Inleiding:
John Bunyan (1628 – 1688)
was een
Engelse puriteinse prediker. Hij
was van eenvoudige afkomst. Hij werd op latere leeftijd prediker in
baptistische gemeenten. Zijn prediking was eenvoudig, direct en
bijbels. Hij
heeft verschillende boeken geschreven. Zijn bekendheid is vooral
gebaseerd op
zijn boek The Pilgrim's Progress (1678) in het Nederlands
vetaald, onder
de titel “Een christenreis naar de eeuwigheid.” Het boek is een
allegorisch verhaal over het leven van een christen, zoals dat op aarde
zou
moeten zijn. In wezen gaat zijn verhaal niet over christenen, maar over
zoekers, pelgrims, die zich afwenden van de wereld en zich op hun
louteringsweg
ontdoen van alles wat hen aan die wereld heeft gebonden. Afrekenen met
hun
verleden, met hun begeerten, met hun ondeugden, en op reis gaan naar de
apatheia, de Hemelse Stad, het Nirvana, met andere woorden, die
zichzelf
zoeken.
Maar de werkelijkheid is helaas
anders.
Gezwicht voor de wereldse geneugten,
gaan de mensen die zich christen noemen, naar hun kerken in de stad
IJdelheid,
gaan zich te buiten aan alles waar hun eigen boek voor waarschuwt, zijn
trots
op hun ijdelheid en hun bezittingen, en beschouwen echte pelgrims als
dwaze
onbenullen, die in een psychiatrische inrichting thuishoren.
Daar gaat deze vlijmscherpe satire
van
Nathaniel Hawthorne over.
|
Nathaniel
Hawthorne
De
Spoorweg
naar
de
Hemel
|

|
Niet
lang
geleden
passeerde
ik de poort
der dromen en bezocht dat aardse
gewest, waar de beroemde stad Verderf ligt. Het wekte mijn grote
belangstelling
toen ik hoorde, dat er door de gemeenschapszin van een aantal inwoners,
onlangs
een spoorweg was aangelegd tussen deze dichtbevolkte en bloeiende stad
en de
Hemelse Stad. Omdat ik wat tijd over had, besloot ik mijn ruime
nieuwsgierigheid te bevredigen door er een uitstapje naartoe te maken.
Zo
gezegd, zo gedaan en op een mooie ochtend betaalde ik de rekening van
het
hotel, gaf de portier opdracht om mijn bagage achter op het rijtuig te
pakken,
nam in het rijtuig plaats en vertrok naar het station. Ik trof het dat
ik in
het prettige gezelschap was van een heer – ene mijnheer Zand-erover –
die,
hoewel hij eigenlijk de Hemelse Stad nooit eerder had bezocht, toch
zeer goed
op de hoogte was van haar wetten, gebruiken, principes en statistieken,
net als
van die van de Stad van Verderf, waar hij geboren en getogen was.
Bovendien was
hij een van de directeuren en een van de grootste aandeelhouders van de
spoorwegmaatschappij,
en was dus in staat mij over die verdienstelijke onderneming, alle
gewenste
informatie te verstrekken.
Ons rijtuig ratelde de stad uit en
passeerde op korte afstand van haar
buitenwijken, een sierlijk gebouwde brug, die volgens mij echter iets
te licht was
om een behoorlijk gewicht te kunnen dragen. Aan weerszijden lag een
uitgestrekt
moerasgebied, dat voor oog en neus niet onaangenamer had kunnen zijn,
dan
wanneer alle riolen van de aarde daar hun troep in hadden gestort.
"Dit," merkte mijnheer
Zand-erover
op, "is het beroemde Moeras
der Wanhoop – een schande voor de hele omgeving, en temeer omdat het zo
eenvoudig in vaste grond veranderd zou kunnen worden.”
"Ik heb begrepen," zei ik, "dat er
sinds
onheuglijke tijden
pogingen in het werk zijn gesteld om dat te bereiken. Bunyan vertelt,
dat er al
meer dan twintigduizend karrenvrachten nuttige raadgevingen in zijn
gestort,
zonder enig resultaat.”
"Zeer waarschijnlijk!- maar wat kun
je
ook anders verwachten van zulk
slap spul?” riep mijnheer Zand-erover. “Ziet u deze gerieflijke brug.
Wij
hebben er een stevig fundament voor gelegd, door enige oplagen
zedenkundige
boeken in het Moeras te gooien, Franse filosofieboeken en Duitse
rationalistische werken, traktaten, preken, en verhandelingen van
hedendaagse
geestelijken, fragmenten van Plato, Confucius, en diverse
Hindoe-wijzen, samen
met een paar onschuldige commentaren op teksten uit de Schrift – die
allemaal
door een of ander wetenschappelijk proces in een granietharde massa
zijn
veranderd. Ze zouden die hele poel met hetzelfde spul moeten volgooien.”
Volgens mij trilde de brug echter
en
bewoog op een hevige manier op en neer;
en ondanks de verzekering van mijnheer Zand-erover over de stevigheid
van de
fundamenten, zou ik er niet graag in een volgeladen koets overheen
rijden,
zeker niet als elke passagier net zoveel bagage zou hebben als die heer
en
ikzelf. Desondanks kwamen wij er zonder ongelukken overheen en bevonden
wij ons
weldra bij het stationsgebouw. Dat zeer smaakvolle en ruime gebouw is
opgetrokken op de plek van de kleine Enge Poort [1], die zoals alle
oude pelgrims
zich zullen herinneren, meteen dwars op de brede weg stond, en door
zijn
ongemakkelijke engte, voor de reiziger met een ruimdenkende geest en
royale
maag een groot obstakel was. Voor de lezers van Bunyan is het prettig
te weten,
dat Evangelist, de oude vriend van Christen, die gewoonlijk iedere
pilgrim van
een mystieke schriftrol voorzag, nu achter het loket zit. Het is waar
dat enige
kwaadwillige mensen ontkennen dat deze achtenswaardige persoon dezelfde
is als
de Evangelist van weleer, en zij beweren zelfs dat zij bewijzen voor
dit bedrog
hebben. Zonder mij in deze discussie te mengen, wil ik alleen opmerken,
dat
voor zover ik het zelf heb ervaren, de vierkante kartonnen kaartjes,
die nu aan
de passagiers worden uitgereikt, onderweg veel handiger en bruikbaarder
zijn,
dan die oude perkamenten rol. Of zij net zo graag aan de poort van de
Hemelse
Stad worden geaccepteerd, daar weiger ik een mening over te geven.
