TRAITÉ
DES
TROIS
IMPOSTEURS
Vertoog over de drie bedriegers

Titelpagina
van de
uitgave van 1777
Mozes,
Jezus
en
Mohammed
Voorwoord
van de vertaler:
In het
begin van de 18e eeuw ontstond een geheel nieuw genre van
clandestiene boeken en manuscripten. Vooral Frankrijk en Nederland
leverden
daar een groot aandeel aan. Er was een schaduwwereld van verborgen
drukpersen
en in het geniep rolden daar grote aantallen opstandige en rebelse
geschriften
vanaf, met fictieve schrijvers en fictieve uitgeverijen op het
titelblad. De
meest beruchte was de uitgeverij Pierre Marteau, die een puur verzinsel
was, en
was bedacht door een aantal Hollandse uitgeverijen die onder die naam
werken
publiceerden, die de censuur anders niet zouden overleven. In diezelfde
fictie
vermeldde de uitgeverij Pierre Marteau op het titelblad dat zij in
Köln was
gevestigd. Amsterdam was het centrum van die clandestiene publicaties
en het
Frans was de taal van de gevluchte Hugenoten. Waarschijnlijk werd de
naam
Pierre Marteau gebruikt door de uitgeverij Elsevier, en publiceerde
honderden
boeken met nogal gewaagde ideeën. Mogelijk is de Nederlandse
uitgave van Les
Trois Imposteurs dus door Elsevier in Amsterdam gedrukt. Voor een
uitgebreid
overzichtsartikel in het Engels, zie de publicatie van de Amerikaanse
historica, Margaret Jacob, hoogleraar geschiedenis aan de Californische
UCLA-Universiteit en doctor honoris causa van de Universiteit van
Utrecht.
http://www.pierre-marteau.com/c/jacob/clandestine.html
Zij
beschouwt het “Vertoog over de Drie Bedriegers” als de meest radicale
tekst van
de Verlichting en schreef zelf het boek “The radical
Enlightenment.”
In zijn
verhalenbundel De Aleph schrijft Jorge Luis Borges, in het verhaal
Deutsches
Requiem: "De wereld was haast gestorven aan het jodendom en aan die
ziekte van het jodendom: het geloof van Jezus; wij leren van haar de
gewelddadigheden en het geloof van het zwaard. Dat zwaard doodt ons en
we zijn
te vergelijken met de tovenaar die een labyrint weeft en die zich
gedwongen
ziet daarin te dwalen tot het einde van zijn dagen." Het is
volstrekt
terecht om daar de Islam als ziekte van zowel joden- als christendom
aan toe te
voegen. In wezen hebben zijn zij alledrie in de valkuil getrapt, die de
schrijvers van de Evangeliën hun zelf gecreëerde
sprookjesfiguur Jezus in de
mond hebben gelegd: “Ook doet jonge wijn niet in oude zakken” (Matth.
9:17). In
wezen plegen alle godsdienststichters, alle profeten, goeroes,
filosofen en
andere zogenaamde verlichten, allemaal plagiaat. Terwijl zij allemaal
weten dat
er echt niets nieuws onder de zon is en dat alles al vele malen is
gezegd,
dissen ze alleen maar steeds meer van hetzelfde in een andere
verpakking op.
Momenteel zou een Evangelie dan ook geen enkele kans maken omdat de
critici
heel terecht zouden kunnen stellen, dat geen enkel idee echt
oorspronkelijk zou
zijn. In hun boek “De mysterieuze Jezus, was Jezus oorspronkelijk een
heidense
God?” vertellen Peter Gandy en Timothy Freke in wezen hetzelfde wat in
Vertoog
staat. Het komt er eigenlijk op neer, dat de joden ook een eigen
verhaal wilden
hebben en onbeschaamd en banaal hebben geplagieerd, dus nieuwe wijn in
oude
zakken hebben gegoten. Voltaire schrijft in zijn Filosofische
Vertellingen, in
het verhaal “Uit de Brieven van Amabed”:
Weliswaar
was
er
in
de tijd van Alexander in een uithoek van Fenicië een
klein volk van
wisselaars en woekeraars, dat heel lang in Babylonië in slavernij
had geleefd.
Gedurende zijn gevangenschap flanste het een eigen geschiedenis in
elkaar, en
alleen in die geschiedenis is er ooit sprake geweest van Noach. Toen
dat volkje
later in Alexandrië bepaalde privileges kreeg, vertaalde het zijn
annalen in
het Grieks. Vervolgens werden ze in het Arabisch vertaald, en pas sinds
heel
kort zijn onze geleerden er enigszins van op de hoogte. Maar voor die
geschiedenis hebben zij (de Brahmanen) evenveel minachting als voor de
armzalige horde die haar heeft geschreven. (Je kunt wel zien dat
Shastasid hier
spreekt als een Brahmaan die de gave van het geloof niet bezit en die
de genade
moet ontberen.)
Rond
het
jaar nul was dat uithoekje van Fenicië een streek, die je heel
goed zou kunnen
vergelijken met het huidige Afghanistan, waar stamhoofden een moordend
gevecht
met elkaar voerden en waar een bezettingsmacht vruchteloos probeert om
orde te
scheppen. Destijds wemelde het in het verscheurde landje van de
Messiassen,
zoals het bij ons wemelt van de goeroes, consultants en andere
deskundigen, die
de pretentie hebben dat ze weten hoe anderen moeten leven en het volk,
dat
altijd blindelings in autoriteiten heeft geloofd roept nog steeds om
een
krachtige leider, want wie zich laat leiden hoeft zelf niet te denken.
Nog
steeds wordt het volk koest gehouden en laat zich koest houden met
brood en
spelen, nog steeds geldt het motto “divide et impera,” verdeel en
heers, nog
steeds houden mensen krampachtig hun krakkemikkig wereld- en zelfbeeld
in
stand, terwijl ze weten dat het niet klopt en nog steeds staan er
dagelijks
mensen op die denken dat ze het wiel hebben uitgevonden en met iets
heel nieuws
komen. Maar er is echt niets nieuws onder de zon. Er is alleen nooit
geluisterd.
A.N.
HOOFDSTUK
1
OVER GOD
I
Hoewel het voor
iedereen belangrijk is om de Waarheid te kennen, zijn er toch maar heel
weinig
mensen, die dat voordeel genieten. Sommigen zijn zelf niet in staat om
haar te
zoeken, andere willen daar geen moeite voor doen. Het is dus niet
verwonderlijk
dat de wereld gevuld is met loze en lachwekkende meningen. Er is niets
wat ze
meer in zwang brengt dan onwetendheid, wat de enige bron is van de
onjuiste
denkbeelden, die men over de Godheid, de Ziel, de Geest en bijna alle
andere onderwerpen
heeft, die samen de Godsdienst vormen. De gewoonte heeft de overhand,
dat
mensen zich vanaf hun geboorte tevreden stellen met vooroordelen en dat
zij
zich, wat betreft de meest wezenlijke zaken, beroepen op mensen die er
belang
bij hebben om het tot hun plicht te rekenen om hardnekkig die verkregen
meningen te verdedigen en bang zijn om ze te vernietigen, uit angst dat
zij
zichzelf vernietigen.
II
Wat
onherstelbaar kwaad doet is dat die mensen, nadat zij de onjuiste
denkbeelden
die zij over God hebben, aan de man hebben gebracht, alles in het werk
stellen
om het volk ze te laten geloven, zonder het toe te staan ze te
onderzoeken. Integendeel
zelfs: ze wekken bij het volk afkeer tegen filosofen of echte wijzen
op, uit
angst dat het volk, door de kennis die zij het bijbrengen, zich bewust
wordt
van de dwalingen waarin het is ondergedompeld. De aanhangers van die
onzin zijn
daar zo goed in geslaagd, dat het gevaarlijk is om ze te bestrijden.
Het is
voor die bedriegers veel te belangrijk dat het volk onwetend is, zodat
ze er
misbruik van kunnen maken. Daarom moeten ze de waarheid wel verdraaien,
want
anders vallen ze ten offer aan de woede van zogenaamde geleerden of
verachtelijke en egoïstische zielen.
III
Als het volk zou
begrijpen in wat voor afgrond het door de onwetendheid wordt geworpen,
zou het
ongetwijfeld het juk van die waardeloze leiders van zich afgooien, want
het is
onmogelijk om het verstand te laten werken, zonder dat het de waarheid
ontdekt.
Die bedriegers hebben dat zo goed begrepen dat zij, om de heilzame
gevolgen,
die de waarheid vast en zeker zou teweegbrengen, te voorkomen, hebben
bedacht
om haar voor ons als een monster af te schilderen, dat niet in staat is
om ons
tot enig goed gevoel te inspireren en hoewel zij gewoonlijk hun
afkeuring
uitspreken over onredelijke mensen, zouden zij toch heel boos worden
als er
naar de waarheid zou worden geluisterd. Zo zie je hoe die gezworen
vijanden van
het gezonde verstand doorlopend in tegenstrijdigheden vervallen en is
het
moeilijk om te begrijpen wat zij bedoelen. Als het waar is, dat het
gezonde
verstand de enige leidraad is, die de mens moet volgen en als het volk
ook heel
goed kan beredeneren wat men het probeert te laten geloven, dan moeten
de
mensen, die het proberen te onderrichten, hun best doen om hun eigen
valse
gedachtegangen te corrigeren en hun eigen vooroordelen te af te breken.
Dan zul
je zien dat de ogen van het volk zich geleidelijk zullen openen en zijn
geest
zich van de waarheid zal overtuigen, dat God niet is wat het zich
gewoonlijk
had voorgesteld.
IV
Om dat te
bereiken heb je geen diepzinnige bespiegelingen nodig, en hoef je niet
diep in
de geheimen van de natuur door te dringen. Je hebt alleen maar een
beetje
gezond verstand nodig om te merken dat God niet boos en jaloers is; dat
rechtvaardigheid en barmhartigheid valse attributen zijn die aan hem
worden
toegeschreven en dat wat de Profeten en Apostelen erover hebben gezegd
ons
niets over zijn natuur en wezen duidelijk maakt.
Want om het maar
eens onomwonden te uit te spreken en te zeggen hoe het is: het staat
vast dat
die Geleerden bekwamer of knapper waren dan de rest van de mensen. Want
is, wat
zij over het onderwerp God hebben gezegd, eigenlijk niet net zo
onbeschoft als het
feit dat zij het volk dat willen laten geloven? Hoewel de zaak op
zichzelf
voldoende duidelijk moge zijn, zullen wij het nog duidelijker maken
door het
onderzoek van de volgende vraag: bestaat er enig bewijs, dat de
Profeten en
Apostelen anders waren dan de andere mensen?
V
Iedereen is het
erover eens dat zij, wat betreft hun geboorte en de gewone
levensfuncties, in
niets van de andere mensen verschilden. Zij waren door mannen verwekt
en uit
vrouwen geboren, en zij brachten hun leven op dezelfde manier door als
wij. Wat
de geest betreft, wil men dat God die van de Profeten meer heeft
bezield dan
die van de andere mensen en men gelooft dat zo te goeder trouw, alsof
het is
bewezen. En zonder te bedenken dat alle mensen op elkaar lijken, en dat
zij
allemaal dezelfde oorsprong hebben, beweert men dat die mensen een
uitzonderlijk
vermogen hebben gehad en door de Godheid waren uitgekozen om zijn
orakels te verkondigen.
Maar wat kunnen wij, afgezien van het feit dat zij geen grotere geesten
zijn
geweest dan de gewone, noch een volmaakter verstand hebben gehad, in
hun
geschriften zien dat ons dwingt om zo’n hoge pet van hen op te hebben?
Het
overgrote gedeelte van de dingen, die zij hebben gezegd is zo duister,
dat je
er niets van begrijpt en het is zo’n bijeengeraapt zootje, dat je
gemakkelijk
kunt merken dat zij het zelf niet begrepen en dat het gewoon onwetende
schurken
zijn geweest. Wat de aanleiding heeft gegeven voor het beeld dat mensen
van hen
hebben gekregen, is de onbeschaamdheid die zij hebben gehad om er prat
op te
gaan dat zij alles wat zij het volk verkondigden rechtstreeks van God
hadden
gekregen. Een absurde en lachwekkende mening, omdat zij zelf toegaven
dat God
alleen maar in hun dromen tot hen had gesproken. Voor de mens bestaat
er niets
natuurlijkers dan dromen en daarom moet iemand wel heel schaamteloos,
ijdel en
krankzinnig zijn, om te zeggen dat God op die manier tegen hem heeft
gesproken,
en iemand, die daar geloof aan hecht, moet wel heel goedgelovig en gek
zijn, om
dromen als goddelijke orakels te beschouwen. Laten wij een moment
veronderstellen
dat God zich aan iemand door middel van een droom, door visioenen of op
welke
andere manier je ook maar kunt bedenken, laat horen. Niemand is
verplicht om iemand,
die het slachtoffer van dwaling, leugen en zelfs bedrog is, op zijn
woord te geloven.
Wij zien ook dat
de ouden, onder de Wet, voor Profeten in de verste verte niet zoveel
achting
koesterden als tegenwoordig. Als ze hun geklets, wat meestal neerkwam
op het
zaaien van oproer en het volk oproepen tot ongehoorzaamheid, zat waren,
legde
ze hen met lijstraffen het zwijgen op. Jezus Christus ontkwam niet aan
de straf,
die hij terecht had verdiend. Hij had niet, zoals Mozes, een leger ter
beschikking om zijn meningen te verdedigen (opmerking: Mozes doodde in
één keer
24.000 mensen die zich tegen zijn Wet hadden gekeerd). Daar komt nog
bij dat de
Profeten er zo aan waren gewend om zichzelf en elkaar tegen te spreken,
dat
geen enkele van de vierhonderd profeten was te vertrouwen (opmerking:
in I Koningen,
22:6 staat geschreven dat Achab, koning van Israël, 400 profeten
om raad vroeg,
die zich allemaal in de uitkomst van hun voorspellingen vergisten).
Bovendien
staat vast dat het de bedoeling van hun voorspellingen, net als de
wetten van
de meest befaamde wetgevers, was om hun eigen nagedachtenis te
vereeuwigen,
door de volkeren te laten geloven dat zij met God beraadslaagden. De
meeste
politieke doeleinden hebben altijd van die manier gebruik gemaakt,
hoewel die list
niet altijd is gelukt bij mensen die, anders dan Mozes, niet de
middelen hadden
om hun eigen veiligheid te waarborgen.
VI
Wij zullen, nu
wij dat hebben vastgesteld, het idee, dat de Profeten van God hebben
gehad,
nader bekijken. Als je hen moet geloven is God een zuiver lichamelijk
wezen.
Micha heeft hem zien zitten. Daniël in een wit gewaad en in de
gedaante van een
grijsaard. Ezechiël zag hem als een vuur. Tot zover het Oude
Testament. Wat het
Nieuwe Testament betreft, verbeeldden de leerlingen van Jezus Christus
zich,
dat zij hem in de gedaante van een duif zagen, de Apostelen in die van
vurige
tongen en tot slot Paulus, als een licht dat hem verbijsterde en
verblindde.
Om de
tegenstrijdigheid van hun meningen te laten zien: Samuel (I: 15-29)
geloofde dat
God nooit spijt had van zijn eigen beslissingen. Jeremia daarentegen
(18:10)
vertelt ons dat God spijt had van de besluiten die hij had genomen.
Joel (2:13)
deelt ons mee dat God geen spijt heeft van het kwaad, dat hij de mensen
heeft
berokkend. Jeremia zegt dat hij geen berouw heeft. Genesis (4:7) wijst
ons erop,
dat de mens meester over de zonde is en dat hij daar slechts aan hecht
om goed
te doen, maar och, Paulus (Rom. 15:10) beweert dat de mensen, zonder
een
bijzondere genade van God, geen enkele macht over de zinnelijke
begeerten
hebben, etc. Dat zijn de valse en tegenstrijdige denkbeelden die die
geïnspireerde mensen ons over God geven en waarvan ze willen dat
wij die ook
hebben, zonder te bedenken dat die denkbeelden ons de Godheid
voorschotelen als
een waarneembaar wezen, stoffelijk en onderworpen aan alle menselijke
hartstochten.
Toch vertellen ze ons vervolgens dat God niets met de stof gemeen heeft
en dat
het een, voor ons onbegrijpelijk, wezen is. Ik zou heel graag weten hoe
je dat
allemaal met elkaar kunt rijmen, als je dat zou moeten geloven, met al
die
duidelijke en onredelijke tegenstrijdigheden en als je moet afgaan op
de
verklaringen van mensen, die zo onfatsoenlijk waren dat zij zich, de
zedenpreken van Mozes ten spijt, verbeeldden dat hun God een kalf was.
Maar wij
moeten maar niet blijven stilstaan bij de dromen van een volk dat in
slavernij
en dwaasheid is grootgebracht en maar zeggen dat de onwetendheid het
geloof in al
die leugens en dwalingen, die tegenwoordig bij ons de dienst uitmaken,
heeft
voortgebracht.
HOOFDSTUK
II
DE REDENEN DIE DE MENSEN
ERTOE HEBBEN GEBRACHT OM
ZICH
EEN ONZICHTBAAR WEZEN VOOR
TE STELLEN
DAT ZE DOORGAANS GOD
NOEMEN
I
Mensen, die
stoffelijke oorzaken ontkennen, zijn van nature angstig, wat
voortspruit uit de
bezorgdheid over waar zij aan toe zijn, als er een Wezen of een macht
bestaat, die
het vermogen bezit om hen te schaden of te behouden. Vandaar dat ze de
neiging
hebben om te doen alsof er onzichtbare oorzaken bestaan, alleen maar
illusies
van hun verbeelding, die zij in tegenspoed aanroepen en in voorspoed
prijzen.
Uiteindelijk maken ze er goden van en die hersenschimmige angst voor
onzichtbare krachten is de bron van de godsdiensten, die iedereen op
zijn eigen
manier vorm geeft. De mensen, die er belang bij hadden, dat het volk
door
dergelijke droombeelden koest en in bedwang werd gehouden, hebben aan
die kiem
van de godsdienst voedsel gegeven, door er een wet van te maken en
hebben
uiteindelijk de volkeren ertoe gebracht hen, uit angst voor de
toekomst, blind
te gehoorzamen.
II
Toen ze de
oorsprong van de goden hadden ontdekt, gingen de mensen geloven dat zij
op
henzelf leken en dat zij, net als zijzelf, alles met een bedoeling
deden. Dus
zeiden ze, en dat geloofden ze ook nog eensgezind, dat God niets had
gemaakt,
dat niet voor de mens was bestemd en omgekeerd, dat de mens alleen maar
ten
behoeve van God is gemaakt. Dat vooroordeel is algemeen aanvaard en als
je
bedenkt wat voor invloed het noodzakelijkerwijs op de zeden en meningen
van de
mensen moet hebben gehad, zie je duidelijk dat dat de reden is, dat zij
de
gelegenheid hebben aangegrepen om zich foutieve ideeën van goed en
kwaad te
vormen, van verdienste en tekortkoming, van eer en schande, van orde en
wanorde, van schoonheid en wanstaltigheid en andere dergelijke zaken.
III
Iedereen zal het
er mee eens zijn, dat alle mensen in een buitengewone onwetendheid zijn
geboren, en het enige is wat zij van nature bezitten, het zoeken naar
wat
nuttig en voordelig voor henzelf is,– daaruit volgt:
1.
dat
mensen geloven
dat het voldoende is dat ze, om zich vrij te voelen, iets kunnen willen
en
wensen, zonder zich te bekommeren om de redenen die hen laten willen en
wensen,
omdat zij die niet kennen.
2.
dat
mensen alleen
maar iets doen voor iets, dat zij boven al het andere verkiezen, dat
zij alleen
maar de uiteindelijke redenen van hun daden willen weten en dat zij
zich
verbeelden, dat zij daarna nergens meer aan hoeven te twijfelen. Dat
zij in en
buiten zichzelf vele manieren vinden om te bereiken wat ze van plan
waren.
Omdat zij bijvoorbeeld beseffen, dat ze ogen hebben om te zien, oren om
te
horen, een zon om hen licht te geven, enz., zijn ze tot de conclusie
gekomen,
dat er in de natuur niets bestaat, dat niet voor hen is gemaakt, waar
ze van
kunnen genieten en waarover ze kunnen beschikken. Maar omdat ze weten,
dat zij
niet zelf al die dingen hebben gemaakt, zijn ze gaan geloven dat het
heel
terecht is om een Opperwezen te bedenken, dat schepper van dat alles
is.
Kortom, ze hebben bedacht dat alles wat bestaat het werk is van
één of meer
Godheden. Aan de andere kant dachten ze zelf, omdat de aard van de
goden die de
mensen hadden aangenomen hen onbekend was, dat die goden voor dezelfde
hartstochten ontvankelijk als zijzelf. En omdat de neigingen van de
mensen
verschillend zijn, heeft iedereen voor zijn eigen Godheid een
eredienst, naar
zijn eigen grillen, in het leven geroepen, met de bedoeling om zijn
zegen te
verwerven en daardoor de hele natuur voor zijn eigen verlangens te
laten
dienen.
IV
Zo is het
vooroordeel in bijgeloof veranderd. Het heeft zodanig wortel geschoten,
dat de
mensen zijn gaan geloven, dat de meest onbeschofte personen in staat
zijn om
tot de Eerste Oorzaak door te dringen, alsof zij dus een volmaakte
kennis
zouden hebben. Zo hebben zij ook geloofd, in plaats van dat zij lieten
zien dat
de natuur niets zomaar doet, dat God en de natuur op dezelfde manier
als de
mensen dachten. Terwijl de ervaring hen had geleerd dat een ontelbare
hoeveelheid
rampen, zoals stormen, aardbevingen, ziekten, honger, dorst enz., de
geneugten
van het leven verstoren, schreven zij al die kwaden aan de toorn van de
hemel
toe. Zij geloofden dat de Godheid zich ergerde aan de zonden van de
mensen, die
een dergelijke hersenschim niet uit hun hoofd konden zetten en niet
konden
inzien, ondanks de voorbeelden die hen dag in dag uit lieten zien, dat
de goeden
en de slechten altijd op dezelfde manier goed en kwaad ondergingen, dat
ze zich
in die vooroordelen vergisten. Die dwaling leidde ertoe dat zij,
gedurende al
die eeuwen, gemakkelijker aan hun oorspronkelijke onwetendheid
vasthielden, dan
dat zij een verworven vooroordeel opgaven en tot iets meer voor de hand
liggends besloten.
V
Dit vooroordeel
heeft ze tot een ander geleid, namelijk om te geloven dat de straffen
van God
onbegrijpelijk waren en dat om die reden het vermogen van de menselijke
geest
het kennen van de waarheid te boven ging. Een dwaling waarin wij nog
steeds zouden
verkeren, als de wiskunde, de natuurkunde en enkele andere
wetenschappen die
niet hadden vernietigd.
VI
Er zijn geen
uitgebreide verhandelingen voor nodig om aan te tonen dat de Natuur
geen doel nastreeft,
en dat alle Eerste Oorzaken alleen maar menselijke bedenksels zijn. Het
is
voldoende om te bewijzen dat die leer God de volmaaktheid ontneemt die
aan hem
wordt toegeschreven. Dat zullen wij laten zien.
Als God met een
bedoeling zou handelen, hetzij voor zichzelf, hetzij voor iets anders,
wil hij
iets dat hij niet heeft, en moeten we toegeven dat er tijden zijn
geweest
waarin God niet het doel bezat, waarvoor hij te werk ging. Dan had hij
gewild,
dat hij het zou hebben en daarmee maak je God behoeftig. Maar laten wij
ons bijvoorbeeld,
om niets over te slaan wat aan de redenering van mensen, die een
tegenovergestelde mening delen, kracht bij kan zetten, een steen
voorstellen,
die van een gebouw valt, op iemand terecht komt en hem doodt. Onze
onwetende
zegslieden zeggen dan dat die steen vast gevallen is met de bedoeling
om die
persoon te doden, of dat het alleen maar heeft kunnen gebeuren, omdat
God het
heeft gewild. Als je hen dan antwoordt, dat het de wind was die die
steen heeft
laten vallen, op het moment dat die arme ongelukkige voorbijliep,
vragen ze je
eerst waarom hij juist voorbijliep op het moment dat de wind die steen
in
beweging bracht. Als je hen dan antwoordt, dat hij bij een van zijn
vrienden,
die hem had uitgenodigd, ging eten, willen zij weten waarom die vriend
hem
juist toen had uitgenodigd en niet op een ander moment. Ze zullen je
verder met
een eindeloze hoeveelheid vragen overstelpen en van oorzaak naar
oorzaak
teruggaan om je toe te laten geven, dat alleen de wil van God, de
toevlucht van
de onwetenden, de Eerste Oorzaak van het vallen van die steen is
geweest. Als
zij de bouw van het menselijke lichaam in ogenschouw nemen vallen zij
in zwijm,
en omdat zij voorbijgaan aan de oorzaken van de gevolgen die voor hen
zo
wonderbaarlijk zijn, concluderen zij dat het een bovennatuurlijk
gebeuren is,
waar de oorzaken, die wij kennen, geen enkel deel aan hebben. Dat is de
reden
dat iemand, die de werken van de schepping grondig wil onderzoeken en
in feite
deskundig tot de natuurlijke oorzaken wil doordringen, zonder gebruik
te maken
van de vooroordelen, die door de onwetendheid worden gevormd, voor een
goddeloze doorgaat of al gauw in diskrediet wordt gebracht, door de
kwaadaardigheid van de mensen, die het volk als verklaarders van de
natuur en
de goden beschouwt. Die huurlingen weten heel goed, dat het de
onwetendheid,
die het volk in verwondering houdt, is, die hen laat voortbestaan en
hun gezag
in stand houdt.
VII
De mensen die
dus bezeten zijn van de belachelijke mening, dat alles wat ze zien voor
hen is
gemaakt, hebben er een godsdienstzaak van gemaakt, om alles op zichzelf
te
betrekken en om alles te beoordelen naar het voordeel, dat zij daaraan
kunnen
ontlenen. Daarover hebben zij meningen gevormd, waar zij gebruik van
maken om
de aard van de dingen te verklaren, om over goed en kwaad te oordelen,
over
orde en wanorde, over warm en koud, over schoonheid en lelijkheid,
enz., die in
wezen niet zo zijn als zij zich verbeelden. Zij zijn meesterlijk in het
bedenken
van zulke ideeën en gaan er prat op dat ze vrij zijn. Zij
verbeelden zich, dat
zij het recht hebben om te beslissen over lof en blaam en over goed en
kwaad.
Zij hebben, wat tot hun voordeel strekt en wat de godsdienst betreft,
goed
genoemd en daarentegen kwaad, wat noch bij het een, noch bij het andere
past en
omdat de onwetenden niet in staat zijn om ook maar over iets een mening
te
vormen en geen enkel idee hebben van de dingen, behalve met behulp van
hun
verbeelding, dat zij dan voor een mening houden, vertellen zij ons dat
je niets
over de natuur kunt weten en vormen zij voor zichzelf een eigen
wereldbeeld.
Uiteindelijk geloven ze dat de dingen goed of slecht zijn geregeld,
naar gelang
ze in staat zijn of zich de moeite getroosten, om zich daar een beeld
van te vormen,
als hun zintuigen hen die aanbieden. En omdat ze graag volharden in
zaken die
hun hersenen het minst vermoeien, houden ze zichzelf voor, dat zij heel
terecht
de voorkeur aan orde boven wanorde geven, alsof orde iets anders zou
zijn dan
een zuiver effect van de menselijke verbeelding. Dus beweren dat God
alles
geordend heeft gemaakt, wil zeggen dat hij de wereld ten behoeve van de
menselijke verbeelding heeft geschapen, op een manier die door die
verbeelding
het gemakkelijkst kan worden begrepen. Of, wat in wezen op hetzelfde
neerkomt,
dat de mensen de betekenis en de bedoelingen van al het bestaande vast
zullen
begrijpen, een bewering die zo absurd is, dat het niet de moeite waard
is om
haar te ontzenuwen.
