikken over
natuurkundigen, meetkundigen, scheikundigen, astronomen, dichters,
musici en schilders; wij hebben geen burgers meer; waar zij ons nog
resten, verstrooid over ons verwaarloosde platteland, gaan zij
noodlijdend en veracht te gronde. Dat is de toestand waarin zij zijn
teruggebracht, dat is de manier waarop wij degenen behandelen, die ons
brood verschaffen en die melk aan onze kinderen geven.
Ik geef echter toe, dat het kwaad niet zo
groot is als het had
kunnen worden. De eeuwige voorzienigheid heeft, door naast
verschillende schadelijke planten eenvoudige heilzame te plaatsen, en
in het gif van een aantal schadelijke dieren het tegengif tegen hun
verwondingen te verschaffen, de heersers, die haar dienaren zijn,
geleerd haar wijsheid na te volgen. Het is naar haar voorbeeld dat die
grote Alleenheerser, wiens roem van geslacht tot geslacht een alleen
maar grotere luister verwerft, juist uit de schoot van de wetenschappen
en de kunsten, bronnen van duizend ongeregeldheden, die beroemde
maatschappijen in het leven riep, die tegelijkertijd zijn belast met
het gevaarlijke voorraadvat van de menselijke kennis, en met het
heilige voorraadvat van de zeden, door de aandacht die zij hadden om
onder hen de volmaakte zuiverheid te bewaren en dat te eisen van de
leden die de wetenschappen en de kunsten ontvingen.
Die wijze instellingen, versterkt door zijn
doorluchtige
opvolger, en nagevolgd door alle vorsten van Europa, dienden op zijn
minst als rem voor geletterden, die allemaal, hunkerend naar de eer tot
de Academies toegelaten te worden, over zichzelf waakten, en die
trachtten die toelating door nuttige werken en onberispelijke zeden
waardig te worden. Die genootschappen, die voor de prijs waarmee zij de
litteraire verdienste honoreerden een keuze maakten uit de onderwerpen
die geeigend zijn om in de harten van de burgers de liefde voor de
deugd op te wekken, lieten daarmee zien dat die liefde bij henzelf
heerste, en verschaften de volkeren het zo zeldzame en zo zoete vermaak
om toe te zien hoe wijze gezelschappen zich wijdden aan het verspreiden
onder de mensen, niet alleen van aangename kennis, maar ook van
heilzaam onderricht.
Men moet nou niet bij mij met een bezwaar
aankomen dat voor mij alleen
maar een nieuw bewijs is. Zoveel bezorgdheid bewijst slechts eens te
meer hoe noodzakelijk het is bezorgd te zijn, want men zoekt niet een
oplossing voor nietbestaande kwalen. Waarom zouden die bovendien, door
hun ontoereikendheid, het kenmerk van alledaagse oplossingen moeten
hebben? Al die instellingen, die ten bate van de geleerden zijn
opgericht, zijn slechts geschikt om wetenschappelijke zaken indruk te
laten maken en meningen naar hun hand te zetten. Gezien de
voorzorgsmaatregelen die men neemt, lijkt het alsof men teveel boeren
heeft en een tekort aan filosofen vreest. Ik wil hier geen vergelijking
tussen de landbouw en de filosofie maken: daar zou men niet tegen
kunnen. Ik zal alleen vragen: wat is filosofie? Wat behelzen de
geschriften van de meest bekende filosofen? Wat zijn de lessen van die
wijsheidsvrienden? Als men ze hoort, zou men ze dan niet voor een troep
charlatans houden, die allemaal voor zich op een openbaar plein
schreeuwen: Kom bij mij, alleen ik bedrieg niet? De een beweert dat
materie niet bestaat en dat alles alleen maar verbeelding is. De ander,
dat er geen andere substantie is dan de materie, noch een andere god
dan de wereld. Deze oppert dat er deugden, noch ondeugden bestaan, en
dat zedelijk goed en kwaad hersenschimmen zijn. Gene, dat mensen wolven
zijn en dat ze elkaar met een gerust geweten kunnen verscheuren. O
grote filosofen! waarom bewaren jullie die nuttige lessen niet voor
jullie vrienden en kinderen; jullie zullen er dan al gauw de beloning
voor krijgen, en wij hoeven niet bang te zijn dat wij onder ons een van
jullie aanhangers zullen aantreffen.