Een groot aantal reizigers stond al
bij
het stationsgebouw te wachten op het
vertrek van de trein. Aan het voorkomen en het gedrag van deze
personen, was
gemakkelijk op te maken, dat de gedachten van het publiek over de
pelgrimstocht
naar de hemel een zeer gunstige verandering hadden ondergaan. Het zou
het hart
van Bunyan goed doen, als hij dat zou zien. In plaats van een eenzame
en in
lompen gehulde man, met een enorme last op zijn rug, die zich treurig
te voet
voortsleepte, terwijl de hele stad hem uitjouwde, vonden hier feesten
plaats van
de elite en de meest achtenswaardige mensen uit de omgeving, die zich
net zo
vrolijk op weg begaven naar de Hemelse Stad, alsof ze een zomers
uitstapje
maakten. Onder de heren bevonden zich personen van een terechte
uitmuntendheid,
overheidspersonen, politici en rijkaards, die door hun voorbeeld niet
anders
dan de godsdienst aan hun mindere broeders konden aanbevelen. Het deed
mij
goed, dat ik in de dameswachtkamer ook een aantal bloemen uit de beau
monde
zag, die zo geschikt zijn om de hoogste kringen van de Hemelse Stad op
te
fleuren. Er waren zeer aangename gesprekken over het nieuws van de dag,
over
zakelijke aangelegenheden, of over luchtigere vermakelijke zaken,
terwijl de
godsdienst, die ongetwijfeld diep in hun hart het belangrijkste
onderwerp was,
netjes op de achtergrond werd gehouden. Zelfs een ongelovige zou
nauwelijks
iets hebben kunnen horen, wat zijn gevoeligheid had gekwetst. Ik moet
niet
vergeten om één groot voordeel van de nieuwe manier van
pelgrimsreis te
vermelden. In plaats van dat wij onze enorme bagage op onze eigen
schouders
droegen, zoals vroeger de gewoonte was geweest, werd die allemaal
netjes in de
bagagewagen geladen, en zou, zoals men mij verzekerde, aan het eind van
de reis
aan de rechtmatige eigenaars worden overhandigd. Er is nog iets
dergelijks, dat
de welwillende lezer ongetwijfeld graag zal willen weten. Men zal zich
herinneren, dat er een oude vete bestond tussen de vorst der
duisternis,
Beëlzebub en de bewaker van de Enge Poort, en dat de aanhangers
van de
eerstgenoemde beruchte persoon gewoonlijk dodelijke pijlen afschoten op
de
eerzame pelgrims, die aan de poort klopten. Deze discussie is, zowel
dankzij bovengenoemde
vermaarde potentaat, als dankzij de achtenswaardige en verlichte
spoorwegdirecteuren, vreedzaam bijgelegd, onder het motto van het
wederzijdse
compromis. De onderdanen van de Vorst zijn nu in vrij grote getale
werkzaam in
het station, waar sommigen zorg dragen voor de bagage, anderen
brandstof
aanvoeren en de locomotieven stoken, en dergelijke bezigheden; en ik
kan naar
eer en geweten bevestigen, dat er bij geen enkele spoorwegmaatschappij
mensen
zijn die hun taak gedienstelijker vervullen, zich beter aanpassen, of
over het
algemeen aangenamer zijn voor de passagiers. Elke goede ziel moet wel
dolblij
zijn met het feit dat een dergelijk eeuwenoud probleem zo bevredigend
is
opgelost.
"Waar is Mijnheer Ruim-hart?” vroeg
ik.
“De directeuren hebben die oude
vechter toch tot hoofdconducteur van de spoorweg aangesteld?”
"Nee, hoor," zei Mijnheer
Zand-erover,
met een droog kuchje. “Ze
hebben hem het baantje van treinremmer aangeboden, maar, om je de
waarheid te
vertellen, is onze vriend Ruim-hart op zijn oude dag belachelijk stijf
en
bekrompen geworden. Hij heeft zovaak te voet pelgrims over de weg
gegidst, dat
hij het als een zonde beschouwt om op een andere manier te reizen.
Bovendien
had de oude baas zich zozeer in de oude vete met Vorst Beëlzebub
gemengd, dat
hij doorlopend met de onderdanen van de vorst slaags zou raken of hen
uit zou
schelden, en ons er zo opnieuw bij zou betrekken. Dus alles bij elkaar,
speet het
ons dan ook niet, dat de brave Ruim-hart verontwaardigd naar de Hemelse
Stad is
gegaan en ons daarmee de vrijheid gaf om een meer geschikte en
meegaande persoon
uit te kiezen. Daar komt de treinconducteur aan. Je zult hem
waarschijnlijk
meteen herkennen.”
Op dit moment reed de locomotief
vóór de wagons en ik moet toegeven, dat het
toen ik daarnaar keek, meer leek op een soort mechanische boze geest
die ons
ijlings naar de onderaardse gewesten zou brengen, dan op een heilzaam
mechaniek
dat onze weg naar de Hemelse Stad zou effenen. Bovenop zat een bijna
geheel in
rook en vlammen gehulde gestalte, die – schrik niet lezer – zowel uit
zijn
eigen mond en buik leken te stromen, als uit koperkleurige buik van de
machine.
"Houden mijn ogen mij voor de gek?”
riep
ik. Wat is dit in Godsnaam!
Een levend wezen? – als dat waar is, is hij echt een broer van de
machine waar
hij op rijdt!”
"Poe,
poe, niet zo
dom!” zei Mijnheer Zand-erover,
schaterlachend. “Ken je Apollyon niet [2] de oude vijand van Christen,
waarmee
hij zo’n hevig gevecht heeft gevoerd in de Dal van de Vernedering? Hij
was de
juiste man om de machine te besturen; en dus hebben wij ervoor gezorgd
dat hij
zich bij het gebruik van de pelgrimstocht heeft neergelegd, en hem tot
hoofdconducteur aangesteld.”
"Bravo, bravo!" riep ik met
onweerstaanbaar enthousiasme uit, “dit
is een voorbeeld van de verdraagzaamheid van deze tijd; als er iets dat
het zou
kunnen bewijzen, is dit het wel dat wij alle achterhaalde vooroordelen
op een
redelijke manier uitroeien. En wat zal Christen blij zijn, als hij
hoort hoe
zijn oude tegenstander is veranderd! Het zal mij een groot genoegen
doen om hem
dat te vertellen als wij de Hemelse Stad bereiken.”
Toen de passagiers allemaal
behaaglijk
zaten, gingen wij vrolijk ratelend op
weg, en legden in tien minuten een grotere afstand af, dan Christen
waarschijnlijk in een hele dag had afgesjokt. Terwijl wij als
het ware langs het
eind van een bliksemschicht keken, was het
komisch om twee stoffige voetgangers te zien, in de oude
pelgrimskledij, met hartschelp
[3] en staf, hun mystieke perkamentenrollen in hun hand en de
ondraaglijke last
op hun rug. De belachelijke koppigheid van deze eerzame mensen om
liever zuchtend
en strompelend aan de moeilijke weg vast te houden, dan van de moderne
verbeteringen te profiteren, wekte bij ons meer verstandige gezelschap
een luid
gejoel op. Wij zwaaiden met allerlei spotternijen en schaterend van het
lachen
naar de pelgrims, die daarop ons met zo’n beklagenswaardige en onzinnig
mededogende gezichten aanstaarden, dat onze pret nog tienmaal zo
luidruchtig
werd. Ook Apollyon deed van harte mee met de pret, en zag kans om de
rook en de
vlammen van de machine, of zijn eigen adem in hun gezicht te blazen, en
hulde
hen in een wolk van kokende stoom. Deze grapjes vermaakten ons
geweldig, en
gaven de pelgrims ongetwijfeld de voldoening om zichzelf als martelaars
te
kunnen beschouwen.
