De Mythe van
de Psychiatrische
Afwijking
Door Thomas S. Szasz (1960)
"Onze
tegenstanders zijn
niet de demonen, de heksen, het lot of de psychiatrische afwijking. Wij
hebben geen vijand die wij kunnen bestrijden, uitdrijven of verjagen
door
te "genezen". Wat we hebben zijn levensproblemen - of dat nu
biologische,
economische, politieke of socio-psychologische zijn."
Noot van de vertaler
Thomas Szasz publiceerde dit
essay onder
de titel: "The Myth of Mental Illness". In de zestiger jaren van de
vorige
eeuw had dit nog vertaald mogen worden als "De Mythe van de
Geestesziekte".
Maar dat mag niet meer. Tijden veranderen en daarmee de etiketten, die
dezelfde lading dekken. Gek, krankzinnig en geestesziek, zijn vervangen
door prachtige eufemismen in de DSM-IV (het diagnistisch handboek voor
de psychiatrie). De keuze hier was tussen psychische of psychiatrische
stoornis, afwijking of aandoening, maar in wezen komen die allemaal op
hetzelfde neer en zijn onderling verwisselbaar.
Inleiding
Het is inmiddels meer dan
veertig jaar
geleden dat Thomas Szasz dit artikel publiceerde. Er zullen mensen zijn
die zeggen dat het achterhaald is, dat het niet meer van deze tijd is,
dat de wetenschap vooruitgang geboekt heeft en dat we nu wel beter
weten.
Niets is minder waar. Nog steeds gaat de wetenschap uit van het concept
dat psychiatrische aandoeningen hersenziekten zijn, genetische
afwijkingen,
mutaties, biochemische verstoringen en op zijn best een combinatie van
die factoren, zonder zich te bekommeren om de vraag waar die
veranderingen
vandaan komen.
Dat is de vraag die Szasz zich
stelt en
die de huidige wetenschap nog steeds zorgvuldig uit de weg gaat. Wie
durft
de arrogante pretentie te koesteren dat hij iemand anders gestoord
acht?
Wie durft het in zijn hoofd te halen dat hij anderen kan begrijpen als
hij zichzelf niet begrijpt? "Wat ziet gij de splinter in het oog van uw
broeder, maar de balk in uw eigen oog bemerkt gij niet?" (Matth.7:3)
Szasz
legt het valse fundament van de psychiatrie bloot , de bemodderde
spiegels
die de therapeuten hun patiënten voorhouden, de vooroordelen en
oneigenlijke
en bedrieglijke hypothesen waarop het hele bouwwerk gefundeerd is. De
illusie
dat wij in de best denkbare wereld leven, mag niet verstoord worden.
Wij
zijn ondankbaar als wij twijfelen aan de zegeningen van deze
gedrochtelijke
maatschappij (Thomasevangelie, logion 56: "Wie de wereld heeft
begrepen,
heeft een lijk gevonden. En wie een lijk gevonden heeft, de wereld is
hem
niet waardig"), die door generaties met bloed, zweet en tranen is
geconstrueerd.
Wij leren ons af te sluiten voor de keerzijde van de medaille, wij
moeten
hard worden, doen alsof er niets aan de hand is, wij moeten eelt op
onze
ziel kweken, de schone schijn handhaven en leren blind en doof te zijn.
En als wij dat niet meer kunnen worden we krankzinnig verklaard, zijn
we
ondankbaar, overtreden we de spelregels en worden we door de
belangenbehartigers
van de gevestigde orde gedrogeerd, geëlektroshocked en opgesloten.
Vanuit het ideaalbeeld van de mens is iedereen gestoord, heeft iedereen
een balk in zijn eigen oog en de grootst gemene balk heet "normaal" en
de "normalen" noemen de anderen gestoord. De "normalen" bepalen de
grens
waarbij angst, jaloezie, haat, eerzucht, ijdelheid, verdriet, overgaat
in "abnormaal". Zij zijn de norm en hun wereldbeeld deugt.
Dat laat Szasz zien en er is sinds
hij
dit publiceerde wezenlijk niets veranderd.
De Mythe van
de Psychiatrische
Afwijking
Door Thomas S. Szasz (1960)
Voor het eerst gepubliceerd in
American
Psychologist, 15, 113-118
De bedoeling van dit artikel is
de vraag
"bestaat er zoiets als een psychiatrische afwijking?" aan de orde te
stellen
en te betogen dat die niet bestaat. Aangezien het begrip psychiatrische
afwijking tegenwoordig zeer uitgebreid gebruikt wordt, lijkt het in het
bijzonder wenselijk, de manieren waarop deze term gebruikt wordt
te onderzoeken. Vanzelfsprekend is de psychiatrische afwijking niet
letterlijk
een "ding" - of stoffelijk voorwerp - en kan daarom alleen op dezelfde
manier "bestaan" als waarop andere theoretische begrippen
bestaan.