Dat zijn nou die wonderbaarlijke mensen, waar
door hun tijdgenoten
tijdens hun leven zoveel waardering aan is verspild, en aan wie na hun
verscheiden de onsterfelijkheid werd voorbehouden! Dat zijn nou de
wijze geboden die wij van hen hebben gekregen en die wij van geslacht
op geslacht aan onze nakomelingen overdragen. Heeft het heidendom,
overgeleverd aan alle dwalingen van het verstand, aan het nageslacht
ook maar iets nagelaten, dat men kan vergelijken met de beschamende
gedenktekens die de boekdrukkunst, onder de heerschappij van het
Evangelie, hen heeft opgeleverd? De goddeloze geschriften van Leucippus
en Diagoras zijn samen met hun ten onder gegaan. Men had toen nog niet
de kunst uitgevonden om de buitensporigheden van de menselijke geest te
vereeuwigen. Maar dankzij de lettertekens van de boekdrukkunst, en het
gebruik dat wij daarvan maken, zullen de gevaarlijke droombeelden van
Hobbes en Spinoza voor altijd blijven bestaan. Kom op, befaamde
geschriften, die de onwetendheid en de lompheid van onze vaderen niet
hadden kunnen vervaardigen; voeg je bij onze nakomelingen onder die nog
gevaarlijkere werken, waaruit het bederf van de zeden in onze tijd
opstijgt, en lever gezamenlijk de komende eeuwen een betrouwbare
geschiedenis van de vooruitgang en de voordelen van onze wetenschappen
en onze kunsten. Als u ze leest, zullen zij u geen twijfel laten over
de vraag die onze vandaag bezighoudt: en onze nakomelingen zullen,
tenzij zij nog dwazer zijn dan wij, hun handen ten hemel heffen en zij
zullen in de bitterheid van hun hart zeggen: “Almachtige God, gij die
in uw handen de harten van de mensen bewaart, verlos ons van de kennis
en de rampzalige kunsten van onze vaderen, en geef ons de onwetendheid,
de onschuld en de armoede terug, alleen dat kan ons gelukkig maken en
alleen dat is in uw ogen kostbaar.”
Maar als de ontwikkeling van de wetenschappen
en de kunsten niets aan
ons werkelijke geluk heeft toegevoegd; als het onze zeden heeft
bedorven, en als het bederf van de zeden de zuiverheid van onze smaak
heeft aangetast, wat moeten we dan denken van die schare eenvoudige
schrijvers die van de tempel van de Muzen de hindernissen hebben
verwijderd, die zijn toegang verdedigden, en die de natuur daar had
opgeworpen om de krachten van degenen die tot kennis verleid zouden
worden, op de proef te stellen? Wat moeten we denken van die
compilateurs van werken die onbescheiden de poort der wetenschappen
open hebben gebroken en in hun heiligdom een gepeupel hebben
binnengebracht, dat die toegang onwaardig was; terwijl het wenselijk
was geweest dat al degenen die het in hun wetenschappelijke loopbaan
niet ver zouden kunnen brengen, bij de ingang zouden zijn geweigerd, en
zich op maatschappelijk nuttige vaardigheden hadden gestort. Iemand die
zijn leven lang een slechte verzenmaker of een ondergeschikte
meetkundige zou zijn, zou misschien een uitstekende lakenfabrikant
kunnen zijn geworden. Degenen die de natuur had voorbestemd navolgers
te maken hadden geen leermeester nodig. Zo’n Vérulam (Francis
Bacon of Verulam), Descartes en Newton, die onderwijzers van het
mensdom, hebben er zelf nooit een leermeester gehad, en welke gidsen
hadden hen kunnen voeren naar waar hun veelzijdige begaafdheid hen
heeft gebracht? Gewone leermeesters zouden hun verstand alleen maar
bekrompen hebben kunnen maken, door het tot hun eigen benepen vermogen
in te perken. Het is door de eerste hindernissen, dat zij hebben
geleerd inspanningen te verrichten, waardoor zij bedreven waren in het
