The Ethics of Belief
William Kingdon Clifford (1845 – 1879)
De Ethiek van het Geloven
Oorspronkelijk
gepubliceerd in Contemporary
Review, 1877. Herdrukt in Lectures and Essays (1879).
I.
DE
PLICHT TOT ONDERZOEK
Een scheepseigenaar
stond
op het
punt om een
schip met emigranten te laten uitvaren. Hij wist dat het schip oud was
en
eigenlijk helemaal niet deugdelijk was gebouwd en dat het vele
zeeën en
klimaten had gezien en vaak was gerepareerd. Men had bij hem twijfels
geuit
over de zeewaardigheid van het schip. Deze twijfels kwelden hem en
maakten hem
ongelukkig; hij bedacht dat hij het schip misschien grondig onder
handen moest
nemen en repareren, zelfs al zou dat hem op grote kosten jagen. Maar
voordat
het schip uitzeilde slaagde hij erin om die sombere gedachten te
verdrijven.
Hij hield zichzelf voor dat het schip zoveel reizen had overleefd en
aan zoveel
stormen het hoofd had geboden, dat het zinloos was om te
veronderstellen dat
het ook niet van deze reis weer veilig zou terugkeren. Hij zou zijn
vertrouwen stellen
in de de Voorzienigheid, die al die ongelukkige gezinnen die hun
vaderland
verlieten om elders een betere toekomst op te bouwen vast wel zou
beschermen.
Hij zou alle onaangename achterdocht over de oprechtheid van de bouwers
en
aannemers uit zijn hoofd zetten. Op die manier raakte hij er oprecht en
eenvoudig van overtuigd dat zijn schip volkomen veilig en zeewaardig
was; met
een gerust hart zag hij het schip uitvaren en wenste de ballingen van
harte
veel succes in hun toekomstige nieuwe vaderland. Hij streek zijn
verzekeringspenningen op toen het midden op de oceaan verging en had
het er
verder niet meer over.
Wat moeten we nou
over hem
zeggen?
Ongetwijfeld dat hij heel schuldig was aan de dood van die mensen. We
moeten
toegeven dat hij oprecht in de deugdelijkheid van zijn schip geloofde;
maar de
oprechtheid van zijn overtuiging kan hem op geen enkele manier baten,
omdat hij
op grond van de bewijzen die hij ter beschikking had niet het recht had
om te
geloven. Hij had zijn overtuiging niet verkregen door die, door
middel van zorgvuldig
onderzoek, te verdienen, maar door zijn twijfels te onderdrukken. En
hoewel hij
er uiteindelijk zo zeker van was dat hij niet anders meer kon denken,
moet hij
daar toch, voor zoverre hij zich willens en wetens in die
gemoedstoestand had
gemanipuleerd, zelf verantwoordelijk voor worden gehouden.
Laten we de situatie
een
beetje
veranderen
en veronderstellen, dat het schip eigenlijk helemaal niet ondeugdelijk
was; dat
het de reis en nog vele reizen daarna veilig maakte. Maakt dat de
schuld van de
eigenaar kleiner? Geen zier. Als een handeling is verricht, is die voor
altijd
juist of onjuist; geen toevallig uitblijven van goede of slechte
gevolgen kan
dat veranderen. De man zou niet onschuldig zijn geweest, maar het zou
alleen
niet zijn ontdekt. De vraag naar juist of onjuist heeft te maken met de
oorsprong van zijn overtuiging, niet met de zaak zelf; niet met het hoe
van de
zaak, maar hoe hij ertoe is gekomen; niet of het uiteindelijk juist of
onjuist
is gebleken, maar of hij het recht had om iets te geloven op grond van
de
bewijzen die hem ter beschikking stonden.
Er was eens een
eiland,
waar een
aantal van
de bewoners een godsdienst aanhingen die noch de leer van de erfzonde,
noch die
van de eeuwige vergelding leerde. Er ging een gerucht rond dat de
aanhangers
van deze godsdienst van oneigenlijke middelen gebruik hadden gemaakt om
hun
leer aan de kinderen te onderwijzen. Zij werden ervan beschuldigd, dat
ze de
wetten van hun land geweld aan hadden gedaan, door de kinderen aan de
zorg van
hun natuurlijke en wettelijke oppassers te ontrekken; en dat zij de
kinderen zelfs
heimelijk ontvoerden en voor hun vrienden en familieleden verborgen
hielden.
Een aantal mensen richtte een genootschap op met het doel om over deze
zaak publiekelijk
actie te voeren. Zij publiceerden ernstige beschuldigingen tegen
afzonderlijke
hooggeplaatste en eerzame burgers en stelden alles in het werk om deze
burgers
in de uitoefening van hun beroep te schaden. Zij maakten zoveel kabaal,
dat er
een commissie werd ingesteld om de zaak te onderzoeken; maar nadat de
commissie
een zorgvuldig onderzoek naar alle ter beschikking staande bewijzen had
ingesteld, bleek dat de beschuldigden onschuldig waren. Zij waren niet
alleen
op onvoldoende gronden beschuldigd, maar het bewijs van hun onschuld
was
zodanig, dat de onruststokers dat gemakkelijk hadden kunnen verkrijgen,
als zij
een poging tot een eerlijk onderzoek hadden ondernomen. Na deze
onthulling
beschouwden de bewoners van dat land de leden van het onruststokende
genootschap niet alleen als mensen die je niet kon vertrouwen, maar ook
als
personen die niet langer tot de eerzame mensen konden worden gerekend.
Want
hoewel zij oprecht en zorgvuldig in de beschuldigingen, die ze hadden
geuit,
hadden geloofd, hadden zij toch niet het recht om te geloven op
grond van de
bewijzen die hen ter beschikking stonden. In plaats van dat ze
door gedegen
onderzoek eerlijk waren verdiend, waren hun oprechte overtuigingen op
slinkse
wijze verkregen, door te luisteren naar de stem van vooroordeel en
hartstocht.
Laten we dit geval
ook
eens anders
bekijken,
waarbij de andere factoren onveranderd blijven, en veronderstellen dat
een
zorgvuldiger onderzoek had aangetoond dat de beschuldigden echt
schuldig waren.
Zou dat enig verschil maken in de schuld van de beschuldigers?
Duidelijk niet.
De vraag is niet of hun overtuiging juist of onjuist is, maar of zij
die
overtuiging op onjuiste gronden hebben gekoesterd. Zij zouden
ongetwijfeld
zeggen: “Nu zie je dat wij uiteindelijk gelijk hebben gehad; de
volgende keer
zul je ons misschien wel geloven.” En misschien worden ze dan ook
geloofd, maar
daardoor zouden zij nog geen eerzame mensen worden. Zij zouden niet
onschuldig
zijn, maar het zou alleen niet aan het licht zijn gekomen. Als zij
zichzelf voor
de rechtbank van het geweten zouden onderzoeken, zouden zij
allemaal weten,
dat zij een mening hadden verkregen en gevoed, terwijl zij op grond van
de
bewijzen die hen ter beschikking stonden geen recht hadden om daarin te
geloven.
Daardoor zouden ze weten dat zij iets verkeerds hadden gedaan.
We moeten niet
vergeten
dat, in
deze beide
veronderstelde gevallen, het niet het geloof is dat onjuist blijkt te
zijn,
maar de actie die er op volgt. De scheepseigenaar had kunnen zeggen:”Ik
ben er
absoluut zeker van dat mijn schip deugdelijk is, maar toch zie ik het
als mijn
plicht om het te laten controleren, voordat ik daar het leven van
zoveel mensen
aan toevertrouw.” En je zou tegen de oproerkraaier kunnen zeggen:
“Hoewel je
overtuigd was van de rechtvaardigheid van je zaak en de waarheid van je
overtuigingen, had je toch niet een openlijke aanval op wie dan ook
mogen richten,
voordat je het bewijs met de uiterste gedegenheid en zorgvuldigheid van
beide
kanten had onderzocht.”
Laten we, tot
hiertoe, in
de
eerste plaats
aannemen, dat deze kijk op de zaak juist en essentieel is; juist omdat,
zelfs
als iemands overtuiging zo rigide is dat hij niet anders kan denken,
hij nog
steeds een keuze heeft in de actie die erdoor wordt ingegeven, en dus
niet aan
de plicht van onderzoek kan ontkomen op grond van de kracht van zijn
overtuigingen; en essentieel, omdat mensen, die niet in staat zijn om
hun
gevoelens en gedachten te beheersen, een duidelijke regel moeten hebben
om met openbare
zaken om te gaan.”
Maar nu we hebben
aangenomen dat
dit
essentieel is, wordt duidelijk dat het niet voldoende is, en dat wij
onze
vorige beoordeling nodig hebben om het aan te vullen. Want het is net
zo
onmogelijk om de overtuiging te scheiden van de actie die daardoor
wordt opgeroepen,
als het veroordelen van de ene zonder de andere te veroordelen. Niemand
die aan
één aspect van een vraagstuk een sterk geloof hecht of
zelfs maar wil
hechten,
kan het net zo eerlijk onderzoeken als wanneer hij echt zou twijfelen
en
onbevooroordeeld zou zijn, zodat het bestaan van een overtuiging, die
niet op
eerlijk onderzoek is gebaseerd, iemand ongeschikt maakt voor het
vervullen van
zijn vereiste plichten.
Het is evenmin juist
dat
een
overtuiging,
die iemand aanhangt in feite geen enkele invloed op hemzelf zou hebben.