Toch worden bekende theorieën vroeg of laat gewoonlijk - tenminste
door degenen die er in gaan geloven - als "objectieve waarheden" (of
"feiten")
voorgesteld. Tijdens bepaalde historische tijdperken traden verklarende
voorstellingen, zoals goden, heksen en micro-organismen, niet slechts
als
theorieën maar als vanzelfsprekende oorzaken van een heleboel
gebeurtenissen
op. Ik beweer dat hedentendage de psychiatrische afwijking alom op een
enigszins gelijke wijze bekeken wordt, namelijk als de oorzaak van
ontelbare
en uiteenlopende gebeurtenissen. Laten wij ons, als tegengif tegen het
aanmatigende gebruik van het begrip psychiatrische afwijking - hetzij
als
een vanzelfsprekend fenomeen, hetzij als theorie of oorzaak - de
volgende
vraag stellen: wat wordt er bedoeld als er beweerd wordt dat iemand
gestoord
is?
In het volgende zal ik een korte
beschrijving
geven van de belangrijkste manieren waarop het begrip psychiatrische
afwijking
gebruikt wordt. Ik zal bewijzen dat dit begrip, hoe nuttig het ooit
geweest
moge zijn, zichzelf heeft overleefd en dat het nu alleen nog als een
handige
mythe functioneert.
De
psychiatrische afwijking
als een teken van hersenziekte
Het begrip
psychiatrische afwijking
ontleent zijn belangrijkste steun aan verschijnselen zoals
hersensyphilis
of delirante toestanden - bijvoorbeeld vergiftigingsverschijnselen -
waarbij
bekend is dat personen een aantal eigenaardigheden of verstoringen in
denken
en gedrag vertonen. Om precies te zeggen zijn dit echter ziekten van de
hersenen en niet van de geest. Volgens een bepaalde school zijn alle
zogenaamde
psychiatrische afwijkingen van dit type. Men neemt aan dat er
uiteindelijk
een of ander neurologisch defect, misschien een heel subtiel, voor alle
aandoeningen in denken en gedrag gevonden zal worden. Veel
hedendaagse
psychiaters, artsen en andere wetenschappers delen deze mening. Dit
standpunt
houdt in dat mensen geen problemen - uitgedrukt in wat nu
"psychiatrische
afwijking" heet - tengevolge van verschillen in persoonlijke behoeften,
meningen, maatschappelijke ambities kunnen hebben.
Alle
levensproblemen worden
toegeschreven aan biochemische processen, die te zijner tijd door
medisch
onderzoek ontdekt zullen worden.
"Psychiatrische afwijkingen"
worden
op die manier wezenlijk niet anders beschouwd dan als alle andere
ziekten
(dat wil zeggen lichamelijke). Vanuit dit oogpunt is het enige verschil
tussen geestelijke en lichamelijke ziekten, dat de eerste, door de
hersenen
aan te tasten, zich uiten door middel van psychische symptomen; terwijl
de laatste, door andere orgaansystemen aan te tasten (bijvoorbeeld de
huid,
de lever enz.,) zich uiten door middel van symptomen, die verwijzen
naar
die bepaalde lichaamsdelen. Dit standpunt berust op en geeft, naar mijn
mening, uitdrukking aan twee fundamentele vergissingen.
Op de eerste plaats: welke
symptomen van
het centrale zenuwstelsel zouden dan moeten corresponderen met een
huiduitslag
of een botbreuk? Het kan niet een of andere emotie of ingewikkeld
stukje
gedrag zijn. Eerder zou dat blindheid of een verlamming van enig
lichaamsdeel
moeten geven. Het grote probleem is, dat een ziekte van de hersenen,
analoog
aan een ziekte van de huid of het bot, een neurologisch defect is en
geen
levensprobleem. Een defect, bijvoorbeeld, in iemands gezichtsveld, kan
bevredigend verklaard worden door het in verband te brengen met
bepaalde
duidelijk omschreven beschadigingen in het zenuwstelsel. Aan de
andere
kant kan het geloof van iemand - of dat nou zijn geloof in het
Christendom,
in het Communisme, of in het idee dat zijn inwendige organen "aan het
rotten
zijn" en dat zijn lichaam in feite al "dood" is - niet verklaard worden
uit een defect of ziekte van het zenuwstelsel. Verklaring van dit soort
voorvallen - aangenomen dat men belang stelt in het geloof zelf en het
niet gewoon als een "symptoom" of uitdrukking van iets anders dat
interessanter
is, ziet - moet langs andere wegen gezocht worden.
De tweede vergissing, die
gemaakt wordt
door complex psycho-sociaal gedrag, bestaande uit communicatie over
onszelf
en de wereld rondom ons, slechts als symptomen van neurologisch
functioneren
te beschouwen, is van epistemologische aard. Het is, met andere
woorden,
een vergissing die geen betrekking heeft op bepaalde fouten in de
observatie
of de redenering als zodanig, maar eerder in de manier waarop wij onze
kennis ordenen en uitdrukken. In dit geval ligt de vergissing in het
scheppen
van een symmetrisch dualisme tussen psychische en fysieke (of
lichamelijke)
symptomen. Dat is een dualisme dat alleen maar een taalgewoonte is en
waarbij
geen bekende daarmee corresponderende symptomen gevonden kunnen worden.