overwinnen van de onmetelijke ruimte die ze hebben doorkruist. Als er
mensen zijn, die zich aan de studie van de wetenschappen en de kunsten
zouden mogen wijden, zouden dat alleen degenen moeten zijn die de
kracht hebben om in hun eentje hun eigen spoor te volgen, en de andere
te overtreffen. Zij behoren tot dat kleine aantal dat gedenktekens ter
ere van de menselijke geest opricht. Maar als men niet toestaat dat er
iets boven hun genialiteit uitsteekt, moet niets hun verwachtingen te
boven gaan. Dat is de enige aansporing die ze nodig hebben. De geest
past zich onmerkbaar aan aan de onderwerpen die haar bezighouden, en
het zijn de grote gelegenheden die grote mensen maken. De grootmeester
der welsprekendheid was consul van Rome, en wellicht de allergrootste
van de filosofen, kanselier van Engeland. Stel je voor dat de een
slechts een leerstoel aan een of ander universiteit had bekleed, en de
ander alleen maar een gering jaargeld van de Academie had genoten;
geloof je niet, dat hun werken dan niet naar hun positie zouden ruiken?
Laat de vorsten het dus niet te min achten om in hun regeringsraad de
meest bekwame mensen toe te laten die hen juist kunnen adviseren: laat
hen afzien van dat oude, door hoogmoed van de Groten uitgevonden,
vooroordeel, dat de kunst van het regeren van mensen moeilijker is dan
de kunst van hen te onderrichten: alsof het gemakkelijker zou zijn
mensen naar hun eigen goedvinden tot goede daden aan te zetten, dan hen
er met geweld toe te dwingen. Laat de allerknapste geleerden in hun
eigen kring een betrouwbaar toevluchtsoord vinden. Laat hen de enige
beloning krijgen die ze verdienen; dat ze door hun invloed bijdragen
aan het geluk van de volkeren, die zij de wijsheid zullen bijbrengen.
Alleen dan zal men zien waar deugd, wetenschap en gezag toe in staat
zijn, bezield door een edele wedijver en eensgezind werken aan het
geluk van het mensdom. Maar zolang aan de ene kant alleen macht, en aan
de andere kant alleen kennis en wijsheid bestaat, zullen de geleerden
zelden aan grootse dingen denken, zullen de vorsten nog meer zelden
goede dingen doen, en zullen de volkeren slecht, bedorven en ongelukkig
blijven.
Wat ons, gewone mensen, betreft, die door de
hemel niet met zo’n grote
talenten zijn toebedeeld en niet voor zo’n grote roem zijn voorbestemd,
laten wij onbekend blijven. Laten wij niet een naam najagen die ons zal
ontsnappen, en die, naar de huidige stand van zaken ons nooit zal
opleveren wat het ons zal kosten, zelfs als wij al die titels zouden
kunnen krijgen. Waarom zouden we ons geluk in het oordeel van een ander
zoeken, als wij het in onszelf kunnen vinden? Laten wij de zorg om de
volkeren op hun plichten te wijzen maar aan anderen overlaten en laten
wij ons beperken tot het juist vervullen van de onze, meer hoeven we
niet te weten.
O deugd! Verheven wetenschap van eenvoudige
zielen, kost het zoveel
moeite en vertoon om jou te leren kennen? Zijn jouw regels niet in elk
hart geschreven, en is het om jouw wetten te leren niet voldoende om in
jezelf te keren en, als de hartstochten zwijgen, naar de stem van jouw
geweten te luisteren? Dat is nou de echte filosofie, die ons moeten
leren tevreden te zijn; en laten wij, zonder de roem van die beroemde
mensen te benijden, die zich in de republiek der letteren onsterfelijk
maken, proberen tussen hen en ons dat roemrijke onderscheid te maken,
dat men voorheen tussen twee grote volkeren kon zien: het ene kon goed
praten, het andere goed doen.
|
|