Jean-Jacques
Rousseau
VERTOOG
OVER DE ONGELIJKHEID

Titelpagina
van de uitgave uit 1755
Archief
van de Société Jean-Jacques Rousseau, Genève.
VOORWOORD
De
meest nuttige en minst ontwikkelde van alle menselijke kennis lijkt
mij die omtrent de mens; en ik durf te zeggen dat alleen al de
inscriptie op de tempel van Delphi (Ken uzelve) een
belangrijker en moeilijker Voorschrift inhoudt, dan al die dikke
Boeken van de Moralisten. Ik beschouw het onderwerp van dit Vertoog
dan ook als een van meest belangwekkende vraagstukken die de
Filosofie kan opwerpen, en helaas voor ons, als een van de meest
netelige die de Filosofen hebben op te lossen: want hoe zou men de
bron van de ongelijkheid onder de mensen kunnen kennen, als men niet
eerst begint met henzelf te kennen? En hoe zal de mens er in slagen
te zien hoe de natuur hem zo heeft gevormd, door alle veranderingen
heen die de loop der tijden en dingen, in zijn oorspronkelijke aard
wel heeft moeten aanrichten, en van elkaar te onderscheiden wat zijn
eigen wezen uitmaakt en wat de omstandigheden en zijn vooruitgang aan
zijn oorspronkelijke toestand hebben toegevoegd of veranderd? Net
zoals de tijden, de zee en stormen het standbeeld van Glaucus dermate
hebben vervormd, dat het minder op een God dan op een wild beest
lijkt, is de menselijke ziel, door duizend onophoudelijk wederkerende
oorzaken temidden van de maatschappij, door het zich eigen maken van
een heleboel kennis en dwalingen, door de veranderingen die in zijn
lichamelijke gesteldheid zijn opgetreden, en door de doorlopende
aanslagen van de hartstochten, zogezegd zo van aanschijn veranderd,
dat die bijna onherkenbaar is; en in plaats van een wezen dat altijd
door vaste en onveranderlijke beginsels wordt gedreven, in plaats van
die hemelse en majestueuze eenvoud waarmee de Schepper hem heeft
doordrongen, vindt men nog slechts het misvormde tegenovergestelde
van de hartstocht, dat gelooft dat het kan denken, en een waanzinnig
verstand.
Wat
er nog wranger aan is, is dat de hele vooruitgang van de mensheid het
steeds verder van zijn oorspronkelijke toestand afbrengt, hoe meer
nieuwe kennis wij vergaren, hoe meer wij onszelf de mogelijkheden
ontnemen voor de allerbelangrijkste van alle kennis, dat wil zeggen,
dat wij in zekere zin, door de mens te bestuderen, niet meer in staat
zijn hem te kennen.
Het
is eenvoudig te begrijpen, dat in die opeenvolgende veranderingen van
de menselijke gesteldheid, de eerste oorsprong van de verschillen,
die de mensen van elkaar onderscheiden gezocht moet worden, die zoals
algemeen wordt erkend, onder elkaar van nature even gelijk zijn als
de dieren van elk soort, voordat bij sommige door verschillende
fysieke oorzaken de variëteiten werden teweeggebracht, die wij
bij hen waarnemen. Het is immers niet voor te stellen, dat die eerste
veranderingen, waar ze ook door teweeggebracht mogen zijn, opeens en
op dezelfde manier alle afzonderlijke dieren van één
soort zouden hebben veranderd; maar het ene deel werd beter of
slechter, door verschillende goede of slechte eigenschappen te
verwerven, die niet bij hun natuur behoorden, het andere deel bleef
nog lange tijd in zijn oorspronkelijke toestand; en precies zo was
bij de mens dat de eerste oorsprong van de ongelijkheid; al is het zo
in het algemeen eenvoudiger aan te tonen, dan dat men er nauwkeurig
de werkelijke oorzaken van kan aanwijzen.
Ik
hoop niet dat mijn lezers denken dat ik me erop voor laat staan, dat
ik heb ontdekt wat mij zo moeilijk lijkt te zien. Ik ben met een
bepaalde gedachtegang begonnen: ik heb een aantal vermoedens naar
voren gebracht, niet zozeer in de hoop het vraagstuk op te lossen,
maar met de bedoeling het te verduidelijken en het naar zijn
werkelijke toestand terug te brengen. Anderen zullen gemakkelijk op
dezelfde weg verder kunnen gaan, maar het zal voor niemand eenvoudig
zijn het einddoel te bereiken; want het is geen gemakkelijke opgave
om in de huidige aard van de mens te onderscheiden wat oorspronkelijk
en kunstmatig is en om een juist inzicht te hebben, over een toestand
die niet meer bestaat en misschien nooit heeft bestaan, en waar het
toch noodzakelijk van is, dat wij daar een juist beeld over hebben,
om onze huidige toestand goed te kunnen beoordelen. Wie een begin
maakt met precies vast te stellen welke voorzorgen er moeten worden
genomen om betrouwbare waarnemingen in deze zaak te doen, heeft zelf
meer filosofie nodig, dan men denkt; en een juiste oplossing van het
volgende probleem lijkt mij de Aristotelessen en Pliniussen van deze
eeuw niet onwaardig: Welke onderzoeken zouden er nodig zijn om te
weten te komen hoe de natuurlijke mens eigenlijk is; en over welke
middelen beschikken wij daarvoor in deze maatschappij? Hoewel ik
het allesbehalve als mijn taak zie dat probleem op te lossen, geloof
ik dat ik het onderwerp voldoende heb overdacht om te durven zeggen,
dat de grootste Filosofen niet te goed zijn om die onderzoeken te
leiden, noch de machtigste Vorsten te goed om ze uit te voeren; het
is nauwelijks redelijk om op hun samenwerking te rekenen, zeker niet
gezien de volharding of liever de wederzijdse afwisseling van vernuft
en goede wil, die nodig zijn om te slagen.
Die
zo moeilijk te verrichten en tot nu toe zo weinig overdachte
onderzoeken, zijn desalniettemin het enige middel waar wij over
beschikken, waarmee wij een groot aantal problemen, die ons van de
kennis van de werkelijke grondslagen van de mensenmaatschappij
afhouden, uit de weg kunnen ruimen. Het is die onwetendheid over de
menselijke natuur, die zoveel onzekerheid en duisternis over de
werkelijke definitie van het natuurlijke recht werpt; want het idee
van het recht, zegt M. Burlamaqui, en nog meer van het natuurlijke
recht, zijn duidelijk ideeën die in betrekking tot de menselijke
natuur staan. Het is dus juist die menselijke natuur, vervolgt hij,
zijn gesteldheid en zijn toestand, waar men de grondslagen van die
wetenschap aan moet ontlenen.
Het
is niet zonder verrassing en ergernis, dat men de geringe
overeenstemming moet constateren, die over die belangrijke materie
heerst tussen de verschillende schrijvers, die zich ermee hebben
beziggehouden.. Zelfs onder de meest belangrijke Schrijvers vindt men
er met moeite twee, die op dat punt hetzelfde inzicht delen. Om maar
niet te spreken over de Filosofen van de Oudheid, die zich kennelijk
tot taak hadden gesteld elkaar over de meest fundamentele beginselen
tegen te spreken, of over de Romeinse rechtsgeleerden die zonder
onderscheid de mens en alle andere dieren aan dezelfde natuurwet
onderwierpen, omdat zij veeleer onder dat woord ‘wet’ beschouwden
wat de natuur zichzelf oplegt, dan datgene wat zij voorschrijft; of
veeleer door de bijzondere manier waarop die Rechtsgeleerden het
woord ‘wet’ zagen, die zij in dit geval alleen maar lijken te
hebben opgevat als de uitdrukking van het door de natuur gestelde
algemene verband tussen ons en de bezielde wezens, ten behoeve van
hun gezamenlijke behoud. De hedendaagse rechtsgeleerden verstaan
onder de naam ‘wet’ slechts een regel die is voorgeschreven aan
een zedelijk, dat wil zeggen begrijpend, vrij wezen, en gezien in
zijn verhoudingen tot andere wezens. Zij beperken dientengevolge de
bevoegdheid van de natuurwet tot het enige dier dat met verstand is
begiftigd, namelijk de mens; maar omdat iedereen die wet op zijn
eigen manier definieert, brengen zij er allemaal zo’n metafysische
beginselen in, dat zelfs bij ons, maar weinig mensen in staat zijn
die beginselen te begrijpen, laat staan dat zij ze zelf kunnen
vinden. Daardoor stemmen al die definities van die wijze mannen, die
overigens in een voortdurende tegenspraak met elkaar verkeren, alleen
daarin overeen, dat het onmogelijk is de natuurwet te begrijpen, en
dientengevolge te gehoorzamen, zonder een grote denker en diepzinnige
metafysicus te zijn. En dat betekent nou juist dat de mensen voor de
inrichting van de maatschappij inzichten hebben moeten gebruiken, die
zich slechts, met veel moeite en voor maar heel weinig mensen, in de
schoot van de maatschappij zelf, kunnen ontwikkelen.
Als
wij zo weinig van de natuur weten, en wij het zo weinig met elkaar
eens zijn over de betekenis van het woord Wet, zal het vrij moeilijk
zijn om tot overeenstemming over een juiste definitie van de
natuurwet te komen. Alle definities die men in de boeken vindt, zijn,
behalve dat ze niet eensluidend zijn, bovendien onleend aan allerlei
kennis die de mens niet van nature heeft, en gaan van voordelen uit
die ze zich niet meer konden voorstellen, nadat ze de natuurlijke
toestand hadden verlaten. Men begint met het zoeken naar regels, die
voor het algemeen belang, door de mensen onderling worden
afgesproken, en vervolgens geeft men aan die verzameling regels de
naam natuurwet, zonder ander bewijs dan wat men, als resultaat van
hun universele toepassing, als goed beschouwt. Dat is ongetwijfeld
een zeer gemakkelijke manier om definities op te stellen, en de
natuur der dingen door nogal willekeurige overeenstemmingen te
verklaren.
Maar
zolang wij de natuurlijke mens niet kennen, zullen onze pogingen om
de wet die hij heeft gekregen, of die het beste met zijn gesteldheid
overeenkomt vast te stellen, tevergeefs zijn. Alles wat wij met
betrekking tot die wet heel helder kunnen zien, is dat het niet
alleen, opdat die wet wet kan zijn, vereist is dat de wil van degene
die zich tot haar verplicht zich daar bewust aan onderwerpt; maar het
is bovendien vereist dat, opdat het een natuurwet is, zij
onmiddellijk door middel van de stem van de natuur spreekt.
Laten
we dus al die wetenschappelijke boeken laten liggen, die ons alleen
maar leren kijken zoals de mensen die ze hebben geschreven, en laten
we nadenken over de belangrijkste en meest eenvoudige werkingen van
de menselijke ziel. Ik denk dat ik daarin twee grondbeginselen
ontwaar, die aan het verstand vooraf gaan, waarvan de een erg
belangrijk voor ons welzijn en ons zelfbehoud is, en de ander ons met
een natuurlijke afkeer vervult voor het zien te gronde gaan of lijden
van elk gevoelig wezen en met name onze medemensen. Onze geest is in
staat door samenwerken en combineren die twee grondbeginselen voort
te brengen, zonder dat het nodig is er het beginsel van de
maatschappelijke omgang bij te halen, waaruit volgens mij alle regels
van het natuurlijke recht voortvloeien; regels, die het verstand
vervolgens gedwongen wordt weer op een andere basis op te stellen,
als door opeenvolgende ontwikkelingen, het verstand uiteindelijk de
natuur heeft verstikt.
Op
die manier hoeft men van de mens niet een filosoof te maken, voordat
men hem mens heeft gemaakt; zijn plichten jegens de ander worden hem
niet uitsluitend door de achteraffe lessen van de wijsheid
voorgeschreven; en zolang hij zich niet tegen de innerlijke drang van
het mededogen zal verzetten, zal hij een ander mens nooit kwaad
berokkenen, zelfs geen enkel wezen met gevoel; en uitgezonderd in het
rechtmatige geval waarin zijn zelfbehoud op het spel staat, is hij
verplicht de voorkeur aan zichzelf te geven. Op die manier maakt men
ook een eind aan de oude twistgesprekken over het deelnemen van de
dieren aan de natuurwet; want het is duidelijk dat zij, verstoken van
kennis en vrijheid, die wet niet kunnen erkennen; maar omdat zij door
de gevoeligheid waar zij mee zijn begiftigd, enigermate met onze
natuur zijn verbonden, zal men van mening zijn dat ook zij aan het
natuurlijke recht deelhebben, en dat de mens ten opzichte van hen een
bepaald soort verplichting heeft. Het lijkt dus inderdaad, dat als ik
verplicht ben mijn medemens geen enkel kwaad te doen, het minder is
omdat hij een met verstand toegerust wezen is, dan omdat hij een
wezen met gevoel is; een eigenschap die het dier en de mens gemeen
hebben, moet op zijn minst de een het recht geven niet onnodig door
de ander onheus bejegend te worden.
Juist
dat onderzoek naar de oorspronkelijke mens, zijn ware behoeften, en
de wezenlijke beginselen van zijn plichten, is nog steeds het enige
juiste middel dat men kan gebruiken om de grote hoeveelheid problemen
uit de weg te ruimen, die opdoemen over de oorsprong van de zedelijke
ongelijkheid, over de ware grondslagen van de politieke overheden,
over de wederzijdse rechten van hun leden, en over duizend andere
vraagstukken, die even belangrijk als onderbelicht zijn.
Als
je de mensenmaatschappij met een kalme en onbevooroordeelde blik
gadeslaat, lijkt zij aanvankelijk slechts het geweld van de
machthebbers en de onderdrukking van de zwakken te tonen: de geest
komt in opstand tegen de hardvochtigheid van de eersten; men is
geneigd de verblinding van de laatsten te betreuren; en omdat onder
de mensen niets minder bestendig is dan die uitwendige verhoudingen,
die vaker het resultaat van toeval dan van wijsheid zijn, en die men
onmacht of macht, rijkdom of armoe noemt, lijken de menselijke
instellingen op het eerste gezicht op drijfzand gebouwd: pas als men
ze van dichtbij onderzoekt, pas als men het stof en het zand, dat het
gebouw omringt heeft verwijderd, ontwaart men de onwankelbare basis
waarop het is opgetrokken, en leert men de fundamenten ervan naar
waarde te schatten. Welnu, zonder degelijk onderzoek van de mens, van
zijn natuurlijke eigenschappen, en van hun opeenvolgende
ontwikkelingen, zal men, naar de huidige stand van zaken, dat
onderscheid nooit kunnen maken, en nooit van elkaar kunnen
onderscheiden wat de goddelijke wil heeft opgelegd, en datgene wat de
menselijke kundigheid beweert te hebben gecreëerd. Het onderzoek
van de politiek en de zedelijkheid, waar het belangrijke vraagstuk
dat ik bestudeer aanleiding toe geeft, is dus alleszins nuttig, en de
hypothetische geschiedenis van de regeringsvormen is voor de mens in
alle opzichten een leerzame les. Als wij bedenken wat er van ons, aan
onszelf overgelaten, zou zijn geworden, kunnen we leren Hem te
prijzen, die, door met zijn weldoende hand onze instellingen te
verbeteren en hen een onwankelbare grondslag te verschaffen, de chaos
die anders het gevolg van die instellingen zou zijn geweest, heeft
voorkomen, en die ons tot geluk heeft gebracht in omstandigheden die
onze ellende totaal leken te maken.
Quem
te Deus esse
Jussit,
et humanâ quâ parte locatus es in re.
Leer
hoe u naar Gods wil moet zijn
en
welke plaats u in de mensheid bekleedt, (Persius, Satiren)
OPMERKING
BIJ DE AANTEKENINGEN
Ik
heb aan dit Werk enige aantekeningen toegevoegd, geheel naar mijn
gemakzuchtige te hooi en te gras manier van werken; deze
aantekeningen wijken soms zo van het onderwerp af, dat het niet goed
is ze samen met de tekst te lezen. Daarom heb ik ze aan het eind
geplaatst van het Vertoog, waarin ik naar mijn beste kunnen heb
gepoogd de meest rechte weg te bewandelen. Degenen die de moed zullen
hebben weer van voor af aan te beginnen, zullen zich voor de tweede
keer vermaken met het opjagen van het wild, en met de poging de
aantekeningen door te kijken; het doet er weinig toe of de anderen ze
helemaal niet lezen.
VRAAG
VOORGELEGD DOOR DE ACADEMIE VAN DIJON:
Wat
is de oorsprong van de ongelijkheid onder de Mensen, en wordt zij
door de natuurwet gewettigd?
VERTOOG
OVER DE OORSPRONG EN DE GRONDSLAGEN VAN
DE ONGELIJKHEID ONDER DE MENSEN
Ik
moet over de mens spreken, en het vraagstuk dat ik onderzoek leert
mij dat ik mij tot mensen moet richten; want men legt zo’n
vraagstuk niet aan zijn medemensen voor als men bang is dat het de
waarheid tot eer strekt. Daarom zal ik met vertrouwen, ten overstaan
van de wijzen die mij daartoe uitnodigden, de zaak van de
menselijkheid verdedigen en ik zal over mijzelf niet ontevreden
kunnen zijn, als ik mijzelf mijn onderwerp en mijn rechters waardig
betoon.
Ik
ontwaar bij de mensheid twee vormen van ongelijkheid, de ene noem ik
natuurlijk of fysiek, omdat die door de natuur is bepaald, en die
bestaat uit verschillen in leeftijd, gezondheid, lichaamskracht en
hoedanigheden van de geest of de ziel; de andere, die men zedelijke
of politieke ongelijkheid kan noemen, omdat die op een soort
overeenkomst berust, en omdat die wordt bepaald, of op zijn minst
wordt gewettigd, door de onderlinge overeenstemming van de mensen. De
laatste bestaat uit de verschillende privileges, die enkelen ten
koste van de anderen genieten, zoals rijker, meer geëerd en
machtiger zijn dan die anderen, of zelfs het hen laten gehoorzamen.
Het
heeft
geen
zin
om te vragen wat de bron van de natuurlijke
ongelijkheid is, omdat het antwoord in de eenvoudige definitie van
het woord ligt besloten. Nog minder zin heeft het om te kijken of er
tussen die twee ongelijkheden ergens een wezenlijk verband bestaat;
want dat zou, met andere woorden, betekenen dat men zich afvraagt of
degenen die bevelen noodzakelijkerwijs meer waard zijn dan degenen
die gehoorzamen, en of lichamelijke of geestelijke vermogens,
wijsheid of deugdzaamheid, altijd in dezelfde personen overeenkomstig
hun rijkdom of kracht worden aangetroffen; misschien een goede vraag
voor slaven die hun meesters gehoorzamen, maar niet voor redelijke en
vrije mensen, die de waarheid zoeken.
Waarover
gaat het nu juist dan in dit Vertoog? Het gaat erom de vooruitgang
van de zaken aan te geven, het moment waarop het recht het geweld
opvolgde en de natuur aan de wet ondergeschikt werd gemaakt; het gaat
erom te verklaren door welke aaneenschakeling van wonderbaarlijke
gebeurtenissen de sterke tot het besluit kon komen de zwakke te
dienen, en waarom het volk een denkbeeldige rust ten koste van een
werkelijk geluk kon kopen.
De
Filosofen die de grondslagen van de maatschappij hebben bestudeerd,
hebben allen de noodzaak gevoeld om tot de natuurlijke toestand terug
te gaan, maar niemand heeft die bereikt. De ene groep heeft niet
geaarzeld om aan de mens in die toestand het begrip van
rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid toe te schrijven, zonder de
moeite te nemen aan te tonen dat hij met dat begrip begiftigd zou
moeten zijn en zelfs niet dat dat begrip nuttig voor hem zou zijn. De
andere groep heeft het over het natuurlijke recht gehad, dat bepaalt
dat iedereen moet behouden wat hij heeft, zonder te verduidelijken
wat zij onder ‘behouden’ verstonden. Weer anderen gaven eerst de
sterkere het gezag over de zwakkere, om dan meteen de Regering in het
leven te roepen, zonder te bedenken dat er eerst een tijd overheen
moet gaan voordat de woorden gezag en regering onder de
mensen een betekenis konden hebben. Uiteindelijk hebben ze allemaal,
als ze het doorlopend over behoefte, hebzucht, onderdrukking,
begeerten en trots hadden, denkbeelden naar de natuurlijke toestand
overgebracht die zij aan de maatschappij hadden ontleend; zij hadden
het over de wilde mens, en zij schilderden de beschaafde mens. Het is
zelfs bij de meeste van onze Filosofen niet opgekomen, om te
betwijfelen of die natuurlijke toestand wel ooit heeft bestaan,
terwijl bij het lezen van de heilige boeken duidelijk is, dat de
eerste mens rechtstreeks van God inzichten en voorschriften heeft
gekregen, en dus zelf helemaal niet in die toestand verkeerde, en men
moet wel ontkennen, als men aan de geschriften van Mozes het geloof
hecht, dat elke christelijke filosoof daaraan verschuldigd is, dat de
mensen, zelfs vóór de zondvloed, zich altijd in de
zuivere natuurlijke toestand hebben bevonden, tenzij zij er door een
of andere buitengewone gebeurtenis in terug zouden zijn gevallen: een
zeer moeilijk te verdedigen paradox, en geheel en al onmogelijk te
bewijzen.
Laten
we dus beginnen met alle feiten van tafel te vegen, want die hebben
met de vraag niets te maken. Het gaat in het onderzoek, waarmee men
het onderwerp kan benaderen, niet om de historische waarheden, maar
om hypothetische en voorwaardelijke redeneringen, die meer
geëigend
zijn om de aard van de dingen te verhelderen, dan er de werkelijke
oorsprong van aan te tonen. Het is hetzelfde onderzoek dat onze
natuurkundigen dag in dag uit naar het ontstaan van de wereld
verrichten. De godsdienst gebiedt ons te geloven dat God zelf de
mensen, meteen na de schepping, uit de natuurlijke toestand heeft
gehaald en dat ze ongelijk zijn omdat hij wilde dat zij dat waren;
maar zij verbiedt ons niet enkel uit de menselijke natuur en de
wezens die hem omringen vermoedens te opperen over wat er van de
mensheid zou zijn terechtgekomen, als het aan zichzelf was
overgelaten. Dat is de vraag die men mij stelt, en ik heb me
voorgenomen die vraag in dit Vertoog te onderzoeken. Omdat mijn
onderwerp de mens in het algemeen betreft, zal ik proberen een taal
te gebruiken die voor alle naties geschikt is, of liever, ik zal mij,
terwijl ik om alleen maar aan de mensen te denken tot wie ik mij
richt tijd en plaats vergeet, voorstellen dat ik mij in het lyceum
van Athene bevind, waar ik de lessen van mijn meesters herhaal, met
de Plato’s en Xenocratessen als rechters en de mensheid als
toehoorder.
O
mens, uit welke landstreek je ook komt, wat je meningen ook mogen
zijn, luister; dit is je geschiedenis, zoals ik denk dat ik die heb
gelezen, niet in de boeken van je medemensen, die leugenaars zijn,
maar in de natuur, die nooit liegt. Alles wat van haar afkomstig is,
is waar: er zal niets onwaars in zijn, dan wat ik zonder het te
willen met het mijne heb vermengd. De tijden waarover ik ga spreken
liggen ver achter ons: hoezeer ben je afgeweken, van wat je ooit was!
Het is, om zo te zeggen, het leven van jouw soort dat ik je ga
beschrijven, aan de hand van de eigenschappen die je hebt ontvangen,
die mogelijk door je opvoeding en je gewoonten zijn bedorven, maar
mogelijk niet zijn vernietigd. Er is, ik voel het, een tijdperk
waarin de afzonderlijke mens zou willen verwijlen. Ontevreden met je
huidige toestand, door oorzaken die voor je ongelukkige nageslacht
een nog grotere ontevredenheid aankondigen, zou je misschien op je
schreden willen kunnen keren; en dat gevoel moet een lofzang op je
eerste voorouders opleveren, kritiek op je tijdgenoten en ontzetting
voor degenen die het ongeluk hebben, na jou te leven.