Laten we eens kijken of dat zo is. Als we in de medische praktijk
praten over fysieke ontregelingen, dan bedoelen we óf signalen
(koorts,
bijvoorbeeld) óf symptomen (pijn, bijvoorbeeld). Aan de andere
kant
spreken we over psychische symptomen, als we het hebben over de
communicatie
van de patiënt over zichzelf, anderen en de wereld rondom hem. Hij
zou kunnen beweren dat hij Napoleon is of dat hij achtervolgd wordt
door
de Communisten. Dit kunnen alleen als psychische symptomen beschouwd
worden,
als de waarnemer gelooft, dat de patiënt niet Napoleon is of dat
hij
niet door de Communisten achtervolgd wordt. Dit maakt duidelijk, dat de
bewering dat "X een psychisch symptoom is" inhoudt, dat er een oordeel
gegeven wordt. Dat oordeel brengt bovendien een verkapte vergelijking
of
overeenstemming van de ideeën, opvattingen of geloof van de
patiënt
met die van de waarnemer en van de maatschappij waarin zij leven, met
zich
mee. Het begrip "psychisch symptoom" is daarom onlosmakelijk verbonden
met de maatschappelijke (incluis ethische) context waarin het
gecreëerd
wordt, op precies dezelfde manier waarop het begrip lichamelijk
symptoom
verbonden is met een anatomische en genetische context (Szasz 1957a,
1957b).
Wat tot nu is gezegd samenvattend
: ik
heb geprobeerd te laten zien dat voor diegenen, die psychische
symptomen
als tekenen van een hersenziekte beschouwen, de opvatting van een
psychiatrische
afwijking onnodig en misleidend is. Want wat zij bedoelen is dat
mensen,
die zo geëtiketteerd worden, lijden aan ziekten van de hersenen;
en
als dat het is wat zij bedoelen, dan zou het ter wille van de
helderheid
beter zijn als zij dat zouden zeggen en niet iets anders.
De psychiatrische
afwijking als
naam voor levensproblemen
De term "psychiatrische
afwijking" wordt
alom gebruikt om iets, dat heel iets anders dan een hersenziekte is, te
beschrijven. Veel mensen nemen tegenwoordig vanzelfsprekend aan dat het
leven niet eenvoudig is. De last van het leven voor de moderne mens
hangt
bovendien niet zozeer af van een strijd om biologisch te overleven, als
wel door de spanningen en inspanningen, die onlosmakelijk verbonden
zijn
met de maatschappelijke omgang van ingewikkelde menselijke
persoonlijkheden.
In dit verband wordt het begrip psychiatrische afwijking gebruikt om
allerlei
eigenschappen van de zogenaamde persoonlijkheid van het individu te
identificeren
of te beschrijven.
De
psychiatrische afwijking - om zo te zeggen, als een deformatie van de
persoonlijkheid
- wordt daarmee beschouwd als de oorzaak van de menselijke disharmonie.
Deze opvatting impliceert, dat de maatschappelijke omgang tussen mensen
als iets inherents harmonieus beschouwd wordt, en dat verstoring
daarvan
alleen maar te wijten is aan de aanwezigheid van een "psychiatrische
afwijking"
bij veel mensen.
Dit is overduidelijk een
bedrieglijke
redenering, want het maakt de abstractie "psychiatrische afwijking" tot
een oorzaak, hoewel deze abstractie zelfs op de eerste plaats in het
leven
geroepen is om alleen maar als stenografische uitdrukking te dienen
voor
bepaalde typen van menselijk gedrag. Het wordt zo langzamerhand nodig
ons
de volgende vraag te stellen: "Wat voor soorten gedrag worden als
indicatief
voor een psychiatrische afwijking beschouwd en door wie?"
De opvatting van ziekte, hetzij
lichamelijk
of psychisch, houdt een afwijking van een of andere helder
gedefinieerde
norm in. In het geval van een fysieke ziekte is de structurele en
functionele
integriteit van het menselijk lichaam de norm. Derhalve kan wat
gezondheid
is, ofschoon de wenselijkheid van een fysieke gezondheid als zodanig
een
ethische waarde is, in anatomische en fysiologische termen gesteld
worden.
Maar wat is de norm, waar het afwijken daarvan als een psychiatrische
afwijking
beschouwd kan worden? Deze vraag is niet gemakkelijk te beantwoorden.
Maar
wat deze norm ook moge zijn, we kunnen maar van één ding
zeker zijn: namelijk dat het een norm is, die vastgesteld moet kunnen
worden
in termen van psycho-sociale, ethische, en wettelijke opvattingen.
Begrippen,
bijvoorbeeld als "buitensporige verdringing" of "handelen vanuit
een onbewuste impuls" verduidelijken het gebruik van psychologische
begrippen
bij het oordelen over (zogenaamde) geestelijke gezondheid en ziekte.
Het
idee dat chronische vijandigheid, wraaklust of echtscheiding duiden op
een psychiatrische afwijking kan een illustratie zijn van het gebruik
van
ethische normen (dat wil zeggen de wenselijkheid van liefde,
vriendelijkheid
en een evenwichtige huwelijksrelatie). Tot slot illustreert de
wijdverbreide
psychiatrische mening, dat alleen een psychisch ziek persoon een moord
kan plegen, het gebruik van een rechtskundige opvatting als norm voor
geestelijke
gezondheid. De norm van waaruit, telkens als men het heeft over een
psychiatrische
afwijking, die afwijking wordt afgemeten, is een psycho-sociale en
ethische.
Toch wordt de oplossing gezocht in termen van medische maatregelen die
- naar men hoopt en aanneemt - vrij zijn van grote verschillen in
ethische
waarde. De definitie van de afwijking en de voorwaarden waarop naar de
behandeling ervan gezocht wordt zijn daarom hevig met elkaar in strijd.