VIII
Wat die andere
denkbeelden betreft: die zijn zuiver het gevolg van dezelfde
verbeelding, hebben
niets reëels en zijn alleen maar andere aandoeningen of manieren,
waartoe die
eigenschap in staat is. Wanneer bijvoorbeeld de bewegingen die de
voorwerpen,
door middel van de ogen, op de zenuwen overbrengen, voor de zintuigen
aangenaam
zijn, zeggen ze dat de voorwerpen mooi zijn. Geuren zijn lekker of
vies, smaken
opvallend of zinnenprikkelend. En aan de hand van die ideeën zijn
er dus mensen,
die geloven dat God van muziek houdt, terwijl anderen geloven dat de
hemelse
bewegingen een harmonieus concert vormen, wat heel goed laat zien, dat
iedereen
zichzelf voorhoudt, dat de dingen zijn zoals hij zich die voorstelt, of
dat de
wereld zuiver denkbeeldig is. Het is dus niet verwonderlijk, dat er
nauwelijks
twee mensen zijn met dezelfde mening en er zelfs mensen zijn, die er
trots op
zijn, dat ze overal aan twijfelen. Want hoewel mensen hetzelfde lichaam
hebben
en zij in veel opzichten allemaal op elkaar lijken, verschillen zij
niettemin
in veel andere opzichten van elkaar. Daaruit volgt dat wat goed voor de
een
lijkt, slecht voor de ander is en wat de een prettig vindt, de ander
als
onprettig ervaart. Daaruit kunnen wij eenvoudig de conclusie trekken,
dat
gevoelens alleen maar van elkaar verschillen op grond van de structuur
en de
verscheidenheid van het naast elkaar bestaan van de dingen, dat het
verstand
daar nauwelijks deel aan neemt en dat de denkbeelden over alles wat er
in de
wereld gebeurt louter het effect van de verbeelding zijn.
IX
Het is dus duidelijk,
dat alle redeneringen waar de mensheid doorgaans gebruik van maakt, als
ze zich
inlaat met het verklaren van de natuur, alleen maar manieren zijn om
zich iets
voor te stellen, en die niets anders kunnen aantonen, dan wat zij zelf
beweren.
Bovendien dat ze aan die ideeën namen geven, alsof die ergens
anders dan in een
bevooroordeeld brein zouden bestaan. Je zou ze dus geen echte dingen,
maar
zuivere hersenschimmen moeten noemen. Wat de argumenten betreft, die op
die
denkbeelden zijn gebaseerd, is het vreselijk eenvoudig om die te
ontzenuwen,
bijvoorbeeld:
Als het waar zou
zijn, zoals ons wordt verteld, dat het Universum een emanatie van de
goddelijke
natuur is, waar komen dan die onvolmaaktheden en fouten vandaan, die
wij kunnen
zien? Die tegenwerping ontkracht zichzelf zonder enige moeite. Je zou
pas over
de volmaaktheid en onvolmaaktheid van een wezen kunnen oordelen, naar
mate je
het wezen en de aard daarvan kent en je vergist je op een merkwaardige
wijze, als
je gelooft dat iets meer of minder volmaakt is naar gelang je iets
prettig of
onprettig vindt, of nuttig of schadelijk voor de menselijke natuur is.
Om de
mensen de mond te snoeren, die vragen waarom God alle mensen niet goed
en
gelukkig heeft geschapen, voldoet het om te zeggen dat alles
noodzakelijkerwijs
is zoals het is en dat in de natuur niets onvolmaakts bestaat, omdat
alles uit
de noodwendigheid der dingen voortvloeit.
X
Ik heb dit dus beweerd
en daarom antwoord ik, als iemand mij vraagt wat God is, dat het woord
voor ons
het alomtegenwoordige Wezen vertegenwoordigt waarin wij, om met Paulus
te
spreken, leven, ons bewegen en zijn. (Hand. 17:28) Die
uitspraak bevat
niets wat God te schande maakt, want als alles God is, vloeit alles
noodzakelijkerwijs uit zijn wezen voort en moet hij vast en zeker zijn
wat hij
omvat, omdat het onbegrijpelijk is dat volstrekt stoffelijke wezens in
stand en
omvat zouden worden gehouden in een wezen dat niet stoffelijk zou zijn.
Die
mening is niet nieuw. Tertullianus, een van de meest wijze mensen die
de
christenen hebben gehad, heeft tegen Apelles gezegd, dat iets dat geen
lichaam
is niet bestaat, en tegen Praxeas, dat al het stoffelijke een lichaam
is (Quis autem negabit Deum
esse corpus, essi Deus Spiritus?
Spiritus etiam corporis sui generis, in sua effigie. Tertull. adv.
Prax. Hfdst.
7) Die leer is echter tijdens de eerste vier oecumenische of algemene
Concilies
niet veroordeeld (De eerste vier Concilies waren: dat van Nicea in 325
n.C.
onder Constantijn en paus Silvester; dat van Constatinopel in 381,
onder Flavius
Gratius, Valentianus I, Theodorus en paus Damasus I; dat van Efese in
431 onder
Theodorus de Jongere en Valentianus II en paus Celestus en dat van
Chalcedon in 451 onder Valentianus II en paus Leo I)
XI
Dat zijn heldere
en eenvoudige ideeën en de enige, die een gezond verstand zich van
God kan
vormen. Toch zijn er maar weinig mensen, die zich met zoiets eenvoudigs
tevreden stellen. Het lompe volk, dat aan de vleierijen van het
verstand is
gewend, vraagt een God, die op wereldse koningen lijkt. Die praal en
pracht,
die hen omringt, verblindt hen zodanig, dat hen de hoop ontnemen dat
zij, na
hun dood, het aantal hemelse hovelingen in aantal zullen doen toenemen,
om
samen met hen van dezelfde geneugten te genieten als aan het Hof van de
Koningen, betekent de mens beroven van de enige troost, die hem in de
ellende
van zijn leven verhindert te gaan wanhopen. Ze zeggen dat er een
rechtvaardige
en wrekende God moet zijn, die straft en beloont. Ze willen een God die
toegankelijk
is voor alle menselijke hartstochten. Ze geven hem voeten, handen, ogen
en
oren, en toch willen ze niet dat een, op die manier samengestelde, God
iets
stoffelijks heeft. Ze zeggen dat de mens zijn meesterstuk is en zelfs
zijn
evenbeeld, maar ze willen niet dat de kopie op het origineel lijkt.
Uiteindelijk vertoont de God van het volk veel meer gedaanten dan de
Jupiter
van de heidenen. Wat er het meest merkwaardig aan is, is dat hoe meer
die
denkbeelden elkaar tegenspreken en het gezonde verstand tegen de borst
stuiten,
hoe meer het volk ze eerbiedigt, omdat het hardnekkig gelooft dat de
Profeten
erover hebben gesproken, hoewel die zieners bij de Hebreeën niet
meer waren dan
de auguren en waarzeggers bij de heidenen. Ze raadplegen de Bijbel,
alsof God
en de Natuur daar op een bijzondere manier worden verklaard, hoewel dat
boek niet
meer dan een samenraapsel is van fragmenten, die in verschillende
tijden zijn
samengebreid, door verschillende personen zijn verzameld en openbaar
zijn
gemaakt na beoordeling door de Rabbijnen, die naar hun eigen fantasie
hebben
besloten wat toegestaan en wat verworpen moest worden, naar gelang zij
vonden
dat het in overeenstemming of strijdig met de Wet van Mozes was (In de
Talmoed staat
dat de Rabbijnen hebben overwogen of zij de boeken van de Profeten en
het boek
Prediker uit de canonieke geschriften zouden moeten verwijderen. Zij
hebben dat
niet gedaan omdat er op een aantal plaatsen lovend over Mozes en zijn
Wet wordt
gesproken. Het boek Ezechiël zou uit de heilige canon zijn
weggelaten, als een bepaalde
kanunnik het niet onder handen had genomen om het met diezelfde Wet in
overeenstemming te brengen.) Zo kwaadaardig en stompzinnig zijn mensen.
Zij
brengen hun leven door met muggenziften en blijven hardnekkig tegen een
boek
opkijken, dat nauwelijks minder chaotisch is dan de Koran van Mohammed,
een
boek, zeg ik je, dat niemand begrijpt, zo duister en onbegrijpelijk is
het. Het
is een boek dat alleen maar verdeeldheid zaait. De joden en de
christenen
raadplegen hun toverboek liever dan ze naar de oorspronkelijke wet
luisteren
die God, dat wil zeggen de Natuur, voor zover zij het beginsel van alle
dingen
is, in het hart van de mensen heeft geschreven. Alle andere wetten zijn
slechts
menselijke verzinsels en louter illusies, die niet door demonen of
kwade
geesten, die alleen maar denkbeeldig bestaan, in het leven zijn
geroepen, maar
door het toedoen van Vorsten en Priesters. De eersten wilden daarmee
meer
gewicht aan hun gezag geven en de anderen wilden zich verrijken met de
verkoop
van een ontelbare hoeveelheid hersenschimmen, die zij voor een goede
prijs aan
de onwetenden sleten.
Alle andere
wetten, die op de Wet van Mozes zijn gevolgd - ik bedoel de geboden van
de
christenen - worden alleen maar door de Bijbel gesteund, waar geen
oorspronkelijke uitgave van bestaat en die bovennatuurlijke en
onmogelijke
zaken bevat, die het heeft over beloningen en straffen voor goede of
kwade
daden, maar die alleen maar gelden voor het leven na de dood, en uit
angst dat
de verlakkerij ontdekt wordt, is er nog nooit iemand teruggekeerd. Zo
wordt het
volk, altijd zwevend tussen hoop en angst, op zijn plicht gedrukt,
doordat het
ervan overtuigd is dat God de mensen heeft geschapen om ze voor eeuwig
gelukkig
of ongelukkig te maken. En dat heeft aanleiding tot een ontelbaar
aantal godsdiensten
gegeven.
HOOFDSTUK
III
WAT HET
WOORD RELIGIE
BETEKENT
EN HOE EN WAAROM DAT, IN ZO
GROTE GETALE,
HAAR INTREDE IN DE WERELD
HEEFT GEMAAKT
I
Voordat het
woord Religie zijn intrede in de wereld deed, hoefde de mensen alleen
maar de
wet van de natuur te volgen, dat wil zeggen, ze moesten zich voegen
naar het
gezonde verstand. Dat aangeboren gevoel was de enige band, die mensen
met
elkaar verbond en die band, hoe eenvoudig die ook was, verenigde hen op
zo’n
manier, dat verdeeldheid nauwelijks voorkwam. Maar vanaf het moment dat
angst
het bange vermoeden in het leven riep, dat er Goden en onzichtbare
Machten in
het spel waren, richtten zij altaren voor die onzichtbare wezens op en,
terwijl
zij het juk van de natuur en de rede van zich afschudden, onderwierpen
zij zich
tegelijkertijd, door middel van holle rituelen en bijgelovige
erediensten aan
de ijdele hersenspinsels van de verbeelding. Daar komt het woord
Religie
vandaan, dat zoveel kabaal in de wereld maakt. Toen de mensen eenmaal
de
onzichtbare Machten hadden toegelaten, die hen volledig in hun macht
hadden,
aanbaden ze die om hen zoet te houden en bovendien bedachten zij dat de
natuur
een wezen was, dat aan die Machten ondergeschikt was. Vanaf die tijd
stelden
zij zich de natuur voor als een dode massa, of als een slaaf die alleen
maar de
bevelen van die Machten opvolgt. Vanaf het moment dat dit onjuiste
denkbeeld
zich in hun geest had genesteld, koesterden ze slechts verachting voor
de
natuur en achting voor die ingebeelde wezens, die zij hun Goden
noemden. Daaruit
is de onwetendheid voortgekomen, waarin zoveel volkeren zijn
ondergedompeld,
een onwetendheid waar echte wijzen hen uit zouden kunnen halen, hoe
diep de
afgrond ook moge zijn, als hun ijver niet doorkruist zou worden door de
mensen
die die blinden leiden en die alleen maar, dankzij hun bedriegerijen,
hun gang
kunnen gaan.
Maar hoewel het
niet erg waarschijnlijk is, dat die onderneming toch slaagt, moet
partij van de
waarheid niet in de steek worden gelaten, al was het alleen maar met
het oog op
de mensen, die zich hoeden voor tekenen van dat kwaad. Er moet een
edelmoedige
geest bestaan, die de dingen vertelt zoals ze zijn. De waarheid, hoe
die er ook
uitziet, kan nooit schadelijk zijn, anders dan de dwaling die, als wat
voor
onschuldig en nuttig kind die zich ook voordoet, noodzakelijkerwijs op
den duur
zeer rampzalige gevolgen moet hebben.
II
De angst die de
Goden in het leven heeft geroepen, heeft ook de religie tot stand
gebracht en,
vanaf het moment dat de mensen in hun hoofd hebben gehaald, dat er
onzichtbare
engelen bestonden, die de oorzaak van hun geluk of ongeluk waren,
hebben zij
afstand gedaan van het gezonde verstand en de redelijkheid, en hebben
zij hun
hersenspinsels als godheden beschouwd, die zich om hun gedrag
bekommerden.
Nadat ze de
Goden hadden verzonnen, wilden zij weten waaruit ze bestonden en
terwijl ze
bedachten dat ze wel uit dezelfde stof als de ziel moesten bestaan,
geloofden
zij dat ze zelf op de hersenschimmen leken, die in de spiegel of
tijdens de
slaap verschijnen. Zij geloofden dat hun Goden echte stoffelijke wezens
waren,
maar zo subtiel en fijnstoffelijk dat zij ze, om ze te onderscheiden
van
Lichamen, Zielen noemden, hoewel die lichamen en zielen eigenlijk
hetzelfde
waren en slechts min of meer van elkaar verschilden, omdat Ziel of
niet-lichamelijk zijn, iets onbegrijpelijks is. De reden daarvan is,
dat elke
ziel een gedaante heeft (zie het citaat van Tertullianus, dat hierboven
is
aangehaald), die bij haar hoort, en die een bepaalde plaats inneemt,
dat wil zeggen,
dat zij begrensd is en daarom een lichaam is, hoe subtiel zij ook wordt
voorgesteld (Zie Hobbes' Leviathan, De Homine Hfdst. 12, pag. 56, 57 en
55.)
III
Toen de
Onwetenden (dat wil zeggen, het grootste gedeelte van de mensen) op die
manier
de aard van de substantie van hun Goden hadden vastgesteld, probeerden
zij
vervolgens te doorgronden op welke manieren die onzichtbare Engelen hun
invloed
uitoefenden. Maar toen zij, vanwege hun onwetendheid, niet in staat
bleken om
dat tot een goed einde te brengen, gingen zij aan hun vermoedens geloof
hechten
en beoordeelden de toekomst blindelings als de voortzetting van het
verleden.
Alsof je redelijkerwijs tot de conclusie kunt komen dat, als iets
vroeger op
een bepaalde manier is gebeurd, het steeds op dezelfde manier zal of
zal moeten
gebeuren, vooral als de omstandigheden en alle factoren die
noodzakelijkerwijs
de gebeurtenissen en daden van de mensen beïnvloeden, en die de
natuur en gang
van zaken bepalen, verschillend zijn. Zij bekijken dus het verleden en
doen,
aan de hand daarvan, juiste of onjuiste voorspellingen voor de
toekomst, naar
gelang eenzelfde onderneming vroeger goed of niet goed is geslaagd. Zo
kozen de
Atheners, nadat Phormion in de slag van Naupacte de Lacaedaimoniers had
verslagen, na zijn dood, een andere aanvoerder met dezelfde naam. Nadat
Hannibal onder de wapenen van Scipio Africanus was bezweken, stuurden
de
Romeinen een andere Scipio (Metellus Scipio) naar dezelfde provincie om
tegen
Caesar te strijden. Maar het leverde zowel voor de Atheners als voor de
Romeinen niets op. Zo hebben verschillende naties, na twee of drie
ervaringen,
hun geluk en ongeluk aan plaatsen, voorwerpen en namen gehecht. Andere
hebben
zich bediend van bepaalde woorden, die zij toverspreuken noemen en die
zij zo doeltreffend
beschouwen, dat zij zich verbeelden dat zij daarmee bomen kunnen laten
praten,
van een stuk brood een mens of een God kunnen maken, en alles wat voor
hun ogen
verschijnt van gedaante kunnen laten veranderen.
IV
Op die manier is
het rijk van de onzichtbare Machten tot stand gekomen en de mensen
vereerden
hen meteen als hun heersers, dat wil zeggen, door middel van tekenen
van
onderwerping en achting, zoals offers, gebeden, enz. Ik zeg meteen,
omdat
de natuur niet heeft geleerd om bij die gelegenheid bloedige offers te
gebruiken.
Die zijn alleen maar bedacht voor het onderhoud van de Offerpriesters
en
Geestelijken, die zijn bedoeld om die denkbeeldige Goden te dienen.
V
De kiem van de
Religie (ik bedoel hoop en angst), bevrucht door hartstochten en
meningen van
verschillenden mensen, heeft dat grote aantal bizarre geloven
opgeleverd, die
de oorzaak van zoveel ellende en zoveel revoluties zijn, die in de
staten voorkomen.
De
eerbetuigingen en grote inkomsten, die aan het Priesterambt en aan de
bediening
van de Goden zijn verbonden, hebben de eerzucht en gierigheid gestreeld
van
doortrapte mensen, die van de domheid van de volkeren hebben
geprofiteerd. Die
zijn zo grondig in de val getrapt, dat zij ongemerkt gewend zijn
geraakt aan
het bewieroken van de leugen en het haten van de waarheid.
VI
Toen de leugen vaste
grond onder de voeten had gekregen en de eerzuchtigen hartstochtelijk
genoten
van het feit, dat zij boven hun gelijken waren uitgetild, probeerden
die een
reputatie te verwerven door te veinzen, dat zij vrienden van de
onzichtbare
Goden waren, waar het volk beducht voor was. Voor een beter resultaat
beschreven ze hen allemaal op hun eigen manier en namen de vrijheid om
ze zo te
vermenigvuldigen, dat je ze om de haverklap tegen kunt komen.
VII
De ongevormde
stof van de wereld werd de God Chaos genoemd. Op dezelfde
manier maakten
ze een God van de Hemel, van de Aarde, van het Vuur, van de Winden en
van de
Planeten. Diezelfde eer verleenden ze aan mannen en vrouwen, vogels,
reptielen,
de krokodil, het kalf, de hond, het lam, de slang en het varken,
kortom, alle diersoorten
en plantensoorten werden aanbeden. Elke rivier en elke bron droeg de
naam van
een God, elk huis had de zijne, elk mens had zijn eigen genius. Tot
slot zat
alles, zowel boven als onder de grond, vol Goden, Geesten, Schimmen en
Demonen.
Het was nog niet genoeg om Goden op de meest onvoorstelbare plaatsen te
bedenken. Ze dachten dat ze, als ze daar geen God aan toekenden, de
tijd
kwetsten, de dag, de nacht, de eendracht, de liefde, de vrede, de
overwinning,
de aandacht, de roest, de eer, de deugd, de koorts en de gezondheid. Ze
dachten
echt dat ze die Godheden dan beledigden, waarvan ze dachten dat die
altijd
klaar stonden om zich op het hoofd van de mensen te storten, als ze
voor hen
geen tempels en altaren hadden opgericht.
Vervolgens
kwamen ze op de gedachte om hun eigen genius te aanbidden, dat sommigen
onder
de naam Muzen aanriepen. Anderen aanbaden, onder de naam
Fortuna, hun
eigen onwetendheid. Die onwetenden heiligden hun losbandigheid in naam
van
Cupido, hun woede in die van de Furiën, hun edele delen in naam
van Priapus. Kortom,
er was niets waar ze niet de naam van een God of een Demon aan hadden
toebedeeld (Hobbes Ubi supra de homine. Hfdst. 12, bldz. 58.).
VIII
De godsdienststichters,
die heel goed wisten dat de basis van hun bedrog de onwetendheid van de
volkeren was, bedachten dat zij dat bedrog konden handhaven door de
verering
van beelden, waarover zij beweerden dat de Goden daarin woonden. Dat
deed op
hun Priesters een gouden regen en Weldaden neerdalen, die de mensen als
heilige
dingen beschouwden, omdat zij ten behoeve van de heilige geestelijken
waren
bestemd en niemand was vermetel of dapper genoeg om daar aanspraak op
te maken,
zelfs niet om ze aan te raken. Om het Volk nog beter te bedriegen,
deden de
Priesters zich voor als Profeten, Zieners en Geïnspireerden, die
in staat waren
om de toekomst te voorzien. Ze beroemden zich er namelijk op, dat ze
omgang met
de Goden hadden. En omdat het vanzelfsprekend is dat mensen hun
bestemming
willen weten, wachtten die bedriegers zich er wel voor om van een
gelegenheid,
die voor hun opzet zo gunstig was, geen gebruik te maken. De ene groep
vestigde
zich in Delos, de andere in Delphi en elders, waar zij, door middel van
dubbelzinnige
orakels, de vragen beantwoordden, die hen werden gesteld. Zelfs vrouwen
bemoeiden zich ermee. De Romeinen namen tijdens grote rampen hun
toevlucht tot
de Sibillijnse Boeken. Gekken gingen voor geïnspireerden door.
Mensen die
beweerden dat een vertrouwelijke omgang met de doden hadden werden
Necromantisten
(dodenbezweerders) genoemd. Anderen beweerden dat zij de toekomst
konden lezen
uit de vogelvlucht of diereningewanden. Uiteindelijk bleken voor hen
ogen,
handen, het gezicht of een bijzonder voorwerp, allemaal goede of
slechte
voortekenen te zijn. Het is in ieder geval zeker, dat de onwetendheid
elke
indruk, die jezelf wilt, opneemt, als je het geheim hebt ontdekt van
hoe je
daar gebruik van kunt maken. (Hobbes' De homine, Hfdst. 12, bldz.
58-59.)
IX
De eerzuchtigen,
die altijd grootmeesters in de kunst van het bedriegen zijn geweest,
hebben die
koers ook gevolgd toen zij de wetten instelden. En om het Volk te
dwingen om
zich daaraan vrijwillig te onderwerpen, hebben zij het doen geloven,
dat ze die
van een God of een Godin hadden ontvangen.
Hoe het ook zij
met die grote hoeveelheid Godinnen, bij de mensen die hen aanbaden en
die
Heidenen worden genoemd, bestond geen algemeen godsdienstsysteem. Elke
Republiek, elke Staat, elke stad en elk individu had zijn eigen
rituelen en
iedereen mijmerde in zijn eigen fantasie over de Godin. Maar later
hebben de
Heidenen zich opgewerkt met behulp van wetgevers die nog grotere
bedriegers
waren dan de eerste, en die nog meer weloverwogen en betrouwbare
middelen gebruikten
bij het instellen van de wetten, erediensten en plechtigheden, die
geëigend
zijn om het fanatisme te voeden, dat zij wilden invoeren.
Onder het grote
aantal godsdiensten heeft Arabië er drie zien ontstaan, die niet
zozeer verschillen
in de wetten en erediensten, die zij hebben ingesteld, maar door het
idee, dat
zij van de Godheid hebben gegeven en door de manier waarop zij te werk
zijn
gegaan om dat idee en hun heilige wetten ingang te doen vinden. Mozes
is de
oudste. Jezus Christus, die later verscheen, borduurde op zijn plan
verder en,
terwijl hij de kern van zijn wetten behield, schafte hij de rest af.
Mohammed,
die als laatste op het toneel verscheen, heeft wat uit de ene en de
andere
Religie gepikt, heeft daar zijn eigen Religie mee samengeflanst en
heeft zich
vervolgens tot vijand van die andere twee uitgeroepen. Laten wij het
karakter
van doe drie wetgevers in ogenschouw nemen en hun gedrag onderzoeken,
ten einde
te kunnen beoordelen welke mensen het beste zijn gefundeerd: zij die
hen
vereren als goddelijke mensen, of zij die hen als schurken of
bedriegers
behandelen.
X
OVER MOZES
De befaamde
Mozes, kleinzoon van een grote Magiër (dit woord moet niet in de
gewone zin van
het woord worden genomen, want wat door geleerden een magiër wordt
genoemd,
betekent eigenlijk een handige man, een kundige charlatan, of een
spitsvondige
goochelaar, wiens hele kunstje bestaat uit behendigheid en
vakkundigheid en
niet uit een pact met de duivel, zoals de meeste mensen geloven)
volgens een
mededeling van Justinus de Martelaar, beschikte over alle gunstige
omstandigheden om te bereiken, wat hij later zou worden. Iedereen weet
dat de
Hebreeën, waar hij de leider van werd, een Herdersvolk waren, dat
de Farao
Osiris in zijn land had opgenomen, naar aanleiding van de diensten die
hij van
een van hen had ontvangen, tijdens een grote hongersnood. Hij gaf hen
een stuk
land in het Oosten van Egypte, in een gebied dat rijk aan weidegronden
was en
derhalve geschikt om hun vee te hoeden. Gedurende bijna tweehonderd
jaar, vermenigvuldigden
zij zich aanzienlijk, deels omdat zij als vreemdelingen werden
beschouwd en
niet verplicht werden om in het leger te dienen, deels door de
voorrechten en
de gunstige omstandigheden van het land, dat Osiris hen had geschonken,
deels
ook omdat een aantal groepen Arabieren zich als broeders bij hen had
aangesloten, omdat zij tot hetzelfde ras behoorden. Hoe het ook zij,
zij namen
zo verbazingwekkend in aantal toe, dat de landstreek Gossen hen niet
meer kon
bergen en zij zich over heel Egypte verspreidden en daarmee Farao
Memnon II een
terechte reden verschaften om te vrezen, dat zij tot gevaarlijke
ondernemingen
in staat waren, in het geval dat Egypte door hun aartsvijanden, de
Ethiopiërs, zou
worden aangevallen (zoals dat destijds maar al te vaak gebeurde). Zo
verplichtte het staatsbelang de Vorst om hen hun voorrechten te
ontnemen en middelen
aan te wenden om hen te verzwakken en te onderwerpen.
Farao Horus II, die
vanwege zijn wreedheid Busiris als bijnaam had, die Memnon opvolgde,
bracht het
plan met de Hebreeën ten uitvoer. Hij wilde zijn nagedachtenis
vereeuwigen door
het oprichten van Piramides en de bouw van de stad Thebe en
veroordeelde de
Hebreeën tot het vervaardigen van bouwstenen, waar de grond van
hun land heel
geschikt voor was. Tijdens die periode van slavernij werd de befaamde
Mozes
geboren, in hetzelfde jaar dat de Farao beval dat alle mannelijke
kinderen van
de Hebreeën in de Nijl moesten worden gegooid, omdat hij zag dat
hij geen
zekerdere manier had om de stam van de vreemdelingen te vernietigen.
Mozes werd
in een mandje, bestreken met pek, dat zijn moeder in het riet aan de
oever van
het water had neergezet, te vondeling gelegd. Het toeval wilde dat
Thermutis,
dochter van Farao Horus, langs die oever ging wandelen en toen zij het
kind
hoorde huilen, zorgde het zo natuurlijke medelijden van haar geslacht
ervoor,
dat zij het wilde redden. Na de dood van Horus, volgde Thermutis hem op
en
Mozes, die aan haar was aangeboden, gaf zij een opvoeding, die passend
was voor
de zoon van de koningin van het destijds meest ontwikkelde en
beschaafde land
van de wereld. Kortom, zeggen dat hij in alle wetenschappen van de
Egyptenaren werd onderricht, en daar is alles mee gezegd. Het
betekent dat
Mozes wordt opgevoerd als de grootste politicus, de meest wijze
filosoof en de
meest befaamd magiër van zijn tijd. Bovendien is het zeer
waarschijnlijk, dat
hij tot de Orde van de Priesters werd toegelaten, die in Egypte waren,
wat de
Druïden in Gallië waren. Mensen die niet op de hoogte zijn
van wat de regering
van Egypte betekende, zullen er misschien niet rouwig om zijn als ze
merken,
dat de befaamde Dynastieën ten einde waren gekomen en het hele
land, dat van
één enkele heerser afhankelijk was geweest, in
verschillende provincies werd opgedeeld,
die niet zo groot waren. De alleenheersers van die landstreken werden
Gouverneurs genoemd en die Gouverneurs behoorden doorgaans tot de
machtige
Priesterorde, die bijna eenderde van Egypte in haar bezit had. De
Koning
benoemde die Gouverneurs en als je de schrijvers moet geloven, die over
Mozes
hebben geschreven, en vergelijkt wat zij hebben gezegd met wat Mozes
over
zichzelf heeft geschreven, kom je tot de conclusie dat hij Gouverneur
van de
landstreek Gossen is geweest en dat hij zijn bevordering aan Thermutis
te
danken had, waar hij ook zijn leven aan verschuldigd was. Zo ging het
met Mozes
in Egypte, waar hij alle tijd had om de zeden van de Egyptenaren en van
zijn
eigen volk, en hun heersende hartstochten en hun neigingen, te
bestuderen
Allemaal kennis waar hij zich later van bediende om tot de revolutie
aan te
zetten, waar hij de gangmaker van was.