Mijnheer Zand-erover wees naar een
groot
ouderwets gebouw, op enige afstand
van de spoorweg, dat, zoals hij opmerkte, een vanouds bekende herberg
was, die
vroeger een belangrijke rustplaats voor pelgrims was geweest. In de
reisgids
van Bunyan wordt het vermeld als het Huis van de Uitlegger.
"Ik ben heel nieuwsgierig naar dat
oude
huis geweest,” merkte ik op.
"Zoals u ziet is het niet een van
onze
stations,” zei mijn metgezel.
“De eigenaar was fel gekant tegen de spoorweg, en terecht, omdat het
spoor aan
zijn huis van vermaak voorbij ging, en dus hem vrijwel zeker van al
zijn achtenswaardige
klanten beroofde. Maar het voetpad loopt nog steeds voor zijn deur
langs, en de
oude baas krijgt zo nu en dan bezoek van een eenvoudige reiziger, en
trakteert
hem op een eenvoudige maaltijd, die net zo ouderwets is als hijzelf.”
Voor wij met het gesprek over dat
onderwerp klaar waren, snelden wij voorbij
de plek waar bij Christen, bij het zien van het kruis, de last van zijn
schouders viel. Dit was een nieuw onderwerp voor Mijnheer
Zand-erover,
Mijnheer Leef-voor-de-Wereld, Mijnheer
Verberg-de-zonde-in-het-hart, Mijnheer Schurftig-Geweten, en een
groepje heren
uit de stad Mijdt-Berouw, om uit te wijden over de onschatbare
voordelen van
veiligheid van onze bagage. Ikzelf en inderdaad ook alle andere
passagiers, waren
het hierover volmaakt met elkaar eens, want onze lasten werden overal
ter
wereld in vele opzichten als zeer kostbaar beschouwd. En elk van ons
bezat met
name een grote verscheidenheid aan lievelings-Gewoonten, en wij
vertrouwden
erop dat die zelfs in de beschaafde kringen van de Hemelse Stad, nog
van pas
zouden komen. Het zou een treurig schouwspel zijn om zo’n
verscheidenheid aan
waardevolle zaken in het graf te zien tuimelen. Zo babbelden wij
vrolijk over
de gunstige omstandigheden van onze toestand, vergeleken met die van de
pelgrims
uit het verleden, en de bekrompen geesten van tegenwoordig en al snel
bevonden
wij ons aan de voet van de heuvel Probleem. Midden door die rotsachtige
berg
was een voortreffelijk geconstrueerde tunnel aangelegd, met een enorm
gewelf en
een ruim, dubbel spoor, zodat hij, tenzij het geval dat de aarde en
rotsen
zouden afbrokkelen, een eeuwigdurend gedenkteken zou blijven voor de
kundigheid
en het initiatief van de bouwer. Het is een groot maar toevallig
voordeel, dat
het materiaal uit het binnenste van de heuvel Probleem, zijn aangewend
om het
Dal der Vernedering op te hogen, zodat er een einde kwam aan de
noodzaak om in
die onaangename en ongezonde kuil neer te dalen.
"Dat
is inderdaad
een prachtige verbetering, “ zei
ik. Toch zou ik graag de mogelijkheid hebben gehad om het paleis
Prachtig te
bezoeken, en voorgesteld te worden aan de charmant dames – mejuffrouw
Voorzichtigheid, mejuffrouw Godsvrucht, mejuffrouw Liefdadigheid en de
andere jongedames,
die zo aardig zijn om daar de pelgrims gastvrij te ontvangen.”
"Jongedames!" riep Mijnheer
Zand-erover,
zodra hij van het lachen
weer kon praten. “En ook nog charmante jongedames! Wel allemachtig,
mijn beste
man, het zijn oude vrijsters, geen een uitgezonderd – preuts, stijf,
saai en
knokig – en ik waag te zeggen dat geen van hen, sinds de dagen van de
pelgrimsreis van Christen, ook maar iets aan de snit van haar japon
heeft
veranderd.”
"Dat is mooi, “ zei ik, geheel
gerustgesteld, “dan kan ik wel zonder
die kennismaking.”
De achtenswaardige Apollyon liet nu
de
machine op een verbazingwekkende
wijze op stoom komen, misschien omdat hij zich graag van de onaangename
herinneringen wilde ontdoen, die samenhingen met de plek waar hij zo’n
rampzalige ontmoeting met Christen had gehad. Ik raadpleegde de
reisgids van
Bunyan en zag dat we nu een paar mijl van het Dal van de Schaduw van de
Dood af
waren, een naargeestige streek, waar wij met onze huidige snelheid,
veel
sneller zouden arriveren, dan wenselijk leek. Eigenlijk verwachtte ik
niet
anders, dan dat ik in de greppel aan de ene kant, of in het moeras aan
de
andere kant terecht zou komen. Maar toen ik mijn bezorgdheid aan
Mijnheer Zand-erover
overbracht, verzekerde hij mij dat de problemen van deze oversteek,
zelfs onder
de meest beroerde omstandigheden, zeer was overdreven, en dat hij
tegenwoordig
zo was verbeterd, dat ik mij net zo veilig kon voelen als op welke
spoorweg in
het Christendom dan ook.
Wij hadden het er juist over, toen
de
trein dit angstaanjagende Dal
inschoot. Hoewel ik toegeef dat ik wat dwaze hartkloppingen voelde,
tijdens
onze onbesuisde rit over de daar aangelegde verhoogde weg, zou het toch
niet
eerlijk zijn om de hoogste loftuitingen achterwege te laten over de
stoutmoedigheid van het oorspronkelijke ontwerp en het vernuft van
degenen die
het hadden uitgevoerd. Het was eveneens prettig om te zien, met hoeveel
zorg
men eeuwigdurende duisternis had verdreven, en het ontbreken van de
opwekkende
zonneschijn had goedgemaakt. Geen enkele zonnestraal was ooit eerder in
deze
afschuwelijk schaduwen doorgedrongen. Voor dat doel wordt het brandbare
gas,
dat in grote hoeveelheden uit de bodem opstijgt, door middel van pijpen
opgevangen en vervolgens verdeeld over een vierdubbele rij lampen,
langs de
hele doorgang. Op die manier heeft men, zelfs uit de gloeiende en
zwavelachtige
vloek die voor eeuwig op het Dal rust, een stralend licht weten te
scheppen, dat
echter, zoals ik merkte, schadelijk en verbijsterend voor de ogen is,
doordat het
op de gezichten van mijn metgezellen veranderingen teweeg bracht. In
dit
opzicht is er, vergeleken met het natuurlijke daglicht, hetzelfde
verschil als
tussen waarheid en bedrog, maar als de lezer ooit door het duistere Dal
is
gereisd, dan heeft hij geleerd hoe dankbaar hij moet zijn voor elk
lichtstraaltje dat hij kon opvangen, als het dan niet uit de hemel
daarboven,
dan wel uit die verdomde aarde daar beneden kwam. De rode gloed van
deze lampen
was zo hevig, dat het leek alsof zij aan beide zijden van het spoor
muren van
vuur vormden, waar wij bliksemsnel tussendoor raasden, terwijl een
weergalmende
donder het Dal met zijn echo’s vulde. Als de locomotief uit de rails
was gelopen
– naar men fluistert, een ramp, die wel eerder is voorgekomen – zou de
bodemloze put, zo er iets dergelijks bestaat, ons ongetwijfeld hebben
verzwolgen. Net op het moment, dat enige van dergelijke sombere
dwaasheden mijn
hart hadden doen beven, klonk er een ontzettende gil, die zich door het
Dal
voortplantte, alsof duizend duivels hun longen uit hun lijf
schreeuwden, maar
wat uiteindelijk slechts het gefluit van de locomotief bleek te zijn,
die op de
halteplaats arriveerde.