De praktische betekenis van dit verhulde conflict tussen de zogenaamde
aard van het defect en de behandeling kan nauwelijks overdreven worden.
Nu we de maatstaven, die in
gevallen van
psychiatrische afwijkingen gebruikt worden (bldz.115), hebben
vastgesteld,
keren we terug naar de vraag: "Wie bepaalt de normen en dus de
afwijking?".
Hier kunnen twee basis-antwoorden gegeven worden: (a) Het kan de
persoon
zelf zijn (dat wil zeggen de patiënt) die bepaalt dat hij afwijkt
van een norm. Een kunstenaar bijvoorbeeld kan geloven dat hij aan een
werkblokkade
lijdt; en dan kan hij van deze conclusie werk maken door voor
zichzelf
bij een psychotherapeut hulp te zoeken. (b) Het kan iemand anders dan
de
patiënt zijn, die beslist dat de laatste gestoord is (bijvoorbeeld
verwanten, artsen, wettelijke autoriteiten, de maatschappij in het
algemeen,
etc.). In zo'n geval kan de psychiater door anderen ingehuurd worden om
iets met de patiënt te doen om de afwijking te corrigeren. Deze
overwegingen
onderstrepen het belang van de vraag:
Wiens
belangenbehartiger
is de psychiater?
en om op die vraag een helder
antwoord
te geven (Szasz, 1956,1958). Het wordt nu duidelijk dat de psychiater
(psycholoog
of niet-medische psychotherapeut) de belangenbehartiger van de
patiënt,
van de familieleden, van de school, van het leger, van een
bedrijfsorganisatie,
rechtbank, enzovoorts, kan zijn. Als we dus spreken over de psychiater
als belangenbehartiger van deze personen of organisaties, houdt dat
niet
noodzakelijkerwijs in dat zijn waarden aangaande normen, of zijn
ideeën
en doelstellingen aangaande de wezenlijke aard van de hulpactie,
samenvallen
met die van zijn opdrachtgever. Een patiënt kan bijvoorbeeld, in
een
individuele psychotherapie, geloven dat zijn redding in een nieuw
huwelijk
ligt; zijn psychotherapeut hoeft deze hypothese niet te delen. Als
belangenbehartiger
echter van zijn patiënt moet hij zich onthouden van het druk
uitoefenen
op de patiënt met maatschappelijke of wettelijke drang, om hem
ervan
te weerhouden zijn geloof in actie om te zetten. Als hij een
overeenkomst
met de patiënt heeft, kan de psychiater (psychotherapeut) het met
hem oneens zijn of hij kan zijn behandeling stoppen; maar hij kan niet
anderen inschakelen om de ambities van de patiënt te belemmeren.
Evenmin
hoeft een psychiater, als hij door de rechtbank wordt ingeschakeld om
de
gezondheid van een crimineel vast te stellen, helemaal achter de
wettelijke
waarden en bedoelingen van de autoriteiten ten opzichte van de
crimineel
en de middelen die hem ten dienste staan om hem te behandelen, te
staan.
Maar het wordt de psychiater bijvoorbeeld uitdrukkelijk belet te
stellen,
dat het niet de crimineel is die "ziek" is, maar de mensen, die de wet
hebben geschreven, op basis waarvan juist deze daden als "crimineel"
veroordeeld
worden. Men kan zo'n mening natuurlijk wel vertolken, maar niet in een
gerechtszaal en niet door een psychiater, wiens werk bestaat uit het
hof
in zijn dagelijks werk te assisteren.
Kort samengevat: in het
tegenwoordige maatschappelijk
gebruik, wordt het vinden van een psychiatrische afwijking
bewerkstelligd,
door een afwijking in het gedrag van bepaalde psycho-sociale, ethische
of wettelijke normen vast te stellen. Die beoordeling kan, net als in
de
geneeskunde, door de patiënt, de dokter (psychiater), of anderen
gemaakt
worden.
Men is uiteindelijk geneigd de
behandeling
binnen een therapeutisch - of ogenschijnlijk medisch - raamwerk
te
zoeken, waarbij een situatie gecreëerd wordt waarin men beweert,
dat
psycho-sociale, ethische, en/of wettelijke afwijkingen door (zogenaamd)
medisch handelen gecorrigeerd kunnen worden. Aangezien medisch handelen
bedoeld is om alleen medische afwijkingen te corrigeren, lijkt het
logischerwijs
absurd te verwachten dat het zal helpen problemen op te lossen, waarvan
juist het bestaan op niet-medische gronden gedefinieerd en gebaseerd
is.
Ik denk dat deze overwegingen vruchtbaar toegepast kunnen worden bij
het
hedendaagse gebruik van tranquillizers en meer in het algemeen, bij wat
men mag verwachten van medicijnen voor verbetering of oplossing van
problemen
in het menselijk leven, van wat voor soort dan ook.
De rol van
de ethiek in
de psychiatrie
Alles wat mensen doen - in
tegenstelling
tot dingen die hen overkomen (Peters, 1958) - vindt plaats binnen een
waarde-context.