Iemand
die oprecht gelooft in datgene wat hem tot een handeling aanzet, heeft
naar die
handeling al met graagte uitgekeken; hij heeft die al in zijn hart
voltrokken.
Als een overtuiging niet meteen in openlijke daden wordt omgezet, wordt
die als
richtlijn voor de toekomst opgeslagen. Het wordt dan een deel van het
geheel
van overtuigingen, dat op elk moment van ons leven de verbinding vormt
tussen
gevoel en handelen, en dat zo is gestructureerd en samengebald, dat
geen enkel onderdeel
van de rest kan worden gescheiden, maar dat elke nieuwe toevoeging de
structuur
van het geheel verandert. Geen enkele overtuiging, hoe onbeduidend en
gefragmenteerd
die ook mag lijken, is ooit echt onbetekenend; zij bereid ons voor op
het
ontvangen van meer van hetzelfde, bevestigt de overtuigingen die er al
vóór die
tijd op leken en verzwakt andere; en zo legt een overtuiging
geleidelijk een
heimelijk spoor in het diepst van onze gedachten, dat op zekere dag in
een
openlijke daad kan uitbarsten en op ons karakter voor altijd een
stempel kan
drukken.
In geen enkel geval
is
iemands
overtuiging
een privézaak, die alleen hemzelf aangaat. Ons leven wordt
gestuurd
door de
algemene opvatting over de loop der dingen die, voor maatschappelijke
doeleinden, door de maatschappij in het leven is geroepen. Onze
woorden, onze
uitspraken, onze denkvormen, denkprocessen en denkwijzen zijn een
gezamenlijk
eigendom, dat van eeuw tot eeuw is gevormd en vervolmaakt. Het is een
erfgoed
dat elke volgende generatie als een kostbaar onderpand erft, met de
heilige
opdracht om het aan de volgende generatie te overhandigen, niet
onveranderd
maar uitgebreid en gezuiverd en met een aantal duidelijke merktekenen
van haar
eigen handwerk. Elke overtuiging van iedereen, die met zijn medemensen
communiceert,
is daar hoe dan ook mee verweven. Het is een afschuwelijk privilege en
een
afschuwelijke verantwoordelijkheid, dat wij meehelpen aan het scheppen
van een
wereld, waarin ons nageslacht moet leven.
In de twee gestelde
problemen die
wij hebben
bekeken, hebben wij het onjuist gevonden om iets op onvoldoende gronden
te
geloven, of om een overtuiging te voeden door het onderdrukken van
twijfels en
het vermijden van onderzoek. De reden van dit oordeel is niet ver te
zoeken,
want in deze beide gevallen was de overtuiging, die door
één enkel
iemand werd gekoesterd,
van groot belang voor anderen. Maar in zoverre geen enkele overtuiging
die door
iemand wordt gedeeld, hoe ogenschijnlijk onbeduidend overtuiging en hoe
onbekend de aanhanger van de overtuiging ook moge zijn, in feite ooit
echt onbetekenend
of zonder uitwerking op het lot van de mensheid is, moeten wij ons
oordeel wel
uitbreiden tot alle gevallen waarin van welke overtuiging dan ook
sprake is. De
overtuiging, dat gevrijwaarde vermogen, dat de beslissingen van onze
wil
drijft, en alle samengebalde energie van ons wezen in een harmonieuze
werking
samenbreit, is ván onszelf, maar niet vóór
onszelf, maar voor de
mensheid. Zij
wordt terecht gebruikt bij waarheden, die door lange ervaring en
behoedzaam
geploeter zijn vastgesteld en die aan het felle licht van vrij en
onverschrokken onderzoek hebben blootgestaan. Dan draagt een
overtuiging bij aan
het samenbinden van mensen en het versterken en sturen van hun
gezamenlijke
optreden. Zij wordt geschonden als zij wordt gebruikt voor onbewezen en
niet
onderzochte beweringen en voor de vertroosting en het eigen plezier van
degene
die er in gelooft; als zij wordt gebruikt om een opzichtige glans te
geven aan ons
eenvoudige en rechte levenspad en aan een stralende luchtspiegeling
daarachter;
of zelfs wordt gebruikt om de dagelijkse zorgen van ons
mensensoort te overspoelen
met zelfbedrog, waardoor zij niet alleen in staat zijn om ons terneer
te slaan,
maar ook om ons te vernederen. Iedereeen die wat dit betreft van zijn
medemensen instemming wil verdienen, moet de zuiverheid van zijn
overtuigingen
met een uiterst fanatieke en waakzame zorgvuldigheid bewaken, opdat het
niet
terecht komt op een waardeloos onderwerp en daar een smet kan oplopen
die nooit
meer kan worden verwijderd.
Het is niet alleen
de
leidsman van
mensen,
de politicus, de filosoof of de dichter, die gehouden is aan deze
bindende
plicht ten opzichte van de mensheid. Elke plattelander die in de
dorpskroeg
zijn trage, sporadische zinnen uitspreekt, kan bijdragen aan het doden
of in
leven houden van het noodlottige bijgeloof, dat zijn soort kluistert.
Elke
hardwerkende arbeidersvrouw kan overtuigingen op haar kinderen
overdragen, die
de maatschappij samenbinden, of in stukken scheuren. Geen enkele
eenvoud van
geest, geen enkele onbeduidende positie kan ontkomen aan de universele
plicht
om alles wat wij geloven ter discussie te stellen.
Deze plicht is
ongetwijfeld een
zware plicht
en de twijfel die daaraan ontspruit is vaak bitter. Het laat ons naakt
en
machteloos achter waar we dachten dat wij veilig en sterk waren. Alles
over
alles te weten wil zeggen dat wij weten hoe wij daar onder alle
omstandigheden
mee om moeten gaan. Wij voelen ons veel gelukkiger en veiliger als we
denken
dat we we precies weten wat we moeten doen, ongeacht wat er gebeurt,
dan
wanneer we de weg kwijt zijn en niet weten waar we moeten omkeren. En
als wij
voor onszelf hebben aangenomen, dat we alles over alles weten, en in
staat zijn
om wat dat betreft juist te handelen, vinden wij het vanzelfsprekend
niet
prettig om te merken dat we eigenlijk onwetend en machteloos zijn, dat
we weer
bij het begin moeten beginnen en moeten proberen te leren waar het
feitelijk om
gaat en hoe wij daarmee dan om moeten gaan – áls we er al dan
iets over
kunnen
leren. Het is het gevoel van macht, inherent aan het gevoel van kennis,
dat
mensen graag iets doet geloven en bang maakt voor twijfel.
Dit gevoel van macht
is
het
hoogste en beste
genot als de overtuiging, waarop het is gebaseerd een echte overtuiging
is, en
door onderzoek eerlijk is verdiend. Want pas dan kunnen wij terecht
voelen dat
het gemeenschappelijk eigendom is, en kunnen wij het zowel voor anderen
als
voor onszelf als heilzaam beschouwen. Dan kunnen wij verheugd zijn,
niet omdat ik een geheim heb ontdekt, waardoor ik sterker en
veiliger
ben, maar
dat wij
mensen over een groter deel van de wereld meesterschap hebben
verkregen. Dan
zullen wij sterk zijn, niet voor onszelf maar in naam van de Mens en
zijn
kracht. Maar als de overtuiging op ondeugdelijke gronden is verkregen,
is de
vreugde een slinks verkregen vreugde. Zij bedriegt niet alleen onszelf,
doordat
het ons een gevoel van macht geeft, die wij niet echt bezitten, maar
het is
zondig omdat het, in weerwil van onze plicht ten opzichte van de
mensheid,
slinks is verkregen. Die plicht bestaat om ons als de pest voor
dergelijke
overtuigingen te behoeden, omdat ze weldra ons eigen lijf beheersen en
zich
vervolgens over de rest van de stad verspreiden. Wat zou je van iemand
vinden,
die ter wille van een zoete vrucht, zijn familie en zijn buren
opzettelijk de
pest bezorgt?
Het is, net zoals in
andere
gevallen, niet
alleen het risico dat moet worden afgewogen; want een onjuiste
handeling is
altijd onjuist op het moment dat die wordt uitgevoerd, ongeacht wat er
later
gebeurt. Elke keer als wij onszelf iets op onterechte gronden laten
geloven, verzwakken
wij ons vermogen tot zelfbeheersing, tot twijfel, en tot het kritisch
en
eerlijk afwegen van bewijsmateriaal. Wij lijden allemaal al erg genoeg
onder het
handhaven en steunen van onjuiste overtuigingen en de noodlottig
onjuiste
handelingen waar zij toe leiden, en onder het kwaad dat ontstaat
wanneer
dergelijke overtuigingen wijd en zijd worden gedeeld. Maar er ontstaat
een nog
groter en omvangrijker kwaad als goedgelovigheid wordt gehandhaafd en
wordt
gesteund en als een gewoonte om te geloven op ongerechtvaardigde
gronden wordt
gekoesterd en blijvend wordt. Als ik geld van iemand steel, wordt niet
alleen
schade berokkend door het overdragen van bezit. Het kan zijn dat de
bestolene
het verlies niet voelt, of het kan hem behoeden voor het onjuiste
gebruik van
het geld. Maar door dat te doen kan ik niet voorkomen dat ik jegens de
Mens een
groot kwaad aanricht, doordat ik mijzelf oneerlijk maak. Wat de
maatschappij
benadeelt is niet dat zij haar bezit zou verliezen, maar dat zij een
rovershol
wordt, want dan zal zij niet langer een maatschappij zijn. Dat is de
reden
waarom wij geen kwaad zouden moeten doen, zodat dan het goede kan
verschijnen.
