DE FILOSOFIE VAN
DOSTOJEWSKI
DOOR
LEV SHESTOV
(Leo Sjestow)
Pseudoniem van Yehuda
Leyb
Schwarzmann, (1866 – 1938)
Geschreven in 1921
ter gelegenheid van de honderdste
geboortedag van
Fjodor Dostojewski
Uit:
In Job’s Balances (Op de weegschaal van Job)
In
1932 uit het Duits naar het Engels vertaald door Camilla Coventry en
C.A.
Macartney
http://shestov.by.ru
DE
VEROVERING VAN HET VANZELFSPREKENDE
De
filosofie van Dostojewski
DEEL
I
OPENBARINGEN VAN DE DOOD
Αγων
μεγιστος και
εσχατος ταις
πσυχαις
προκειται
De
ziel staat een ultiem en beslissend gevecht te wachten
PLOTINUS, Enneaden I, vi, 7.
τις δ’ οιδειν,
ει το ζην μεν
εστι
κατθανειν, το
κατθανειν δε
ζην.
Wie
weet of het leven niet de dood is, en de dood het leven?
EURIPIDES.
1
‘Wie
weet,’ zegt Euripides, ‘of het leven niet de dood is, en de dood het
leven?
Plato, de meest wijze van alle mensen en juist degene, die de theorie
van de
ideeënleer in het leven heeft geroepen en als eerste in de
helderheid en
duidelijkheid van onze oordelen een indicatie van hun waarheidsgehalte
zag,
legt in een van zijn dialogen deze woorden in de mond van Socrates.
Volgens
Plato zegt Socrates, als de dood ter sprake komt, altijd hetzelfde of
bijna
hetzelfde als Euripides - niemand weet, of het leven niet de dood is,
en de
dood het leven. De meest wijzen van alle mensen hebben al sinds de
vroegste
tijden in die toestand van bedrieglijke onwetendheid geleefd; alleen
gewone
mensen weten heel duidelijk, wat het leven is, en wat de dood...
Hoe
is het gekomen, hoe heeft het kunnen gebeuren, dat de allerwijste
mensen twijfelen,
waar de gewone man hoe dan ook geen enkel probleem ziet, en waarom zijn
de
meest verschrikkelijke en gruwelijke problemen voorbehouden aan de
meest intelligente
mensen? Want wat kan er vreselijker zijn, dan niet te weten of je
levend bent
of dood? De ‘rechtvaardigheid’ zou moeten eisen, dat een dergelijk
weten of
niet-weten het voorrecht van alle mensen zou moeten zijn. Wat zeg ik?
Rechtvaardigheid? De logica zelf eist dat, want het zou absurd zijn,
dat het
aan sommige mensen wel zou zijn gegeven, om leven van dood te
onderscheiden,
terwijl de anderen daar van verstoken zouden zijn; want de mensen die
die gave
zouden bezitten, zouden dan volstrekt anders zijn, dan de mensen aan
wie die
gave zou zijn geweigerd, en dan zouden wij nauwelijks het recht hebben
om beide
groepen onder de categorie van menselijke wezens te scharen. Alleen
iemand die
zeker weet wat leven en dood is, is mens. Iemand die dat niet weet, die
ook
maar af en toe, al is het maar voor een enkel ogenblik, de scheidslijn
die het
leven van de dood scheidt, uit het oog verliest, houdt op mens te zijn
en
wordt….wat? Waar is de Oedipus, die dat raadsel kan oplossen en kan
doordringen
in de diepten van dat ultieme geheim?
Maar
het is juist om daaraan toe te voegen, dat alle mensen van nature in
staat zijn
om leven van dood onderscheiden en dat onderscheid gemakkelijk en
zonder vergissing
kunnen maken. Het niet-weten komt bij mensen, die zijn voorbeschikt,
pas later
voor; en als ik mij niet vergis, komt dat altijd plotseling en weten
zij niet
hoe of waarom het gebeurt. En bovendien is dat niet-weten altijd met
tussenpozen aanwezig, verdwijnt weer en maakt dan, net zo plotseling
als het is
opgedoken, plaats voor een normaal bewustzijn. Zowel Euripides als
Socrates en
alle mensen, die zijn voorbestemd om de heilige last van dat ultieme
niet-weten
te dragen, wisten gewoonlijk, net als alle andere mensen, wat het leven
was en
wat de dood. Maar soms hadden zij het gevoel, dat hun gewone weten, dat
weten,
dat hen met de andere wezens, die zo anders waren dan zijzelf, verbond
en
waarmee zij met de hele wereld contact onderhielden, hen in de steek
had
gelaten. Wat iedereen weet en erkent, wat ook zijzelf nog een moment
tevoren wisten
en wat met algemene instemming wordt bevestigd en gerechtvaardigd, kan
dan
opeens niet meer “hun” kennis worden genoemd. Zij hebben dan, alleen,
hun eigen
onbewezen en niet te bewijzen weten. Mogen we dan echt hopen dat de
vraag van
Euripides ooit algemene erkenning krijgt? Is het niet voor ons allemaal
duidelijk,
dat het leven het leven is, en de dood de dood, en dat die twee met
elkaar
verwarren, alleen krankzinnig kan zijn, of een heilloze wens om alle
vanzelfsprekendheden omver te werpen en verwarring te scheppen in
menselijke
geest?
Waarom
durfde Euripides deze uitdagende woorden uit te spreken en waarom
durfde Plato
ze te herhalen? En waarom heeft de geschiedenis die woorden voor ons
bewaard –
de geschiedenis, die genadeloos al het nutteloze en onbelangrijke
vernietigt?
Je zou wellicht kunnen zeggen, dat het gewoon toeval is; het kan ook
gebeuren
dat een visgraat of een gewone schelp duizenden jaren intact blijft.
Maar hoewel
deze woorden wel bewaard zijn gebleven, spelen zij geen enkele rol in
de
geschiedenis van de geestelijke ontwikkeling van de mensheid. De
geschiedenis heeft
hen in fossielen veranderd; zij getuigen van het verleden, maar zijn
dood voor
de toekomst; hun lot is onherroepelijk bezegeld. Dat is een
vanzelfsprekende
conclusie. Zouden we nou echt, ter wille van een paar uitspraken van
filosofen
en dichters, de algemene wetten van het menselijke denken en de
grondprincipes
van ons eigen denken, moeten vernietigen?
Misschien
zal men nog een ander “bezwaar” opperen. Misschien zal men eraan
herinneren,
dat er in een heel oud en wijs boek wordt gezegd: “Wie wil weten,
wat er is
geweest en wat er zal zijn, wat er onder de aarde en boven de hemel is:
het zou
het beter zijn dat hij nooit op aarde was geboren”. Maar dan zou ik
antwoorden, dat volgens datzelfde boek de Engel des Doods, die op de
mens
neerdaalt, om zijn ziel van zijn lichaam te scheiden, volledig met ogen
is
overdekt. Waarom is dat? Waarom heeft die engel, als hij alles in de
hemel kan
zien en er op aarde niets waardevols is valt te ontdekken, zoveel ogen
voor nodig?
Volgens mij heeft hij die ogen niet voor zichzelf. Soms gebeurt het,
dat de
Engel des Doods, als hij een ziel komt halen, ziet dat hij te vroeg is
gekomen
en dat voor die mens zijn tijd nog niet is verstreken; dan ontneemt hij
hem
zijn ziel niet, vertoont zich zelfs niet aan haar, maar laat bij die
mens nog
twee ogen achter van de ontelbare ogen, waarmee zijn lijf is bedekt. En
dan ziet
die mens vreemde en nieuwe dingen, meer dan de anderen zien, en meer
dan hij
zelf met zijn natuurlijke ogen ziet; en hij ziet ook - niet zoals
mensen, maar
zoals bewoners van andere werelden zien - dat de dingen niet
“noodzakelijkerwijs”, maar “vrij” bestaan, dat ze tegelijkertijd
bestaan en
niet bestaan, dat ze verschijnen als ze verdwijnen en verdwijnen als ze
verschijnen. De waarneming van de oude, natuurlijke ogen, weerspreekt
meteen de
waarneming van de ogen, die de engel heeft achtergelaten. Maar
aangezien al
onze andere zintuigen en zelfs ons verstand, overeenstemmen met ons
gewone
zien, en aangezien de gehele menselijke ‘ervaring’, individueel en
collectief,
dat ook ondersteunt, lijkt het nieuwe zien onwettig, belachelijk,
fantastisch
en het product van een gestoorde verbeelding. Het lijkt maar
één stap verwijderd
van de waanzin; geen dichterlijke waanzin, de waanzin waar zelfs de
leerboeken
van filosofie en esthetica het over hebben, en die zo vaak, waar en
wanneer
nodig, onder de naam van Eros, Manie of Extase, is beschreven en
verklaard,
maar de waanzin, waarvoor mensen in een krankzinnigengesticht zijn
opgesloten.
En dan begint een gevecht tussen twee manieren van zien, een gevecht
waarvan de
afloop even geheimzinnig en onzeker is als het begin.
Dostojewski was zonder twijfel een van die mensen, die dit dubbele zien
bezat. Maar
wanneer had de Engel des Doods hem bezocht? Het meest voor de hand
liggend is
om aan te nemen, dat dat gebeurde aan de voet van het schavot, toen hem
en zijn
makkers het doodvonnis werd voorgelezen. Maar het is waarschijnlijk dat
“gewone”
verklaringen hier niet op zijn plaats zijn. Wij zijn verzeild in het
gebied van
het onnatuurlijke, het eeuwige en wezenlijke fantastische, en als wij
hier iets
willen begrijpen, moeten wij afzien van die methoden en werkwijzen, die
ons tot
dusver zekerheid en een waarborg voor onze waarheden en onze kennis
hebben
geboden. Het is mogelijk dat er nog een groter offer van ons wordt
geëist. Wij
zullen misschien moeten toegeven, dat zekerheid geen predikaat van de
waarheid
is of, liever gezegd, dat zekerheid helemaal niets met de waarheid
heeft te
maken.
Wij
zullen daar later op terugkomen; maar de woorden van Euripides kunnen
ons ervan
overtuigen, dat zekerheid en waarheid onafhankelijk van elkaar bestaan.