In brede zin is geen enkele menselijke activiteit verstoken van
ethische
implicaties. Als de waarden, die aan bepaalde activiteiten ten
grondslag
liggen, alom gedeeld worden, kunnen degenen die aan die activiteiten
deelnemen
met z'n allen die waarden uit het zicht verliezen. Het vak geneeskunde
bevat, net als zuivere wetenschap (onderzoek bijvoorbeeld) en
technologie
(bijvoorbeeld medische behandeling) veel ethische overwegingen en
oordelen.
Helaas worden deze vaak ontkend, vergoelijkt, of gewoon uit het
gezichtsveld
geweerd; want het ideaal van de medische professie, net als dat van de
mensen die haar dienen, lijkt te bestaan in het hebben van een
zogenaamde
waardevrije geneeskunde. Dit fijngevoelige beeld wordt uitgedrukt door
zaken als de bereidheid van dokters om patiënten te behandelen en
te helpen, ongeacht hun godsdienstige of politieke overtuigingen, of ze
rijk zijn of arm, enz. Hoewel er wellicht een aantal argumenten zijn
voor
dit geloof - ofschoon dit een opvatting is die zelfs in dit opzicht
niet
indrukwekkend waar is - toch blijft het een feit, dat ethische
overwegingen
een uitgebreid gebied van menselijke aangelegenheden bestrijken. Door
de
medische praktijk ten opzichte van een aantal bepaalde waardevragen te
neutraliseren, hoeft en kan niet betekenen dat die van al dit soort
waarden
vrij kan blijven. De medische praktijk is innig met de ethiek verbonden
en het eerste wat we moeten doen, lijkt me, is dit helder en duidelijk
te maken. Ik zal (pag.116) dit onderwerp hier laten rusten, omdat het
ons
in dit essay niet specifiek aangaat. Laat ik de lezer, om geen enkele
onduidelijkheid
te laten bestaan over de manier waarop of waar ethiek en geneeskunde
elkaar
ontmoeten, vraagstukken als anticonceptie, abortus, zelfmoord en
euthanasie
in herinnering brengen, als slechts enkele van de hoofdterreinen van
het
huidige medisch-ethisch dispuut.
Naar mijn mening is de
psychiatrie veel
nauwer met de ethische problematiek verbonden dan de geneeskunde. Ik
gebruik
hier het woord "psychiatrie" met verwijzing naar dat tegenwoordige
vakgebied,
dat zich bezighoudt met levensproblemen (en niet met
hersenaandoeningen,
want dat zijn problemen voor de neuroloog). Problemen in menselijke
relaties
kunnen alleen geanalyseerd, geïnterpreteerd en betekenis gegeven
worden
binnen de gegeven maatschappelijke en ethische context. Het maakt dus
wel
degelijk verschil - ondanks argumenten die het tegendeel beweren - wat
die maatschappij-ethische intenties van de psychiater nou net zijn;
want
die zullen zijn ideeën, over wat er met de patiënt mis is,
over
wat commentaar of interpretatie verdient en in welke mogelijke
richtingen
verandering wenselijk zou zijn, enzovoorts, beïnvloeden. Zelfs in
de eigenlijke geneeskunde spelen deze factoren een rol, zoals
bijvoorbeeld
in de verschillende attitudes die artsen, afhankelijk van hun
godsdienstige
bindingen, ten opzichte van zaken als anticonceptie en de
therapeutische
abortus, hebben. Zou er nou echt iemand zijn die gelooft dat de
ideeën
van een psychotherapeut over godsdienstig geloof, slavernij of zulke
andere
onderwerpen, geen rol spelen in de uitoefening van zijn vak? Als dat
wel
verschil uitmaakt, wat kunnen we daaruit dan afleiden? Lijkt het dan
niet
terecht dat we verschillende psychiatrische therapieën zouden moet
hebben - elk nadrukkelijk kenbaar aan de ethische standpunten die zij
belichamen
- voor laten we zeggen Katholieken en Joden, voor godsdienstige mensen
en voor agnostici, voor democraten en communisten, voor blanke
suprematisten
en negers, enzovoort? Als we kijken hoe de psychiatrie (in het
bijzonder
in de Verenigde Staten) in feite wordt uitgeoefend, zien we dat mensen
psychiatrische hulp zoeken in overeenstemming met hun maatschappelijke
status en ethische overtuigingen (Hollingshead & Redlich, 1958) Dit
zou ons niet meer moeten verbazen, dan wanneer ons verteld wordt, dat
praktiserende
Katholieken zelden anticonceptie-klinieken bezoeken.
Het voorgaande standpunt, dat
inhoudt dat
hedendaagse psychotherapeuten meer met levensproblemen dan met
psychiatrische
afwijkingen en de genezing daarvan te maken hebben, is in tegenspraak
met
een huidige gangbare bewering, waarin men stelt dat de psychiatrische
afwijking
net zo "echt" en "objectief" is als de lichamelijke ziekte. Dat is een
verwarrende bewering, omdat nooit duidelijk is wat men met woorden als
"echt" en "objectief" bedoelt. Ik vermoed echter, dat wat door degenen
die dit standpunt propageren bedoeld wordt is, om in de gangbare
opvatting
het idee te introduceren, dat de psychiatrische afwijking een soort
ziekte-eenheid
is, net als een infectie of een maligniteit.
