In
wezen is Lao Tzu een klokkenluider. Iemand die zich eerst zelf heeft
afgevraagd waar hij nu eigenlijk mee bezig was, zich afgewend heeft van
de wereld en vervolgens als buitenstaander ziet dat zijn medemensen
slechts met gebakken lucht bezig zijn, zich verstrikt hebben in hun
eigen hersenspinsels, achter leiders aanlopen, die het ook niet weten,
vastzitten aan onzinnige tradities en gewoonten, praten over niets,
geregeerd worden door angst, niet weten wie ze zijn, zich druk maken
over van alles en nog wat, elkaar afmaken, gehecht zijn aan hun
bezittingen, opgesloten zitten in hun huizen, dorpen, steden en staten
en in werk en sleur en hoe ze zich daarbij hebben neergelegd. Hij roept
hen op zich te bevrijden van die kluisters, op te houden met de onzin
waar ze mee bezig zijn, niet meer op praatjes van anderen te
vertrouwen, niet meer achter leiders aan te lopen, en gewoon te
genieten van het leven.
Mens durf te leven!
Toch is de Tao
Te Ching een
ongelukkige mengeling van wijsheidsuitspraken en ontoereikende
beschrijvingen van het ervaren van de werkelijkheid en de manier waarop
al het geschapene tot uiting komt, met andere woorden over het
scheppingsproces. En dat laatste is nou precies wat niet in woorden uit
te drukken valt en elke poging daartoe verzandt in mystiekerig
abracadabra. Wittgenstein schrijft daarover in zijn Tractatus
Logico-philosophicus: "Waarover je niet kunt spreken, daarover moet je
zwijgen"
Lao
Tzu begrijpen wil zeggen; leven als Lao Tzu. Leven als Lao Tzu wil
zeggen: ontsnapt zijn uit deze wereld, geen mening of overtuiging meer
hebben, geen belangen meer hebben, nergens aan gebonden zijn, niets
meer geloven, beseffen dat je niets kunt weten, geen standpunt meer
hebben, niets
meer te verliezen hebben en dus ook niets meer te verdedigen. De
consequentie daarvan is, dat je bezittingen als volstrekt overbodig
ervaart en niets en niemand meer nodig hebt. Dat je het leven niet meer
naar je hand probeert te zetten, maar je op het leven mee laten
drijven. Alleen dat maakt belangeloze liefde tot je medemensen mogelijk.
Van daaruit is deze versie van de Tao Te Ching tot stand gekomen. Alle
tegenstrijdigheden, alle compromissen en alle inconsequenties die in de
loop van vijfentwintighonderd jaar dit eenvoudige, anarchistische en
revolutionaire wijsheidsgeschrift hebben bezoedeld, hebben wij er weer
zorgvuldig
uit verwijderd, zoals je een diamant van het stof van eeuwen ontdoet,
zodat het weer in zijn oorspronkelijke stralende eenvoud kan schitteren.
Tot
nu toe is je geluk afhankelijk van het gedrag van anderen, van
schouderklopjes en waardering, van prestaties, van bezittingen, van
kinderen, van seks, van alkohol en drugs, van het weer, van wensen
en verwachtingen, en dat levert slechts momenten van geluk en
tevredenheid. Het bezit van de zaak is het eind van het vermaak, en dat
doet je verlangen naar meer en weer en nog een keer en het einde is
zoek. Steeds zul je meer moeten doen.
De Tao Te Ching beschrijft de weg terug, terug naar de eenvoud, terug
naar tevredenheid, terug naar jezelf, terug naar wat je ooit als klein
kind geweest bent. Steeds hoef je minder te doen, tot je
uiteindelijk niets meer hoeft, niets meer wil, niets meer te verliezen
hebt. Dan ben je nooit meer bang, kent geen pijn en verdriet meer, kun
je nooit meer ziek worden, nooit gespannen, nooit onrustig, geen
verwachtingen dus ook geen teleurstellingen meer. Dan ben je wijs en
onkwetsbaar.

I
Het
Onuitsprekelijke, waar over gepraat wordt, is niet het eeuwige
Onuitsprekelijke
Een naam voor het
Onnoembare, is maar een naam
Het Onnoembare is
dat, wat
alles doet zijn
Door dingen een naam
te
geven wordt het ondeelbare verdeeld
Alleen wie alle
begeerten
heeft opgegeven, kan het onverdeelde ervaren
Wie wel verlangens
koestert, ervaart slechts verdeeldheid
In wezen zien beiden
dezelfde werkelijkheid, maar ervaren die werkelijkheid anders
Wie van de valse
werkelijkheid naar de andere gaat,
Passeert de enge
poort naar
geheim van het ware leven
II
Als mensen dingen
mooi
vinden moeten ze andere dingen wel lelijk vinden
Als mensen dingen
goed
noemen, moeten ze andere dingen wel kwaad noemen
Uit de werkelijkheid
scheppen mensen een schijnwerkelijkheid
Moeilijk en
gemakkelijk
zijn betrekkelijk
Lang en kort hangen
van
elkaar af
Hoog en laag worden
bepaald
door een standpunt
Klank en stem zijn
van
elkaar afhankelijk
Voor en achter
veronderstellen een gezichtspunt
Daarom handelt de
wijze
zonder bedoeling
En bepaalt niet wat
anderen
moeten doen
Hij laat alles
gebeuren
zoals het gebeurt en gaan zoals het gaat
Hij beschouwt wat
hij doet
niet als eigen verdienste
En juist daarom is
hij
verdienstelijk
III
Als je mensen prijst
om hun
prestaties, zullen de mensen gaan wedijveren
Als je dingen
kostbaar
noemt, zullen mensen ze gaan stelen
Als je te koop loopt
met
begeerlijke dingen, worden mensen daar onrustig van
Daarom beschouwt de
wijze
het als zijn opdracht om hun hoofden te legen,
Te zorgen dat ze
geen
honger hebben, hun eerzucht te ontmoedigen en hun lichamen te sterken
Zodat de mensen
zonder
begeerten en zonder zucht naar kennis zullen zijn
En dat de
wetenschappers
geen poot aan de grond krijgen
Als mensen niet meer
zullen
werken
Zullen allen in
vrede leven
IV
Wat het geschapene
in stand
houdt
Is als een leeg vat
dat
onuitputtelijk is
Het is als peilloze
leegte,
die de hele schepping vult
Zijn scherpte maakt
rondingen
Zijn hoeken lossen op
Het tempert zijn
licht
Het beteugelt zijn
beroering
Hoe puur en stil
lijkt het
te blijven, als een diep water.
Ik weet niet
waardoor het
wordt voortgebracht
Het is als was het
nog
ouder dan waardoor het is voortgebracht
V
De schepping doet
niet
aardig
Zij behandelt alle
dingen
onpartijdig
Wie wijs is doet
niet aardig
Voor hem zijn alle
mensen
gelijk
Het universum is als
een
blaasbalg
Hoewel ledig, vult
het
onophoudelijk
Hoe harder het
werkt, hoe
meer het voortbrengt
Hoe meer je erover
probeert
te spreken,
Hoe vermoeider je
daarvan
wordt
Hou je daarom liever
bij
waar het echt om gaat
VI
De geest van de
diepte
sterft nooit
Men noemt het wel de
grote
Moeder
De poort waardoor
zij
blaast,
Is het fundament van
de
schepping
Eeuwig en eeuwig
schijnt
die te bestaan
Als je je daarop
verlaat je
is het leven moeiteloos
VII
Het universum is
eeuwigdurend
De reden waarom het
eeuwigdurend is,
Is omdat het niet
voor
zichzelf bestaat
Daarom kan het
voortduren
Daarom gedraagt de
wijze
zich als de minste
En omdat hij de
minste is
is hij de meeste
Hij is onthecht en
daarom
behouden
Zou het niet zijn
dat hij
volmaakt is
Juist omdat hij
belangeloos
is?