DEEL
EEN.
Hoe
belangrijk het ook moge zijn, om een juist oordeel te vormen over de
natuurlijke staat van de mens, om vanaf zijn oorsprong naar hem te
kijken, en hem, om zo te zeggen, in het embryonale stadium van de
soort te onderzoeken, toch zal ik niet zijn samenstelling, in het
verloop van zijn opeenvolgende ontwikkelingen, volgen: ik zal me niet
ophouden met het zoeken in het systeem van het dierenrijk hoe hij in
het begin kan zijn geweest, om uiteindelijk te worden wat hij is. Ik
zal niet onderzoeken, zoals Aristoteles denkt, of zijn lange nagels
niet eerst gekromde klauwen waren; of hij niet behaard als een beer
was, en of hij, op vier poten lopend, zijn blik naar de aarde
richtte, en of zijn met een tot een paar passen beperkte horizon,
niet tevens een stempel op de aard en de grenzen van zijn ideeën
had gedrukt. Wat dat betreft kan ik mij slechts vage en welhaast
denkbeeldige vermoedens vormen. De vergelijkende anatomie heeft nog
te weinig vooruitgang geboekt en de waarnemingen van de
Natuuronderzoekers zijn nog te onduidelijk, om op dergelijke
grondslagen de basis van een hechte gedachtegang te funderen;
derhalve, zonder mijn toevlucht tot bovennatuurlijke kennis die wij
op dit punt bezitten te nemen, en zonder acht te slaan op de
veranderingen die de mens in lichaamsbouw, zowel innerlijk als
uiterlijk, heeft ondergaan, naarmate hij zijn ledematen voor nieuwe
gewoonten gebruikte, en zich met nieuwe voedingsmiddelen voedde, zal
ik mij voorstellen dat die lichaamsbouw altijd zo is geweest als ik
die op dit moment zie, op twee benen lopend, gebruik makend van zijn
handen zoals wij dat doen, de blik op de hele natuur gericht, en met
zijn ogen de uitgestrektheid van de hemel overziend.
Als
ik dat zo samengestelde wezen ontdoe van de bovennatuurlijke gaven
die het heeft kunnen ontvangen, en van alle kunstmatige
eigenschappen, die het zich in een langdurige voortgang eigen heeft
kunnen maken; kortom, als ik bedenk hoe het uit de handen van de
natuur moet zijn voortgekomen, zie ik een dier dat minder krachtig is
dan de ene soort en minder snel dan de andere soort, maar alles bij
elkaar, het best georganiseerd van allemaal; ik zie hem onder een eik
zijn honger verzadigen, in de eerste de beste beek zijn dorst lessen,
zie hoe hij zijn slaapplaats aan de voet van dezelfde boom vindt, die
hem zijn maaltijd heeft verschaft, en daarmee zijn al zijn behoeften
gestild.
De
aarde, overgelaten aan haar natuurlijke vruchtbaarheid, en bedekt met
onafzienbare, nog nooit door de bijl verminkte wouden, biedt bij elke
stap voorraadschuren en beschutting voor dieren van elke soort. De
mensen, die verspreid tussen hen in leven, schouwen toe, volgen hun
bedrijvigheid na, en verheffen zich zodoende tot het instinct van de
dieren, met dit voordeel, dat elk soort slechts zijn eigen instinct
heeft, en dat de mens, die misschien geen enkel eigen instinct heeft,
zich al die instincten eigen maakt, zich net zo met het merendeel van
de verschillende soorten voedsel voedt als wat de dieren onder elkaar
delen, en vindt daardoor zijn proviand gemakkelijker dan welk van die
andere ook.
Van
jongs af aan gewend aan weer en wind en aan de hardheid van de
seizoenen, aan vermoeidheid, en gedwongen naakt en zonder wapens hun
leven en prooi tegen de andere wilde dieren te verdedigen, of rennend
aan hen te ontkomen, ontwikkelden de mensen een sterk en bijna
onkwetsbaar gestel; de kinderen, die aan de wereld de uitmuntende
conditie van hun ouders verschaften, en die conditie nog versterkten
door dezelfde oefeningen die die conditie hadden opgeleverd,
verwierven zo de opperste levenskracht, waar de mensheid toe in staat
is. De natuur gaat met hen net zo te werk als de wet van Sparta met
de kinderen van de burgers; de kinderen die goedgevormd zijn maakt
zij sterk en krachtig, en de andere laat zij omkomen; dat is een
verschil met onze maatschappijen, waar de Staat, door de kinderen tot
last van hun ouders te maken, ze zonder onderscheid vóór
hun geboorte vermoordt.
Het
lichaam van de wilde mens is het enige instrument dat hij kent, en
hij gebruikt het voor verschillende doeleinden, waartoe het onze,
door gebrek aan oefening, niet in staat is; het is onze vaardigheid,
die ons de kracht en behendigheid ontneemt, die de wilde mens
genoodzaakt is zich eigen te maken. Als hij een bijl had gehad, zou
hij dan met zijn blote hand zo’n sterke takken kunnen breken? Als
hij een katapult had gehad, zou hij dan met zijn hand een steen met
zo’n snelheid kunnen werpen? Als hij een ladder had gehad, zou hij
dan zo rap een boom in kunnen klimmen? Als hij een paard had gehad,
zou hij dan zo snel hebben kunnen lopen? Als je de beschaafde mens de
tijd geeft al zijn gereedschappen om zich heen te verzamelen, dan zal
hij ongetwijfeld de wilde mens eenvoudig kunnen overmeesteren; maar
als je een nog ongelijker gevecht wil zien, zet ze dan naakt en
ongewapend oog in oog met elkaar, en je zult al snel merken wat het
voordeel is om steeds al je krachten tot je beschikking te hebben, om
altijd voor elk gebeuren klaar te staan, en zogezegd altijd zichzelf
helemaal met zich mee te dragen.
Hobbes
beweert dat de mens van nature moedig is en niets anders wil dan
aanvallen en vechten. Een beroemde filosoof denkt daarentegen, en
Cumberland en Pufendorf bevestigen dat ook, dat niets zo angstig is
als de mens in de natuurlijke toestand, en dat hij altijd beeft van
angst en klaar is om bij het geringste geluid dat hem treft, of de
minste beweging die hij opmerkt, op de vlucht te slaan. Dat kan zijn
voor objecten die hij niet kent, en ik twijfel er niet aan dat hij
voor al die nieuwigheden die zich aan hem voordoen zal schrikken, als
hij elke keer niet weet of hij daar iets goeds of iets kwaads van kan
verwachten, en als hij zijn krachten met de gevaren die hij tegemoet
moet treden niet kan meten; zulke omstandigheden komen zelden voor in
de natuurlijke toestand, waarin alles zo gelijkmatig verloopt, en
waar het aangezicht van de aarde niet onderhevig is aan die
plotselinge en voortdurende veranderingen, die door de hartstochten
en de grillen van mensenmassa’s teweeg worden gebracht. Maar de
wilde mens, die verspreid tussen de dieren in leeft, en zich al gauw
in de gelegenheid bevindt om zich met hen te meten, gaat zich meteen
met hen vergelijken, en als hij merkt dat hij hen in behendigheid
overtreft, waar zij hem in kracht overtreffen, leert hij niet langer
bang voor hen te zijn. Laat een beer of een wolf vechten met een
Wilde Mens, die, krachtig, snel en dapper zoals ze allemaal zijn, met
stenen en een goede knuppel bewapend is en je zult zien dat het
gevaar op zijn minst wederzijds zal zijn, en dat na een aantal van
dergelijke gebeurtenissen, de wilde dieren, die elkaar niet graag
aanvallen, nog minder graag de mens zullen aanvallen, waarvan ze
gemerkt hebben dat hij even woest als zij is. Wat betreft de dieren
die echt meer kracht hebben dan híj behendig is, verkeert hij
oog in oog met hen in dezelfde positie als andere zwakkere dieren,
die toch blijven bestaan; de mens heeft daarnaast nog het voordeel,
dat hij, even snel ter been als zij, en door in de bomen een bijna
zekere toevlucht te vinden, het gevecht altijd kan zoeken of
vermijden, en voor de vlucht of het gevecht kan kiezen. Voegen we
daaraan toe dat het schijnt dat geen enkel dier van nature het
gevecht met de mens aangaat, uitgezonderd in het geval van
zelfverdediging of extreme honger, noch jegens de mens getuigt van
die hevige afkeer, die erop lijkt te duiden dat de ene diersoort door
de natuur is voorbestemd om de andere diersoort tot voedsel te dienen.
Dat
zijn ongetwijfeld de redenen dat de Zwarte en de Wilde Mensen zich zo
weinig bekommeren om de wilde dieren, die zij in de wouden kunnen
tegenkomen. Onder andere de Caraibiërs uit Venezuela leven wat
dat betreft in de meest grote zekerheid en met het minste ongemak.
Hoewel ze vrijwel naakt zijn, vertelt François Corréal,
wagen zij zich toch onbevreesd in de wouden, slechts gewapend met
pijl en boog; maar men heeft nog nooit gehoord dat ook maar iemand
van hen door dieren is verslonden.
Maar
andere meer geduchte vijanden, waar de mens niet over dezelfde
middelen beschikt om zich tegen te verdedigen, zijn de natuurlijke
zwakheden, de kindertijd, de ouderdom, en allerlei ziekten; treurige
tekenen van onze zwakheid, waarvan wij de twee eerste met alle dieren
gemeen hebben, en de laatste voornamelijk bij de in de maatschappij
levende mens behoort. Wat betreft de kindertijd, zie ik zelfs dat de
moeder, die het kind overal met zich meedraagt, meer gelegenheid
heeft om het te voeden dan de wijfjes van meerdere diersoorten, die
zich heel vermoeiend onophoudelijk heen en weer spoeden, eerst om hun
voedsel te zoeken en vervolgens om hun jongen te zogen of te voeren.
Het is waar, dat als de vrouw doodgaat, het kind het gevaar loopt
samen met haar om het leven te komen; maar dat gevaar geldt voor heel
veel andere diersoorten, waarvan de jongen nog lang niet in staat
zijn om zelf hun voedsel te gaan zoeken; en aangezien de kindertijd
bij ons langer duurt, en het leven dus ook langer, is het wat dat
betreft bijna allemaal hetzelfde, ofschoon er voor de duur van het
eerste levenstijdperk en het aantal jongen andere regels gelden, maar
die vallen buiten mijn onderwerp. Bij de bejaarden, die minder werken
en zweten, vermindert de behoefte aan voedsel evenredig met de
mogelijkheid het te verwerven; en omdat het wilde leven jicht en
reumatiek verre van hen houdt, en de ouderdom van alle kwalen degene
is waar de hulpmiddelen van de mens het minst tegen kunnen
uitrichten, doven zij uiteindelijk uit, zonder dat men in de gaten
heeft dat zij het leven laten, en bijna zonder dat ze het zelf
merken.
Wat
de ziekten aangaat, zal ik de ijdele en valse woordenpraal die het
merendeel van de gezonden tegen de geneeskunde inbrengt, niet
herhalen; maar ik zal wel de vraag stellen of er ook maar
één
degelijk onderzoek bestaat, waaruit men kan concluderen dat in de
landen waar die kunst het meest verwaarloosd is, de gemiddelde
levensduur van de mens korter is dan in die landen waar de
geneeskunde met de meest grote zorg is ontwikkeld. En hoe zou dat ook
mogelijk kunnen zijn, aangezien wij ons meer kwalen op de hals halen
dan de geneeskunde ons geneesmiddelen kan verschaffen! De uiterst
ongelijke manier van leven, de overdaad van ledigheid van de een, de
overdaad van arbeid van de ander, het gemak waarmee onze begeerten en
zinnelijkheid worden geprikkeld en verzadigd, het al te verfijnde
voedsel van de rijken, dat hen brandend maagzuur oplevert en hen met
indigestie bezwaart, het slechte voedsel van de armen, die het zelfs
meestal moeten ontberen, en dat hen er bij geval toe brengt gulzig
hun maag te overvullen; het nachtbraken, allerlei uitspattingen, de
onmatige uitbarstingen van alle hartstochten, de geestelijke
vermoeienissen en uitputting, het verdriet en talloze smarten, waar
men in elke toestand onder lijdt, en die eeuwig aan de ziel knagen;
dat zijn de rampzalige bewijzen dat het merendeel van onze kwalen ons
eigen werk is, en dat wij ze bijna allemaal zouden kunnen vermijden,
door een eenvoudige manier van leven te bewaren; een leven van
regelmaat en afzondering, zoals ons door de natuur wordt
voorgeschreven. Als de natuur ons heeft voorbestemd om gezond te
zijn, durf ik bijna zeker te stellen dat de toestand van nadenken
een tegennatuurlijke toestand is, en dat de mens die nadenkt een
ontaard dier is. Als we aan de goede gesteldheid van de Wilde
Mensen denken, althans van die wilden, die wij niet met onze sterke
drank te gronde hebben gericht; als men beseft dat zij bijna geen
andere ziekten kennen dan verwondingen en ouderdom, is men ten
zeerste geneigd te geloven, dat men door de geschiedenis van de
burgerlijke maatschappijen te volgen, men tevens de geschiedenis van
de menselijke ziekten beschrijft. Dat is tenminste de mening van
Plato, die oordeelt, aan de hand van bepaalde geneesmiddelen die door
Podaleirios en Machaon bij het beleg van Troje werden gebruikt of
goedgekeurd, dat verscheidene ziekten, die door die geneesmiddelen
werden veroorzaakt, toen nog niet bij de mensen bekend waren; en
Celsus vermeldt dat het dieet, dat tegenwoordig zo onmisbaar is, pas
door Hippocrates werd uitgevonden.
Met
zo weinig bronnen van kwalen, heeft de mens in de natuurlijke
toestand nauwelijks geneesmiddelen nodig, en dokters nog minder; de
mensheid is er wat dat betreft niet slechter aan toe dan alle andere
dierensoorten, en het is eenvoudig van de jagers te horen of zij
onderweg veel zieken dieren tegenkomen. Vaak vinden zij dieren die
behoorlijke verwondingen hebben opgelopen die fraai geheeld zijn, die
botten en zelfs poten hebben gebroken en die zonder andere chirurg
dan de tijd zijn genezen, zonder andere leefregel dan hun gewone
leven, en die niet minder volmaakt zijn genezen, omdat ze niet door
incisies zijn gekweld, niet door allerlei troep zijn vergiftigd, noch
door vasten zijn uitgehongerd. Kortom, hoe nuttig bij ons de goed
uitgeoefende geneeskunde ook moge zijn, het is altijd zeker dat als
de Wilde Mens ziek en aan zichzelf overgelaten is, hij alleen maar op
de natuur kan hopen; daarentegen heeft hij niets anders te vrezen dan
zijn kwaal; dat maakt zijn toestand vaak verkieslijker dan de onze.
We
moeten ervoor oppassen dat we de wilde mens niet verwarren met de
mensen die wij nu voor ons zien. De natuur bejegent alle dieren die
aan haar zorgen zijn toevertrouwd met een voorliefde, die lijkt te
laten zien hoezeer zij aan dat recht gehecht is. Het paard, de kat,
de stier, en zelfs de ezel, zijn voor het merendeel groter, hebben
allemaal een betere conditie, meer levenskracht, sterkte en moed in
de wouden dan in onze huizen; zij verliezen een deel van die
voordelen als ze tot huisdier worden gemaakt, en het lijkt dat al
onze zorgen om die dieren goed te behandelen en goed te voeden, er
alleen maar toe leiden dat zij ontaarden. Zo is het ook met de mens:
door zich aan te passen aan de maatschappij en slaaf te worden, wordt
hij zwak, vreesachtig, kruiperig, en zijn verwekelijkte en verwijfde
manier van leven verzwakt uiteindelijk tevens zijn kracht en moed.
Daar komt nog bij dat bij de wilde en gedomesticeerde toestand, het
verschil tussen de wilde mens en de beschaafde mens nog veel groter
zal zijn dan die tussen het wilde dier en het getemde dier: want,
terwijl het dier en de mens door de natuur gelijk worden behandeld,
zijn alle gemakken die de mens zich, boven de dieren die hij temt,
toestaat, evenzoveel bijkomende oorzaken van zijn nog meer duidelijke
ontaarding.
Hun
naaktheid,
het
ontbreken
van een woning en van al die overbodigheden,
die wij zo noodzakelijk achten, is dus voor die eerste mensen nou
niet zo’n groot ongeluk, noch zo’n grote belemmering voor hun
behoud. Al hebben zij dan geen vacht, in de warme landen hebben ze
die helemaal niet nodig en in de koude streken weten ze al gauw
gebruik te maken van de huiden van de dieren die ze hebben
overwonnen; al hebben ze dan geen vier poten om te lopen, zij hebben
wel twee armen om zich te beschermen en in hun behoeften te voorzien.
Hun kinderen leren misschien pas laat en met moeite lopen, maar hun
moeders dragen hen met gemak; een voordeel dat andere soorten niet
hebben, waar het wijfje als ze wordt achtervolgd zich gedwongen ziet
haar jongen in de steek te laten of haar tempo aan het hunne aan te
passen. [Men kan hierop enkele uitzonderingen waarnemen. Bijvoorbeeld
bij dat dier uit een provincie van Nicaragua, dat op een Vos lijkt,
en dat voeten heeft die op mensenhanden lijken, en dat, volgens
Corréal, een zak onder de buik heeft waar het wijfje haar
jongen in doet als ze op de vlucht moet slaan. Dat is ongetwijfeld
hetzelfde dier dat men in Mexico tlaquatzin noemt, en waar het wijfje
volgens Laet eenzelfde zak voor hetzelfde doel heeft.] Kortom, tenzij
we een bijzondere en toevallige samenloop van omstandigheden
veronderstellen, waar ik het later over zal hebben, en die zich heel
goed nooit voor kan doen, is het in ieder geval duidelijk, dat de
eerste die voor zichzelf kleren of een woning maakte, zichzelf
daarmee weinig noodzakelijke zaken verschafte, omdat hij er tot dan
toe buiten had gekund, en het is onbegrijpelijk waarom hij een manier
van leven, waar hij in zijn kindertijd wel tegen kon, als volwassen
mens onverdraaglijk vond.
Alleen,
in ledigheid, en altijd vergezeld van angst, moet de wilde mens wel
graag slapen, maar met een lichte slaap, zoals de dieren die, omdat
ze weinig denken, zogezegd, de hele tijd waarin ze niet denken,
slapen. Omdat zijn zelfbehoud vrijwel zijn enige zorg uitmaakt,
moeten zijn meest geoefende vermogens diegene zijn die de aanval en
de verdediging betreffen, hetzij om zijn prooi te verschalken, hetzij
om te voorkomen dat hij zelf aan een ander dier ten prooi zal vallen;
de zintuigen daarentegen, die zich slechts door weekheid en
zinnelijkheid kunnen ontwikkelen, moeten in een onontwikkelde
toestand blijven, die elke verfijning uitsluit; en zijn zintuigen
zijn wat dat betreft verdeeld: hij zal een uiterst grove tastzin en
smaak hebben; een uiterst gevoelig gezichtsvermogen, gehoor en reuk.
Zo is in het algemeen de toestand van het dier, en volgens de
verslagen van de Reizigers is dat ook de toestand van het merendeel
van de wilde volksstammen. Het is dus niet verwonderlijk dat de
Hottentotten van Kaap de Goede Hoop, met het blote oog schepen op
eenzelfde afstand in volle zee ontdekken, als de Hollanders met hun
verrekijkers; dat de wilden van Amerika als de beste honden het spoor
van de Spanjaarden ruiken; dat alle onbeschaafde volkeren moeiteloos
tegen hun naaktheid bestand zijn, dat zij hun smaak scherpen met
behulp van Spaanse pepers, en dat zij de sterke drank van de
Europeanen als water drinken.
Tot
nu toe heb ik alleen op de fysieke toestand van de mens gelet. Laten
we nu een poging doen de metafysische en zedelijke kant van de mens
te bekijken.
Ik
zie het dier slechts als een vernuftige machine, waar de natuur
zintuigen aan heeft gegeven om zichzelf in gang te houden, en zich,
tot op zekere hoogte, tegen alles wat het dreigt te ontregelen, te
beschermen. In de menselijke machine ontdek ik exact dezelfde dingen,
met dat verschil, dat in het doen en laten van het dier alleen de
natuur alles teweegbrengt, terwijl de mens aan zijn handelen zelf
bijdraagt in zijn hoedanigheid als vrij handelend wezen. Het dier
kiest of weigert uit instinct, en de mens uit een daad van vrijheid;
dat maakt dat het dier niet van de voorgeschreven regel kan afwijken,
zelfs als het gunstiger zou zijn dat wel te doen, en dat de mens er
tot zijn nadeel vaak van afwijkt. Daarom kan een duif van honger
sterven bij een bak die met het heerlijkste vlees is gevuld, en een
kat bij een hoop fruit of graan, hoewel beiden zich best zouden
kunnen voeden met het voedsel dat ze versmaden, als het maar in hun
kop zou opkomen het te proberen; daarom geven bandeloze mensen zich
aan uitspattingen over die tot koortsen en de dood leiden, omdat de
geest de zinnen doet ontaarden, en de wil alleen nog maar spreekt als
de natuur zwijgt.
Elk
dier maakt zich voorstellingen, omdat het zintuigen heeft; het brengt
die voorstellingen tot op zekere hoogte zelfs met elkaar in verband,
en de mens verschilt wat dat betreft slechts min of meer van het
dier; een aantal filosofen hebben zelfs geopperd dat er geen groter
verschil kan bestaan tussen de ene en de andere mens, dan tussen een
bepaalde mens en een bepaald dier. Het is dus niet zozeer het
verstand dat het specifieke onderscheid vormt tussen het dier en de
mens, als wel zijn eigenschap van vrij handelend wezen. De natuur
beveelt elk dier, en het dier gehoorzaamt. De mens ondergaat dezelfde
indruk, maar hij weet zich vrij om zich te schikken of die indruk te
weerstaan; en het is juist in het besef van die vrijheid, dat zich
het geestelijke vermogen van zijn ziel vertoont: want de Natuurkunde
verklaart tot op zekere hoogte de werking van de zintuigen en de
vorming van voorstellingen; maar met het vermogen te willen, of
beter, te kiezen, en in het besef van dat vermogen, treft men slechts
zuiver geestelijk handelen aan, dat men op geen enkele manier met een
mechanische werking kan verklaren.
Maar
al laten de problemen, die al die vragen omgeven, enige ruimte toe om
over dat verschil tussen de mens en het dier te redetwisten, toch is
er een ander zeer uitgesproken vermogen die ze van elkaar
onderscheidt, en dat onmiskenbaar is, namelijk het vermogen om zich
te vervolmaken, een vermogen dat, geholpen door de omstandigheden,
achtereenvolgens alle andere vermogens tot ontwikkeling brengt; het
zetelt in onszelf, zowel in de soort als in iedereen afzonderlijk;
wat een dier na enkele maanden is, zal het zijn hele leven blijven,
en zijn soort zal na duizend jaar hetzelfde zijn wat het in het
eerste jaar van die duizend was. Waarom is de mens de enige die
dement kan worden? Komt dat niet omdat hij op die manier naar zijn
oorspronkelijke toestand terugkeert, en dat de mens, terwijl het
dier, dat niets heeft verworven en dus evenmin iets heeft te
verliezen, zijn instinct behoudt, terwijl hij door zijn ouderdom of
andere gebeurtenissen alles wat zijn vermogen tot vervolmaking hem
heeft doen verwerven, weer kwijtraakt, daardoor nog verder dan het
dier wegzinkt? Het moet tragisch voor ons zijn, dat wij gedwongen
worden te erkennen dat dat kenmerkende en welhaast onbeperkte
vermogen de bron van alle ongeluk van de mens is; dat het dat is dat
hem, door de macht van de tijd, uit die oorspronkelijke toestand
haalt, waarin hij in rust en onschuld zijn dagen zou slijten; dat het
dat is dat hem, terwijl het in de loop der eeuwen zijn inzichten en
dwalingen en zijn deugden en ondeugden doet ontluiken, op den duur
een tiran van zichzelf en van de natuur maakt. Het moet afschuwelijk
zijn diegene als een weldoend wezen te moeten prijzen, die als eerste
aan de bewoners van de boorden van de Orinoco het gebruik voorstelde
om aan de slapen van hun kinderen plankjes te bevestigen, die hen op
zijn minst van een deel van hun kindsheid en oorspronkelijk geluk
zouden verzekeren.