Stel je
voor dat Euripides gelijk heeft, en inderdaad niemand zeker kan weten,
of de
dood niet het leven is, en het leven niet de dood; kan die waarheid dan
ooit een
zekerheid worden? Als alle mensen, bij het slapen gaan en het ontwaken,
de
woorden van Euripides zouden herhalen, dan zouden die toch even
raadselachtig
en problematisch blijven als op het moment dat de dichter ze voor het
eerst, in
de diepte van zijn ziel, hoorde. Euripides heeft ze zich eigen gemaakt,
omdat
ze hem op de een of andere wijze fascineerden. Hij heeft ze
uitgesproken,
hoewel hij wist, dat niemand ze zou geloven, ook al zou iedereen ze
horen. Maar
hij kon ze niet veranderen in een zekerheid; hij probeerde het ook
niet, en
volgens mij heeft hij het zelfs niet gewild. Misschien ligt de hele
bekoring,
de hele aantrekkingskracht van deze waarheden juist in het feit, dat
zij ons bevrijden
van zekerheid; dat zij ons de hoop geven dat, wat vanzelfsprekendheden
heten,
overwonnen kunnen worden.
Dus
Dostojewski werd niet op het ogenblik, dat hij wachtte op de uitvoering
van
zijn vonnis, door de Engel des Doods bezocht. Het was ook niet, toen
hij zijn
tijd doorbracht in het Siberische strafkamp, temidden van mensen die
zich met
het lot van andere hadden bemoeid en daarmee hun eigen lot hadden
bezegeld;
zijn ‘Aantekeningen uit een Dodenhuis, een van zijn beste werken, laat
dat
zien.
De
schrijver van de ‘Aantekeningen uit een Dodenhuis’ heeft nog alle hoop.
Hij
lijdt, hij lijdt vreselijk. Hij herhaalt meer dan eens — en daar zit
geen
overdrijving bij — dat de hel maar weinig erger was dan deze barakken,
waarin
een paar honderd sterke, gezonde mannen, grotendeels meer dan gemiddeld
begaafd, nog jong maar al verdorven en vol vijandschap en haat, waren
opgesloten. Maar hij blijft zich realiseren dat er, buiten de muren van
die
gevangenis, een ander leven bestaat. De streep blauwe lucht, die hij
boven de
hoge muren ziet, is voor hem een belofte van de vrijheid. Er zal een
dag komen,
dat dit allemaal voorbij zal zijn, de gevangenis, de getekende
gezichten, het afschuwelijke
gevloek, de bewakers, het vuil en de eeuwige rinkelende ketens — alles
zal
voorbij gaan, en er zal een nieuw, verheven bestaan beginnen. ‘Ik
ben hier
niet voorgoed’, herhaalt hij voortdurend bij zichzelf, ‘spoedig zal ik
daar
zijn - daar, waar vrijheid heerst, waar alles is, waar mijn dromen over
gaan,
alles waar mijn gekwelde ziel naar verlangt. Hier heerst alleen de
diepe slaap,
een nachtmerrie. Maar daar is een groots, gelukkig wakker zijn. Open de
gevangenisdeuren, stuur de bewakers weg, maak de ketenen los, dat zal
genoeg
zijn. De rest zal ik zelf wel vinden in dat vrije, prachtige universum,
dat ik
vroeger wel heb gezien, maar niet naar waarde wist te schatten.’
Wat heeft Dostojewski
veel oprechte, bezielde bladzijden over dat onderwerp geschreven!
‘Wat
klopte mijn hart toen vol verwachting! Ik dacht, ik besloot, ik
beloofde mezelf
plechtig, dat er in mijn leven nooit meer ongeluk zou zijn, en ik niet
meer in
dezelfde fouten zou vervallen, die er vroeger waren geweest. Ik stelde
een
programma op voor de mijn toekomst en nam mij voor dat precies te
volgen. Ik
had er een blind vertrouwen in, dat ik dat allemaal kon volbrengen en
dat het
mij zou lukken. Ik wachtte gretig af, ik hunkerde naar mijn vrijheid.
Ik wilde
opnieuw mijn krachten beproeven, in een nieuwe strijd. Soms werd ik
gegrepen
door een koortsachtig ongeduld...’ Met
een vurig verlangen wachtte hij op de dag, die hem de vrijheid zou
brengen, die
de dageraad van zijn nieuwe leven zou zijn. Hij was ervan overtuigd,
dat hij alleen
maar uit de gevangenis hoefde te komen, en dat hij dan iedereen, zowel
de
anderen als zichzelf, zou kunnen laten zien, dat ons leven op aarde een
grote
gave van de hemel is. Als iemand zijn vroegere fouten en valkuilen maar
kan
vermijden, dan zou hij al hier, op aarde, alles kunnen vinden, wat een
mens kan
verlangen en dan kan hij het leven verlaten, zoals de aartsvaderen dat
deden, ‘der
dagen zat’. De ‘Aantekeningen uit een Dodenhuis’ neemt in het werk van
Dostojewski
een bijzondere plaats in; het lijkt op geen enkele manier op wat hij
ervóór en
erna heeft geschreven. Het is zó af, zit zó goed in
elkaar, zit zó vol rust en
majesteitelijke sereniteit, en tegelijkertijd zó vol innerlijke
spanning, en koestert
een zó sterke en oprechte belangstelling in alles wat er voor de
ogen van de
schrijver plaats vindt. Wij zouden ons sterk vergissen, als dit boek
niet een
waarheidsgetrouw verslag is van het leven dat Dostojewski gedurende de
vier
jaar van zijn gevangenschap heeft doorgebracht. Er lijkt niets in te
staan, dat
verzonnen is; zelfs de namen van de gevangenen heeft hij niet
veranderd. Dostojewski
was er van overtuigd, dat wat hij toen zag, hoe vreselijk en
weerzinwekkend het
ook was, de werkelijkheid was, de enig mogelijke werkelijkheid. Onder
de gevangenen
bevonden zich dappere mannen en lafaards, eerlijke mannen en
leugenaars, wrede
mannen en nietsnutten; er waren mooie en lelijke mannen. Er waren
bewakers en
wachtposten, commandanten, bedienden, artsen en ziekenbroeders.
Allerlei
soorten mensen, maar allemaal ‘echte’, ‘reële’, ‘uitgesproken’
mensen; en hun
leven was een even ‘reëel‘ en ‘uitgesproken’ leven. Het was
inderdaad een
ellendig, meelijwekkend, oninteressant en beklagenswaardig leven. Maar
het was
niet het ‘volle leven’, net zoals die smalle streep blauw, die boven de
gevangenismuren zichtbaar was, niet de “de hele” lucht was. Het echte,
rijke en
betekenisvolle leven was daar, waar de mens boven zijn hoofd niet
alleen een
stukje blauw, maar de hele grote koepel kon zien; waar geen muren meer
waren,
maar een eindeloze ruimte en een grenzeloze vrijheid, in Rusland, in
Moskou, in
Petersburg, temidden van verstandige, goede en actieve mensen, die zelf
vrij
waren.
2
Dostojewski
zat zijn gevangenisstraf uit en de militaire dienst, die daarop volgde.
Hij
vertrok naar Twer en vervolgens naar Petersburg. Alles wat hij had
verwacht voltrok
zich. Hij had de uitgestrekte koepel van de hemel boven zijn hoofd. Hij
werd
een vrij mens, zoals alle mensen die hij had benijd toen hij geketend
was. Hij
hoefde nu alleen nog maar de geloften te vervullen, die hij zichzelf
had
opgelegd, toen hij in de gevangenis verbleef. Vermoedelijk was
Dostojewski zijn
geloften en zijn ‘programma’ niet meteen vergeten; hij moet meer dan
één
wanhopige poging hebben gedaan om zijn leven zó in te richten,
dat de vroegere fouten
en dwaasheden zich niet zouden herhalen. Maar het lijkt erop, dat hij
hoe meer
hij zijn best deed, er des te minder van terecht kwam.
Al
snel begon hij op te merken, dat het leven in de vrijheid steeds meer
ging
lijken op het leven in het strafkamp, en dat de ‘uitgestrekte
hemelkoepel’, die
grenzeloos had geleken, toen hij in de gevangenis zat, net zo op hem
begon te drukken
en hem begon te beklemmen, als de zoldering van de barakken plachte te
doen;
dat de idealen, die zijn wegkwijnende ziel hadden gesteund, toen hij
temidden
van het uitschot van de mensheid doorbracht en zijn lot deelde, niet
een beter
mens van hem hadden gemaakt, hem niet bevrijdden, maar hem integendeel
terneerdrukten en net zo verschrikkelijk vernederden, als de ketenen
van zijn
gevangenis. De hemel bedrukte, de idealen ketenden hem, en het hele
menselijke bestaan
werd, net als het leven van de bewoners van het Dodenhuis, tot een
diepe,
kwellende slaap, gevuld met afschuwelijke dromen.
Waarom gebeurde dat zo? De dag te voren nog had hij de ‘Aantekeningen
uit een
Dodenhuis’ geschreven, waarin het leven van de dwangarbeiders, die
onvrijwillige martelaren, als een nachtmerrie werd beschreven, waaruit
toch een
bevrijding was beloofd, na verloop van een bepaalde, vastgestelde
termijn,
waarvan het naderen met een redelijke zekerheid kon worden afgeteld op
de palissade,
die het terrein van de gevangenis omheinde. Alleen daar, in de
onvrijheid, is
het leven een nachtmerrie. Het leven in de vrijheid is prachtig. Je
hoefde alleen
maar de ketenen af te doen en de deuren van de gevangenis te openen, en
je zou
vrij zijn en het leven weer in al zijn volheid beginnen te leven. Zo
dacht Dostojewski,
zoals wij hebben gezien; zijn ogen en ook zijn overige zintuigen en
zijn
‘goddelijk’ verstand, lieten hem zien dat het zo was. Toen verscheen er
opeens
een andere getuige, tegenover al die andere. Dostojewski wist
natuurlijk niets
van de gaven van Engel des Doods. Hij had wel over die Engel gehoord,
maar het was
niet bij hem opkomen, dat die geheimzinnige en onzichtbare gast zijn
gave met
een sterveling zou willen delen. Toch was hij niet in staat om de gave
te
weigeren, net zomin als wij de gaven van de Engel des Levens kunnen
weigeren. Wij
weten niet waarvandaan en van wie wij alles, wat wij hebben, hebben
gekregen. Het
is ons allemaal toebedeeld, nog vóór wij vragen konden
stellen of antwoord
konden geven. Het tweede gezicht werd Dostojewski ongevraagd
geschonken, net zo
onverwacht en willekeurig, als het eerste. Er is slechts
één verschil, waarop
ik al heb gewezen, maar wat ik, gezien het belang daarvan, nogmaals wil
benadrukken: terwijl het eerste gezicht, bij de mens tegelijkertijd met
zijn
andere vermogens verschijnt, en zich daarom daarmee in volledige
harmonie bevindt,
ontwaakt het tweede gezicht veel later en de gever van die gave
bekommert zich
er helemaal niet om, om die overeenstemming en harmonie te bewaren. De
dood is
de grootste wanklank en de meest brute breuk (en ook nog een
opzettelijke) van
elk akkoord. Als wij er echt van overtuigd zouden zijn, dat de ‘wet van
de
tegenstrijdigheid’ het meest fundamentele principe is, zoals
Aristoteles leert,
dan zouden wij genoodzaakt zijn te zeggen: in de wereld bestaat
óf het leven, óf
de dood; beiden kunnen niet naast elkaar bestaan.