VIII
De volmaakte mens is
als
het water
Dat ten goede komt
aan alle
dingen en nergens mee wedijvert
Het verblijft op
plaatsen
die door anderen veracht worden
Maar op die manier
volgt
het zijn aard
In zijn hart mint de
wijze
de eenvoud
In zijn contact met
anderen
is hij beminnelijk
In zijn woorden is
betrouwbaar
In zijn leiden is
hij
vreedzaam
In wat hij doet is
hij
bekwaam
Hij doet alles op
het
moment dat het gedaan moet worden
Hij maakt geen ruzie
En daarom is hij
onberispelijk
IX
Het is beter een
leeg vat
te dragen dan een vol vat
Slijp een mes
vlijmscherp
en het zal niet lang meegaan
Als een huis met
kostbaarheden gevuld is, is het niet te bewaken
Als rijkdom en
eerzucht
hoogmoedig maken, leidt het tot de val
Als roem en succes
je
belagen, trek je dan terug
Dat is de enige weg
naar
gelukzaligheid
X
Kun je je hoofd
leegmaken
en blijvend opgaan in het Al?
Kun je leven naar je
natuur
en weer worden als een kind?
Kun je de deuren der
waarneming reinigen en weer helder zien?
Kun je je medemensen
liefhebben en de mensheid belangeloos dienen?
Kun je de enge poort
moeiteloos in- en uitgaan
Kun je in de wereld
maar
niet van de wereld zijn?
Kun je beseffen dat
je
niets kunt weten en daardoor alles kunt begrijpen?
De natuur brengt
alles
voort en voedt alles
Zij brengt voort en
bezit
niets
Zij doet alles
belangeloos
en vraagt er niets voor terug
Zij leidt maar eist
niets
Dat is wat men het
ondoorgrondelijke van de natuur noemt
XI
Dertig spaken
verenigen
zich in de naaf
Maar het wiel is
alleen te
gebruiken door het lege gat in de naaf
Klei wordt tot vaten
gevormd
Maar de
bruikbaarheid wordt
bepaald door de lege holte
Bij het bouwen van
een huis
worden in de muren deuren en ramen uitgespaard
Maar van de lege
ruimte
hangt de bruikbaarheid van het huis af
Daarom is, datgene
wat er
is, nuttig
Maar de ruimte maakt
het
bruikbaar
XII
Al die kunstmatige
kleuren
verblinden de ogen der mensen
Al die gemaakte
muziek
verdooft de oren
Al die verschillende
smaken
stompen de smaak af
Paardenrennen en
jachtpartijen maken de mensen gek
De zucht naar
schaarse
goederen
Belemmert het gaan
op het
rechte en eenvoudige pad
Daarom heeft de
wijze er
genoeg aan
Zich te voeden en
vermoeit
zijn ogen niet
Daarom doet hij het
ene en
laat het andere
XIII
Hoed je voor
dankbaarheid
en kritiek
Eer en tegenspoed
zijn even
rampzalig als het hebben van een karakter
Wat wil dat zeggen?
Hoedt je voor
dankbaarheid
en kritiek
Pas op voor
dankbaarheid,
want het komt voort uit onderdanigheid
Pas op voor kritiek
want
het komt voort uit overmacht
Hoedt je daarom voor
dankbaarheid en kritiek
Wat betekent het dat
eer en
tegenspoed even rampzalig zijn als het hebben van een karakter?
Ons treffen grote
rampen
omdat we iets te verliezen hebben
Als wij niets te
verliezen
hadden, welke rampen zouden ons dan kunnen treffen?
Daarom: aan hem die
zichzelf even waardevol acht als de wereld,
Kan men de wereld
toevertrouwen.
En aan hem die
zichzelf en
de wereld even onvoorwaardelijk lief heeft,
Kan men de zorg voor
de
wereld overlaten
XIV.
We kijken ernaar en
we zien
het niet en we noemen het onzichtbare
We luisteren ernaar
en we
horen het niet en we noemen het onhoorbare
We tasten ernaar en
we
raken het niet en we noemen het onaanraakbare
Het onzichtbare, het
onhoorbare en het onaanraakbare vloeien tesamen in het Ene
Er is geen licht als
het
opkomt
Er is geen duister
als het
neerdaalt
Onophoudelijk,
voortdurend,
maar het is niet in woorden uit te drukken
En het keert terug
tot het
niets
Dit noemt men de
vorm van
het vormloze, het beeld van het onzichtbare
Men noemt het
onbepaald en
ongrijpbaar
Van voren zie je het
niet
Van achteren zie je
het niet
Wie leeft naar het
oorspronkelijke geweten, leeft in het heden
En begrijpt alles
wat ooit
geweest is
Dat is leven naar de
natuur
XV
De wijzen van weleer
waren
diep- en scherpzinnig
Men vond ze
ondoorgrondelijk
Omdat zij
ondoorgrondelijk
waren zal ik proberen hun manier van leven te schetsen:
Zij leken
behoedzaam, als
mensen die een winterse rivier oversteken
Zij leken
besluiteloos
alsof er overal rondom gevaar dreigde
Zij leken waardig
alsof zij
gasten waren
Zij leken natuurlijk
als
onbewerkt hout
Zij leken leeg als
een
vallei
Zij leken
ondoorzichtig als
troebel water
Hoe kun je modderig
water
helder maken?
Door rust zal de
modder
bezinken en het water helder worden
Laat alles gebeuren
zoals
het gebeurt en je zult tot rust komen
Het hoofd van de
wijze is
leeg. Hij zoekt niets en verwacht niets
Hij is leeg, is
eeuwig jong
en niet van de tijd.