De
wilde mens, door de natuur louter aan zijn instinct overgelaten, of
veeleer schadeloos gesteld voor hetgeen hij wellicht mist, door
vermogens die daar aanvankelijk in kunnen voorzien en hem vervolgens
daarboven uitheffen, zal dus beginnen met zuiver dierlijke
bezigheden: zijn eerste toestand zal uit waarnemen en ruiken bestaan,
wat hij met alle dieren gemeen zal hebben. Willen en niet willen,
begeren en vrezen, zullen de eerste en vrijwel enige zielsbewegingen
zijn, totdat nieuwe omstandigheden tot nieuwe ontwikkelingen leiden.
Wat
de Moralisten er ook over mogen zeggen, het verstand heeft veel te
danken aan de hartstochten, die, zoals algemeen bekend, ook aan het
verstand veel te danken hebben: het is de werking van de hartstochten
die ons verstand vervolmaakt; wij doen alleen ons best om te weten,
omdat wij willen genieten, en het is onmogelijk te begrijpen waarom
iemand die verlangens noch angsten heeft zich de moeite zou
getroosten om na te denken. De hartstochten op hun beurt, ontlenen
hun oorsprong aan onze behoeften, en hun verdere ontwikkeling aan
onze kennis; want men kan niet iets verlangen of ergens bang voor
zijn, dan door voorstellingen die men ervan kan hebben, of eenvoudig
door de natuurlijke drang; en de wilde mens, zonder al die inzichten,
ervaart slechts hartstochten van het laatste soort; zijn verlangens
gaan zijn lichamelijke behoeften niet te boven; het enige goede dat
hij in het universum kent, is voedsel, een vrouw en rust; het enige
kwaad dat hij vreest is pijn en honger. Ik zeg ‘pijn,’ en niet
‘dood’; want het dier zal nooit weten wat het is om dood te gaan;
en de kennis van de dood en haar verschrikkingen, is een van de
eerste verworvenheden die de mens zich eigen heeft gemaakt, toen hij
van zijn dierlijke bestaan afweek. Als ik zou moeten, zou ik dat
gevoel gemakkelijk met feiten kunnen staven, en kunnen laten zien dat
bij alle volkeren ter wereld de geestelijke ontwikkeling exact gelijk
opgaat met de behoeften die de volkeren van de natuur hebben
verkregen, of waartoe de omstandigheden hen hebben gedwongen, en
dientengevolge gelijk opgaan met de hartstochten die zij bezitten om
aan die behoeften te voldoen. Ik zou aan kunnen tonen hoe in Egypte
de kunsten zijn ontstaan en zich met het buiten de oevers treden van
de Nijl hebben uitgebreid; ik zou hun ontwikkeling bij de Grieken
kunnen volgen, waar men ze ziet ontkiemen, groeien en zich temidden
van de zandvlakten en gebergten van Attica tot de hemel ziet
verheffen, zonder op de vruchtbare oevers van de Eurotas (rivier
bij Sparta) wortel te kunnen schieten; ik zou kunnen opmerken dat
de noordelijke volkeren over het algemeen bedrijviger zijn dan die
van het Zuiden, omdat zij minder buiten het bezig zijn kunnen, alsof
de natuur de zaken heeft willen vereffenen, door aan de geest de
vruchtbaarheid te geven die zij de aarde ontzegde.
Maar
wie ziet dan niet, zonder toevlucht tot onzekere getuigenissen uit de
geschiedenis te nemen, dat alles de wilde mens de verleiding en de
middelen lijkt te ontnemen om niet langer wild te zijn? Zijn
verbeelding vertelt hem niets; zij hart vraagt hem niets, Zijn
bescheiden behoeften bevinden zich zo eenvoudig binnen handbereik, en
hij is nog zover van het kennisniveau verwijderd, dat nodig is om nog
meer kennis te verwerven, dat hij noch vooruit kan zien noch
nieuwsgierig kan zijn. Het schouwspel van de natuur doet hem,
naarmate hij er meer vertrouwd mee raakt, niets. Het is altijd
dezelfde regelmaat, het zijn altijd dezelfde omwentelingen; hij heeft
niet de geest om zich over zelfs de grootste wonderen te verbazen; en
het is niet bij hem, dat men de filosofie waar de mens behoefte aan
heeft, moet zoeken, of om eens te volgen wat hij elke dag ziet. Zijn
gemoed, door niets bewogen, geeft zich helemaal over aan het ervaren
van zijn ‘zijn’ in het nu, zonder enig besef van de toekomst, hoe
nabij die ook kan zijn, en zijn voornemens, die net zo beperkt zijn
als zijn blikveld, strekken zich nauwelijks verder dan tot het eind
van de dag uit. Dat is hedentendage nog steeds de mate van
vooruitzien van de Caraïbiër: ’s morgens verkoopt hij
zijn katoenen bed en komt ’s avonds in tranen om het terug te
kopen, omdat hij niet heeft kunnen voorzien dat hij het de volgende
nacht weer nodig had.
Hoe
meer we over dit onderwerp nadenken, hoe groter de afstand tussen het
zuivere ervaren en de meest eenvoudige kennis in onze ogen wordt; en
het is onmogelijk te begrijpen hoe een mens op eigen kracht, zonder
behulp van onderling verkeer en zonder de prikkel van de noodzaak,
een zo grote afstand zou kunnen overbruggen. Hoeveel eeuwen zijn
wellicht verstreken voordat de mensen in staat waren een ander vuur
dan dat van de hemel te zien? Hoeveel verschillende toevallige
gebeurtenissen hebben zij nodig gehad om hen het meest eenvoudige
gebruik van dat element te leren? Hoe vele malen hebben zij het laten
doven voordat zij zich de kunst hadden eigen gemaakt om het opnieuw
voort te brengen? En hoe vaak is misschien niet elk van die geheimen,
samen met degene die het had ontdekt, gestorven? Wat moeten we van de
landbouw zeggen, een vaardigheid die zoveel arbeid en vooruitzien
vraagt; waar zoveel andere vaardigheden van afhangen; die
onmiskenbaar alleen maar uitgeoefend kan worden in een maatschappij
die op zijn minst begonnen is, en die niet zozeer dient om aan de
aarde de voedselgewassen te onttrekken, die zij ons zonder de
landbouw ook wel zou verschaffen, maar om haar te dwingen datgene te
leveren wat meer naar onze smaak is! Maar laten wij eens
veronderstellen dat de mensen zich zodanig vermenigvuldigd zouden
hebben, dat de natuurlijke voortbrengselen niet meer voldoende zouden
zijn om hen te voeden; een veronderstelling die, terloops opgemerkt,
bij deze manier van leven voor de mensheid een groot voordeel zou
opleveren; laten we veronderstellen dat de werktuigen zomaar, zonder
smelterijen en werkplaatsen, uit de hemel in de handen van de Wilde
Mensen waren gevallen: dat die mensen hun dodelijke afkeer die zij
voor onafgebroken werk koesteren hadden overwonnen; dat zij hadden
geleerd hun behoeften voor de verre toekomst te voorzien; dat zij
door hadden gekregen hoe je de aarde moet bebouwen, graan te zaaien
en bomen te planten; dat zij de kunst hadden ontdekt om graan te
malen en de druif te laten gisten - al die dingen die hen door de
Goden hadden moeten worden bijgebracht, aangezien het onbegrijpelijk
is hoe zij zich dat zelf aan hadden kunnen leren – welke mens zou,
na dat alles, gek genoeg zijn geweest om een akker te bebouwen, die
vervolgens door de eerste de beste, maakt niet uit of het een mens of
dier is, die die oogst wel aan zou staan, zou worden leeggeroofd; en
hoe zou iemand kunnen besluiten zijn leven in moeizame arbeid te
slijten, als hij niet eens zeker is dat hij het loon daarvan, dat hij
meer dan nodig heeft, kan opstrijken? Kortom, hoe zou die toestand de
mensen ertoe kunnen brengen het land te bebouwen, als dat niet eerst
onder hen verdeeld zou zijn, dat wil zeggen, als de natuurlijke
toestand niet eerst zou zijn afgeschaft?
Als
wij ons een wilde mens voorstellen, net zo vaardig in de kunst van
het denken is als wij door onze filosofen zijn gemaakt; als wij er,
naar hun voorbeeld, een filosoof van zouden maken, die zelf
uitsluitend de meest verheven waarheden zou ontdekken, en door
reeksen van zeer abstracte redeneringen tot grondregels van recht en
rede zou komen, uit liefde voor de orde in het algemeen, of uit het
kennen van de wil van zijn Schepper; kortom, als wij ons de wilde
mens voorstellen, net zo schrander en verlicht van geest als hij zou
moeten zijn en men hem dan in werkelijkheid traag en onwetend van
geest aantreft; wat voor nut zou de soort kunnen ontlenen aan die
hele metafysica, die niet aan elkaar overgedragen zou kunnen worden
en die samen met de ontdekker van die metafysica ten onder zou gaan?
Wat voor vooruitgang zou de mensheid, verspreid in de wouden temidden
van de dieren, kunnen boeken? En tot welk niveau zouden de mensen
elkaar kunnen vervolmaken en verlichten, als ze, zonder vaste
woonplaats en zonder enige behoefte aan elkaar, elkaar misschien
nauwelijks twee maal in hun leven elkaar tegenkomen, zonder elkaar te
kennen en zonder te spreken?
Als
men bedenkt hoeveel ideeën wij aan het gebruik van het woord
hebben te danken; hoezeer de spraakkunst de werking van de geest
oefent en vereenvoudigt; en als men denkt aan de onvoorstelbare
moeite en oneindige tijd die de eerste uitvinding van de Talen hebben
gevergd; als men die overwegingen bij de vorige voegt, zal men
begrijpen hoeveel duizenden eeuwen waren gemoeid met de opeenvolgende
ontwikkelingen in de menselijke geest van de werkingen waartoe die
geest in staat is.
Het
zij mij vergund even op het probleem van het ontstaan van de Talen in
te gaan. Ik zou kunnen volstaan met het aanhalen en herhalen van de
onderzoekingen die de eerwaarde heer de Condillac over dat onderwerp
heeft verricht, die allemaal mijn mening volledig bevestigen, en die
mij misschien op het idee hebben gebracht. Maar de manier waarop deze
filosoof de problemen oplost, die hij zich ten aanzien van de
afgesproken tekens stelt, waarbij hij aantoont dat hij veronderstelt,
wat ik ter discussie stel, namelijk dat er al een soort van
samenleving onder de uitvinders van de taal was gevestigd, geloof ik
dat ik, onder verwijzing naar zijn overwegingen, er mijn overwegingen
aan toe moet voegen om dezelfde problemen aan het licht te brengen,
die bij mijn onderwerp horen. Het eerste probleem dat zich voordoet
is te bedenken hoe die talen noodzakelijk konden worden; want
aangezien de mensen op geen enkele manier met elkaar omgingen, noch
enige behoefte aan elkaar hadden, kan men noch de noodzaak, noch de
mogelijkheid van die uitvinding begrijpen, als die niet onmisbaar
was. Samen met vele anderen zou ik wel kunnen zeggen, dat de talen in
de huiselijke omgang van de vaders, moeders en kinderen zijn
ontstaan; maar behalve dat dat de bezwaren niet zou oplossen, zou ik
daarmee dezelfde fout begaan van degenen die, terwijl ze het over de
natuurlijke toestand hadden, ideeën, ontleend aan de
maatschappij, introduceerden. Steeds zien zij het gezin bij elkaar in
dezelfde woning, en de gezinsleden een net zo nauwe en blijvende band
bewaren als bij ons, waar zoveel gemeenschappelijke belangen hen
verenigen; in plaats van dat ze zagen dat in die oorspronkelijke
toestand, zonder huizen, zonder hutten, zonder enig eigendom,
iedereen zomaar neerstreek, en vaak voor een enkele nacht: de mannen
en vrouwen copuleerden zonder opzet, naar gelang ontmoeting,
mogelijkheid en begeerte, en zonder een sterke behoefte aan woorden
over hetgeen zij te zeggen hadden: en met hetzelfde gemak scheiden
hun wegen weer. Eerst zoogde de moeder haar kinderen voor haar eigen
bestwil; vervolgens, nadat ze haar uit gewenning dierbaar waren
geworden, zoogde zij ze voor hun bestwil; zodra ze in staat waren hun
eigen voedsel te zoeken, talmden zij niet om de moeder te verlaten;
en omdat er vrijwel geen andere mogelijkheid was om elkaar terug te
vinden dan elkaar niet uit het oog te verliezen, konden zij al gauw
zelfs elkaar niet meer herkennen. Merk daarbij op dat het het kind
is, dat al zijn behoeften duidelijk moet maken, en daardoor meer aan
de moeder moet vertellen, dan de moeder aan het kind, dat voor het
merendeel van het uitvinden van de taal moet opdraaien en dat de Taal
waar het gebruik van moet maken voor het grootste deel zijn eigen
werk is; zodat er net zoveel talen zijn als individuen die een taal
spreken, waar ook nog een keer het zwerven en ronddolen aan
bijdraagt, waardoor geen enkel taaleigen de tijd krijgt zich gunstig
te ontwikkelen; want beweren dat de moeder het kind de woorden
voorzegt die het moet gebruiken om haar dit of dat te vragen, toont
heel goed aan hoe men al ontwikkelde talen onderwijst, maar dat zegt
niets over de manier waarop zij ontstaan.
Laten
we aannemen dat die eerste moeilijkheid is overwonnen: laten wij voor
een ogenblik de immense ruimte, die zich tussen de zuivere
natuurlijke toestand en de behoefte aan Talen bevindt, overbruggen;
en laten we, in de veronderstelling dat talen noodzakelijk zijn,
onderzoeken hoe ze in het begin zijn ontstaan. Een nieuw probleem,
nog lastiger dan het voorgaande; want al hadden de mensen, om te
leren denken, het woord nodig, de kunst van het denken hadden ze nog
meer nodig om de kunst van het woord te ontdekken; en als men
begrijpt hoe de klanken van de stem als met elkaar overeengekomen
vertolkers van onze denkbeelden werden gebruikt, moet men er nog
altijd achter zien te komen hoe die nu juist de overeengekomen
vertolkers hebben kunnen worden van denkbeelden die, omdat ze geen
waarneembaar object hebben, noch door een gebaar, noch door de stem,
kunnen worden aangeduid, zodat men nauwelijks acceptabele vermoedens
kan vormen over het tot stand komen van die kunst om gedachten over
te brengen en een onderlinge geestelijke uitwisseling mogelijk te
maken: een verheven kunst die zijn oorsprong al lang achter zich
heeft gelaten, maar die de filosoof nog steeds zover van zijn
vervolmaking beschouwt, dat er geen mens is die het waagt met
zekerheid te stellen, dat het ooit zal gebeuren, zelfs niet als de
omwentelingen, die de tijd met zich meebrengt, hiertoe zouden worden
opgeschort, en de vooroordelen uit de academies zouden worden
verbannen of daar zouden verstommen, en de academies zich met dat
netelige onderwerp zonder onderbreking eeuwenlang zouden kunnen
bezighouden.
De
eerste menselijke taal, de meest universele taal, de meest werkzame
en de enige die de mens nodig had, voordat hij samengestroomde mensen
moest overtuigen, is de natuurlijke kreet. Omdat die kreet slechts in
netelige omstandigheden werd uitgelokt, om in groot gevaar hulp in te
roepen, of ter opluchting in kwalijke gewelddadigheden, werd er in
het alledaagse leven, waar meer gematigde gevoelens heersten, weinig
gebruik van gemaakt. Toen de denkbeelden van de mensen zich begonnen
uit te breiden en te vermenigvuldigen, en er een nauwer onderling
verkeer ontstond, zochten zij naar meer tekens en een uitgebreidere
taal; zij vermeerderden hun stembuigingen en verbonden daar gebaren
aan, die van nature meer uitdrukkingskracht hebben en waarvan de
betekenis minder van een voorafgaande afspraak afhangt. Zo gaven zij
met gebaren uitdrukking aan zichtbare en beweeglijke voorwerpen, en
met geïmiteerde geluiden aan wat zij hoorden; maar aangezien het
gebaar vrijwel alleen aanwezige of gemakkelijk te beschrijven
voorwerpen kan aanduiden; aangezien het niet altijd bruikbaar is,
omdat het bij duisternis of als er iets tussenin staat onbruikbaar
wordt, en omdat het eerder aandacht kost dan wekt; kwam men ten
slotte op de gedachte het gebaar te vervangen door het gebruik van de
stem, dat, zonder hetzelfde verband met bepaalde denkbeelden, meer
geëigend is om alle denkbeelden uit te beelden, dan afgesproken
tekens; een vervanging die slechts door een gemeenschappelijke
instemming en op een voor mensen nogal moeizaam uitvoerbare manier
tot stand kon komen, waarvan de grove organen nog volstrekt
ongeoefend waren, en het is op zich nog moeilijker te begrijpen,
omdat die unanieme overeenkomst gemotiveerd moest zijn, en dat het
woord voor het totstandkomen van het gebruik van het woord
noodzakelijk lijkt te zijn geweest.
Men
moet bedenken dat de eerste woorden waar de mensen gebruik van
maakten, voor hen een veel ruimere betekenis hadden dan de woorden
die men in reeds bestaande talen gebruikt, en zij gaven, omdat ze de
onderverdeling van de zinnen in hun samenstellende delen niet kenden,
eerst elk woord de betekenis van een hele zin. Toe zij het onderwerp
van de bijvoeglijke bepaling begonnen te onderscheiden, en het
werkwoord van het zelfstandig naamwoord – een niet geringe
prestatie – waren de zelfstandige naamwoorden eerst evenzoveel
eigennamen; de tegenwoordig onbepaalde wijs was de enige vervoeging
van de werkwoorden, en wat betreft de bijvoeglijke naamwoorden, kon
het begrip zich slechts heel moeizaam ontwikkelen, omdat elk
bijvoeglijk naamwoord een abstract woord is, en omdat abstracties
moeilijke en weinig natuurlijke bewerkingen zijn.
Elk
voorwerp kreeg aanvankelijk een afzonderlijke naam, zonder met
geslacht of soort rekening te houden, die die eerste onderwijzers
niet van elkaar konden onderscheiden; voor hen leken alle individuen
afzonderlijk van elkaar, zoals`ze het in het schouwspel van de natuur
zijn. Als de ene eik A. heette, heette een andere eik B; want de
eerste gedachte die men van twee dingen heeft, is dat zij niet
hetzelfde ding zijn; en het kost vaak veel tijd om te zien wat ze
gemeenschappelijk hebben: zodat hoe beperkter de kennis was, hoe
groter de woordenschat werd. Het probleem van die hele naamgeving kon
niet eenvoudig worden opgelost: want om de bestaande voorwerpen onder
gemeenschappelijke en geslachtsbenamingen te rangschikken, moest men
er de eigenschappen en verschillen van kennen; men had veel meer
waarnemingen en definities nodig, dat wil zeggen, van de natuurlijke
historie en de metafysica, dan de mensen uit die tijd konden
onderkennen.
Overigens
kunnen algemene denkbeelden zich alleen maar met behulp van woorden
toegang tot de geest verschaffen, en het verstand kan ze alleen met
woorden vatten. Dat is een van de redenen waarom de dieren zich
dergelijke denkbeelden niet kunnen vormen, noch ooit de
vervolmaakbaarheid die daar vanaf hangt. Als een aap zonder aarzelen
van de ene noot naar de andere gaat, denkt men dan dat hij een
algemeen beeld van dat soort fruit heeft, en dat hij het archetype
dat hij daarvan heeft met die twee exemplaren vergelijkt? Natuurlijk
niet; maar het zien van de ene van die noten roept in zijn geheugen
de gewaarwording weer op die hij bij de andere had gekregen, en zijn
ogen, die op een bepaalde manier zijn veranderd, melden zijn
smaakzintuig de verandering die het gaat ondergaan. Elk algemeen idee
is zuiver verstandelijk; als de verbeelding zich er ook maar even in
mengt, wordt het idee meteen afzonderlijk. Probeert u maar een
algemene boom te beschrijven, dat zal u nooit lukken; of u het nu
wilt of niet, u zult hem klein of groot, kaal of bebladerd, licht of
donker zien; en als het van u afhangt slechts te zien wat eigen aan
elke boom is, zou dat beeld helemaal niet meer op een boom lijken.
Zuiver abstracte zaken kunnen op dezelfde wijze worden gezien, of
kunnen alleen met behulp van woorden worden begrepen. Enkel de
definitie van een driehoek geeft u er het werkelijke beeld van: zodra
u er in uw geest een voorstelling van maakt, is het een bepaalde
driehoek en geen andere, en u kunt het niet laten er waarneembare
lijnen of een gekleurd oppervlak aan te geven. Men moet dus kunnen
verwoorden en praten om algemene denkbeelden te hebben: want zodra de
verbeelding stokt, gaat de geest slechts met behulp van woorden
verder. Als de eerste uitvinders van de taal dus slechts namen hebben
gegeven aan denkbeelden die ze al hadden, volgt daaruit dat de eerste
zelfstandige naamwoorden niet anders dan eigennamen kunnen zijn
geweest.
Maar
toen, door iets wat ik me niet kan voorstellen, onze nieuwe
grammatici hun denkbeelden begonnen te verspreiden en hun woorden te
veralgemenen, heeft de onwetendheid van de uitvinders deze methode
binnen zeer nauwe grenzen moeten inperken; en zoals ze eerst de namen
van de afzonderlijke dingen al te zeer hadden vermeerderd, zonder
kennis van soort en geslacht, creëerden zij vervolgens veel te
weinig soorten en geslachten, omdat zij in de bestaande dingen niet
al hun verschillen hadden onderkend. Om de onderverdelingen ver
genoeg door te voeren, hadden ze meer ervaring en vernuft moeten
hebben, dan waarover ze konden beschikken, en meer onderzoek en werk
moeten verrichten, dan zij eraan wilden besteden. Welnu, als men
zelfs hedentendage elke dag nieuwe soorten ontdekt die tot op heden
aan al onze waarnemingen zijn ontsnapt, kan men zich voorstellen
hoeveel de mensen is moeten ontgaan die over de dingen slechts op het
eerste gezicht oordeelden! het is overbodig er aan toe te voegen dat
de hoofdindelingen en meest algemene begrippen hen ook wel moesten
ontgaan. Hoe zouden zij zich, bijvoorbeeld, de woorden materie,
geest, substantie, methode, vorm, beweging kunnen voorstellen,
aangezien onze Filosofen die zich er al zolang van bedienen, heel wat
moeite hebben om ze zelf te begrijpen, en dat ze van de denkbeelden
die men aan die zuiver metafysische woorden hecht, in de natuur geen
enkel voorbeeld vinden?