Want dit grote kwaad is in ieder geval verschenen, omdat wij kwaad
hebben aangericht
en daardoor verdorven zijn geworden. Op dezelfde wijze zal, door alleen
een
overtuiging, geen grote schade worden aangericht, als ik zelf iets
geloof op
onvoldoende gronden. Het zou uiteindelijk toch waar kunnen zijn, of
misschien
zou ik nooit de mogelijkheid hebben om het in uiterlijke daden te
tonen. Maar
ik kan niet voorkomen dat ik jegens de Mens grote schade aanricht, als
ik
goedgelovig ben. Het gevaar voor de gemeenschap is niet alleen dat zij
onjuiste
dingen zou geloven, hoewel dat al erg genoeg is; maar dat zij
goedgelovig zou worden
en de gewoonte zou verliezen om zaken te toetsen en te onderzoeken;
want dan
zal zij in barbarij terugzinken.
De schade die door
iemand
die
goedgelovig is
wordt aangericht, beperkt zich niet tot het koesteren van
goedgelovigheid bij
anderen, en het derhalve steunen van onjuiste overtuigingen. De
gebruikelijke
behoefte aan zorgvuldigheid over wat ik geloof leidt tot de
gebruikelijke
behoefte aan zorgvuldigheid bij anderen over het waarheidsgehalte van
wat zij
mij vertellen. Iemand spreekt de waarheid over iemand anders als beiden
de
waarheid in hun eigen geest en in die van de ander respecteren. Maar
hoe moet
mijn vriend de waarheid in mijn geest respecteren, als ik daar zelf
slordig in
ben, als ik dingen geloof omdat ik ze wil geloven en omdat ze
geruststellend en
prettig zijn? Leert hij dan niet “Vrede” tegen mij roepen, als er geen
vrede
is? Op zo’n manier omgeef ik mijzelf met een dikke atmosfeer van leugen
en
bedrog, waarin ik zelf moet leven. Mij zou het zelf misschien niet
zoveel
uitmaken, in mijn luchtkasteel van zoete illusies en lieflijke leugens,
maar voor
de Mens is het rampzalig, dat ik mijn buren tot bedriegen heb gebracht.
De
goedgelovige mens is de vader van de leugen en het bedrog. Hij leeft in
de
kring van zijn familieleden en het is geen wonder als zij net zo zouden
worden
als hij. Onze plichten zijn zo nauw met elkaar verknoopt, dat iemand
die de
hele wet respecteert, maar die toch op één punt
overtreedt, geheel
schuldig is.
Samengevat: het is
altijd,
overal
en voor
iedereen onjuist om iets op ondeugdelijke gronden te geloven.
Als iemand die een
mening
aanhangt, die hem
gedurende zijn jeugd is onderwezen of waartoe hij later is overgehaald,
elke
twijfel die in zijn hoofd opkomt onderdrukt en wegduwt, doelbewust
vermijdt
boeken te lezen en mensen te spreken die dat geloof in twijfel trekken
of ter
discussie stellen, en vragen die niet gesteld kunnen worden zonder dat
geloof
te verstoren als ongepast beschouwt - dan is dat leven van die man
één
grote
zonde tegen de mensheid.
Dit oordeel klinkt
wreed
als het
wordt
toegepast op die simpele zielen die nooit beter hebben geweten, die van
die
wieg af met een gruwel voor twijfel zijn opgevoed, en hebben geleerd
dat hun
eeuwige welzijn afhangt van wat zij geloven, maar het leidt wel
tot de
buitengewoon serieuze vraag, Wie heeft ervoor gezorgd dat Israel
heeft
gezondigd?
Ik ben zo vrij om
deze
uitspraak
te
bekrachtigen met het volgende citaat van Milton:
Iemand
kan
wat
betreft
de
waarheid
een ketter zijn; en als hij dingen alleen maar gelooft omdat
zijn
predikant dat zegt, of de vergadering dat bepaalt, zonder dat hij daar
de reden
van kent, wordt de waarheid die hij aanhangt, ofschoon zijn geloof
juist is,
toch zijn eigen ketterij.
[1]
En met het beroemde
aforisme van
Coleridge:
Iemand
die
meer
van
het
Christendom
gaat houden dan van de Waarheid, zal vervolgens meer van
zijn eigen
sekte of Kerk gaan houden dan van het Christendom, en uiteindelijk
vooral van
zichzelf houden. [2]
Onderzoek naar de
bewijsgronden
voor een
leerstelsel wordt niet voor eens en altijd verricht en vervolgens als
afdoende
vaststaand beschouwd. Het is nooit terecht om twijfels te onderdrukken,
want
die kunnen óf oprecht door het onderzoek dat al heeft
plaatsgevonden
worden
beantwoord, óf anders bewijst het dat het onderzoek niet
volledig was.
"Maar," zegt iemand,
“ik
heb het
druk; ik heb geen tijd voor een landurige studie, die nodig zou zijn om
mij tot
op zekere hoogte een deskundige beoordelaar van bepaalde vraagstukken
te maken,
of zelfs maar in staat te stellen om de aard van de argumenten te
begrijpen.”
Dan zou hij ook geen
tijd
hebben
om iets te
geloven.
II. HET
BELANG VAN GEZAG
Moeten wij dan
volstrekte
sceptici
worden,
die aan alles twijfelen en altijd bang zijn om de ene voet voor de
andere te
zetten, totdat wij zelf de stevigheid van de weg hebben onderzocht?
Moeten wij
ons dan de hulp en leiding ontzeggen van de grote hoeveelheid kennis,
die
wereldwijd dagelijks toeneemt, omdat noch wijzelf, noch iemand anders
in staat
is om een honderste deel daarvan door middel van direct onderzoek of
waarneming
te onderzoeken, en omdat het, als wij dat zouden doen, toch niet
volkomen zou
zijn bewezen? Moeten we dan stelen en leugens vertellen omdat wij
persoonlijk onvoldoende
ervaring hebben gehad om de juistheid van de overtuiging, dat het
verkeerd is
om zo te handelen, aan te tonen?
Er bestaat geen echt
gevaar, dat
dergelijke
gevolgen ooit uit nauwgezette zorgvuldigheid en zelfbeheersing inzake
geloven
voortspruiten. De mensen die wat dat betreft het meest nauwgezet hun
plicht
hebben gedaan, hebben ervaren dat bepaalde grote principes, die als
leidraad
voor het leven het meest geschikt zijn, steeds duidelijker werden
naarmate zij
zorgvuldiger en oprechter werden onderzocht, en daardoor een bruikbare
zekerheid hebben verkregen. De meningen over goed en kwaad, die in de
gemeenschap ons handelen bij het omgaan met elkaar sturen, en de
meningen over
de materiele wereld, die ons handelen leiden in het omgaan met bezielde
en
onbezielde lichamen, hebben nooit onder onderzoek te lijden. Die kunnen
voor
zichzelf zorgen, zonder steun van “geloofsdaden”, protest van betaalde
pleitbezorgers, of het onderdrukken van strijdige bewijzen. Bovendien
zijn er
vele gevallen, waarin het onze plicht is om te reageren naar
waarschijnlijkheid, ofschoon het bewijs niet zodanig is dat het de
juistheid
van de huidige overtuiging kan aantonen. Het is namelijk juist door het
handelen en het waarnemen van de gevolgen ervan, dat het bewijs wordt
verkregen,
dat de juistheid van de daarop volgende overtuiging kan aantonen. Wij
hebben
dus geen reden om bang te zijn, dat de gewoonte van nauwgezet onderzoek
het
handelen in ons dagelijkse leven zou verlammen.
Maar omdat het
ontoereikend is om
te zeggen,
“het is verkeerd om iets op ondeugdelijke gronden te geloven,” zonder
ook te
zeggen welk bewijs deugdelijk is, zullen wij nu vervolgen met het
onderzoek
naar de omstandigheden waaronder het terecht is om iets op grond van
een bewering
van anderen te geloven. Vervolgens zullen wij meer in het algemeen
onderzoeken
wanneer en waarom wij iets kunnen geloven, dat buiten onze ervaring, of
zelfs
buiten de ervaring van de mensheid ligt.
Wij moeten ons in de
eerste plaats
afvragen
in welke gevallen het onjuist is om aan een bewering van iemand anders
geloof
te hechten. Hij zou namelijk bewust of onbewust iets onwaars kunnen
zeggen. In
het eerste geval liegt hij, en is hij moreel laakbaar. In het tweede
geval is
hij onwetend of vergist hij zich, en is alleen zijn kennis of oordeel
onjuist. Om
zijn bewering terecht als grond voor het geloven in wat hij zegt te
accepteren,
moeten wij redelijke gronden hebben om drie zaken te vertrouwen: zijn
geloofwaardigheid,
namelijk dat hij echt de waarheid probeert te zeggen, voor zover hij
daarvan op
de hoogte is; zijn kennis, namelijk dat hij de gelegenheid heeft gehad
om de
waarheid aangaande deze zaak te leren kennen; en zijn oordeel, namelijk
dat hij
een juist gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om tot de
gevolgtrekking te
komen, die hij bevestigt.