De plek waar wij nu waren gestopt,
is
dezelfde, die onze vriend Bunyan – een
waarheidlievende man, maar besmet met vele bizarre ideeën – heeft
genoemd, in
duidelijker bewoordingen dan ik wens te herhalen, als de ingang van de
onderaardse gewesten. Maar dat is een vergissing, omdat de heer
Zand-erover,
tijdens ons verblijf in de rokerige en lugubere grot, van de
gelegenheid
gebruik maakte om te bewijzen dat Tofeth [4] zelfs figuurlijk niet
bestaat. Hij
verzekerde ons dat de plek niets anders dan de krater van een
halfuitgedoofde
vulkaan is, waarin de directeuren smederijen hadden gevestigd, waarin
de ijzeren
rails van de spoorweg werden vervaardigd. Die levert ook een ruime
energiebron
om de machines te laten draaien. Iedereen die een blik in de sombere
duisternis
van de wijde grotopening had geworpen, waaruit van tijd tot tijd enorme
donkere
vlammentongen schoten – en als hij dan de vreemde, gedrochtelijke
monsters had
gezien en de schimmen van gruwelijke en groteske gezichten, waarin de
rook
zichzelf leek te kringelen, - en als hij het afschuwelijke gemurmel had
gehoord, de gillen, en het donkere sidderende gefluister van de
windvlagen, die
zich soms tot bijna duidelijke woorden vormden – zou de geruststellende
verklaring van Mijnheer Zand-erover graag hebben aangegrepen, en dat
deden wij
dus ook. De grotbewoners waren bovendien afstotelijke gestalten,
duister, vuil
door de rook, vrijwel allemaal misvormd, met wanstaltige voeten en
duistere
rode gloed in hun ogen, als of hun hart vlam had gevat, dat nu uit hun
bovenvensters naar buiten loeide. Wat mij bijzonder trof was dat als de
arbeiders in de smederijen en degenen die de machines van brandstof
voorzagen, maar
even ademhaalden, echt rook uit hun mond en neusgaten bliezen.
Ik was verbijsterd, toen ik onder
de
nietsnutten die rond de trein hingen, en
die bijna allemaal sigaren rookten, die zij aan de kratervlam hadden
aangestoken, een aantal mensen ontwaarde, die, naar ik zeker wist,
voorheen met
de trein op weg waren gegaan naar de Hemelse Stad. Zij zagen er
verwilderd en
rokerig uit en vertoonden inderdaad een bijzondere gelijkenis met de
inboorlingen, omdat zij net als zij, ook een onaangename neiging
vertoonden tot
onvriendelijke spotternijen en schimpscheuten, een gewoonte, die een
bestendige
verkramping van hun gezichten had veroorzaakt. Ik richtte mij tot een
van deze
personen aan – een slome, nietsnut, die de naam Doe-niet-moeilijk –
riep hem en
vroeg wat hij daar deed.
"Was u niet op weg naar de Hemelse
Stad?”
vroeg ik.
"Dat is zo,” zei de heer
Doe-niet-moeilijk, terwijl hij mij achteloos
wat rook in de ogen blies. “Maar ik hoorde zo’n slechte berichten, dat
ik nooit
de moeite nam om de heuvel te beklimmen, waar de stad op ligt. Niets te
doen,
geen pleziertjes, niets te drinken, en niet mogen roken, en dan ook nog
van ‘s
morgens tot ‘s avonds het gegons van kerkmuziek! Ik zou op zo’n plek
niet
willen blijven, al zouden ze me vrij wonen en kost aanbieden.”
"Maar mijn beste mijnheer
Doe-niet-moeilijk,” riep ik uit, "waarom
kiest u, van alle plaatsen ter wereld, nou net hier verblijf?”
"O," zie de nietsnut, met een
grijns,
“het is hier lekker warm, en
alles bij elkaar bevalt de plek mij. Ik hoop u eerstdaags weer terug te
zien.
Een goede reis!”
Terwijl hij sprak luidde de bel van
de
locomotief, en wij maakten ons uit de
voeten, nadat we een paar passagiers hadden afgezet, maar er geen
nieuwe bij
hadden gekregen. Wij ratelden door het Dal en werden even als tevoren
verblind
door de fel schitterende gaslampen. Maar soms, in de duisternis tussen
het
krachtige lichtschijnsel, leken lugubere tronies, die het uiterlijk en
de
uitdrukking van afzonderlijke zonden of kwade hartstochten droegen,
zich een
weg te banen door de sluier van licht, staarden ons aan en strekten een
grote
duistere hand uit, alsof zij onze reis wilden verhinderen. Ik dacht
bijna dat
het mijn eigen zonden waren, die mij met schrik vervulden. Dat waren
grillen
van de verbeelding – vast niets anders – slechts waanideeën,
waarover ik mij
diep hoorde te schamen – maar de hele reis door het Duistere Dal werd
ik
gekweld en lastig gevallen, en naargeestig verward, door dezelfde soort
wakende
dromen. De verpestende gassen uit die streek vergiftigen het brein.
Maar toen het
natuurlijke daglicht begon te vechten met de gloed van de lantaarns,
verloren
deze ijdele hersenspinsels hun levendigheid, en verdwenen uiteindelijk
met de
eerste zonnestraal, die onze ontsnapping uit het Dal van de Schaduw des
Doods
begroette. Vóór wij een mijl verder waren, zou ik wel
hebben kunnen zweren, dat
die hele afschuwelijke doortocht een droom was geweest.
Aan het eind van het dal is, zoals
John
Bunyan vertelt, een grot, waar in
zijn tijd, twee wrede reuzen woonden, Paus en Heiden, die de grond rond
hun
verblijfplaats hadden bestrooid met de botten van afgeslachte pelgrims.
Deze
afzichtelijke oude grotbewoners zijn daar niet meer, maar in hun
verlaten grot
heeft zich een andere verschrikkelijke reus genesteld, die zich
bezighoudt met
het vangen van eerzame reizigers, die hij dan met overvloedige
maaltijden van
rook, mist, maneschijn, rauwe aardappels en zaagmeel als zijn voedsel
vetmest. Hij
is als reus geboren en wordt de Reus Transcendentalist [5] genoemd,
maar wat
betreft zijn vorm, zijn kenmerken, zijn wezen en zijn aard in het
algemeen, is
de belangrijkste eigenschap van dit reusachtige misbaksel, dat noch hij
voor
zichzelf, noch iemand anders voor hem, ooit in staat is geweest daar
een
beschrijving van te geven. Toen wij voorbij de opening van de grot
raasden,
vingen wij een vluchtige glimp van hem op. Hij leek dat hij een nogal
beroerd
gevormde gestalte had, maar had nog meer iets van een massa mist en
duisternis.