Maar
de ‘wet van de tegenstrijdigheid’ is helemaal niet zo onwankelbaar en
alomvattend, als men ons heeft verteld, of anders durft de mens die
niet altijd
toe te passen en maakt er slechts gebruik van binnen die grenzen van de
wereld,
waarbinnen hij zelf de rol van schepper kan spelen. Waar de mens
meester is,
waar hij heerst, daar komt die wet hem goed van pas. Twee is meer dan
één, en
niet minder dan of gelijk aan één. Maar noch het leven,
noch de dood, is door
de mens geschapen. En die twee bestaan, hoewel ze elkaar wederkerig
uitsluiten,
toch naast elkaar in de wereld, om het menselijk denken tot wanhoop te
brengen
en het te noodzaken te erkennen, dat het niet weet, waar het leven
begint en
waar de dood; noch of niet datgene, wat het leven lijkt, de dood is, en
dat,
wat de dood lijkt, het leven is.
Dostojewski ‘zag’ plotseling, dat hemel en gevangenismuren, idealen en
ketenen helemaal
niet tegengesteld aan elkaar zijn, zoals hij vroeger had gewild en
gedacht,
toen hij nog als de normale mensen wilde en dacht. Zij zijn niet
tegengesteld,
maar identiek. Er is geen hemel, er is nergens een hemel, er is alleen
een lage
en begrensde horizon. Er zijn geen idealen, die de ziel verheffen, er
zijn
alleen maar ketenen, die hoewel onzichtbaar, nog vaster binden dan
ijzer. En
geen heldendaad, geen ‘goede werken’, zijn in staat om de deuren van de
‘eeuwige gevangenschap’ van de mens te openen. De geloften van
Dostojewski om ‘zich
te verbeteren’, die hij in de barak had gedaan, leken voor hem nu
heiligschennis. Wat met hem gebeurde leek veel op wat er ook met Luther
was
gebeurd, die met zo’n oprechte ontzetting en afkeer dacht aan de
geloften, die
hij bij zijn intrede in het klooster had afgelegd: Ecce, Deus, tibi
voveo
impietatem et blasphemiam per totam meam vitam. (Zie, Heer, U wijd ik
goddeloosheid
en Godslastering heel mijn leven lang).
Dit
nieuwe ‘zien’ is het onderwerp van de ‘Aantekeningen uit het
Ondergrondse’, een
van de meest opmerkelijke werken, niet alleen van de Russische, maar
van de hele
wereldlitteratuur. De meeste mensen hebben in dit boekje - en zien daar
tegenwoordig nog steeds - alleen maar een “aanstootgevende openbaring”
in
gezien. Ergens, daar beneden, in de onderwereld, bevinden zich
deerniswekkende,
zieke, ongelukkige wezens, de stiefkinderen van het lot, abnormale
wezens, die in
hun zinloze verbittering de uiterste grenzen van ontkenning bereiken.
Alsof die
wezens alleen maar het product van onze huidige tijd zijn en vroeger
niet
hebben bestaan! Het is waar dat Dostojewski zelf deels verantwoordelijk
voor
deze interpretatie is en hij laat zelfs iets dergelijks doorschemeren
in een aantekening,
die hij aan het begin van het boek maakt. En misschien heeft hij dat
eerlijk en
oprecht gedaan. Waarheden van het kaliber, zoals die voor het oog van
de man
uit het ondergrondse opdoemen, zijn juist door hun oorsprong van dien
aard dat,
hoewel men ze kan uitspreken, men ze niet hoeft en kan veranderen in
juiste en
bruikbare waarheden, die geschikt zijn voor alle tijden en voor alle
mensen.
Zelfs de ontdekker ervan kan ze zich niet helemaal eigen maken.
Dostojewski was
er tot aan het eind van zijn leven zelf niet zeker van, of hij echt had
gezien,
wat hij beschreef in zijn ‘Aantekeningen uit het Ondergrondse’, of dat
hij het
had gedroomd en hallucinaties en hersenspinsels voor de werkelijkheid
had gehouden.
Vandaar de vreemde stijl van het verhaal van de man uit het
ondergrondse;
vandaar ook, dat elke zin de voorgaande tegenspreekt en bespottelijk
maakt; dat
verklaart ook die extatische uitbarstingen, van een onverklaarbare
vreugde,
afgewisseld met even onverklaarbare vlagen van wanhoop. Het lijkt alsof
hij op
een steile rotswand is gestruikeld en loodrecht in een peilloze afgrond
is
gestort. Een weergaloos, vreugdevol gevoel van vliegen, samen met de
angst voor
de afgrond, voor de alles verzwelgende leegte.
Al op de eerste bladzijden van het verhaal voelen wij hoe een
vreselijke,
bovennatuurlijke kracht de schrijver beetgrijpt en wegvoert. Dit keer
is onze
beoordeling juist — denk maar aan de Engel des Doods. De schrijver is
extatisch,
hij is buiten zichzelf, hij jaagt voort, en weet niet waarheen, hij
wacht, en
weet niet waarop. Lees maar de laatste regels van het eerste hoofdstuk:
“Ja,
een mens van de negentiende eeuw is zelfs zedelijk verplicht om een bij
uitstek
karakterloos wezen te zijn; iemand met karakter, een man van de daad,
is bij
uitstek bekrompen. Dat is mijn veertigjarige overtuiging. Ik ben nu
veertig en
u weet dat veertig jaar een heel leven is, dat het echt oud is. Een
leven van
meer dan veertig jaar is onbehoorlijk, vulgair en immoreel. Wie leeft
er nu
langer dan veertig jaar? Antwoordt u daar nu eens serieus en eerlijk
op. Ik zal
u zeggen dat alleen dwazen en waardeloze lieden ouder dan veertig
worden. Dat
zeg ik alle grijsaards recht in het gezicht, al die eerbiedwaardige
oudjes, al
die zilverharige en eerwaarde senioren! Ik zeg het de hele wereld recht
in het
gezicht. Ik heb het recht om dat te zeggen, want ik zal zelf tot mijn
zestigste
leven. Tot mijn zeventigste! tot mijn tachtigste! zal ik leven... Wacht
even.
Laat me even op adem komen..”.
3
En
inderdaad, van het eerste begin af moeten wij even wachten om op adem
te komen.
En deze woorden, “laat me even op adem komen”, zouden kunnen
dienen als
de conclusie van de volgende hoofdstukken. Zowel Dostojewski, als de
lezer wordt
de adem ontnomen door die stormachtige toevloed van wilde, ‘nieuwe’
gedachten,
die uit de geheime diepten van zijn wezen opwellen. Hij weet niet wat
hij
voelt, noch waarom deze gedachten bij hem opkomen. Zijn het wel
gedachten, of
zijn het gewoon duivelse influisteringen? Leiden zij ten goede of ten
kwade? Er
is niemand om dat aan te vragen, niemand kan op zulke vragen
antwoorden. Noch Dostojewski
zelf, noch iemand anders, kan er zeker van zijn, dat die vragen kunnen
worden
gesteld, of dat zij ook maar enige zin hebben. Maar het is niet
mogelijk om ze
terzijde te leggen, en het lijkt zelfs af en toe, dat dat ook niet
nodig is. Lees
bijvoorbeeld nog maar eens de zin: “een mens van de negentiende
eeuw is
zelfs zedelijk verplicht om een bij uitstek karakterloos wezen te zijn.”
Is
dat een serieuze overtuiging, of een verzameling van betekenisloze
woorden? Op
het eerste gezicht kan er geen twijfel over bestaan – het zijn alleen
maar
woorden! Maar ik wil je eraan herinneren dat Plotinus, “algemeen
erkend” als een
van de grootste denkers der oudheid, (van wie Dostojewski, volgens mij,
nooit had
gehoord), precies dezelfde gedachte heeft uitgesproken, zij het in een
andere
vorm. Ook hij is van mening, dat de actief handelende mens altijd
middelmatig is,
en dat het wezen van het handelen beperking is. Wie niet wil, of niet
bij
machte is, om zichzelf over te geven aan het denken, aan het
beschouwen, is
iemand die handelt. Maar Plotinus, die even extatisch is als
Dostojewski,
spreekt dat volkomen rustig uit, bijna als iets, dat vanzelfsprekend
is, dat
aan iedereen bekend is en door iedereen erkend wordt. Misschien heeft
hij wel
gelijk: als je tegen de mening van alle andere mensen wil ingaan, kun
je maar
beter je stem niet verheffen. Het problematische, zelfs het
onvoorstelbare, wordt
vaak heel gemakkelijk geaccepteerd, als het als iets van zelfsprekend
wordt
voorgedragen. Naderhand maakte Dostojewski soms zelf gebruik van deze
methode,
maar nu was hij te opgewonden door de nieuwe ‘openbaringen’ die hem
overweldigden
en had hij zichzelf niet in bedwang. Bovendien werd Dostojewski niet
gesteund
door de filosofische traditie, waar Plotinus op kon leunen, want
Plotinus was
de laatste van een lange reeks Griekse denkers; achter hem lagen bijna
duizend
jaar intensieve filosofische activiteit: de Stoïci, de Academici,
Aristoteles,
Plato, Socrates, Parmenides en alle meesters van het woord en het
denken, wier
autoriteit universeel werd erkend.