Hoe helder en
duidelijk
deze
redenen ook
mogen zijn, zodat iedereen met een normaal verstand, die over de zaak
nadenkt,
wel tot diezelfde conclusie moet komen, toch is het juist dat een groot
aantal
mensen die redenen gewoonlijk veronachtzamen bij het naar waarde
schatten van
een uitspraak. Het merendeel van de mensheid is volstrekt tevreden over
twee
vragen, die even belangrijk zijn voor de geloofwaardigheid van een
getuige,
namelijk “is hij oneerlijk?” en “vergist hij zich misschien?” als een
daarvan,
naar enige waarschijnlijkheid, ontkennend kan worden beantwoord.
Iemands
uitmuntende morele karakter wordt als reden aangevoerd om zijn
uitspraken te
aanvaarden over zaken, die hij onmogelijk kan hebben geweten. Een
mohammedaan
zal ons bijvoorbeeld vertellen, dat het karakter van zijn Profeet zo
edel en
verheven was, dat het zelfs eerbied eist van mensen, die niet in zijn
roeping
geloven. Zijn zedelijke leringen waren zo bewonderenswaardig en hij
maakte van het
maatschappelijke apparaat, dat hij zelf in het leven had geroepen, zo
oordeelkundig één geheel, dat zijn voorschriften niet
alleen door een
groot
deel van de mensheid zijn aanvaard, maar echt worden gehoorzaamd. Zijn
instellingen hebben aan de ene kant de neger aan de barbarij ontrukt,
en aan de
andere kant, het zich ontwikkelende Westen, beschaving gebracht. En
hoewel de
volkeren, die zijn geloof het meest in ere hebben gehouden, en zijn
geest en
gedachten het meest hebben belichaamd, allemaal door barbaarse stammen
zijn
veroverd en weggevaagd, blijft de geschiedenis van hun
verbazingwekkende
prestaties een onvergankelijke glorie voor de Islam. Moeten wij de
woorden van
een zo groot en goed iemand in twijfel trekken? Mogen wij denken dat
dit grootse
genie, deze voortreffelijke zedelijke held, over de meest belangrijke
en
heilige zaken tegen ons heeft gelogen? De getuigenis van Mohammed is
duidelijk,
namelijk dat er maar één God is, en dat hij, Mohammed,
zijn Profeet is;
dat
wij, als wij in hem geloven, een eeuwigdurend gelukzaligheid zullen
genieten,
maar dat wij, als wij dat niet doen, zullen worden verdoemd. Deze
getuigenis is
gebaseerd op het meest ontzagwekkende fundament, namelijk de openbaring
van de
hemel zelf. Is hij immers niet bezocht door de engel Gabriël, toen
hij
in een
grot in de woestijn vastte en bad, en hem werd toegestaan de
gelukzalige
gebieden van het Paradijs te betreden? Natuurlijk is God dan God en
Mohammed
zijn Profeet.
Wat moeten wij die
Muzelman dan
antwoorden?
Wij zouden ongetwijfeld geneigd zijn om bezwaar aan te tekenen tegen
zijn visie
op het karakter van de Profeet en de uitsluitend weldadige invloed van
de
Islam. Voordat wij hierin met hem mee zouden kunnen gaan, lijkt het dat
wij
eerst veel gruwelijkheden, waarover wij hebben gehoord of gelezen,
moeten
vergeten. Maar als wij besluiten hem al die veronderstellingen te
gunnen,
terwille van de discussie, en omdat het zowel voor de gelovige als de
ongelovige moeilijk is om daar oprecht en ongeëmotioneerd over te
redetwisten,
zouden we toch iets moeten zeggen, dat de grond onder zijn geloof
vandaan haalt
en laat zien dat het onjuist is om het aan te hangen. Namelijk het
volgende:
het karakter van Mohammed levert een uitmuntend bewijs van het feit dat
hij
oprecht was en dat hij de waarheid sprak, voor zover hij daarvan op de
hoogte
was. Maar er is helemaal geen bewijs voorhanden dat hij de waarheid
sprak. Hoe
had hij kunnen weten dat de gedaante waarin de engel Gabriël aan
hem
verscheen
geen hallucinatie en dat zijn kennelijke bezoek aan het Paradijs geen
droom is
geweest? Laten wij aannemen dat hij er volkomen van overtuigd was en
oprecht
geloofde, dat hij door de hemel werd geleid en het medium was van een
bovennatuurlijke openbaring. Maar hoe kon dan hij weten dat zijn sterke
overtuiging
geen vergissing was? Laten wij onszelf in zijn positie verplaatsen. Wij
zullen
dan merken dat wij, hoe meer wij ons proberen te realiseren wat er in
zijn
hoofd is omgegaan, des te duidelijker zullen merken dat de Profeet geen
voldoende basis voor het geloof in zijn eigen inspiratie kan hebben
gehad. Hoogst
waarschijnlijk heeft hij nooit aan de zaak getwijfeld, of zelf bedacht
de vraag
ter discussie te stellen. Maar wij verkeren in de positie van mensen
aan wie de
vraag wél wordt gesteld en die verplicht zijn daar een antwoord
op te
geven.
Medische onderzoekers weten dat eenzaamheid en honger krachtige
middelen zijn
om waanvoorstellingen voort te brengen en een neiging tot een
geestesziekte te voeden.
Laten wij ons vervolgens voorstellen dat ik, net als Mohammed, de
woestijn intrek
om te vasten en te bidden. Wat kan er dan met mij gebeuren, dat mij het
recht
geeft om te geloven dat ik door God wordt geïnspireerd?
Veronderstel
dat ik
inzichten verkrijg, kennelijk van een hemelse bezoeker, die bij nader
onderzoek
juist blijken te zijn. Ik kan er op de eerste plaats niet zeker van
zijn, dat
de hemelse bezoeker geen verzinsel van mijn eigen brein is, en dat ik
niet tot
de inzichten, waar ik mij op dat moment niet van bewust was, ben
gekomen door
een of andere subtiele manier van zintuigelijke waarneming. Maar als
mijn
bezoeker een bezoeker van vlees en bloed zou zijn, en mij gedurende een
lange
tijd informatie zou geven, die betrouwbaar zou blijken te zijn, zou dat
inderdaad een goede basis zijn om hem ook verder te vertrouwen
aangaande zaken
die binnen het menselijke vermogen om ze te bevestigen vallen. Maar het
zou
geen basis zijn om zijn beweringen over andere zaken te vertrouwen.
Want hoewel
zijn beproefde reputatie mij het recht zou geven om te geloven dat hij
de
waarheid, voor zover hij daarvan op de hoogte is, kent, blijft toch
dezelfde
vraag opdoemen – wat voor bewijs is er om te veronderstellen dat hij
het echt weet?
Zelfs als mijn
fictieve
bezoeker
mij
zodanige informatie had verstrekt, en die vervolgens door mij was
geverifieerd,
die had aangetoond dat hij een bepaalde kennis had over verifieerbare
zaken die
ver boven mijn eigen kennis uit zou gaan, zou mij dat niet het recht
geven om
geloof te hechten aan wat hij zou zeggen over zaken die op dit moment
niet door
de mens kunnen worden geverifieerd. Het zou de basis vormen voor
interessante
speculatie, en voor de hoop dat wij, als resultaat van ons vasthoudend
onderzoek, na verloop van tijd misschien bewijsmiddelen zouden kunnen
verkrijgen, die een terecht vermoeden in een overtuiging zouden kunnen
veranderen. Want de overtuiging is eigen aan de mens en aan het
besturen van de
menselijke handel en wandel. Geen enkele overtuiging is reëel
tenzij
zij
leiding geeft aan ons handelen, en het is juist het handelen dat het
bewijs van
haar waarheid verschaft.
We moeten echter
nogmaals
benadrukken dat de
aanvaarding van de Islam, als systeem, juist de daad is die wordt
opgeroepen
door het geloof in de roeping van de Profeet, en die als toets moet
dienen voor
de juistheid ervan. Is het mogelijk om te geloven dat een systeem, dat
zo’n
succes heeft gehad, echt op een waanidee is gebaseerd? Niet alleen
afzonderlijke heiligen hebben vreugde en vrede gevonden in het geloven,
en
hebben de spirituele ervaringen bevestigd die aan de gelovigen worden
beloofd,
maar ook volkeren zijn van de primitiviteit of barbarij naar een hoger
maatschappelijk niveau gestegen. Wij hebben natuurlijk de vrijheid om
te zeggen
dat het geloof dat heeft bewerkstelligd en dat het daardoor is
bevestigd.
Er is echter maar
weinig
voor
nodig om aan
te tonen dat, wat in werkelijkheid is bevestigd, helemaal niet het
bovennatuurlijke karakter is van de roeping van de Profeet, of van de
betrouwbaarheid van zijn gezag in zaken die wij zelf niet kunnen
toetsen, maar
alleen zijn pratische verstand in bepaalde zeer alledaagse dingen. Het
feit dat
gelovigen vreugde en vrede hebben gevonden in het geloven, geeft ons
het recht
om te zeggen dat de leer een opbeurende leer is en aangenaam voor de
ziel; maar
het geeft ons niet het recht om te zeggen dat het waar is. En als wij
in de
verleiding worden gebracht om iets te geloven is de vraag, die ons
geweten ons altijd
stelt, niet “is het opbeurend en aangenaam?” maar “is het waar?” Dat de
Profeet
bepaalde leerstellingen heeft verkondigd en heeft voorspeld, dat daar
spirituele bemoediging in kan worden gevonden, bewijst alleen maar zijn
waardering
voor de menselijke natuur en zijn kennis daarvan; maar het is geen
bewijs van
zijn bovennatuurlijke kennis van de theologie.