Ik
hou het hier voorlopig bij en verzoek mijn Rechters hier hun lezen te
onderbreken, om te bedenken dat, vanaf de uitvinding van de
afzonderlijke fysieke zelfstandige naamwoorden, dat wil zeggen, vanaf
het meest eenvoudig ontdekbare onderdeel van de taal, een hele weg
nog moet worden afgelegd om alle menselijke gedachten uit te drukken,
om ze in een eenvormige onveranderlijke grootheid te vatten, voordat
ze in het openbaar gesproken kon worden en de maatschappij kon
beïnvloeden: ik verzoek hen te bedenken hoeveel tijd en kennis
het heeft gekost om de getallen uit te vinden, de abstracte woorden,
de onbepaalde tijden, en alle vervoegingen van het werkwoord, de
voor- en achtervoegsels, de syntaxis, de zinsbouw, de redeneringen,
en de hele logica van het vertoog te vormen. Ik voor mij, geschrokken
van de zich steeds vermeerderende problemen, en overtuigd van de
bijna bewezen onmogelijkheid dat de Talen hebben kunnen ontstaan en
vaste voet aan de grond hebben kunnen krijgen door zuiver menselijk
toedoen, laat, aan wie maar wil, over om de discussie over dit
moeilijke probleem te beginnen, namelijk over wat meer noodzakelijk
is geweest, het bestaan van de maatschappij voor de uitvinding van de
Talen, of de al uitgevonden Talen voor de vestiging van de
maatschappij.
Hoe
het ook zij met die oorsprongen, men kan in ieder geval zien, aan de
geringe zorg die de natuur heeft besteed om de mensen door hun
wederzijdse behoeften nader tot elkaar te brengen, en voor hen het
gebruik van het woord te vergemakkelijken, hoe weinig zij hen heeft
voorbereid op het leven in de groep, en hoe weinig zij van het hare
heeft bijgedragen in alles wat zij hebben gedaan om banden aan te
gaan. Eigenlijk is het onmogelijk je voor te stellen waarom in die
oorspronkelijke staat de ene mens een ander mens meer nodig zou
hebben, dan een aap of een wolf zijn soortgenoot, noch, als men die
behoefte veronderstelt, welke drijfveer de ander zou kunnen hebben om
voor hem te zorgen, zelfs niet, in het laatste geval, hoe zij het met
elkaar over de voorwaarden eens hadden kunnen worden. Ik weet dat men
onophoudelijk vertelt dat niets er zo ellendig aan toe was als de
mens in die natuurlijke toestand; en als het waar is dat hij, zoals
ik meen te hebben aangetoond, pas na zeer veel eeuwen het verlangen
en de mogelijkheid heeft gehad die toestand te verlaten, betekent dat
dat men de natuurlijke toestand aanklaagt en niet degene die de
natuurlijke toestand zo heeft geschapen. Maar als ik dat woord ellendig
goed begrijp, is het een woord zonder enige
betekenis, of wat niet meer betekent dan een smartelijke
gebrekkigheid en lijden van het lichaam of de ziel; welnu, ik zou
graag willen dat men mij zou uitleggen wat het soort ellende van een
vrij wezen, met een vredig hart en een gezond lichaam, is. Ik vraag
welk leven, het beschaafde of natuurlijke leven, er het meest toe
neigt om ondraaglijk te worden voor de mensen die het genieten? Wij
zien om ons heen bijna alleen maar mensen die zich over hun bestaan
beklagen: onder hen bevinden zich zelfs meerdere die zich er zelfs
van beroven, en de goddelijke en menselijke wetten tesamen zijn
nauwelijks voldoende om die chaos een halt toe te roepen. Ik vraag of
men ooit heeft horen zeggen dat het bij een vrije wilde mens is
opgekomen om zich over zijn leven te beklagen en zich van het leven
te beroven? Laat men dus met minder hoogmoed oordelen over waar de
werkelijke ellende heerst. Integendeel zelfs, niets zou zo ellendig
als de wilde mens zijn, als hij verblind door kennis en gekweld door
hartstochten zou zijn geweest en over een ander leven dan het zijne
zou hebben gedacht. Het was door een zeer wijze voorzienigheid, dat
de vermogens die hij in aanleg bezat, zich slechts konden ontwikkelen
met de mogelijkheden om ze oefenen, zodat ze noch overbodig en
voortijdig tot last werden, noch te laat en in het ergste geval
nutteloos. Hij bezat, in het instinct alleen, alles wat hij voor het
leven in de natuurlijke toestand nodig had, een ontwikkeld verstand
zou hij alleen maar nodig hebben gehad om in de maatschappij te
leven.
Het
lijkt aanvankelijk dat de mensen in die toestand onder elkaar geen
soort zedelijke betrekkingen onderhielden, noch plichten kenden, goed
noch slecht konden zijn en ondeugden noch deugden bezaten, tenminste
als men die woorden op een lichamelijke manier opvat, en als men de
vermogens van de afzonderlijke mens die zijn zelfbehoud kunnen
schaden, ondeugden noemt en degene die eraan kunnen bijdragen,
deugden; zo zou dus degene die het minst weerstand tegen de
eenvoudige aandriften van de natuur biedt, de meest deugdzame moeten
worden genoemd. Maar, als we niet van de gangbare betekenis van het
woord afwijken, is het raadzaam het oordeel dat wij over een
dergelijke toestand zouden kunnen vellen, op te schorten, en ons van
vooroordelen te onthouden, totdat men, met de weegschaal in de hand,
heeft onderzocht of er meer ondeugden dan deugden onder de beschaafde
mensen voorkomen, of hun deugden gunstiger zijn dan hun ondeugden
rampzalig, of de vooruitgang van hun kennis voldoende opweegt tegen
het kwaad dat ze elkaar berokkenen, naar gelang ze meer kennis opdoen
over het goede dat ze zouden moeten doen, of dat zij, alles bijelkaar
genomen, als zij van niemand kwaad hadden te vrezen, noch goeds
hadden te verwachten, niet in een gelukkiger toestand zouden
verkeren, dan wanneer zij waren onderworpen aan een algemene
afhankelijkheid en het als een plicht voelden alles te ontvangen van
hen, die zich niet verplicht voelen hen iets te geven.
Laten
wij toch niet samen met Hobbes tot de slotsom komen, dat de mens,
omdat hij geen flauw benul van het goede heeft, van nature slecht zou
zijn; dat hij niet deugt omdat hij de deugd niet kent; dat hij zijn
medemensen altijd weigert te helpen omdat hij dat niet als zijn
plicht beschouwt, of dat hij zich, door krachtens het recht terecht
dingen toe te eigenen waar hij behoefte aan heeft, gek genoeg
voorstelt dat hij de enige eigenaar van het universum is. Hobbes
heeft heel juist de tekortkomingen van de huidige definities van het
natuurlijke recht gezien: maar de gevolgtrekkingen die hij uit zijn
definitie trekt laten zien dat hij dat recht opvat op een wijze die
niet minder onjuist is. Als hij het over de beginselen heeft die hij
stelt, had die Schrijver moeten zeggen dat de natuurlijke toestand
die toestand is waar de zorg voor ons zelfbehoud het minst schadelijk
voor de ander is, dat die toestand dientengevolge het meest
geëigend
voor de vrede is, en het meest bij de mensheid past. Hij zegt precies
het tegenovergestelde doordat hij te onpas, in de zorg van de wilde
mens voor zijn zelfbehoud, de noodzaak introduceert om een grote
hoeveelheid hartstochten te bevredigen, die het werk van de
maatschappij zijn, en die de wetten noodzakelijk hebben gemaakt. De
slechte, zegt hij, is een sterk kind. Blijft de vraag of de wilde
mens een sterk kind is. Als men het met hem eens zou zijn, welke
gevolgtrekking zou men daar dan aan verbinden? Als die mens, als hij
sterk is, net zo afhankelijk van anderen zou zijn dan wanneer hij
zwak zou zijn, is er geen enkele uitspatting waar hij zich niet aan
te buiten zou gaan; dan is er geen reden waarom hij zijn moeder niet
zou slaan als ze te lang talmt om hem de borst te geven; waarom hij
niet een van zijn broertjes zou wurgen, als hij die lastig zou
vinden; waarom hij niet iemand in het been zou bijten, die tegen hem
oploopt of lastig valt: maar sterk en afhankelijk zijn, zijn in de
natuurlijke toestand twee tegenstrijdige veronderstellingen. De mens
is zwak als hij afhankelijk is, en hij is onafhankelijk voordat hij
sterk is. Hobbes heeft niet gezien dat dezelfde reden die de Wilde
Mens verhindert zijn verstand te gebruiken, zoals onze
rechtsgeleerden beweren, hen tegelijkertijd verhindert om hun
vermogens te misbruiken, zoals hij zelf beweert; zodat men kan zeggen
dat de Wilde Mensen juist niet slecht zijn omdat zij niet zouden
weten wat het is om goed te zijn, want het is noch de ontwikkeling
van hun inzicht, noch het juk van de wet, maar de rust van de
hartstochten en het niet kennen van de ondeugd, dat hen verhindert
kwaad te doen: Tanto plus in illis proficit vitiorum ignoratio,
quam in his cognitio virtutis. (Bij de een is het niet kennen
van de ondeugd werkzamer, dan het kennen van de deugd bij de ander,
Justinus, Historiae II,2.) Er is trouwens nog een ander beginsel
dat Hobbes niet heeft opgemerkt, en dat, aan de mens gegeven om,
onder bepaalde omstandigheden de onstuimigheid van zijn eigenliefde,
of het verlangen in stand te blijven voordat die liefde ontstaat, te
matigen, dat de vurigheid die hij voor zijn welzijn koestert tempert
door een aangeboren afkeer om zijn medemens te zien lijden. Ik denk
niet dat ik enige tegenspraak heb te vrezen, als ik de mens de enige
natuurlijke deugd toeken, die zelfs de meest overspannen lasteraar
van de menselijke deugden wel moet erkennen. Ik bedoel het mededogen,
een gemoedsstemming die zo past bij zo’n zwakke wezens, die aan net
zoveel kwaad onderhevig zijn als wij; een zo universele deugd en zo
heilzaam voor de mens, dat die aan het gebruik van het hele nadenken
voorafgaat, en zo natuurlijk dat zelfs de dieren er soms blijk van
geven. Zonder het te hebben over de tederheid van de wijfjes voor hun
jongen, en de gevaren die zij trotseren om hen te behoeden, kunnen we
dagelijks de weerzin zien de paarden om een levend lichaam te
vertrappen. Een dier gaat niet zonder onrust aan een dood dier van
zijn soort voorbij: er zijn er zelfs die hen een soort begrafenis
geven; en het treurige geloei van het vee dat een slachterij
binnengaat, geeft een indruk dat het van het gruwelijke schouwspel
dat het op hen maakt. Kijk maar naar het genoegen van de schrijver
van de Fable of the Bees (Bernard Mandeville) die als hij de
mens als een mededogend en gevoelig wezen moet erkennen, in het
voorbeeld dat hij beschrijft, zijn koele en spitsvondige stijl laat
varen en ons het hartroerende beeld schetst van een opgesloten man
die buiten een wild dier ziet, dat een kind aan de schoot van zijn
moeder ontrukt en met zijn moorddadige kaken de zwakke ledematen
verbrijzelt, en met zijn klauwen de lillende ingewanden van dat kind
openrijt. Wat een afgrijselijke opwinding wekt dat niet op bij die
getuige van een gebeurtenis, waar hij geen enkel persoonlijk belang
bij heeft! Wat voor doodsangsten moet bij die aanblik niet uitstaan,
omdat hij geen enkele hulp aan de bezwijmende moeder en het stervende
kind kan bieden.
Dat
is de zuivere opwelling van de natuur, die aan alle nadenken
voorafgaat: dat is de kracht van het natuurlijke mededogen, die de
meest ontaarde zeden nog nauwelijks hebben kunnen vernietigen,
aangezien men dagelijks in onze schouwburgen mensen zo ontroerd ziet
worden en zo ziet huilen bij de rampspoed van een ongelukkige, dat
zij, als zij in de plaats van de tiran zouden staan, de kwellingen
van zijn vijand nog groter zouden maken; net als bij de bloeddorstige
Sylla, die zo gevoelig was voor het kwaad dat hij niet had
aangericht, of bij die Alexander van Pherai, die geen enkele
uitvoering van een tragedie durfde bij te wonen, uit angst dat men
hem bij Andromachus en Priamus zou zien huilen, terwijl hij zonder
emotie het geschreeuw van zovele burgers hoorde, die elke dag op zijn
bevel werden vermoord.
Mollissima
cordae
Humano
generi dare se Natura fatetur,
Quae
lacrymas dedit.
De
natuur die ons tranen gaf
Erkent,
dat zij het menselijk soort met een zachtmoedig hart begiftigde
Dat
is
het
edelste
deel van onze natuur (Juvenalis, SatirenVX)
Mandeville
heeft goed aangevoeld dat met die hele zedenleer de mensen toch nooit
iets anders dan monsters zouden zijn geweest, als de natuur hen niet,
ter ondersteuning van het verstand, het mededogen had geschonken:
maar hij heeft niet gezien dat uit die ene eigenschap, alle
maatschappelijke deugden, die hij bij de mens ter discussie wil
stellen, voortspruiten. Is vrijgevigheid, vergevingsgezindheid en
medemenselijkheid dan iets anders dan mededogen met de zwakken, met
de schuldigen, en met de mensheid in het algemeen? Zelfs de
genegenheid en de vriendschap zijn, welbeschouwd, voortbrengselen van
een onophoudelijk mededogen, gericht op een bepaald object: want
verlangen dat iemand niet lijdt, is dat soms iets anders dan willen
dan dat hij gelukkig is? Want als het waar zou zijn dat mededogen
alleen maar een gevoel is dat ons in degene die lijdt verplaatst, een
vaag maar levend gevoel bij de wilde mens, ontwikkeld maar zwak bij
de burgerlijke mens, wat zou dat denkbeeld aan de waarheid die ik u
vertel, anders dan er nog meer kracht bij te zetten, kunnen
toevoegen? Het mededogen zal dus krachtiger zijn, naarmate het
toeschouwende dier zich inniger met het lijdende dier zal
vereenzelvigen; welnu, het is overduidelijk dat die vereenzelviging
in de natuurlijke toestand oneindig veel inniger moet zijn geweest,
dan in de toestand van het nadenken. Het is het verstand dat het
egoïsme teweegbrengt, en het is het nadenken dat het versterkt;
zij is het die de mens naar zichzelf terugbuigt; zij is het die hem
scheidt van alles wat hem hindert en verdriet doet. Het is de
filosofie die hem afzondert; het is door haar dat hij bij het zien
van een lijdende mens stiekem zegt: Val dood, als je wil; ik ben in
veiligheid. Het zijn alleen maar de gevaren overal in de
maatschappij, die de rustige slaap van de filosoof verstoren, en die
hem zijn bed uithalen. Men kan onder zijn raam ongestraft een
medemens kelen; hij hoeft alleen maar zijn handen tegen zijn oren te
drukken en een beetje met zichzelf te overleggen, om de natuur, die
in zichzelf in opstand komt, te verhinderen dat hij zich, met degene
die wordt vermoord, vereenzelvigt. De wilde mens heeft dat
bewonderenswaardige talent niet; en omdat hij die wijsheid en dat
verstand mist, ziet men hem zich meteen onbezonnen aan het eerste
gevoel van medemenselijkheid overgeven. In de relletjes, in de
straatruzies, loopt het gepeupel te hoop, de bedachtzame mens blijft
op een afstand; het is het grauw, het zijn de marktvrouwen die de
strijdenden scheiden en die de achtenswaardige mensen ervan
weerhouden om elkaar af te maken.
Het
staat dus vast dat het mededogen een natuurlijk gevoel is, dat in
iedereen afzonderlijk de werking van het egoïsme tempert en
daardoor bijdraagt aan het onderlinge behoud van de hele soort. Het
mededogen brengt ons ertoe zonder na te denken degenen die wij zien
lijden te hulp te schieten; zij is het die in de natuurlijke toestand
de plaats van de wetten inneemt, van de zeden en de deugd, met dat
voordeel dat niemand in de verleiding komt haar zachte stem niet te
gehoorzamen: zij is het die elke krachtige Wilde Mens zal weerhouden
om van een zwak kind of een zieke grijsaard, het moeizaam verworven
voedsel af te nemen, als hij hoopt het zijne elders te kunnen vinden;
en zij is het die in plaats van die prachtige stelregel van de
verstandelijke rechtvaardigheid, wat gij niet wilt dat u
geschiedt, doet dat ook de ander niet alle mensen bezielt met die
andere stelregel van de natuurlijke goedheid, wel minder volmaakt,
maar misschien bruikbaarder dan de voorgaande, doe wat goed voor u
is, maar berokken de ander daarbij zo min mogelijk kwaad. Kortom,
het is eerder in dit natuurlijke gevoel, dan in scherpzinnige
argumenten dat wij de oorzaak van de afkeer moeten zoeken, die elke
mens ervaart als hij kwaad doet, los nog van de regels die hij in de
opvoeding heeft meegekregen. Hoewel het bij Socrates en de geesten
van zijn tijd moge horen om de deugd door middel van het verstand te
bereiken, zou de mensheid er al lang niet meer zijn geweest, als haar
behoud alleen maar van de redeneringen van hen die ze schiepen, had
afgehangen.
Met
zo weinig werkzame hartstochten, en een zo heilzaam juk, waren de
mensen, eerder schuw dan slecht, en meer op hun hoede om zich tegen
het kwaad dat ze konden tegenkomen te wapenen, dan in de verleiding
de ander kwaad te doen, niet in heel gevaarlijke twisten verwikkeld:
zij onderhielden namelijk onderling geen enkele verkeer; en daardoor
kenden zij geen ijdelheid, geen eerbied, geen waardering en geen
verachting; en omdat zij niet het geringste besef van mijn en dijn
hadden, noch enig werkelijk idee van rechtvaardigheid; omdat ze de
gewelddadigheden die ze konden begaan als een kwaad beschouwden dat
gemakkelijk weer goed was te maken, en niet als een belediging die
moest worden gestraft, en omdat ze zelfs niet aan wraak dachten, als
het niet werktuiglijk en op het strijdperk was, zoals een hond die
bijt naar de steen die men hem toewerpt, zullen hun twisten zelden
bloedige gevolgen hebben gehad, als het niet om gevoeliger zaken dan
het voedsel ging. Maar ik zie er nog een groter gevaar in, waar ik
het nog over moet hebben.
Onder
de hartstochten die het menselijk hart beroeren, is een vurige,
onstuimige, die de ene sekse noodzakelijk maakt voor de andere; een
vreselijke hartstocht, die alle gevaren trotseert, alle hindernissen
omverwerpt, en die, in haar vlagen geëigend lijkt te zijn om de
mensheid, dat zij is voorbestemd in stand te houden, te vernietigen.
Wat moet er van die mensen, schaamteloos en mateloos ten prooi aan
die uitzinnige en beestachtige drift, en die elkaar elke dag tot
bloedens toe hun liefjes betwisten, terechtkomen.
We
moeten eerst erkennen, dat hoe heviger de hartstochten zijn, hoe
noodzakelijker de wetten zijn om ze te bedwingen: maar behalve dat de
ongeregeldheden en misdaden die ze dagelijks bij ons veroorzaken, de
ontoereikendheid van de wetten op dat punt voldoende aantonen, zou
het ook goed zijn om te onderzoeken of die ongeregeldheden niet juist
door die wetten in het leven worden geroepen; want zelfs als ze in
staat zouden zijn ze te beteugelen, is het minste wat men van hen kan
verwachten dat ze een halt toeroepen aan een kwaad dat zonder hen
niet zou hebben bestaan.
Laten
we beginnen om in het gevoel van liefde en het zedelijke van het
lichamelijke te scheiden. Het lichamelijke is het algemene verlangen
dat de ene sekse ertoe aanzet zich met de andere te verenigen. Het
zedelijke is hetgeen dat verlangen bepaalt en het op een enkel
uitsluitend object richt, of dat het op zijn minst voor dat
voorkeursobject een grotere mate van kracht geeft. Welnu, het is
eenvoudig te zien dat het zedelijke van de liefde een kunstmatig
gevoel is, ontstaan ten bate van de maatschappij, en door de vrouwen
met veel behendigheid en zorg gebruikt om hun heerschappij te
vestigen, en de sekse die zou moeten gehoorzamen overheersend te
maken. Dat gevoel, dat op bepaalde begrippen van verdienste of
schoonheid berust, dat een Wilde Mens niet in staat is te zien, en op
vergelijkingen die hij niet in staat is te maken, zal hem vrijwel
niets zeggen: want omdat zijn geest geen abstracte denkbeelden, zoals
regelmaat en verhouding heeft kunnen vormen, is zijn hart niet
vatbaar voor gevoelens van bewondering en liefde, die, zelfs zonder
dat men het in de gaten heeft, uit de toepassing van die denkbeelden
voortspruiten; hij gehoorzaamt uitsluitend aan de neiging die hij van
de natuur heeft ontvangen, en niet aan een lust die hij zich niet
eigen heeft kunnen maken; en elke vrouw is hem best.
Beperkt
tot het lichamelijke van de liefde, en gelukkig genoeg om de
voorkeuren die het gevoel ervan prikkelen en de problemen ervan
vermeerderen, moeten die mensen de vurigheid van die neiging minder
vaak voelen, en dientengevolge onder elkaar minder vaak en minder
wrede twisten hebben. De verbeelding, die bij ons zoveel
verwoestingen aanricht, spreekt niet tot wilde harten; ieder wacht
vredig de natuurlijke neiging af, waar hij zich willoos aan
overgeeft, met meer genoegen dan hartstocht; en als de behoefte is
bevredigd, is alle verlangen uitgedoofd.
Het
is dus een onbetwistbare zaak dat de liefde zelf, net als alle andere
hartstochten, alleen maar in de maatschappij die onstuimige vurigheid
kan verwerven, die haar zovaak rampzalig voor de mensen maakt; het is
dus nog belachelijker de Wilde Mensen voor te stellen als elkaar
onophoudelijk afslachtend om hun bruutheid te stillen, omdat die
mening rechtstreeks in strijd is met de ervaring, en dat de
Caraïbiërs, die van alle bestaande volkeren tot nu toe het
minst van de natuurlijke toestand zijn afgeweken, juist in hun
liefdes het meest vreedzaam zijn, en het minst onderhevig aan
jaloezie, hoewel ze in een brandend klimaat leven, dat aan die
hartstochten altijd een hevigere werking schijnt te geven.