Plato
kende het ‘ondergrondse’ ook, alleen noemde hij het een ‘grot’, en hij
schiep
de prachtige, en wereldbekende mythe, waarin mensen werden vergeleken
met
gevangenen in een grot. Maar hij wist dat zo te doen, dat niemand op de
gedachten kwam om de grot van Plato het ‘ondergrondse’ te noemen, noch
om Plato
zelf een ziekelijk, abnormaal mens te noemen, een van die mensen voor
wie de
normale mensen theorieën en behandelingen, enzovoort moeten
bedenken. Hetzelfde
wat er met Plato in de grot gebeurde, gebeurde met Dostojewski in het
‘ondergrondse’;
zijn
nieuwe ogen werden geopend en zagen, waar ‘iedereen’ de werkelijkheid
zag,
alleen maar schaduwen en spookbeelden; en in datgene, wat ‘voor de
wereld’ niet
bestond, zag hij de enige echte werkelijkheid.
Ik
weet niet, wie van beiden het best zijn doel heeft bereikt: Plato, die
het
idealisme schiep en de hele mensheid aan zijn invloed onderwierp, of
Dostojewski,
die zijn inzichten in zo’n vorm uitdrukte, dat iedereen zich met
ontzetting van
de man uit het ondergrondse afkeerde.
Ik
zei ‘zijn doel bereikte’, maar ik denk dat ik mij onjuist heb
uitgedrukt. Het
is waarschijnlijk dat noch Dostojewski, noch Plato bewust een doel voor
ogen
had, toen ze spraken, de een over zijn grot, de ander over het
ondergrondse, net
zoals je niet kunt aannemen, dat een wezen, dat voor het eerst de
overgang van het
niet-zijn naar het zijn meemaakt, bewust een doel voor ogen heeft.
Doelen
worden er pas later bijgesleept, veel later; ‘in het begin’ is er geen
doel. Iemand
wordt terneergedrukt door een kwellend gevoel van niet-zijn, een
gevoel, dat in
onze taal zelfs geen eigen speciale benaming heeft; het zogenaamde
‘onuitsprekelijke’, dat echter niet echt benoembaar is, maar wel als
het niet
verwerkelijkte, het in gang zijnde. Wij kunnen tot op zekere hoogte een
bepaald
idee of tenminste een aanduiding van dat gevoel geven, door te zeggen,
dat het
een zeer ondubbelzinnig gevoel behelst, doordat de toestand van
evenwicht, van
het volkomen bereiken, van een volkomen bevrediging, als het ideaal van
het
menselijke denken, voor het doorsnee bewustzijn als absoluut
ondragelijk wordt
beschouwd (lees voor het “doorsnee bewustzijn”, de “collectiviteit” van
Dostojewski
of het “velen” van Plato).
Antisthenes,
die zich een leerling van Socrates noemde, verklaarde, dat hij liever
zijn
verstand verloor dan dat hij genoot. Ook Diogenes, die door zijn
tijdgenoten als
een krankzinnig geworden Socrates werd beschouwd, vreesde het evenwicht
en de
voleinding meer dan wat dan ook. Het lijkt, dat het leven van Diogenes
ons, in zeker
opzicht, de ware aard van Socrates duidelijker onthult, dan de
schitterende
dialogen van Plato. In elk geval moet iemand, die Socrates wil
begrijpen, net
zo goed het afstotelijke gezicht van Diogenes bestuderen, als de meer
aantrekkelijke klassieke gelaatstrekken van Plato bekijken. De
krankzinnig
geworden Socrates is misschien wel de Socrates, die het meest oprecht
over
zichzelf vertelt. Wat dat betreft zal geen enkel gezond mens, of hij
nou dwaas
of intelligent is, echt met ons over zichzelf praten, maar alleen over
zaken
die bruikbaar of nuttig voor iedereen kunnen zijn. Zijn gezondheid ligt
juist
in het feit, dat hij uitspraken doet, die voor iedereen nuttig zijn, en
zelfs
niets ziet, dat niet goed voor alle mensen of elke gelegenheid is. Je
zou
kunnen zeggen dat de ‘gezonde’ mens, een ‘mens als zodanig’ is. En het
is
misschien de merkwaardigste paradox van de geschiedenis, en een paradox
die de
filosofen zich het meest zouden moeten aantrekken, dat Socrates, die
minder dan
wie dan ook een ‘mens als zodanig’ was, van de mensen vroeg, dat zij
hem zouden
beschouwen als het archetype van een ‘mens als zodanig’, en niets
anders. Deze
gedachte van Socrates werd naderhand weer opgenomen en door Plato
verder ontwikkeld;
alleen de Cynici, de voorlopers van de christelijke heiligen, hebben
geprobeerd
om het geheim van Socrates aan de wereld bekend te maken. Maar de
Cynici zijn
verdwenen zonder een spoor in de geschiedenis achter te laten.
Het
vreemde van de geschiedenis is, dat zij met een bewonderenswaardige, en
op een bijna
menselijke en bewuste manier alle sporen uitwist van al het ongewone en
buitengewone,
dat er in de wereld gebeurt. Dat wil zeggen, dat de historici, de
mensen die
zich het meest interesseren in het verleden van de mensheid, ervan
overtuigd
zijn, dat in de wereld alles ‘natuurlijk’ en ‘met voldoende redenen’
gebeurt.
Het
belangrijkste onderwerp van de geschiedenis bestaat, zoals men altijd
heeft
begrepen, in het reconstrueren van het verleden als een ononderbroken
keten van
onderling, oorzakelijk verbonden gebeurtenissen. Voor de historici is
en kan Socrates
alleen een ‘mens als zodanig’ zijn. Wat er speciaal ‘Socratisch’ aan
hem was,
‘had geen toekomst’, en bestond daarom in de ogen van de historicus
niet. De
historicus hecht alleen belang aan zaken, die opgaan in de stroom des
tijd en
daar aan bijdragen. De rest interesseert hem niet. Hij is er zelfs van
overtuigd, dat de rest spoorloos verdwijnt. Dat ’restant’, wat Socrates
maakte
tot wat hij is, is in feite noch materie noch energie, dat door de
ongeschapen
en daarom eeuwige wetten in stand wordt gehouden. Eigenlijk is voor de
historicus de echte Socrates iets dat niet in stand kan worden
gehouden. Hij
komt, en hij gaat. Hij was, en is niet meer. In geen enkele
boekhouding, noch
aardse, noch hemelse, kunnen dat soort zaken een rol spelen. Het enige
wat telt
is Socrates als “handelend persoon”, die sporen van zijn voorbijgaan
heeft
achtergelaten in de stroom van het maatschappelijke leven. Het ‘denken’
van
Socrates kunnen wij ook nu nog gebruiken. Wij lezen over bepaalde
daden, die
ons tot voorbeeld kunnen strekken: zijn moed, en zijn kalmte, oog in
oog met de
dood. Maar Socrates zelf - heeft iemand die soms nodig? Juist omdat hij
voor
niemand nodig is, is hij verdwenen en heeft hij geen spoor nagelaten.
Als hij
nodig was geweest, dan zou er ook een ‘wet’ zijn, om hem te bewaren. Is
er
immers niet ook een ‘wet’ voor het behoud van materie, een wet die
bepaalt dat
er geen enkel atoom terugkeert naar het niet-zijn?
4
Ook
Dostojewski bekeek het leven met zijn natuurlijke ogen, met de ogen van
de historicus.
Maar toen hij zijn tweede paar ogen kreeg, zag hij andere dingen. De
onderwereld is helemaal niet die armzalige plek, waarin Dostojewski
zijn held liet
leven, en ook niet de eenzaamheid die, om Tolstoj te citeren, ‘in de
diepten
van de aarde of van de zee niet absoluter had kunnen zijn’.
Integendeel, wij
moeten er nogmaals op wijzen, dat Dostojewski de eenzaamheid had
opgezocht om zichzelf
te redden, of proberen te redden, voor die ondergrondse plek (de grot
van
Plato), waarin ‘alle mensen’ hun leven moeten doorbrengen, en die ‘alle
mensen’
als de enige echte wereld beschouwen, de enig mogelijke wereld, d.w.z.
de
wereld, die door het verstand wordt bevestigd.
Hetzelfde
kunnen wij zien bij de monniken uit de Middeleeuwen. Ook zij waren het
meest bang
voor dat geestelijk ‘evenwicht’, dat door ons verstand met zekerheid
als het
ultieme einde van het aardse bestaan wordt beschouwd. Ascetisme was
niet zoals
gewoonlijk wordt verondersteld, bedoeld om de vleselijke lusten te
bestrijden.
De belangrijkste bedoeling van de monniken en kluizenaars, die zichzelf
uitputten door vasten, waken en meer dergelijke ‘werken’, was om zich
te
bevrijden van de ‘collectiviteit’ waar de man uit het ondergrondse bij
Dostojewski
het over heeft, dat ‘doorsnee bewustzijn’ dat in het academische en
filosofische vocabulaire wordt beschreven als het ‘collectieve
bewustzijn’. Ignatius
van Loyola formuleert de grondregel van de "Excertia spiritualia” als
volgt: "Quanta se magis repent anima segregatam et solitariam, tanto
aptiorem se ipsam reddit ad quaerendum intelligendumque Creatorem et
Dominum
suum" (hoe meer de ziel zich afgezonderd en eenzaam vindt, des te meer
geschikt wordt zij om haar Schepper en Heer te zoeken en te begrijpen.)
Het
‘doorsnee bewustzijn’, de collectiviteit, de belangrijkste vijand van
Dostojewski,
zonder welke de mens het bestaan niet kan begrijpen. Aristoteles had al
gezegd:
“De mens, die niemand anders nodig heeft, is óf een God, die
alles in zichzelf
heeft, óf een wild dier.”
Dostojewski
hoort, net als de heiligen, die bezig zijn om hun ziel te redden, een
geheimzinnige stem die hem doorlopend influistert: “Wees moedig, ga
heen in de
woestijn, zoek de eenzaamheid op! Daar zul je óf een dier zijn,
óf een God. Vóór
die tijd kan er niets zeker zijn: maak je eerst los van het
‘collectieve
bewustzijn’, en dan zien we wel.” Overigens is het duidelijk nog veel
erger -
als je je losmaakt van dat bewustzijn, zul je eerst veranderen in een
dier, en
pas later, niemand weet wanneer - zal de laatste, hypothetische
verandering plaats
vinden, waarvan de mogelijkheid dat die bestond, door Aristoteles
alleen maar werd
aangenomen, om zijn theoretische formulering te vervolmaken. Ligt het
in feite niet
voor de hand, dat de mens zichzelf wel kan veranderen in een wild dier,
maar dat
het hem niet gegeven is een god te worden?