Na de dood van
Thermutis, hernieuwde haar opvolger de vervolging van de Hebreeën,
en Mozes,
die uit de gunst was gevallen en bang was, omdat hij een aantal moorden
die hij
had gepleegd, niet kon rechtvaardigen, besloot om te vluchten. Hij trok
zich
terug in Arabia Petrea, dat aan Egypte grensde. Toeval bracht hem bij
het hoofd
van een van de stammen van het land, en de diensten die hij leverde en
de
talenten die zijn meester bij had opgemerkt, zorgden ervoor dat hij bij
hem in
de gunst kwam en dat hij een van zijn dochters kon huwen. Het is
raadzaam om
hier op te merken dat Mozes zo’n slechte jood was, en destijds zo
weinig wist
van de geduchte God, die hij later bedacht, dat hij een
afgodendienaarster
huwde en niet eens aan het besnijden van zijn eigen kinderen dacht.
Het was in de
woestijnen van dat Arabië dat hij, terwijl hij de kudden van zijn
schoonvader
en schoonbroer weidde, het plan opvatte om zich op het onrecht, dat de
Koning
van Egypte hem had aangedaan, te wreken, door onrust en oproer in het
hart van
zijn land te brengen. Hij verbeeldde zich dat hij daar eenvoudig in kon
slagen,
zowel dankzij zijn talenten, als door de toestand, waarvan hij wist dat
hij die
in zijn land zou aantreffen, dat al door de slechte behandeling
waaronder zij
door de regering moesten lijden, in onrust verkeerde.
Uit het verhaal
dat over die revolutie, of in ieder geval uit hetgeen de schrijver van
de
boeken die aan Mozes worden toegeschreven, is overgeleverd, blijkt dat
Jethro,
zijn schoonvader, deel van de samenzwering uitmaakte, net als zijn
broer Aäron
en zijn zuster Maria, die in Egypte was achtergebleven en met wie hij
ongetwijfeld een briefwisseling had onderhouden.
Hoe het ook zij,
je kunt uit het verloop opmaken dat hij een uitgebreid plan met
geschikte
intriges had opgesteld, en dat hij alles wat hij had geleerd tegen
Egypte in
stelling wist te brengen, ik bedoel zijn zogenaamde Magie, waarin hij
spitsvondiger en meer bedreven was dan al degenen, die dezelfde
goochelkunstjes
aan het Hof van de Farao uitvoerden.
Door die
zogenaamde wonderen won hij het vertrouwen van de mensen van zijn volk,
die hij
in opstand bracht, en bij wie zich de oproerkraaiers en ontevreden
Egyptenaren,
Ethiopiërs en Arabieren voegden. Hij ging prat op de macht van
zijn Godheid en de
veelvuldige gesprekken die hij met hem had en die hij bij alle
maatregelen, die
hij met de leiders van de revolutie nam, als bemiddelaar liet optreden.
Uiteindelijk
overtuigde hij hen zo goed, dat zij hem met een aantal van
zeshonderdduizend
strijders, zonder vrouwen en kinderen, volgden, dwars door de
woestijnen van
Arabië, waar hij alle zijwegen kenden. Na een voettocht van zes
dagen schreef
hij zijn volgelingen, tijdens een hachelijke terugtocht, voor, dat zij
de
zevende dag, in de vorm van een algemene rustdag, aan zijn God moesten
wijden,
met het doel hen te laten geloven, dat God hem begunstigde en dat hij
met zijn
leiderschap instemde, en tot slot, dat niemand het lef moest hebben om
hem
tegen te spreken.
Er is nog nooit
een volk geweest dat onwetender was dan de Hebreeën, en dus nog
bijgeloviger. Om
je te overtuigen van die vreselijke onwetendheid, hoef je alleen maar
te
bedenken in wat voor toestand dat volk in Egypte verkeerde, toen Mozes
het in
opstand liet komen. Het werd door de Egyptenaren gehaat vanwege zijn
werk als
veehoeders, vervolgd door de heerser, en gebruikt voor het meest
smerige werk.
Het was voor Mozes, temidden van een dergelijke bevolking, niet
moeilijk om
zijn talenten te benutten. Hij liet hen geloven dat zijn God (die hij
soms
gewoon een Engel noemde), de God van hun Vaderen, aan hem was
verschenen. Dat
het op zijn bevel was, dat hij de verantwoordelijkheid op zich nam om
hen te
leiden. Dat hij hem had uitgekozen om hen te besturen en dat zij voor
die God
het uitverkoren Volk waren, mits zij geloofden in wat hij uit zijn naam
zei.
Door slim gebruik te maken van zijn invloed en de kennis die hij van de
natuur
had, zette hij zijn vermaningen kracht bij en versterkte wat hij hen
vertelde
met wat men wonderen noemt en die altijd in staat zijn om op een
stompzinnige
bevolking veel indruk te maken.
Je zou bovenal op
kunnen merken, dat hij dacht dat hij een zekere manier had gevonden om
de
Hebreeën zijn bevelen te laten gehoorzamen, door hen te laten
geloven dat God
zelf hun leider was, ’s nachts in de gedaante van een kolom vuur, en
overdag in
de gedaante van een wolk. Maar je kunt ook aantonen dat dit de meest
grove
schurkenstreek was van die bedrieger. Tijdens zijn verblijf in
Arabië, had hij,
omdat dat land uitgestrekt en onbewoond was, geleerd dat het de
gewoonte was
van mensen die in groepen reisden, dat ze gidsen in dienst namen om hen
te
leiden, ‘s nachts door middel van een vuurkolom, die alle deelnemers
aan de
karavaan konden zien, zodat zij niet konden verdwalen. Die gewoonte is
bij de Meden
en Perzen nog steeds in gebruik. Mozes bediende zich daar ook van en
liet het
voor een wonder en als een teken van de bescherming door zijn God,
doorgaan.
Als je me niet gelooft als ik zeg dat het een schurkenstreek is, moet
je Mozes
zelf maar geloven, die in het 10e hoofdstuk van het boek
Numeri (29-34),
aan zijn zwager Hobad vraagt om met de Ismaëlieten mee te gaan, om
hen de weg
te wijzen, omdat hij de streek kende. Dat is tekenend, want hadden zij,
als het
echt God was, die dag en nacht, als een wolk of als een vuurkolom, voor
Israël
uit liep, dan een betere gids kunnen hebben? Toch is het Mozes die zijn
zwager
met de meest dwingende redenen aanspoort om hen tot gids te dienen,
want de
wolk en de vuurkolom waren alleen maar God voor het volk en niet voor
Mozes.
Deze arme
ongelukkigen, verrukt door het feit dat de Meester van de Goden zich
over hen
had ontfermd bij het ontkomen aan een wrede slavernij, juichten Mozes
toe en
zwoeren dat zij hem blind zouden gehoorzamen. Toen zijn gezag was
bekrachtigd,
wilde hij dat blijvend maken, en onder het bedrieglijke voorwendsel dat
hij een
eredienst voor die God, waarvan werd gezegd dat hij daar de helper van
was,
wilde instellen, benoemde hij eerst zijn broer en zijn kinderen tot
hoofden van
het Koninklijk Paleis. Dat wil zeggen, van de plek die hij geschikt had
gevonden om orakels te laten plaatsvinden, buiten het zicht en de
aanwezigheid
van het volk. Vervolgens ging hij door met hetgeen altijd in nieuwe
nederzettingen in praktijk wordt gebracht, namelijk het verrichten van
wonderen,
waardoor de eenvoudigen werden verbijsterd en sommigen bedwelmd, wat
weer het
medelijden opwekte van mensen die scherpzinnig waren en die door die
bedriegerijen heenkeken.
Hoe geslepen het
ook was wat Mozes deed, hij zou heel wat moeite hebben moeten doen om
te zorgen
dat de mensen hem gehoorzaamden, als hij niet de macht in handen had
gehad. Een
schurkenstreek zonder wapens lukt zelden.
Ondanks het
grote aantal bedrogenen, die zich blind aan de wil van die slimme
wetgever
onderwierpen, waren er mensen die voldoende stoutmoedig waren om hem
zijn
onoprechtheid voor de voeten te werpen, door hem te vertellen dat hij,
onder de
valse voorwendselen van rechtvaardigheid en gelijkheid, zich overal
meester van
had gemaakt. Dat hij niet langer het recht had om aanspraak te maken op
het
oppergezag, dat hij aan zijn familie had toegekend, en dat hij eerder
een Tiran
dan de Vader van het volk was. Maar in dergelijke gevallen vernietigde
Mozes,
die door en door een tacticus was, die krachtige personen en hij
spaarde
niemand, die zijn regering afkeurde.
Met dergelijke
voorzorgen en door lijfstraffen altijd te kleuren met de goddelijke
wraak,
regeerde hij als een absolute Despoot. En om op dezelfde manier te
eindigen als
hij was begonnen, dat wil zeggen achterbaks en als bedrieger, wierp hij
zich in
een kloof, op een eenzame plek, waar hij zich van tijd tot tijd had
teruggetrokken, onder het mom dat hij daar heimelijk met God
beraadslaagde, ten
einde daardoor de achting en onderwerping van zijn onderdanen te
verwerven.
Overigens wierp hij zich in die afgrond, nadat hij al een hele tijd
voorbereidingen had getroffen, om er voor te zorgen dat zijn lichaam
niet zou
worden gevonden en de mensen zouden geloven dat God hem tot zich had
genomen,
om hem tot zijn evenbeeld te maken. Hij was niet vergeten dat de
nagedachtenis
van de Patriarchen, die hem waren voorgegaan, in grote ere werd
gehouden,
hoewel de mensen hun graven hadden ontdekt, maar dat was onvoldoende om
zijn
eerzucht te bevredigen. Zou moesten hem als een God vereren, op wie de
dood
geen greep had. Dat sloeg ongetwijfeld op wat hij in het begin van zijn
heerschappij had gezegd: dat hij door God was aangesteld om de God
van de
Farao te zijn. Elia (Koningen 2) gaf hem het voorbeeld. Ook
Romulus,
(Romulus verdronk zichzelf in het moeras van Cheres, en men geloofde
dat zijn
lichaam, dat nooit werd gevonden, ten hemel was opgenomen en
vergoddelijkt
was), Zalmoxis en alle anderen die zo gek zijn geweest om te verdwijnen
om hun
naam te vereeuwigen, hebben het moment van hun overlijden verborgen om
de
mensen te laten geloven dat ze onsterfelijk waren.
XI
Om naar de
wetgevers terug te keren: er is er niet één geweest die
zijn wetten (zie
Hobbes, Leviathan, De Homine, Hfdst. 12, bldz. 59 en 60) niet van een
of andere
Godheid hebben laten afkomen, en die de mensen niet heeft laten
geloven, dat
hij zelf meer was dan de eenvoudige stervelingen. Numa Pompilius, die
de zegeningen
van de eenzaamheid had geproefd, had er moeite mee om die op te geven,
hoewel
dat was om de troon van Romulus te bestijgen, maar toen hij met
openbaar
gejuich daartoe werd gedwongen, maakte hij gebruik van verering van de
Romeinen
en gaf hen te verstaan dat hij met de Goden beraadslaagde, en als zij
hem persé
als hun Koning wilden, moesten zij besluiten om hem blind te
gehoorzamen en de
goddelijke wetten en aanwijzingen, die hem door de nimf Egeria waren
ingegeven,
stipt in acht nemen. (Livius, Boek II, hfdst. 21, vermeldt dat er een
heilig
bos bestond, waar een eeuwige rivier doorheen stroomde, die in een
donkere grot
ontsprong, waarin Numa doorgaans de Godin ontmoette, die hem
aanwijzingen voor
zijn politieke en religieuze instellingen gaf.)
Alexander de
Grote was niet minder ijdel. Niet tevreden met de wereldheerschappij,
wilde hij
dat de mensen geloofden dat hij de zoon van Jupiter was. Perseus
beweerde ook
dat hij zijn geboorte aan dezelfde God had te danken en aan de maagd
Danaë. Plato
beschouwde Apollo als zijn vader, die hem bij een maagd had verwekt. Er
zijn
nog veel meer andere personen geweest, die aan dezelfde gekte leden.
Ongetwijfeld geloofden al die grote mensen die droombeelden, die waren
gebaseerd op het geloof van de Egyptenaren, die beweerden dat de
Goddelijke
geest gemeenschap met een vrouw kon hebben en haar zwanger kon maken.
XII
OVER
JEZUS CHRISTUS
Jezus Christus, die
zowel op de hoogte was van de leerspreuken als van de wetenschap van de
Egyptenaren, bracht die mening in omloop. Hij vond dat die wel in zijn
kraam te
pas kwam. Hij bedacht hoe beroemd Mozes was geworden, hoewel hij alleen
maar
het bevel over een volk van onwetenden voerde, en nam zich voor om op
die basis
voort te bouwen en kreeg voor elkaar dat een aantal idioten hem
volgden, die
hij wijsmaakte dat de Heilige geest zijn vader was, en dat zijn moeder
een
maagd was. Die goedzakken, die gewend waren om zich tevreden te stellen
met
dromen en gemijmer, maakten zich die meningen eigen en geloofden alles
wat hij
wilde, temeer omdat een dergelijke geboorte voor hen niet echt zoiets
wonderbaarlijks was.
Dus uit een
maagd geboren worden door toedoen van de Heilige Geest, is niet
uitzonderlijker
of wonderbaarlijker dan wat de Tartaren over hun Djengis Khan
vertellen, die ook
een maagd als moeder had. De Chinezen zeggen dat de God Foé de
dag aan een
Maagd had te danken, die door de stralen van de zon was bevrucht.
Dit wonder
gebeurde in de tijd dat de joden hun Goden zat waren, zoals zij dat ook
hun
rechters waren geweest (Samuël, 8. De Israëlieten, ontevreden
over de kinderen
van Samuël, vroegen om een Koning) en wilden, net als de andere
volkeren, een
zichtbare God hebben. Omdat het aantal dwazen eindeloos is, vond Jezus
Christus
overal volgelingen, maar omdat zijn verregaande armoede een
onoverkoombare
hindernis voor zijn promotie was (Jezus Christus kwam uit de sekte van
de
Farizeeërs, dat wil zeggen de armoedigen, die het volstrekt
tegenovergestelde
waren van de Sadduceeën, die de sekte van de Rijken vormden. Zie
de Talmoed),
de Farizeeën, die nu eens zijn bewonderaars waren en dan weer
jaloers op zijn
vermetelheid, ontmoedigden hem of beurden hem op, naar gelang de
wispelturige
stemming van de bevolking. Er kwamen geruchten over zijn Goddelijkheid
in
omloop, maar omdat hij geen macht had, werd het onmogelijk dat zijn
opzet zou
slagen. De paar zieken die hij had genezen en de paar zogenaamde doden
die hij
had opgewekt, maakten hem geliefd, maar omdat hij geen geld en geen
legermacht tot
zijn beschikking had, moest hij wel het onderspit delven. Als hij over
die twee
middelen had beschikt, had hij evenveel succes gehad als Mozes en
Mohammed, of
als alle mensen die zo eerzuchtig waren om zich boven de anderen te
verheffen.
Al was hij ongelukkiger, hij was niet minder slim en een aantal
episodes in
zijn geschiedenis laten zien dat de grootste fout in zijn beleid is
geweest,
dat hij onvoldoende voor zijn eigen veiligheid heeft gezorgd. Verder
vind ik
niet dat hij zijn maatregelen slechter heeft getroffen dan de anderen.
Zijn wet
is in ieder geval de geloofsleer geworden van de volkeren, die er prat
op gaan
dat ze de meest wijzen ter wereld zijn.
XIII
OVER HET
BELEID VAN JEZUS
CHRISTUS
Bestaat er
bijvoorbeeld iets dat scherpzinniger is dan het antwoord van Jezus naar
aanleiding van de vrouw, die op overspel was betrapt? In plaats van dat
hij de
joden, die hem hadden gevraagd of zij die vrouw moesten stenigen,
ontkennend op
die vraag antwoordde, waardoor hij in de valstrik zou lopen die zijn
vijanden
voor hem hadden gespannen, omdat het rechtstreeks tegen de wet inging
en het bevestigende
antwoord hem zou beschuldigen van hardheid en wreedheid, wat de geesten
tegen
hem ingenomen zou hebben, in plaats dus van te antwoorden zoals een
gewone man
zou hebben gedaan, zei hij: wie van u zonder zonden is, werpe het
eerst de
steen. (Joh. 8:7) Een slim antwoord, dat heel goed zijn
tegenwoordigheid
van geest laat zien. Een andere keer, toen hem werd gevraagd of het was
toegestaan om belasting aan de Keizer te betalen, ontweek hij het
probleem en
antwoordde, terwijl hij naar de beeltenis van de keizer keek op het
geldstuk
dat zij hem toonden, geeft dan de keizer wat des keizers is (Matth.
21:22).
Het
probleem
bestond uit het feit, dat hij zich zou schuldig
maken aan
majesteitsschennis, als hij ontkende dat het was toegestaan, en dat
hij, als
hij zei dat er moest worden betaald, de wet van Mozes verwierp, waarvan
hij
plechtig had verklaard dat hij nooit zo’n wet zou maken, maar toen hij
dacht nog
dat hij ongetwijfeld veel te zwak was om dat ongestraft te doen, maar
als hij
beroemder zou zijn, zou hij die bijna volledig verwerpen. Hij deed
zoals de
Vorsten, die, als hun macht nog niet is gevestigd, altijd beloven dat
zij de
voorrechten van hun onderdanen zullen bekrachtigen, maar die zich, als
zij aan
de macht zijn gekomen, er niet om bekommeren om zich aan hun beloften
te
houden.
Opnieuw vermeed
hij een valstrik die de Farizeeën voor hem hadden gespannen, toen
zij hem
vroegen op welk gezag hij zich met het prediken en onderrichten van het
volk
bemoeide. Jezus Christus had hun plannetje door, dat alleen maar was
bedoeld om
hem op een leugen te betrappen, of hij nou antwoordde, dat het op
menselijk gezag
was, omdat hij niet bij het Priestercollege behoorde, dat alleen met
het
onderricht van het volk was belast, of antwoordde dat hij er zich op
beroemde
dat op uitdrukkelijk bevel van God predikte, terwijl zijn leer haaks op
de Wet
van Mozes stond. Hij redde zich eruit door henzelf in verlegenheid te
brengen
en hen te vragen uit wiens naam Johannes had gedoopt. De
Farizeeën, die zich
strategisch tegen het doopsel van Johannes verzetten, zouden zichzelf
veroordelen als zij zouden toegeven dat het uit naam van God was. Als
zij het
niet zouden toegeven, zouden zij zich aan de woede van het volk
blootstellen,
dat het tegenovergestelde geloofde. Om zich uit die moeilijke situatie
te
redden, antwoordden zij dat zij het niet wisten, waarop Jezus
antwoordde dat
hij zich dan niet verplicht voelde om hen te vertellen waarom en uit
wiens naam
hij predikte.
XIV
Dat waren de
nederlagen van de vernietiger van de oude Wet en de vader van de nieuwe
godsdienst,
die op de puinhopen van de oude werd gebouwd, waar een onbevangen geest
niets
goddelijkers in vindt dan in de Godsdiensten die eraan vooraf zijn
gegaan. De
stichter ervan, die niet geheel onwetend was, en de buitengewone
verdorvenheid
van de republiek der joden zag, vond dat zij op haar einde liep en
dacht dat er
een andere uit haar as zou oprijzen.
De angst dat hij
door mensen, die nog slimmer waren dan hijzelf, zou worden
tegengehouden, maakte
dat hij zich haastte om dat nieuwe rijk te vestigen op een manier die
tegenovergesteld aan die van Mozes was. Die begon door zich
afschrikwekkend en
geducht voor andere volkeren te maken. Jezus Christus daarentegen trok
ze aan,
door de hoop op de voordelen van een ander leven dat zij konden
verkrijgen,
zoals hij zei, als ze hem geloofden. Terwijl Mozes alleen maar
tijdelijke
goederen beloofde aan de mensen die zijn Wet in acht namen, gaf Jezus
Christus hoop
waar nooit een einde aan kwam. De wetten van de een keken alleen maar
naar de
buitenkant, die van de ander keken naar de binnenkant,
beïnvloedden de
gedachten en gingen in alles tegen de wet van Mozes in. Daaruit volgt
dat Jezus
Christus, samen met Aristoteles, geloofde dat het met de Godsdienst en
de
Staten hetzelfde gaat als met alle individuen die ontstaan en
vervolgens ontaarden.
En omdat alles voortkomt uit iets dat al bedorven is, wijkt geen enkele
wet
voor een andere, die daar niet volledig tegenovergesteld aan is. Of,
omdat
mensen moeite hebben met de beslissing om de ene wet door een andere te
vervangen en omdat het merendeel van de mensen moeilijk in beweging is
te
krijgen, als het om de Religie gaat, heeft Jezus Christus, in navolging
van andere
vernieuwers, zijn toevlucht tot wonderen genomen, die altijd het
struikelblok
van de onwetenden en het toevluchtsoord van eerzuchtige slimmeriken
zijn
geweest.
XV
Toen het
Christendom zich had gevestigd, bedacht Jezus Christus heel slim om
voordeel te
trekken uit de tekortkomingen in het beleid van Mozes en om de Nieuwe
Wet dus
eeuwig te maken, een opzet die misschien buiten zijn verwachtingen lag.
De
Profeten van de Hebreeën dachten dat ze Mozes een eer bewezen door
een opvolger
te voorspellen, die op hem zou lijken, dat wil zeggen een Messias,
groot in
deugd, rijk aan bezittingen, en afschrikwekkend voor zijn vijanden.
Toch hebben
hun Profeten een averechts effect gehad, omdat een groot aantal
eerzuchtigen
van de gelegenheid gebruik hebben gemaakt om zich voor de aangekondigde
Messias
te laten doorgaan, wat weer revoluties heeft teweeggebracht, die hebben
voortgeduurd tot aan de volledige vernietiging van de oude Republiek
van de
Hebreeën. Jezus Christus, die veel slimmer was dan de
Mozaïsche profeten, in
het al vooraf in diskrediet brengen van de mensen, die tegen hem in
opstand
kwamen (Matth. 24:4-5-24-25-26, Thess. 2:3-10 en Joh. 2:11-18) heeft
voorspeld,
dat zo iemand de grootste vijand van God zou zijn, een vergaarbak van
alle
ondeugden en de verwoesting van de wereld.
Na zo’n fraaie
lofprijzingen, bleek dat niemand in de verleiding kwam om zichzelf de Antichrist
te noemen, en ik denk niet dat hij een beter geheim
had
kunnen vinden om
een wet te vereeuwigen, hoewel niets ongeloofwaardiger is dan alles wat
ze over
die zogenaamde Antichrist hebben uitgekraamd. Paulus zegt over zijn
bestaan (2
Thess. 11:7), dat hij al was geboren en dus al bestond aan de vooravond
van de
komst van Jezus Christus. Toch zijn er al 1660 jaren verstreken sedert
de
voorspelling van de geboorte van die geduchte figuur, zonder dat iemand
hem
heeft horen spreken. Ik geef toe dat sommigen die woorden op Ebiron en
Cerinthus hebben toegepast, twee grote vijanden van Jezus Christus, die
zijn
zogenaamde Goddelijkheid bestreden. Maar je kunt ook zeggen dat, als
die uitleg
overeenkomt met de mening van de Apostelen, wat volstrekt
ongeloofwaardig is,
die woorden in elke eeuw een eindeloos aantal Antichristen kunnen
aanwijzen, omdat
er geen echte geleerden zijn die denken dat ze de waarheid kwetsen als
ze
zeggen dat het verhaal van Jezus Christus een verachtelijk fabeltje is
en dat
zijn wet een samenraapsel is van droombeelden, dat door onwetendheid in
zwang
is gekomen, dat in stand wordt gehouden door eigenbelang en beschermd
wordt
door tirannie.
XVI
Toch wordt
beweerd dat een Religie, die op een zo zwakke basis berust, goddelijk
en
bovennatuurlijk is, alsof ze niet weten dat er geen mensen bestaan die
meer
geschikt zijn om de meest absurde praatjes in omloop te brengen dan
vrouwen en
dwazen. Het is dus niet verwonderlijk dat Jezus Christus geen geleerden
in zijn
gevolg telde. Hij wist namelijk heel goed dat zijn Wet niet met het
gezonde
verstand te rijmen viel. Dat is ongetwijfeld de reden dat hij zo vaak
tegen de
geleerden tekeer ging, die hij van zijn Koninkrijk, waarin hij alleen
de armen
van geest, de eenvoudigen en de idioten toeliet, uitsloot. Redelijke
mensen
moesten zich troosten met het feit dat zij met waanzinnigen niet te
delen
hadden.
XVII
Wat de zedenleer
van Jezus Christus betreft, zie je daar niets goddelijks in, waardoor
zij de
voorkeur zou verdienen boven de geschriften van de Ouden, of liever,
alles wat
je ziet is daaraan ontleend of nagemaakt. Augustinus (Belijdenissen,
Boek 7,
Hfdst. 9, vers 20) geeft toe dat hij in een aantal van hun geschriften
het hele
begin van het Evangelie van Johannes heeft gevonden. Voeg daaraan toe
dat je
kunt merken dat die Apostel zo gewend was om de geschriften van anderen
te
plunderen, dat het voor hem geen probleem was om de Profeten hun
mysteries en
visioenen te ontfutselen om daar zijn Apocalyps mee in elkaar te
zetten. Daar
komt bijvoorbeeld de overeenkomst vandaan tussen de leer van het Oude
en het
Nieuwe Testament en de geschriften van Plato. En hebben de Rabbijnen en
de
mensen die de schriften hebben samengesteld soms niet ook die grote man
geplunderd? Het ontstaan van de wereld is in zijn Timaeus veel
aannemelijker
dan in het boek Genesis. Toch kun je niet zeggen dat dat is ontleend
aan wat
Plato tijdens zijn reis naar Egypte in de joodse boeken heeft gelezen.
Volgens
een verslag van Augustinus (Belijdenissen, Boek 7, Hfdst. 9, vers 20)
had
Koning Ptolemaeus die nog niet laten vertalen toen die filosoof daar
rondreisde.
De beschrijving
van het land die Socrates in zijn Phaedo aan Simias geeft, is oneindig
veel
bekoorlijker dan het Aardse Paradijs en de mythe van de Androgynen (zie
in het
Feestmaal van Plato, de rede van Aristofanus) is onvergelijkbaar
knapper
bedacht dan alles wat wij in Genesis kunnen lezen als het gaat over het
nemen
van een rib van Adam om daar een vrouw van te maken, etc. Bestaat er
soms iets
dat meer overeenkomst vertoont dan de twee vuurzeeën van Sodom en
Gomorrha met
de brand die Phaeton veroorzaakte? Bestaat er iets dat meer op elkaar
lijkt dan
de val van Lucifer en die van Vulcanus, of die van de Giganten die door
de
bliksem van Jupiter werden vernietigd? Wat vertoont meer gelijkenis dan
Samson
en Hercules, Elia en Phaeton, Jozef en Hippolitus, Nebukadnezar en
Lycaon,
Tantalus en gekwelde rijkaard (Luc. 16:19), het manna van de
Israëlieten en het
ambrozijn van de Goden? Augustinus (De Stad van God, Boek 1, Hfdst.
14), de
heilige Cyrillus en Theophylactus vergelijken Jonas, die de bijnaam
Trinoctius
had omdat hij drie dagen en nachten in de buik van de walvis verbleef,
met
Hercules.
De rivier van
Daniël, waar hij het in hoofdstuk 8:2 van zijn boek over heeft, is
een
duidelijke imitatie van de Periphlegeton, waarover in de dialoog over
de
onsterfelijkheid van de ziel wordt gesproken. De erfzonde is ontleend
aan de
Doos van Pandora, het offer van Isaak en Jephte aan dat van Iphigenea,
maar die
werd vervangen door een hinde. Wat over Lot en zijn vrouw wordt verteld
komt
volledig overeen met wat het verhaal ons over Baucis en Filemon
vertelt. De
geschiedenis van Bellopheron is de basis van die van de heilige
Michaël en de
draak die hij verslaat. Kortom, de schrijvers van de Schrift hebben
bijna woord
voor woord de werken van Hesiodus en Homerus overgeschreven.