Hij is volmaakt
XVI
Wie een leeg hoofd
heeft
is tevreden, wie tevreden is heeft een leeg hoofd
Alle wezens spannen
zich in
en komen weer tot rust
Alle gewassen
groeien tot
wasdom en komen dan tot rust
Die uiteindelijke
rust
noemen we klaar zijn, voleindiging
De terugkeer naar de
natuur
is het eeuwige leven
Het leven in het
heden heet
verlicht zijn
Wie niet verlicht is
leeft
in verwarring en ellende
Wie leeft naar zijn
natuur
begrijpt alles en is verdraagzaam
Wie verdraagzaam is,
is
rechtvaardig
Wie rechtvaardig is
koninklijk
Wie koninklijk is,
is
goddelijk
Wie goddelijk is,
kent
zichzelve
Wie zichzelf kent
heeft het
eeuwige leven
Wie het eeuwige
leven
heeft, is niet bang om dood te gaan
XVII
Van de wijzen van
weleer
wisten de mensen slechts dat ze bestonden
Later hadden zij hen
lief
en ze bewonderden hen
Weer later waren ze
bang
voor hen
En uiteindelijk
werden ze
door de mensen veracht
Wie zichzelf niet
vertrouwt, vertrouwt ook anderen niet
Hoe bedachtzaam
waren de
eersten met hun woorden
Zij gingen zo
voorzichtig
te werk dat als zij klaar waren
De mensen dachten
dat ze
het zelf hadden gedaan
XVIII
Toen de mensen
afweken van
hun natuur
Werd vriendelijk en
rechtvaardig zijn een verdienste
Kennis en
slimmigheid deden
hun intrede en de leugen regeerde
Bloedverwanten
raakten in
onmin en houden van werd een plicht
Want wanneer de
mensheid en
de families in verwarring raken
Wordt trouw een gebod
XIX
Ontdoe je van
wereldse
kennis en slimmigheid
en het zal de
mensheid
slechts ten goede komen
Hou op met aardig en
rechtvaardig doen, maar wees het
Dan zullen de mensen
elkaar
onvoorwaardelijk liefhebben
Ontdoe je van het
werk van
je handen en het dienen van je eigenbelang
En er zullen geen
dieven of
rovers meer zijn
Maar deze drie
dingen zijn
nog niet genoeg
Waar het echt om
gaat is
terugkeren naar de eenvoud
Het opgeven van je
egoïsme en niets meer willen
XX
Als je afleert wat
je hebt
aangeleerd, zul je vrij zijn van zorgen
Dat er maar weinig
verschil
is tussen ja en ja maar
Dat er een groot
verschil
is tussen goed en kwaad
Dat je bang moet
zijn waar
anderen bang voor zijn
Wat een eindeloze
flauwekul
Iedereen is onrustig
en
opgewonden alsof ze naar een voetbalwedstrijd kijken
Alleen ik ben rustig
en
ontspannen en ik hoef en wil niets, als een klein kind
Ik hecht nergens
meer aan
en hoef nergens zonodig naar toe
De anderen bezitten
al
zoveel en willen nog meer
Alleen ik lijk alles
verloren te hebben
Ze denken dat ik gek
ben en
in de war
De mensen lijken
knap en
intelligent
En denken dat ik
dwaas en
onnozel ben
Het lijkt alsof ik
met alle
winden meewaai en nergens rust vind
De anderen lijken
van alles
te weten
En in hun ogen ben
ik een
botte boer
Ik alleen ben
anders, omdat
ik leef naar mijn natuur
XXI
Een deugdzaam en
gelukzalig
leven is alleen bereikbaar als je je geweten volgt
Het geweten is
onzichtbaar
en ongrijpbaar. Hoe kun het dan volgen?
Het spreekt in
beelden, als
schaduwen in de schemer
Maar hoe vaag en
duister
Het geweten is
verborgen
maar bergt het wezenlijke van alles in zich
De waarlijke
levenskracht
schuilt in het geweten
Alles wat mensen
eigenlijk
wel weten bergt het geweten in zich
Vanaf den beginne is
het er
altijd geweest, onder talloze namen
Het geweten
onderscheidt de
waarheid van de leugen
Hoe ik weet dat dit
zo is?
Dat heeft mijn
geweten mij verteld
XXII
Verdeeldheid wordt
eenheid
Het kromme wordt
recht
Het lege wordt vol
Het oude wordt nieuw
Wie niets heeft,
krijgt
alles
Wie veel heeft,
krijgt niets
Wie wijs is koestert
dus de
eenvoud en is zo een voorbeeld voor de wereld
Hij is bescheiden en
daardoor blinkt hij uit
Hij hoeft zichzelf
niet te
bewijzen en daarom vertrouwen mensen zijn woorden
Hij heeft niets te
verdedigen en daardoor is hij onkwetsbaar
De spreuk van de
wijzen van
weleer “Het onvolmaakte wordt volmaakt” is dus juist
Voor de volmaakte is
de
wereld zijn huis
XXIII
Wie zichzelf kent
heeft
weinig woorden nodig
Een wervelwind duurt
niet
een hele morgen
Een regenbui duurt
niet de
hele dag
Waar komen wind en
regen
vandaan?
Die ontspruiten aan
de
natuur
Als de natuur wind
en regen
niet lang laat duren
Waarom zou de mens
dan
zoveel moeten praten?
Daarom zal hij die
zijn
geweten volgt, samenvallen met zijn geweten
Wie voorbeeldig
leeft zal
een voorbeeld zijn
Maar wie zichzelf
verliest,
weet niet meer wie hij is
Wie zichzelf weer
vindt,
vindt de gelukzaligheid
Wie zichzelf
verliest,
verliest het ware leven
Wie niet op zichzelf
vertrouwt, wordt ook niet vertrouwd
XXIV
Wie op zijn tenen
staat,
staat niet stevig
Wie krampachtig
loopt, komt
niet ver
Wie ijdel is, is
geen licht
Wie zichzelf
goedpraat, is
niet geloofwaardig
Wie opschept, valt
door de
mand
Wie zichzelf
omhoogwerkt,
vernedert zichzelf
Voor de wijze zijn
dat
slechts dwaasheden
Wie rechtvaardig en
eerlijk
is, onthoudt zich daarvan
XXV
Voordat de schepping
tot
uitdrukking kwam
Was er al iets,
volmaakt
maar nog zonder vorm
Stil en
onveranderlijk
Alom aanwezig en
onuitputtelijk
Men kan het
beschouwen als
de scheppende kracht van al wat is
Ik kan het niet
beschrijven, maar ik noem het maar Tau
Als ik het toch moet
duiden, noem ik het “Het Universum”
Met dat Universum
bedoel ik
het zich alom uitspreidende
Het zich oneindig
uitspreidende en wederkerende
Daarom is het
scheppende
groot en de schepping groot en de wijze ook groot
Daarom zijn er drie
grootheden en een daarvan is de ware mens
De ware mens volgt
zijn
natuur, de natuur haar eeuwige en onveranderlijke wetten
De wetten van de
natuur
zijn de eeuwige orde van het Universum
De orde van het
Universum
is gegrond door het Onnoembare
XXVI
Het zware is de bron
van
het licht
De onbewogen beweger
de
oorsprong van alle beweging
Daarom kan de ware
mens de
hele dag in beweging zijn
Omdat niet hij het
is die
zich beweegt,
Maar omdat hij zich
op het
leven laat voortdrijven
Als een toeschouwer
geniet
hij van de schitterende schepping,
Waarom zou hij zich,
als
middelpunt van de wereld
Geringer achten dan
die
wereld?