De menselijke
ervaring, de ervaring van de duizenden jaren van ons bestaan, bevestigt
de
voorspellingen van het verstand: mensen veranderen zichzelf doorlopend
in
beesten, in ruwe, stompzinnige en wilde beesten, maar er zijn nog geen
goden
geweest onder de mensen. De ervaring van de man uit het ondergrondse,
is
dezelfde geweest. Lees maar zijn eigen bekentenissen. Op bijna iedere
bladzijde
vertelt hij ongelofelijke dingen over zichzelf, waar zelfs een wild
dier zich voor
zou schamen om ze te bekennen. ‘Weet je wat ik eigenlijk wil: dat
jullie allemaal
naar de duivel zouden lopen, dát zou ik willen! Ik heb rust
nodig. Ja, om te
maken, dat ik niet lastig gevallen werd, zou ik nu dadelijk de hele
wereld voor
een stuiver verkopen. Moet de wereld ten onder gaan, of zou ik mijn
thee niet
kunnen drinken? Ik zeg, dat dan de wereld maar ten onder moet gaan,
maar dat ik
altijd mijn thee moet kunnen drinken. Wist je dat of niet? Nu, maar ik
weet
wel, dat ik een ellendeling ben, een schurk, een zelfzuchtig mens, een
luilak’.
En op de volgende bladzij: ‘ik ben de walgelijkste, belachelijkste,
nietigste,
afgunstigste en allerdomste van alle aardwormen ter wereld.’
Het
hele boek staat vol met dergelijke bekentenissen. En als je er zin in
hebt, kun
je daar nog de overtreffende trap van elk kwaadaardig woord dat in je
opkomt
aan toevoegen: de man uit het ondergrondse zal geen enkel weigeren, hij
zal ze
allemaal accepteren en je er ook nog voor bedanken. Maar juich niet met
dat
resultaat; lees de boeken en bekentenissen van de grote heiligen; zij
beschouwden zichzelf allemaal als de meest vreselijke zondaars (weer
allemaal
superlatieven), de meest verdorvenen, de allerzwaksten, de meest
stompzinnigen
van de hele schepping. Bernardus van Clairvaux, de heilige Theresia, de
heilige
Johannes van het Kruis, waren vol afschuw over hun nietigheid en
zondigheid tot
zij hun laatste adem uitbliezen. De hele betekenis van het christendom
en die
honger naar verlossing, die in de middeleeuwen de drijfveer in het
geestelijke
leven was, komt uit dat gevoel voort. “Cur deus homo?” (Waarom is God
mens?)
Waarom moest God zo nodig mens worden en al die ongehoorde martelingen
en
beschimpingen verdragen, waar de Schriften verslag van doen? Omdat het
zonder
dat onmogelijk was geweest om de mens te redden, en zijn gruwel en
ellende los
te kopen. Zijn afstotelijkheid is zó monsterlijk, zijn val
zó diep, dat zijn
zondigheid met geen enkele aardse schat meer kon worden afgekocht; noch
met
zilver, noch met goud, noch met offers, zelfs niet met de beste van
zijn goede
werken. God moest Zijn enige zoon sturen, om het ultieme offer te
leveren.
Zonder dat was het onmogelijk om de zondaar te redden.
Dat
geloofden de heiligen, dat was hun gedachtegang, en zo zeggen zij het
letterlijk.
En dat zag Dostojewski, toen de Engel des Doods hem had verlaten, nadat
hij bij
hem onopgemerkt een paar van de ontelbare nieuwe ogen had
achtergelaten. In die
zin zouden de ‘Aantekeningen uit het Ondergrondse’ als een uitstekend
commentaar op de geschriften van de beroemde heiligen kunnen dienen. Ik
wil
daarmee niet zeggen, dat Dostojewski alleen maar op zijn eigen manier
herhaalde,
wat hij uit boeken van anderen had geleerd. Ook al had hij nooit iets
gehoord
van het leven van de heiligen, dan zou hij toch zijn ‘Aantekeningen uit
het
Ondergrondse’ hebben geschreven. En we hebben alle redenen om aan te
nemen dat
hij, toen hij het boek schreef, niet veel over hun geschriften wist.
Dat feit
verleent een bijzondere waarde aan zijn bekentenissen. Dostojewski
voelde zich door
geen enkele autoriteit of traditie gesteund. Hij handelde op eigen
verantwoordelijkheid en hij dacht, dat alleen hij, sinds de wereld
bestond, die
uitzonderlijke dingen had gezien, die hem waren geopenbaard. ‘Ik ben
alleen, en
zij zijn allemaal samen’ roept hij overmand uit. Losgerukt uit het
‘doorsnee
bewustzijn’, verworpen door de enige echte wereld, die zijn realiteit
juist op
dat ‘doorsnee bewustzijn’ baseert - want welke andere basis zou de
wereld ooit
kunnen kiezen - lijkt Dostojewski tussen hemel en aarde te zweven. De
grond is
onder zijn voeten verdwenen, en hij weet nauwelijks of het de dood is
of een
tweede, wonderbaarlijke geboorte. Kan de mens bestaan zonder een vaste
basis? Of
zal hij zelf in het niets oplossen als zijn voeten niet langer de aarde
beroeren?
De
ouden zeiden, dat wat de goden van de stervelingen onderscheidden, het
feit
was, dat zij nooit met hun voeten de aarde aanraakten, omdat zij geen
steun nodig
hadden. Maar dat waren goden, en bovendien ook nog antieke goden,
mythologische
wezens, zuiver bedachte goden, en terecht geminacht door het huidige
wetenschappelijke denken. Dostojewski weet dat allemaal, zoals ieder
ander, of
beter nog. Hij weet, dat zowel de antieke goden, als de moderne God
door het
verstand al lang buiten de grenzen van de mogelijke ervaring waren
verbannen en
in zuivere ideeën waren veranderd. De Russische litteratuur van
zijn tijd
verkondigde dat met al ernst, voor zover het door de toenmalige censuur
werd
toegestaan. En ook de West-Europese filosofie, Kant en Comte incluis,
stond Dostojewski
ter beschikking, hoewel hij noch Kant noch Comte las. Het was ook niet
nodig
hen te lezen. ‘De grenzen der mogelijke ervaring’ het devies van de 19e
eeuw,
dat aan onze tijd is doorgegeven, als de ultieme openbaring van het
wetenschappelijke denken, rees als een Chinese muur op tegen alle
inspanningen
van de menselijke nieuwsgierigheid. Niemand twijfelt eraan, dat er een
bepaalde
‘ervaring’ bestaat, een collectieve en zelfs oecumenische ervaring, en
dat het niet
mogelijk is om iets te begrijpen dat voorbij die grenzen ligt, die zo
rigide
door het verstand zijn vastgelegd. Maar deze ervaring en die grenzen,
zoals zij
zich voordeden aan Kant en Comte, waren voor Dostojewski weer een
gevangenismuur,
gebouwd door een onbekende hand. De muren van de oude barakken waren
vreselijk,
maar boven die muren was toch altijd een streepje blauw zichtbaar
geweest. En voorbij
de grenzen van de ervaring was niets dergelijks te zien. Zij betekenen
het einde,
de laatste halteplaats. De weg is afgesloten en op de muur zouden we de
inscriptie van Dante kunnen lezen: “Lasciate ogni speranza (Laat alle
hope
varen).
5
In
zijn ‘Aantekeningen uit een Dodenhuis’ vertelt Dostojewski veel over de
daar tot
levenslange gevangenisstraf veroordeelden en over hun vertwijfelde
pogingen om
te ontsnappen. Zo iemand weet heel goed, wat voor risico hij loopt,
hoeveel hij
op het spel zet en hoe gering zijn kans op slagen is en toch waagt hij
de kans.
Toen hij nog in het kamp zat voelde Dostojewski zich al op een
bijzondere
manier aangetrokken door die vastberaden mensen, die zich door geen
enkele
hindernis van hun voornemen lieten weerhouden. Hij trachtte met alle
macht en
op alle manieren hun psychologie te begrijpen, maar het lukte hem niet.
En
niet, omdat hij niet genoeg inzicht of opmerkingsgave had, maar omdat
een dergelijk
begrijpen niet mogelijk is. Niets kan een beslissing ‘verklaren.’
Dostojewski kon
alleen maar constateren, dat vastberaden mensen overal zeldzaam zijn,
zowel
onder de veroordeelden als ergens anders. Het zou juister zijn te
zeggen, dat
vastberaden mensen helemaal niet bestaan, maar alleen maar grote
‘beslissingen’, die je onmogelijk kunt ‘begrijpen’, omdat ze gewoonlijk
nergens
op zijn gebaseerd, en alle drijfveren uitsluiten. Zij vallen onder geen
enkele
regel; het zijn juist ‘besluiten’ en ‘grote besluiten’, omdat ze buiten
alle
regels om gaan, en daarom ook buiten alle mogelijke verklaringen
vallen.
Gedurende zijn verblijf in de strafgevangenis had Dostojewski dat nog
niet
beseft; hij dacht, net als alle andere mensen, dat er grenzen waren aan
de
menselijke ervaring, en dat die grenzen worden bepaald door onwrikbare
en
eeuwige principes. Maar in zijn ‘ondergrondse’ was hem een nieuwe
waarheid
geopenbaard: zulke eeuwige principes bestaan niet, en de ‘wet van de
toereikende
reden’, waarop die principes zijn gebaseerd, is alleen maar een
autosuggestie
van iemand die zijn eigen beperkingen aanbidt en daar zelf voor
neerknielt – “Eenvoudige
mensen en daadkrachtige mensen werpen zichzelf volstrekt oprecht voor
de muur
ter aarde. Voor hen is de muur geen uitvlucht, zoals voor ons, geen
voorwendsel
om van het pad af te wijken, een voorwendsel waarin mensen zoals wij
gewoonlijk
zelf niet geloven, maar waarmee wij altijd heel blij zijn. Nee, zij
doen in
alle oprechtheid een knieval. De muur heeft iets geruststellends voor
hen, iets
zedelijks en definitiefs, en misschien zelfs iets mystieks... Nou, het
is juist
dit eenvoudige individu dat ik als de normale mens beschouw, zoals de
liefhebbend Moeder Natuur, die ons zo liefdevol heeft toegestaan om in
deze
wereld te worden geboren, hem zou willen. Ik benijd zo iemand. Hij is
dom, dat
staat boven kijf, maar misschien – wie weet? - moet de normale mens ook
wel dom
zijn. Misschien is dat zelfs prachtig.”