Hij riep ons iets achterna, maar in een zo vreemd jargon, dat wij niet
wisten
wat hij bedoelde, noch of wij daardoor aangemoedigd of angstig moesten
zijn.
Het was al laat op de dag, toen de
trein
de oude stad IJdelheid
binnendonderde, waar de Kermis der IJdelheid nog op het hoogtepunt van
haar
bloei verkeert, en een overzicht biedt van alles wat er aan
schitterends,
vrolijks en boeiends onder de zon is. Daar ik het voornemen had hier
een behoorlijke
tijd door te brengen, deed het mij genoegen te vernemen, dat er geen
behoefte
meer bestaat aan een goede verstandhouding tussen de inwoners van de
stad en de
pelgrims, waardoor de eerstgenoemden niet meer worden aangezet tot die
jammerlijke en onjuiste maatregelen als het vervolgen van Christen en
het vurige
martelaarschap van Getrouwe. Integendeel, want omdat de spoorweg veel
handel
met zich meebrengt, en een doorlopende toevloed van vreemdelingen, is
de
burgemeester van de kermis der IJdelheid daar de beschermheer van en de
kapitalisten uit de stad de grootste aandeelhouders. Veel passagiers
stappen
daar uit om zich te vermaken of op de kermis hun slag te slaan, in
plaats van
dat ze naar de Hemelse Stad doorreizen. Die stad is inderdaad zo
verleidelijk,
dat mensen vaak beamen dat het de echte en enige hemel is, en
vastberaden
beweren dat er geen andere is, dat degenen die verder zoeken alleen
maar
dromers zijn, en dat, zelfs als de legendarische luister van de Hemelse
Stad
slechts een enkele mijl voorbij de poorten van de Stad der IJdelheid
zou
liggen, zij niet zo gek zouden zijn om daar heen te gaan. Zonder dat ik
die,
wellicht overdreven, loftuiting onderschrijf, kan ik met zekerheid
zeggen, dat
mijn verblijf in de stad voornamelijk aangenaam was, en mijn omgang met
de
bewoners mij veel vermaak en lering verschafte.
Daar
ik van nature
ernstig van aard ben, richtte ik mijn
aandacht eerder op de degelijke voordelen van een verblijf ter plaatse,
dan op
de bruisende genoegens, die voor veel bezoekers het belangrijkste doel
zijn. De
christelijke lezer zal, als hij na de tijd van Bunyan geen berichten
over de
stad heeft gehad, verrast zijn als hij hoort, dat bijna iedere straat
zijn
eigen kerk heeft, en dat de achtenswaardige clerus nergens meer wordt
geacht
dan. En die respectabele waardering verdienen zij terecht, want de
wijze en
deugdzame spreuken die over hun lippen vloeien, komen uit een diepe
spirituele
bron, en zijn op net zo’n verheven godsdienstig doel gericht, als die
van de
meest wijze filosofen uit de oudheid.
Om die juistheid van die grote
verdienste
aan te tonen, hoef ik slechts de
namen te vermelden van de eerwaarde Oppervlakkig-diep, de eerwaarde
Struikel-over-de Waarheid, die voortreffelijke predikant, de eerwaarde
Dit-vandaag, die naar verwacht binnenkort zijn kansel zal afstaan aan
de
eerwaarde Dat-morgen, samen met de eerwaarde Wirwar, de eerwaarde
Hinder-de-geest,
en als laatste en grootste, de eerwaarde heer Hol-van-leer. Deze
uitmuntende
godgeleerden worden in hun werk bijgestaan door die ontelbare docenten,
die in
alle takken van menselijke of hemelse kennis, zo’n veelzijdige diepgang
aan de
dag leggen, dat iedereen een allesomvattende ontwikkeling kan
verkrijgen,
zonder dat ze zelfs moeite hoeven te doen om te leren lezen. Zo wordt
de
litteratuur, door de menselijke stem als voertuig te gebruiken,
vergeestelijkt,
en wordt kennis, die al zijn zwaardere bestanddelen laat bezinken –
behalve
natuurlijk zijn gouden deeltjes – in klanken uitgeademd, die terstond
in het
altijd open oor van de gemeente binnensluipen. Deze vernuftige methode
is als
het ware een soort machinerie, waarmee iedereen gedachten en kennis aan
de hand
wordt gedaan, zonder dat hij er zelf enige moeite voor hoeft te doen.
Er is een
ander soort machine voor het op grote schaal verzinnen van de
individuele
zedelijkheid. Dit uitmuntende resultaat wordt door de gemeenschappen
voor alle
deugdzame doeleinden tot stand gebracht. Iemand hoeft zich daar dus
alleen maar
bij aan te sluiten, waarbij hij als het ware zijn hoeveelheid deugd in
de
gemeenschappelijke voorraad gooit. En de president en de directeuren
zullen er
zorg voor dragen dat de gezamenlijke hoeveelheid goed wordt besteed. Al
deze en
nog andere wonderbaarlijke verbeteringen in de ethiek, godsdienst, en
litteratuur, werden mij door de openhartige mijnheer Zand-erover
duidelijk
gemaakt en vervulden mij met een grote bewondering voor de Kermis der
IJdelheden.
In een tijd van pamfletten, zou het
een
boekdeel vullen, als ik al mijn
ervaringen in deze hoofdstad van menselijke bedrijvigheid en vermaak
zou willen
optekenen. Er was een onbegrensde verscheidenheid aan mensen –
machtigen,
geleerden, grappenmakers, en filantropen, die allemaal hun eigen kraam
op de
Kermis hadden, en geen prijs te buitensporig vonden voor de artikelen,
die uit
hun verbeelding ontsproten. Het loonde de moeite, zelfs als iemand niet
van
plan was iets te kopen of te verkopen, om tussen de marktkramen door te
slenteren, en de zich voortbewegende mensenstroom gade te slaan.
Sommige kopers, sloten volgens mij
een
zeer slechte koop. En jongeman,
bijvoorbeeld, die een aanzienlijk fortuin had geërfd, besteedde
een belangrijk
deel daarvan aan de aanschaf van ziekten, en gaf uiteindelijk de rest
uit aan
een grote hoeveelheid berouw en voddige kleren. Een heel leuk meisje
ruilde
haar hart, dat zo zuiver was als kristal, en dat haar meest waardevolle
bezitting leek, voor een ander soort juweel, maar zo afgesleten en
beschadigd,
dat het volmaakt waardeloos was. In een van de winkels bevonden zich
een grote
hoeveelheid kronen van laurier en mirte, waar soldaten, schrijvers,
staatslieden en diverse andere mensen zich verdrongen om ze te kopen.