Als er inderdaad
maar
één Profeet
zou zijn
geweest, zou het misschien een moeilijke en onaangename taak zijn om te
beslissen op welke punten wij hem zouden moeten vertrouwen, en waarin
wij aan
zijn gezag zouden moeten twijfelen; en ook om te zien hoeveel hulp en
steun
alle mensen ten alle tijden hebben gehad van mensen die helderder
zagen,
intenser voelden en de waarheid meer van ganser harte hebben gezocht
dan hun
zwakkere broeders. Maar er is niet slechts één Profeet.
En terwijl de
instemming van velen over het feit dat de profeten, als mens, een
manier hadden
om kennis te verwerven en ook kennis hadden, het tot het einde heeft
uitgehouden, en roemrijk in het weefsel van de menselijke kennis is
ingeweven,
blijven de uiteenlopende getuigenissen van een aantal mensen over
zaken, die
zij niet wisten en konden weten voor ons een waarschuwing. Namelijk dat
het
overdrijven van het gezag van een profeet wil zeggen, dat het wordt
misbruikt
en dat daarmee de mensen, die alleen hebben geprobeerd om ons, naar hun
vermogen,
te helpen en te ontwikkelen, te schande worden gemaakt. Het ligt
vrijwel niet
in de menselijke natuur dat iemand volstrekt nauwkeurig de grenzen van
zijn
eigen inzichten kan inschatten; maar het is de plicht van degenen die
profijt
trekken uit zijn werk, dat zij zorgvuldig nagaan waar hij misschien die
grenzen
heeft overschreden. Als wij zijn mogelijke vergissingen
noodzakelijkerwijs tegelijkertijd
met zijn betrouwbare verdiensten begraven, en zijn gezag als excuus
hanteren om
in iets te geloven dat hij niet heeft kunnen weten, maken wij van zijn
goedheid
een gelegenheid om te zondigen.
Kijk alleen maar
eens naar
een
andere vergelijkbare
getuigenis: de volgelingen van de Boeddha hebben minstens evenveel
recht om, als
bewijs van het gezag van de Oosterse verlosser, een beroep te doen op
persoonlijke en gemeenschappelijke ervaring. Men zegt dat het speciale
kenmerk
van het Boeddhisme, waarin het nooit is overtroffen, de opbeuring en
vertroosting is, die het aan de zieken en treurenden schenkt en het
liefhebbende
medeleven, waarmee het alle dagelijkse leed van mensen verzacht en
verlicht. En
ongetwijfeld kan geen enkele overwinning of maatschappelijke zedenleer
meer
verheven zijn dan degene, die bijna de helft van de mensheid heeft
afgehouden
van het vervolgen van mensen in naam van de godsdienst. Als wij de
verhalen van
zijn eerste volgelingen moeten vertrouwen, geloofde hij zelf dat hij
met een
goddelijke en kosmische missie op aarde was gekomen om het rad van de
Wet in
gang te zetten. Hij was een vorst, maar hij deed afstand van zijn
koninkrijk,
en zocht vrijwillig de ellende op, om te leren hoe hij die het hoofd
moest
bieden en moest bedwingen. Zou zo iemand leugenachtig over ernstige
zaken
kunnen praten? En wat zijn kennis betreft: was hij niet iemand met
wonderbaarlijke en bovenmenselijke krachten? Hij was uit een vrouw
geboren,
zonder toedoen van een man. Hij verhief zich in de lucht en veranderde,
voor het
oog van zijn verwanten, van gedaante. Vervolgens steeg hij, vanaf de
top van de
Adamsberg [3], in levende lijve ten hemel op. Moet er dan geen geloof
worden
gehecht aan zijn woorden, wanneer hij getuigenis over hemelse zaken
aflegt?
Was hij het alleen
maar,
en
niemand anders, die
een dergelijke aanspraak maakt! Maar dan is daar ook Mohammed met zijn
getuigenis. Wij kunnen niet kiezen en luisteren naar hen beiden. De
Profeet
vertelt ons dat er maar één God is en dat wij voor altijd
in vreugde of
ellende
zullen leven, naar gelang wij al dan niet in de Profeet geloven. De
Boeddha
zegt dat er geen God is, en dat wij geleidelijk zullen worden
vernietigd,
totdat wij goed genoeg zijn. Beiden kunnen niet onfeilbaar zijn
geïnspireerd. Óf
de een óf de ander moet het slachtoffer van een waanidee zijn,
en moet
hebben
gedacht dat hij iets wist wat hij in werkelijkheid niet wist. Wie durft
te
zeggen wie? En hoe kunnen wij onszelf rechtvaardigen als wij geloven
dat de
ander niet ook is misleid? Wij komen als volgt tot deze uitspraken. De
goedheid
en grootheid van iemand geeft ons niet het recht om een mening te
aanvaarden op
grond van zijn gezag, tenzij er redelijke gronden bestaan om te
veronderstellen
dat hij wist, dat wat hij zei, waar was. En er zijn geen redenen om te
veronderstellen dat iemand iets weet dat wij, tenzij wij geen mens meer
zouden
zijn, niet zouden kunnen verifiëren.
Als een chemicus
mij, die
geen
chemicus is,
vertelt dat een bepaalde stof kan worden gemaakt door andere
grondstoffen in
een bepaalde verhouding samen te brengen en aan een bekend
procedé te
onderwerpen, kan ik dat volstrekt terecht op zijn gezag geloven, tenzij
ik iets
tegen zijn karakter of oordeel in kan brengen. Want zijn
beroepsopleiding
draagt bij tot het vergroten van zijn geloofwaardigheid, tot een
oprechte
zoektocht naar de waarheid en tot het teweegbrengen van een afkeer
tegen
overhaaste conclusies en slordig onderzoek. En ik kan redelijkerwijs
veronderstellen
dat hij de waarheid kent van wat hij vertelt. Want hoewel ik geen
chemicus ben,
kan ik zover komen, dat ik zoveel van de methoden en processen van de
wetenschap begrijp, dat ik mij voor kan stellen dat ik, tenzij ik niet
langer
meer mens zou zijn, de uitspraak zou kunnen verifiëren. Misschien
zou
ik het
nooit echt kunnen verifiëren, of zelfs ook maar een proefneming
kunnen
zien die
tot het bewijs leidt, maar dan nog heb ik voldoende redenen om terecht
te
geloven dat het bewijs binnen het bereik van de menselijke middelen en
vermogens ligt, en met name dat de proef echt door mijn zegsman tot
stand is
gebracht. Zijn resultaat - de overtuiging waartoe hij door zijn
onderzoek is
gekomen - is niet alleen voor hemzelf geldig, maar ook voor anderen.
Het wordt
gadegeslagen door mensen, die op hetzelfde terrein werkzaam zijn, en
die weten
dat de wetenschap geen grotere dienst kan worden bewezen, dan de
aanvaarde
resultaten te zuiveren van dwalingen, die er ingeslopen zouden kunnen
zijn. Op
die manier wordt het resultaat gemeenschappelijk eigendom en een juiste
geloofszaak,
een maatschappelijke en publieke zaak. Men kan dus merken dat zijn
gezag geldig
is, omdat er mensen zijn die het ter discussie stellen en het
verifiëren. En het
is juist het proces van onderzoeken en zuiveren, dat bij de
onderzoekers de
liefde levend houdt voor datgene, wat alle mogelijke toetsen zal
doorstaan, en voor
het gevoel van publieke verantwoordelijkheid en de verantwoordelijkheid
van de
mensen, van wie het werk, mits juist uitgevoerd, als een blijvend
erfgoed van
de mensheid, zal voortleven.
Maar als mijn
chemicus mij
vertelt, dat een
waterstofatoom in gewicht en trillings-frekwentie eeuwig onveranderd is
gebleven,
heb ik niet het recht om dat op zijn gezag te geloven, want dat is iets
dat hij
niet kan weten, zolang hij mens is. Hij zou oprecht kunnen geloven, dat
zijn
uitspraak een logische gevolgtrekking is uit zijn experimenten, maar in
dat
geval is zijn bewering onjuist. Een zeer eenvoudige bestudering van de
aard van
de experimenten zou hem laten zien, dat zij nooit tot een dergelijk
resultaat
kunnen leiden en dat zij, omdat zij zelf slechts een benadering en
beperkt
zijn, ons geen kennis kunnen geven, die exact en universeel is. Geen
enkele
uitmuntendheid van karakter en genie kan iemand genoeg gezag geven om
ons terecht
hem te laten geloven, als hij uitspraken doet, die een exacte of
universele
kennis inhouden.
Nogmaals: een
poolonderzoeker kan
ons vertellen,
dat hij op een bepaalde breedte- en lengtegraad die en die graden onder
nul
heeft gemeten, dat de zee zus en zo diep en het ijs van een bepaald
soort was.