Wie zijn grootsheid
niet
kent, raakt los van de wereld
Wie rusteloos
dwaalt, is
zichzelf kwijt
XXVII
De ware reiziger
gaat geen
gebaande wegen
De ware spreker
heeft
antwoord op alle vragen
De ware rekenaar
heeft alle
vraagstukken opgelost
Een sluitend verhaal
heeft
geen bevestiging nodig
Niemand kan het
ontzenuwen
Wie ziet hoe
volmaakt alles
met alles samenhangt
Heeft geen
theorieën
nodig en niemand kan hem aan het twijfelen brengen
Daarom is de ware
mens een
leraar voor de anderen
En houdt hij
onvoorwaardelijk van zijn medemensen
Daarom ook is hij
een
hoeder van de hele schepping
En eerbiedigt alles
wat
leeft en groeit
Dit noemt men het
licht dat
mens geworden is
Daarom is de ware
mens een
spiegel voor de onwaarachtigen
En de onwaarachtigen
een
spiegel voorhouden is de taak van de ware mens
Wie niet naar
zichzelf
durft te kijken, wie zichzelf niet liefheeft
Mag dan veel weten,
maar
hij is blind
Het lijkt raar, maar
het is
waar
XXVIII
Wie zijn kracht kent
en
toch zachtmoedig blijft, is de minste
Wie de minste is, is
evenwichtig en is weer het onbevangen kind dat hij ooit was
Wie de leugen
doorgrond
heeft is een voorbeeld voor de wereld
Wie weer mens
geworden is,
is een voorbeeld voor de wereld
Wie zichzelve kent,
is een
wetende temidden van onwetenden
Wie tot zijn
oorspronkelijke zuiverheid is weergekeerd, beseft zijn grootsheid
Wie hun
oorspronkelijke
natuurlijkheid verlaten, worden beschaafd
In de ogen van de
ware mens
gedragen zij zich als toneelspelers
XXIX
Wie denkt dat hij de
schepping kan verbeteren, zal daar niet in slagen
De schepping is
volmaakt,
en kan niet verbeterd worden
Wie ingrijpt in de
natuur,
zal de natuur vernielen
Wie de natuur wil
beheersen, zal van de natuur verliezen
Want alles is zoals
het is
en alles gebeurt zoals het gebeurt
Dan is er warmte en
dan is
er kou
Dan is er storm en
dan is
het windstil
Dan is er groei en
dan is
er afsterven
Wie wijs is laat
zich op de
levensstroom meedrijven
XXX
Wie een
rechtvaardige
wereld voorstaat, gebruikt geen geweld
Want wie geweld
gebruikt,
lokt geweld uit
En waar onenigheid
heerst
is chaos
En na conflicten
volgen
magere jaren
De rechtvaardige
doet wat
hij kan en forceert niets
Is niet trots op wat
hij
bereikt
Schept niet op over
wat hij
bereikt
Gaat niet prat op
wat hij
bereikt
Doet wat hij doet
omdat hij
niet anders kan
En nooit gebruikt
hij macht
of geweld
Culturen die hun
hoogtepunt
bereiken
Luiden hun eigen
verval in
Culturen zijn niet
natuurlijk
En wat kunstmatig is
vergaat
XXXI
Hoe kunstig het
wapentuig
ook is, het blijft rampzalig spul
Iedereen haat het
Wie rechtvaardig is
houdt
zich daar verre van
De ware mens maakt
daar
zijn handen niet aan vuil
De ruziemaker grijpt
ernaar
Wapens zijn niets
voor
zachtmoedige mensen
Wapens brengen
alleen maar
onheil
Wie wijs is zal er
nooit en
te nimmer naar grijpen
Want vrede en rust
gaan hem
boven alles
Hij geniet niet van
de
overwinning
Want wie geniet van
de
overwinning
Geniet van het doden
van
medemensen
Wie geniet van het
doden
van medemensen
Kan nooit de vrede
in
zichzelf vinden
Voorspoed beschouwt
men als
eigen verdienste
Tegenspoed als een
speling
van het lot
De overwinning als
verdienste van de manschappen
De nederlaag is de
schuld
van de bevelhebber
Maar overwinning en
nederlaag geven alleen maar verliezers
XXXII
Het Onuitsprekelijke
is
eeuwig en niet in woorden uit te drukken
Net als met een ruw
stuk
hout, kan men er niets mee doen
Als leiders het
voorbeeld
zouden geven van het ware leven
Zouden alle mensen
zich
voegen naar hun ware natuur
De hemelen zouden
dauwen en
de wolken gerechtigheid regenen
En zonder ingrijpen
van de
mens
Zou dat aan alles
onder het
uitspansel ten goede komen
Maar als er
verdeeldheid
ontstaat
Moet alles een naam
krijgen
Weet dan dat,
wanneer alles
een naam gekregen heeft,
Je daarmee moet
ophouden
Wie daarmee ophoudt
zal het
gevaar afwenden
Vergeleken met de
kronkelende zijrivieren van de dwaling
Is de rechte en
eenvoudige
weg als een machtige stroom
XXXIII
Wie de ander
doorheeft is
slim
Wie zichzelf kent is
wijs
Wie anderen overwint
is
machtig
Wie zichzelf
overwint is
standvastig
Wie tevreden is, is
rijk
Wie veel wil, is
almaar
bezig
Wie zichzelf blijft,
is uit
een stuk
Wie sterft
vóór hij sterft, leeft eeuwig in het nu
XXXIV
Datgene wat alles
doet
zijn, is alom aanwezig
Het spreidt zich in
de hele
schepping uit
Alles dankt er zijn
bestaan
aan, alles naar zijn eigen natuur
Het schenkt alles om
niet
Het koestert en
behoedt
alles en iedereen, maar wil niets
Omdat het niets wil,
lijkt
het onbelangrijk
Het laat alles
verschijnen
en weer verdwijnen
Maar zelf is het
eeuwig
Daarom is ook de
wijze
bescheiden
Omdat hij bescheiden
is
Zijn zijn
verrichtingen
groots
XXXV
Voor wie de
volmaakte
ordening aanschouwt,
Valt alles op zijn
plaats
Niets kan hem deren
en rust
en vrede vallen hem ten deel
Onderweg zijn er
reizigers
die zwichten voor muziek en feestmalen
Want de weg naar
zelfkennis
is wrang en onaangenaam
Niet aangenaam om
onder
ogen te zien
Pijnlijk om te horen
Maar geeft een
onuitputtelijke kracht
XXXVI
Alleen wat uitgerekt
is kan
samentrekken
Alleen wat versterkt
is kan
verzwakt worden
Alleen wat verhoogd
is kan
verlaagd worden
Alleen wie heeft kan
verliezen
Dat moet toch
duidelijk zijn
Het zachte overwint
het
harde
Het zwakke overwint
het
sterke
Vissen behoren in
het water
Wapens behoren
verborgen te zijn
XXXVII
Het eeuwige
scheppende doet
niets
En toch doet het
alles
Als de leiders zich
eraan
zouden overgeven
Zou het aanschijn
der aarde
vanzelf veranderen
Maar nu de mensen
zoveel
wensen hebben
Kan ik alleen het
voorbeeld
zijn
Het voorbeeld van de
ware
eenvoud
En wanneer de mensen
mij
zullen volgen
Zal de hele wereld
in vrede
zijn
XXXVIII
Ware deugden zijn
niet van
deze wereld,
Daarom zijn het ware
deugden
De zogenaamde
deugden van
deze wereld
Dienen slechts het
eigenbelang
Daarom zijn het geen
ware
deugden
Wie echt deugt,
dient
slechts het algemeen belang
Wie in deze wereld
menslievend heet
Verwacht
dankbaarheid terug
Wie in deze wereld
eerlijk
heet
Heeft een dubbele
agenda
Wie zich aan deze
wereld
heeft aangepast
Eist dat anderen dat
ook
doen
En anders dreigen ze
en