Wat
de gevolgtrekkingen betreft, die men uit verschillende diersoorten
kan trekken, de gevechten van de mannetjes die op onze erven te allen
tijde het bloed doen vloeien, of die in het voorjaar onze wouden doen
weerklinken van hun kreten als zij om het wijfje vechten, moet men
beginnen met uitsluiting van alle soorten waarbij de natuur tussen de
mannetjes en wijfjes kennelijk een andere krachtsverhouding heeft
aangebracht dan bij ons: dus de hanengevechten geven geen
gevolgtrekking voor de mensheid. Bij de soorten, waar de verhouding
beter is bestudeerd, kunnen de gevechten alleen maar als gevolg van
de schaarste van de vrouwtjes ten opzichte van het aantal mannetjes,
worden gezien, of ten gevolge van de perioden van onthouding,
gedurende welke de vrouwtjes de toenadering van het mannetje
doorlopend weigeren, wat weer op de eerste oorzaak neerkom; want als
ieder vrouwtje slechts gedurende twee maanden per jaar het mannetje
zou dulden, is het in dat opzicht alsof het aantal vrouwtjes
vijfzesde lager is. Welnu, geen van die twee gevallen is op de
mensheid toepasbaar, waar het aantal vrouwen doorgaans het aantal
mannen overtreft, en waar men nooit heeft waargenomen, zelfs niet bij
de Wilde Mensen, dat de vrouwen, zoals bij de andere diersoorten,
perioden van bronst en onthouding kennen. Bovendien is het bij veel
diersoorten zo, dat het hele soort tegelijkertijd in rep en roer
raakt, er ontstaat een vreselijk tijdstip van algemene vurigheid,
opschudding, wanorde en gevecht: een tijdstip dat bij de mensheid,
waar de liefde nooit periodiek is, niet plaatsvindt. Men kan dus uit
gevechten van bepaalde diersoorten om het bezit van vrouwtjes, niet
de gevolgtrekking maken, dat hetzelfde bij de mensen in de
natuurlijke toestand zal gebeuren; en zelfs wanneer men die
gevolgtrekking wel kan trekken, moet men toch bedenken dat, aangezien
die gevechten die andere soorten niet hebben vernietigd, die niet
rampzaliger zijn dan bij ons; en het is overduidelijk dat zij daar
ook minder verwoesting zouden aanrichten, dan ze in de maatschappij
zouden doen, zeker in landen waar de zeden nog iets hebben te
betekenen, leiden de jaloezie van de minnaars en de wraak van de
echtgenoten dagelijks tot duels en, erger nog, tot moord; en waar de
plicht van een eeuwige trouw slechts overspeligen oplevert, en waar
zelfs de wetten van kuisheid en eer noodzakelijkerwijs tot meer
losbandigheid leiden, en abortussen verveelvuldigen.
Laten
wij daaruit afleiden dat de wilde mens, zwervend door de wouden,
zonder nijverheid, woordeloos, zonder verblijfplaats, zonder oorlog
en zonder binding, zonder enige behoefte aan zijn medemensen, dus
zonder enige drang om ze te schaden, misschien zelfs zonder iemand
ooit afzonderlijk te herkennen, onderhevig aan weinig hartstochten,
en zichzelf genoeg, slechts beschikte over gevoelens en inzichten die
aan die toestand eigen waren, dat hij slechts zijn ware behoeften
voelde, dat hij slechts keek naar wat hij dacht dat belangrijk was om
te zien, en dat zijn vernuft evenmin toenam als zijn ijdelheid. Als
hij toevallig een of andere ontdekking deed, kon hij die al helemaal
niet overdragen, omdat hij zelfs zijn eigen kinderen niet herkende.
De vaardigheid ging samen met zijn uitvinder verloren. Er was geen
opvoeding en geen vooruitgang; en generaties volgden elkaar
vruchteloos op; en elke generatie begon altijd weer vanaf hetzelfde
punt, de eeuwen verstreken in heel de onbeschaafdheid van de eerste
tijden; het soort werd oud, en de mens bleef altijd kind.
Als
ik zo lang heb uitgewijd over de veronderstelling van die
oorspronkelijke toestand is het omdat ik met oude misvattingen en
ingewortelde vooroordelen moest afrekenen, die ik met wortel en al
dacht uit te moeten roeien, en dat ik met mijn juiste afbeelding van
de natuurlijke toestand moest laten zien hoeveel minder werkelijkheid
en invloed de ongelijkheid, zelfs de natuurlijke, in die toestand
heeft, dan onze Schrijvers voorgeven.
Eigenlijk
is het gemakkelijk te zien dat onder de verschillen, die de mensen
van elkaar onderscheiden, vele voor natuurlijk doorgaan, die
uitsluitend het werk van gewoonte en verschillende levensstijlen
zijn, die de mensen zich in de maatschappij eigen hebben gemaakt. Zo
komen een krachtige of zwakke gesteldheid, en de daarvan afhangende
kracht of zwakte, vaker voort uit de harde of verwekelijkte manier
van opvoeding, dan uit de oorspronkelijke lichamelijke toestand. Het
is met de geestelijke vermogens hetzelfde, en niet alleen de
opvoeding brengt het verschil, tussen ontwikkelde geesten en degene
die het niet zijn, aan, maar zij vergroot ook het verschil tussen de
eerste in dezelfde mate als de beschaving; want als een reus en een
dwerg dezelfde weg bewandelen, zal elke pas die zij lopen een nieuwe
voorsprong voor de reus opleveren. Welnu, als men de wonderbaarlijke
verscheidenheid van de opvoedingsmethoden en levenswijzen, die in de
verschillende lagen van de burgerlijke staat leven, vergelijkt met de
eenvoud en eenvormigheid van het leven van de dieren en de wilde
mens, waar allen zich met dezelfde voedingsmiddelen voeden, op
dezelfde wijzen leven en zich precies hetzelfde gedragen, zal men
begrijpen hoeveel kleiner het verschil tussen de mensen in de
natuurlijke toestand onderling is, dan in de maatschappij, en hoezeer
de natuurlijke ongelijkheid in de mensheid door de ongelijkheid van
inrichting van de maatschappij wordt vergroot.
Maar
als de natuur in de verdeling van haar gaven zoveel voorkeuren aan de
dag legt als men beweert, welk voordeel zouden dan de meest
begunstigden ten koste van de anderen hebben, bij een stand van zaken
die nauwelijks enige manier van onderlinge verbondenheid toestaat?
Wat baat schoonheid, daar waar geen liefde bestaat? Wat baat de geest
bij mensen die niet praten en list bij mensen die niets met elkaar
hebben te maken? Ik hoor herhaaldelijk dat de sterkeren de zwakkeren
onderdrukken; maar laat men mij dan uitleggen wat men met dat woord
onderdrukking bedoelt. De een zal met geweld overheersen, de ander
zal in onderworpenheid onder hun grillen zuchten! Dat is nou precies
wat ik bij ons zie; maar ik zie niet hoe men dat van de wilde mensen
kan zeggen, aan wie men zelfs met moeite zou kunnen uitleggen wat
slaafsheid en overheersing betekent. Een mens kan zich best van de
vruchten die een ander heeft verzameld meester maken, van het wild
dat hij heeft gedood, van het hol dat hem als schuilplaats dient;
maar hoe kan hij ooit bereiken dat hij zich laat gehoorzamen? en wat
zouden de ketenen van afhankelijkheid tussen mensen die niets
bezitten kunnen zijn? Als men mij uit een boom verjaagt, verlaat ik
die om een andere op te zoeken; als men mij op de ene plaats kwelt,
wat verhindert mij dan om ergens anders naartoe te gaan? Stel dat er
iemand is die veel sterker is dan ik, en bovendien zo verdorven, zo
lui en gewelddadig, dat hij mij dwingt om in zijn levensonderhoud te
voorzien, terwijl hij zijn tijd in ledigheid door blijft brengen? Hij
zal moeten begrijpen dat hij mij geen moment uit het oog mag
verliezen, dat hij mij gedurende zijn slaap zeer zorgvuldig
vastgebonden moet houden, uit angst dat ik ontsnap of hem vermoord;
dat wil zeggen dat hij opzettelijk gedwongen is zich aan een veel
grotere inspanning bloot te stellen, dan hij zich wil besparen, en
dan hij mij oplegt. En wat als, na dat alles, zijn waakzaamheid
één
ogenblik verslapt; als een onverwacht geluid zorgt dat hij zijn hoofd
omdraait? ik doe twintig passen in het woud, en hij ziet mij zijn
hele leven niet meer terug.
Zonder
onnodig in details te treden, moet iedereen zien dat de banden van
slavernij slechts zijn voortgekomen uit de onderlinge afhankelijkheid
van de mensen en de wederzijdse behoeften die hen verenigen, en dat
het onmogelijk is iemand te onderwerpen zonder hem eerst in een
toestand te brengen waarin hij niet zonder iemand anders kan, een
positie die niet in de natuurlijke toestand bestaat, waarin iedereen
vrij van het juk is en de wet van de sterkste niet bestaat.
Na
te hebben bewezen, dat de ongelijkheid in de natuurlijke toestand
nauwelijks voorkomt, en dat de invloed ervan vrijwel nul is, moet ik
de oorsprong en de voortgang ervan in de opeenvolgende ontwikkelingen
van de menselijke geest nog laten zien. Na te hebben aangetoond, dat
de vervolmaakbaarheid, de sociale deugden en de andere
vermogens die de natuurlijke mens zich eigen had gemaakt, zich nooit
uit zichzelf hebben kunnen ontwikkelen, dat zij daarvoor de
toevallige samenloop van meerdere onbekende factoren, die zich
onmogelijk heeft kunnen voordoen, nodig hebben gehad, zonder welke de
mens eeuwig in zijn oorspronkelijke toestand was gebleven, moet ik
nog naar de verschillende toevalligheden kijken en met elkaar
vergelijken, die het menselijke verstand hebben kunnen vervolmaken en
tegelijkertijd hebben gehavend, die een wezen, door het
maatschappelijk te maken slecht hebben gemaakt, en de mens en de
wereld uit een zover verwijderd verleden tot het punt hebben
gebracht, waar wij hen nu zien.
Ik
geef toe dat de gebeurtenissen die ik heb beschreven op verschillende
manieren hebben kunnen plaatsvinden, en dat ik mijn keuze slechts
door gissingen kan bepalen; maar afgezien van het feit dat die
gissingen redenen worden, als zij de meest waarschijnlijke zijn die
men aan de natuur van de dingen kan ontlenen, en het de enige
middelen zijn waarmee men de waarheid kan ontdekken, zullen de
gevolgtrekkingen die ik uit de mijne wil afleiden daarom nog geen
vermoedelijke zijn, omdat men, uit de beginselen die ik ga opstellen,
geen ander systeem zou kunnen vormen, dat voor mij dezelfde
resultaten zou opleveren, en waaruit ik niet dezelfde conclusies zou
kunnen trekken.
Dat
zal mij van de plicht ontslaan om het niet verder over de manier te
hebben, waarop het tijdsverloop tegen de geringe waarschijnlijkheid
van de gebeurtenissen opweegt; over de verrassende kracht van zeer
onbeduidende oorzaken, als zij maar onafgebroken werkzaam zijn; over
de onmogelijkheid waarin men aan de ene kant verkeert, om bepaalde
hypothesen teniet te doen, terwijl men aan de andere kant niet in
staat is die de staat van feitelijke zekerheid te geven; over het
gegeven dat als twee feiten, die als werkelijk worden beschouwd, door
hen met een reeks van onbekende of als zodanig beschouwde
tussenliggende feiten te verbinden, het aan de geschiedenis ligt, als
men daar tenminste over beschikt, om de feiten die hen verbinden te
verschaffen; het is aan de filosofie, als de geschiedenis het niet
kan, om vergelijkbare feiten te leveren die hen kunnen verbinden; en
tenslotte over de gebeurtenissen, waar de overeenkomsten de feiten
tot een veel kleiner aantal verschillende klassen terugbrengt, dan
men zich voor kan stellen. Ik volsta ermee deze onderwerpen onder de
aandacht van mijn rechters te brengen; en dat ik het zodanig heb
gedaan dat de gewone lezers er niet op hoeven te letten.
DEEL
TWEE.
De
eerste die een stuk grond omheinde en durfde te zeggen ‘dat is van
mij’, en mensen aantrof die onnozel genoeg waren om hem te geloven,
was de ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij. Wat
een misdaden, oorlogen, moorden, wat een ellende en verschrikkingen
was de mensheid niet gespaard gebleven als iemand toen de palen had
uitgerukt of de gracht had gedempt en tot zijn medemensen had
geroepen: ‘Hoed je om naar die bedrieger te luisteren; jullie zijn
verloren als jullie vergeten dat de vruchten iedereen toebehoren en
dat de aarde van niemand is’! Maar het is zeer waarschijnlijk
dat de zaken toen al zover heen waren, dat ze niet meer konden
blijven zoals ze waren: want dat idee van eigendom, dat afhing van
veel voorafgaande ideeën die slechts achtereenvolgens hebben
kunnen ontstaan, vormde zich niet opeens in de menselijke geest: er
was heel wat vooruitgang voor nodig, heel wat bedrijvigheid en
kennis, dat van geslacht tot geslacht overgedragen moest worden,
voordat het tot dat laatste stadium van de natuurlijke toestand kon
komen. Laten we dus naar de vroegste zaken teruggrijpen en laten we
vanuit één gezichtspunt proberen die langzame
opeenvolging van gebeurtenissen en kennisvermeerdering in hun meest
natuurlijke ordening bijeen te brengen.
Het
eerste besef van de mens was dat van zijn eigen bestaan, zijn eerste
de behoefte die van zijn zelfbehoud. De voortbrengselen van de aarde
voorzagen hem van alles wat hij nodig had en het instinct deed hem
daar gebruik van maken. De honger en andere neigingen lieten hem
beurtelings verschillende wijzen van leven beproeven, en er was
één
die hem aanspoorde zijn soort voort te planten; en die blinde
neiging, zonder enig innerlijk gevoel, bracht slechts een zuiver
dierlijke handeling voort. Als de behoefte was bevredigd, herkenden
de twee seksen elkaar niet meer en zelfs het kind betekende voor de
moeder niets meer, zodra het buiten haar kon.
Zo
was de toestand van de ontluikende mens; zo was het leven van een
dier dat aanvankelijk louter door gevoelens werd begrensd, en zich de
gaven die de natuur bood nauwelijks ten nutte maakte, laat staan dat
hij bedacht er iets aan te kunnen afdwingen; maar al gauw doken er
problemen op; hij moest die leren overwinnen: de hoogte van de bomen
die hem verhinderde de vruchten te bereiken, de concurrentie van de
dieren die zich ermee wilden voeden, de wildheid van degene die het
op zijn leven hadden gemunt, dat alles dwong hem ertoe zijn lichaam
te oefenen; hij moest behendig worden, snel kunnen lopen en goed
kunnen vechten. Natuurlijke wapens, zoals boomtakken en stenen, had
hij al gauw bij de hand. Hij leerde de natuurlijke hindernissen te
overwinnen, waar nodig andere dieren te bestrijden, voor zijn
levensonderhoud zelfs met mensen te vechten en zich schadeloos te
stellen voor hetgeen hij aan de sterkere moest afstaan.
Naarmate
de mensheid zich uitbreidde, nam met het aantal mensen ook het aantal
zorgen toe. Het verschil van bodemgesteldheid, klimaat en seizoenen,
dwong hen zich in hun manier van leven aan te passen. Onvruchtbare
jaren, lange en strenge winters, brandende zomers, die alles
verteerden, eiste van hen nieuwe bedrijvigheid. Langs de zee en de
rivieren, vonden ze de hengel en de vishaak uit, en werden vissers en
viseters. In de wouden vervaardigden ze bogen en pijlen, en werden
jagers en krijgers. In de koude streken bedekten zij zich met huiden
van dieren, die ze eerst hadden gedood. De bliksem, een vulkaan of
welk gelukkig toeval dan ook, maakte hen met het vuur bekend, een
nieuwe hulpbron tegen de strenge winter: zij leerden dat element
eerst in stand houden, en het vervolgens zelf weer te maken, en tot
slot het vlees, dat ze eerst rauw verorberden, op het vuur te
bereiden.
Deze
herhaaldelijke omgang met wezens die anders waren dan hij, en
onderling van elkaar verschilden, moet natuurlijk in de geest van de
mens het besef van bepaalde verbanden oproepen. Die verbanden die wij
uitdrukken met de woorden groot, klein, sterk, zwak, snel, langzaam,
bang, moedig, en meer van dat soort begrippen, die wij zo nodig
zonder erover na te denken met elkaar vergelijken, riepen ten slotte
een soort nadenken in hem op, of liever, een werktuigelijke
voorzichtigheid, die hem op de meest noodzakelijke voorzorgen voor
zijn veiligheid wezen.
De
nieuwe inzichten die uit die ontwikkeling voortsproten, vergrootten
zijn overwicht op de andere dieren, omdat hij zich daarvan bewust
werd. Hij oefende zich in het spannen van strikken voor hen, op
duizend manieren bracht hij hen op een dwaalspoor, en hoewel vele,
die hij had kunnen gebruiken of waarmee hij zich had kunnen voeden,
hem in het gevecht of in snelheid overtroffen, werd hij mettertijd de
baas van de een en de plaag van de ander. Zo riep de eerste blik die
hij op zichzelf wierp, het eerste gevoel van trots in hem op; zo
bereidde hij zich, omdat hij nog nauwelijks de rangordes wist te
onderscheiden, en zich op de eerste plaats met zijn eigen soort
bezighield, nog allesbehalve voor op het zich op zijn persoon laten
voorstaan.
Hoewel
zijn medemensen voor hem niet waren wat ze voor ons zijn, en omdat
hij met hen nauwelijks meer omging dan met andere dieren, werden zij
in zijn waarnemingen niet vergeten. De overeenkomsten tussen hen die
hij in verloop van tijd leerde opmerken, tussen zijn vrouw en
zichzelf, maakten hem er opmerkzaam op als die overeenkomsten
ontbraken; en doordat hij zag dat zij zich allemaal gedroegen, zoals
hijzelf onder dergelijke omstandigheden zou hebben gedaan, trok hij
daar de conclusie uit, dat hun manier van denken en voelen, volledig
met de zijne overeenkwam; en die belangrijke waarheid, die zich heel
vast in zijn geest nestelde, deed hem, door een net zo zeker en
voortvarend voorgevoel als de Dialectiek, de beste gedragsregels
volgen, die hij, voor zijn eigen bestwil en veiligheid, het best
tegenover hen in acht kon nemen.
Door
ervaring geleerd dat de liefde voor het eigen welzijn de enige
drijfveer voor het menselijk handelen is, bleek de mens in staat
onderscheid te maken tussen zeldzame gelegenheden waar het
gemeenschappelijk belang hem moest kunnen laten rekenen op de steun
van zijn medemensen; en die nog zeldzamere waarin de concurrentie hem
zich tegen hen liet verdedigen. In het eerste geval verenigde hij
zich met hen in een groep, of hoogstens in een soort vrij verbond,
dat niemand verplichtte, en dat slechts zolang duurde als nodig was
om de behoefte, die dat verbond in het leven had geroepen, bestond.
In het tweede geval, was iedereen op zijn eigen voordeel uit, zij het
met openlijk geweld, als hij zich daartoe in staat achtte; zij het
door slimheid en spitsvondigheid, als hij zich de zwakste voelde.
Dat
is de manier waarop de mensen onmerkbaar enig ruw idee van de
wederzijdse verplichtingen konden verwerven, en van het voordeel om
ze vervullen, maar alleen zolang het bestaande en waarneembare belang
dat vroeg; want het vooruitzien bestond voor hen niet, want zij
dachten zelfs niet aan de dag van morgen, laat staan dat ze zich met
een ver verwijderde toekomst bezighielden. Als het erom ging om een
hert te vangen, wist iedereen heel goed dat hij daarvoor trouw op
zijn post moest blijven; maar als er een haas binnen handbereik van
een van hen voorbijkwam, zou hij hem ongetwijfeld zonder
gewetensbezwaar achternagaan, en als hij zijn prooi had bemachtigd,
zou hij er zich heel weinig van aantrekken dat het zijn metgezellen
hun prooi had gekost.
Het
is eenvoudig te begrijpen dat een dergelijk manier van met elkaar
omgaan geen meer verfijnde taal vereiste, dan die van raven of apen,
die op een bijna gelijke wijze groepen vormen. Ongearticuleerde
kreten, veel gebaren, en een aantal imitatiegeluiden moesten
gedurende een lange tijd de universele taal uitmaken; waaraan in elke
streek een aantal gearticuleerde en afgesproken geluiden werden
toegevoegd, waarvan, zoals ik al eerder heb gezegd, het ontstaan niet
al te moeilijk is te verklaren. Zo kreeg men afzonderlijke talen,
maar ruw en onvolmaakt, bijna zoals men die tegenwoordig nog bij
verschillende wilde volkeren aantreft.
Onder
druk van de voortschrijdende tijd en door de overvloed van dingen die
ik nog moet vertellen, en door het vrijwel onmerkbare vorderen van
die beginperiode, sla ik nu in één keer vele eeuwen
over; want hoe trager de gebeurtenissen elkaar opvolgen, hoe sneller
ze beschreven kunnen worden.
De eerste vooruitgang stelde
tenslotte de mens in staat een snellere vooruitgang te maken. Hoe
meer inzicht ze kregen, hoe meer hun bedrijvigheid zich vervolmaakte.
Al gauw gingen ze niet meer onder de eerste de beste boom slapen, of
trokken zij zich in de grotten terug; men slaagde erin een aantal
soorten bijlen te maken van harde en scherpe stenen, waar ze hout mee
hakten, de grond om te ploegen, en hutten van takken te maken, die
men vervolgens bedacht met leem en modder te versterken. Dat was ook
het tijdperk van de eerste omwenteling, dat uit het ontstaan van de
afzonderlijke gezinnen bestond, en die tot een soort eigendom leidde;
waaruit misschien toen al ruzies en gevechten ontstonden. Terwijl de
sterksten waarschijnlijk de eersten waren die woningen maakten, die
ze dachten te kunnen verdedigen, moet men aannemen dat de zwakkeren
het sneller en zekerder vonden hen na te apen, dan te proberen hen te
verdrijven; en wat degenen die al hutten hadden aangaat, hoefde
niemand te proberen die van zijn buurman toe te eigenen, niet zozeer
omdat die niet van hem was, maar omdat hij er niets aan zou hebben,
en omdat hij die niet zou kunnen bemachtigen zonder een hevig gevecht
met het gezin dat het bewoonde te voeren.
De
eerste ontwikkelingen van het innerlijk waren het gevolg van een
nieuwe toestand, die de mannen en vrouwen, ouders en kinderen in een
gemeenschappelijke woning verenigden: de gewoonte om samen te leven
deed de meest tedere gevoelens, die de mensen kennen, ontstaan: de
echtelijke en ouderlijke liefde. Elk gezin werd een des te meer
vereende kleine maatschappij, omdat de wederzijdse aanhankelijkheid
en de vrijheid het enige was wat hen verbond; en daardoor kwam het
dan dat het eerste verschil in levenswijze tussen de twee seksen
ontstond, die tot dan toe gelijk was geweest. De vrouwen werden meer
huiselijk, en wenden er aan om op de hut en de kinderen te passen;
terwijl de man erop uitging voor het gezamenlijke levensonderhoud. De
twee seksen begonnen ook, door een wat meer verweekt leven, iets van
hun wildheid en kracht te verliezen: maar terwijl iedereen
afzonderlijk minder geëigend werd om het gevecht met wilde
dieren aan te gaan, werd het daarentegen gemakkelijker om zich aaneen
te sluiten om hen gezamenlijk te weerstaan.
In
die nieuwe toestand, met een eenvoudig en afgezonderd leven, met zeer
beperkte behoeften, en met gereedschappen die ze hadden uitgevonden
om in die behoeften te voorzien, konden de mensen, terwijl ze heel
veel vrije tijd genoten, die gebruiken om zich van verschillende
soorten gemakken te voorzien, die hun voorvaderen niet hadden gekend;
en dat werd het eerste juk dat zij zich, zonder het te beseffen, op
hun eigen schouders legden, en de eerste bron van ellende die zij hun
nakomelingen oplegden; want behalve dat zij op die manier voortgingen
het lichaam en de geest te verwekelijken, en die gemakken door
gewenning bijna al hun bekoring hadden verloren, en tegelijkertijd in
echte behoeften waren ontaard, werd het gemis ervan schrijnender, dan
het bezit ervan zoet was, en werd men ongelukkig bij het verlies
ervan, zonder gelukkig met het bezit ervan te zijn.
Men
kan nu wat beter bespeuren hoe het gebruik van het woord in de schoot
van elk gezin is ontstaan en zich onmerkbaar heeft vervolmaakt, en
men kan ook raden hoe verschillende bijzondere factoren de taal
hebben kunnen uitbreiden, en door de vooruitgang te versnellen, de
taal noodzakelijker hebben gemaakt. Grote overstromingen of
aardbevingen omgaven bewoonde districten met water of afgronden;
omwentelingen van de aardbol maakten delen van het Vasteland los en
verdeelden ze in Eilanden. Men begrijpt dat bij mensen die zo op
elkaar zitten en gedwongen zijn om samen te leven, zich eerder een
gemeenschappelijk taaleigen moet vormen, dan bij degenen die vrij in
de wouden van het vasteland rondzwierven.