Wij zouden hem volstrekt terecht mogen geloven, als er geen enkele smet
aan
zijn geloofwaardigheid zou kleven. Het is mogelijk dat wij, zonder op
te houden
mens te zijn, naar de pool gaan en zijn bewering verifiëren. Het
kan
worden
getoetst aan de verklaringen van zijn medeonderzoekers, en er is
voldoende
grond aanwezig om te veronderstellen, dat hij op de hoogte is van de
waarheid
van wat hij zegt. Maar als een oude walvisvaarder ons vertelt dat het
ijs aan
de pool overal 300 voet dik is, hebben wij niet het recht hem te
geloven. Want
hoewel zijn bewering misschien wel door iemand anders kan worden
geverifieerd,
kan die vast niet door hemzelf worden geverifieerd, wat voor middelen
en
instrumenten hij ook ter beschikking heeft gehad. Hij moet zichzelf van
de
waarheid ervan hebben overtuigd met behulp van middelen, die geen
enkele
geloofwaardigheid aan zijn verklaring verbinden. Dus zelfs als het
bevestigde
geval binnen het bereik van de menselijke kennis ligt, hebben wij niet
het
recht om het op gezag van iemand anders te aanvaarden, tenzij het
binnen het
bereik van de kennis van onze zegsman ligt.
Wat moeten we nog
vertellen over
dat gezag,
eerbiedwaardiger en verhevener dan elke individuele getuigenis,
namelijk de
aloude traditie van het mensdom? Door de krachtsinspanningen en het
geploeter
van onze voorvaderen is er een atmosfeer van overtuigingen en meningen
gevormd,
die ons in staat stelt om temidden van uiteenlopende en ingewikkelde
omstandigheden van ons leven te ademen. Die atmosfeer strekt zich
overal om ons
heen en binnen in ons uit. Wij kunnen alleen maar denken in de
denkvormen en
denkprocessen die die atmosfeer verstrekt. Is het mogelijk daaraan te
twijfelen
en die te toetsen? En als het mogelijk is, is het dan juist?
Wij kunnen als
antwoord
beredeneren, dat het
niet alleen mogelijk en juist is, maar onze heilige plicht; dat het
juist het belangrijkste
doel van de traditie is om ons de middelen te verschaffen om vragen te
stellen,
om de dingen te toetsen en te onderzoeken; dat wij onszelf, als wij de
traditie
verkeerd gebruiken, en haar als een verzameling van kant en klare
verklaringen
beschouwen, die zonder nader onderzoek moet worden aanvaard, op dit
punt
benadelen, maar dat wij, door het afwijzen van ons aandeel in het
uitbouwen van
het systeem, dat door onze kinderen zal worden geërfd, misschien
onszelf en het
mensdom af zullen snijden van de menselijke gedragslijn.
Wij moeten er op de
eerste
plaats
op letten,
dat wij een bepaalde traditie onderkennen, die er in het bijzonder om
vraagt om
te worden onderzocht en ter discussie te worden gesteld, omdat met name
die
traditie voor onderzoek terugschrikt. Veronderstel dat een medicijnman
in
Centraal Afrika zijn stamleden vertelt, dat een bepaald krachtig
medicijn in
zijn hut de goden zal verzoenen, als zij hun vee doden en dat de
stamleden hem
geloven. Er bestaat geen manier om te verifiëren of het medicijn
de
goden al
dan niet verzoent, maar het vee is wel verdwenen. Toch kan bij de stam
de
overtuiging worden gekoesterd, dat de verzoening op deze manier
werkzaam kan
zijn. Bij een volgende generatie zal het voor een andere medicijnman
dan gemakkelijker
zijn om hen tot een gelijksoortige manier van doen te overreden. Hier
is de
enige reden voor die overtuiging dat iedereen zo lang in het gebeuren
heeft
geloofd, dat het wel waar moet zijn. En toch was het geloof op bedrog
gebaseerd
en was het door goedgelovigheid verspreid. Iemand die dat ter discussie
stelt
en begrijpt dat er geen bewijs voor is, zal ongetwijfeld juist handelen
en een
mensenvriend zijn, en hij zal zijn medemensen behulpzaam zijn om het op
dezelfde manier te zien en zelfs, zonodig, de heilige hut betreden en
het
medicijn vernietigen.
De leidraad, die ons
in
dergelijke
zaken zou
moeten leiden, is heel eenvoudig en voor de hand liggend, namelijk dat
de
gezamenlijke getuigenis van onze medemensen aan dezelfde voorwaarden is
onderworpen als de getuigenis van ieder van hen afzonderlijk. Wij
hebben
namelijk niet het recht om te geloven, dat iets waar is omdat iedereen
dat
vindt, tenzij er goede redenen bestaan om te geloven, dat iemand op
zijn minst
over de middelen beschikt om te weten wat waar is, en dat hij de
waarheid
spreekt voor zover hij daarvan op de hoogte is. Maar veel volkeren en
generaties zijn de getuigenbank ingeleid, terwijl zij geen verklaring
konden
afleggen over iets wat zij niet kenden. Iedereen die zich een bewering
van iemand
anders eigen heeft gemaakt, zonder die zelf te toetsen en te
verifiëren, zet
zichzelf buiten spel. Zijn woorden zijn volstrekt waardeloos. En als
wij uiteindelijk
echt teruggaan naar het ontstaan en begin van de bewering, moeten wij
twee
serieuze vragen over de persoon die met de bewering op de proppen kwam,
uit de
weg ruimen: vergiste hij zich toen hij dacht dat hij van deze zaak op
de hoogte
was, of heeft hij gelogen?
Deze laatste vraag
is
helaas,
zelfs op dit
moment en in dit land, voor ons een zeer actuele en praktische vraag.
Wij
hebben niet de behoefte om naar La Salette [4], naar Centraal Afrika of
naar Lourdes te gaan, om voorbeelden te zien van immoreel en
vernederend
bijgeloof. Het is voor een kind maar al te goed mogelijk om in Londen
op te groeien,
omgeven door een atmosfeer van overtuigingen, die uitsluitend voor een
barbaar geschikt
zijn en die tegenwoordig op bedrog zijn gegrondvest en door
goedgelovigheid
worden verbreid.
Laten wij een
dergelijke
traditie
die,
zonder haar te toetsen, door opeenvolgende generaties is overgeleverd,
dus maar
terzijde leggen en zien wat er uit de gemeenschappelijke ervaring van
de
mensheid nou echt is opgebouwd. Dit uitgebreide systeem dient als
richtsnoer
voor ons denken, en daardoor voor ons handelen, zowel in de zedelijke
als in de
materiele wereld. In de zedelijke wereld geeft het ons bijvoorbeeld
doorgaans
een voorstelling van het juiste, van rechtvaardigheid, van de waarheid,
van
liefdadigheid en dergelijke. Die worden gegeven als voorstelling, niet
als
bewering of stelling. Ze geven antwoord op bepaalde en welomlijnde
instincten
die ongetwijfeld in onszelf aanwezig zijn, hoewel zij van buitenaf
binnengedrongen zijn. Dat het juist is om goed te doen is een kwestie
van
directe persoonlijke ervaring, want als iemand in zichzelf keert en
daar iets
vindt, dat meer omvattend en duurzamer is dan zijn eigen
persoonlijkheid, die
zegt, “ik wil het juiste doen” en “ik wil de mensen goed doen,” kan hij
meteen
merken dat het ene instinct volledig is gebaseerd op en in
overeenstemming is
met het andere. En het is dus zijn plicht om dit en alle soortgelijke
beweringen te verifiëren.
De traditie stelt
ook dat
die en
die
handelingen op een bepaalde plaats en een bepaald tijdstip juist, waar
of goed
zijn. Voor al dat soort regels is nader onderzoek noodzakelijk, omdat
zij soms
door een andere autoriteit zijn ingesteld dan die van het moreel besef,
dat op
de ervaring stoelt. Tot voor kort leerde de zedelijke traditie van ons
eigen
land – en in feite van heel Europa – dat het van liefdadigheid getuigde
om
bedelaars lukraak geld te geven. Maar het ter discussie stellen van
deze regel
en onderzoek ervan, heeft mensen laten zien dat de ware liefdadigheid
iemand
helpt om het werk te doen waar hij het meest geschikt voor is, en niet
wat zijn
ledigheid bevestigd en in de hand werkt; en dat het op dit moment
negeren van
dit onderscheid voor verpaupering en ellende in de toekomst zorgt. Door
deze
toetsing en gedachtenwisseling is niet alleen de gang van zaken
gezuiverd en
weldadiger geworden, maar is juist de opvatting over liefdadigheid meer
omvattend en redelijker geworden. Het maatschappelijke erfgoed bestaat
dus uit
twee gedeelten: het instinct van liefdadigheid, dat een bepaald aspect
van onze
natuur vormt, dat de mensen goed wil doen, als het de overhand heeft;
en de
verstandelijke opvatting van liefdadigheid, die wij aan elke
voorgenomen gedragslijn
kunnen toetsen en ons daarbij afvragen, “is dit liefdadig of niet?”
Door het
voortdurend stellen en beantwoorden van die vragen neemt het moreel
besef in
omvang en onderscheid toe en wordt het instinct sterker en zuiverder.
Het lijkt
dus dat het uitgebreid gebruik maken van het begrip – het intellectuele
deel
van het erfgoed – is, om het voor ons mogelijk te maken om vragen te
stellen, zodat
het, door middel van die vragen, groeit en op het rechte pad blijft; en
als wij
het niet voor dat doel gebruiken, zullen wij het geleidelijk volledig
kwijtraken en met louter een stelsel van voorschriften achterblijven,
wat
allesbehalve met recht zedelijkheid kan worden genoemd.