Als dat waar zou zijn zou men
psychiatrische
afwijkingen kunnen oplopen of krijgen, men zou ze kunnen hebben of met
zich mee kunnen dragen, men zou ze op anderen kunnen overdragen en
tenslotte
zou men er kunnen afkomen. Naar mijn mening is er geen schijn van
bewijs
dat zo'n idee ondersteunt. Daarentegen wijzen alle bewijzen een andere
richting uit en ondersteunen het idee dat, wat mensen een
psychiatrische
afwijking noemen, grotendeels communicatie is, die onaanvaardbare
ideeën,
bovendien vaak in een ongewoon idioom gegoten, tot uitdrukking brengt.
De strekking van dit essay staat mij slechts toe deze alternatieve
theoretische
benadering van deze kwestie te vermelden (Szasz, 1957c).
Dit is niet de plaats om op de
overeenkomsten
en verschillen tussen lichamelijke en psychische ziekten in detail in
te
gaan. Het is hier voor ons voldoende slechts een belangrijk verschil
tussen
die twee te benadrukken: namelijk waar de lichamelijke ziekte verwijst
naar algemene, fysisch-chemische gebeurtenissen, wordt het begrip
psychiatrische
afwijkingen gebruikt om meer persoonlijke, socio-psychologische
gebeurtenissen,
waar de waarnemer (de diagnostici) zelf deel van uitmaakt, in een
systeem
onder te brengen. Met andere woorden: de psychiater staat niet buiten
hetgeen
hij waarneemt, maar is met de passende benaming van Harry Stack
Sullivan:
een "deelnemende waarnemer". Dat betekent dat hij vast zit aan het
beeld
van wat hij als de werkelijkheid beschouwt - en waarvan hij denkt dat
de
maatschappij het als de werkelijkheid beschouwt - en in het licht van
deze
overwegingen observeert en beoordeelt hij het gedrag van de
patiënt.
Dit raakt onze eerdere
waarneming, dat
het begrip psychisch symptoom zelf al een vergelijking inhoudt tussen
de
waarnemer, de psychiater en de patiënt. Dit is zo overduidelijk,
dat
men mij zou kunnen beschuldigen van het debiteren van trivialiteiten..
Laat ik daarom nogmaals stellen, dat mijn bedoeling van het aanhalen
van
dit argument was om nadrukkelijk een gangbare hedendaagse tendens om de
morele aspecten van de psychiatrie (en psychotherapie) te ontkennen en
daarvoor in de plaats zogenaamde waardevrije medische overwegingen te
stellen,
te bekritiseren en te weerleggen. Psychotherapie wordt bijvoorbeeld
wijdverbreid
op een manier uitgeoefend alsof het niets anders behelst dan het
terugvoeren
van de patiënt uit een toestand van psychisch ziekzijn, naar
geestelijk
een toestand van gezondzijn. Terwijl algemeen aangenomen wordt, dat de
psychiatrische afwijking iets met de maatschappelijke (of
interpersoonlijke)
betrekkingen van de mens heeft te maken, wordt paradoxaal genoeg
volgehouden
dat waarde-vraagstukken (wat wil zeggen: ethische) in dit proces niet
voorkomen
(pag.117) (Noot 1). Toch zou in zekere zin veel psychotherapie over
niets
anders moeten gaan dan over het verhelderen en het afwegen van de
doelen
en waarden - waarvan vele onderling tegenstrijdig kunnen blijken - en
de
middelen waarmee deze het beste met elkaar in overeenstemming gebracht,
gerealiseerd of afgeschaft zouden kunnen worden.
De verscheidenheid van
menselijke waarden
en de wijzen waarop die gerealiseerd kunnen worden is zo uitgebreid en
velen daarvan blijven zo weinig onderkend, dat ze wel moeten leiden tot
conflicten in menselijke relaties. Te stellen dat menselijke relaties
op
alle nivo's - van moeder tot kind, tussen man en vrouw, van land tot
land
- vol zitten met stress, spanning en disharmonie, is inderdaad
nogmaals
een open deur intrappen. Toch kan het voor de hand liggende ook
verkeerd
begrepen worden. Dit is, denk ik, wat hier aan de hand is. Want
het
lijkt mij dat wij - tenminste in onze wetenschappelijke
gedragstheorieën
- er niet in geslaagd zijn het simpele feit te aanvaarden dat
menselijke
relaties onafscheidelijk belast zijn met problemen en dat het deze,
zelfs
redelijk, harmonieus maken, veel geduld en moeizame arbeid vergt. Ik
ben
van mening, dat de opvatting van de psychiatrische afwijking nu
gebruikt
wordt om bepaalde problemen te verdoezelen, die op dit moment
onlosmakelijke
- niet dat dat betekent dat ze onveranderlijk zijn - verbonden zijn met
de maatschappelijke omgang van mensen. Als dat waar is, functioneert
deze
opvatting als een dekmantel; in plaats van het aandacht te vraagt voor
tegenstrijdige menselijke behoeften, ambities en waarden, levert het
begrip
psychiatrische afwijking een amoreel en onpersoonlijk "ding" (een
"ziekte")
als verklaring voor levensproblemen op (Szasz 1959). In dit verband
kunnen
we herinneren aan het feit dat het nog niet zolang geleden duivels en
heksen
waren, die verantwoordelijk gehouden werden voor de problemen van
mensen
in hun maatschappelijke leven. Het geloof in de psychiatrische
afwijking
als iets anders dan de moeite die het de mens kost in de omgang met
zijn
medemens, is de ware erfgenaam van het geloof in demonen en hekserij.