XVIII
Wat Jezus
Christus betreft, toont Celsus, zoals Origenes (Boek 6, Contra Celsus)
meedeelt,
aan, dat hij zijn meest fraaie uitspraken aan Plato heeft ontleend.
Zoals die
over een kameel, het is gemakkelijker dat een kameel gaat door het
oog van
een naald, dan date en rijke het Koninkrijk Gods binnengaat (Matth.
19:24).
Het
was
eigen
aan de sekte van de Farizeeërs, waar hij toe
behoorde, dat de
mensen die in hem geloofden, moesten geloven in de onsterfelijkheid van
de
ziel, de opstanding, de hel en het grootste gedeelte van zijn
zedenleer, maar
ik kan niets ontdekken dat niet in de zedenleer van Epictetus, Epicurus
en een
groot aantal anderen staat. De laatste wordt aangehaald door
Hiëronymus (Boek
2, tegen Jovinus, Hfdst. 8) als een man die zo deugdzaam was dat hij de
beste
christenen beschaamd deed staan en die zo’n bescheiden leven leidde,
dat zijn
meest uitgebreide maaltijd uit een beetje kaas, brood en water bestond.
Die
filosoof zei, hoewel hij een echte heiden was, dat het met zo’n sober
leven
belangrijker was om ongelukkig en verstandig te zijn, dan rijk,
weelderig, en
dwaas. Hij voegde daaraan toe dat het zelden voorkomt dat geluk en
wijsheid in
dezelfde persoon gelijktijdig aanwezig zijn, en dat je niet gelukkig
kunt zijn
of tevreden kunt leven, tenzij je gelukzaligheid wordt vergezeld door
bedachtzaamheid, rechtvaardigheid en eerlijkheid, die de eigenschappen
zijn, van
waaruit de ware en bestendige vreugde voortspruit.
Wat Epictetus
betreft, denk ik niet dat er ooit iemand is geweest, Jezus Christus
niet
uitgesloten, die standvastiger, ingetogener, en gelijkmatiger is
geweest en in
de praktijk een meer verheven zedelijkheid heeft betracht dan hij. Ik
vertel
niets dat ik niet eenvoudig zou kunnen aantonen, als ik hier plaats
voor zou
hebben, maar uit angst dat ik de mij gestelde grenzen overschrijd, geef
ik van
de goede daden uit zijn leven maar een enkel voorbeeld van de
standvastigheid,
die de zwakte en lafheid van Jezus, oog in oog met de dood, in de
schaduw
stelt. In de tijd dat hij slaaf van een vrijgelatene was, die
Epafroditus
heette en aanvoerder van de lijfwacht van Nero was, haalde die bruut
het in
zijn hoofd om het been van Epictetus te verdraaien. Epictetus die
merkte dat
hij dat leuk vond, zei glimlachend tegen hem, dat hij heel goed begreep
dat het
pas was afgelopen als hij zijn been had gebroken. En dat gebeurde zoals
hij het
had voorspeld. "Nou," ging hij met een onbewogen gezicht en
lachend verder, “had ik niet gezegd dat u mijn been zou breken?” Is
er
ooit
een
dergelijke
standvastigheid vertoond? En kun je zeggen dat
Jezus
Christus zover is gegaan? Die huilde en beefde van angst bij de minste
waarschuwing die hij kreeg en tijdens zijn sterven spreidde hij een
volstrekt
verachtelijke lafhartigheid ten toon, die je bij zijn martelaren niet
ziet.
Ik ben ervan
overtuigd dat wij, als de tand des tijds ons niet van het boek had
beroofd, dat
Arrius over het leven en de dood van deze filosoof had geschreven, nog
heel wat
andere voorbeelden van zijn geduld hadden kunnen zien. Ik twijfel er
niet aan
dat ze van die daad zullen zeggen, wat de priesters over de deugden van
de Filosofen
zeggen, namelijk dat het een deugd is waaraan ijdelheid ten grondslag
ligt en
die in werkelijkheid niet is wat het lijkt. Maar ik weet heel goed dat
mensen
die dat zeggen, juist de mensen zijn die op de kansel alles zeggen, wat
hen
voor de mond komt en die geloven dat ze het geld, dat hen wordt gegeven
om de
mensen te onderrichten, echt hebben verdiend, als zij tekeer zijn
gegaan over
de enige mensen die weten wat gezond verstand en de ware deugd is.
Zoveel is
zeker, dat niets ter wereld zo weinig de zeden van de echte wijzen
benadert,
als het doen en laten van de bijgelovige mensen, die ze afkammen. Het
lijkt
alsof ze alleen maar hebben gestudeerd om een baan te krijgen die hen
brood
verschaft. Ze zijn ijdel en juichen als ze een baan hebben gekregen,
alsof ze
een toestand van volmaaktheid hebben bereikt, hoewel het voor de mensen
die het
lukt alleen maar een toestand van ledigheid, hoogmoed, losbandigheid en
wellust
is, waarin het merendeel alleen maar de regels van de Religie volgt,
die zij
belijden. Maar laten we die mensen, die geen enkel benul hebben van de
echte
deugd, maar vergeten en overgaan tot het onderzoeken van de
Goddelijkheid van
hun Meester.
XIX
Nu we het beleid
en de zedenleer van Jezus Christus hebben onderzocht, waarin je niets
vindt dat
net zo bruikbaar en uitmuntend is als wat er in de geschriften van de
oude
Filosofen staat geschreven, zullen we bekijken of de reputatie, die hij
na zijn
dood heeft verworven, een teken van zijn Goddelijkheid is. Het volk is
zo aan
onzin gewend, dat ik me erover verbaas dat ze beweren, dat ze enig
belang aan
zijn gedrag hechten. De ervaring toont ons dat het altijd spoken
najaagt en dat
het niets doet of zegt, wat op gezond verstand wijst. Toch baseren
mensen op
dergelijke hersenspinsels, die altijd in zwang zijn geweest, ondanks de
pogingen van wijze mensen, die altijd zijn tegengewerkt, hun geloof.
Hoeveel
moeite zij zich ook hebben getroost om de heersende gekte uit te
roeien, toch
heeft het volk zich daar pas van afgekeerd, toen het zich daar al aan
hadden
verzadigd.
Mozes kan er dan
wel prat op zijn gegaan, dat hij de tolk van God was en met zonderlinge
tekenen
zijn roeping en rechten aantonen, maar ondanks de korte tijd dat hij
afwezig
was (dat hij van tijd tot tijd was om, zoals ik al zei, met God te
beraadslagen, wat Numa Pompilius en verscheidene andere wetgevers
insgelijks
deden) ondanks de korte tijd, zeg ik, dat hij afwezig was, vond hij bij
zijn
terugkeer alleen maar sporen van de eredienst voor de Goden, die de
Hebreeën in
Egypte hadden gezien. Hij kan zijn mensen dan wel veertig jaar in een
woestijn
hebben gehouden, om bij hen het idee van de Goden, die zij hadden
achtergelaten,
te vernietigen, toch waren zij hen niet vergeten en wilde elke keer
weer
zichtbare Goden, die voor hen uit marcheerden en die zij hardnekkig
aanbaden,
aan wat voor wreedheden ze ook werden blootgesteld.
Alleen door de
haat, die hen, door een hoogmoed waartoe de grootste idioten in staat
zijn, voor
andere volkeren werd ingegeven, verloren zij onmerkbaar de herinnering
aan de
Goden van Egypte, om zich vervolgens aan de God van Mozes te hechten.
Ze
aanbaden hem een tijd lang, bij elke gelegenheid die in de Wet wordt
aangegeven,
maar vervolgens lieten zij die in de steek, om die van Jezus Christus
te
volgen, ten gevolge van de wispelturigheid, waardoor mensen achter iets
nieuws
aanlopen.
XX
Het waren de
meest onwetende Hebreeën, die de wet van Mozes hadden aanvaard.
Dat waren ook
dezelfde mensen, die achter Jezus aanliepen en omdat er oneindig veel
Goden
zijn en zij zowel van de een als de ander hielden, is het niet
verwonderlijk,
dat die nieuwe dwalingen zich gemakkelijk verspreidden. Het kwam niet
omdat die
nieuwigheden niet ongevaarlijk waren voor de mensen die ze omarmden,
maar het
enthousiasme dat ze wekten deed de angst teniet. Zo begonnen de
leerlingen van
Jezus Christus, allerellendigst zoals ze in zijn kielzog waren, en die
allemaal
honger leden (zoals je kunt zien waren ze gedwongen om, op de plek waar
ze
overdag verbleven, om zich te voeden, samen met hun leider, de
korenaren van de
velden te plukken) dus de leerlingen van Jezus Christus, zoals ik al
zei,
begonnen pas de moed te verliezen, toen zij hun meester in handen van
de beulen
zagen en begrepen dat hij niet meer in staat was om hen de goederen, de
macht
en het aanzien te verschaffen, die hij hen had beloofd.
Na zijn dood
maakten zijn leerlingen, die wanhopig waren toen zij zagen dat hun hoop
was
vervlogen, van de nood een deugd. Verbannen uit alle oorden, en
vervolgd door
de joden, die hen net zo wilden behandelen als hun meester,
verspreidden zij
zich over de buurlanden, waar zij, volgens een verklaring van een paar
vrouwen
(Joh. 20:18), zijn opstanding, goddelijke afstamming en de rest van de
fabeltjes gingen slijten, waar de Evangeliën vol van staan.
De moeite die
zij hadden om succes bij de joden te boeken, deed hen besluiten om hun
heil bij
de vreemdelingen te zoeken, maar omdat daar meer kennis voor nodig was
dan
waarover zij beschikten - de Heidenen waren namelijk filosofen en
hadden daarom
de rede te zeer lief om zich aan beuzelarij over te geven - ronselden
de
aanhangers van Jezus een jongeman (Paulus), een onstuimige en
daadkrachtige
figuur. Bovendien was hij wat beter onderricht dan die ongeletterde
vissers en
beter in staat om voor zijn gebabbel gehoor te krijgen. Hij voegde
zich, ten
gevolge van een hemelse beschikking, bij hen (er was namelijk iets
wonderbaarlijks voor nodig) en ronselden een paar medestanders voor de
ontluikende sekte, doordat hij ze met zogenaamde kwellingen van een Hel
bang
had gemaakt - wat hij van de fabels van de oude Dichters had afgekeken
- en bij
hen de hoop op de geneugten van het Paradijs had gewekt, waarbij hij de
onbeschaamdheid had om te zeggen dat daarin was opgenomen.
De discipelen
verschaften, door tovenarijen en leugens, hun meester de eer om voor
God door
te gaan, een eer die Jezus, tijdens zijn leven niet had kunnen
verwerven. Zijn
lot was niet beter dan dat van Homerus, zelfs niet eervol, aangezien
zes steden
die de laatste tijdens zijn leven hadden verjaagd en veracht, met
elkaar vochten,
om uit te maken aan wie de eer toekwam om zijn geboorteplaats te zijn.
XXI
Je zou kunnen
denken, door alles wat we hebben gezegd, dat het christendom, net als
alle
andere religies, alleen maar een banaal samenraapsel van leugens is,
waarvan
het succes en de verbreiding zelfs de uitvinders zouden verbazen, als
zij op
aarde zouden terugkeren. Maar laten wij, zonder ons verder in dat
labyrint van
dwalingen en overduidelijke tegenstrijdigheden, waar we al genoeg over
hebben
gesproken, te begeven, iets over Mohammed zeggen, die een wet heeft
ingesteld
op grondregels, die volledig tegenovergesteld zijn aan die van Jezus.
XXII
OVER
MOHAMMED
Nauwelijks
hadden de discipelen van Christus de Mozaïsche Wet tot zwijgen
gebracht, om de
christelijke Wet in te voeren, of de mensen, die door hun gebruikelijke
wispelturigheid werden meegesleept, volgden de nieuwe wetgever, die met
behulp
van dezelfde middelen aanzien verwierf, die Mozes had gebruikt. Net als
hij
voorzag hij zich van de titel Profeet en Gezant van God. Net als hij
verrichtte
hij wonderen en wist hij gebruik te maken van de hartstochten van het
volk.
Aanvankelijk werd hij begeleid door een onwetende bevolking, waaraan
hij de
nieuwe orakels van de Hemel vertelde. Die ongelukkigen, verleid door de
beloften en fabeltjes van de nieuwe bedrieger, verspreidden zijn naam
en verheerlijkten
die zozeer, dat die van zijn voorgangers in de schaduw werd gesteld.
Mohammed was
niet iemand, die geschikt leek om een Rijk te vestigen. Hij muntte noch
uit in
beleid, noch in filosofie. (“Mohammed”, zegt Graaf de Boulainvilliers,
“kende
volgens mij de gangbare geschriften niet, maar hij was vast op de
hoogte van
alle kennis die een groot reiziger met een goede natuurlijke aanleg kan
verwerven, als hij zijn best doet om die te benutten. Hij kende zijn
eigen taal
heel goed, waar het gebruik en niet de geschriften hem alle foefjes en
schoonheid van had geleerd. Hij was heel goed op de hoogte van de kunst
om wat
echt verwerpelijk is te veranderen in iets prachtigs en de waarheid in
eenvoudige en levendige kleuren te schilderen, die het onmogelijk
maakte om
haar te miskennen. In feite is alles wat hij heeft gezegd waar, ten
minste voor
zover het de wezenlijke dogma’s van de Religie betreft, maar niet alles
wat hij
heeft gezegd is waar, en alleen wat dat betreft verschilt onze religie
van de
zijne”. Hij voegt daar verderop aan toe dat Mohammed niet grof, noch
onbeschaafd is, dat hij zijn onderneming zeer kundig heeft geleid, met
een
grote verfijndheid, en geschiktheid, onverschrokken, en met groot
inzicht,
zoals Alexander de Grote en Caesar het in zijn plaats ook hadden
gekund, enz.
(Het Leven van Mohammed, door graaf de Boulainvilliers, boek 2, bldz.
266, 267
en 268, uitgegeven in Amsterdam, 1731)). Hij kon lezen noch
schrijven. Hij was
zo weinig vastberaden, dat hij zijn onderneming vaak zou hebben
opgegeven, als
hij niet door de slimheid van een van zijn aanhangers was gedwongen om
het
waagstuk door te zetten. Vanaf het moment dat hij begon op te komen en
beroemd
begon te worden, verklaarde Corais, een machtige Arabier, die afgunstig
was
omdat een nietsnut het lef had om het volk te misleiden, hem de oorlog
en
doorkruiste zijn onderneming. Het Volk echter, dat ervan overtuigd was,
dat
Mohammed onafgebroken met God en zijn engelen beraadslaagde, zorgde
ervoor dat
hij de overhand op zijn vijand kreeg. De familie van Corais delfde het
onderspit en Mohammed, die merkte dat hij werd gevolgd door een schare
van
idioten, die dacht dat hij goddelijk was, vond dat hij dat gezelschap
niet meer
nodig had. Want uit angst dat zij zijn bedrog zouden ontdekken, wilde
hij ze
vóór zijn, en om daar nog zekerder van te zijn,
overstelpte hij hen met
beloften en bezwoer hen dat hij alleen maar groot wilde worden om zijn
macht
met hen te delen, waar zij zoveel aan hadden bijgedragen. “Wij staan op
het
punt,” zei hij, “om door te breken, en wij kunnen rekenen op een grote
menigte,
die wij voor ons hebben gewonnen. Het gaat erom dat wij ons van hen
verzekeren met
behulp van de slinksheid, die jullie gelukkig zelf hebben bedacht.”
Tegelijkertijd haalde hij ze over om zich in de groeve van de Orakels
te
verbergen.
Daar was een
put, van waaruit iemand sprak om het Volk te laten geloven dat de stem
van God
zich aan Mohammed openbaarde, terwijl hij zich temidden van zijn
bekeerlingen
bevond. Misleid door de liefkozingen van die verraderlijke man, ging
zijn
compagnon dan gewoon in de groeve het Orakel nabootsen. Als Mohammed
vervolgens
aan het hoofd van een menigte zelfingenomen mensen voorbij kwam,
hoorden ze een
stem die zei: “Ik, ik ben jullie God, ik verklaar dat ik Mohammed heb
aangewezen om Profeet te zijn voor alle volkeren. Van hem zullen jullie
mijn
echte wet leren, die de Joden en de Christenen hebben veranderd.” Die
man heeft
die rol een hele tijd gespeeld, maar ten slotte werd hij beloond met de
meest
grote en pikzwarte ondankbaarheid. Mohammed keerde zich, als de stem
hoorde,
die verkondigde dat hij een goddelijke persoon was, naar het volk en
beval hen,
uit naam van de God die hem als zijn Profeet had aangewezen, die
groeve, van
waaruit ten gunste van hem zo’n waarachtige verklaring had geklonken,
met
stenen dicht te gooien, ter nagedachtenis aan de steen die Jacob had
opgericht
om de plaats aan te geven waar God aan hem was verschenen. Zo ging de
ongelukkige, die had bijgedragen aan de verheffing van Mohammed, te
gronde. Op
die steenhoop heeft de laatste van de meest beruchte bedriegers zijn
wet
ingesteld. Die basis is zo sterk en zo stevig gegrondvest dat het er,
na een
heerschappij van meer dan duizend jaar, nog steeds niet op lijkt het
punt is
bereikt dat die aan het wankelen wordt gebracht. .
XXIII
Zo rees de ster
van Mohammed en hij had meer geluk dan Jezus, want hij zag de
vorderingen van
zijn wet nog vóór zijn dood, wat de zoon van Maria
vanwege zijn armoede nooit
heeft bereikt. Hij had zelfs meer geluk dan Mozes die zichzelf, uit een
overmaat aan eerzucht, naar beneden wierp om een eind aan zijn leven te
maken. Mohammed
stierf in vrede en wat hij had gewild was toen op zijn toppunt. Hij had
bovendien enige zekerheid dat zijn Leer, na zijn dood, verder zou
leven, omdat
hij die had aangepast aan de natuurlijke begaafdheid van zijn
aanhangers, die in
onwetendheid waren geboren en opgegroeid.
Dat, beste Lezer,
kan worden verteld over de meest opmerkelijke feiten over de drie
beroemde
Wetgevers, waarvan de Religies een groot gedeelte van het universum
onder het
juk hebben gebracht. Zij zijn echt zoals wij ze hebben beschreven. Het
is aan u
om te onderzoeken of zij het verdienen dat u ze naar waarde schat en of
dat het
vergeeflijk is als u zich door gidsen laat leiden, die uitsluitend door
hun
eerzucht de kop hebben opgestoken en wier onwetendheid droombeelden
heeft
vereeuwigd. Lees, om uzelf te genezen van de dwalingen waarmee zij u
hebben
verblind, wat nu volgt, met een onbevangen en belangeloze geest. Moge
het een
hulpmiddel zijn om de waarheid te ontdekken.
HOOFDSTUK
IV
Waarneembare
en onmiskenbare
waarheden
I
Omdat Mozes
Jezus en Mohammed waren zoals wij ze hebben beschreven, is het
duidelijk dat je
in hun geschriften geen waarachtig idee van de Godheid moet zoeken. De
verschijningen en de voordrachten van Mozes en Mohammed, net als de
goddelijke
geboorte van Jezus, zijn de grootste bedriegerijen die aan het licht
kunnen
worden gebracht en die je moet mijden als je de waarheid liefhebt.
II
God die, zoals
je hebt gezien, niets anders dan de natuur is, of zo je wilt, de
verzameling
van alle wezens, alle eigenschappen en alle energieën, is
noodzakelijkerwijs de
immanente en niet te onderscheiden oorzaak van zijn gevolgen. Hij kan
niet
goed, kwaad, rechtvaardig, barmhartig of jaloers worden genoemd. Dat
zijn
eigenschappen die alleen maar bij de mens behoren. Daaruit volgt dat
hij niet
kan straffen en belonen. Het idee van straf en beloning kan alleen maar
onwetende mensen bekoren, die zich het eenvoudige Wezen, dat God wordt
genoemd,
alleen maar kunnen voorstellen in beelden die op geen enkele manier bij
hem
passen. Mensen die gebruik maken van hun oordeel, zonder die handeling
met die
van de verbeelding te verwarren en die het vermogen hebben om zich van
de
vooroordelen uit hun kinderjaren te ontdoen, zijn de enigen die zich
een helder
en duidelijk beeld van hem kunnen vormen. Zij stellen zich hem voor als
de bron
van alle Wezens, die hen zonder onderscheid voortbrengt, waarbij wat
hem
betreft de ene wezens geen voorkeur boven de andere verdienen en het
voortbrengen van de mens hem niet meer moeite kost dan het kleinste
wormpje of
plantje.
III
Je moet dus niet
denken dat het alomtegenwoordige Wezen, dat doorgaans God wordt
genoemd, meer
met de mens op heeft dan met een worm, of meer met een leeuw dan met
een steen.
Wat hem betreft bestaat er niets moois of lelijks, goeds of slechts,
volmaakts
of onvolmaakts. Het maakt hem niets uit of hij geprezen, aanbeden,
gezocht of
gekoesterd wordt. Hij is niet gevoelig voor wat mensen doen of zeggen.
Hij is
niet ontvankelijk voor liefde of haat. Kortom, hij bemoeit zich met de
mens
niet meer dan met de rest van de schepsels, van wat voor soort ze ook
zijn. Dat
hele onderscheid is alleen maar een uitvinding van een bekrompen geest.
De
onwetendheid heeft dat onderscheid bedacht en het eigenbelang heeft het
opgezweept.
IV
Dus geen enkel
zinnig mens kan in een God, Hel, Geest of Duivel geloven op de manier
waarop
daar doorgaans over wordt gepraat. Al die grote woorden zijn alleen
maar
bedacht om het volk te verblinden of te intimideren. Dus mensen die
zich nog
meer van die waarheid willen overtuigen, moeten serieus aan het
volgende
aandacht schenken en zich eraan wennen om, pas na rijp beraad, een
mening te
hebben.
V
Door die
oneindige hoeveelheid sterren die wij boven ons zien, nemen de mensen
aan dat het
allemaal vaste lichamen zijn die daar rondbewegen, waarvan er
één bestemd is
voor het hemelse Hof, waar God zich temidden van zijn hovelingen als
een koning
gedraagt. Die plaats, waarvan ze denken dat daar de goede zielen
naartoe gaan,
als zij het lichaam verlaten, is de verblijfplaats van de Gelukzaligen.
Maar
laten wij niet bij een zo beuzelachtige mening, die geen enkel mens met
gezond
verstand kan toelaten, stil blijven staan. Het staat vast dat wat zij
Hemel
noemen, niets anders is dan de voortzetting van de lucht die ons
omringt, een
fluïdum waarin de planeten zich voortbewegen, zonder dat zij door
enige vaste massa,
zoals de aarde die wij bewonen, worden ondersteund.
VI
Op dezelfde
manier waarop ze een Hemel hebben bedacht, waar ze de verblijfplaats
van God en
de Gelukzaligen van hebben gemaakt, of, volgens de Heidenen, van de
Goden en
Godinnen, hebben ze zich vervolgens een Hel voorgesteld, of een
onderaardse
plek, waarvan ze beweren dat de zielen van de slechte mensen daarnaar
afdalen
om daar te worden gefolterd. Maar het woord Hel drukt, in zijn
oorspronkelijke
betekenis, niets anders uit dan een laaggelegen plek, die de dichters
hebben
bedacht als tegenovergestelde van de woonplaats van de hemelse
bewoners, die
zij als hoogstaand en verheven beschouwden. Dat is precies wat de
Latijnse
woorden infernos of inferni betekenen, of het woord
Αιδης
(Hades) van de Grieken, die een duistere plek bedoelden, zoals een graf
of enig
andere diepgelegen plek, die geducht was wegens haar duisternis. Alles
wat je
erover kunt zeggen is louter het gevolg van verbeelding van Dichters of
het
bedrog van Priesters. Alle praatjes van de eersten zijn bedacht en
geschikt om
indruk op zwakke, bedeesde en zwaarmoedige figuren te maken. Zij zijn
in een
geloofsartikel veranderd door de mensen, die er het grootste belang bij
hebben
om aan die mening vast te houden.
HOOFDSTUK
V
Over de ziel
I
De ziel is iets
dat omzichtiger moet worden behandeld dan de Hemel en de Hel. Om de
nieuwsgierigheid van de lezer te bevredigen is het dus raadzaam om daar
uitgebreider bij stil te staan. Maar voordat ik daar een omschrijving
van
geeft, moet ik eerst uiteenzetten, wat de meest beroemde filosofen
daarover
hebben gedacht. Ik zal dat in een paar woorden doen, zodat het
gemakkelijker kan
worden onthouden.
II
Sommigen hebben
beweerd dat de ziel een Geest is, of een onstoffelijke substantie.
Anderen
hebben volgehouden dat het een deel van de Godheid is. Weer anderen
hebben er
een zeer ijle lucht van gemaakt. En weer anderen zeggen dat het een
harmonie
van alle lichaamsdelen is. Tot slot nog anderen, dat het het meest ijle
deel
van het bloed is, dat zich in de hersenen verdeelt en zich door de
zenuwen
verspreidt. Het hart is zogezegd de bron van de ziel, waar zij wordt
verwekt en
de hersenen zijn de plaats waar zij de meest edele functies uitoefent,
in
aanmerking genomen dat zij het meest gezuiverde van alle grove
bestanddelen van
het bloed is. Dat zijn dus een aantal verschillende meningen die over
de ziel
zijn gevormd. Maar wij zullen ze, om ze beter uit te kunnen werken, in
twee
klassen verdelen. In de ene bevinden zich dan de filosofen die dachten
dat de
ziel lichamelijk was en in de andere, degenen die haar als
niet-lichamelijk
hebben beschouwd.
III
Pythagoras en
Plato hebben geopperd dat de ziel niet-lichamelijk was, dat wil zeggen
een
wezen dat in staat was om zonder hulp van het lichaam voort te bestaan
en dat
uit zichzelf kon bewegen. Zij beweerden dat alle afzonderlijke zielen
van de
dieren gedeelten van de universele wereldziel zijn, en dat die delen
niet lichamelijk
en onsterfelijk en van dezelfde aard zijn, zoals je je kunt voorstellen
dat de
honderd vlammetjes van dezelfde aard zijn als het grote vuur waar zij
uit
voortkomen.
IV
Deze filosofen
dachten dat het universum door een onstoffelijke, onsterfelijke en
onzichtbare
substantie werd bezield, die alles voortbrengt, altijd werkzaam is, en
die de
oorzaak van elke beweging en de bron van alle zielen is, die daar de
emanaties
van zijn. Maar zeggen zij, omdat die zielen heel zuiver zijn en een
karakter
hebben dat oneindig superieur is aan het lichaam, verenigen die zich
daar niet
rechtstreeks mee, maar door middel van een fijnstoffelijk lichaam,
zoals een
vlam, of dat fijne en uitgebreide fluïdum, dat het volk voor de
Hemel houdt. Vervolgens
nemen zij een minder fijn lichaam, dan een ander dat nog grover is, dus
steeds
stapje voor stapje, totdat zij zich met de waarneembare lichamen van de
dieren
kunnen verenigen, waar zij als in een gevangenis of graf in neerdalen.
De dood
van het lichaam betekent volgens hen het leven van de ziel, die zich
daarin
bevindt alsof zij daarin is begraven, en waarin zij maar zwakjes haar
meest
edele functies kan uitoefenen. De ziel verlaat dus, door de dood van
het
lichaam, haar gevangenis, ontdoet zich van de stof en verenigt zich met
de
wereldziel, waaruit zij is geëmaneerd.
Alle
dierenzielen hebben, volgens die mening, dezelfde natuur, en de
verscheidenheid
van hun functies of eigenschappen komen louter voort uit het verschil
van de
lichamen die zij binnengaan.
Aristoteles (zie
in het Woordenboek van Bayle het artikel Over Averroës) neem een
universele
intelligentie aan, die alle wezens gemeen hebben en die met de
afzonderlijke
intelligenties doet wat het licht met de ogen doet. En omdat het licht
de
voorwerpen zichtbaar maakt, maakt het universele verstand de voorwerpen
begrijpelijk.
Die filosoof definieerde
de ziel als iets wat ons doet leven, voelen, begrijpen en bewegen. Maar
hij zei
niet wat dat Wezen was, dat de bron en het beginsel van de edele
functies is,
en daarom moet je bij hem niet verduidelijking van de twijfels zoeken,
die je
over de aard van de ziel hebt.