Dergelijke
overwegingen
zijn zelfs
nog meer
vanzelfsprekend en zo mogelijk nog duidelijker van toepassing op de
grote
hoeveelheid overtuigingen en opvattingen aangaande de stoffelijke
wereld, die
onze vaderen voor ons hebben vergaard. Wij lachen graag om de vuisregel
van de
Australiër die zijn handbijltje aan
de
kant
van
het
handvat blijft vastmaken, terwijl de bankwerker uit
Birmingham voor dat doel een gat heeft gemaakt waar hij zijn handvat in
kan
doen. Zijn landgenoten hebben handbijltjes zo eeuwenlang vastgemaakt en
wie is
het, dat hij zich tegen hun wijsheid zou durven verzetten? Hij is zover
gezonken dat hij niet in staat is om datgene te doen wat sommigen van
hen in
een ver verleden moeten hebben gedaan – een ingeburgerd gebruik ter
discussie
stellen en iets beters bedenken of aanleren. Toch vinden we hier,
tijdens het
schemerige ontluiken van kennis, waar wetenschap en kunst nog
één zijn,
slechts
dezelfde eenvoudige regel die van toepassing is op de nu eens snelle en
dan
weer trage groei van de kosmische Boom; van de meest indrukwekkende
hoge
bloesemdragende takken tot het allerdiepste van zijn verborgen wortels;
namelijk de regel, dat wat is vergaard en aan ons wordt doorgegeven,
door
mensen die handelen, op een juiste manier wordt gebruikt, als zij net
zo
handelen als de makers handelden, toen zij het vergaarden; mensen die
er
gebruik van maken om verdere vragen te stellen, het te bestuderen en te
onderzoeken; die oprecht en ernstig uitzoeken wat de juiste manier is
om naar
dingen te kijken en ermee om te gaan.
Een vraag die op de
juiste
manier
wordt gesteld
is al half beantwoord, zei Jacobi. [5] Wij zouden daar aan toe kunnen
voegen
dat de manier van beantwoorden de andere helft van het antwoord is, en
dat het
feitelijke resultaat niets voorstelt vergeleken met deze twee. Laten
wij als
voorbeeld de telegraaf nemen, waar theorie en praktijk, die beiden tot
de jaren
des onderscheids zijn gekomen, op een wonderbaarlijke manier aan elkaar
zijn
gekoppeld ten bate van een vruchtbare dienstbaarheid aan de mens. Ohm
ontdekte
dat de sterkte van een electrische stroom recht evenredig is met de
sterkte van
de batterij die die stroom produceert, en omgekeerd evenredig is met de
lengte
van de draad, waar hij zich doorheen moet bewegen. Dat wordt de Wet van
Ohm
genoemd. Maar het resultaat, dat als een uitspraak wordt beschouwd,
waar geloof
aan moet worden gehecht, is niet het waardevolle gedeelte ervan. De
eerste
helft van de vraag is: welk verband bestaat er tussen deze grootheden?
Op die
manier gesteld, impliceert de vraag al een voorstelling van de sterkte
van de
stroom en de sterkte van de batterij als grootheden, die gemeten en met
elkaar
vergeleken moeten worden. Het doet duidelijk vermoeden, dat dat de
zaken zijn
waar aandacht aan moet worden geschonken, bij de bestudering van
electrische
stromen. De tweede helft is de onderzoeksmethode. Hoe moeten deze
grootheden
worden gemeten, wat voor instrumenten zijn voor de proefneming nodig en
hoe
moeten zij worden gebruikt? Er wordt aan de student die electriciteit
gaat
bestuderen niet gevraagd om in de Wet van Ohm te geloven. Hij wordt
ertoe
aangezet om de vraag te begrijpen, wordt voor het instrument geplaatst
en hem
wordt bijgebracht hoe hij de vraag moet verifiëren. Hij leert hoe
hij
iets moet
doen en niet om te denken dat hij iets weet. Hij leert gebruik van
instrumenten
te maken en vragen te stellen en niet om een overgeleverde verklaring
te
aanvaarden. De vraag, waar een genie voor nodig was om juist te worden
gesteld,
wordt door een beginneling beantwoord. Als de Wet van Ohm opeens
verloren zou
gaan en door iedereen zou worden vergeten, terwijl de vraag en de
methode van
beantwoorden zou blijven bestaan, zou het resultaat binnen een uur
opnieuw kunnen
worden ontdekt. Maar het resultaat op zichzelf zou, als het bekend zou
worden
bij een volk, dat het belang van de vraag of de manier om die op te
lossen niet
zou kunnen begrijpen, als een horloge zijn in de handen van een wilde,
die het
niet op zou kunnen winden, of als een stalen stoomschip dat door
Spaanse
machinisten bediend zou worden.
Wij ontdekken dus,
wat
betreft de
heilige
overlevering van de mensheid, dat die niet bestaat uit stellingen of
verklaringen, die aanvaard en geloofd moeten worden op gezag van die
overlevering, maar uit juist gestelde vragen, uit opvattingen die ons
in staat
stellen om verder door te vragen, en uit methoden om vragen te
beantwoorden. De
waarde van dit alles hangt af van het, dag in dag uit, toetsen daarvan.
Juist
de heiligheid van het kostbare onderpand legt op ons de plicht en de
verantwoordelijkheid om het te toetsen, het te zuiveren en uit te
breiden met
het uiterste van onze vermogens. Iemand die gebruik maakt van haar
resultaten
om zijn eigen twijfels te smoren, of het onderzoek van anderen te
belemmeren,
maakt zich schuldig aan heiligschennis, die in geen eeuwen kan worden
uitgewist. Als het werk en het onderzoek van oprechte en dappere mensen
het
systeem van erkende waarheden zullen hebben uitgebouwd tot een luister,
waarop
wij in deze generatie niet kunnen hopen, noch ons daar een voorstelling
van
kunnen maken, zal zo iemand aan die zuivere en heilige tempel part noch
deel
hebben, maar zijn naam en zijn werk zal in de duisternis van de eeuwige
vergetelheid worden geworpen.
III.
DE GRENZEN VAN DE AFGELEIDE WAARHEID
De vraag in welke
gevallen
wij
iets mogen
geloven dat buiten onze ervaring ligt, is een veelomvattende en
netelige vraag,
die zich uitstrekt tot de hele gebied van de wetenschappelijke methode
en die
een aanzienlijke toename van de toepassing ervan vereist, voordat zij
kan
worden beantwoord met iets dat de volledigheid benadert. Maar
één
regel, die op
de drempel van het onderwerp ligt, en van een uiterste eenvoud en een
uitgebreide praktische betekenis is, moet hier misschien worden
aangestipt en
in een paar woorden op papier worden gezet.
Een korte
beschouwing laat
ons
zien dat elk geloof,
zelfs het meest eenvoudige en elementaire, als het wordt gezien als een
richtsnoer voor ons handelen, verder gaat dan de ervaring. Een kind dat
zich
heeft verbrand is bang voor vuur, omdat het gelooft dat het vuur
vandaag net
zoals gisteren zal verbranden; maar dit geloof ligt buiten de ervaring,
en
neemt aan dat het onbekende vuur van vandaag net als het vuur van
gisteren is.
Zelfs het geloof dat het kind zich gisteren heeft verbrand ligt buiten
de
huidige ervaring, die alleen de herinnering aan het verbranden bevat en
niet
het verbranden zelf. Het gaat er dus van uit dat zijn geheugen
betrouwbaar is,
hoewel wij weten dat het geheugen zich vaak vergist. Maar als het moet
worden
gebruikt als leidraad voor het handelen, als een aanduiding over de
toekomst,
moet het iets over die toekomst veronderstellen, namelijk dat die klopt
met de
veronderstelling dat het verbranden inderdaad gisteren heeft
plaatsgevonden. Dat
ligt buiten de ervaring. Zelfs het fundamentele “ik ben”, waar niet aan
kan
worden getwijfeld, is geen leidraad voor handelen tot het moment dat
het
overgaat in “ik zal zijn,” wat weer buiten de ervaring ligt. De vraag
is dus
niet, “mogen wij geloven wat voorbij de ervaring ligt?” want dat brengt
het
wezen van het geloven juist met zich mee, maar “in hoeverre en op welke
manier
mogen wij iets aan onze ervaring toevoegen bij het vormen van onze
meningen?”
Het voorbeeld dat
wij
hebben
gegeven reikt een
uiterst eenvoudig en universeel antwoord aan: een kind dat zich heeft
verbrand
is bang voor vuur. Wij mogen verder dan onze ervaring gaan door aan te
nemen
dat wat wij niet weten net hetzelfde is als wat wij wel weten. Of met
andere
woorden: wij mogen iets aan onze ervaring toevoegen in de
veronderstelling van
een uniformiteit in de natuur. Wat die uniformiteit precies is en hoe
onze
kennis daarvan van generatie op generatie toeneemt, zijn vragen die wij
voor
dit moment terzijde leggen. Wij nemen genoegen met het onderzoeken van
twee
gevallen die zouden kunnen dienen om de aard van de regel te
verduidelijken.
Uit bepaalde met de
spectroscoop
verrichte
waarnemingen, leiden wij het bestaan van waterstof in de zon af. Als
wij in de
spectroscoop kijken als de zon op de spleet ervan schijnt, zien wij
bepaalde
scherp begrensde lijnen. Proeven, die met voorwerpen op de aarde zijn
gedaan,
hebben ons geleerd dat als deze heldere lijnen worden waargenomen,
waterstof de
bron daarvan is. Wij nemen dus aan dat de onbekende heldere lijnen in
de zon
net hetzelfde zijn als de bekende heldere lijnen in het laboratorium,
en dat de
waterstof in de zon zich gedraagt zoals waterstof zich, onder gelijke
omstandigheden, op aarde zou gedragen.