Denk
maar over die woorden na, zij zijn het waard. Het is geen
ergerniswekkende
paradox, maar eerder een bewonderenswaardige filosofische openbaring,
die Dostojewski
werd geschonken. Net als alle ‘nieuwe’ gedachten van de man in het
ondergrondse,
neemt het de vorm aan van een vraag, niet van een antwoord. En
bovendien is er het
onvermijdelijke ‘misschien’, dat daar opzettelijk bij is gezet, met de
bedoeling om ontluikende antwoorden om te zetten in nieuwe,
onbeantwoordbare vragen.
Misschien moet een normaal mens wel dom zijn, misschien is dat zelfs
prachtig. Altijd
dat ‘misschien’, dat de gedachte verzwakt en in opspraak brengt; die
weifelende,
grillige schemering, ondragelijk voor het gezonde verstand, dat de
contouren
van de dingen vervaagt en de grenzen zover uitwist, dat je nauwelijks
kunt
vertellen waar het ene begint en het andere eindigt. Je verliest je
hele
zelfvertrouwen; elke beweging in de richting van een vast voorwerp
wordt
onmogelijk. Maar wat het belangrijkste is, is dat die onwetendheid in
onze ogen
plotseling niet een vloek, maar een gave des hemels lijkt te zijn - ‘O,
zeg
mij,
wie
het
was, die het eerst zei, die het eerst verkondigde, dat als
de mens
verlicht zou zijn, als zijn ogen voor zijn ware, normale belangen
zouden worden
geopend, hij meteen goed en oprecht zou worden; dat als hij door
wetenschap en
begrip verlicht zou zijn en hij zijn echte belangen zou begrijpen, dat
hij dan
zou zien dat het goede in zijn eigen voordeel zou zijn? Want het is
bekend, dat
niemand willens en wetens tegen zijn eigen belang in handelt; en daarom
zou hij
dan noodzakelijkerwijs verplicht zijn om goed te doen. O kind, o zuiver
en onschuldig
kind!.. Belang! Wat is belang! Maar stel je nu eens voor, dat er
gevallen zijn,
waarin soms het menselijke belang niet alleen kan, maar moet bestaan
uit het
wensen van iets kwaads voor jezelf en niet iets voordeligs! Als dat het
geval is,
als zo’n geval zelfs mogelijk is, dan valt die hele regel in duigen.’
Waardoor
wordt Dostojewski aangetrokken? Het ‘misschien’, het onverwachte, de
duisternis,
de gril, al die dingen, die vanuit het standpunt van de wetenschap en
het gezonde
verstand niet bestaan of niet zouden moeten bestaan. Dostojewski weet
heel goed,
wat ‘men’ denkt. Hij weet ook, hoewel hij niet bekend is met de
leerstellingen
van de filosofen, dat sinds de oudste tijden gebrek aan respect voor
regels als
de grootste misdaad werd beschouwd. Maar hier sluipt een gruwelijk
vermoeden
zijn geest binnen: stel je voor dat de mens zich juist daarin altijd
heeft
vergist?
Het
is echt verbijsterend dat Dostojewski, die geen enkele
wetenschappelijke of filosofische
scholing had gehad, in staat is geweest om zo precies te begrijpen,
waarin het
voornaamste en eeuwige probleem van de filosofie lag. Geen enkel
filosofisch
leerboek heeft de ‘Aantekeningen uit een Dodenhuis’ bestudeerd of zelfs
maar
met name genoemd. Er komen geen vreemde woorden in voor, geen geleerde
terminologie; het draagt geen academische stempel: dus kan het geen
filosofie
zijn.
Toch
moeten wij, zo er ooit een ‘Kritik der reinen Vernunft’ is geschreven,
die
zoeken bij Dostojewski, in de ‘Aantekeningen uit het Ondergrondse’ en
in zijn
grote romans, die geheel uit die Aantekeningen zijn voortgekomen. Wat
Kant ons
onder die titel heeft gegeven, is geen kritiek, maar een apologie van
de
zuivere rede. Kant waagde het niet de rede te bekritiseren, ondanks dat
hij
dacht, dat hij onder invloed van Hume was ontwaakt uit de dogmatische
sluimer.
Hoe had Kant zijn vraag geformuleerd? Wiskunde bestaat, de
natuurwetenschappen
bestaan: is er dan ook een metafysische wetenschap mogelijk, met
eenzelfde
logische structuur als die van de al genoegzaam bewezen positieve
wetenschappen? Dat is wat Kant ‘kritiseren’ noemde, ‘het ontwaken uit
een
dogmatische sluimertoestand’. Maar als hij echt had willen ontwaken en
kritiseren,
dan had hij allereerst de vraag hebben moeten stellen, of de
‘positieve’
wetenschappen zich inderdaad wel hadden bewezen, en of zij wel het
recht hadden
hun resultaten ‘kennis’ te noemen? Is wat zij ons allemaal leren, geen
illusie
en bedrog? Kant was maar zo weinig uit zijn dogmatische sluimertoestand
ontwaakt, dat het nooit in zijn hoofd is opgekomen om die vraag te
stellen. Hij
is ervan overtuigd, dat de positieve wetenschappen zich hebben
gerechtvaardigd
door hun resultaat, d.w.z. door hun nut, dat zij de mensheid hebben
bewezen. Daarom
kunnen zij niet aan een oordeel worden onderworpen; het is aan hen om
te
oordelen. Als de metafysica wil bestaan, moet zij eerst de sanctie en
zegen vragen
van de wiskunde en de natuurwetenschappen.
De
rest is bekend; de wetenschappen, die zich door hun ‘resultaat’ hebben
gerechtvaardigd, hebben alleen maar hun wetenschappelijke karakter
verkregen
dankzij de reeksen regels, principes en kunstmatige a priori oordelen,
die zij
tot hun beschikking hebben; algemene, noodzakelijke en onveranderbare
regels,
waarvan, volgens Kant, geen ontwaken ons kan bevrijden. En omdat die
regels alleen
van toepassing zijn binnen de ‘grenzen van de mogelijke ervaring’, is
de
metafysica, die (volgens Kants) streeft naar het transcendente,
onmogelijk. Zo
redeneerde Kant, die in zijn oordelen de hele praktijk belichaamde van
het menselijke
wetenschappelijke denken. Hoewel Dostojewski niets van Kant af wist,
stelde hij
dezelfde vraag, maar zijn inzicht was veel dieper. Kant zag de
werkelijkheid
met de ogen van iedereen. Dostojewski had, zo als we weten, ‘eigen’
ogen.
Bij
Dostojewski zijn het niet de positieve wetenschappen, die over de
metafysica
oordelen; het is integendeel de metafysica die over die positieve
wetenschappen
oordeelt. Kant vraagt: is de metafysica mogelijk? Als zij mogelijk is,
laten
wij dan het onderzoek van onze voorgangers voortzetten. Is zij
onmogelijk, laten
wij er dan van afzien, en onze beperkingen respecteren. Onmogelijkheid
is een
natuurlijke grens, er zit iets kalmerends, bijna mystieks in. Het is
een
eeuwige waarheid: veritas aeterna. Het Katholicisme, dat zelf op
openbaring
berust, verklaart: ‘Deus impossibilia non jubet’. (God vraagt geen
onmogelijke
dingen.)
God
vraagt niet het onmogelijke. Maar dat is waar het ‘tweede gezicht’
actief wordt.
Plotseling doemt de man uit het ondergrondse op, die man uit het
ondergrondse, die
zichzelf met een zo angstwekkende oprechtheid, tot de
allerverachtelijkste van
alle mensen heeft verklaard. Hij weet zelf niet met welk recht hij
verschijnt,
maar plotseling schreeuwt hij met een schelle, wilde en angstaanjagende
stem
(alles aan de man uit het ondergrondse is angstaanjagend): “Het is
bedrog –
het is een leugen – God vraagt het onmogelijke. God vraagt alleen maar
het
onmogelijke. Jullie zwichten allemaal voor de muur, en zien daar iets
geruststellends en onontkoombaars in – zelfs, net als de katholieken,
iets
mystieks. Maar ik zeg jullie dat jullie muur, jullie ‘onmogelijk’
alleen maar
een smoes is, een voorwendsel, en dat jullie God, die God die niet het
onmogelijke vraagt, alleen maar een afschuwelijke afgod is, een van de
bruikbare afgoden, of ze nou klein of groot zijn, die jullie nooit te
boven
zijn gekomen en zullen komen. Metafysica is onmogelijk! Nu zal ik nooit
meer
over iets anders denken of praten.”
“Ik
heb bijvoorbeeld een vriend…. Och heren, maar natuurlijk is hij ook uw
vriend;
en er is inderdaad niemand wiens vriend hij niet is! Als die vriend nu
een zaak
voorbereidt, zal deze heer u meteen, stijlvol en helder, precies
uitleggen hoe
hij volgens de wetten van de ratio en de waarheid moet handelen.
Sterker nog,
hij zal opgewonden en hartstochtelijk met u over de echte, normale,
menselijke
belangen gaan spreken; hij zal spottend de kortzichtige dwazen
verwijten maken,
die noch hun eigen belangen, noch de echte betekenis van de deugd
begrijpen;
maar binnen een kwartier zal hij zonder enige plotselinge aanleiding
niet van
buiten, maar gewoon uit iets dat in hem zit, dat sterker is dan al zijn
belangen, een heel andere toon aanslaan: hij zal openlijk tegen alles
ingaan,
wat hij net over zichzelf gezegd heeft, tegen de wetten van de ratio,
tegen
zijn eigen belang, om kort te gaan tegen alles in...”
Maar
wat is dat ‘alles’ dan? En wat is dat voor ‘innerlijke’ drijfveer, die
sterker
is dan alle andere belangen? ‘Alles’, dat zijn, om het in
wetenschappelijke
taal uit te drukken, de wetten van het verstand en het totaal van de
‘vanzelfsprekendheden’.