Het
is
ook
zeer
wel mogelijk dat de eilandbewoners, na hun eerste
navigatiepogingen, ons het gebruik van het woord hebben gebracht; en
het is in iedere geval zeer waarschijnlijk dat de maatschappij en de
talen op de Eilanden zijn ontstaan, en dat zij daar vervolmaakt zijn
voordat ze op het vasteland bekend werden.
Alles
begint van aanschijn te veranderen. De mensen die tot dan toe in de
wouden rondzwierven, komen door een vastere woonplaats te kiezen,
langzaam tot elkaar, ze verenigen zich in verschillende groepen, en
vormen zo ten slotte in elke landstreek een afzonderlijke natie,
één
van zeden en karakter, niet door middel van regels en wetten, maar
door dezelfde levenswijze en voeding, en door de gemeenschappelijke
invloed van het klimaat. Een blijvende buurschap moet uiteindelijk
wel enige band tussen verschillende gezinnen scheppen. Jonge mensen
van verschillende sekse bewonen naburige hutten, hun kortstondige
ontmoetingen die de natuur vraagt leiden weldra tot niet minder
aangename andere en door de herhaalde wederzijdse omgang met elkaar
meer blijvend. Men went eraan om verschillende dingen te zien en
vergelijkingen te maken; onmerkbaar maakt men zich denkbeelden over
verdienste en schoonheid eigen, die gevoelens van voorkeur
voortbrengen. Door elkaar te zien, kan men er niet buiten elkaar
opnieuw te zien. Een teder en zoet gevoel dringt de ziel binnen, en
wordt door de geringste weerstand een onstuimige razernij: met de
liefde ontwaakt de jaloezie; de onenigheid zegeviert, en de meest
zoete van alle hartstochten ontvangt offers van mensenbloed.
Naarmate
de denkbeelden en gevoelens elkaar opvolgen, en de geest en het hart
zich oefenen, wordt de mensheid steeds meer getemd, breidt de
samenhang zich uit en worden de banden strakker. Men raakte er aan
gewend om vóór de hutten of onder een grote boom bij
elkaar te komen: gezang en dans, de ware kinderen van de liefde en de
ledigheid, werden het vermaak of eerder nog de bezigheid van de in
ledigheid levende en in groepen verzamelde mannen en vrouwen.
Iedereen
begon naar de anderen te kijken en wilde ook zelf gezien worden, en
de publieke achting werd belangrijk. Wie het beste zong of danste; de
mooiste, de sterkste, de handigste, of de meest welsprekende, werd
het meest geacht, en dat was de eerste schrede naar de ongelijkheid,
en tegelijkertijd naar de ondeugd: uit die eerste voorkeuren sproten
enerzijds ijdelheid en verachting voort, anderzijds trots en afgunst:
en de door die nieuwe kiemen veroorzaakte gisting, bracht
uiteindelijk, voor het geluk en de onschuld, rampzalige mengsels
voort.
Zodra
de mensen waren begonnen elkaar naar hun waarde te beoordelen, en het
denkbeeld van aanzien in hun geest ontstond, beweerde iedereen dat
hij er recht op had, en het werd onmogelijk iemand ongestraft niet te
waarderen. Daaruit kwamen de eerste plichten van de beleefdheid
voort, zelfs bij de Wilde Mensen, en zo werd elke moedwillig onrecht
een ernstige belediging, want in het kwaad dat het gevolg is van de
belediging, zag de beledigde een een nog onverdraaglijkere minachting
van zijn persoon, dan het kwaad zelf. Zo strafte iedereen de
minachting die jegens hem was betuigd af, verhoudingsgewijs met de
mening die hij over zichzelf had, de wraakacties werden steeds
verschrikkelijker en de mensen bloeddorstig en wreed. Dat is exact
het stadium waarin het merendeel van de wilde volkeren, die wij
kennen, is beland; en omdat ze de denkbeelden onvoldoende uit elkaar
hebben gehouden, en niet hebben gemerkt hoever die volkeren al van de
eerste natuurlijke toestand af waren geraakt, hebben verschillende
schrijvers overhaast de conclusie getrokken dat de mens van nature
wreed is, en dat hij tucht nodig heeft om hem te doen bedaren,
terwijl niets zachtmoediger is dan de mens in zijn oorspronkelijke
toestand, omdat hij, door de natuur op gelijke afstand van de
redeloze dieren en de rampzalige kennis van de beschaafde mens
geplaatst, en evenzeer door het instinct als het verstand beperkt, om
zich voor het kwaad dat hem bedreigt te hoeden, door het natuurlijke
mededogen wordt weerhouden zelf iemand kwaad te berokkenen, zonder
daar door ook maar iets toe aangezet te worden, zelfs niet nadat hem
zelf kwaad is aangedaan. Want volgens de stelregel van de wijze Locke
is, waar geen eigendom is, is ook geen onrecht.
Maar
men moet opmerken dat, toen de maatschappij een aanvang nam en de
betrekkingen tussen de mensen al waren gevestigd, en van hen andere
eigenschappen vergde dan die zij vanuit hun oorspronkelijke
gesteldheid bezaten, en de zedelijkheid de menselijke handelingen
begon binnen te dringen, en iedereen, voordat de wetten de enige
rechter en wreker waren van de beledigingen die hij had ondergaan, de
goedheid die bij de zuivere natuurlijke toestand hoorde, niet meer in
de zich ontwikkelde maatschappij paste; dat de straffen veel strenger
moesten worden naarmate de gelegenheden om te beledigen veel vaker
voorkwamen, en dat het de teugel van de wetten was, die de plaats van
de verschrikking van de wraakacties innam. Dus ofschoon de mensen
minder geduldig waren geworden, en het natuurlijke mededogen al onder
enige verandering had geleden, moet dat tijdperk van de ontwikkeling
van de menselijke vermogens, een juist midden houdend tussen de
traagheid van de oorspronkelijke toestand en de onstuimige activiteit
van onze eigenliefde, het meest gelukkige en duurzame tijdperk zijn
geweest. Hoe meer men erover nadenkt, hoe meer men ziet dat die
toestand het minst onderhevig aan omwentelingen en het beste voor de
mens was, en dat hij die alleen maar door een of ander noodlottig
toeval heeft moeten verlaten, dat voor het algemeen welzijn nooit had
moeten plaatsvinden. Het voorbeeld van de Wilde Mensen, die men bijna
allemaal in dit stadium vindt, lijkt te bevestigen dat de mensheid
was geschapen om daar altijd te blijven, dat die toestand de ware
jeugd van de wereld is, en dat alle naar buiten leidende vooruitgang,
ogenschijnlijk evenzovele stappen naar de volmaaktheid van de
afzonderlijke mens, in wezen slechts stappen naar het verval van de
soort zijn geweest.
Zolang
de mensen tevreden waren met hun eenvoudige hutten, zolang zij konden
volstaan met het naaien van hun kleren met doornen of graten, met
zich te tooien met veren en schelpen, hun lichaam te beschilderen met
verschillende kleuren, hun pijlen en bogen te verbeteren en te
verfraaien, met scherpe stenen enkele visserskano’s of enkele grove
muziekinstrumenten te snijden; kortom, zolang zij zich toelegden op
werkstukken die door iemand alleen konden worden gemaakt, en op
vaardigheden die niet de samenwerking van vele handen behoefden,
leefden zij zo vrij, gezond, goed en gelukkig, als zij door hun
natuur konden leven, en gingen zij verder met het onder elkaar
genieten van de genoegens van een onafhankelijk onderling verkeer:
maar vanaf het moment dat iemand de hulp van een ander nodig had;
vanaf het moment dat men merkte dat het voor een enkeling nuttig was
om de proviand van twee te hebben, verdween de gelijkheid, het
eigendom sloop binnen, de arbeid werd noodzakelijk, en de
uitgestrekte wouden veranderden in bekoorlijke velden, die met het
zweet van de mensen begoten moesten worden, en waarin men al gauw
samen met de oogsten de slavernij en de ellende zag ontkiemen en
groeien.
De
metallurgie en de landbouw waren de twee vaardigheden, waarvan de
uitvinding die grote omwenteling teweegbracht. Voor de dichter is het
goud en zilver; maar voor de filosoof, zijn het het ijzer en het
koren die de mensen hebben beschaafd, en de mensheid in het verderf
hebben gestort. Beiden waren dan ook niet bekend bij de Wilde Mensen
van Amerika, en daarom zijn ze zo gebleven; de andere volkeren
schijnen zelfs barbaren gebleven te zijn als zij maar een van die
twee vaardigheden toepasten. En misschien is een van de belangrijkste
redenen waarom Europa zo niet eerder minder bestendig en meer
beschaafd is geweest dan de andere werelddelen, het feit dat het
tegelijkertijd het de grootste overvloed aan ijzer had en het
vruchtbaarst voor koren was.
Het
is heel moeilijk te raden hoe de mensen het ijzer hebben leren kennen
en gebruiken; want het is niet geloofwaardig dat ze zelf hebben
bedacht om de grondstof te delven, en het de nodige bewerkingen te
laten ondergaan om het te smelten, zonder te weten wat het resultaat
zou zijn. Anderzijds kan men die ontdekking evenmin toeschrijven aan
een of andere toevallige brand, omdat mijnen zich slechts op droge
plekken, zonder bomen of planten, bevinden; zodat men zou kunnen
zeggen dat de natuur voorzorgsmaatregelen heeft genomen om dat
noodlottige geheim voor ons te verbergen. Dus blijft er alleen maar
een buitgewone omstandigheid over zoals een of andere vulkaan, die
vloeibare metaalachtige stoffen uitbrakend, de toeschouwers op het
idee heeft gebracht, die werking van de natuur na te bootsen; en dan
nog moet men hen nogal wat moed en een vooruitziende blik
toeschrijven om een zo netelig werk te ondernemen, en zover vooruit
de voordelen te zien die zij daaraan konden ontlenen: wat eigenlijk
alleen maar bij al meer geoefende geesten hoort, dan bij degene die
dat niet zijn.
Wat
de landbouw betreft was het principe al lang bekend voordat het in de
praktijk werd gebracht; en het is nauwelijks mogelijk dat de mensen,
die onophoudelijk bezig waren hun levensonderhoud van bomen en
planten te winnen, niet al snel de op de hoogte waren van de wegen
die de natuur gebruikt voor het voortbrengen van gewassen; maar hun
bedrijvigheid richtte zich daar waarschijnlijk pas heel laat op,
hetzij omdat de bomen, terwijl de jacht en de visvangst hun voedsel
opleverden, geen behoefte aan hun zorg hadden, of omdat zij het
gebruik van graan niet kenden, of omdat ze de werktuigen niet hadden
om het te verbouwen, of omdat ze hun behoeften niet vooruit konden
bepalen, of omdat zij niet over de middelen beschikten om de anderen
te verhinderen zich meester van de vruchten van hun arbeid te maken.
Men mag aannemen dat ze, naarmate ze meer bedreven geraakten, met
scherpe stenen en gepunte stokken rond hun hutten begonnen met het
verbouwen van groenten en wortels, lang voordat ze graan konden
bereiden, en over benodigde werktuigen beschikten voor de verbouw op
grote schaal; zonder rekening te houden met het feit, dat ze, voordat
ze zich aan die bezigheid en het bemesten van de grond wijdden, eerst
moesten beslissen dat ze een deel moesten opofferen om vervolgens een
grotere hoeveelheid te oogsten; een voorzorgsmaatregel die de geest
van de wilde mens, die zoals ik al eerder heb gezegd, nogal wat
moeite heeft met ’s ochtends te bedenken, wat hij ’s avonds nodig
heeft, volmaakt vreemd is.
Het
uitvinden van andere vaardigheden was dus noodzakelijk om de mensheid
te dwingen zich op die van de landbouw toe te leggen. Vanaf het
moment dat er mensen moesten zijn om het ijzer te smelten en te
smeden, moesten er andere mensen zijn om hen van voedsel te voorzien.
Hoe meer het aantal arbeiders toenam, hoe minder handen er waren die
zich met het voorzien in het algemeen levensonderhoud bezighielden,
zonder dat er minder monden te voeden waren; en omdat de ene groep
levensmiddelen nodig had in ruil voor zijn ijzer, ontdekten de andere
ten slotte het geheim van het ijzer om levensmiddelen te
vermeerderen. Daaruit ontstond enerzijds de grondbewerking en de
landbouw, en anderzijds de kunst van de metaalbewerking, en van de
toename van het gebruik ervan.
Uit
het bewerken van de grond volgde noodzakelijkerwijs het verdelen
ervan; en toen het eigendom eenmaal was aanvaard, de eerste regels
van het recht: want om iedereen van zijn eigendom te verzekeren,
moest iedereen iets kunnen hebben; bovendien begonnen de mensen hun
blik naar de toekomst te richten, en toen ze allemaal zagen dat ze
iets te verliezen hadden, was er niemand die niet bang was voor
vergelding voor het nadeel dat hij de ander kon berokkenen. Deze
oorsprong is des te waarschijnlijker, omdat het onmogelijk is te
begrijpen dat het idee van eigendom anders dan direct uit de arbeid
ontstaat; want het is onduidelijk wat de mens, om zich dingen toe te
eigenen die hij niet zelf heeft gemaakt, nog meer kan inbrengen dan
zijn werk. Het is alleen het werk dat aan de landbouwer het recht op
de opbrengst van de grond geeft, die hij heeft bewerkt, en
dientengevolge recht op de grond, op zijn minst tot de oogst, en dat
zo van jaar tot jaar, als een voortdurend bezit, gemakkelijk in
eigendom overgaat. Toen de Ouden, volgens Grotius, aan Ceres de titel
van wetgeefster, en aan een feest ter ere van haar de naam
Thesmophories gaven, gaven ze daar mee te kennen dat de verdeling van
de grond een nieuw soort wet had voortgebracht: namelijk het
eigendomsrecht, een ander recht dan dat wat uit het natuurlijke recht
voortvloeit.
Alles
had in die toestand hetzelfde kunnen blijven, als de talenten gelijk
waren verdeeld, en bijvoorbeeld het gebruik van ijzer en het
voedselgebruik altijd in evenwicht waren gebleven: maar het
evenwicht, dat door niets in stand werd gehouden, werd al gauw
verbroken; de sterkste verzette meer werk; de handigste deed meer
voordeel met het zijne; de slimste vond middelen uit om zijn werk te
verkorten; de landbouwer had meer ijzer nodig, of de smid meer graan,
en hoewel ze even hard werkten, verdiende de een veel, terwijl de
ander nauwelijks genoeg had om te leven. Zo ontplooide de natuurlijke
ongelijkheid zich onmerkbaar tegelijkertijd met gezamenlijke
ongelijkheid, en werden verschillen tussen de mensen, die door het
verschil van omstandigheden waren bevorderd, meer voelbaar, meer
bestendig in hun gevolgen, en begonnen in dezelfde mate het lot van
de afzonderlijke mensen te beïnvloeden.
Als
het eenmaal zover is, is de rest eenvoudig te bedenken. Ik zal niet
stil blijven staan bij het beschrijven van de achtereenvolgende
uitvinding van de andere vaardigheden, de vooruitgang van de talen,
het beproeven en gebruik van talenten, de ongelijkheid van kansen,
het gebruik of misbruik van rijkdommen, noch bij de details die
daaruit volgen en die iedereen gemakkelijk kan aanvullen. Ik zal me
er uitsluitend toe beperken een blik te werpen op het in die nieuwe
orde van zaken geplaatste mensengeslacht.
Ziedaar
dus
onze
vermogens
ontwikkeld, het geheugen en de verbeelding in
werking gezet, het egoïsme belangrijk, het verstand aan het werk
gezet en de geest bijna het stadium van de volmaaktheid bereikt, waar
die ontvankelijk voor is. Ziedaar alle natuurlijke eigenschappen in
werking gezet, de plaats en het lot van ieder mens bepaald, niet
alleen naar de hoeveelheid van zijn goederen en het vermogen van
dienst te zijn of te schaden, maar naar geest, schoonheid, kracht of
slimheid, naar verdienste of talenten, en die eigenschappen die de
enige zijn die aanzien kunnen opleveren. Men moest die eigenschappen
weldra bezitten of doen alsof men ze bezat. Men moest zich, ten eigen
voordele, anders voordoen dan men eigenlijk was. Schijn en wezen
werden twee volkomen verschillende dingen, en dat onderscheid leidde
tot imposante praal, bedrieglijke list en ondeugden die in die stoet
meelopen. Ziedaar anderzijds de mens, van vrij en onafhankelijk als
hij voordien was, door een grote hoeveelheid behoeften, als het ware
gebonden aan de hele natuur en vooral aan zijn medemensen, waar hij,
zelfs als hij hun meester wordt, in zekere zin de slaaf van wordt;
rijk, heeft hij hun dienste nodig; arm, heeft hij hun hulp nodig, en
de middelmatigheid kan niet om hen heen. Hij moet dus onafgebroken
zijn best doen om hun belangstelling voor zijn lot te wekken, en moet
hen het idee geven dat het werken ten bate van zichzelf, eigenlijk of
ogenschijnlijk ten bate van henzelf is, wat hem schurkachtig en
onecht ten opzichte de een en heerszuchtig en hard ten opzichte van
de ander maakt, en hem noodzaakt, als hij hen geen vrees kan
inboezemen, misbruik te maken van iedereen die hij nodig heeft, als
hij het niet in zijn belang acht hen op een nuttige manier van dienst
te zijn. Uiteindelijk bezielt de verterende eerzucht en de geestdrift
om hun betrekkelijke rijkdom te vergroten, die minder uit een echte
behoefte voortkomt dan omdat ze zich boven de anderen willen
verheffen, alle mensen met een duistere neiging om elkaar wederzijds
schade te berokkenen, een geheime jaloezie die des te gevaarlijker is
omdat ze, om met grotere zekerheid een slag te slaan, vaak het masker
van de vriendelijkheid opzet; kortom, wedijver en rivaliteit
enerzijds, anderzijds een belangentegenstelling, en steeds het
verborgen verlangen zijn voordeel te doen ten koste van de ander; al
dat kwaad is het eerste gevolg van het eigendom en de
onafscheidelijke nasleep van de ontluikende ongelijkheid.
Voordat
men tekenen had bedacht die rijkdom aangaven, konden die slechts
bestaan uit grond en vee, de enige werkelijke goederen die de mensen
konden bezitten. Maar toen de erfgoederen in aantal en omvang waren
toegenomen tot het punt waarop zij de hele oppervlakte bedekten en
elkaar allemaal raakten, kon het ene alleen maar groter worden ten
koste van het andere; en de boventalligen die door zwakheid of
laksheid niet in staat waren geweest om op hun beurt er iets van te
verwerven, werden arm zonder iets te hebben verloren, omdat alleen
zij, terwijl alles om hen heen veranderde, niet waren veranderd, en
zij werden genoodzaakt hun levensonderhoud uit de handen van de
rijken te ontvangen of te roven; en van daaruit begonnen, naargelang
de verschillende karakters van de een en de ander, de overheersing en
de slavernij, of het geweld en de plunderingen, te ontspruiten. De
rijken, van hun kant, kenden het genoegen van het overheersen
nauwelijks, of zij zagen al snel op alle anderen neer, en terwijl ze
van hun oude slaven gebruik maakten om nieuwe te maken, droomden ze
er alleen maar over om hun buren te onderwerpen en tot slaaf te
maken; als uitgehongerde wolven die, als ze eenmaal mensenvlees
hebben geproefd, alle ander voedsel afwijzen, en niets anders meer
willen dan mensen verslinden.
Zo
ontleenden de machtigsten en de allerongelukkigsten aan hun kracht of
hun behoeften een soort recht op het bezit van de ander, een recht
dat volgens hen gelijk stond aan het eigendomsrecht, en werd de
verbroken gelijkheid door de meest afschuwelijke wanorde gevolgd; zo
smoorden de onrechtmatige toeëigening van de rijken, de
struikroverij van de armen, en de tomeloze hartstochten van allen,
het natuurlijke mededogen en de nog maar zwakke stem van de
gerechtigheid en maakten de mensen gierig, eerzuchtig en kwaadaardig.
Tussen het recht van de sterkste en het recht van de eerste bezitter
ontstond een eeuwige strijd, die slechts door gevechten en
moordpartijen konden worden beslecht. De ontluikende maatschappij
maakte plaats voor een gruwelijke staat van oorlog: het onteerde en
troosteloze mensengeslacht kon niet meer op zijn schreden keren, noch
afstand doen van de rampzalige verworvenheden die het had gemaakt, en
bracht zichzelf, terwijl het zich alleen maar bezig hield met zijn
eer, door misbruik te maken van de vermogens die het tot eer strekte,
aan de rand van zijn ondergang.
Attonitus
novitate mali, divesque, miserque,
Effugere
optat
opes,
et
quae modo voverat, odit.
Verbijsterd
door het ongewone van het kwaad
wil
hij én rijk én ongelukkig zijn rijkdom ontvluchten
en
hij haat wat hij zojuist had gewenst (Ovidius, Metamorfosen, XI, 127)
Het
is onmogelijk dat de mensen over een zo ellendige toestand en de
rampen waaronder ze gebukt gingen uiteindelijk niet hadden nagedacht.
Vooral de rijken moesten al snel merken hoe nadelig een voortdurende
oorlog voor hen was, waarvan zij alleen alle kosten moesten dragen,
en waarin iedereen evenzeer zijn leven op het spel zette, en met name
zij hun bezittingen. Bovendien, wat voor voorwendsel zij ook voor hun
onrechtmatige toeëigening konden gebruiken, beseften zij heel
goed dat die roof slechts op een wankel en onjuist recht berustte, en
dat, omdat het slechts door middel van geweld was verkregen, het
geweld hen dat weer kon ontnemen, zonder dat zij een reden hadden
zich daarover te beklagen. Zelfs degenen die zich alleen door hun
vlijt hadden verrijkt, konden nauwelijks meer terecht op hun eigendom
aanspraak maken. Ze konden dan wel zeggen: ‘Ik heb die muur
gebouwd; ik heb die grond met mijn eigen handen verdiend.’ ‘Maar
wie heeft de lijnen uitgezet,’ zou men hen kunnen antwoorden, ‘en
uit hoofde van wie beweert u ten koste van ons te zijn betaald, voor
iets dat wij u niet hebben opgedragen?’ Weet u dan niet dat een
heleboel van uw broeders creperen of lijden, doordat zij niet hebben,
waar u teveel van hebt, en dat u een uitdrukkelijke en eensgezinde
toestemming van de mensheid nodig hebt, om u van het gezamenlijke
levensonderhoud alles wat uw behoefte te boven gaat, toe te eigenen?’
Beroofd van geldende redenen om zich te rechtvaardigen en van
voldoende kracht om zich te verdedigen, die gemakkelijk iemand
afzonderlijk kon vermorzelen, maar zelf door troepen bandieten
vermorzeld, alleen tegen allen, en die, tengevolge van wederzijdse
afgunst, niet in staat was zich te verenigen met zijn gelijken tegen
de vijand, die zich in de hoop op te kunnen plunderen had verzameld,
bedacht de rijke noodgedwongen het meest weloverwogen plan dat ooit
in de menselijke geest is opgekomen; namelijk juist de krachten van
zijn aanvallers ten eigen bate aanwenden, van zijn tegenstanders
verdedigers maken, hen met andere beginselen bezielen en hen andere
instellingen verschaffen, die voor hem net zo gunstig waren als het
natuurlijke recht nadelig voor hem was.