Maar vertrouwen wij
dan
niet
teveel op onze
spectroscoop? Wij hebben vanzelfsprekend het recht, als wij de
spectroscoop
betrouwbaar hebben bevonden voor stoffen op de aarde, waar de uitslagen
door de
mens kunnen worden geverifieerd, om de uitslagen ervan in andere
gelijksoortige
gevallen ook te aanvaarden. Maar niet als het ons informatie geeft over
dingen
in de zon, waarvan de uitslagen niet onmiddellijk door de mens kunnen
worden
geverifieerd.
Wij willen
natuurlijk wat
meer
weten,
voordat deze afgeleide waarheid kan worden geverifieerd, en gelukkig
weten we
dat. De spectroscoop toetst in beide gevallen exact hetzelfde. Er gaan
namelijk
lichttrillingen van een bepaalde frekwentie doorheen. De constructie
ervan is
zodanig dat als wij daarover in het ene geval fout zouden zijn, het ook
in het
tweede geval zou zijn. Als we de zaak nader bekijken, merken we dat we
in
werkelijkheid hebben aangenomen, dat de samenstelling van de zon
hetzelfde is
als de samenstelling van de aarde, en uit een bepaald aantal
afzonderlijke
stoffen bestaat; en dat elke stof, als die erg heet is, een bepaalde
trillingsfrekwentie heeft, waarmee die kan worden herkend en uit de
rest kan
worden uitgeselecteerd. Maar dat is het soort van aanname waar wij
terecht
gebruik van maken als wij iets aan onze ervaring toevoegen. Het is de
aanname
van uniformiteit in de natuur, die alleen maar kan worden getoetst door
vergelijking met een grote hoeveelheid gelijksoortige aannames, die wij
in
andere soortgelijke gevallen moeten maken.
Maar is dit een
betrouwbaar geloof
in het
bestaan van waterstof in de zon? Kan dit bijdragen aan de juiste
leidraad voor
het menselijk handelen?
Zeker niet als het
wordt
aangenomen op
onjuiste gronden en zonder enig begrip van het proces waarmee het is
verkregen.
Maar als dit proces wordt binnengehaald als basis voor het geloof,
wordt het
een uiterst serieuze en praktische kwestie. Want als er geen waterstof
in de
zon is, moet de spectroscoop – dat wil zeggen, de meting van
trillingsfrekwenties – een onbetrouwbare gids zijn bij het herkennen
van
verschillende stoffen en zou dus niet, om tijd, moeite en geld te
bespraen,
gebruikt moeten worden bij een chemische analyse – bijvoorbeeld bij het
bepalen
van het gehalte van een stof - terwijl het als betrouwbaar aanvaarden
van de
spectroscopische methode ons niet alleen met nieuwe metalen heeft
verrijkt - wat
van groot belang is - maar ook met nieuwe onderzoeksmethoden, wat nog
veel
belangrijker is.
Laten wij voor een
ander
voorbeeld
kijken
naar de manier waarop wij de waarheid van een historische gebeurtenis
afleiden
– laten we zeggen de belegering van Syracuse in de Peloponesische
oorlog. Onze
ervaring is dat er manuscripten bestaan, waarvan men zegt dat ze
bestaan en die
zichzelf als manuscripten van de geschiedenis van Thucydides
bestempelen; dat
over hem in andere manuscripten, waarvan latere historici beweren dat
ze
bestaan, wordt gezegd dat hij gedurende de periode van de oorlog heeft
geleefd;
en dat boeken, waarvan men veronderstelt dat ze dateren uit de
Renaissance, ons
verhalen hoe deze manuscripten zijn bewaard en weer toegankelijk zijn
gemaakt.
Wij ontdekken ook dat mensen doorgaans geen boeken en geschiedenissen
zonder
een bepaald oogmerk vervalsen. Wij nemen aan dat mensen in het
verleden, wat
dat betreft, niet anders waren dan de tegenwoordige mensen; en we
merken dat er
in dit geval geen speciaal motief aanwezig is geweest. Dat wil zeggen,
dat wij
iets aan onze ervaring toevoegen, in de veronderstelling van een
uniformiteit
in de karakters van mensen. Omdat onze kennis van deze uniformiteit
veel
onvollediger en veel minder nauwkeurig is dan onze kennis, die wij in
de
natuurkunde hebben, zijn afgeleide waarheden van historische aard
hachelijker
en minder nauwkeurig dan afgeleide waarheden in de meeste andere
wetenschappen.
Maar als er een
speciale
reden
bestaat om
argwaan te koesteren over het karakter van de personen, die bepaalde
boeken
hebben geschreven of overgedragen, verandert de zaak. Als een
verzameling
documenten een intrinsiek bewijs levert, dat ze temidden van mensen
zijn
geschreven, die in naam van anderen boeken vervalsten, en die bij het
beschrijven van gebeurtenissen dingen weglieten, die niet in hun kraam
te pas
kwamen, en dingen die hen wel gelegen kwamen opbliezen; die niet alleen
deze
misdrijven begingen, maar er prat op gingen als blijken van
bescheidenheid en
geestdrift; dan moeten wij zeggen dat op dergelijke documenten geen
betrouwbare
afgeleide waarheid kan worden gebaseerd, maar alleen een onbevredigend
vermoeden.
Wij mogen dus iets
aan
onze
ervaring
toevoegen als wij een uniformiteit in de natuur veronderstellen. Wij
mogen ons
plaatje van wat er is en wat er is geweest invullen, als de ervaring
het ons
verschaft, en op een manier waarbij wij het geheel in overeenstemming
brengen
met deze uniformiteit. En een in de praktijk voor iedereen duidelijke
afgeleide
waarheid – die ons het recht geeft om aan het resultaat ervan geloof te
hechten
– is een duidelijke bewijs van het feit dat de uniformiteit van de
natuur op
geen enkele andere manier, dan door de juistheid van dit resultaat
veilig kan worden
gesteld.
Daarom kan geen
enkel
bewijs ons
het recht
geven om geloof te hechten aan een uitspraak, die strijdig is met de
natuur of
buiten de uniformiteit van de natuur staat. Als het onze ervaring is,
dat die
niet in overeenstemming met de uniformiteit kan worden aangevuld,
hebben wij
alleen het recht om tot de conclusie te komen, dat er ergens iets niet
klopt;
maar de mogelijkheid voor een afgeleide waarheid is dan verdwenen. Wij
moeten
dan vertrouwen op onze ervaring en daar vooral niet buiten gaan. Als er
echt
een gebeurtenis plaats zou vinden, die geen deel zou uitmaken van de
uniformiteit van de natuur, zou die twee eigenschappen hebben: geen
enkel
bewijs zou iemand het recht geven om het te geloven, behalve degene die
het
zelf heeft ervaren; en er zou al helemaal geen enkele geloofwaardige
afgeleide
waarheid op kunnen worden gebaseerd.
Zijn wij dan
verplicht om
te
geloven dat de
natuur absoluut en universeel eensluidend is? Helemaal niet; wij hebben
niet
het recht om zoiets te geloven. De regel vertelt ons alleen dat wij,
bij het
vormen van een mening die buiten onze ervaring ligt, mogen
veronderstellen dat
de natuur in de praktijk uniform is, voor zover het ons aangaat. Binnen
het
bereik van het menselijk handelen en verifieren, mogen wij, met behulp
van deze
veronderstelling, feitelijke meningen vormen; daarbuiten alleen
hypothesen die
dienen voor het nauwkeuriger stellen van vragen.
Resumerend:
Wij mogen alleen
iets
geloven
dat buiten
onze ervaring ligt, als het uit die ervaring kan worden afgeleid door
de
aanname dat wat wij niet weten gelijk is aan wat wij wel weten.
Wij mogen een
bewering
van
iemand anders
geloven, als er een redelijke grond is om aan te nemen dat hij kennis
van zaken
heeft over hetgeen hij uitspreekt, en dat hij de waarheid spreekt in
zoverre
hij daar van op de hoogte is.
Geloven op
onvoldoende
gronden
is in alle
gevallen onjuist; en waar het een veronderstelling betreft waaraan moet
worden
getwijfeld en die onderzocht moet worden, is het erger dan de
veronderstelling om
te geloven.
Voetnoten
[1]
Areopagitica:
Een
rede van John Milton voor de vrijheid om zonder toestemming te
publiceren,
gericht aan het Engelse parlement en gepubliceerd op 23 november 1644,
tijdens
het hoogtepunt van de Engelse burgeroorlog.
[2] Aids to
Reflections,
Samuel Coleridge
1825
[3]
Adamsberg
(Sinhala Sri Pada, Tamil Sivanolipatha Malai, Arabisch Al-Rohun) is een
2243 meter hoge berg op Sri
Lanka. Voor zowel het boeddhisme, het christendom, het hindoeïsme
en de
islam
geldt de berg als heilig (Wikipedia)
[4]
La Salette is een
klein dorpje en bedevaartsoord in de gemeente La Salette-Fallavaux, in
het Franse departement Isère in de buurt van Grenoble. In het
jaar 1846
was er
in La Salette een door de rooms-katholieke kerk erkende
verschijning van Maria aan twee herderskinderen: Melanie Calvat en
Maximin
Giraud. De congregatie van de Salettijnen dankt haar naam aan Onze
Lieve Vrouwe
van Salette.(Wikipedia)
[5]
Carl
Gustav Jacob
Jacobi (Potsdam, 10
december 1804 – Berlijn, 18 februari 1851)
was een Duits wiskundige. (Wikipedia)