De
psychiatrische afwijking bestaat en is "echt" op dezelfde manier waarop
heksen bestonden of "echt" waren.
Keuze,
verantwoordelijkheid
en psychiatrie
Ik heb weliswaar aangetoond dat
de psychiatrische
afwijking niet bestaat, maar ik heb duidelijk niet gezegd dat de
maatschappelijke
en psychologische gebeurtenissen, waarop dit etiket doorgaans geplakt
wordt,
ook niet bestaan. Net als de persoonlijke en maatschappelijke ellende,
die mensen in de Middeleeuwen hadden, zijn ze echt genoeg. Het zijn de
etiketten die wij hen geven en wat wij daarmee doen nadat we ze
geëtiketteerd
hebben, waar wij ons zorgen over maken. Hoewel ik hier niet verder op
de
zich vertakkende implicaties van dit probleem kan ingaan, is het de
moeite
waard op te merken, dat een demonologische opvatting van
levensproblemen,
aanleiding heeft gegeven tot therapie langs theologische lijnen.
Tegenwoordig
houdt het geloof in de psychiatrische afwijking niet slechts een
therapie
langs medische en therapeutische wegen in maar vereist dat zelfs. Wat
de
gedachtengang, die hier uiteengezet wordt, inhoudt is iets heel anders.
Het ligt niet in mijn bedoeling een nieuwe opvatting van
"psychiatrische
ziekte" of een nieuwe vorm van "therapie" te introduceren. Mijn doel is
bescheidener en toch ook ambitieuzer, namelijk om het voorstel te doen
het verschijnsel dat nu psychiatrische afwijkingen genoemd wordt,
opnieuw
en eenvoudiger te bezien, dat het geschrapt wordt uit de
ziekte-categorie
en dat het beschouwd wordt als uitdrukking van het geworstel van de
mens
met de vraag hoe hij zou moeten leven. Het laatste is duidelijk een
groot
probleem, waarvan de gruwelijkheid niet alleen het onvermogen van de
mens
het hoofd te bieden aan zijn omgeving weerspiegelt, maar nog meer zijn
groeiende zelf-reflectie.
Naar aanleiding van
levensproblemen, verwijs
ik verder naar die waarlijk explosieve kettingreactie, die begon met de
val van de mens uit de Goddelijke gratie, door het eten van de vrucht
van
de boom van kennis van goed en kwaad. Het bewustzijn van de mens van
zichzelf
en de wereld rondom hem, lijkt een doorlopend uitdijend bewustzijn met
in zijn kielzog een steeds grotere last van het verstand ( een
uitdrukking
ontleend aan Suzanne Langer 1953). Deze last is dus te verwachten en
moet
niet verkeerd begrepen worden. Ons enige rationeel hulpmiddel ter
verheldering
is meer begrip en een op zo'n begrip gebaseerde passend actie. Het
voornaamste
alternatief ligt in het doen alsof de last niet is wat wij feitelijk
voelen
wat die is en in het toevlucht zoeken in een ouderwetse theologische
kijk
op de mens. In de laatste opvatting modelleert de mens zijn leven en
veel
van de wereld rondom hem niet, maar volgt hij slechts zijn lot in een
door
opperwezens geschapen wereld. Dit kan vanzelfsprekend leiden tot een
pleidooi
voor een niet verantwoordelijk zijn ten opzicht van ogenschijnlijk
ondoorgrondelijke
problemen en moeilijkheden. Toch lijkt het niet waarschijnlijk dat, als
de mens er niet in slaagt een groeiende verantwoordelijkheid voor zijn
handelen te nemen, een of andere hogere macht of wezen die taak op zich
zal nemen en die last voor hem zal dragen. Bovendien lijkt dit in de
menselijke
geschiedenis allesbehalve de juiste tijd om de vraag naar de
verantwoordelijkheid
van de mens voor zijn daden te verdoezelen, door die met de mantel van
een allesverklarende opvatting over de psychiatrische afwijking te
bedekken.
Conclusie
Ik heb geprobeerd te laten
zien, dat het
begrip psychiatrische afwijking zichzelf, hoe nuttig het ook geweest
moge
zijn, heeft overleefd en nu nog slechts functioneert als
een
handige mythe. Als zodanig is het een ware erfgenaam van de religieuze
mythen in het algemeen en van het geloof in heksen in het bijzonder; de
rol van al deze geloofssystemen was om als "maatschappelijke
tranquillizers"
te dienen en daardoor de hoop te voeden dat beheersing van bepaalde
specifieke
problemen door middel van vervangende (magisch-symbolische) handelingen
bereikt zou kunnen worden. Het begrip psychiatrische afwijking dient
dus
hoofdzakelijk om het alledaagse feit te verdoezelen, dat het leven voor
de meeste mensen een doorlopende worsteling is, niet om biologisch te
overleven,
maar voor "een plaats onder de zon", zielerust, of wat voor andere
menselijke
waarde ook. Als voor de mens, die zich bewust is van zichzelf en de
wereld
rondom hem, de noodzaak zijn lichaam (en wellicht zijn soort) in stand
te houden min of meer bevredigd is, rijst de vraag wat hij met zichzelf
aan moet. Trouw blijven aan de mythe van de psychiatrische afwijking,
stelt
mensen in staat dit probleem onder ogen te zien en uit de weg te gaan,
in het geloof dat geestelijke gezondheid, opgevat als de afwezigheid
van
een psychiatrische afwijking, hen automatisch verzekert van het maken
van
juiste en veilige keuzes in de manier waarop zij hun leven leiden. Maar
de feiten zijn volmaakt anders. Het is juist het maken van goede keuzes
in het leven dat anderen achteraf als een goede geestelijke gezondheid
zien!