Met
dat voor ogen, nadat hij zijn buren de verschrikking van een toestand
had geschetst, waarin allen gewapend tegenover de rest zouden staan,
die hun bezittingen even drukkend als hun behoeften zouden maken, en
waarin niemand zich veilig zou wanen, noch in armoe, noch in rijkdom,
bedacht hij schoonschijnende argumenten om hen voor zijn eigen
karretje te spannen. ‘Laten wij ons verenigen’, sprak hij,’om
de zwakken voor onderdrukking te behoeden, om de eerzuchtigen in
bedwang te houden, en om iedereen te verzekeren van het bezit wat hem
toebehoort: laten wij reglementen van recht en vrede instellen,
waaraan iedereen verplicht is zich te houden, die voor niemand een
uitzondering maken, en die tot op zekere hoogte de grillen van het
lot weer goed maken, door zowel de rijke als de arme op eenzelfde
wijze aan de wederzijdse plichten te onderwerpen. Kortom, laten wij,
in plaats van onze krachten tegen onszelf te keren, die krachten
bundelen in één oppermacht, die ons naar wijze wetten
regeert, die alle leden van het verbond beschermt en verdedigt, de
gemeenschappelijke vijanden afweert, en ons in een eeuwige eendracht
bewaart.’
Er
zouden veel minder woorden, dan van dit vertoog, nodig zijn geweest,
om de onbeschaafde en gemakkelijk te verleiden mensen mee te slepen,
die bovendien teveel zaken uit elkaar moesten houden om het buiten
een scheidsrechter te kunnen stellen, en die te gierig en te
eerzuchtig waren om het lang zonder meesters te stellen. Allen
snelden naar hun ketenen, in de mening zich van hun vrijheid te
verzekeren; want, ofschoon ze voldoende verstand hadden om de
voordelen van een politieke instelling te begrijpen, hadden ze
onvoldoende ervaring om de gevaren ervan te voorzien; degenen die het
best in staat waren om het misbruik te voorzien, waren nou juist
degenen die erop rekenden er baat bij te hebben, en zelfs de wijzen
zagen dat ze wel een deel van hun vrijheid op moesten offeren ten
behoud van het andere, zoals een gewonde zijn arm afhakt om de rest
van zijn lichaam te behouden.
Dat
moet, of moet zijn geweest, de oorsprong zijn van de maatschappij en
de wetten, die de armen nieuwe boeien gaven en de rijken nieuwe
macht, de natuurlijke vrijheid onomkeerbaar vernietigde, en voor
altijd de wet van eigendom en ongelijkheid vastlegden, van een
geslepen wederechtelijke toeëigening een onherroepelijk recht
maakten en ten bate van een aantal eerzuchtigen, voortaan heel de
mensheid onderwiep aan werk, slavernij en ellende. Men kan
gemakkelijk zien hoe de vestiging van die ene maatschappij die van al
die andere onontkoombaar maakte, en hoe die zich, om aan verenigde
machten het hoofd te kunnen bieden, op hun beurt weer aaneen moesten
sluiten. De maatschappijen, die zich in aantal en omvang snel
uitbreidden, bedekten al gauw het hele aardoppervlak, en het werd
onmogelijk ook maar ergens in het universum een hoekje te vinden waar
men zich van dat juk kon bevrijden, en zijn hoofd kon onttrekken aan
het zovaak slecht gehanteerde zwaard, dat iedereen doorlopend boven
zijn eigen hoofd zag hangen. Omdat het burgerlijk recht op die manier
voor de burgers de gemeenschappelijke norm was geworden, had het
natuurlijke recht nog alleen maar een plaats in het verkeer tussen de
verschillende maatschappijen, waar het, onder de naam van
mensenrechten, door een aantal stilzwijgende afspraken werd afgezwakt
om handel mogelijk te maken en het natuurlijke mededogen te
vervangen, dat, terwijl het van maatschappij tot maatschappij bijna
alle kracht verloor dat het van mens tot mens had, nog alleen maar
aanwezig was in de grote kosmopolitische geesten, die zich van de
denkbeeldige scheidsmuren, die de volkeren van elkaar scheiden
bevrijdden, en die, naar voorbeeld van het opperwezen, dat hen
schiep, in hun welwillendheid het hele mensengeslacht omarmden.
De
politieke Lichamen, die zo onderling nog in de natuurlijke toestand
bleven, ondervonden al snel de nadelen, die de afzonderlijke mensen
hadden gedwongen die toestand te verlaten, en die toestand werd nog
rampzaliger onder de grote Lichamen, dan die vóór die
tijd onder de individuen, waaruit zij bestonden, was geweest. Daaruit
kwamen de oorlogen tussen de naties, de veldslagen, de moordpartijen,
en de vergeldingsacties voort, die de natuur deden huiveren en die in
strijd met het verstand zijn, en alle huiveringwekkende vooroordelen,
die de eer van het bloedvergieten tot deugd verhieven. De meest
eerzame mensen leerden het afslachten van hun medemensen tot hun
plicht te rekenen: en ten slotte zag men hoe de mensen elkaar bij
duizenden afslachtten, zonder te weten waarom; en ze begingen meer
moorden dan in één dag veldslag, en bij de inname van
een stad meer gruwelijkheden, dan ze in de natuurlijke toestand over
het hele aardoppervlak in eeuwen konden begaan. Dat waren de eerste
gevolgen die men van de verdeling van het mensdom in verschillende
maatschappijen bespeurde. Laten we naar hun instellingen terugkeren.
Ik
weet dat er verscheidene mensen zijn die aan de politieke
maatschappijen een andere oorsprong hebben gegeven, zoals de
veroveringen door de sterkste, of het zich verenigen van de zwakken;
en de keuze tussen die oorzaken is nu juist wat ik wil stellen: toch
lijkt mij degene die ik uiteen ga zetten de meest natuurlijke en wel
om de volgende redenen. 1. Omdat in het eerste geval het recht op
verovering geen recht is, heeft men er geen enkel ander recht op
kunnen baseren, de veroveraar en de veroverde volkeren blijven altijd
met elkaar in staat van oorlog, tenzij de volledig in vrijheid
gesteld natie uit vrije wil zijn overwinnaar tot leider zou kiezen.
Tot dan toe kan men, tot wat voor overgaven men ook heeft kunnen
dwingen, aangezien die slechts op geweld zijn gebaseerd en daarom op
zich niets hebben te betekenen, dus volgens deze hypothese noch een
echte maatschappij, noch een politiek lichaam, noch een ander wet dan
die van de sterkste hebben. 2. Omdat in het tweede geval de woorden sterk
en zwak dubbelzinnig zijn; want
gedurende de
tussentijd die zich bevindt tussen het instellen van het
eigendomsrecht of de eerste bezitter, en die van de politieke
regeringsvormen, wordt de betekenis van die woorden juister
weergegeven door arm en rijk, omdat de mens in feite
vóór de wetten over geen ander middel beschikte om zijn
gelijken te onderwerpen, dan door hun bezit aan te vallen, of door
hen op een of andere manier deel van zijn bezit te maken. 3. Omdat
het voor de armen, die niets anders hadden te verliezen dan hun
vrijheid, een grote dwaasheid zou zijn geweest om het enige goed dat
hen restte vrijwillig uit handen te geven zonder er iets voor terug
te krijgen, terwijl het veel gemakkelijker was de rijken, die
zogezegd in alles wat ze bezaten kwetsbaar waren, kwaad te
berokkenen, omdat zij dientengevolge meer voorzorgsmaatregelen
moesten nemen om ze zeker te stellen; en omdat het ten slotte
redelijkerwijs aannemelijk is, dat iets eerder wordt uitgevonden door
degenen voor wie het nuttig is, dan door degenen die er nadeel van
hebben.
De
ontluikende regering had geen bestendige en deugdelijke vorm. Door
het gebrek aan filosofie en ervaring kon men slechts de bezwaren van
het moment zien; en men bedacht alleen maar de andere bezwaren te
verhelpen naargelang ze zich voordeden. Ondanks alle werk van de
meest wijze wetgevers, bleef de politieke toestand steeds onvolmaakt,
omdat die vrijwel het werk van het toeval was, en eenmaal slecht
begonnen kon de tijd, die tekortkomingen aan het licht bracht en
oplossingen aan de hand deed, nooit meer de gebreken van de
staatsregeling herstellen; men verrichtte aan één stuk
door herstelwerkzaamheden, waar men zou moeten beginnen de lucht te
klaren en alle oude spullen had moeten weggooien, zoals Lycurgus in
Sparta deed, om vervolgens een degelijk bouwwerk op te richten. De
maatschappij bestond aanvankelijk slechts uit enkele algemene
afspraken, waaraan afzonderlijke leden zich verplichtten zich te
houden, en waarvoor de gemeenschap zich ten opzichte van ieder van
hen borg stelde. De ervaring moest aantonen hoe zwak een dergelijke
regeringsvorm was, en hoe gemakkelijk het voor de overtreders was de
veroordeling of straf te ontlopen voor overtredingen waar het publiek
de enige getuige en rechter van moest zijn; de wet moest op duizend
en een manieren worden ontdoken; de tekortkomingen en de
ongeregeldheden moesten voortdurend toenemen, voordat men
uiteindelijk op de gedachte kwam de gevaarlijke last van het openbare
gezag aan bepaalde personen toe te vertrouwen, en men aan de
overheidspersonen de zorg overdroeg om op de besluiten van het volk
toe te zien: want zeggen dat de leiders waren gekozen voordat het
verbond was gesloten, en dat de wetsdienaren zelfs vóór
de wetten bestonden, is een veronderstelling die de moeite van het
bestrijden niet waard is.
Het
is evenmin redelijkerwijs geloofwaardig dat de volkeren zich eerst,
onvoorwaardelijk en onomkeerbaar, in de armen van een absolute
heerser hebben gestort, en dat het zich in slavernij storten het
eerste middel om de gezamenlijke veiligheid te waarborgen was, dat
die trotsen en ongetemden hadden bedacht. Want zouden zij meerderen
boven zich gesteld hebben, anders dan om hen tegen onderdrukking te
verdedigen, en hun goederen, hun vrijheden en hun leven te
beschermen, die zogezegd de bestanddelen van hun wezen zijn? Welnu,
als in de betrekking van mens tot mens het het ergste wat de een kan
overkomen is, dat hij merkt dat hij aan de ander is overgeleverd, zou
het dan niet strijdig met het gezond verstand zijn geweest dat zij de
enige zaken, waar zij, om ze te behouden zijn hulp voor nodig hadden,
in de handen van een leider gingen leggen? Wat zou hij hen kunnen
bieden dat opwoog tegen het afstaan van zo’n fraai recht? en als
hij het had durven opeisen onder het voorwendsel hen te verdedigen,
zou hij dan niet meteen het antwoord uit de fabel hebben gekregen:
‘Wat kan de vijand ons nog meer maken?’ Het is dus onbetwistbaar,
en de basisregel van elk politiek recht, dat de volkeren hun leiders
hebben gekregen om hen te verdedigen en niet om hen te knechten. Als
wij
een
vorst
hebben, sprak Plinius tot Trajanus, is dat om
ons voor een meester te behoeden.
Onze
staatkundigen verkondigen over de liefde voor de vrijheid dezelfde
drogredenen als de Filosofen over de natuurlijke toestand; op grond
van de dingen die zij zien, oordelen ze over heel andere dingen die
ze niet hebben gezien; en zij dichten de mensen een natuurlijke
neiging tot slavernij toe, door de lijdzaamheid waarmee degenen die
hen onder ogen komen, hun slavernij verdragen, zonder dat ze bedenken
dat het met de vrijheid net zo gaat als met de onschuld en de deugd,
waar men de beloning alleen van smaakt voorzover men hen in de
praktijk brengt, en waar men de smaak van verliest zodra men ze heeft
verloren. ‘Ik ken de geneugten van je land,’ zei Brasidas tegen
een Satraap, die het leven in Sparta vergeleek met dat in Persepolis,
‘maar jij kunt de geneugten van het mijne niet weten.’
Terwijl
een ongetemd strijdros zijn manen schudt, met zijn hoeven op de grond
stampt en alleen al bij het naderen van het bit tegenspartelt,
verdraagt daarentegen een gedresseerd paard lijdzaam de zweep en de
sporen; de onbeschaafde mens buigt zijn hoofd niet voor het juk, dat
de beschaafde mens zonder morren draagt, en hij geeft de voorkeur aan
de meest onstuimige vrijheid boven een gedweeë onderwerping. Men
moet dus niet aan de hand van verloedering van de onderworpen
volkeren oordelen over de natuurlijke aanleg van de mens
vóór
of tegen de slavernij, maar aan de hand van het wonderbaarlijke dat
alle vrije volkeren hebben verricht om zich voor onderdrukking te
behoeden. Ik weet dat de onderworpen volkeren alleen maar
onophoudelijk prat gaan op de vrijheid en rust die zij in hun ketenen
genieten, en dat miserrimam servitutem pacem appellant (dat zij de
meest ellendige slavernij vrede noemen): maar als ik zie hoe de
vrije volkeren de geneugten, rust, rijkdom macht, en zelfs het leven
opofferen voor het behoud van dat ene zo geminachte goed, dat die
andere hebben verloren; als ik zie hoe de dieren die in vrijheid zijn
geboren en gevangenschap verafschuwen, hun koppen tegen de tralies
van hun gevangenis kapotbeuken; als ik zie hoe massa’s geheel
naakte Wilde Mensen de Europese weelde verachten, en zie hoe ze de
honger, het vuur, het ijzer en de dood trotseren, alleen maar om hun
onafhankelijkheid te bewaren, begrijp ik dat het niet aan de slaven
is om het over vrijheid te hebben.
Wat
het vaderlijke gezag betreft, waaruit meerdere schrijvers het
absolute bewind en heel de maatschappij hebben laten voortkomen,
zonder terug te grijpen naar de bewijzen van Locke en Sidney die het
tegenovergestelde aantonen, volstaat het op te merken dat niets ter
wereld verder van het grimmige karakter van het despotisme afstaat,
dan de zachtaardigheid van dat gezag, dat meer aandacht heeft voor
het welzijn van degene die gehoorzaamt, dan voor het nut van degene
die beveelt; dat door de natuurwet de vader slechts zolang de meester
van het kind is als het kind zijn hulp nodig heeft, dat zij na die
tijd gelijken worden, en dat de dan volledig van de vader
onafhankelijke zoon, alleen maar eerbied voor hem heeft en geen
gehoorzaamheid toont; want erkentelijkheid is echt een plicht die hij
moet naleven, maar geen recht dat men kan eisen. In plaats van te
zeggen dat de burgerlijke maatschappij uit de ouderlijke macht
voortkomt, zou men het tegenovergestelde moeten zeggen, namelijk dat
die ouderlijke macht vooral haar kracht aan de burgerlijke macht
ontleent; iemand werd pas als vader van een aantal kinderen erkend,
als zij samen bij hem bleven. De bezittingen van de vader, waar hij
werkelijk de baas van is, vormen de banden die zijn kinderen van hem
afhankelijk houden, en hij kan hen alleen maar zoverre in zijn
nalatenschap laten delen, als zij dat door zijn wensen te eerbiedigen
hebben verdiend. Welnu, de onderdanen kunnen een dergelijke
genegenheid allesbehalve van hun despoot verwachten, omdat zijzelf en
alles wat ze bezitten eigenlijk zijn bezit zijn, dat denkt hij
tenminste, en zij zijn gedwongen datgene van hem als gunst te
ontvangen wat hij hen van hun eigen goederen overlaat; hij doet recht
als hij hen berooft; hij verleent hen een gunst als hij hen laat
leven.
Als
men de feiten verder zo met behulp van de wet bestudeert, zal men
betrouwbaarheid noch waarheid vinden in de vrijwillige vestiging van
de tirannie, en het zal niet eenvoudig zijn de geldigheid aan te
tonen van een overeenkomst die geen enkele partij bindt, of waarmee
men alles aan de een en niets aan de ander oplegt, en dat slecht
nadeel oplevert aan degene die de overeenkomst aangaat. Dat
verfoeilijke systeem heeft, zelfs hedentendage, nauwelijks meer iets
te maken met dat van de wijze en goede alleenheersers, en met name
met dat van de Franse koningen, zoals men het uit de verschillende
passages van hun edicten kan opmaken, en in het bijzonder in de
volgende passage van een beroemde schrijver, dat in 1667 in naam en
op bevel van Lodewijk XIV werd gepubliceerd. Laat men dus niet
zeggen dat de Soeverein niet aan de wetten van zijn Staat onderworpen
is, want de tegenovergestelde stelling is een waarheid van de
mensenrechten, die een aantal malen door het gevlei is aangevallen,
maar wat de goede vorsten altijd als een beschermende godheid van hun
Staat hebben verdedigd. Hoeveel meer terecht kan men dan samen met de
wijze Plato zeggen, dat het volmaakte geluk van een koninkrijk
bestaat uit een Vorst die door zijn onderdanen wordt gehoorzaamd, en
dat de Vorst de wet gehoorzaamt, dat de wet rechtvaardig is en altijd
op het algemeen welzijn is gericht. Ik zal niet blijven nagaan
of, als de vrijheid de meest edele van de menselijke eigenschappen
is, het niet eerder het verlagen van zijn natuur betekent, als men
zich tot het peil van de dieren, die slaaf van hun instinct zijn,
verlaagt, als men zelfs boos op de Schepper wordt omdat men bestaat,
dan wanneer men onvoorwaardelijk de meest kostbare van al zijn gaven
afwijst, men zich verlaagt tot het bedrijven van alle misdaden die
Hij ons verbiedt, en men over een wrede of gevoelloze meester klaagt,
als die allerhoogste Werkmeester met grote ergernis zijn zeer fraaie
werk ziet vernietigen of onteren. Ik zal, zo u wilt, geen aandacht
aan het gezag van Barbeyrac schenken, die onmiskenbaar in navolging
van Locke verklaart, dat niemand zijn vrijheid dusdanig kan
verkwanselen, dat hij zich aan een willekeurig iemand onderwerpt, die
hem naar zijn grillen behandelt: Want, vervolgt hij, dat
zou betekenen dat hij zijn eigen leven verkoopt, waarover hij niet de
baas is. Ik zal alleen de vraag stellen, met welk recht degenen
die niet bang zijn zichzelf zover te verlagen, hun nageslacht aan
dezelfde schande hebben kunnen onderwerpen, en namens hen af kunnen
zien van de goederen, die het niet aan hun vrijgevigheid ontleent, en
zonder welke het leven voor iedereen die het waard is, zwaar valt.
Pufendorf
zegt dat men, net zogoed als men volgens afspraken en overeenkomsten
zijn bezit aan een ander kan overdragen, ook zijn vrijheid ten bate
van iemand anders kan opgeven. Dat is, volgens mij, een zeer
gebrekkige redenering: want op de eerste plaats, het eigendom dat ik
van mij vervreemd wordt voor mij iets volmaakt vreemds, en iets
waarvan het misbruik mij onverschillig laat; maar het maakt mij wel
uit dat men van mijn vrijheid misbruik maakt, en ik kan mij niet,
zonder mij aan een kwaad dat men mij dwingt te doen schuldig te
maken, er aan bloot stellen een werktuig van de misdaad te worden;
bovendien kan ieder mens, omdat het eigendomsrecht slechts een
afspraak en een door mensen gemaakte instelling is, naar eigen
goeddunken beschikken over hetgeen hij bezit; maar dat gaat niet op
voor de wezenlijke gaven van de natuur, zoals het leven en de
vrijheid, die iedereen moet kunnen genieten, en waar het op zijn
minst twijfelachtig van is of men het recht heeft zich ervan te
ontdoen: als men van de vrijheid afstand doet haalt men zijn bestaan
omlaag; als men van het leven afstand doet, vernietigt men het voor
zover het op zichzelf staat; en aangezien geen enkel tijdelijk bezit
het ene en het andere goed kan maken, zou daar afstand van doen
betekenen dat men tegelijkertijd, tegen welke prijs dan ook, zowel de
natuur als het verstand beledigt. Maar als men zich van zijn vrijheid
net zoals van zijn bezit kan vervreemden, zou dat een zeer groot
verschil betekenen voor de kinderen, die alleen maar het vaderlijke
bezit genieten door de overdracht van zijn rechten, in plaats van
dat, omdat de vrijheid een gave is die zij, in hun hoedanigheid als
mens, van de natuur ontvangen, hun ouders geen enkel recht hebben hen
dat te ontnemen; zodat men voor het instellen van de slavernij de
natuur geweld aan heeft moeten doen, en haar heeft moeten veranderen
om dat recht te laten voortduren; en de rechtgeleerden die in ernst
hebben uitgesproken dat het kind van een slaaf als slaaf wordt
geboren, hebben met andere woorden besloten dat een mens niet als
mens wordt geboren.
Het
lijkt mij dus zeker dat niet alleen de Regeringen zijn ontstaan door
de macht van de willekeur, wat er slechts de ontaarding van is, de
uiterste grens, en die hen uiteindelijk tot het recht van de sterkste
leidt, waar zij aanvankelijk het middel tegen waren; maar zelfs al
waren ze zo begonnen, zou die macht, die van nature onwettig is, niet
als basis voor de rechten van de maatschappij kunnen dienen, en
dientengevolge noch tot de ongelijkheid van de instelling kunnen
leiden.
Zonder
nu in te gaan op de onderzoeken die nog moeten worden verricht naar
de aard van het pact dat aan elke Regering ten grondslag ligt, beperk
ik mij ertoe de gangbare overtuiging te volgen en hier het instellen
van het politieke Lichaam te beschouwen als een werkelijke
overeenkomst tussen het volk en de leiders die het voor zichzelf
kiest; een overeenkomst, waardoor beide partijen zich verplichten de
wetten na te leven, die in de overeenkomst zijn bedongen en die de
banden van hun verbond vormen. Het volk heeft met betrekking tot de
maatschappelijke verbanden, al haar willen tot een enkele wil
verenigd, en alle artikelen waarmee die wil zich verantwoordt, worden
evenveel grondwetten die zonder uitzondering alle leden van de Staat
binden, en een van die artikelen regelt de keuze en de bevoegdheid
van de Overheidspersonen, die met het toezicht zijn belast van de
uitvoering van de andere. Die bevoegdheid strekt zich tot alles uit
wat de instelling kan handhaven, zonder zover te gaan, dat zij hem
kan veranderen. Men verbindt er eerbewijzen aan die de wetten en hun
bedienaren achtenswaardig maken, en, voor hen persoonlijk,
voorrechten die hen voor het moeizame werk dat met een goed bestuur
gepaard gaat, schadeloos stellen. De overheidspersoon verplicht zich
van zijn kant de macht die hem is toevertrouwd, alleen maar volgens
de bedoeling van de lastgevers te gebruiken, om ervoor te zorgen dat
iedereen vreedzaam kan blijven genieten van wat hem toebehoort, en om
in alle gevallen het algemene nut boven zijn eigen belang te laten
gaan.
Voordat
de ervaring het onvermijdelijke misbruik van een dergelijke
instelling had aangetoond, of de kennis van het menselijk hart dat
had laten voorzien, moet die instelling zo de beste hebben geleken,
omdat degenen die met de handhaving ervan belast waren er zelf het
meeste belang bij hadden; want omdat de Overheidspersoon en zijn
rechten slechts op de grondrechten berustten, de Overheidspersonen,
zodra die rechten zouden zijn opgeheven, niet meer rechtsmatig zouden
zijn en het volk niet gehouden zou zijn hen te gehoorzamen; en omdat
het niet de Overheidspersoon, maar de wet was geweest, die het wezen
van de Staat uitmaakte, had iedereen weer het recht zijn natuurlijke
vrijheid te hernemen.