De innerlijke drijfveer is het ‘irrationele restant’ dat zich buiten de
grenzen
van de mogelijke ervaring bevindt. Want die ervaring, die volgens Kant
(Kant is
een soortnaam; Kant is de ‘collectiviteit’ van ons allemaal), de
oorsprong van
alle kennis is, waaruit onze wetenschap is voortgekomen, bevat niet en
kan niet
die drijfveer binnen zijn grenzen bevatten, dat innerlijke ding waar
Dostojewski
het over heeft. De ‘ervaring’ van Kant is de collectieve ervaring van
de
mensheid, en alleen een vluchtige en populaire verklaring kan haar met
de
feiten van het stoffelijke of geestelijke bestaan verwarren. Met andere
woorden: die ‘ervaring’ veronderstelt noodzakelijkerwijs een voltooide
theorie,
een systeem van regels en wetten, waarvan Kant heel terecht heeft
gezegd, dat
niet de natuur aan de mensen, maar de mensen aan de natuur wetten
dicteren.
Maar dat is ook de plaats waar de scholastieke filosofie een andere
kant opgaat
dan de idealen van Dostojewski, en waar hun onbegrip wederzijds wordt.
Zodra
Kant het woord ‘wet’ hoort uitspreken, neemt hij zijn hoed af; dan
durft en wil
hij niet discussiëren. Wie ‘wet’ zegt, zegt ‘macht; wie ‘macht’
zegt, zegt
‘onderwerping’ – want de hoogste deugd van de mens is om zichzelf te
onderwerpen.
Maar
natuurlijk is het niet een levend individu dat aan de natuur wetten
dicteert.
Zo iemand maakt zelf deel uit van de natuur, en is daarom aan de natuur
onderworpen. De hoogste, ultieme en uiteindelijke macht behoort aan de
‘mens als
zodanig’, d.w.z. aan een ideëel beginsel, dat even ver afstaat van
het levende
individu als van de onbezielde natuur. Met andere woorden: het
principe, de
regel en de wet besturen alles. Het denken van Kant zou, op een meer
adequate,
maar minder treffende manier, als volgt kunnen worden uitgedrukt: “Noch
de
natuur, noch de mens dicteren wetten, maar aan de natuur en aan de mens
worden
de wetten door de wetten zelf gedicteerd. Met ander woorden: in de
beginne was
de wet.”
Als
Kant zijn grondstelling zo had uitgedrukt, zou hij dichter bij de
wetenschappelijke wereldbeschouwing zijn geweest, die hij trachtte te
rechtvaardigen, en tegelijkertijd dichter bij het gezonde verstand,
waaruit deze
opvatting is voortgekomen. Dan zou het verschil tussen het theoretische
en het praktische
verstand zijn geëlimineerd en het filosofische ideaal zijn
bereikt, dat luidt:
‘Handel zo, dat het principe van uw gedrag een algemene wet zou kunnen
worden’.
Dat is de ‘regel’ die het gedrag rechtvaardigt, zoals het evenzo de
regel is
die de waarheid uitdrukt. Zowel de natuur als de moraal is voortgekomen
uit
regels en autonome, zelfgenoegzame principes, die op zichzelf een
werkelijkheidswaarde bezitten, die de ervaring overstijgt en buiten de
tijd
staat. Ik herhaal nogmaals:
Kant
heeft dit niet zelf bedacht; hij heeft gewoon de algemene tendens van
het
wetenschappelijke denken duidelijker geformuleerd. De koren van vrije,
onzichtbare en grillige individuele geesten, waarmee de mythologie de
wereld
had bevolkt, werden onttroond door de wetenschap en vervangen door
andere
hersenspinsels, door onveranderbare principes; en dat werd uitgeroepen
tot de totale
nederlaag van het antieke bijgeloof. Dat is het wezen van het
idealisme; dat is
wat het huidige denken als zijn ultieme triomf beschouwt.
Dostojewski
begreep, hoewel hij geen wetenschappelijke opleiding had gehad, met
ongewone
scherpte, hoe hij de fundamentele filosofische vraag moest stellen: Is
de
metafysica als wetenschap mogelijk?
Maar
op de eerste plaats: waarom moet de metafysica een wetenschap zijn? En
ten
tweede: welke betekenis heeft dat woord ‘mogelijk?’ De wetenschap
vooronderstelt als haar noodzakelijke voorwaarde, wat Dostojewski de
‘collectiviteit’
noemde: het bestaan van oordelen die algemeen worden aanvaard.
Dergelijke
oordelen bestaan en zijn mateloos en bijna bovennatuurlijk bevoorrecht
boven de
oordelen die niet algemeen zijn aanvaard; alleen zij dragen de titel
van
“waarheden”. Dostojewski begreep heel goed, waarom de wetenschap en het
gezonde
verstand altijd op zoek zijn naar noodzakelijke en algemeen erkende
oordelen.
‘Feiten’
op zichzelf zijn voor ons niet bruikbaar. Als wij hebben opgemerkt dat
een
steen door de zon wordt verwarmd, dat een stuk hout op het water
drijft, dat
een mondvol water de dorst lest, wat kunnen wij dan met dergelijke
waarnemingen? De wetenschap heeft niets aan afzonderlijke feiten, en is
daar
zelfs niet in geïnteresseerd. Zij zoekt alleen naar datgene, dat
een of ander
bijzonder feit op een wonderbaarlijke manier kan veranderen in een
“ervaring” –
als wij het recht verwerven om te zeggen: de zon verwarmt altijd de
steen, hout
zinkt nooit in water, water lest onveranderlijk de dorst, etc., dan pas
hebben
wij wetenschappelijk kennis. Met andere woorden: kennis wordt pas echte
kennis,
als wij aan de afzonderlijke feiten het zuivere principe hebben
onttrokken, dat
onzichtbare ‘altijd’, dat almachtige hersenspinsel, dat de macht heeft
geërfd
en het recht van de goden en demonen uit de wereld heeft verbannen.
Hetzelfde
als in de fysische wereld kunnen wij ook waarnemen in de zedelijke
wereld. Ook
daar nemen principes de plaats in van de goden; vernietig de principes,
en er
zal alleen maar verwarring heersen, en geen goed noch kwaad meer
bestaan. Net zoals
in de materiele wereld, als de wetten zouden verdwijnen, alles
aanleiding geeft
tot iets anders. Juist de opvattingen van goed en kwaad, van waarheid
en
leugen, zijn gebaseerd op het bestaan van een vaste, eeuwige ordening.
Dat is
wat de wetenschap probeert te laten zien, als zij haar theorieën
schept. Als
wij weten, dat de zon niet anders kan dan de steen verwarmen, dat hout
nooit
kan zinken in water, dat water noodzakelijkerwijs de dorst lest, dus
als het
daardoor mogelijk wordt om het waargenomen feit tot een theorie te
promoveren,
door het onder de bescherming van een onzichtbare, maar eeuwige wet te
stellen,
die geen begin heeft gehad, en daarom ook nooit kan eindigen, dan
hebben wij
wetenschap. Hetzelfde geldt voor de moraal; ook zij wordt alleen in
stand
gehouden door de wet: alle mensen moeten zo handelen, dat hun gedrag
hun volstrekte
onderwerping aan de regel laat zien. Alleen onder die voorwaarde is een
sociaal
leven mogelijk.
Dostojewski
begreep dat allemaal heel goed, hoewel hij zo onbekend was met de
geschiedenis van
de filosofie, dat hij veronderstelde dat het idee van de ‘zuivere rede’
als de
almachtige meester van het universum, een zeer recente uitvinding was,
de
schepping van Claude Bernard. En dat, ook heel recent iemand,
(waarschijnlijk
diezelfde Claude Bernard) een nieuwe wetenschap had bedacht, de
‘ethica’, die uiteindelijk
had verklaard dat diezelfde ‘wet’ de enige meester van de mens was, en
dus voor
eens en altijd de God van onze vaderen had verdreven.
Dostojewski
legt opzettelijk deze filosofische ideeën in de mond van zijn
onontwikkelde
Dimitri Karamazow. Alle ontwikkelde mensen, zelfs Iwan Karamazow, delen
het
standpunt van Claude Bernard en onderschrijven zijn ‘ethica’ en
‘natuurwetten’.
Het kon niet aan het heldere inzicht van Dostojewski ontsnappen, dat
een
wetenschappelijke scholing van de intelligentie tot op zekere hoogte de
menselijke
vermogens verlamt en ons binnen grenzen inperkt. Hij had dit natuurlijk
ook
allemaal in de Bijbel kunnen vinden. Wie heeft de Bijbel niet gelezen,
of wie
kent hem niet? Claude Bernard en zijn leermeesters, hadden de Bijbel
ongetwijfeld
gelezen. Maar hadden zij, op zoek naar filosofische waarheden, dan dat
boek
moeten raadplegen? Een boek dat was geschreven door onontwikkelde
mensen, die
nauwelijks door een cultuur waren beroerd? Dostojewski zag geen
alternatief. En
dus moest hij, net als Augustinus, uitroepen: Surgunt indocti et
rapiunt coelum
(de onontwikkelden staan op en veroveren de hemel).
6
Surgunt indocti et rapiunt
coelum! Om
de hemel stormenderhand te veroveren moet je het aangeleerde opgeven,
de
grondprincipes, die wij met de moedermelk hebben ingedronken. Meer nog:
wij moeten,
zoals die citaten bewijzen, afstand doen van al onze ideeën; dat
wil zeggen:
wij moeten hun wonderbaarlijk vermogen om feiten in theorieën te
veranderen in
twijfel trekken. Het wetenschappelijke denken heeft de ideeën dit
opperste
voorrecht gegeven: zij moeten beslissen en beoordelen, wat mogelijk en
wat
onmogelijk is, zij moeten de grens tussen werkelijkheid en droom
bepalen,
tussen goed en kwaad, tussen wat mag en wat niet mag.
Wij
kunnen ons nog wellicht herinneren met wat voor razernij de man uit het
ondergrondse zichzelf naar de strot van zijn vanzelfsprekende waarheden
vloog, waarheden
die zich trots bewust zijn van hun ontastbare soevereine rechten.