De mythe van de
psychiatrische
afwijking zet ons bovendien aan om te geloven in de logische
gevolgtrekking
ervan: dat de maatschappelijke betrekkingen harmonieus, bevredigend en
de zekere basis voor een "goed leven" zijn, als die maar niet ontwricht
zouden worden door invloeden van psychiatrische afwijkingen of
"psychopathologie".
De mogelijkheid voor een
universeel
menselijk geluk lijkt mij, tenminste in deze vorm, slechts weer een
voorbeeld
van het soort ik-wou-dat-het-waar-was luchtkasteel. Ik geloof (*) dat
menselijk
geluk of welbevinden tot een tot nu toe onvoorstelbaar grote schaal, en
niet alleen voor een uitverkoren minderheid, mogelijk is. Dit doel kan
echter alleen bereikt worden met behulp van veel mensen en niet slechts
door een minderheid, die bereid en in staat is zijn persoonlijke,
maatschappelijke
en ethische conflicten aan te pakken. Dit betekent dat ze de moed en
eerlijkheid
moeten hebben eerst het gevecht met valse façades, van het
oplossingen
te vinden voor surrogaatproblemen, aan te gaan - bijvoorbeeld het
gevecht
aangaan tegen brandend maagzuur en chronische vermoeidheid in plaats
van
een huwelijksconflict onder ogen zien.
Onze tegenstanders zijn niet de
demonen,
de heksen, het lot of de psychiatrische afwijking. Wij hebben geen
vijand
die wij kunnen bestrijden, uitdrijven of verjagen door te "genezen".
Wat
we hebben zijn levensproblemen - of dat nu biologische, economische,
politieke
of socio-psychologische zijn.
In dit essay heb ik mij alleeen
bezig gehouden
met problemen die tot de laatste soort behoren en binnen deze groep
hoofdzakelijk
met diegene, die betrekking hebben op morele waarden. Het gebied waarop
de moderne psychiatrie zich richt is uitgebreid en ik heb geen poging
gedaan
dit hele gebied te bestrijken. Mijn onderwerp is beperkt gebleven tot
de
stelling, dat de psychiatrische afwijking een mythe is, wier functie is
de bittere pil van morele conflicten in menselijke betrekkingen te
vergulden
en zo tot een smakelijk hapje te maken.
Bibliografie
HOLLINGSHEAD,
A.B., &
REDLICB, F.C. Social class and mental illness. New York: Wiley, 1958
JONES, E. The life
and work
of Sigmund Freud. Vol. III. New York: Basic Books, 1957
LANCER, S.R.
Philosophy
in a new hey. New York: Mentor Books, 1953
PETERS, R.S. The
concept
of motivation. London: Routledge & Kegan Paul, 1958
SZASZ, T.S.
Malingering:
"Diagnosis" or social condemnation? AMA Arch. Neurol. Psychiat, 1956,
76,
432-443
SZASZ, T.S. Pain
and pleasure:
A study of body-feelings. New York: Basic Books, 1957. (a)
SZASZ, T.S The
problem of
psychiatric nosology: A contribution to a situational analysis of
psychiatric
operations Amer.J. Psychiat, 1957, 114, 405-413. (b)
SZASZ, T.S. On the
theory
of psychoanalytic treatment. Int. J. Psycho-Anal, 1957, 38, 166-182. (c)
SZASZ, T.S.
Psychiatry,
ethics and the criminal law. Columbia Law Rev., 1958, 58, 183-198
SZASZ, T.S. Moral
conflicts
and psychiatry, Yale. Rev., 1959, in press.
Voetnoten
(1) Freud ging
zover dat
hij stelde: "Ik beschouw ethiek als iets vanzelfsprekends. In feite heb
ik nooit iets gemeens gedaan"(Jones, 1957, p. 247). Dit is ongetwijfeld
merkwaardig om zoiets te zeggen, voor iemand die de mens zo van nabij
heeft
bestudeerd als Freud. Ik vermeld dit hier om te laten zien hoe het
begrip
'ziekte"(en in het geval van psychoanalyse, "psychopathologie", of
"psychiatrische
afwijking") door Freud gebruikt werd - en door het merendeel van zijn
navolgers
- als een hulpmiddel om bepaalde vormen van menselijk gedrag te
classificeren
binnnen het gebied van de geneeskunde, en dus (met instemming) buiten
dat
van de ethiek!
(*) Opmerking
van Christopher
D. Green: In de originele tekst uit de American Psychologist komt hier
het woord "niet" voor. Dr. Szasz heeft mij echter laten weten dat
dit "een drukfout was, die hij gecorrigeerd heeft toen hij het stuk
opnieuw
publiceerde, bv, in Ideology and Insanity" (persoonlijke mededeling,
2002)