Sommigen
betaalden deze waardeloze kransen met hun leven, anderen met een
moeizame slavernij
van jaren. En velen offerden wat voor hen het meest kostbaar was, op,
en
maakten zich uiteindelijk zonder kroon stilletjes uit de voeten. Er was
een
bepaald soort handelswaar, dat Geweten werd genoemd, waar veel vraag
naar leek
te zijn, en waarvoor je bijna alles kon kopen. Er waren inderdaad maar
weinig
artikelen te verkrijgen, zonder een fiks bedrag van deze bijzondere
voorraad te
betalen, en iemands handel was zelden voordelig, tenzij hij precies
wist wanneer
en hoe hij zijn geheime voorraad Geweten in de markt moest gooien. Maar
aangezien
dit artikel het enige van blijvende waarde was, wist iedereen, die er
afscheid
van nam, zeker dat hij op de lange duur een verliezer zou zijn.
Verscheidene transacties
waren van twijfelachtig allooi. Af en toe vulde een Congreslid zijn
zakken aan
door zijn kiezers te verkopen, en mij werd verzekerd, dat openbare
ambtenaren
hun land vaak voor een zeer redelijke prijs hun land hebben verkocht.
Duizenden
verkochten hun geluk voor een gril. Er was een grote vraag naar
vergulde
kettingen en er werd bijna alles voor opgeofferd. In werkelijkheid vond
iedereen, die zoals het oude gezegde luidt, alles van waarde voor een
appel en
een ei wilde verkopen, overal op de Kermis klanten. Er waren talloze
borden kokendhete
linzensoep, voor degenen die ze voor hun eerstgeboorterecht wilden
kopen.
Enkele artikelen kon men echter op de Kermis der IJdelheden echt niet
kopen. Als
een klant zijn voorraad jeugd wilde aanvullen, boden de kooplieden hem
een stel
valse tanden en een kastanjebruine pruik aan. Als hij naar gemoedsrust
vroeg, bevalen
zijn hem opium of een fles brandewijn aan.
Vaak werden grote percelen land en
gouden
woningen, gelegen in de Hemelse
Stad, tegen zeer ongunstige voorwaarden ingewisseld voor de huur van
kleine,
sombere en ongeriefelijke appartementen op de Kermis der IJdelheden.
Vorst
Beëlzebub zelf had grote belangstelling voor dit soort handel, en
verwaardigde
zich soms in kleinere zaken te mengen. Ik had een keer het genoegen hem
met een
gierigaard te zien onderhandelen over zijn ziel, die zijne Hoogheid, na
veel
vernuftig schermutselen van beide zijden, gelukte te verkrijgen voor
ongeveer
zes stuivers. De vorst merkte glimlachend op, dat hij aan deze
transactie
verloor.
Terwijl ik door de straten van
IJdelheid
wandelde, gingen mijn manieren en
gedrag van dag tot dag steeds meer op die van de inwoners lijken. Het
leek
alsof ik mij thuis begon te voelen. De gedachte om mijn reis naar de
Hemelse
Stad te vervolgen was bijna uit mijn hoofd verdwenen. Ik werd er echter
weer
aan herinnerd, door de aanblik van dezelfde twee eenvoudige pelgrims,
waar wij
zo hartelijk om hadden gelachen, toen Apollyon rook en stoom in hun
gezichten
blies, aan het begin van onze reis. Daar stonden ze dan, midden in de
grootste
drukte van IJdelheid – de handelaren boden hen purper, fijn linnen en
juwelen
aan. De grappenmakers en komieken staken de draak met hen. Een stel
wulpse
dames lonkten hen dubbelzinnig toe, terwijl de welwillende mijnheer
Zand-erover
wat van zijn wijsheden in hun buurt fluisterde, en op een pasgebouwde
tempel
wees – maar daar stonden die brave halzen, waardoor het tafereel er
woest en
monsterlijk uitzag, alleen maar door hun hardnekkige weigering om aan
de
bedrijvigheid en het vermaak deel te nemen.
Een van hen – hij heette
Blijf-eerlijk –
merkte, volgens mij, op mijn
gezicht een soort mededogen en bijna bewondering, waar ik tot mijn
eigen grote
verbazing, niets aan kon doen, dat ik dat voor dit eigenwijze stel
voelde. Het
bracht hem ertoe mij aan te spreken.
"Mijnheer," vroeg hij, met een
trieste,
maar toch zachtaardige en vriendelijke
stem, “noemt u zichzelf een pelgrim?”
"Ja," antwoordde ik, “mijn recht op
die
titel staat buiten kijf.
Ik ben slechts een gast hier op de Kermis der IJdelheid, want ik door
de nieuwe
spoorweg vast aan de Hemelse Stad.”
"Helaas, vriend,” antwoordde de
heer
Blijf-eerlijk, “ik verzeker u, en verzoek
u dringend op de waarheid van mijn woorden te vertrouwen, dat die hele
zaak een
zeepbel is. U kunt er uw hele leven mee rijden, als zou u duizend jaar
leven,
en toch nooit voorbij de grenzen van de Kermis der IJdelheid komen!
Sterker
nog. Zelfs als u denkt dat u de poorten van de Gezegende Stad
binnengaat, zal
dat niet meer dan een tragische misvatting zijn.”
"De Heer van de Hemelse Stad, “
begon de
andere pelgrim, die de heer
Te-voet-naar-de-hemel heette, “heeft geweigerd, en zal altijd weigeren
om voor
deze spoorweg de acte van een naamloze vennootschap te verlenen, en
tenzij dat
bereikt kan worden, kan geen enkele reiziger de hoop koesteren, dat hij
zijn
gebied ooit kan binnengaan. Daarom moet iedereen, die een kaartje
koopt, er
rekening mee houden dat hij zijn aankoopbedrag, de waarde van zijn
eigen ziel,
verliest.”
"Poe, onzin!" zie de heer
Zand-erover,
pakte mij bij de arm en nam
mij mee, “tegen deze lieden zou een aanklacht wegens laster moeten
worden
ingediend. Als de wet nog steeds als voorheen in de Kermis der
IJdelheid zou
gelden, zouden wij hen door de ijzeren tralies van het
gevangenisvenster zien
grijnzen.”
Dit voorval maakte een diepe indruk
op
mij en droeg, samen met andere omstandigheden
ertoe bij, dat ik een afkeer kreeg tegen een blijvend verblijf in de
stad der
IJdelheid, hoewel ik natuurlijk niet zo onnozel was, om mijn
oorspronkelijke
plan om mij gemakkelijk en geriefelijke over de spoorweg voort te laten
glijden, op te geven. Ik verlangde er steeds meer naar om hier weg te
wezen. Er
was iets vreemds dat mij verontrustte. Het was niet meer dan normaal,
dat
iemand, midden onder de bezigheden en het vermaak van de kermis, - of
het nou
op een feest, in het theater, de kerk, of tijdens het zaken doen om
rijkdom of
eer te verwerven, of waar hij ook mee bezig was, en hoe ongelegen de
onderbreking ook mocht zijn – plotseling als een zeepbel verdween, en
door zijn
kameraden nooit meer werd teruggezien. En die laatsten waren aan
dergelijke
onbetekende voorvallen zo gewend, dat zij met hun bezigheden door
gingen, alsof
er niets was gebeurd. Maar zo ging het niet met mij.