V
Dicearchus,
Asclepiades en in zeker opzicht Galenus, dachten ook dat de ziel niet
lichamelijk was, maar op een andere manier. Want zei hebben gezegd, dat
de ziel
niets anders is dan de harmonie van de lichaamsdelen, dat wil zeggen,
dat die
een strikt mengsel van de elementen teweegbrengt, en ordening van de
delen, de
lichaamsvochten en de levenskrachten. Zij zeggen dat de gezondheid dus
niet een
gedeelte is van iemand die gezond is, maar dat die in hem aanwezig is.
Op
dezelfde manier is, hoewel de ziel zich in het dier bevindt, het niet
een van
zijn delen, maar de overeenstemming van de delen, waaruit het is
samengesteld.
Daarbij moet
worden opgemerkt dat die schrijvers in een niet-lichamelijke ziel
geloofden, op
grond van een stelregel die volledig tegenovergesteld was aan hun
bedoeling,
want beweren dat de ziel geen lichaam is, maar alleen iets dat
onafscheidelijk
met het lichaam is verbonden, wil zeggen zij niet lichamelijk is, omdat
niet
alleen iets dat lichaam is, lichamelijk wordt genoemd, maar alles wat
vorm of
toevallig is, of niet van de stof kan worden gescheiden.
Dat zijn nou de
Filosofen die volhouden dat de ziel niet-lichamelijk of onstoffelijk
is. Je
ziet dat ze het met elkaar niet eens zijn en daarom verdienen zij het
niet om
te worden geloofd. Laten wij voorbijgaan aan die mensen, die hebben
beweerd dat
de ziel lichamelijk of stoffelijk is.
VI
Diogenes dacht
dat de ziel uit lucht bestond, waaraan hij de noodzaak om te ademen
ontleende,
en haar omschreef als lucht die door middel van de longen door de mond
naar het
hart stroomt, waar zij wordt verwarmd, en vanwaar zij zich over het
hele
lichaam verspreidt.
Leucippus en
Democritus zeiden dat de ziel van vuur was en dat zij, net als het
vuur, uit
atomen was samengesteld, die gemakkelijk tot in alle delen van het
lichaam kunnen
doordringen en het laten bewegen.
Hippocrates zei
dat de ziel uit water en vuur was samengesteld, Empedoclus uit vier
elementen.
Epicurus dacht, net als Democrites, dat de ziel uit vuur bestaat, maar
voegde
daaraan toe dat in dat mengsel lucht binnendringt, een damp en een
andere
substantie, die geen naam heeft en het gevoelsprincipe is. Dat er dus
uit die
vier verschillende substanties een zeer fijnstoffelijke ziel ontstaat,
die zich
over het lichaam verspreidt en die ziel moet worden genoemd.
Ook Descartes
beweert, maar meelijwekkend, dat de ziel niet stoffelijk is. Ik zeg
meelijwekkend, omdat nog nooit een filosoof zo beroerd over dat
onderwerp heeft
geredeneerd als die grote man. Luister maar hoe hij dat doet. Hij zegt
dat je
eerst aan het bestaan van je lichaam moet twijfelen en denken dat je er
geen
hebt, om vervolgens op de volgende manier te kunnen redeneren: er
is geen
lichaam en toch besta ik, want ik ben niet het lichaam; daaruit volgt
dat ik
alleen maar een substantie kan zijn die denkt. Hoewel deze fraaie
redenering voldoende met zichzelf in tegenspraak is, wil ik toch in het
kort
vertellen wat ik ervan vind.
1. De twijfel
die de Heer Descartes oppert is volstrekt onmogelijk, want hoewel je
soms denkt,
dat je denkt dat er geen lichamen bestaan, is het toch waar dat er een
is als
je eraan denkt.
2. Iedereen die
denkt dat er geen lichaam is, moet er zeker van zijn dat er geen is,
zonder aan
zichzelf te kunnen twijfelen, of, als hij er zeker van is, is zijn
twijfel
overbodig.
3. Als hij zegt
dat de ziel een substantie is die denkt, leert hij ons niets nieuws.
Iedereen
is het daarmee eens, maar het probleem is om vast te stellen wat die
substantie
die denkt dan is, en daarin komt hij niet verder dan de anderen.
VII
Om niet net zoals
hij te schipperen en het meest gezonde idee te hebben dat je je van de
ziel van
alle dieren kunt vormen, de mens niet uitgezonderd, die dezelfde natuur
heeft
en alleen maar verschillende functies uitoefent door de verscheidenheid
van
organen en lichaamssappen, moeten wij aandacht aan het volgende
schenken.
Het staat vast
dat er in het universum een zeer fijnstoffelijk fluïdum of een
zeer ijle
materie bestaat, die altijd in beweging is, en die uit de zon
voortkomt. De
rest is min of meer over de andere lichamen verspreid, naar gelang de
aard van
hun dichtheid. Ziedaar de wereldziel, die de wereld bestuurt en levend
maakt en
waarvan een gedeelte over alle delen wordt verdeeld, die bij elkaar de
wereld
vormen.
Deze ziel is het
meest zuivere vuur dat er in het universum bestaat. Het brandt niet uit
zichzelf, maar door verschillenden bewegingen die het aan deeltjes van
andere
lichamen geeft, waar het in binnengaat. Het brandt en verspreidt zijn
warmte.
Het zichtbare vuur bevat meer van die materie dan de lucht, de lucht
meer dan
het water, en de aarde bevat veel minder, de planten weer meer dan de
mineralen, en de dieren nog meer. Tot slot zorgt het vuur, dat in het
lichaam
opgesloten zit, ervoor dat het lichaam tot gevoelens in staat is en dat
wordt
de ziel genoemd, of de dierlijke zielen, die zich tot in alle
delen van
het lichaam verspreiden. Welnu, het staat vast dat die ziel, die bij
alle
dieren van dezelfde aard is, bij het sterven van de mens verdwijnt, net
als die
van de dieren. Daaruit volgt dat, wat de Dichters en Theologen ons over
de
andere wereld vertellen, een hersenspinsel is, dat zij in het leven
hebben
geroepen en aan de man brengen, omdat het voor de hand ligt.
HOOFDSTUK
VI
Over Geesten die Demonen
worden genoemd
I
We hebben elders
al verteld hoe de voorstelling van Geesten bij de mensen is
geïntroduceerd en
wij hebben laten zien dat die Geesten alleen maar hersenschimmen zijn,
die
alleen in hun eigen verbeelding bestaan.
De eerste
geleerden van de mensheid, waren onvoldoende ontwikkeld om het volk
duidelijk
te maken, dat het alleen maar hersenschimmen waren, maar zij konden het
niet
laten om te vertellen wat zij dachten. Sommigen, die zagen dat de
Hersenschimmen ook weer verdwenen en geen enkele bestendigheid bezaten,
noemden
ze onstoffelijk, niet-lichamelijk, onstoffelijke gedaanten,
kleuren en
vormen, maar zonder dat het lichamen, kleuren, of gedaanten waren, en
voegden
daaraan toe dat zij zich, als met een mantel, met lucht konden
bedekken, zodat
zij voor de ogen van de mensen onzichtbaar werden. Anderen zeiden dat
zij zich
door de bezielde lichamen, omdat zij namelijk lucht of een andere nog
fijnere
stof bestonden, naar believen konden verdichten, als zij wilden
verschijnen.
II
Hoewel die twee
soorten filosofen elkaar wat hun mening betrof, die zij over Geesten
hadden, tegenspraken,
waren zij het eens over de namen die zij hen gaven, want allemaal
noemden zij
het Demonen, waaruit bleek ze even krankzinnig waren als mensen die
geloven dat
ze in hum slaap zielen van gestorvenen zien en dat het hun eigen ziel
is, die
ze zien als ze in de Spiegel kijken, of tot slot als mensen die denken
dat de
sterren, die je in het water ziet, de zielen van de sterren zijn. Na
die
lachwekkende mening vervielen ze in een dwaling, die niet minder
ongerijmd is, want
ze geloofden dat die Hersenschimmen een onbeperkte macht hadden. Een
van alle
rede verstoken denkbeeld, maar gebruikelijk bij onwetenden, die zich
verbeelden
dat de Geesten, die ze niet eens kennen een wonderbaarlijke macht
bezitten.
III
Deze
lachwekkende mening werd pas verspreid toen de Wetgevers zich daarvan
gingen
bedienen om hun gezag kracht bij te zetten. Zij deden dat geloof in
Geesten
ingang vinden en noemden het Religie, in de hoop dat het volk, uit
angst voor
die onzichtbare machten, zijn plicht zou betrachten. En om meer gewicht
aan dat
dogma toe te kennen, verdeelden zij de Geesten of Demonen
in
goede en kwade. De ene waren bestemd om de mensen aan te sporen zich
aan de
wetten te houden, de andere om ze in bedwang te houden en te
verhinderen dat ze
de wetten zouden overtreden.
Om te weten wat
die Demonen zijn, hoef je alleen maar de Griekse Dichters en hun
verhalen te
lezen, en vooral wat Hesiodes in zijn Theogenie vertelt, waar hij
uitvoerig het
ontstaan en de oorsprong van de Goden behandelt.
IV
De Grieken zijn
de eersten die hen hebben bedacht en door hen zijn zij, door middel van
hun koloniën,
over Azië, Egypte en Italië verspreid. Daar hebben de Joden,
die tot in
Alexandrië en nog verder waren verstrooid, er kennis van genomen.
Zij hebben
daar, net als de andere volkeren, blijmoedig gebruik van gemaakt, maar
met het
verschil dat zij niet, zoals de Grieken, de goede en kwade geesten,
zonder
onderscheid Demonen hebben genoemd, maar alleen de kwade geesten. Zij
behielden
de naam Geest, God, alleen voor aan de goede Demon, en noemden mensen
die door
de goede geest werden geïnspireerd Profeten. Bovendien beschouwden
zij alles,
wat zij als een groot goed zagen, als het resultaat van de Goddelijke
Geest, en
alles wat zij voor een groot kwaad hielden als het resultaat van de
Κακοδεμον, of kwade Geest.
V
Door dit
onderscheid tussen goed en kwaad noemden zij mensen, die wij Maanzieken,
Krankzinnigen, Waanzinnigen of Epileptici noemen,
door
de Demon bezeten,
net als mensen die een onbekende taal spraken. Iemand die mismaakt was
of er
smerig uitzag, was naar hun mening, door een onreine Geest bezeten en
een
stomme door een stomme Geest. Tenslotte raakten zij met de woorden
Geest en
Demon zo vertrouwd, dat zij er bij elke samenkomst over praatten.
Daarom is het
duidelijk dat de joden, net als de Grieken, dachten dat Geesten of
Schimmen,
geen zuivere hersenspinsels of visioenen waren maar echte wezens, die
onafhankelijk van de verbeelding bestonden.
VI
Vandaar dat de Bijbel
vol verhalen staat over Geesten, Demonen en mensen die Demonen waren
bezeten,
maar er wordt nergens verteld hoe en wanneer zij zijn ontstaan, wat je
Mozes
nauwelijks kwalijk kunt nemen, die zich, naar men zegt, mengde in de
gesprekken
over de schepping van Hemel en Aarde. Jezus, die vaak genoeg met
Engelen en goede
en kwade Geesten praatte, vertelt ons ook niet of ze stoffelijke of
onstoffelijk zijn. Daaruit blijkt dat ze allebei alleen maar wisten wat
de
Grieken van hun voorouders hadden geleerd. Afgezien daarvan is Jezus
niet
minder laakbaar om zijn stilzwijgen, dan over zijn kwaadwilligheid om
alle
mensen genade, vertrouwen en eerbied te onthouden, waarvan hij beweerde
dat hij
hen dat kon schenken.
Maar om op de
Geesten terug te komen: het staat vast dat de woorden Demonen,
Satan en Duivel, geen namen zijn die geschikt zijn om een
bepaalde figuur te
beschrijven, en
dat het altijd alleen maar de onwetenden zijn geweest, die erin
geloofden, zowel
bij de Grieken, die ze hebben uitgevonden, als bij de Joden, die ze
hebben
overgenomen. Vanaf het moment dat die laatsten met die ideeën
werden besmet,
hebben zij zich die namen eigen gemaakt, die vijand, aanklager en
verdelger betekenen, bovendien die van de onzichtbare Machten, dat
wil
zeggen van de Heidenen, waarvan zij zeiden dat die het Rijk van Satan
bevolkten, anders dan zijzelf, die naar hun eigen mening in het Rijk
van God verbleven.
VII
Aangezien Jezus
een jood was, en dus doordrenkt was van die ideeën, is het niet
verwonderlijk
dat je in zijn Evangeliën en in de geschriften van zijn
discipelen, zovaak de
woorden Duivel, Satan en Hel tegenkomt, alsof het iets
werkelijks
of werkzaams is.
Inmiddels is het
overduidelijk, zoals wij laten zien, dat er niets hersenschimmigers
bestaat en
als, wat wij hebben gezegd, onvoldoende is om dat te bewijzen, zijn er
maar een
paar woorden nodig om de halsstarrigen te overtuigen.
Alle christenen
zijn het er over eens dat God de bron van alles is, dat hij hen heeft
geschapen,
dat hij ze behoedt, en dat zij, zonder zijn hulp, in het niets
verzinken.
Volgens dat principe staat het vast dat hij, wat de Duivel of Satan
heet,
heeft geschapen. Welnu, als hij goed en kwaad heeft geschapen (waar het
hier
niet om gaat), dan is het ontegenzeggelijk het werk van het eerste
principe. Als
al het kwaad dat er is, zoals met zegt, voortbestaat, kan dat alleen
maar door
de wil van God. Hoe valt het dan te begrijpen dat God een schepsel in
stand
houdt, dat hem niet alleen dodelijk haat en hem onophoudelijk
vervloekt, maar die
bovendien zijn best doet om zijn vrienden te verleiden om er plezier in
te
scheppen om hemzelf te vernederen. Hoe is het mogelijk dat God die
Duivel laat
voortbestaan, en hem alle ellende die hij wil laat aanrichten, om zich
door hem
te laten onttronen als hij dat zou kunnen, en om zijn Gunstelingen en
Uitverkorenen aan zijn dienst te onttrekken?
Wat bedoelt God
hiermee, of wat valt er nog meer te zeggen als wij het over de Duivel
en de Hel
hebben? Als God alles kan en er zonder hem niets kan gebeuren, hoe komt
het dan
dat de Duivel hem haat en vervloekt, en hem zijn vrienden afneemt?
Óf God is
het ermee eens, óf hij is het er niet mee eens. Als hij het
ermee eens is, doet
de Duivel als hij hem vervloekt alleen maar wat hij moet doen, omdat
hij alleen
kan doen wat God wil. Derhalve is het niet de Duivel, maar God zelf die
zichzelf
vervloekt. Dat is zo absurd dat het zijn weerga niet kent. Als hij het
ermee
eens is, is het niet waar dat hij Almachtig is, en bestaan er derhalve
twee
principes, de ene van het goede en de andere van het kwaad. Het ene wil
iets,
het andere wil het tegenovergestelde. Wat gaan wij met zo’n redenering
naartoe?
Dat leidt ertoe dat wij zonder tegenspraak toegeven dat God, de Duivel,
het
Paradijs, de Hel en de ziel niet zijn zoals de Religie ze beschrijft,
en dat de
Theologen, dat wil zeggen de mensen die fabels als waarheden slijten,
te kwader
trouw zijn, en misbruik maken van de goedgelovigheid van de volkeren
door te
insinueren waar ze zin in hebben, alsof het volk de waarheid volstrekt
niet
waard is, of alleen maar met hersenspinsels moet worden gevoed, waarin
een
verstandig iemand alleen maar de leegte, het niets en dwaasheid ziet.
De wereld is al
zolang met die absurde meningen besmet. Toch zijn er altijd
standvastige
geesten en oprechte mensen geweest, die, ondanks vervolging, luid tegen
de
absurditeiten van hun tijd hebben geprotesteerd, zoals je in dit kleine
vertoog
kunt lezen. Mensen die de waarheid liefhebben kunnen er ongetwijfeld
enige
troost in vinden. Hen wil ik hiermee een plezier doen, zonder me zorgen
te
maken over de mening van die mensen die vooroordelen voor onfeilbare
orakels
houden.
Felix
qui
potuit
rerum
cognoscere causas, Atque metus omnes et inexorabile
fatum
Subjecit pedibus, streptitumque Acheronis avari.(Virgilius, Georgica,
boek 2)
Gelukkig de
mens, die de oorzaken der dingen kan leren kennen en alle angsten en
het
onverbiddelijke lot onder zijn voeten vertrapt, en het geraas van de
onverzadigbare Acheron
EINDE
Ik heb dit
excerpt, met toestemming van Georg Wilhelm Freiherr von Hohendorf,
samengesteld
uit de manuscriptenbibliotheek van zijne meest doorluchtige Hoogheid,
François-Eugène,
Vorst van Savoy-Carignan, in het jaar 1716.
MENINGEN
OVER HET
VERTOOG OVER DE DRIE
BEDRIEGERS

Men
heeft
er
lang over
geredetwist of er werkelijk een boek is geweest, dat onder de titel de
Tribus
Impostoribus is verschenen.
Mr. De la Monnoye, die had
gehoord dat een geleerde uit Duitsland (Daniel Georg Mothof, overleden
op 30
juni 1691, zonder dat hij zich aan zijn woord heeft gehouden), een
verhandeling
wilde publiceren om aan te tonen dat er werkelijk een gedrukte uitgave
van het boek, de Tribus Impostoribus, heeft bestaan, schreef
aan een
van zijn
vrienden
een brief waarin hij tegenovergestelde beweerde. Die brief is door Mr.
Bayle
aan Mr. Basnage de Beauval, doorgegeven, die daar in de maand februari 1694, in zijn geschiedenis van
de werken van de geleerden, een samenvatting van geeft. Naderhand heeft
Mr. De la Monnoye over dat
onderwerp een uitvoerige verhandeling geschreven in een brief uit
Parijs, van
26 juni 1712, aan Mr. President Bouhier, en hij verzekert dat daarin,
in het
kort, de vrijwel complete geschiedenis van dat befaamde boek is te
vinden.
Eerst weerlegt
hij de mening
van de mensen die het geschrift aan Keizer Frederik I toeschrijven. Die
valse
aantijging is afkomstig van een bepaalde plaats bij Grotius in zijn
aanhangsel
van het traktaat Over de Antichrist, die als volgt luidt: Librium
de
tribus
Impostoribus
absit
ut Papa tribuam aut Papa oppugnatoribus; jam
olim
inimici Frederici Barbarosse imperatoris famum sparserant libri talis,
quasi
jussu ipsius scripti, se de ab eo tempore, nemo est qui vide rit; quare
fabulam
esse arbitror. Het is Colomiez die dat citaat vermeldt op pag. 28
van zijn Geschiedkundig
Mengelwerk. Maar, zo voegt hij daaraan toe, er staan twee fouten
in: 1o.
Het is niet Frederik I of Barbarossa, die als
schrijver van dat
boek werd beschouwd, maar Frederik II, zijn kleinzoon. Dat
blijkt uit de
geschriften van Pierre des Vignes, zijn Secretaris &
Kanselier,
& van Mathieu Paris, die beiden vermelden, dat hij ervan is
beschuldigd, dat hij heeft gezegd dat de wereld door drie
bedriegers is
verleid, & en dat hijzelf geen enkel boek met die titel heeft
geschreven. Maar die keizer heeft altijd nadrukkelijk ontkend dat hij
ooit
zoiets heeft gezegd. Hij verfoeide de godslastering die men hem
aanwreef, en
verklaarde dat het een wrede laster was. Het is dus niet terecht dat
Lipsius
& andere schrijvers hem hebben veroordeeld, zonder dat zij zijn
verweer afdoende
hadden onderzocht.
Averroes had,
bijna een eeuw
eerder, al de spot gedreven met de drie Godsdiensten & had gezegd
(volgens
Nevizanus in zijn 1. Sylva nuptianus, 2 :121): de Joodse
Godsdienst is
een kinderachtige Wet, de Christelijke een onmogelijke Wet, & de
Mohammedaanse
een
Wet
voor
varkens.
Sindsdien hebben
verschillende mensen zeer vrijmoedig over hetzelfde onderwerp
geschreven.
Bij Thomas
de Cantinpré is
te lezen, dat ene meester Simon de Tournay heeft
gezegd dat drie
Verleiders, Mozes, Jezus Christus & Mohammed, met hun leer de
mensheid voor
zich hebben ingenomen. Het is kennelijk die Meester Simon de
Churnay waarvan Mathieu Paris nog een godslasterlijkheid
vertelt, &
dezelfde
waarvan Polidore de Virgile zegt dat hij de Tournay heet,
en
die
zowel
door
de
een als de ander verdorven wordt genoemd.
Onder de
Manuscripten van de
Bibliotheek van Abt Colbert, die de Koning in 1732 verwierf,
bevindt
zich een nummer 2071, dat van d’Alvare Pélage, een
Spaanse
Minderbroeder, Bisschop van Salves & Algarve, die bekend is door
zijn
boeken met de titel Planctu Ecclesia. Hij vermeldt dat een
zekere Scotus, Minderbroeder & Jacobijn, die vanwege
verscheiden
godslasteringen in Lissabon
in hechtenis werd genomen, de bedriegers Mozes, Jezus Christus &
Mohammed
op eenzelfde wijze heeft behandeld, door te zeggen dat de eerste de
Joden heeft
bedrogen, de tweede de Christenen, & de derde de Saracenen. Disseminavit
iste
impius
haereticus
in Hispania (dat zijn de woorden van
d’Alvare Pélage) quod tres deceptors fuerunt in mundo,
scilicet Moyses qui
deceperat
Judas,
& Christus qui deceperat Christianos, & Mahometus qui decepit
Sarracenos.
De brave Gabriël
Berlette laat,,
in een preek van St. Andreas, Porphyrius het volgende zeggen: &
sic
falsa est Porphirii sententia, qui dixit tres fuisse garrulatores qui
totum
mundum ad se converterunt; primus fuit Moyses in Populo Judaico,
secundus
Mahometus, tertius Christus. Een fraaie tijdrekening, die Jezus
Christus ná
Mohammed plaatst!
De manuscripten
van het
Vaticaan, die door Odomir Rainoldo worden aangehaald, maken in
deel 19
van de Kerkelijke Annalen, melding van ene Jeannin de Solcia,
een
Kanunnik uit Bergamo, doctor in het Burgerlijke en Canonieke recht, die
in het
decreet van Pius II in het Latijn Javinus de Solcia wordt
genoemd, en
die op 14 november 1459 wordt veroordeeld, omdat hij de godslastering
had
onderschreven dat Mozes, Jezus Christus & Mohammed met hun
verbeelding de
wereld hadden geregeerd, mundum pro suarum libito voluntatum rexisse.
Jean-Louis
Vivaldo de Mondovi, die schreef in 1506, &
waarvan
men,
behalve een
aantal andere werken, beschikt over het vertoog de duodecim
persecutionibus Ecclesiae Dei, vertelt in het hoofdstuk
over de zesde
vervolging, dat er
mensen bestaan, die de vraag aan de orde durven te stellen, wie van de
drie
Wetgevers het meest is vervolgd, Jezus Christus, Mozes of Mohammed: qui
in
quaestionem
vertere
praesumunt
dicentes: quis in hoc mundo majorem
gentium aut
populorum sequelam habuit, an Christus, an Moyses, an Mahometus?
Herman
Ryswick (Herman van
Rijswijk), een Hollander, die in 1512 in den Haag is verbrand,
spot met de Joodse en Christelijke godsdienst. Er wordt niet gezegd dat
hij het
over de Mohammedaan heeft gehad, maar over iemand die Mozes & Jezus
Christus heeft verraden. Zou hij dan beter over Mohammed hebben gedacht?
Men moet
hetzelfde denken van
de onbekende schrijver van de godslasterlijkheden over Jezus Christus,
die in
het jaar 1547 in de papieren van een zekere Gruet
werden
aangetroffen. Een Italiaan, een zekere Fausto da Longiano, was
begonnen
met een werk dat hij de titel Le Temple de la Vérité, gaf en
waarmee hij niet minder wilde dan alle godsdiensten vernietigen. “Ik
ben,” zo
zei hij, “met een boek begonnen met de titel Le Temple de la Vérité, dat een
wonderlijke bedoeling heeft, en dat ik in dertig delen zal schrijven.
Je zult
daar de vernietiging van alle sekten in zien, de Joodse, de
Christelijke, de
Mohammedaanse & alle andere godsdiensten, doordat ik van alle
dingen in hun
oorspronkelijke bedoeling zal uitgaan.” Maar onder de brieven van L’Aretin
aan die Fausto, bevindt zich geen enkele waarin op dat werk
wordt
gewezen. Misschien heeft hij het nooit afgemaakt, & als dat wel het
geval is
& als het toch is verschenen, is het een ander werk dan waar het om
gaat,
als er wordt beweerd dat er een Duitse vertaling van bestaat, gedrukt in
folio,
waarvan nog exemplaren in de bibliotheken in
Duitsland
aanwezig
zijn. Claude Beauregard, in het Latijn Berigardus,
Professor in
de Filosofie, aanvankelijk in Paris, vervolgens in Pisa, &
uiteindelijk in
Padua, citeert of beschrijft een passage uit het boek Over de drie
Bedriegers, waarin de wonderen die Mozes in Egypte verrichtte
worden
toegeschreven aan het overwicht van zijn demon op die van de
magiërs
van de
Farao. Giordano Bruno, die op 17 februari 1600 in Rome werd verbrand,
werd ervan beschuldigd dat hij iets dergelijks had beweerd. Maar als Beauregard
& Bruno gelijkluidende beschouwingen
hebben
geponeerd,
& in
verband met dat citeren hebben beweerd, dat zij die uit het boek Over
de
drie
Bedriegers
hadden gehaald, is dat dan een bewijs dat zij dat
boek
hebben gelezen? Zij hadden ongetwijfeld meer duidelijk gemaakt, als zij
hadden
verteld of het een handschrift of een gedrukt boek was geweest, wat
voor boek
en waar het was verschenen.
Tenzelius (Wilhelm Ernst Tentzel), die op gezag van
een van
zijn vrienden heeft beweerd dat hij ooggetuige was, levert een
beschrijving van
het boek, waarbij hij zelfs details verstrekt over het aantal van acht
vellen
papier of katernen, & waarin hij in het derde Hoofdstuk wil
aantonen dat de
eerzucht van de wetgevers de enige bron is geweest van alle
Godsdiensten, en
als voorbeeld noemt hij Mozes, Jezus Christus en Mohammed. Struvius
(Burcardus
Gotthelffus Struvius) vermeldt volgens Tenzelius hetzelfde
detail, &
en vindt voor het geloof in het bestaan van het boek alleen maar
verzinsels.
De Journalist
uit Leipzig beschrijft
die samenvatting in zijn Acta Eruditorum van de maand Januari
1709 pag.
36 & 37, in een brief waar hier de strekking van
volgt: Toen
ik in Saksen was, heb ik het boek Over de drie Bedriegers
gezien, in het
studeervertrek van Mr.***. Het is een boek in octavo, in het Latijn,
zonder
aanduiding van de naam van de drukker, noch van het jaar van uitgave.