Er
is niet veel voor nodig om te bedenken, dat dit door nieuwe
argumenten wordt bevestigd en men kan aan de aard van de overeenkomst
zien dat het niet onherroepelijk hoeft te zijn: want als er geen
opperste macht was, die voor de betrouwbaarheid van de contractanten
in kon staan, noch hen tot het vervullen van hun wederzijdse
verplichtingen kon dwingen, zouden de partijen in hun eigen zaak de
enige rechters zijn gebleven, en ieder van hen zou altijd het recht
hebben van de overeenkomst af te zien, zodra die partij vond dat de
andere partijen inbreuk op de bepalingen maakten, of die hen niet
meer aanstonden. Het lijkt dat het recht op abdicatie op dat recht is
gebaseerd. Welnu, als men, zoals wij doen, alleen maar naar de door
mensen gemaakte instelling kijkt, en ziet dat de Overheidspersoon die
alle macht in handen heeft en zich alle voordelen van de overeenkomst
toeëigent, het recht heeft van het gezag af te zien, dan moet
het volk, dat voor alle fouten van de leiders boet, temeer het recht
hebben van de afhankelijkheid af te zien. Maar de vreselijke schaal
waarop de onafzienbare ongeregeldheden plaatsvinden, die deze
gevaarlijke macht noodzakelijkerwijs met zich mee zou brengen, laten
meer dan wat dan ook, zien hoezeer de door mensen ingesteld
Regeringen een hechtere basis dan alleen maar het verstand nodig
hadden, en hoe noodzakelijk het voor de openbare rust is, dat de
goddelijke wil tussen beiden kwam om aan het soevereine gezag een
geheiligd en onschendbaar karakter te geven, dat de onderdanen het
rampzalige recht om erover te beschikken, ontnam. Als de godsdienst
de mensen alleen maar die weldaad had bewezen, zou dat voor hen al
voldoende zijn geweest, die te koesteren en aan te nemen, ondanks al
zijn misstanden, want de godsdienst bespaart nog meer bloed dan het
fanatisme laat stromen: maar laten we de draad van onze hypothese
weer opnemen.
De
verschillende Regeringsvormen ontlenen hun oorsprong aan min of meer
grote verschillen tussen de afzonderlijke mensen ten tijde van hun
vestiging. Als iemand uitblonk in gezag, deugd, rijkdom of
vertrouwen, werd alleen hij tot Regeringspersoon gekozen, en werd de
staat een monarchie. Als er meerderen waren, die bijna gelijk aan
elkaar waren, en die boven alle anderen uitstaken, werden zij
gezamenlijk gekozen, en kreeg men een aristocratie. Degenen, die
elkaar in vermogen en talenten minder ontliepen, en die minder ver
van de natuurlijke toestand waren afgeweken, bewaakten gezamenlijk
het hoogste bestuur en vormden een democratie. De tijd bevestigde
welk van die vormen voor de mensen het gunstigst was. Het ene deel
bleef eensgezind aan de wetten onderworpen, het andere deel
gehoorzaamde als snel hun leiders. De burgers wilden hun vrijheid
behouden, de onderdanen dachten alleen maar aan het beroven van hun
buren, omdat ze het niet konden lijden dat anderen iets hadden, wat
zij niet zelf bezaten. Kortom, aan de ene kant rijkdommen en
veroveringen, aan de andere kant geluk en deugd.
In
de verschillende Regeringen werd men aanvankelijk voor de
overheidsambten gekozen; en als de rijkdom niet de doorslag gaf, werd
de voorkeur toegekend aan de verdienste, die een natuurlijk overwicht
geeft, aan de leeftijd, die ervaring in zaken geeft en aan
koelbloedige besluitvaardigheden. De Ouden der Hebreeën, de
Geronten van Sparta, de Senaat van Rome en zelfs de oorsprong van ons
woord Seigneur laten zien hoezeer destijds de ouderdom werd
eerbiedigd. Naarmate bij de verkiezingen de keuze meer op de in
leeftijd gevorderden viel, werden ze veel vaker gehouden, en werden
de problemen daarbij meer voelbaar; kuiperijen kwamen in zwang, er
vormden zich klieken, partijen sloten zich aaneen, de
partijstandpunten verscherpten zich, burgeroorlogen ontbrandden, ten
slotte werd het bloed van de burgers vergoten voor het zogenaamde
welzijn van de Staat, en dat maakte dat men op het punt stond om in
de anarchie van weleer terug te vallen. De eerzucht van de
voornaamsten, profiteerde van die omstandigheden om hun ambten in hun
families te houden: het volk, dat al aan de afhankelijkheid was
gewend, en aan de rust en de gemakken van het leven, en al niet meer
in staat was zijn boeien te verbreken, stemde ermee in zijn slavernij
te laten verhevigen om hun rust te kunnen versterken; en zo wenden de
erfelijk geworden leiders eraan om hun overheidsambt als een
familiebezit te beschouwen, en zichzelf als eigenaars van de Staat,
waarvan zij eerst slechts dienaren waren, om hun burgers hun slaven
te noemen, om hen, als waren ze vee, te rekenen als een aantal dingen
dat hen toebehoort, en zichzelf gelijk aan de Goden en de Koning der
Koningen te noemen.
Als
we de toename van de ongelijkheid in de verschillende omwentelingen
volgen, zullen we zien dat de invoering van de wet en het
eigendomsrecht de eerste stap naar de ongelijkheid was, het instellen
van de rechterlijke macht de tweede, en dat de derde en laatste stap
bestond uit het vervangen van de wettige macht door een macht van
willekeur; zodat de toestand van rijk en arm in het eerste tijdperk
werd gewettigd, die van machtig en zwak in het tweede, en in het
derde tijdperk die van meester en slaaf, wat de hoogste graad van
ongelijkheid betekent en de stap waar uiteindelijk alle andere op
uitlopen, totdat nieuwe omwentelingen de Regering volledig wegvagen,
of haar weer dichter bij de wettige instelling brengen.
Om
de onvermijdelijkheid van die voortgang te begrijpen, moet men minder
naar de drijfveren voor het instellen van het politieke Lichaam
kijken, dan naar de vorm die het in uitvoeren van zijn taak aanneemt
en de ongemakken die daarmee gepaard gaan; want de gebrekkigheden die
de maatschappelijke instellingen noodzakelijk maken, zijn dezelfde
die het misbruik onvermijdelijk maken; en men moet bekijken hoe,
behalve alleen in Sparta, waar hoofdzakelijk de wet over de opvoeding
van de kinderen waakte, en waar Lycurgus zeden invoerde, die de
toevoeging van wetten vrijwel overbodig maakte, de wetten de mensen,
over het algemeen minder krachtig dan de hartstochten, in bedwang
houden zonder hen te veranderen; het zou niet moeilijk zijn aan te
tonen, dat elke Regering die, zonder te ontaarden of te veranderen,
en altijd nauwgezet aan het doel voldoet waarvoor zij is ingesteld,
onnodig in het leven is geroepen, en dat een land waar niemand de
wetten ontduikt en misbruik van de overheidsambtenaren maakt,
overheidsambtenaren noch wetten nodig heeft.
Politiek
onderscheid leidt noodzakelijkerwijs tot onderscheid tussen de
burgers. De ongelijkheid tussen het volk en zijn leiders, wordt al
snel voelbaar tussen de afzonderlijke mensen, en neemt daar duizend
en een verschillende vormen aan, naargelang de hartstochten, de
talenten en de omstandigheden. De Overheidspersoon zou zich een
onwettige macht alleen maar wederrechtelijk kunnen toeëigenen,
als hij gunstelingen maakt, waar hij enige macht aan moet afstaan.
Bovendien laten burgers zich alleen maar onderdrukken als zij door
een blinde eerzucht worden meegesleept, en, omdat ze meer naar boven
dan naar beneden zichzelf kijken, wordt het overheersen hen
dierbaarder dan de onafhankelijkheid, en dierbaarder dat ze instemmen
met het dragen van ketenen om ze op hun beurt aan te kunnen leggen.
Het is heel moeilijk iemand te laten gehoorzamen, die er niet zelf op
uit is om te bevelen, en zelfs het meest slimme beleid zal er niet in
slagen mensen te onderwerpen die alleen maar vrij willen zijn; maar
de ongelijkheid verbreidt zich moeiteloos onder eerzuchtige en laffe
zielen, die altijd bereid zijn de gevaren van het lot te trotseren,
en voor wie het nauwelijks verschil maakt of ze overheersen of
dienen, al naargelang het lot hen gunstig is gestemd of het
tegenovergestelde. Zo moest er een tijd komen waarin de ogen van het
volk zodanig betoverd waren, dat hun leiders tegen de meest
onaanzienlijke van de mensen alleen maar hoefden te zeggen: wees
groot, jij en je hele geslacht; en meteen leek hij, in zijn eigen
ogen en voor de hele wereld, groot, en zijn afstammelingen verhieven
zich nog verder, naarmate zij zich meer van hem verwijderden; en hoe
verder en onzekerder de aanleiding, hoe groter de gevolgen werden;
hoe meer nietsnutten men in een familie telde, hoe beroemder die
werd.
Als
dit de gelegenheid zou zijn om op details in te gaan, zou ik
gemakkelijk uiteen kunnen zetten hoe, zelfs zonder dat de Regering
zich er in mengt, de ongelijkheid in vertrouwen en gezag onder de
afzonderlijke mensen onvermijdelijk werd, en dat ze zodra ze in
dezelfde maatschappij zijn verenigd, gedwongen zijn zich met elkaar
te vergelijken, en zich rekenschap te geven van de verschillen die
ze, in het voortdurende gebruik dat ze van elkaar moeten maken,
tegenkomen. Die verschillen zijn velerlei; maar terwijl over het
algemeen rijkdom, adel of rang, macht en persoonlijke verdienste de
voornaamste onderscheidende kenmerken zijn waarmee men zich in de
maatschappij met elkaar meet, zou ik aantonen dat de overeenstemming
of het met elkaar botsen van die verschillende krachten, de meest
zekere aanwijzing is of een staat goed of slecht is ingericht: ik zou
laten zien, dat onder die vier vormen van ongelijkheid, waarbij de
persoonlijke eigenschappen de oorsprong van alle andere zijn, de
rijkdom de uiteindelijke is, waartoe zij tenslotte allemaal
teruggebracht kunnen worden, omdat die het meest direct nuttig voor
het welzijn en het eenvoudigst met elkaar te delen is, maakt men er
gemakkelijk gebruik van om al het andere te kopen. Een waarneming die
een voldoende juist oordeel mogelijk maakt, over de mate waarin elk
volk van zijn oorspronkelijke toestand is afgedwaald, en over de weg
die het heeft afgelegd naar het laatste stadium van zijn ontaarding.
Ik zou opmerken hoezeer het universele verlangen naar aanzien, eer en
voorkeur, dat ons allemaal verscheurt, talenten en krachten op de
proef stelt en vergelijkt, hoezeer het de hartstochten prikkelt en
vermenigvuldigt, en hoezeer het, door alle mensen mededingers,
rivalen of liever vijanden te maken, dagelijks tegenspoed, voorspoed
en allerlei rampspoed veroorzaakt, door zoveel strevers op dezelfde
renbaan te laten lopen. Ik zou aantonen dat het het verlangen is
waarmee wij willen dat er over ons wordt gesproken, naar die
hartstocht ons van anderen te onderscheiden, dat ons bijna altijd
buiten onszelf houdt, dat wij het beste en het slechtste onder de
mensen verschuldigd zijn, onze deugden en onze ondeugden, onze
wetenschappen en onze dwalingen, onze veroveraars en onze filosofen,
dat wil zeggen, een grote hoeveelheid slechte dingen tegenover een
klein aantal goede. Ik zou tot slot aantonen dat, als men een handvol
machtigen en rijken op het toppunt van hun aanzien en rijdom ziet,
terwijl de massa in duisternis en ellende voortkruipt, dat dat komt
omdat de eersten de zaken die zij bezitten slechts kunnen waarderen,
voor zover de anderen daarvan zijn verstoken, en dat zij, zonder de
toestand te veranderen, niet langer gelukkig zouden zijn, als het
volk niet langer ongelukkig zou zijn.
Maar
die bijzonderheden zouden alleen al stof voor een aanzienlijke
hoeveelheid werk opleveren, waarbij men de voor- en nadelen van elke
Regering zou kunnen afwegen, met betrekking tot de rechten van de
natuurlijke toestand, en waarbij men alle verschillende gedaanten zou
kunnen onthullen waaronder de ongelijkheid zich tot op heden
vertoont, en zich in de komende eeuwen zou kunnen vertonen, naar
gelang de aard van die Regeringen, en de omwentelingen die de tijd
noodzakelijkerwijs met zich mee zal brengen. Men zou een van
binnenuit onderdrukte menigte zien, onderdrukt door een reeks van
voorzorgsmaatregelen die zij zelf heeft getroffen tegen hetgeen hen
van buitenaf bedreigt; men zou zien hoe de onderdrukking voortdurend
toeneemt, zonder dat de onderdrukten ooit kunnen weten hoe daar een
eind aan kan komen, noch welke wettige middelen hen resten om aan de
onderdrukking een eind te maken; men zou zien hoe de rechten van de
burgers en de nationale vrijheden beetje bij beetje uitdoven, en hoe
de protesten van de machtelozen als opstandig gemor wordt bejegend;
men zou zien hoe de politiek met een ingehuurd deel van het volk de
eer beperkt om de gemeenschappelijke zaak te verdedigen; men zou zien
dat daar de noodzaak van de belastingen uit voortvloeien, en dat de
ontmoedigde landbouwer zelfs in vredestijd zijn akker en de ploeg in
de steek laat om het zwaard aan te gorden; men zou zien hoe er op het
punt van eer rampzalige en zonderlinge regels ontstaan; men zou zien
hoe de verdedigers van het vaderland vroeg of laat vijanden worden,
die zonder ophouden de dolk tegen hun medeburgers heffen, en dat er
zou een tijd aanbreken waarin men hen tot de onderdrukkers van hun
land zou horen zeggen:
Pectore
si fratris gladium juguloque parentis
Condere
me jubeas, gravidaeque in viscera partu
Conjugis,
invitâ peragam tamen omnia dextra.
Indien
gij mij beveelt met het zwaard de borst van mijn broeder
Of
de keel van mijn vader,
en
zelfs de ingewanden van mijn zwangere vrouw te doorboren
Zal
ik
dat
ondanks
alles doen (Pharsalis, I)
Men
zou zien dat uit de ongelijkheid van omstandigheden en fortuin, uit
de verscheidenheid van hartstochten en talenten, uit de verderfelijke
kunsten, en uit de beuzelachtige wetenschappen grote hoeveelheden
vooroordelen voortspruiten, die even strijdig met het verstand, als
met het geluk en de deugd zijn; men zou zien hoe de leiders van alles
bedenken wat de aaneengesloten mensen kan verzwakken en tweedracht
onder hen kan zaaien, alles wat de maatschappij de schijn van
eendracht kan geven en er de kiem van een werkelijke verdeeldheid in
zaaien, alles wat bij de verschillende klassen wantrouwen en
wederzijdse haat kan inboezemen, doordat hun rechten en hun belangen
tegengesteld zijn, en dientengevolge de macht die hen allen in
bedwang houdt te verstevigen.
En
terwijl midden uit die wanorde en die omwentelingen het despotisme
geleidelijk zijn afzichtelijke kop opheft, en alles verslindt wat het
in alle delen van de Staat aan goeds en heiligs ontwaart, zal het de
wetten en het volk vertrappen, en zich op de puinhopen van de
republiek vestigen. De tijden die aan die verandering vooraf zullen
gaan, zullen tijden van onlusten en rampen zijn; maar op het eind zal
alles door het monster zijn opgeslokt, en zullen de volkeren leiders
noch wetten meer hebben, maar alleen maar tirannen. Vanaf dat moment
zal er ook geen sprake meer zijn van zeden en deugd: want overal waar
het despotisme heerst cui ex honesto nulla est spes (die van eer
niets heeft te verwachten), het tolereert geen andere meester;
zodra het spreekt, is er geen beroep op eerlijkheid en plicht meer
mogelijk, en is de blinde gehoorzaamheid de enige deugd die de slaven
nog rest.
Dat
is het laatste stadium van de ongelijkheid, en het eindpunt dat de
cirkel sluit en weer op het punt uitkomt, van waar wij zijn
vertrokken: dat is het punt waarop alle individuen weer gelijk
worden, omdat ze niets zijn, en waar de onderdanen geen andere wet
hebben dan de wil van de meester, en waar het idee van het goede en
de beginselen van de rechtvaardigheid opnieuw vervliegen. Daar komt
alles weer alleen op het recht van de sterkste neer, en
dientengevolge op een nieuwe natuurlijke toestand, die anders is dan
die waar we mee zijn begonnen, want de eerste was de natuurlijke
toestand in al zijn zuiverheid, en de laatste de vrucht van een
overmaat aan bederf. Bovendien is het verschil tussen die twee
toestanden zó gering, en is de bestuursovereenkomst zó
door het despotisme aangetast, dat de despoot slechts zólang
meester is als hij de sterkste is, en dat hij, als men hem wil
verdrijven, over het geweld niet hoeft te klagen. De oproer die
eindigt met het wurgen of de onttroning van een Sultan, is een even
wetttige daad als die waarmee hij daags te voren over de levens en
bezittingen van zijn onderdanen besliste. Louter macht hield hem
staande, louter macht brengt hem ten val; alles geschiedt volgens de
natuurlijke ordening; en wat de uitkomst van die kortdurende en
veelvuldige omwentelingen ook moge zijn, niemand kan zich over de
onrechtvaardigheid van de ander beklagen, maar alleen over zijn eigen
onvoorzichtigheid of ongeluk.
Als
hij zo de vergeten en teloorgegane wegen ontdekt en volgt, die van de
natuurlijke toestand naar de mens in een beschaafde toestand leiden;
en als hij met behulp van de tussenliggende toestanden die ik heb
aangegeven, degene reconstrueert, die ik uit tijdgebrek heb
weggelaten, of die de verbeelding mij niet heeft ingegeven, moet elke
oplettende lezer wel worden getroffen door de onmetelijke ruimte die
tussen die twee toestanden in ligt. In die geleidelijke opeenvolging
van gebeurtenissen zal hij de oplossing vinden van een eindeloze
hoeveelheid zedelijke en politieke vraagstukken, die de filosofen
niet kunnen oplossen. Hij zal begrijpen dat, -de mensheid van de ene
tijd is immers niet de mensheid van de andere tijd – de reden
waarom Diogenes geen mens vond, was omdat hij, onder zijn tijdgenoten
de mens van een tijd die er niet meer was, zocht. Cato, zei hij, ging
met Rome en de vrijheid ten onder, omdat hij niet in zijn tijd paste;
en de grootste der mensen; verbaasde slechts een wereld, die hij
vijfhonderd jaar eerder had geregeerd. Kortom, hij zal uiteenzetten hoe de geest en de
menselijke
hartstochten, die onmerkbaar ten kwade veranderen, zogezegd de natuur
veranderen; waarom onze behoeften en onze genoegens van onderwerp
veranderen; waarom, bij het geleidelijk verdwijnen van de
oorspronkelijke mens, de maatschappij in de ogen van de wijze niet
meer dan een samenraapsel biedt van gekunstelde mensen en onechte
hartstochten, die het werk van al die nieuwe verhoudingen zijn, en
geen enkel werkelijke grond in de natuur hebben. Wat de beschouwing
hierboven ons leert, bevestigt de waarneming ons volkomen: de wilde
mens en de beschaafde mens verschillen in het diepst van hun hart en
in hun neigingen dusdanig van elkaar, dat wat de een het opperste
geluk verschaft, de ander tot wanhoop drijft. De eerste ademt alleen
maar rust en vrijheid, hij wil alleen maar leven en ledig blijven, en
zelfs de ataraxie van de Stoïcijn haalt het niet bij zijn
buitengewone onverschilligheid voor alles. De burger, daarentegen,
altijd bezig, ploetert, windt zich op, kwelt zichzelf onophoudelijk
met het zoeken naar nóg moeizamere bezigheden: hij werkt tot
zijn dood, snelt haar zelfs tegemoet om zichzelf in leven te houden,
of ziet van het leven af om de onsterfelijkheid te verwerven. Hij
dingt naar de hand van de groten, die hij haat, en van de rijken die
hij veracht; niets is hem te veel om hen te mogen dienen; hij gaat
hoogmoedig prat op zijn geringe afkomst en hun bescherming, en is
trots op zijn slavernij, en met minachting praat hij over degenen,
die niet in deze eer delen. Wat een schouwspel voor een
Caraïbiër,
die moeizame benijdenswaardige arbeid van een Europese minister!
Hoeveel wrede doden zou die wilde mens niet liever willen sterven,
dan de gruwel van zo’n leven, dat vaak zelfs niet wordt verzacht
door het genoegen om goed te doen. Maar om het doel van zoveel zorgen
te begrijpen, zouden de woorden macht en aanzien iets
voor hem moeten betekenen; zou hij moeten leren dat er een slag
mensen bestaat, dat voor een kleinigheid op de eerbied van de rest
van het universum rekent, die eerder zelf gelukkig en tevreden kunnen
zijn op getuige van een ander, dan uit zichzelf. Dat is inderdaad de
werkelijke oorzaak van alle verschillen: de wilde mens in zichzelf;
de maatschappelijke mens altijd buiten zichzelf, kan alleen maar
leven in de mening van de anderen; en het is dus, zogezegd,
uitsluitend hun oordeel waar hij de zin van zijn eigen bestaan aan
ontleent. Het valt buiten mijn onderwerp om te laten zien hoe uit een
dergelijke instelling, met zo’n mooie verhalen over zedelijkheid,
zoveel onverschilligheid voor goed en kwaad ontstaat; hoe alles kan
worden teruggebracht tot schone schijn, alles gemaakt en gespeeld
wordt; eer, vriendschap, deugd en zelfs vaak tot de ondeugden toe,
waar men uiteindelijk het geheim van vindt om er prat op te gaan;
kortom hoe wij altijd maar de anderen vragen wat we zijn, en nooit
ons zelf durven te ondervragen, temidden van zoveel filosofie,
menselijkheid, wellevendheid en verheven leerstellingen, hebben wij
slechts een bedrieglijke en ijdele buitenkant, eer zonder deugd,
verstand zonder wijsheid, en vermaak zonder geluk. Ik vind het
voldoende dat ik heb bewezen dat dat niet de oorspronkelijke toestand
van de mens was, en dat het alleen de geest van de maatschappij en de
ongelijkheid die zij met zich meebrengt is, die zo al onze
natuurlijke neigingen veranderen en bederven.
k
heb getracht de oorsprong en het voortschrijden van de ongelijkheid
uiteen te zetten, de vestiging en misbruik van politieke
maatschappijen, voorzover die zaken alleen in het licht van verstand
uit de natuur van de mens kunnen worden afgeleid, en onafhankelijk
van de heilige dogma’s die aan het soevereine gezag de goedkeuring
van het goddelijk recht geven. Uit dit betoog volgt dat de
ongelijkheid, die in de natuurlijke toestand vrijwel niet bestond,
haar kracht en haar groei ontleent aan de ontwikkeling van onze
vermogens en de vooruitgang van de menselijke geest, en uiteindelijk
stabiel en wettig werd door het instellen van de eigendom en de
wetten. Er volgt ook uit dat de zedelijke ongelijkheid, die alleen
wordt bekrachtigd door het werkelijke recht, strijdig met het
natuurlijke recht is, telkens wanneer het niet evenredig is met de
fysieke ongelijkheid; een onderscheid, dat voldoende aangeeft wat men
in dit opzicht moet denken van de ongelijkheid, die onder alle
beschaafde volkeren heerst, omdat het duidelijk tegen de wet van de
natuur ingaat, hoe men die ook omschrijft, dat een kind een grijsaard
beveelt, dat een dwaas een wijze leidt, en dat een handvol mensen in
overvloed baadt, terwijl de hongerende massa het meest noodzakelijke
ontbeert.