Na een vrij lang verblijf op de
Kermis,
hervatte ik mijn reis naar de
Hemelse Stad, nog steeds in gezelschap van de heer Zand-erover. Een
klein stuk
na de voorsteden van IJdelheid, passeerden wij een oude zilvermijn, die
voor het
eerst door Demas [6] was ontdekt, en die nu tot een winstgevende zaak
is
gemaakt, omdat hij vrijwel alle gemunte geld voor de hele wereld
levert. Even
verderop was de plek waar de vrouw van Lot [7] eeuwenlang, in de
gedaante van
een zoutpilaar, had gestaan. Nieuwsgierige reizigers hebben het lang
geleden stukje
bij beetje meegenomen. Als alle spijt net zo ongenadig was afgestraft
als die
van die arme dame, zou mijn hunkering naar de opgegeven genoegens van
de Kermis
der IJdelheid, misschien in mijn eigen lichamelijke substantie een
gelijke
verandering hebben teweeggebracht, en mij hebben achtergelaten als
waarschuwing
voor de toekomstige pelgrims.
Het volgende opmerkelijke voorwerp
was
een groot gebouw, opgetrokken van met
mos begroeide stenen, maar met een hedendaagse en levendige stijl. Met
de
gebruikelijke ontzagwekkende gil, kwam de locomotief in de nabijheid
van het
gebouw tot stilstand.
"Dit
was vroeger het
kasteel van de geduchte reus
Wanhoop,” merkte mijnheer Zand-erover op, “maar na zijn dood, heeft
mijnheer
Flinterdun-geloof, het opgeknapt, en drijft daar nu een uitstekend huis
van
vermaak. Het is een van onze pleisterplaatsen.”
"Het lijkt nogal onzorgvuldig in
elkaar
geflanst te zijn,” merkte ik
op, terwijl ik naar de fragiele, maar massieve muren keek. “Ik benijd
die woning
van mijnheer Flinterdun-geloof niet. Het zal op een dag wel op de
hoofden van
de bewoners neerstorten.”
"Wij zullen in elk geval
ontsnappen,” zei
Mijnheer Zand-erover, “want
Apollyon brengt de locomotief weer op stoom.”
De weg liep nu steil af naar de
kloof van
de Zalige Bergen, en kruiste het
veld, waar in vroegere tijden de blinden tussen de graven door liepen
en struikelden.
Een van die oude grafstenen was door een kwaadaardig persoon dwars over
het
spoor gegooid en veroorzaakte bij de stoet wagens een vreselijke schok.
Ver
naar boven, op de ruige flank van een berg, ontwaarde ik een roestige,
ijzeren
deur, gedeeltelijke overwoekerd door struikgewas en klimplanten, maar
uit de rotsspleten
kwam rook tevoorschijn.
"Is dat nou,” vroeg ik, “de deur op
de
bergflank, waarvan de herders
Christen verzekerden dat het zijweg naar de Hel was?”
"Dat was een grap van de herders,”
zei
mijnheer Zand-erover, met een
glimlach. “Het is niets meer of minder dan de deur van een grot, die
zij
gebruiken als rokerij voor de bereiding van gerookte schapenhammen.”
Mijn herinneringen aan de reis zijn
vanaf
dat moment, gedurende een korte
periode, duister en verward, omdat mij toen een merkwaardige
slaperigheid
overviel, tengevolge van het feit dat wij over betoverde grond reden,
waarvan
de uitwaseming een slaapneiging teweegbracht. Ik ontwaakte echter,
zodra wij de
grenzen van het aangename land Beulah [8] passeerden. Alle passagiers
wreven
hun ogen uit, vergeleken hun horloges, en wensten elkaar geluk met het
vooruitzicht op het zo tijdig bereiken van het einde van de reis.
Verfrissend
kwamen de zoete winden van dit gezegende klimaat bij onze neuzen aan.
Wij
ontwaarden de glinsterende uitbarsting van zilveren fonteinen, waar
bomen met
prachtig loof en verrukkelijke vruchten overheen hingen, die waren
opgekweekt
uit stekken uit de hemelse tuinen. Toen wij daar naartoe raasden, was
er opeens
een gefladder van vleugels, en de stralende verschijning van een engel
in de
lucht, die zich voortspoedde met een af andere hemelse boodschap. De
locomotief
kondigde nu aan, dat wij in de nabijheid van het eindstation waren, met
een
laatste en verschrikkelijke gil, waarin
men
alle soorten
geweeklaag en smart leek te kunnen horen,
en een bittere en felle gramschap, en dat alles vermengd met het woeste
geschater van een duivel of krankzinnige. Tijdens onze hele reis en op
elke
pleisterplaats, had Apollyon van zijn vindingrijkheid gebruik gemaakt
door uit
de fluit van de stoommachine de meest afschuwelijke geluiden te persen.
Maar in
deze slotpoging overtrof hij zichzelf, en bracht een hels tumult
teweeg, dat,
behalve dat het de vreedzame inwoners van Beulah in beroering bracht,
zijn
afschuwelijk geluid zelfs door de hemelse poorten moet hebben gezonden.
Terwijl de angstaanjagende herrie
nog in
onze oren dreunde, hoorden wij een jubelend
geluid, alsof duizend muziekinstrumenten, met hoge, lage en zoete
klanken,
tegelijkertijd lieflijk en zegevierend, eendrachtig werden aangeslagen,
om de
aankomst te begroeten van een luisterrijke held, die een goede strijd
had
gestreden en schitterende overwinning had behaald, en die nu was
teruggekomen
om zijn gehavende wapens voorgoed neer te leggen. Ik probeerde te
ontdekken wat
de reden van deze vreugdevolle eensgezindheid was, en zag, toen ik uit
de wagon
stapte, dat zich aan de overzijde van de rivier een grote menigte
stralende
wezens had verzameld, om de twee pelgrims te verwelkomen, die juist uit
het
diepe water tevoorschijn kwamen. Het waren dezelfden, die Apollyon en
wijzelf
met spot en schimpscheuten en gloeiende stoom hadden achtervolgd, bij
het begin
van onze reis – dezelfden, die met hun onwereldse voorkomen en
indrukwekkende
woorden mijn geweten wakker hadden gemaakt, temidden van de
luidruchtige
pleziermakers op de Kermis der IJdelheid.
"Wat zijn die mensen
verbazingwekkend
opgeschoten!” riep ik naar
mijnheer Zand-erover. “Ik hoop dat wij op net zo’n goede ontvangst
mogen
rekenen.”
"Nooit bang zijn – nooit bang
zijn!”
antwoordde mijn vriend. “Kom –
schiet op, de veerboot zal zo meteen van wal steken, en binnen drie
minuten
zult u aan de overzijde van de rivier zijn. Daar zult u ongetwijfeld
rijtuigen
vinden die u naar de poorten van de stad zullen brengen.”