worden ze boos
Daarom, als de
mensen van
de rechte en eenvoudige weg zijn afgedwaald
Dan pas doen mensen
deugdzaam, maar zijn niet deugdzaam
Dan doen ze aardig,
maar
zijn niet aardig
Dan doen ze eerlijk,
maar
zijn niet eerlijk
Dan doen ze
fatsoenlijk,
maar zijn niet fatsoenlijk
Beschaving is
slechts een
dunne korst over ontrouw en oneerlijkheid
En de bron van
wanorde en
chaos
Wie wijs is verbergt
zich
niet achter een masker
Hij vertrouwt op het
innerlijk en niet op de schone schijn
Daarom verwerpt hij
de
schijn en omarmt het wezen
XXXIX
Van degenen van
weleer die
volmaaktheid hadden bereikt
Weten wij dat zij
zich
één voelden met de hele schepping
Dat zij de aarde
niet als
een chaos maar als eenheid zagen
Dat zij zich als
goden
voelden en als geestelijke wezens
Dat hun leegte
volheid was geworden
En ze zagen de hele
schepping als bezield
Door hun heelheid
keerde de
wereld terug naar de oorspronkelijke orde
Voor wie niet helder
ziet
is de schepping versplinterd
Voor wie zich buiten
de
natuur heeft gesteld is de aarde een chaos
Wie zich niet meer
als
Goddelijk ervaart, voelt zich machteloos
Wie zijn
volmaaktheid niet
meer ervaart, voelt zich leeg
Mensen die hun ware
aard
verloochenen, gaan ten onder
Daarom is er gezegd:
Nederigheid is de
bron van
waardigheid
Geringheid is de
basis van
grootheid
Wie zich verheven
voelt
boven zijn medemensen,
Deugt dus niet, is
onwaardig en gering
Zij zijn immers over
de
ruggen van hun medemensen omhooggeklommen
Daarom is hun
rijkdom armoe
En is hun goud
slechts
klatergoud
XL
Wie afgeweken is van
het
rechte en eenvoudige pad
Wordt er weer naar
toegetrokken
Dat geschiedt met
zachte
hand
De hele schepping
komt tot
bestaan
Het bestaande uit
het
onnoembare onbestaande
XLI
Horen de meest
oprechten
over de weg naar zelfkennis,
Zij zullen het
toegewijd in
de praktijk gaan brengen
Horen de tamelijk
oprechten
over de weg naar zelfkennis,
Dan zullen er uit
pikken
wat in hun kraam te pas komt
Horen de verstokten
over de
weg naar zelfkennis,
Dan zullen ze erom
schateren
Als ze er niet om
zouden
schateren, zou het niet waar zijn
Daarom zijn daar een
aantal
aforismen over:
De weg naar het
licht lijkt
duister
Voortgang op de weg
lijkt
achteruitgang
De weg naar de
eenvoudige weg is
een
moeilijke weg
Maar ook:
De grootste
persoonlijkheid
blijkt ijdel te zijn
Het zuiverste wit
blijkt
grijs te zijn
De meest deugdzame
blijkt
ondeugdelijk te zijn
Goedheid blijkt maar
een
dunne laag te zijn
Met de waarheid
blijk je
alle kanten op te kunnen
Als een vierkante
cirkel
Als een
onuitputtelijk vat
Als een gezang
zonder
woorden
Als een beeld zonder
schaduw
Zo is de weg
verborgen en
niet in woorden te vatten
Alleen de weg naar
zelfkennis heeft een begin en een einde
XLII
Het onuitsprekelijke
doet
het Ene ontstaan
Het Ene het tweede
En uit het tweede
ontspruit
het derde
Het derde brengt de
hele
schepping tot leven
Alles wordt gedragen
door
het Duistere en komt aan het licht
De adem van de
Leegte
schept de ordening
Wat de mensen haten
is alleen zijn, onbelangrijk en nutteloos zijn
En toch is dat waar
de ware
mensen hun behagen in scheppen
Wie kleiner wordt,
wordt
groter
Wie groter wordt,
wordt
kleiner
Ik vertel wat
iedereen weet:
Wie moeilijk leeft,
gaat
moeilijk dood
Daar draait alles om
XLIII
Het allerzachtste is
sterker dan het allerhardste
Wat alles doet zijn
is
al-doordringend
Daarom weet ik dat
het wijs
is te laten en niet te doen
Dat daar geen
leringen voor
nodig zijn
Dat juist in het
niets doen
het ware geluk ligt
Dat begrijpen in
deze
wereld maar heel weinig mensen
XLIV
Wat weegt er
zwaarder, het
leven of status?
Wat vindt je
belangrijker,
jezelf of bezit?
Wat is erger,
krijgen of
verliezen?
Wie veel wil,
betaalt een
hoge prijs
Wie veel bezit, kan
veel
verliezen
Maar wie tevreden is
kent
angst noch schande
En wie niet meer
meedoet is
nooit bang
En zal lang en
gelukkig
leven
XLV
Volmaaktheid is voor
de
wereld onaf
Maar vergaat nooit
Volheid is voor de
wereld
leeg
Maar is
onuitputtelijk
Wat recht is, is
voor de
wereld krom
Wijsheid is voor de
wereld
dwaas
De waarheid spreken
schandelijk
Zoals beweging de
kou
verdrijft
En rust doet afkoelen
Wijzen zuiverheid en
rust
de juiste weg
XLVI
Als alle mensen naar
hun
natuur zouden leven
Zouden de paarden
galopperen in de vrije natuur
Maar nu de mensen
beschaafd
zijn
Staan de
strijdpaarden aan
de grenzen
Er is geen grotere
vloek
dan ontevredenheid
Niets rampzaliger
dan niet
tevreden zijn met het leven
Niets fataler dan
belust
zijn op bezit
Wie de vrede van
tevredenheid kent, is altijd tevreden
XVLII
Zonder mijn huis uit
te
gaan, begrijp ik de hele wereld
Zonder naar buiten
te
kijken, zie ik de volmaakte ordening
Hoe meer je weet,
hoe
minder je begrijpt
Wie wijs is hoeft
niet te
reizen
Begrijpt zonder te
zien
Doet niets en
bereikt alles
XLVIII
Kennis vergaren
maakt het
leven steeds ingewikkelder
Wijsheid vergaren
maakt het
leven steeds eenvoudiger
Steeds eenvoudiger
en
eenvoudiger tot de eenvoud bereikt is
Door slechts te
laten, kan
men alles bereiken
Wie niets meer wil,
hoeft
niets meer te doen en heeft zichzelf overwonnen
Wie veel wil moet
ook veel
doen en is slaaf van zichzelf
IL
Wie wijs is heeft
geen
enkele mening
Daarom hij kan zich
in
iedereen verplaatsen
Hij accepteert
iedereen
zoals hij is
Ongeacht hoe ze zich
gedragen
Hij vertrouwt de
eerlijken
en de oneerlijken
En daardoor worden
ze
vanzelf eerlijk
Hij vertrouwt de
betrouwbaren en de onbetrouwbaren
En daardoor worden
ze
vanzelf betrouwbaar
De wijze voelt zich
één met alle mensen
Zij zijn hem
allemaal even
lief
Zij kijken en
luisteren
naar hem
En allen ziet hij
als zijn
kinderen
L
Mensen verschijnen
en
verdwijnen
Hun lichaam is de
zetel van
het leven
Hun lichaam is de
zetel van
de dood
Mensen verouderen en
takelen af
Hoe komt dat nou?
Dat komt omdat ze
eigenlijk
dood zijn, maar denken dat ze leven
Er wordt verhaald
over
mensen die het ware leven hadden
Die rondzwierven over
de aarde
En niet bang waren
voor
neushoorns en tijgers
Die wapens en geweld
uit de
weg gingen
En in harmonie met
alle
schepsels leefden
Daarom voelde geen
enkel
dier zich door hen bedreigd
En geen wapen kon
hen
verwonden
Waarom dat zo is?