Het lijkt,
te oordelen naar het lettertype, in Duitsland vervaardigd. Ik heb alle
mogelijke
vindingrijkheid in het werk gesteld om toestemming te krijgen om het
hele boek
te lezen, maar de eigenaar van het boek - iemand met een
verfijnde vroomheid -
wilde daar op geen enkele manier toestemming voor geven, & ik heb
zelfs
gehoord dat een beroemde Professor uit Wittenberg hem daar een grote
som geld
voor heeft geboden. Kort daarna ben ik naar Neurenberg gegaan, waar ik
op
zekere dag over dat boek een onderhoud had met Mr. André
Myldorf,
door
zijn leeftijd en zijn leer een achtenswaardig man, die mij in
vertrouwen
bekende dat hij het had gelezen, & dat het Mr. Wlfr, een
geestelijke, was die het aan hem had uitgeleend. Uit de manier
waarop hij
mij
bijzonderheden over de zaak verstrekte, kon ik uitmaken dat het een
exemplaar
betrof dat geheel in overeenstemming met het voorgaande was. Daaruit
kon ik
concluderen dat het zonder twijfel om het desbetreffende boek ging. Elk
ander
boek dat niet in octavo was, noch zo’n oud impressum had, kon niet het
echte
boek zijn. De schrijver van dat boek had meer opheldering kunnen
&
moeten geven, want het is niet genoeg dat ik zeg dat ik het heb gezien,
maar
meer dan tot hier aan toe wordt in dat artikel niet vermeld. De eerste
die
heeft gezegd dat het boek al in 1543 bestond, is Guillaume Postel
in
zijn verhandeling over de overeenkomst van de Koran met de leer van de
Lutheranen of de Evangelisten, dat hij de titel gaf de
Anti-evangelisten, &
dat hij werkelijk afschuwelijk maakte, omdat hij wilde laten zien dat
het
Lutheranisme rechtstreeks tot het Atheïsme leidt. Als bewijs voert
hij
drie of
vier boeken aan die, volgens hem, door Atheïsten zijn geschreven,
en
waarvan
hij zegt dat zij de eerste aanhangers van het zogenaamde nieuwe
Evangelie zijn
geweest. I
darguit nefarius
tractatus Villanovani de tribus Profetis, cimbalum mundi Pantagruelus,
&
novae insulae, quorum autores errant an evangelistarum antesignani. De Villanovanus, waarvan Postel
zegt
dat hij de schrijver van het boek Over de drie Bedriegers is, is
Michel
Servet, zoon van een Notaris, in 1509 geboren in Villanova in
Aragon, die
de naam Villanovanus heeft gebruikt in het voorwoord dat hij
toevoegde
aan een Bijbel, die hij in 1542
in Lyon door Hugues de la Porte liet
drukken, & die in Frankrijk de naam Villeneuve heeft
aangenomen.
Onder die naam heeft men zijn rechtszaak gevoerd, nadat hij in 1553,
hetzelfde
jaar als zijn dood, in de Viennois en Dauphiné, zijn boek had
laten
drukken met
de titel Christianismi restitutio. Dat boek is uiterst
zeldzaam geworden
vanwege de moeite die men in Genève verricht, om de exemplaren
op te
sporen om
ze te verbranden. Maar in alle catalogi van de boeken van Servet, wordt
geen
enkel boek Over de drie Bedriegers vermeld. Noch Calvijn,
noch
de Bèze, noch Alexander Morus, noch
enige
andere
verdediger
van de groep van Hugenoten, die tegen Servet hebben geschreven, &
die er
belang bij hadden om zijn doodstraf te rechtvaardigen & en hem
schuldig te
bevinden aan het schrijven van het boek, zou hem daarvan hebben kunnen
beschuldigen. Postel, een ex-Jezuïet, is de eerste die
dat
onterecht
heeft gedaan.
Florimond de
Raemund, Raadsheer van
het Parlement in Bordeaux, heeft
schriftelijk bevestigd dat hij het gedrukte boek onder ogen heeft
gehad. Kijk maar
wat hij zegt: “Jacques Curio zegt in zijn Chronologie van het
jaar 1556,
dat de Palts volstroomde met bespotters van de godsdienst, zogenaamde Liévanisten,
mensen
die
de
Heilige Boeken als fabeltjes beschouwden, vooral die van
Gods
grote Wetgever, Mozes. Heeft men ooit een boek gezien, bedacht in
Duitsland,
maar elders gedrukt, tezelfdertijd dat ook de ketterij een rol speelde,
dat die
leer verspreidde, dat de titel Over de drie Bedriegers droeg,
& dat
de spot dreef met de drie Godsdiensten, die alleen de ware God
erkennen, de
Joodse, de Christelijke & de Mohammedaanse? Alleen de titel al laat
al zien
wat voor eeuw het was waarin het ontstond en die een dergelijk
godslasterlijk
boek voortbracht. Ik hoef niet te vermelden hoe, vóór
mij, Osius &
Génébrard daarover hebben gesproken. Ik herinner me dat
ik in mijn
jeugd op
school een exemplaar heb gezien in de handen van Ramus, iemand die door
zijn
diepzinnige & uitmuntende kennis nogal opmerkelijk was, en die zijn
geest
in de war had gebracht door ettelijke onderzoeken naar de geheimen van
de
godsdienst, die hij samen met de Filosofie hanteerde. Men liet dat
kwaadaardige
boekje bij de allergeleerdste mensen, die het graag wilden zien, van
hand tot
hand gaan. O blinde nieuwsgierigheid!” De hele wereld kende Florimond
de
Raemund
als een onbeduidend schrijver, waar doorgaans drie gedenkwaardige
dingen over werden
verteld. Aedificabat sine pecunis, judicabat sine conscientis,
scribebat
sine scientia. Er werd zelfs beweerd dat hij vaak zijn naam leende
aan P. Richaume,
een Jezuïet (wiens naam bij de Protestanten zeer gehaat was), die
zichzelf op
zijn beurt verschool achter de naam van de raadsheer van Bordeaux. Maar
als Osius
& Génébrard er net zo nadrukkelijk over
hebben gesproken
als Florimond
de Raemund, wordt het ietwat in evenwicht gebracht. Kijk maar wat Génébrard
daarover zegt op bladzijde 39 van zijn Antwoord aan Lambert Danan,
gedrukt
in
octavo
in
Parijs in 1585. Non Blandratum, non Aleiatum, non
Ochinum, ad
Mahometismus imperulent : non Valleum ad atheismi professionem
induxerunt : non alium quendam ad spargendum libellum de tribus
Impostoribus, quorum secundus esset Christus Dominus, duo alii Moyses
&
Mahometus, pellexerunt. Maar is dat voldoende om het
godslasterlijke boek
nader aan te duiden? & zegt Génébrard daarmee dat hij
het boek zelf
heeft gezien?
& is het mogelijk dat men thans meer & betrouwbaarder weet, of
het echt
heeft bestaan? Hoeveel voorspellingen zijn er te allen tijde niet
opgedist over
boeken die nooit zijn gevonden, hoewel mensen beweerden dat zij ze
hadden
gezien, & zelfs de plaatsen noemden waar zij ze hadden ingekeken.
Er werd
beweerd dat het boek Over de drie Bedriegers zich in
de
bibliotheek van Mr. Salvius, gevolmachtigde van Zweden te
Munster bevond
en dat Koningin Christina het hem tijdens zijn leven niet
heeft willen
vragen, maar pas toen ze wist dat hij was overleden. Toen heeft zij Mr.
Bourdelot, haar lijfarts gestuurd, om aan de
weduwe te
vragen of zij
haar
nieuwsgierigheid mocht bevredigen. Maar zij had geantwoord dat de zieke
op de
avond vóór zijn dood, uit wroeging het boek in zijn kamer
in het vuur
had
gegooid. Het is ongeveer in dezelfde tijd dat Christina gedreven
op
zoek
was
naar
het Colloquium heptaplomeres van Bodin, een
manuscript,
dat destijds zeer zeldzaam was. Na lang zoeken, slaagde zij erin om het
te
vinden. Maar met wat voor hartstocht heeft zij dat boek de tribus
Impostoribus willen zien? Wat voor speurtochten heeft zij niet in
alle
bibliotheken van Europa verricht? Zij is gestorven zonder dat zij het
heeft op
kunnen sporen. Moet je dan niet tot de slotsom komen dat het nooit
heeft bestaan?
Anders was door de inspanningen van Koningin Christina dat
Boek, waarvan Postel vermeldt dat het in 1543 en Florimond
de
Raemund dat
hetin
1556 is verschenen, zonder twijfel ontdekt. Later hebben anderen andere
tijdstippen
aangewezen.
In 1654 schreef
Jean-Baptiste
Morin, een beroemd Arts & Wiskundige, een brief onder de naam
Vincent
Panurge, die hij aan zichzelf adresseerde. Vincentii Panurgii
epistola de
tribus Impostoribus, ad clarissimum virum Joan. Bapt. Morinum Medicum. De
drie
Bedriegers,
waar
hij het over wilde hebben, waren Gassendi, Neure
&
Bernier, die hij door die titel in een kwaad daglicht wilde stellen. Christian
Kortholt
heeft in 1680 de titel de tribus Impostoribus aan
zijn
boek,
gericht
tegen
Herbet, Hobbes & Spinoza,
gegeven & en
heeft in zijn voorwoord gezegd, dat het echte Traktaat Over de drie
Bedriegers in handen van een boekhandelaar in Bazel was gezien. Zo
heeft
men die titel misbruikt tegen de tegenstanders, & heeft men
gerekend op de
goedgelovigheid van schijngeleerden, die, zonder nader onderzoek, het
slachtoffer van een eerste blik zijn geworden. Want zou het mogelijk
zijn
geweest, als het boek echt had bestaan, dat het was weerlegd, zoals dat
is
gebeurd met het boek over de Pre-Adamieten van Mr. de la Peyrere, de
geschriften van Spinoza, en zelfs het werk van Bodin?
Het Colloquium
heptaplomeres, hoewel het een handschrift was, is weerlegd.
Verdient het
boek de tribus Impostoribus meer genade? Hoe komt het dat het
niet door
de hand van de beul is verbrand? Boeken tegen de goede zeden worden
soms
gedoogd, maar boeken die ook de basis van de Godsdienst fel aanvallen
blijven
nooit ongestraft. Florimond de Raemund, die beweert dat hij het
boek
heeft gezien, heeft ze als sprookjesverhalen bestempeld. Hij haalt Ramus
aan,
die toen al dertig jaar dood was, en die hij niet meer van de leugen
kon
overtuigen. Hij citeert Osius & Génébrard,
maar
in
vage
bewoordingen,
en
zonder de plaatsen in hun werken nader aan te duiden.
Hij zegt
dat het boek, dat beter achter slot en grendel had kunnen worden
opgeborgen en
veilig had kunnen worden verborgen, van hand tot hand ging.
Men kan de
passage van Thomas
Browne inbrengen, deel I, paragraaf 19 van zijn boek met de titel Religio
medici, uit het Latijn naar het Engels vertaald door Jean
Merrivheater, die
als volgt luidt: Monstrum illud hominis, diis inferis a secretis
scelus,
nefarii illius tractatus de tribus Impostoribus autor quantumvis ab
omni
Religione alienus a deo ut nec Judaeus, nec Turca, nec Christianus
fuerit,
plane tamen athaeus non erat. Waar haalt men het vandaan, dat hij
het boek
moet hebben gezien, om zo over de schrijver te oordelen? Maar Browne
zegt
dat nadrukkelijk omdat Bernardin Ochin, die, volgens hem, zoals
hij met
een sterretje aangeeft, de schrijver van dat boek is geweest, eerder
Deïst dan
Atheïst was, & dat elke Deïst met verstand & een
beetje
belezenheid in
staat is om een dergelijke opzet te bedenken en uit te voeren. Molthius
staat
er, in zijn aantekening over die passage van Browne, terecht
niet voor
in, dat het boek in het Latijn is geschreven, & Ochin heeft
nooit
anders dan in het Italiaans geschreven. Hoe meer hij ervan werd
verdacht dat
hij deel had gehad aan dat werk, des te meer maakten zijn vijanden
stampij over
een aantal van zijn Dialogen, die betrekking hadden op de
Drievuldigheid &
de Polygamie, en zij zouden hem het vertoog Over de drie
Bedriegers, vast
niet hebben vergeven. Maar hoe kunnen wij belang hechten aan Browne
& Génébrard, die Ochin als
Mohammedaan
behandelen, & die
zeggen dat hij noch een aanhanger van Mozes, noch van Jezus Christus,
noch van
Mohammed is geweest? Wat een tegenstrijdigheden!
Naudé dacht, ten gevolge van een lachwekkend
misverstand,
dat het Vertoog over de drie Bedriegers het werk was van d’Arnault
de
Villeneuve, een schaamteloze & onbeschaafde schrijver. Erustius
verklaart
dat hij, toen hij in Rome bij Campanella was, heeft horen
zeggen dat het
een werk van Mures was, een zeer beschaafde & zeer
Latijnse
schrijver, meer dan twee eeuwen ná Arnauld de Villeneuve.
Maar
Erustius
moet zich vergissen, & Campanella verschilt met hem van
mening. Want
in het voorwoord bij zijn Atheismus Triumphatus, & nog
nadrukkelijker in zijn zaak over het gentilismo non retinendo,
zegt hij
dat het werk in Duitsland is ontstaan. Met andere woorden, hij wekt het
vermoeden dat het alleen maar in Duitsland is gepubliceerd, maar dat
het stuk
van Muret is. Dat is geheel tegenovergesteld aan wat Florimond
de
Raemund
hierboven heeft gezegd, namelijk dat het boek in Duitsland is bedacht,
hoewel
het elders is gedrukt. Maar Muret is valselijk beschuldigd
& heeft
geen verdediging nodig. Er is, op grond van zijn zedelijkheid, een
oordeel over
zijn godsdienst geveld. De Hugenoten, die boos waren geworden omdat
hij, nadat
hij kennis had gemaakt met hun leer, die vervolgens onherroepelijk
vaarwel had
gezegd, hebben hem bij die gelegenheid niet ontzien. De Bèze
heeft hem,
in zijn Kerkelijke Geschiedenis, twee misdrijven aangewreven, waarvan
de tweede
het Atheïsme was. Joseph Scaliger, die zich door hem
gekwetst
voelde,
door een futiel wetenswaardigheidje, heeft hem niet meer recht gedaan. Muret,
zo zei hij kwaadaardig, was de beste Christen ter
wereld,
als hij
net zo goed
in God geloofde als dat hij ervan overtuigd was dat hij daarin moest
geloven.
Daar is de slechte indruk die men over Muret heeft gekregen
vandaan
gekomen, en in plaats van dat men rekening had gehouden met de
voorbeeldige
vroomheid, waar hij in de laatste jaren van zijn leven stichtelijke
tekenen van
heeft gegeven, heeft men bedacht om hem vijftig jaar na zijn dood, bij
zijn
meest uitgesproken vijanden, zwart te maken. Het staat zonder twijfel
vast dat
hij dat tijdens zijn leven nooit had bereikt.
Dwaze
samenstellers, die
maar een vernisje van kritiek hebben, hebben in diezelfde beschuldiging
onder
woorden gebracht, wat zij op het eerste oog konden bedenken. Ene Etienne
Dolet, uit Orléans, ene François Pucci, uit
Florence, ene Jean
Milton, uit Londen, ene Merula, een zogenaamde
Mohammedaan, en zelfs Pierre Arretin, heeft men erbij
betrokken, zonder te
bedenken
dat hij
zeer onwetend was, niet had gestudeerd, onontwikkeld was & zijn
eigen
landstaal niet kende. Men had namelijk over hem horen praten als een
zeer
onverschrokken & zeer losbandige Schrijver, & toen had men
bedacht om
hem de schrijver van dat boek te maken. Om dezelfde redenen heeft men Pogge
&
anderen beschuldigd. Men is zelfs teruggegaan tot Boccaccio, zonder
twijfel
vanwege
zijn
derde verhaal uit zijn Decamerone, waar melding
wordt
gemaakt van de parabel van de drie gelijksoortige ringen, die hij op
een zeer
gevaarlijke manier toepaste op de Joodse, de Christelijke & de
Mohammedaanse Godsdienst, alsof hij daarmee wilde suggereren dat het
niet uitmaakte
welke van de drie men wilde aanhangen, omdat men aan geen van hen de
voorkeur
kon geven. Men heeft evenmin Machiavelli & Rabelais
vergeten,
die Decner noemt, & de Hollander, die het boek van Browne,
Religio
Medici, in het Frans had vertaald, en in zijn aantekeningen
bij
Hoofdstuk 20, behalve Machiavelli, ook Erasmus noemt.
Het is minder
onzinnig om Pomponace,
& Cardan, erbij te betrekken Pomponace heeft, in
Hfdst. 14. van
zijn Traktaat over de onsterfelijkheid van de ziel, waarin hij
zuiver
als Filosoof betoogt en afstand neemt van het katholieke geloof, waar
hij aan
het slot van zijn boeken plechtig bezwaar tegen maakt om zich daaraan
te
onderwerpen, het aangedurfd om te zeggen dat de leer van de
onsterfelijkheid
van de ziel, door alle Godsdienststichters is geïntroduceerd om
het
Volk onder
de duim te houden en dat daar de hele wereld, of het grootste gedeelte
daarvan,
het slachtoffer van is. Ik ga er namelijk van uit, voegt hij daaraan
toe, dat
er maar drie Godsdiensten zijn, die van Jezus Christus, die van Mozes
& die
van Mohammed, en als die alledrie vals zijn, volgt daaruit dat de hele
wereld
wordt bedrogen. Dat is een schandalige redenering, die, ondanks alle
voorzorgsmaatregelen van Pomponace, Jacques Charpentier in de
gelegenheid heeft gesteld om te schrijven quid vel hac solâ
dubitatione in
Christiana Schola cogitari potest perniciosus? Cardan maakt het in
deel 11 van
zijn boeken met zijn scherpzinnigheid nog erger. Hij vergelijkt in het
kort de
vier algemene Godsdiensten met elkaar, & nadat hij ze naast elkaar
heeft
gehouden, waarbij hij zich voor geen enkele uitspreekt, eindigt hij
abrupt met
het krachtige his igitur arbitrio relictis, wat betekent dat
hij het aan
het toeval overlaat om te beslissen welke er wint. Dat is een
uitspraak, die
hij in de tweede druk zelf rechtzet. Dat neemt niet weg, dat die
uitspraak
dertig jaar later door Jules Scaliger zeer scherp wordt
herhaald, ten
gevolge van de vreselijke betekenis die zij, volgens Cardan, krijgen,
als
een
van
de
vier groeperingen, welke het ook moge zijn, de overwinning
zou
behalen, hetzij door de macht van het verstand, hetzij door de macht
van het
wapen.
In het laatste
artikel van
de Naudæana, dat een rapsodie van blunders &
onjuistheden
is, heeft
hij enige naspeuringen verricht met betrekking tot het boek Over de
drie
bedriegers. Hij zegt daarin dat Ramus het aan Postel
toe
heeft geschreven, waar geen spoor van is terug te vinden in de
geschriften van Ramus.
Hoewel Postel merkwaardige inzichten heeft gehad, & Henri
Etienne
beweert dat hij hem heeft horen zeggen, dat men van de drie
Godsdiensten, de
Joodse, de Christelijke & de Mohammedaanse, één ware
zou kunnen
maken,
heeft hij toch in geen enkel van zijn werken de opdracht van Mozes,
noch de
Goddelijkheid van Jezus Christus aangevallen. Hij heeft het zelfs
gewaagd om in
nauwkeurige bewoordingen staande te houden dat de Venetiaanse
religieuze
Liefdezuster, die hij moeder Johanna noemde, de Verloster van de
vrouwen was,
zoals Jezus Christus de Verlosser van de mannen is geweest. Hij is
alleen zo
dwaas geweest om, nadat hij had gezegd dat bij de mens de animus het
mannelijke
gedeelte
was,
en de anima het vrouwelijke, daaraan
toe te
voegen dat die twee gedeelten door de zonde waren verdorven, en dat
zijn moeder
Johanna het vrouwelijke gedeelte zou herstellen, zoals Jezus Christus
het
mannelijke gedeelte had hersteld. Het boek waarin hij die uitwas opdist
werd in
het jaar 1543 in octavo in Parijs gedrukt, onder de titel De
drie
luisterrijke
Overwinningen
van
de Vrouwen, & is niet zo
zeldzaam geworden,
dan dat men het niet eenvoudig meer zou kunnen vinden. Men zou
hetzelfde kunnen
zien bij degene die het boek Over de Drie Bedriegers heeft
uitgegeven,
als het waar zou zijn dat hij zich aan die overmaat van godslastering
te buiten
was gegaan. Hij had zich er zo van gedistantieerd, dat hij vanaf het
jaar 1543,
openlijk verklaarde dat het het werk van Michel Servet was en
voelde
zich op geen enkele manier bezwaard om zich op de Hugenoten te wreken,
zijn kwaadsprekers,
door hen, in een brief die hij in het jaar 1563 aan Masius
schreef,
ervan te beschuldigen, dat zij het zelf in Caen hadden laten drukken, nefarium
illud
trium
Impostorum
Commentum seu liber contra Christum, Moysen & Mahometum
Cadomi
nuper ab illis qui Evangelio Calvini se adductissimos
profitentur typis
excussus est. In hetzelfde artikel van de Naudæana wordt
gesproken
over
een
zekere
Barnaud, in zodanige warrige bewoordingen dat
men er
niets van begrijpt, die in elk geval een klein boekje in zijn bezit had
met de
titel De Geneefse Aap. Het is in octavo, telt 98 pagina’s, en
is gedrukt
in het jaar 1613, zonder plaatsbenaming. De schrijver wordt er ook niet
op
vermeld, en zou volgens de Bisschop van Pamiers heel goed Henri de
Sponde kunnen
zijn. Hij vertelt dat daar in die tijd een arts was, met de naam Barnaud,
een overtuigd Ariaan, die ook best het boek de tribus Impostoribus,
zou kunnen
hebben geschreven. Volgens die berekening zou het dus van een heel
recente
datum kunnen zijn. Wat het nog meer terecht maakt in hetzelfde artikel
in de Naudæana,
is het feit, dat men vertelt dat Naudé, die wat boeken
betreft
iemand is
met een oneindige ervaring, zelf nooit het boek Over de drie
Bedriegers heeft
gezien, dat hij dacht dat het nooit was gedrukt, & dat hij dacht
dat wat
men erover vertelde, volstrekt ongeloofwaardig was.
Aan die
opsomming van
beroemde Atheïsten kan ook nog Jules César Vanini, worden
toegevoegd,
die
in
het
jaar 1619, onder de naam van Luccilio Vanino, in
Toulouse
werd verbrand. Hij werd ervan beschuldigd dat hij dat slechte boek, een
aantal
jaren vóór zijn doodstraf, in Frankrijk had verspreid.
Als er
schrijvers bestaan
die zo vreselijk goedgelovig zijn, mensen die zo verstoken zijn van
gezond
verstand, dat zij die onbeschaamdheden aannemen, & geloven dat dat
boek
destijds op verschillende plaatsen in Europa in het openbaar werd
verkocht,
zouden de exemplaren van dat boek niet zo zeldzaam zijn. Eén
enkel
exemplaar
zou voldoende zijn om het vraagstuk op te lossen. Maar er wordt geen
enkel
exemplaar ontdekt, noch bij de mensen hier, noch bij de mensen, waarvan
wordt
verteld dat zij het zelf hebben gedrukt, hetzij Christian Wechel in
Parijs,
in
het
midden van de zeventiende eeuw, hetzij een zekere Nachtegael, in
den
Haag in 1614 of 1615. De oude Theophile
Raynaud heeft gezegd
dat de eerste, hoe rijk
hij ook
was, door
een goddelijke bestraffing tot een uiterste armoede is vervallen. Mullerus
zegt
dat de tweede eerloos uit den Haag werd verjaagd. Maar Bayle heeft
in
zijn
Encyclopedie
bij
de naam Wechel, nadrukkelijk dat
fabeltje van de
hand gewezen, dat over die Drukker de ronde doet. Wat Nachtegael betreft,
vermeldt
Spizelius dat die man, die uit Alkmaar afkomstig
was,
werd
verjaagd, niet omdat hij het boek Over de drie bedriegers had
gepubliceerd, maar omdat hij aantal godslasterlijkheden van hetzelfde
soort had
uitgesproken. Als men tot slot aandachtig & geduldig nagaat, wat Vincent
Placcius
zegt in de uitgave in folio van zijn
uitgebreide
werk over
de Anonymis & Pseudominis, Christian Korthold in
zijn boek
over de tribus Impostoribus, herzien door zijn zoon Sébastien,
& tot slot Struvius in de
uitgave van
1706 van zijn
verhandeling de
doctis Impostoribus, dan zal men in hun onderzoeken niets
aantreffen dat
bewijst dat het boek heeft bestaan. Het is verbijsterend dat Struvius,
die, ondanks de uiterst bedrieglijke bewijzen die Tenzelius
hem
over het bestaan van het boek heeft kunnen leveren, nog steeds bij zijn
weigering blijft, en vervolgens vermeldt dat hij, op de meest
luchthartige
gronden die men zich kan voorstellen, gelooft dat het boek bestaat.
Toen hem een
toegevoegd
voorwoord bij het Athéismus Triumphatus in handen viel,
ontdekte
hij dat de
schrijver, om zich vrij te pleiten van het misdrijf van het schrijven
van het
boek de tribus Impostoribus, waarvan hij was beticht, ten
antwoord gaf
dat het boek, 30 jaar voordat hijzelf ter wereld kwam, het boek al het
daglicht
had gezien. Wat geweldig! Dat antwoord, dat zomaar te berde werd
gebracht, was
voor Struvius zo tekenend, dat hij zijn twijfel over het
bestaan van het
boek opgaf. Hij kwam tot de slotsom dat het vast stond, omdat hij niet
meer
onder het tijdstip van de uitgave uit kon, dat 30 jaar aan de geboorte
van Campanella was voorafgegaan, en omdat dat in 1568 was,
viel derhalve
het
juiste
tijdstip in 1538. Hij schoof de ontdekkingen vanaf dat tijdstip verder
terug en
besloot om Boccaccio als schrijver van het boek te beschouwen,
door een
foutieve interpretatie van het boek van Campanella, die in het
tweede
hoofdstuk, paragraaf 6, van het boek met de titel Atheismus
Triumphatus
zich als volgt uitdrukt: huc Boccaccius in fabellis impiis probare
contendit
non posse discerni inter legem Christi, Moysis & Mahometis quia,
eadem signa habent, ut tres anulli consimiles. Maar
heeft
Campanella daaruit
begrepen dat Boccaccio de schrijver van het boek de tribus
Impostoribus is geweest? Allesbehalve, antwoorden de
Atheïsten
overigens op
die weerlegging. Hij zegt bovendien dat hij daar met contra
Boccaccium &
librum de tribus Impostoribus mee heeft afgerekend. Struvius haalt
zelf,
in
paragraaf
IX van zijn verhandeling de doctis Impostoribus de
passage
van Erastius aan, die zegt dat Campanella hem
heeft
verteld dat het boek van Muret was; maar Muret
was in 1526
geboren, & omdat het boek in 1538 is gedrukt, was Muret
pas
12 jaar, een leeftijd waarop verondersteld kan worden dat hij nooit in
staat is
geweest om een dergelijk boek te schrijven. Men moet dus tot de slotsom
komen
dat het boek de tribus Impostoribus, dat in het Latijn is
geschreven
& en is gedrukt in Duitsland, nooit heeft bestaan. Er heeft nooit
een
gedrukt boek bestaan, hoe zeldzaam het ook moge zijn, waarvan men meer
uitgesproken & uitvoerige gegevens heeft bezeten.
Als iemand nooit de werken van Michel Servet onder ogen heeft
gehad, kan
hij toch altijd hebben geweten dat zij ooit zijn gedrukt, of dat zij
hebben
bestaan vóór de twee recente uitgaven, die zijn
vervaardigd van het Cymbalum
mundi, een werk van Bonaventura des Perriers, die
schuilgaat achter
de naam Thomas du Clevier, en die zegt dat hij het uit het
Latijn heeft
vertaald. Daar bestaan nog maar twee oude exemplaren van, een in de
Koninklijke
Bibliotheek, & het andere in die van Mr. Bigot, uit Rouen.
Men weet
daarvan dat ze zijn gedrukt, en het tijdstip & de naam van de
boekverkoper
zijn bekend. Hetzelfde gaat op voor het boek La Béatitude des Chrétiens, ou le fléau
de la foi, waarvan de
schrijver, Geofroi Valée uit
Orléans, op 9 februari 1573
in Greve werd opgehangen en
verbrand, nadat
hij zijn
dwaling had afgezworen. Het is een klein boekje, 13 bladzijden in
octavo,
gedrukt zonder vermelding van plaats & datum en zeer slecht
beargumenteerd,
maar zo zeldzaam, dat het exemplaar dat de abt d’Etrées in
zijn
bezit
had,
waarschijnlijk
uniek is. Als al die boeken volkomen zouden zijn
verdwenen,
zou men er desalniettemin niet aan twijfelen dat ze hadden bestaan,
want hun
geschiedenis is even waar, als dat de geschiedenis van het boek Over
de
drie
Bedriegers,
apocrief is.
REACTIE
OP DE
VERHANDELING
VAN
Mr.
DE
LA
MONNOYE,
OP HET VERTOOG
OVER DE DRIE BEDRIEGERS.