Een stoomveerpont, de laatste
ontwikkeling op deze belangrijke route, lag
stomend, snuivend en al die andere onaangename geluiden makend, die
aangeven
dat het vertrek op handen was, aan de rivieroever. Met de overige
passagiers,
waarvan de meesten in grote verwarring verkeerden, spoedde ik mij aan
boord. Sommigen
schreeuwden om hun bagage, anderen trokken aan hun haren en riepen uit
dat de
boot zou ontploffen of zinken. Sommigen werden door de deining van de
rivier al
bleek om de neus. Anderen staarden weer verschrikt naar afstotelijke
gezicht
van de stuurman, en dan waren er ook nog die nog duizelig waren door de
slaapverwekkende invloed van de Betoverde Grond.
Ik keek weer naar de oever en
verbaasde
mij toen ik mijnheer Zand-erover
zag, die met zijn hand vaarwel wuifde!
"Gaat u niet naar de Hemelse Stad?”
riep
ik.
"O, nee!" antwoordde hij met een
verdachte glimlach, en diezelfde
onaangename verkramping van zijn gezicht, die ik ook bij de bewoners
van het
Donkere Dal had gezien. “O, nee! Ik ben alleen maar zover meegegaan om
u een prettig
gezelschap te bieden. Tot ziens! Wij komen elkaar wel weer tegen.”
En toen barstte mijn
voortreffelijke
vriend, mijnheer Zand-erover, in een
schaterlachen uit, en midden in die bulderlach, siste rookkringels uit
zijn
mond en neusgaten, terwijl een fonkeling van spookachtige vlammen uit
beide
ogen schoot, die onmiskenbaar aantoonden dat zijn hart in vuur en vlam
stond.
De schaamteloze vijand! Het bestaan van Tofeth ontkennen, terwijl hij
zijn
vurige kwellingen in zijn borst voelde! Ik snelde naar de andere kant
van de
boot, van plan om mijzelf op de oever te werpen. Maar raderen van de
boot
begonnen te draaien en wierpen een regen van waterdruppels over mij
heen, zo
koud – zo dodelijk koud, en met de kilte die deze wateren nooit zal
verlaten,
tot het moment dat de Dood in zijn eigen rivier zal verdrinken – dat
ik,
huiverend en met een bonzend hart ontwaakte.
De Hemel zij dank, het was een
Droom!
NOTEN:
[1] Psalmen
118:19-20 Ontsluit mij de poorten der gerechtigheid,
ik zal daardoor binnengaan, ik zal de Here loven. 20 Dit is de poort
des Heren,
de rechtvaardigen gaan daardoor binnen.
Jessaja 26:2 Opent de
poorten,
opdat een rechtvaardig
volk binnenga,
dat zijn trouw bewaart.
Mattheus 7:13-14 Gaat in
door de
enge
poort, want wijd is de poort en breed
de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor
ingaan; 14
want eng is de poort, en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen
zijn er,
die hem vinden.
Lukas 13:24 Hij zeide tot
hen:
Strijdt om
in te gaan door de enge poort,
want velen, zeg Ik u, zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen.
De
prent van “De Smalle en de Brede
Weg”, die decennialang in veel christelijke huiskamers heeft gehangen,
geeft
een duidelijk beeld van de tragische vergissing van het christendom.
Zoals je
kunt zien is de “Enge Poort” aan het begin van de “Smalle Weg”
gesitueerd,
terwijl hij aan het eind daarvan behoort te staan, net voor het moment,
dat de
pelgrim, de zoeker, zijn laatste band met de wereld heeft verbroken.
Het
christendom denkt echter, dat als je maar “in de here Jezus” gelooft,
wat dat
ook moge betekenen, je de “Enge Poort” passeert.
[2]
Openbaringen 9:11 Hun koning
was de engel van de afgrond. In het Hebreeuws heet hij ‘Abaddon’, in
het Grieks
‘Apollyon’: Verderver.
[3] De heilige
Jacobus van Compostella, keerde zich van de denkbeelden en het vermaak
van dit leven af, om te mediteren over het lijden, de vernedering en
dood van Christus. Hij beloofde plechtig dat hij alleen, blootsvoets en
nederig naar het heilige Land zou reizen en pas zou stoppen bij het
graf van de Verlosser in Palestina. Als eerste bedevaartganger of
pelgrim, hield hij zijn gelofte. Op zijn reis naar het Oosten bond hij
op zijn hoofddeksel een kleine zwarte hartschelp, een symbool van de
zee en een zinspeling op water in de woestijn. Tijdens zijn terugreis
van het graf, droeg hij een witte hartschelp op zijn hoofddeksel, een
symbool van zuivering. Sindsdien is de schelp het kenteken van de
pelgrim geweest, het kenteken van de zwerver, de reizigers uit verre
landen, de zoeker naar het onbekende. Als een pelgrim uit Palestina
terugkeerde met een witte schelp op zijn hoofddeksel, maakten de
koningen plaats voor hem, want de heilige man had op heilige grond
gestaan.
[4] Tofeth is een plaats in de buurt van Jeruzalem, waar volgens de
Bijbel, (Jeremia 7: 31: Zij hebben hun gruwelen geplaatst in het huis,
waarover mijn naam is uitgeroepen, om dat te verontreinigen, en zij
hebben de hoogten van Tofeth gebouwd, die zich in het dal Ben-Hinnom
bevinden, om hun zonen en dochters met vuur te verbranden) de
Kaänieten kinderen aan de god Moloch offerden, door hen levend te
verbranden. Men denkt dat het een plek is in het dal van Gehenna.
De naam is mogelijk ontleend aan het Hebreeuwse toph = trommel, omdat
trommels werden gebruikt om het geschreeuw van de kinderen te
overstemmen; of van het Hebreeuwse taph of toph = verbranden.
Tofeth werd een synoniem voor hel, net als het Griekse woord Gehenna,
dat in het Nieuwe Testament consequent als “hel” wordt vertaald.
[5] Transcendentalist = iemand die gelooft dat God boven en buiten de
wereld bestaat
[6] In 2 Timótheus 4:10 schrijft Paulus: Want Demas heeft mij
uit liefde voor de tegenwoordige wereld verlaten.
[7] Voordat de Here Sodom verwoeste kreeg Lot bezoek van twee engelen
die hem maanden met zijn vrouw en twee dochters te vluchten met de
boodschap: Vlucht om uws levens wil; ZIE NIET OM, en sta nergens in de
streek stil, opdat gij niet verdelgd wordt. Toen liet de Here zwavel en
vuur op Sodom en Gomorrha regenen, van de Here uit de hemel; en Hij
keerde de steden om, benevens de hele Streek met alle inwoners der
steden en het gewas van de aardbodem. Maar zijn vrouw, die achter hem
liep, ZAG OM, en werd een zoutpilaar. (Genesis 19)
[8] Jesaja 62:4 Men zal u niet meer noemen: Verlatene, en men zal uw
land niet meer noemen: Woestenij; maar gij zult genoemd worden: Mijn
Welgevallen, en uw land: Beulah. Want de Here heeft een welgevallen aan
u, en uw land wordt ten huwelijk genomen.