Omdat zij alleen
maar
leefden
En dan is er geen
plaats
voor de dood
LI
Het Onuitsprekelijke
doet
alle dingen verschijnen
De werkzame kracht
bepaalt
hun aard
Hun aard bepaalt hun
vormen
De omstandigheden
bepalen
hun uiteindelijke verschijning
Daarom eerbiedigen
alle
schepsels,
Met uitzondering van
de
dwalende mensheid, het Onuitsprekelijke
En leven naar hun
aard
Dat gaat helemaal
vanzelf
Niemand beloont hen
daarvoor
Het Onuitsprekelijke
doet
hen leven, voedt hen, doet hen groeien
Vervult hen, geeft
hen
rust, steunt hen en behoedt hen
Het doet hen leven,
maar
dwingt hen niet.
Het voert hen mee op
de
levensstroom, maar bezit hen niet
Het doet hen rijpen,
maar
beheerst hen niet
Dat is een
ondoorgrondelijk
mysterie
LII
De wereld ontspringt
ergens
aan
Men zou dat de
moeder van
de wereld kunnen noemen
Als men die moeder
kent,
kent men het kind
Wie weer wordt als
het
kind, zal die moeder weer kennen
En tot het eind van
zijn
leven zal hem niets meer deren
Niemand zal hij
veroordelen
en door niemand zal hij zich laten beïnvloeden
En zijn leven zal
zonder
zorgen zijn
Maar wie anderen
veroordeelt en bezig is met zijn eigen belangen
Zal tot het einde
van zijn
leven vol zorgen zijn
Wie een sprankje
licht ziet
in de duisternis, ziet het licht aan het eind van de tunnel
Vasthouden aan dat
sprankje
licht vereist kracht
Wie dat licht volgt,
keert
terug tot het ware licht
Dan is het gevaar
geweken
En leef je het
eeuwige leven
LIII
Wanneer ik de Ware
Kennis
zou bezitten
Zou ik wandelen op
het
rechte en eenvoudige pad
Ik zou de zijpaden
vermijden
Want het rechte pad
is
eenvoudig te bewandelen
Maar de mensen
houden van
de smalle zijwegen
De huizen van de
rijken
zijn schoon en gepoetst
Maar de akkers van
de armen
staan vol onkruid
En hun graanschuren
zijn
leeg
De elite draagt
rijkversierde en dure kleren
De scherpe zwaarden
hangen
aan hun middel
Zij vreten en zuipen
Zwelgen in bezit en
rijkdom
Zij pronken met hun
geroofde spullen
Is dat niet
gewetenloos?
LIV
Wie in deze
onrechtvaardige
wereld geworteld is,
Laat zich niet
gemakkelijk van
zijn
stuk brengen
Wie daaraan vast
houdt, kan
niet loslaten
Daarom zullen hun
kinderen
lijden tot in het derde en vierde geslacht
Maar wie zichzelf
door zijn
geweten laat leiden
Leidt een
onberispelijk
leven
Wie zorgt dat zijn
naasten
zich door hun geweten laten leiden
Laat hen opbloeien
Wie zorgt dat zijn
dorpsgenoten zich door hun geweten laten leiden
Laat hen een
voorbeeld zijn
voor alle anderen
En als de hele
mensheid
zich door haar geweten laat leiden
Zal het een paradijs
op
aarde zijn
Kijk naar jezelf als
jezelf
wil begrijpen
Zie de verbanden en
patronen in de manier waarop je naasten,
De steden en de
naties met
elkaar omgaan
Want wat in het
klein is,
is ook in het groot
Hoe weet ik dat dat
zo is?
Omdat ik het zelf
gedaan
heb.
LV
De ware mens is als
een
pasgeboren kind
Wespen en
schorpioenen
steken het niet, slangen en adders bijten het niet
Roofvogels en wilde
beesten
grijpen het niet
Zijn botten en
spieren zijn
zacht en soepel, toch grijpt het al stevig
Seks en libido zijn
het
vreemd en toch kan zijn piemeltje al stijf worden
Dat komt omdat zijn
natuur
nog niet door gedachten verstoord is
Het kan de hele dag
schreeuwen zonder hees te worden
Dat komt omdat alles
nog
volmaakt in evenwicht is
Dat evenwicht
ervaren is in
het eeuwige heden leven
Leven zonder
verleden en
zonder toekomst wordt “wijs zijn” genoemd
Pogen het leven te
verlengen is heilloos
Wie zijn leven wil
beheersen, doet zichzelf geweld aan
Dat dingen
verouderen is
onnatuurlijk
Wat onnatuurlijk is
zal
vroeg aan zijn eind komen
LVI
Zij die het Mysterie
hebben
ervaren spreken daar niet over
Zij die er over
spreken
hebben het Mysterie niet ervaren
Tracht niet te
spreken over
het Onuitsprekelijke
Wat niet gezien,
gehoord,
gevoeld of geproefd kan worden
De vormen vervagen
De randen verzwakken
De verwarring
verdwijnt
Het licht verbleekt
De onrust dooft uit
Dat wordt het
Mystieke
Ervaren genoemd
Genegenheid noch
haat kan
hem beïnvloeden
Voordeel noch nadeel
raken
hem
Eer noch schande
doen hem
iets
Daarom is hij de
meest
edele mens ter wereld
LVII
Met wetten regeert
men een
staat
Met listen voert men
oorlog
Zonder wetten en
listen
krijg je een vreedzame mensheid
Hoe weet ik nou dat
dit zo
is?
Welnu, door het
volgende:
Hoe meer geboden en
verboden, hoe armer de mensen
Hoe meer bewapening,
hoe
groter de wanorde
Hoe meer kennis en
wetenschap, hoe meer apparaten en kunstmatigheid
Hoe meer wetten en
besluiten, hoe meer dieven en rovers
Wie wijs is zegt dus:
Ik doe helemaal
niets en
mensen zullen vanzelf veranderen
Ik houd van rust en
vanzelf
zullen de mensen eerlijk worden
Ik maak nergens een
probleem van en de mensen zullen de rijkdom in zichzelf vinden
Ik wil helemaal
niets en de
mensen zullen weer tot de eenvoud weerkeren
LVIII
Hoe minder regels en
wetten, hoe gelukkiger de mensheid
Hoe meer regels en
wetten,
hoe meer onvrede en ellende
Rijkdom voor de een
gaat
ten koste van armoede voor de ander
Ellende voor de een
is het
gevolg van welvaart voor de ander
Wanneer zal daar
ooit een
eind aan komen?