Het
gaat om een soort verhandeling die vrij weinig overtuigend is, en die
aan het
einde van de uitgave van de Menagiana ( de verzamelde
geschriften van
Gilles Ménage) staat. Omdat die hier te lande wordt gepubliceerd
schept
dat de
gelegenheid om de pen ter hand te nemen en het publiek enige zekerheid
te
verschaffen over een onderwerp, waarover, naar het lijkt, alle
geleerden hun
kritiek willen geven. Tegelijkertijd biedt het een kans om een zeer
groot
aantal zeer schrandere personen en zelfs sommige uitgesproken deugdzame
mensen
vrij te pleiten. Men heeft hen namelijk laten doorgaan voor de
Schrijvers van
een boek dat het onderwerp vormt van deze Verhandeling, waarvan wordt
gezegd
dat die van de hand van Mr. de la Monnoye is.
Ik betwijfel niet dat u dat nieuwe boek al in uw handen heeft. U
begrijpt dat
ik het wil hebben over het kleine Vertoog de Tribus Impostoribus. De
Schrijver van de Verhandeling houdt staande dat het Boek niet bestaat.
Hij
probeert zijn mening te staven met vermoedens, waarbij geen enkel
bewijs in
staat is om indruk te maken op een geest die er niet aan is gewend, om
gebukt
te gaan onder iets dat men hem wijs wil maken. Ik ga die Verhandeling
niet
artikel na artikel ontzenuwen, want die biedt niet meer nieuws dan wat
er te
vinden is in een Latijnse Verhandeling, over de Doctis Impostoribus
van Mr. Burcard
Gothelf Struve, dat in
1706 een
tweede druk beleefde bij Muller in Gêne, &
die de
Schrijver onder
ogen heeft gehad, omdat hij eruit citeert. Ik heb een veel
betrouwbaarder
middel bij de hand om die Verhandeling van Mr. de la Monnoye met de grond gelijk te maken. Ik zal hem
duidelijk
maken dat ik meis oculis dat beruchte kleine Vertoog de
Tribus
Impostoribus heb gezien en dat ik het in mijn boekenkast heb
staan. Ik ga u
verslag uitbrengen, Mijnheer & publiek, van de manier waarop ik het
heb
ontdekt, & hoe ik het onder ogen heb gekregen. Ik zal u daar een
korte
& waarheidsgetrouwe samenvatting van geven.
Toen
ik in 1706 in Frankfurt am Main was, begaf ik mij op
zekere dag
naar een van de boekverkopers, die het meest ruim voorzien was van
allerlei
soorten boeken, samen met een jood & vriend, die Frechet heette
en
destijds
student
in
de theologie was. Wij waren de catalogus van de
boekverkoper aan het bestuderen, toen wij een of andere Duitse officier
de
winkel binnen zagen komen, die zich tot de boekverkoper richtte en hem
in het
Duits vroeg of hij de koop wilde sluiten, want dat hij anders op zoek
ging naar
een andere handelaar. Frechet, die de officier herkende
salueerde &
hernieuwde hun kennismaking. Dat stelde hem in de gelegenheid om de
officier,
die Trausendorff heette, te vragen wat voor appeltje hij met
de
boekverkoper had te schillen. Trausendorff gaf hem ten antwoord
dat hij
twee manuscripten & een heel oud boek had, waarvoor hij een prijsje
wilde
maken voor de komende veldtocht, & dat de boekverkoper 50
rijksdaalders
minder wilde geven. Hij wilde voor die drie boeken maar 450
rijksdaalders
geven, terwijl hij er 500 voor wilde maken. Dat grote bedrag voor twee
manuscripten & een klein boekje wekte bij Frechet nieuwsgierigheid
op,
en
hij
vroeg aan zijn vriend of hij de stukken, die hij zo duur
wilde
verkopen, mocht zien. Trausendorff trok meteen een perkamenten
pakje uit
zijn zak, vastgemaakt met een zijden koordje, maakte het open en haalde
er zijn
drie boeken uit. Wij liepen naar het magazijn van de boekwinkel, om het
in alle
vrijheid te bekijken. Het eerste dat Frechet opende bleek een
gedrukt
boek, dat een handgeschreven Italiaanse titel droeg op de plaats van de
echte
titel, die eruit was gescheurd. De titel was Spascio della bestia
trionfante, en het impressum leek niet oud. Ik geloof dat het
hetzelfde
was, waar Toland, een paar jaar geleden, een Engelse vertaling
van heeft
laten drukken en waarvan de exemplaren zo duur worden verkocht. Het
tweede, dat
een oud Latijns handschrift was met een zeer ingewikkeld lettertype,
had
helemaal geen titel, maar bovenaan de eerste bladzijde stond in een
vrij groot
lettertype geschreven: Othoni ilustrissimo amice mea carissimo F.
I.
S.
D.
Het
werk begon met een brief, waarvan de eerste regels luidden: Quod
de
tribus
famosissimis
nationem deceptoribus in ordinem jussu meo,
digessit
doctissimus ille vir, quorum sermonem de illi re in museo meo habuisti,
exscribi curavi; atque codicem illum stylo aque vero ac puro scriptum,
ad te
quam primum mitto: et-enim; &c. Het derde manuscript was ook
in het
Latijn & zonder titel & begon met de woorden, die volgens mij
van
Cicero zijn, uit zijn eerste boek De natura Deorum: Qui vero Deos
esse dixerunt,
tanta sunt in varietate & dissensione consistuti, ut eorum
molestum
sit annumerare sententias: ….. alterum fieri potesti profecto,
ut earum
nulla; alterum certe non potest, ut plus una vera sit.
Nadat Frechet
nogal haastig
de drie boeken had doorgebladerd, bleef hij stilstaan bij het tweede,
waarover
hij zo vaak had horen spreken, & waarover hij zoveel verschillende
verhalen
had gelezen. Zonder ook maar iets van de andere twee te bekijken, nam
hij Trausendorff apart,
& zei
hem dat hij
overal wel kopers voor die drie boeken zou kunnen vinden. Ze`spraken
niet veel
over het Italiaanse boek, & wat het andere betrof waren zij het
erover
eens, toen zij hier en daar een aantal zinnen hadden gelezen, dat het
duidelijk
een atheistische benadering had. Toen de boekverkoper bij zijn bod
bleef, &
met de officier niet tot een vergelijk kon komen, vertrokken wij, &
arriveerden bij de woning van Frechet, die een vooruitziende
blik had en
wijn had aan laten rukken. Wij verzochten Trausendorff dringend
om
ons
te
vertellen,
hoe hij die drie boeken in handen had gekregen, en wij
lieten hem
zoveel boordevolle glazen zien, dat zijn verstand aan de wandel ging. Frechet
kreeg zonder veel moeite voor elkaar dat hij hem het
manuscript van
de de
tribus famosissimis Impostoribus afstond, maar hij moest onder een
verfoeilijke
eed verklaren dat hij het niet zou kopiëren. Op die voorwaarde
kregen
wij het
in bezit, in de periode van vrijdag tien uur ’s avonds, de avond waarop
Trausendorff op zoek was, tot zondag, de avond
waarop
hij nog een paar
flessen
wijn onder
ogen kreeg, die hem goed smaakten.
Omdat
wij niet minder verlangen koesterden dan Frechet, om met het
boek kennis
te maken, begonnen wij het meteen door te lezen, vastbesloten om tot
zondag
niet te slapen. Heeft men verteld dat het een dik boek was? Dat was het
helemaal
niet. Het was in octavo en bestond uit tien katernen, afgezien van de
Brief die
aan het begin stond, maar in zo’n klein lettertype, & overladen met
zoveel
afkortingen, zonder punten en komma’s, dat het ons heel wat moeite
kostte om de
eerste pagina in drie uur tijds te ontcijferen. Maar daarna werd het
lezen voor
ons veel gemakkelijker. Dat is volgens mij nou net de tactiek van de
Jezuïeten,
om een exemplaar van het beroemde Vertoog in handen te hebben, zonder
de
essentie, die is bedoeld om mentem interrogantis, te
verdraaien. Toen
hij eiste dat zijn boek niet zou worden gekopieerd, was het
waarschijnlijk de
bedoeling van Trausendorff, dat men het niet zou overschrijven.
Dus was
mijn oplossing dat wij er een vertaling van zouden maken. Frechet stemde
daar
met
enige
moeite in toe, & dus namen wij meteen het werk onder
handen.
Eindelijk waren wij op zaterdag, tegen middernacht met het boek klaar.
Vervolgens nam ik op mijn gemak onze gehaaste vertaling, waar wij nu
elk een
exemplaar van bezaten, nog eens door, en wij spraken af om het aan
niemand anders
door te geven. Wat Trausendorff betreft, die kreeg 500
Rijksdaalders
van de Boekverkoper, die in opdracht van een Vorst van het Huis Saksen
handelde,
die wist dat het Manuscript uit de Bibliotheek van Munchen was
ontvreemd, toen de
Duitsers zich, na de nederlaag van de Fransen & Beieren bij
Hochstet,
meester maakten van de stad. Daar was Trausendorff, zoals hij
ons heeft
verteld, woning na woning binnengegaan, tot hij in de Bibliotheek van
Zijne
Keurvorstelijke Hoogheid Maximilian Emmanuel II, terecht kwam, waar
zijn oog op
het perkamenten pakketje met het gele zijden koordje viel. Hij had niet
aan de verleiding
om het in zijn zak te stoppen kunnen weerstaan, omdat hij vermoedde dat
het wel
eens een zeldzaam stuk zou kunnen zijn. Hij had zich daarin niet
vergist.
Om
de hele geschiedenis van de ontdekking van het Vertoog af te maken,
moet ik u
nog de vermoedens vertellen, die Frechet & ikzelf over de
oorsprong
van boek hebben. Wij zijn het erover eens geworden, dat de illustrissime
Othoni,
aan wie het is toegestuurd, Otto de Grote, Hertog
van
Beieren,
zoon
van
Lodewijk I, & kleinzoon van Otto de Grote,
Graaf
van
Schiven
& Witelspach, was, aan wie Frederik Barbarossa om zijn
trouw te
belonen Beieren had geschonken, nadat hij het Heinrich de Leeuw had
afgenomen,
om
hem
voor zijn ondankbaarheid te straffen. Welnu, die Otto
de
Grote volgde in 1230 zijn vader Lodewijk I op, tijdens
de
regering
van
Keizer
Frederik II, kleinzoon van Frederik
Barbarossa, en
in de periode dat die Keizer het in alle opzichten met het Hof te Rome
aan de
stok kreeg, bij zijn terugkeer uit Jeruzalem. Daardoor hebben wij het
vermoeden
gekregen, dat het F. I. S. D., dat volgt op l’amico meo carrisimo,
Frédericus
Imperator salutem dicit, betekent. Uit dat vermoeden trekken wij
de slotsom
dat het Vertoog de Tribus Impostoribus, vóór het
jaar 1230
moet zijn geschreven,
in opdracht van de Keizer, die zo vijandig tegenover de Godsdiensten
stond, omdat
hij zo slecht was behandeld door de Leider van de zijne, wat in die
tijd
Gregorius IX was, door wie hij was geëxcommuniceerd voordat hij op
reis
was
gegaan. Hij had hem tot in Syrië achtervolgd, waar hij door zijn
intriges had
verhinderd dat zijn eigen leger hem gehoorzaamde. Die Vorst teisterde
na zijn
terugkeer de Paus in Rome, nadat hij had huisgehouden in de provincies
in de
omgeving. Uiteindelijk sloot hij vrede met hem, maar die duurde niet
lang. Er
volgde zo’n gewelddadige vijandschap tussen de Keizer & heilige
Pontifex,
dat die pas eindigde door de dood van degene, die van verdriet stierf,
toen hij
zag dat Frederik met zijn heftige razernijen de overwinning
behaalde,
& in zijn satirische gedichten, die hij overal in Duitsland,
Italië
&
Frankrijk verspreidde, de ondeugden van de Heilige Vader aan het licht
bracht.
Maar wij kunnen niet die doctissimus vir vinden, met wie Otto
over
die zaak, kennelijk in aanwezigheid van keizer Frederik, in
zijn
studeervertrek een onderhoud heeft gehad, tenzij dat alleen maar de
befaamde Pierre
des Vignes is geweest, secretaris, of zoals anderen willen,
kanselier van
Keizer Frederik II. Zijn Vertoog de protestate imperiali &
zijn
brieven
leren
ons
hoe groot zijn kennis was & hoezeer hij zich
heeft beijverd
voor de belangen van zijn meester, & over zijn vijandschap voor Gregorius
IX, de geestelijken & de kerken van zijn tijd. Het is juist dat
hij in
een van zijn brieven, zijn meester probeert vrij te pleiten, die men er
toen
van beschuldigde dat hij de schrijver van dat boek was, maar dat zou
het
vermoeden en de schijn kunnen wekken, dat hij alleen maar voor Frederik
pleitte,
met de bedoeling dat hem een dergelijke schandalige vertaling niet zou
worden aangerekend.
Misschien kunnen wij elke aanleiding tot een vermoeden wegnemen, door
de
waarheid te vertellen. Toen Frederik namelijk de verdenking
koesterde,
dat Pierre des Vignes een complot tegen zijn leven had gesmeed,
had hij hem
veroordeeld tot het uitsteken van zijn ogen, & had hij hem
uitgeleverd aan
de Pisanen, zijn meest wrede vijanden, zodat de wanhoop in een
verachtelijke
kerker, van waaruit hij niemand zijn stem kon laten horen, zijn dood
had
bespoedigd. Daarmee zijn dus alle valse beschuldigingen tegen Averroes
, Boccaccio, Delot, Arretin, Servet, Ochin,
Campanella,
Pogge,
Pulci,
Muret,
Vanini, Milton & vele anderen, vernietigd. Het blijkt dus dat
het boek,
door een geleerde van de eerste orde aan het hof van die Keizer, is
geschreven,
& in zijn opdracht. Wat betreft het feit dat men blijft volhouden
dat hij
het zelf heeft laten drukken, denk ik dat ik kan aanvoeren dat het
nauwelijks
waarschijnlijk is, omdat men zich kan voorstellen dat Frederik, die
overal
zoveel
vijanden
telde, dat boek, dat hen een goede gelegenheid
zou
verschaffen om zijn ongelovigheid te bekend te maken, niet zelf zou
hebben
verspreid. Misschien heeft hij het origineel & het exemplaar dat
hem door Otto van Beieren, was toegestuurd, nooit in zijn
bezit gehad.
Dat
lijkt mij voldoende over de ontdekking van het boek & over de
periode van
zijn ontstaan.
Ziehier de inhoud van het boek:
Het
is onderverdeeld in zes boeken of hoofdstukken, waarvan elk
verschillende
paragrafen bevat. Het eerste hoofdstuk heeft als titel de Dieu, &
bevat
zes
paragrafen,
waarin
de schrijver, die zich zonder al die
vooroordelen van
opvoeding of eigenbelang lijkt te willen voordoen, wil laten zien dat,
hoewel
de mensen een zeer bijzondere belangstelling hebben voor het kennen van
de
waarheid, zij zich alleen maar met meningen & hersenschimmen
verzadigen, &
omdat er mensen zijn die er belang bij hebben dat zij die koesteren,
zij
daaraan vast blijven houden, hoewel zij zich heel eenvoudig van dat juk
zouden
kunnen ontdoen, als zij ook maar een beetje van hun verstand gebruik
zouden
maken. Het maakt vervolgens gewag van meningen die men over de godheid
koestert, & en toont aan dat die beledigend zijn, & dat die een
beeld
schetsen van het meest afschuwelijke & onvolmaakte wezen, dat men
zich ook
maar kan voorstellen. Het legt de schuld bij de onwetendheid van het
volk - of
liever bij de dwaze goedgelovigheid ervan - dat geloof hecht aan de
visioenen
van de profeten & de apostelen, waarvan hij een beeld schetst
overeenkomstig de voorstelling die het daarvan heeft. Het tweede
hoofdstuk gaat
over de redenen, die ertoe hebben geleid dat de mensen zich een
voorstelling
van God hebben gevormd. Het is onderverdeeld in elf paragrafen. Daarin
laat men
zien dat uit de onwetendheid over de stoffelijk oorzaken een
natuurlijke angst
is ontstaan bij het zien van duizenden vreselijke ongelukken. Daardoor
is twijfel
gerezen over de vraag of er wel een onzichtbaar wezen bestaat. Twijfel
&
angst, zegt de schrijver, waar de politieke doeleinden, voor hun eigen
belang,
gebruik van hebben weten te maken & die een mening over dat bestaan
in
omloop hebben gebracht, die door anderen, die daar hun eigen belang bij
hadden,
is bevestigd. Het is ingeworteld door de dwaasheid van het volk, dat
altijd al
het buitengewone, het verhevene & en het bovennatuurlijke heeft
bewonderd. Hij
doet vervolgens een onderzoek naar de aard van God, & vernietigt de
gangbare mening over de doeloorzaak, die hij als tegenstrijdig met het
gezond
verstand beschouwt. Tot slot laat hij zien dat men zich pas een of
ander beeld
van de godheid heeft gevormd, nadat men had vastgesteld wat vervolging,
goed,
een slechte eigenschap en ondeugd, was. Dat was een verordening die men
zelf
had bedacht, & die vaak de meest onjuiste was die men zich maar
voor kan
stellen. Daaruit zijn de onjuiste opvattingen voortgekomen, die men van
de
Godheid heeft gemaakt & gehandhaafd. In het tiende hoofdstuk legt
de schrijver
op zijn eigen manier uit wat God is. Hij schetst daar een beeld van dat
vrijwel
overeenkomt met het systeem van de pantheïsten, waarbij hij zegt
dat
het woord God voor ons een oneindig wezen vertegenwoordigt,
waarvan een
van de
attributen
het bestaan van een alomvattende substantie is, & derhalve eeuwig
&
oneindig. In het elfde hoofdstuk maakt hij de gangbare mening
belachelijk, die
een God schept, die in alles lijkt op de aardse koningen. En als hij
het over
de heilige boeken heeft, spreekt hij daar op een zeer ongunstige manier
over.
Het
derde hoofdstuk heeft als titel de betekenis van het woord Religie,
en
hoe
&
waarom
er in de hele wereld een zo groot aantal is ingevoerd.
Het
hoofdstuk telt drieëntwintig paragrafen. In de eerste negen
bekijkt hij
de
oorsprong van de godsdiensten, & bevestigt met behulp van
voorbeelden &
redeneringen, dat die allesbehalve goddelijk zijn en allemaal het werk
van
tactiek zijn. In de tiende paragraaf beweert hij dat hij het bedrog van
Mozes
onthult, door te laten zien dat hij een bedrieger was & hoe hij is
opgetreden om de joodse godsdienst te stichten.
In
de elfde paragraaf wordt het bedrog van een aantal politici, zoals Numa
&
Alexander bekeken. In de twaalfde gaat het over Jezus Christus, waarvan
de
geboorte wordt onderzocht. In de dertiende & volgende paragrafen
wordt zijn
beleid behandeld. In de zeventiende & de volgende wordt zijn
zedelijkheid bekeken,
die niet zuiverder dan die van een groot aantal oude filosofen wordt
beschouwd. In de negentiende
wordt bekeken of de faam, die hij
na zijn dood heeft gekregen, van enig gewicht is geweest voor zijn
vergoddelijking. In de tweeëntwintigste &
drieëntwintigste
paragraaf wordt
tot slot het bedrog van Mohammed behandeld, waar niet veel over wordt
gezegd,
omdat er geen pleitbezorgers voor zijn leer worden aangetroffen, zoals
bij die
van de twee anderen.
Het
vierde hoofdstuk bevat waarneembare & onmiskenbare waarheden, &
heeft
maar zes paragrafen. Daarin wordt aangetoond wat God is, & wat zijn
attributen zijn. Een toekomstig leven & het bestaan van geesten
wordt
verworpen.
Het vijfde hoofdstuk gaat over de ziel. Het bevat zeven paragrafen
waarin,
nadat de gangbare mening is uiteengezet, melding wordt gemaakt van die
van de
filosofen uit de oudheid, bovendien van de mening van Descartes &
tot slot
schetst de schrijver de aard van de ziel, volgens zijn eigen systeem.
Het
zesde & laatste hoofdstuk heeft zeven paragrafen. Daarin worden de
geesten,
die men demonen noemt, behandeld, & wordt de oorsprong
&
onjuistheid van de opvatting die men over hun bestaan heeft,
aangetoond.
Ziedaar
de vorm en samenstelling van het bewuste befaamde boek. Ik had het op
een nog
uitgebreidere & breedvoerigere manier kunnen doen, maar afgezien
van het
feit dat deze brief al veel te lang is geworden, denk ik toch dat er
genoeg is
gezegd om er een beeld van te kunnen krijgen, en dat het in mijn handen
op zijn
plaats is. Duizend andere redenen, die u genoegzaam zult begrijpen,
verhinderen
mij om er zover over uit te weiden als ik zou kunnen, maar est modus
in rebus.
Dus,
hoewel dit boek in een gedrukte vorm bestaat, met een voorwoord waarin
ik de
geschiedenis van dat boek & de manier waarop het is ontdekt, heb
verteld
met een aantal vermoedens over de oorsprong ervan, afgezien van een
aantal
opmerkingen die men aan het slot kan vinden, denk ik toch niet dat het
ooit het
daglicht zal zien, of het zou moeten gebeuren dat de mensen opeens
afstand van
hun hersenschimmen zouden doen, zoals zij afstand van hun Spaanse
kragen,
canons & andere oude manieren hebben gedaan. Wat mijzelf betreft:
ik zal
mij niet blootstellen aan de theologentaal, die ik net zozeer
vrees als Fra
Paolo (Paolo Sarpi) de stylum
Romanum
vreesde, door
een
aantal
geleerden
het
plezier van het lezen van dit kleine vertoog te
gunnen.
Maar ik zal ook niet zo bijgelovig zijn om het op mijn sterfbed in het
vuur te
gooien, zoals men beweert dat Solvius, gevolmachtigde van
Zweden bij de
vrede van Munster, heeft gedaan. Degenen die ná mij zullen
komen, mogen
alles
doen waar ze zin in hebben, zonder dat ik mij in mijn graf zal
omdraaien. Voordat
ik eindig, verblijf ik hoogachtend, Mijnheer, uw zeer onderdanige
dienaar,
J.
L. R. L.
Leiden, 1 Januari 1716
Deze
brief is van de heer Pierre Fréderic Arpe, uit Kiel in
Holstein, schrijver
van het verweerschrift voor Vanini, gedrukt in Rotterdam, in
octavo, in
1712.
KOPIE

Uit
artikel IX, uit het eerste deel, van het tweede gedeelte van de Litteraire
Gedenkschriften,
gedrukt in den Haag, door Henri du Sauzet, in
1716.
Men
kan er tegenwoordig niet meer aan twijfelen, dat er een Vertoog de
tribus
Impostoribus, is geweest, omdat er verschillende handgeschreven
kopieën
bestaan. Als Mr. de la
Monnoye het ook op
dezelfde manier heeft gezien, als het in de samenvatting staat, die Mr.
Arpe daarvan heeft gegeven, in zijn brief, die op
1
Januari in
Leiden is
gedrukt, met dezelfde onderverdeling in zes hoofdstukken, en met
dezelfde
titels & dezelfde onderwerpen die erin worden behandeld, zou hij
luid
protesteren tegen de veronderstelling, die dat boek ten onrechte aan Pierre
de
Vignes,
secretaris en Kanselier van keizer Frederik II,
zou
willen toeschrijven. Die verstandige criticus had al het verschil
aangetoond
tussen de Gotische schrijfstijl van Pierre des Vignes in zijn
brieven,
en de stijl die in de brief wordt toegepast, waarvan men beweert dat
die aan de
hertog van Beieren, Otto de Grote, is geadresseerd en
gestuurd. Dat is
een opmerking die zo belangrijk is, dat die niet aan zijn aandacht kan
zijn
ontsnapt. Het Vertoog over de drie Bedriegers is geschreven
&
uiteengezet volgens de methode & principes van de nieuwe filosofie,
die pas
tegen het midden van de 17e eeuw de overhand kreeg, nadat
mensen als Descartes, Gassendi,
Bernier, & een aantal anderen, met zeer
terechte
& heldere
betogen
duidelijk
hadden gemaakt, dat de oude filosofen een voorliefde aan de dag hadden
gelegd
voor een raadselachtige geheimzinnigheid, omdat zij hun geheimen alleen
met
ingewijden wilden delen. Het is de schrijver van het werk zelfs in zijn
vijfde
hoofdstuk ontgaan, om Mr. Descartes te vermelden, terwijl hij
wel de
meningen van die grote man, over de ziel, bestrijdt. Welnu, noch Pierre
des
Vignes,
noch iemand anders van de mensen die men voor de
schrijver
van dat
boek heeft willen laten doorgaan, heeft een betoog kunnen houden
volgens de
principes van de nieuwe filosofie, die pas ná dat zij schreven
in zwang
is
gekomen. Aan wie moet dat boek dan worden toegeschreven? Men zou tot de
slotsom
kunnen komen dat het pas is geschreven in dezelfde tijd als de beknopte
brief,
die in 1716 in Leiden is gedrukt. Maar dat levert een
probleem op. Tenzelius die in 1689 & later heeft
geschreven, geeft ook een
samenvatting op
gezag van een van zijn vrienden, die beweert dat hij er ooggetuige van
is
geweest. Dus, zonder de periode waarin het boek, waarvan men vertelt
dat het in
het Latijn is gezet & gedrukt, is geschreven, vast te willen
vastleggen, kan
dat korte handgeschreven Franse Vertoog dat, óf nooit in die
taal is
geschreven, óf een vertaling uit het Latijn is – wat nauwelijks
geloofwaardig
is – niet erg oud zijn.
Het
is zelfs niet het enige boek dat, onder die titel & over dat
onderwerp, is geschreven.
Iemand, die zich verplicht voelde om zijn karakter & beroep op
andere en
meer gangbare onderwerpen toe te leggen, heeft het in zijn hoofd
gehaald om
uitgebreid werk in het Frans te schrijven, onder dezelfde titel Over
de
drie
Bedriegers.
In een voorwoord dat hij aan het begin van zijn werk
plaatst,
zegt hij dat er al heel lang over het boek Over de drie Bedriegers
wordt
gesproken, dat nergens wordt gevonden, óf omdat het nooit
werkelijk
heeft
bestaan, óf omdat het verloren is gegaan. Daarom wilde hij, om
het te
vervangen, over hetzelfde onderwerp schrijven. Zijn werk is bijzonder
lang,
bijzonder vervelend & bijzonder slecht geschreven, zonder
innerlijke
overtuiging en zonder argumentaties. Het is een warrige opeenstapeling
van
allemaal scheldwoorden & verwensingen, die hij over de drie
wetgevers
uitstort. Dat manuscript bestaat uit twee dikke delen in folio,
in een
fraai & nogal klein handschrift. Het boek is in een groot aantal
hoofdstukken onderverdeeld. Een ander, vergelijkbaar manuscript, werd
na de
dood van een adellijke Heer aangetroffen, wat de gelegenheid bood om de
schrijver, die was gewaarschuwd, en nog moeite deed om te zorgen dat er
niets
in zijn papieren werd aangetroffen dat hem zou kunnen beschuldigen, op
te
pakken. Sinds die tijd zat hij opgesloten in een klooster, waar hij
zijn straf
uitzat. In 1733 herkreeg hij zijn volledige vrijheid, & werd hem,
in de
abdij van St. Liguaire, een jaargeld toegekend van 250 pond, bovenop een eerder bedrag
van 350 pond, dat hij als winst opzij had gelegd. Hij
heette Guillaume, was
pastoor van Fresne-sur-Berny,
en broer
van een landbouwer. Voor die tijd was hij regent van het college van
Montaigu
geweest. In zijn jeugdjaren had hij dienst genomen bij de dragonders,
&
daarna was hij Kapucijn geworden.
LIJST
VAN
ONDERWERPEN
Die
worden
behandeld
in
het
boek Over
de drie
Bedriegers
&
in de
artikelen die met dat
werk in
verband staan.

HOOFDSTUK
I. Over
God. Onjuiste denkbeelden,
die de mensen over de Godheid koestert, omdat zij, in plaats van dat
zij bij
het gezond verstand & de Rede te rade gaan, zo zwak zijn dat ze in
meningen, hersenspinsels en visioenen geloven, van mensen die er belang
bij hebben
om het volk te bedriegen & te steunen in hun onwetendheid &
bijgelovigheid.
Pagina
3
HOOFDSTUK
II.