Wie wijs is, is
rechtvaardig en doet daar niet aan mee
Hij is recht door
zee en
kwetst niet
Hij is stralend maar
verblindt niet
LIX
Om de mensheid in
vrede te
laten leven is onthechting een vereiste
Want alleen wie
onthecht is
kan waarachtig leven
Vóór
je
sterven alles loslaten laat een mens rechtvaardig leven
Wie rechtvaardig
leeft kent
geen problemen
Voor wie geen
problemen
kent is het leven grenzeloos
Voor wie grenzeloos
is, is
de wereld zijn huis
Wie zich
één
met de schepping voelt, leeft lang en gelukkig
Dan ben je weer
geworteld
en staat met beide benen op de grond
Alleen zo zul je
lang en
gelukkig leven en alles begrijpen
LX
Zorgen dat de
mensheid in
vrede leeft is een fluitje van een cent
Als rechtvaardigheid
de
leidraad is, krijgen waanideeën geen poot aan de grond
Niet dat er soms
geen
waanideeën weer zouden kunnen opduiken
Maar mensen zijn er
niet
meer gevoelig voor
Waanideeën
beschadigen
mensen en de wijze laat hen dat zien
Daarom is de wijze
een
bedreiging voor waanideeën,
Maar geen bedreiging
voor
de mensen
Daardoor zullen zij
ook
wijs worden
LXI
Wanneer de mensheid
in
vrede leeft,
Zijn er geen
meerderen en
minderen
Het is als een grote
rivier,
Waarin alle
zijstromen tot
rust zijn gekomen
Het woeste komt tot
rust in
het vredige
Omdat het kalm is en
het
meest nederig
Daarom is wie de
minste is
door zijn ontwapenende eenvoud
Innemend voor zijn
medemensen
Zo strekt hen het
beiden
tot heil
Dus wie groot lijkt
moet klein
worden
LXII
Alles neigt naar het
oorspronkelijke evenwicht
Het is de
gelukzaligheid
van de ware mens
Het is de toevlucht
voor de
onwaarachtige
Maar mensen pronken
met hun
mooie praatjes
Ze doen goed in ruil
voor
dankbaarheid
Iedereen doet het
dus
waarom zou je daar niet aan meedoen?
Daarom juichen de
mensen
voor nieuwe leiders
En laten zich
imponeren
door pracht en praal
Maar het is wijs om
daar
niet aan mee te doen
Want weet je waarom
de
wijzen van weleer de eenvoud zo belangrijk vonden?
Omdat zij ervaren
hadden
dat wie zoekt zal vinden
En dat de waarheid
vrijmaakt van verleden en toekomst
Daarom is eenvoud
het
allerbelangrijkste ter wereld
LXIII
Handel zonder
bedoeling
Hou op met werken
Geniet slechts van
het leven
Wie het kleine niet
eert
Is het grote niet
weerd
Geen oog om oog en
tand om
tand
Maar keer uw andere
wang toe
Zie hoe eenvoudig is
wat
ingewikkeld lijkt
Zie de grootheid in
wat
nietig lijkt
Maak de eenvoud niet
ingewikkeld
Eenvoudig leven is
eenvoudig
Maar de mensen
hebben het
ingewikkeld gemaakt
Wie wijs is doet dus
niet
moeilijk
En daarom kan hij
bergen
verzetten
Wie veel belooft
wordt
weinig vertrouwd
Wie oogkleppen op
heeft,
ontmoet veel problemen
Maar wie wijs is
bezint
voor hij begint
Daarom begint hij
niet
En daarom heeft hij
geen
problemen
LXIV
Rust is eenvoudig te
bewaren
Wat zou kunnen
gebeuren, is
eenvoudig te voorkomen
Wat bros is, is
eenvoudig
te breken
Wat nog klein is,
gemakkelijk te verdrijven
Een grote boom
begint als
een kleine zaailing
Een terrastuin met
een
hoopje aarde
Een reis van duizend
mijlen
met een eerste stap
Wie de natuurlijke
ordening
verstoort, beschadigt zichzelf
Wie ingrijpt,
verliest
zichzelf
Wie wijs is onthoudt
zich
daarvan
Daarom schaadt hij
zichzelf
niet en blijft hij zichzelf
Maar mensen maken
alles
kapot en noemen dat vooruitgang
Zijn ze eenmaal
begonnen
dan is het einde zoek
Wie wijs is streeft
naar
waar de anderen niet naar streven
En vindt belangrijk
wat de
anderen onbelangrijk vinden
Hij leert af wat de
anderen
aanleren
En keert terug naar
de
toestand die de anderen verlaten hebben
Dan kent hij de weg
terug
naar de oorsprong,
Maar beseft dat de
mensen
het niet willen horen
LXV
De wijzen van
weleer, die
het rechte en eenvoudige pad bewandelden
Brachten de mensen
geen
kennis maar wijsheid bij
Als mensen veel
weten, is
de eenheid niet te bewaren
Daaruit volgt dat
wetenschap de saamhorigheid verbreekt
En dat wijsheid de
saamhorigheid beschermt
Wie ziet dat het zo
in
elkaar zit
Begrijpt dat
wijsheid en
kennis tegenstrijdig zijn
Wie dit eenmaal
begrepen
heeft is wijs
En zo keert hij
terug naar
de eenvoud
En voelt zich
één met alles en iedereen
LXVI
Waarom zijn de
zeeën
en rivieren de grootsten onder de wateren?
Omdat zij zich op de
laagste plaatsen bevinden
Daarom zijn zij de
grootsten
Wie wijs is temidden
van de
dwazen is dus de nederigste
En juist daarom is
hij de
grootste
Maar de dwazen zien
in hem
geen bedreiging
Zij begrijpen hem
niet en
zien hem niet staan
Omdat hij met
niemand ruzie
maakt is hij niet te bestrijden
LXVII
In de wereld ben ik
groot,
maar voor de mensen een mislukkeling
In mijn grootheid,
ben ik
anders dan alle anderen
Maar juist omdat ik
anders
ben dan alle anderen, daarom ben ik groot
Als ik als de
anderen zou
zijn, dan zou ik net zo onbelangrijk en nietig zijn
Ik heb drie kostbare
schatten die ik koester:
De eerste is
mededogen
De tweede is
soberheid
De derde is
bescheidenheid
Door mijn mededogen
kan ik
moedig zijn
Omdat ik sober ben
kan ik
onbaatzuchtig zijn
Omdat ik bescheiden
ben kan
ik vooroplopen
Maar wie zijn
mededogen
laat varen en toch moedig wil zijn
Wie afstand doet van
zijn
soberheid en toch onbaatzuchtig wil zijn
Wie ophoudt nederig
te zijn
en toch belangrijk wil zijn
Redt het niet
Wie strijdt met
mededogen,
zal overwinnen
Hij hoeft zich niet
te
verdedigen daarom is hij niet te kwetsen
Het Onuitsprekelijke
zal
hem met mededogen beschermen
LXVIII
Wie vecht voor vrede
is
geweldloos
De ware strijder is
onwankelbaar
De ware overwinnaar
maakt
geen ruzie
De ware leider is de
minste
Dat noemt men de
geweldloze
weerbaarheid
Zo neem je de mensen
voor
je in
Dat heet leven naar
je
natuur
Dat is de
volmaaktheid waar
de Wijzen van weleer over spraken
LXIX
Wie begrepen heeft
dat
ruzies nooit iets oplossen
Begint er niet meer
aan en
wacht liever af
Liever doet hij een
stap
terug en trekt zich terug
Dat noemt men winnen
door
te verliezen
Kracht tonen zonder
te
imponeren
Stand houden zonder
het
gevecht aan te gaan
Niets is rampzaliger
dan je
vijand te onderschatten
Wie zijn vijand
onderschat
stelt zich bloot aan gevaar
Daarom is hij die
zich door
mededogen laat leiden
De winnaar in een
conflict
LXX
Mijn woorden zijn
gemakkelijk te begrijpen
En gemakkelijk in
praktijk
te brengen
Toch wil niemand ter
wereld
er aan
En niemand voelt
zich in
staat er naar te leven
Mijn woorden hebben
een
oorsprong, mijn manier van leven een principe
Maar omdat de mensen
dat
niet durven zien, kunnen zij mij niet begrijpen
Er zijn maar heel
weinigen
die mij begrijpen en voor hen ben ik erg waardevol
Wie wijs is gedraagt
zich
daarom onopvallend, maar hij blijft zichzelf
LXXI
Beseffen dat je
niets kunt
weten, dat is wijs
Wie niet begrijpt
dat hij
niets kan weten, is gek
Wie beseft dat hij
gek is,
Kan zich van zijn
gekte
ontdoen
Wie wijs is, is niet
meer
gek,
Omdat hij zich van
zijn
gekte ontdaan heeft
Daarom is hij helder
LXXII
Wanneer de mensen
niet meer
weten waarvoor ze bang moeten zijn
Zullen ze in
onbestemde
angst leven
Waarom leggen ze
zich toch
neer bij hun armzalig bestaan?