Over
de redenen
die de
mensen ertoe hebben gebracht om zich een onzichtbaar wezen voor te
stellen, dat
ze doorgaans God noemen. Dat uit de onwetendheid over de
stoffelijke
oorzaken & de vrees die door natuurlijke, maar buitengewone of
vreselijke
ongelukken wordt opgeroepen, de gedachte over het bestaan van een of
anders
onzichtbare macht is ontstaan, een gedachte waarbij de tactiek &
het bedrog
niet hebben nagelaten om daar voordeel uit te trekken. Onderzoek naar
de natuur
van God. Mening over de doeloorzaken, en verworpen als tegenstrijdig
met het
gezond verstand.
Pagina 12
HOOFDSTUK III. Wat het
woord religie betekent.
Hoe & waarom dat, in zo grote getale haar intrede in de hele wereld
heeft
gemaakt. Alle godsdiensten zijn het werk van tactiek. Het beleid van
Mozes, bij
het stichten van de joodse godsdienst. Onderzoek naar de geboorte van
Jezus
Christus, zijn beleid, zijn zedelijkheid & zijn faam ná zijn
dood.
Kunstgrepen van Mohammed om zijn religie te stichten. Succes van die
bedrieger,
dat veel groter was dan dat van Jezus Christus.
Pagina 29
HOOFDSTUK
IV. Waarneembare & onmiskenbare waarheden. Gedachte over het
alomtegenwoordige wezen. De attributen die men hem in alle godsdiensten
toekent, zijn voor het grootste gedeelte onverenigbaar met zijn wezen,
&
behoren alleen maar bij de mens. Mening over een toekomstig leven,
& over
het bestaan van geesten, bestreden & verworpen.
Pagina 79
HOOFDSTUK
V. Over de ziel. Verschillende meningen van de filosofen uit de
oudheid over
de aard van de ziel. Mening van Descartes verworpen. Uiteenzetting van
de
mening van de schrijver daarover.
Pagina 84
HOOFDSTUK
VI. Over geesten die men demonen noemt. Oorsprong & onjuistheid
van de
mening die men over hun bestaan heeft.
Pagina
93
MENINGEN over het Vertoog over de drie Bedriegers. Samenvatting van een brief of
verhandeling van Mr. de la
Monnoye over
dat
onderwerp.
Pagina
102
ANTWOORD op de verhandeling van Mr. de la Monnoye op het Vertoog
over de drie Bedriegers.
Pagina
131
KOPIE van artikel IX, uit het eerste deel, van het
tweede gedeelte
van de Litteraire Gedenkschriften, gedrukt in den Haag, door Henri
du
Sauzet, in 1706.
Einde
van de Lijst.
Inleiding
bij de Engelse uitgave, verschenen in 1904, van een
vertaling van een Frans manuscript, uit het jaar 1716, in een oplage
van 352
exemplaren.
Dit pamflet in
zijn huidige vorm, is het resultaat van een onderzoek naar de personen,
die
worden beschreven in een historische graad van de Ancient Accepted
Scottish
Rite (de Scottish Rite is toegevoegde groep van de Broederschap van
Vrijmetselaars, officieel in 1865 erkend in Indianapolis) en naar de
waarschijnlijkheid waarmee zij in de periode die in voornoemde
graad wordt
vermeld, hebben bestaan. Er bleken maar weinig mensen te zijn die een
duidelijk
beeld hadden van het verband tussen die personen – Frederik II werd met
zijn
grootvader Frederik Barbarossa verward – en de periode en datum van de
oprichting van de Orde van de Teutoonse Ridders (de Duitse afdeling van
de
Tempeliers) in 1190, die tijdens het pausdom van Oronata, ook wel
Honorius III
genaamd, werd gedateerd. Navraag over de desbetreffende feiten bij een
van de
deskundigen – die daarvan op de hoogte werd verondersteld -
bracht aan het
licht dat de zaak een paar maanden eerder door een – inmiddels
overleden -
onderzoeker onder zijn aandacht was gebracht, maar dat hij de zaak had
laten
rusten. Door dezelfde deskundige werd ook het vermoeden geuit, dat er
wellicht
door een van de commissieleden, die verantwoordelijk voor de rituele
zaken was,
een vergissing was begaan, maar hij was inmiddels ook bij zijn vaderen
te ruste
gegaan en was dus niet meer als getuige beschikbaar.
Er wordt beweerd
dat het gebeuren plaatsvond toen Frederik II Keizer van Duitsland was
en
Honorius III, de leiding over de geestelijke zaken had. Maar deze Paus
regeerde, volgens ‘Haydn’s Dictionary of Dates’ van 1216 – 1227, en de
verhandeling over het pamflet noemt Gregorius IX, de opvolger van
Honorius
(1216 – 1241) als de Paus tegen wie het vertoog was geschreven. Niemand
scheen
ook maar enigermate op de hoogte te zijn van het beruchte boek, dat in
de
verklaring werd vermeld. Navraag bij verschillende bibliotheken,
waarvan werd
verondersteld dat zij het in hun bezit hadden, over het Vertoog en bij
verschillende afzonderlijke personen, die er wellicht iets over wisten,
bracht
alleen de informatie aan het licht dat het zuiver ‘legendarisch’ was,
dat
‘alleen de titel bestond” en dat ‘het een onderdeel van een volledig
verloren
gegane litteratuur’ was.
Ik was meer dan
vijfentwintig jaar een boekenverzamelaar en zorgvuldige lezer van
boekencatalogi geweest, en had nooit gemerkt dat er een exemplaar te
koop werd
aangeboden, maar een vriend met dezelfde passie voor boeken, had gezien
dat in
een Duitse catalogus een exemplaar werd vermeld, en omdat hij, vanwege
de
hierboven vermelde redenen, in het “De Tribus Impostoribus” was
geïnteresseerd,
had hij het besteld en in bezit gekregen – een uitgave van een Latijnse
versie,
samengesteld uit een manuscript uit 1598, met een voorwoord in het
Duits. Hij
was bekend met Duits, maar beschikte niet over kennis van Latijns.
Ongeveer in
diezelfde tijd vond ik in een catalogus van een van mijn
correspondenten in
Londen, een boek met de titel “LES TROIS IMPOSTEURS. De Tribus
Impostoribus et
dissertation sur le livre des Trois Imposteurs, sm. 4to. Saec. XVIII.,"
en
ik slaagde erin om het te bemachtigen. Het manuscript is goed
geschreven en
kennelijk door twee verschillende personen, wat door de feiten die in
de
“Verhandeling” worden beschreven, waarschijnlijk is. Een exemplaar van
de
vertaling uit het Latijn is waarschijnlijk in de bibliotheek van Graaf
François-Eugène, Vorst van Savoy-Carignan terechtgekomen,
zoals in het colofon
aan het einde van het manuscript is vermeld.
Het manuscript
in het Frans van die tijd geschreven, en wordt in het colofon gedateerd
op
1716. De ontdekking van het oorspronkelijke Latijnse document wordt in
de
“Verhandeling” rond 1706 vermeld. Het is door een andere hand van
commentaar
voorzien, zoals uit de voetnoten blijkt, en een aantal ingevoegde
pagina’s, die
aantekeningen in weer een ander handschrift bevatten, zijn duidelijk
rond 1746
geschreven, omdat een van de bladzijden een gedeelte van een brief is,
die op 4
augustus van dat jaar is van een poststempel is voorzien.
Ik voeg een
bibliografie toe uit de Latijnse herdruk van Werner uit 1598, die laat
zien dat
het pamflet “eerder is geschreven”, maar we moeten opmerken dat Engelse
versies
niet zo talrijk zijn als die in andere talen, en er is maar een versie
bekend
die in de Verenigde Staten is gedrukt.
Ik ben dank
verschuldigd aan de Doctissimus vir Harpocrates, Kolonel. F. Montrose,
en
Majoor Otto Kay voor hun gewaardeerde hulp bij de talen waar ik niet
grondig
mee vertrouwd ben, en ook aan de Heer David Hutcheson, van de
Congresbibliotheek,
voor bewezen diensten.
In de
verschillende inleidingen, waar uit een aantal uitgaven uit wordt
geciteerd,
zult u uitvoerige verontschuldigingen aantreffen en mensen die verzot
op
litteraire curiositeiten zijn, zal het verschijnen van deze uitgave in
de
twintigste eeuw vast een genoegen doen.
Alcofribas
Nasier (anagram van Francois Rabelais!), de Jongere.
In 1846,
publiceerde Emil Weller "De Tribus Impostoribus," en tevens een
latere editie in 1876
in Heilbronn,
van een van de slechts vier
Latijnse exemplaren, waarvan bekend was dat ze bestonden en in 1598
waren
gedrukt. Het exemplaar waar de vertaling aan was ontleend, bestond uit
een
titelblad en zesenveertig pagina’s, quarto, en bevindt zich in de
Koninklijke
Bibliotheek in Dresden. Het werd voor honderd gulden aangeschaft.
Voor de andere
drie geldt, volgens Ebert in zijn “Bibliografische Lexicon” het
volgende: een
exemplaar bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek in Parijs, een in
de
Bibliotheek van Bolongaro Crevenna (een Italiaanse koopman en
bibliofiel in
Amsterdam) en de laatste in de bibliotheek van Augustin-Charles
Renouard.
Een uitgave werd
in Rackau (Brandenburg), in Duitsland in 1598 gepubliceerd en Thomas
Campanella
(1636) noemt in zijn "Atheismus Triumphatus," 1538 als het jaar
van
de eerste publicatie van het vertoog.
Florimond
Raimond (ook wel Louis Richeome genaamd,) beweert dat hij heeft gezien
dat zijn
leraar Peter Ramus, die in 1572 overleed, een exemplaar in zijn bezit
had.
Al die verhalen
van de theologische critici, dat het boekje voor het eerst in de
zeventiende
eeuw is gedrukt, zijn volledig uit de duim gezogen.
Er is niets
hedendaags aan de uitgave van 1598. Het kan bijvoorbeeld worden
vergeleken met
de druk van Martin Wittell uit het laatste decennium van de zestiende
eeuw,
waarvan wordt beweerd dat het in die tijd niet kan zijn gedrukt, omdat
het
papier en de druk van die tijd sterk op die van de achttiende eeuw
lijken.
Met uitzondering
van de religieuze mythen, zijn er weinig geschriften uit de donkere
middeleeuwen, waarover het ontstaan ervan zoveel hypothesen zijn
geopperd als
over dit geschriftje.
Volgens John
Brand is het in Krakau gedrukt, volgens anderen in Italië of
Hongarije, als
vertaling van een Arabisch origineel, dat zich ergens in Frankrijk
bevond.
William Postel
maakt melding van een traktaat "de Tribus Prophetis," en noemt
Michael Servetus, een Spaanse arts, als auteur.
De Kapucijner
monnik Joly beweert in Deel. III van zijn "Voordracht over
Mysteriën” dat
de Hugenoot, Nic. Barnaud, in 1612, op beschuldiging van een publicatie
van
"de Tribus Impostoribus," als de schrijver ervan, werd
geëxcommuniceerd
Johann Mueller
vermeldt in zijn "Besiegten Atheismus," (Overwonnen Atheïsme), een
zekere Nachtigal, die in 1614 in ’s Gravenhage “De Trib.
Imp.” publiceerde en daarvoor werd verbannen.
Mosheim en
Rousset beschuldigen Frederik II ervan dat hij de schrijver is en het
met
behulp van zijn Kanselier, Petrus de Veneis, heeft geschreven. Maar
hijzelf
verklaart dat zelfs tegen de fundamentele principes van het boek is
gekant, en
in zijn "Epist. Lib. I, Hfdst.. 31, p. 211." zegt hij dat hij het
nooit heeft gekend.
Anderen
schrijven het auteurschap toe aan Averroes, Peter Arretin en Petrus
Pomponatius. Heinrich Ernst beschuldigt de hierboven vermelde Postel.
Postel
schrijft het aan Servetus toe, die het op zijn beurt voor de deur van
de
Hugenoot Barnaud legt.
Er wordt beweerd
dat de aanstichter van het vertoog, Julius Caesar Vanini is geweest,
die in 1619 in
Toulouse werd verbrand, of Ryswick, die in 1612 in
Rome op de brandstapel kwam.
Andere personen
die van het auteurschap zijn beschuldigd zijn Macchiavelli, Rabelais,
Erasmus,
Milton (John, geboren in 1608,) een Mohammedaan Merula genaamd, Dolet
en
Giordano Bruno.
Volgens
Campanella, aan wie het auteurschap bij tijd en wijle werd
toegeschreven waren
Muret of Joh. Franz Poggio verantwoordelijk. Browne zegt dat het
Bernhard
Ochini was en Maresius legt het bij Johann Boccaccio.
De “drie
bedriegers” zijn Mozes, Jezus en Mohammed, maar de traktaten van de
laatste
vermeende schrijvers gaan alleen over Mozes, waarvan zij zeggen dat
zijn
beweringen in Genesis geen steek houden en niet kunnen worden bewezen.
Weller, zegt in
zijn uitgave van 1876, als hij het heeft over het exemplaar uit 1598,
dat zijn
uitgave nooit vergeleken mag worden met een van de voorafgaande.
Veel schrijvers
hebben over de "de Tribus Impostoribus" geschreven omdat zij iets
specials op het oog hadden, bijvoorbeeld John Bapt. Morinus, toen hij
het onder
de naam Vincentius Panurgius, in 1654 in
Parijs, uitgaf als een betoog tegen Gassendi, Neure en Bernier.
Joh. Evelyn
schreef een "Historia, de tribus hujus se culi famosis Impostoribus,"
(De geschiedenis van de hedendaagse drie beruchte bedriegers) en noemt
Padre
Ottomano, Mahomed Bei, ook wel Joh. Mich. Cigala genaamd, en Sabbatai
Zwi
(Engels 1680, Duits 1669,)
(Padre Ottomano,
waarvan werd beweerd dat hij een zoon van de Sultan van Turkije was,
die rond
1650 aan de macht was, en die later onder bovengenoemde titel een
Dominicaner
monnik werd. Mohammed Bei, alias Michael Cigala, die zich voor prins
uit een
Ottomaanse familie voordeed, een afstammeling van keizer Suleiman de
Grote, en
rond 1660 voor diverse andere personen. Sabbatai Zwi, de zogenaamde
Messias van
de joden, “de Enige en Eerstgeborene Zoon van God,” die de Joden en
Turken rond
1666 amuseerde.)
Christian
Kortholt publiceerde "de Tribys Impostoribus," (Kiel 1680 en Hamburg
1701,) tegen Herbert, Hobbes en Spinoza, Hadrianus Beverland, Perini
del Vago
en Equitis de Malta, "Epistolium ad Batavum in Brittania hospitem de
tribus Impostoribis, (Latijn en Engels 1709.)
Tot slot
publiceerde Michael Alberti, onder de naam Andronicus, een "Tractatus
Medico-historicus de tribus Impostoribus," waarin hij de drie grote
Verleiders van de Mensheid opsomt: 1. Thee en Koffie. 2. Ledigheid. 3.
Huisapotheken.
Cosmopoli Bey
(Peter Martin Roman), deed een uitgave het licht verschijnen bij
Russworn in
Rostock in 1731, en een uitgave van hetzelfde Vertoog - De Trib. Imp. -
in 1738
en 1756.
Lange tijd
hebben geleerden het oorspronkelijke Latijnse vertoog met een latere
versie
verward. De la
Monnoye schreef
een lange verhandeling waarin
hij het bestaan van een oorspronkelijke Latijnse uitgave ontkende, maar
kreeg
daarop een voortreffelijke weerlegging van de hand van P.F. Arpe.
Het vervalste
boek is in het Frans - "La vie et l'esprit de Mr. Benoit Spinoza." La
vie et l'esprit de W. Benoit de Spinoza werd, zonder de naam van de
schrijver,
in 1719 in Amsterdam gepubliceerd. In
het Voorwoord
wordt gesteld dat de schrijver ervan onbekend is, maar dat, als een
vermoeden
mag worden geuit, wellicht mag worden gezegd, misschien met zekerheid,
het boek
het werk is van wijlen de Heer Lucas, die zo beroemd was door zijn
Quintessences en zijn gedrag en manier van leven.
Kuno Fischer,
zegt in zijn 'Descartes und seine schule. Zweiter theil, Heidelberg,
1889, p.
101:
"De echte
schrijver van het werk is niet met zekerheid bekend, misschien is Lucas
de
schrijver geweest, een dokter uit den Haag, die in zijn tijd berucht
was;
anderen noemen een zekere Vroese als auteur..“
Freudenthal
beweert in zijn Die Lebensgeschichte Spinoza's. Leipzig, 1899, als hij
schrijft
over de verschillende gissingen over het auteurschap van het boek, dat
W. Meyer
onlangs heeft geprobeerd om te bewijzen dat Johan Louckers, een Haagse
advocaat, de schrijver was, maar dat het auteurschap niet was bevestigd.
Oettinger noemt
in zijn Biographie Universelle, Bruxelles, 1854, p. 1707, Lucas Vroege
als
auteur.
Er is ook
beweerd Lucas en Vroese twee verschillende personen waren en samen het
boek
hebben geschreven.
De
informatiebron om het boek aan Vroese, over wiens leven geen
bijzonderheden
opgetekend lijken te zijn, toe te schrijven blijkt de volgende passage
in de
Dictionnaire Historique, v. I., p. 352 van Prosper Marchand, te den
Haag, uit
1758, te zijn:
"A la fin
d'une copie manuscrit de ce Traite que j'ai vue et lue, on lui donne
pour
veritable Auteur a Mr. Vroese, conseiller de la cour de Brabant a la Haie, dont Aymon et Rousset
retoucherent le langage; et que ce dernier
y ajouta la
Dissertation
ou'Reponse depuis imprimee chez
Scheurleer."
De naam
"Vroese" verschijnt op de kantlijn van het colofon aan het eind van
onze vertaling, maar waarschijnlijk alleen maar als verwijzing. De
schrijver
van het eerste deel was Hofrath Vroes, in den Haag, en het tweede deel
was door
dokter Lucas geschreven. Het verscheen voor het eerst in den Haag in
1719 en
later in 1721, onder de titel "de Tribus Imposteurs. Frankfort-am-Main
(dat is Rotterdam)
Richard la Selve vervaardigde een derde
editie onder de oorspronkelijke titel “Het
Leven van Spinoza, door een van zijn Leerlingen,” te Hamburg (in
werkelijkheid
in Holland) in 1735.
In 1768 werd
door M.M. Rey, te Amsterdam, een nieuwe uitgave gedrukt, onder de naam
"Vertoog over de Drie Bedriegers”; meteen na een andere uitgave, die in
Yverdoner in 1768 verscheen en weer een andere in Holland in 1775 en
later een
in Duitsland in 1777.
De inhoud van
"L'esprit de Spinoza" (Duits) door Spinoza II, of Subiroth Sopim -
Rome, door de Weduwe Bona Spes 5770 - (Vieweg in Berlijn 1787,) is in
het kort:
Hfdst. I, Over God. Hfdst. II, De redenen die de mensen ertoe hebben
gebracht
om zich een onzichtbaar Wezen voor te stellen, dat ze doorgaans God
noemen.
Hfdst. III, Wat het woord religie betekent, en hoe en waarom dat in zo
grote
getale haar intrede in de wereld heeft gemaakt. Hfdst. IV, Onmiskenbare
waarheden. Hfdst. V, Over de Ziel. Hfdst. VI, Over Geesten, Demonen,
etc. Dan
volgen er vijftien hoofdstukken die niet in het vertoog zijn opgenomen
(?
Uitgave van 1598)
Het volgende
kwam aan het licht door de typische kenmerken van het taalgebruik:
1. Ridiculum et
imposturae in omni hominum religione, scriptio paradoxa, quam ex
autographo
gallico Victoris Amadei Verimontii ob summam rei dignitatem in lalinum
sermonen
transtulit 1746. Volgens Masch bestaat het uit vijf of zes pagina’s en
volgt
doorgaans de inhoud, maar niet in volgorde van de oorspronkelijke
uitgave.
2. Een tweede.
Quaedam dificiunt, s. fragmentum de libro de tribies impostoribus. Een
fragment
van eenenvijftig pagina’s.
3. Een dat door
Gottsched wordt vermeld. De imoosturis religionum breve. Compendium
descriptum
ab exemplari MSto. quod in, Ribliotheca Jo. Fried. Mayeri, Berolini Ao.
1716,
publice distracta deprehensum et a Principe Eugenio de Sabaudio 80
Imperialibus
redemtum fuit. (drieenveertig pagina’s.) Het merendeel van het echte
boek in
eenendertig paragrafen, dat eindigt met Communes namque
demonstrationes, quae
Publicantur, nec certae, nec evidentes, sunt, et res dubias per alias
saepe
magias dubias probant, adeo ut exemplo eorum, qui circulum currunt, ad
terminum
semper redeant, a quo currere inceperunt. Finis. (Dit betreft
waarschijnlijk de
Latijnse uitgave van het manuscript waar onze vertaling aan is
ontleend. Er
wordt beweerd dat er een Duitese vertaling van bestaat.
4. Volgens een
krantenartikel uit 1716, zou e rook een uitgave bestaan die begint met:
Quamvis
omnium hominem intersit nosse veritatem, rari tamen boni illi qui eam
norunt,
etc., (Zie vertaling Hfdst. I, “Over God”, eerste twee regels) en
eindigt met
Qui veritatis amantes sunt, multum solatii inde capient, el hi sunt,
quibus
placere gestimus, nil curantes mancipia, quae praejudicia oraculorum --
infallibilium loco venerantur.
5. Straube
vervaardigde in 1753
in Wenen een
herdruk van de uitgave van
1598.
6. Een nieuwe
herdruk bevindt zich in een pamflet, dat is uitgegeven door C.C.E.
Schmid en
vrijwel volledig in beslag is genomen, met de titel: Zwei seltene
antisupernaturalistische manuscripte. Twee zeldzame
anti-bovennatuurlijke
manuscripten. (Berlin, Krieger in Giessen, 1792.)
7. Onlangs is er
uitgave verschenen van de hand van W.F. Genthe, De impostura religionum
compendium s. liber de tribus impostoribus, Leipzig, 1833.
8. Tot slot is
door Gustav Brunet uit Bordeaux een uitgave, gebaseerd op de tekst van
de
uitgave van 1598, vervaardigd met de titel: de Tribus Impostoribus,
MDIIC.
Latijnse tekst verzameld uit het exemplaar van Graaf de la Valliere, dat zich momenteel in de
Keizerlijke Bibliotheek bevindt;
(Opmerking: Disraeli’s Litteraire Rariteiten. Titel: “Litteraire
vervalsingen.”
Graaf de la
Valliere en
Abbé de St. Leger, werkten ooit samen
om de enthousiaste koper van litteraire rariteiten te voorzien van een
exemplaar van "De Tribus Impostoribus," een boek, waarvan onlangs
werd beweerd, dat het in 1598 was gedrukt, hoewel het waarschijnlijk
een
moderne vervalsing uit 1698 is. Het gerucht ging al lang dat een boek
met die
titel bestond, maar niemand had ooit een exemplaar gezien. Het is
bewezen dat
boeken onder deze titel hedendaagse vervalsingen zijn – maar een
exemplaar van
het ‘onvindbare’ origineel werd op de veiling van Graaf de la Vallière verkocht. De geschiedenis
van dit boek is wonderlijk. De Graaf en
de Abbé hadden een tekst, onder de titel ‘De Tribus
Impostoribus,’ vervaardigd
en in een oude Gotische letter laten drukken. Hun bedoeling was om de
grote
bibliofiel, De Bure, door toedoen van wie zij de vervalsing wilden
laten
sanctioneren, een plezier te doen. Zij moesten later exemplaren voor 25
Louis
per stuk uitdelen, wat een redelijke prijs zou zijn voor een boek dat
niemand
ooit had gezien! Zij nodigden De Bure uit voor een diner, vleiden hem
en
smeerden hem stroop om de mond, en toen zij dachten dat het moment was
gekomen
dat zijn hem om hun vinger hadden gewonden, lieten zij hem hun product
zien –
de scherpe blik van de vermaarde opsteller van de Bibliographie
Instructive”
schoot er meteen als een bliksemschicht overheen, en vernietigde
net als de
bliksem de hele uitgave. Hij ontdekte niet alleen de vervalsing, maar
verwierp
die ook. Hij weigerde zijn instemming te geven, en de vervalsende Graaf
en Abbé
gaven in hun verwarring het ‘onvindbare boek’ niet vrij voor
publicatie. Maar
zij koesterden wrok tegen de oprechte bibliograaf en probeerden het
werk
waaraan De Bure hun bekendheid had ontleend, op papier vast te leggen,
aangevuld met diverse versies uit verschillende manuscripten, enz. en
met
filologische en bibliografische aantekeningen door Philomneste junior,
Parijs,
1861 (?1867). Er werden slechts 237 exemplaren gedrukt en het is niet
meer
verkrijgbaar en zeldzaam.
9. Een
Italiaanse vertaling van hetzelfde werk verscheen in 1864, door Daelli
in
Milaan, met de titel als hierboven.
10. Er bestaat
ook een Spaanse editie, aan dezelfde bron ontleend en onder dezelfde
titel.
London (Burdeos) 1823.
Opmerking: De
hele voorgaand bibliografie is ontleend aan de uitgave van Emil Weller,
Heilbronn 1876. - Alcofribas Nasier.
De enige uitgave
die in de Verenigde Staten is gedrukt had de titel "The Three
Impostors." Vertaald (met aantekeningen en illustraties) uit de Franse
uitgave van het werk, gepubliceerd in Amsterdam in 1776. Opnieuw
uitgegeven
door G. Vale, Beacon Office, 3 Franklin Square, New York, 1846, 84 pp.
12. Een
exemplaar bevindt zich in de Congresbibliotheek in Washington.
Daaruit citeer
ik de volgende opmerkingen:
OPMERKING VAN
DE AMERIKAANSE UITGEVER,
Wij publiceren
dit waardevolle werk, vanwege de redenen die in de volgende Opmerking
staan,
waar wij mee instemmen:
OPMERKING VAN
DE ENGELSE UITGEVER.
Het volgende
boekje bied ik de lezer aan zonder enige opmerking over de
verschillende
meningen met betrekking tot de ouderdom ervan, omdat dat onderwerp
uitgebreid
in het belangrijkste gedeelte van het werk aan de orde komt, en daar
een van de
meest interessante en aantrekkelijke kenmerken van vormt. De Uitgave,
waar dit
een vertaling van is, werd mij uit Parijs bezorgd door een uitgesproken
verdediger van Burgerlijke en Godsdienstige Vrijheid: en omdat mijn
vriend, uit
een diepgaande overtuiging van het belang en de waarde ervan, erop uit
was om
het in de Engelse taal te laten vertalen, heb ik het uit dezelfde
overwegingen
aan het publiek gebracht. Ik ben ervan overtuigd uitmuntend geschikt is
om de
zaak van de Vrijheid, Rechtvaardigheid en Zedelijkheid te bevorderen.
J.
MYLES.
DE
BIBLIOTHEEK VAN DE CORNELL UNIVERSITEIT
De bibliotheek
van de Cornell Universiteit in Ithaca, New York, bevat een uitgebreide
verzameling van manuscripten van Spinoza en gedrukte boeken van
dezelfde schrijver.
De verzameling is aan de bibliotheek nagelaten en is bekend als de
“Strauss
Collectie.” In de collectie bevindt zich een exemplaar van een
manuscript van
“La viet et l’esprit de M. Benoit Spinosa,” die “Le traité des
trois
Imposteurs” bevat.
Dit bijzondere
manuscript is veel langer dan elke andere gedrukte uitgave van de
Traité des
Trois Imposteurs, en bevat een aantal meer hoofdstukken dan een ander
manuscript, dat zich in dezelfde bibliotheek bevindt.
De gedrukte
uitgaven bevatten doorgaans zes hoofdstukken, hoewel de uitgave
á Philadelphie,
uit 1796, waar op pagina 18 – 19 op wordt gezinspeeld, negen
hoofdstukken
bevat. Geen van de gedrukte uitgaven die ik heb gezien bevat een
hoofdstuk met
de titel Numa Pompilius.
Het
manuscript
van de Cornell Universiteit heeft zes aanvullende hoofdstukken meer dan
ons
manuscript uit 1716. De hoofdstukken hebben de volgende titels: 1.
Religies. 2.
Over de Verscheidenheid van Religies. 3. Christelijke Groeperingen. 4.
De
Bijgelovigen – over de bijgelovigheid en goedgelovigheid van de mensen.
5. Over
het Ontstaan van Monarchieën. 6. Over Wetgevers en Politici, en
hoe zij van de
Religie gebruik maken.