Waarom zien ze niet
hoe
prachtig het leven is?
Waarom durven ze
zich niet
aan de sleur te ontworstelen?
Wie wijs is heeft
dat
begrepen, maar loopt er niet mee te koop
Hij geniet ervan
maar
beschouwt het niet als eigen verdienste
Hij laat het oude
leven
achter zich en omarmt het ware leven
LXXIII
Durf hebben en
overmoedig
zijn leidt tot de dood
Durf hebben en
behoedzaam
zijn spaart het leven
Het ene geval is
heilloos,
het andere heilzaam
Alleen wie wijs is
begrijpt
de loop der dingen
Daarom grijpt hij
niet in
De eeuwige wetten
van de
natuur laten zich overtreden
Maar winnen toch
altijd
Ze laten zich niet
horen,
maar geven toch antwoord
Ze roepen niet, maar
iedereen loopt er tegenaan
Als een net
overspant de
oorspronkelijke ordening het Universum
De mazen lijken
wijd, maar
niets kan er doorheen
LXXIV.
Als mensen de dood
niet
vrezen,
Hoe zou je ze dan
nog met
de dood kunnen bedreigen
Als mensen wel bang
voor de
dood zijn en men zou degenen die de wetten overtreden doden
Wie zou dan nog de
wetten
durven overtreden?
Maar er is maar Een
die
beschikt over leven en dood
Nu mensen zich het
recht
toeëigenen over leven en dood te beschikken
Gaan zij op de stoel
zitten
van die Ene
Dan gedragen zich
als
tovenaarsleerlingen,
Die zich vergrijpen
aan het
werk van de meester
Tot hun eigen onheil
LXXV.
De mensen lijden
honger
Omdat de rijken zich
over hun ruggen verrijken
Daarom lijden de
mensen honger
De mensen zijn niet
in bedwang te houden
Omdat hun leiders
maar wat doen
Daarom zijn de mensen
niet in bedwang te houden
Mensen
willen alleen dood
Omdat
ze zó niet willen leven
Daarom
willen ze dood
Alleen wie niet bang is voor het leven
Is niet bang voor de
dood
LXXVI
Als de mens wordt
geboren
is hij soepel en zwak
Als hij sterft is
hij stram
en sterk
Alles wat leeft,
kijk maar
naar het gras en de bomen
Is soepel en buigzaam
Als ze sterven zijn
ze
verschrompeld en uitgedroogd
Daarom zijn hardheid
en
onbuigzaamheid metgezellen van de dood
En soepelheid en
zachtheid
de metgezellen van het leven
Daarom zal een
onbuigzame
ruziemaker niet winnen
En is een onbuigzame
boom
ten dode opgeschreven
Met onbuigzaamheid
en macht
kom je niet ver
Met soepelheid en
zachtheid
kom je overal
LXXVII
De natuurlijke
ordening is
als het spannen van een boog
De lage boog wordt
omhooggeduwd
De hoge pees
omlaaggetrokken
Waar teveel is neemt
het weg
Waar te weinig is
vult het
op
De natuur streeft
doorlopend naar harmonie
Vermindert waar
teveel is
Vermeerdert waar te
weinig
is
Maar hoe anders
gedragen de
mensen zich:
De armen worden
armer en de
rijken worden rijker
Maar wie wijs is
beseft dat
bezit diefstal van de gemeenschap is
En daarom doet hij
er
afstand van en geeft het terug aan de gemeenschap
Dus alleen wie wijs
is is
onthecht
Hij doet wat anderen
van
hem willen, maar niets voor zichzelf
En laat zich nergens
op
voorstaan
LXXVIII
Niets in de wereld
is
zachter en meegaander dan water
Niets is sterker in
het
breken van wat hard en sterk is
Niets kan het daarin
overtreffen
Het zwakke overwint
het
sterke
Het zachte overwint
het
harde
Niemand die dit niet
weet
Niemand die het in
de
praktijk brengt
Daarom zegt de wijze:
Wie in de wereld de
minste
is, is de wijste in de wereld
Wie het leed van de
wereld
torst, is de grootste onder de mensen
Het klinkt raar,
maar het
is waar
LXXIX
Wordt na een hevige
vijandschap vrede gesloten
Dan is dat een
gewapende
vrede
Dat kan toch niet
goed zijn?
Wie wijs is ziet
alleen
zijn eigen aandeel in het conflict onder ogen
En geeft de
tegenpartij
niet de schuld
Dus wie eerlijk is
kijkt
alleen naar zijn eigen aandeel
Terwijl wie niet
naar
zichzelf wil kijken de ander de schuld geeft
De weg naar
zelfkennis kent
geen partijdigheid
Maar strekt de
oprechte tot
voordeel
LXXX
Moge de mensheid
weer in
vrijheid, gelijkheid en broederschap leven
Zodat er geen
behoefte is
aan leiders en meerderen
Dan zullen de mensen
de
dood niet meer vrezen
En niet meer pogen
de dood
te ontvluchten
Moge het weer zo
worden dat
ze geen behoefte hebben
Zich in
vervoermiddelen te
verplaatsen
En dat ze niets meer
te
verdedigen hebben
Moge de mensheid
weer
afstand doen van hun werktuigen en apparaten
En genieten van de
zaad- en
vruchtgevende gewassen
Die hen tot voedsel
dienen
Weer schaamteloos
trots
zijn op hun natuurlijke schoonheid
Moge ze zich niet
meer
opsluiten in hun steden en huizen
En alleen maar
genieten van
de schepping
En mochten er toch
nog
dwazen zijn die zich in onvrijheid
In naties, volkeren,
steden
en huizen opsluiten
Moge de wijzen zich
daar
dan verre van houden
Dan zij zullen lang
en
gelukkig leven
LXXXI
Ware woorden zijn
niet mooi
Mooie woorden zijn
niet waar
Wijzen spreken niet
over
het onuitsprekelijke
Wie over het
onuitsprekelijke spreekt is niet wijs
Wijzen zijn niet
geleerd en
Geleerden zijn niet
wijs
De Wijze vergaart
geen bezit
Hij geeft wat hij
heeft
En is daarom waard
dat hij
leeft
De anderen laat hij
delen
in zijn wijsheid
Zijn wijsheid is
onuitputtelijk
Leven naar de natuur
schaadt nooit
Het leven van de
wijze is
onbaatzuchtig en vreedzaam