Luister ook maar
naar het volgende, maar vergeet dat je alleen maar hebt te maken met
een
verachtelijk ambtenaartje uit Petersburg. De dialectiek van Dostojewski
kan,
zowel in de ‘Aantekeningen uit het Ondergrondse’ als ook in zijn andere
werken,
op één lijn worden gesteld met de dialectiek van welke
grote Europese filosoof dan
ook, en wat betreft de moedigheid van denken, durf ik te beweren dat
maar een
paar genieën niet in zijn schaduw staan. En in zijn zelfverachting
is hij één
met de grote heiligen. “Om verder te gaan met de mensen met stalen
zenuwen…deze heren werpen zich meteen voor het onmogelijke op de
knieën. Een
onmogelijkheid, vandaar die stenen muur. Wat voor stenen muur? Nou, dat
is
duidelijk: natuurwetten, conclusies van de natuurwetenschappen en de
wiskunde.
Als zij jou bijvoorbeeld bewijzen, dat je van de apen afstamt, helpt
het niets
als om je neus op te trekken, je moet het gewoon accepteren. Als zij
bewijzen
dat één atoom van je eigen vet je meer waard moet zijn
dan honderdduizend van
je buurmans vet, moet je dat accepteren, daar is niets tegen te doen.
Probeer
maar eens met hen te discussiëren. Neem mij niet kwalijk, zullen
ze zeggen, er
valt helemaal niet over te discussiëren - twee maal twee is vier.
De natuur bekommert
zich niet over jouw goedkeuring. Zij heeft niets te maken met jouw
wensen en of
haar wetten jou al dan niet bevallen. Je bent verplicht het te
aanvaarden, met
alle consequenties, zoals het is. Een muur is een muur etc. Maar lieve
hemel,
wat heb ik te maken met de natuurwetten of wiskunde, als die wetten mij
om een
of andere reden niet bevallen? Natuurlijk zal ik niet mijn hoofd tegen
de muur
te pletter lopen, als ik niet voldoende kracht heb om hem te
vernietigen; maar
ik zal me er ook niet gewoon bij neer kunnen leggen, omdat die
gebaseerd is op twee
maal twee is vier. O, absurditeit der absurditeiten! Alles begrijpen is
iets
heel anders; rekening houden met alle onmogelijkheden en alle stenen
muren,
daar niet voor buigen als zij ons tegen de borst stuiten, door de meest
onvermijdelijke logische gedachtegang tot de weerzinwekkende conclusie
komen,
dat wij zelf op een of andere manier verantwoordelijk zijn voor de
stenen muur
- hoewel het ook weer absoluut duidelijk is dat wij op geen enkele
manier
verantwoordelijk zijn; en vervolgens, stilzwijgend en met machteloos
tandengeknars in een wellustige futloosheid vervallen, en dromen dat
wij niet
eens tegen wie dan ook in opstand kunnen komen, omdat er niemand is en
er nooit
iemand zal zijn; dat het vermoedelijk allemaal een schijnvertoning is,
een
grap, een absurde kolder, en dat je niet weet wat noch waarvandaan.
Maar
ondanks al die onbegrijpelijke dingen zullen wij lijden, en hoe minder
wij
begrijpen, hoe erger het zal zijn.”
Maar
misschien is de lezer het inmiddels moe om de gedachtegang van
Dostojewski en
zijn wanhopige pogingen het onverslaanbare bewijs omver te werpen, te
volgen.
Wij weten niet of hij het echt meent of ons alleen maar belachelijk
maakt. Kun
je dan inderdaad niets anders doen dan buigen voor die muur? Kunnen wij
onze
kleine en zwakke “ikken” tegenover de natuur stellen, die haar eigen
gang gaat,
zonder ook maar aan ons te denken, en bezitten wij de bijkomende
zekerheid om
het oordeel te vellen dat de mogelijkheid daarvan als “de laatste
absurditeit”
ontkent”?
Maar
Dostojewski permitteert zichzelf om juist deze vraag te stellen,
namelijk of
ons verstand enig recht heeft om te oordelen over het mogelijke en
onmogelijke.
De kennistheorie stelt deze vraag niet, want als het verstand niet het
recht
heeft om te oordelen over de mogelijkheid of onmogelijkheid, wie kan
dat recht
dan wel hebben? Zonder dat zou alles mogelijk en alles onmogelijk zijn.
En alsof
hij de draak met ons steekt, geeft Dostojewski ook zelf toe dat hij
niet de
kracht heeft om de muur te slechten. Daarom erkent hij een bepaalde
grens, een
bepaalde mogelijkheid. Maar waarom had hij dan een minuut geleden het
tegenovergestelde gezegd? Op zo’n manier zullen wij tot een absolute
chaos
vervallen, niet alleen tot een chaos, maar tot een niets, waarin niet
alleen
regels, wetten en ideeën zullen verdwijnen, maar tegelijkertijd de
hele
werkelijkheid! Maar als wij bepaalde grenzen overschrijden, moeten wij
zelfs dat
onder ogen zien. Iemand, die zich heeft bevrijd van de angstaanjagende
tirannie
van de ideeën, die van buiten af zijn opgelegd, begeeft zich op
zulk een vreemd
en onverkend terrein, op plaatsen die zo onbekend zijn, dat het voor
hem moet
lijken, alsof hij de werkelijkheid achter zich heeft gelaten en de
eeuwige
leegte is betreden.
Dostojewski
was niet de eerste, die deze onvoorstelbaar vreselijke overgang van de
ene
wereld naar de andere moest doormaken en die zichzelf verplicht voelde
om de
zekerheid, die “principes” geven, op te geven. Vijftienhonderd jaar
vóór hem
vertelt Plotinus, die ook geprobeerd had uit te stijgen boven onze
‘ervaring’,
dat je dan het eerste moment de indruk hebt dat alles verdwijnt, en dat
je de
overweldigende angst hebt dat alleen het pure niets overblijft. Ik wil
hier aan
toevoegen, dat Plotinus niet de hele waarheid heeft verteld; hij heeft
het
voornaamste verzwegen: het is niet alleen in de eerste fase zo, maar
ook in de
tweede en alle volgende fasen. De ziel, die buiten haar normale grenzen
is
geworpen, kan zich niet losmaken van deze verschrikking, wat men ons
ook
vertelt over de extatische verrukkingen, die ermee gepaard gaan.
Hier kan de verrukking de verschrikking niet uitsluiten. De toestanden
zijn organisch
met elkaar verbonden: om een grote vreugde te bereiken, moet er ook een
afgrijselijke verschrikking zijn. Iemand heeft een echte
bovennatuurlijke
inspanning nodig om zich te vermannen om zijn “ik” tegenover de hele
wereld te
durven stellen, tegenover de natuur, tegenover de laatste
vanzelfsprekendheid:
het “geheel” trekt zich van mij niets aan, maar ik weiger net zozeer om
rekening met het “geheel” te houden. Laat het “geheel” maar triomferen!
Dostojewski
schept er zelfs een bijzonder soort genoegen in om ons te vertellen
over zijn doorlopende
nederlagen en mislukkingen. Niemand heeft ooit, vóór of
na hem, met zo’n
wanhopige volledigheid alle vernederingen, alle lijden van een ziel
beschreven,
die door het gewicht van de “vanzelfsprekendheid” wordt verpletterd.
Hij kan
niet rusten voordat hij aan zichzelf de wanhopige bekentenis heeft
ontrukt:
“Kan iemand die in zijn eigen ziel heeft gekeken, zichzelf echt nog
respecteren?”
En
inderdaad: wie kan zwakheid en onbeduidendheid respecteren? Het hele
boek is
een verslag van onmacht en vernedering. De man uit het ondergrondse
wordt uitgescholden,
uitgestoten, geslagen; en hij lijkt alleen maar op nog meer
mogelijkheden om te
worden vernederd, uit te zijn. Eigenlijk is het zo dat hij, hoe meer
hij wordt
beledigd, hoe meer hij wordt vernederd en hoe meer hij wordt
verpletterd, des
te dichter zijn doel nadert, het ontsnappen uit de “grot”, uit dat
behekste
rijk, waar wetten, principes en vanzelfsprekendheden de dienst
uitmaken, uit
het denbeeldige rijk van de gezonde en normale mensen. De man uit het
ondergrondse
is de meest ongelukkige, ellendige, en meest deerniswekkende van alle
mensen.
Maar de ‘normale’ mens, d.w.z. de mens, die in hetzelfde ondergrondse
leeft, maar
zelfs niet het vermoeden heeft, dat het een onderwereld is, en die er
van
overtuigd is, dat zijn leven het echte en enige leven is, en zijn
wetenschap de
meest volmaakte, zijn goed het absolute goed, dat hij de alfa en omega
is, het begin
en einde van alles - zo iemand lokt zelfs in de ondergrondse regionen
een
homerisch gelach uit.
Lees
maar wat Dostojewski heeft te vertellen over normale mensen, en vraag
je dan af
wat beter is: de pijnlijke stuiptrekkingen van een weifelend ontwaken,
of de
grauwe, geeuwende sloomheid van een zekere slaap. Dan zal het zich
tegenover de
hele wereld stellen van één iemand, je niet meer zo
paradoxaal lijken. Ondanks
de hele ogenschijnlijke absurditeit van deze oppositie, is het minder
absurd
dan de verheerlijking van de “collectiviteit”, van die gulden
middenweg, waarin
onze wetenschap en ons “goede” zich alleen maar kunnen ontwikkelen.
De
biograaf van Aristoteles (als Dostojewski het heeft over Claude
Bernard, bedoelt
hij eigenlijk Aristoteles) heeft hem ‘overdreven gematigd’ genoemd. In
feite
was Aristoteles het brein en de onvergelijkelijke zanger van de
‘collectiviteit’,
van de gulden middenweg en de middelmatigheid. Hij was de eerste die
onomstotelijk
het principe had vastgesteld, dat ‘beperking het teken van volmaaktheid
is’.
Hij heeft ook het ideale kennissysteem en de ethica in het leven
geroepen, die
sindsdien als voorbeeld hebben gediend. Toen in de Middeleeuwen de
“grenzen van
de mogelijke ervaring” zich min of meer onbegrensd leken uit te
breiden,
klampte het menselijke denken zich stevig vast aan de filosofie van
Aristoteles; en dat was natuurlijk niet per ongeluk. Aristoteles was
net zo
onmisbaar voor de theologen, als de organisatie van het Romeinse Rijk
voor het
pausdom was. Het Katholicisme was en moest een complexio oppositorum
zijn (een
samenstel van tegendelen) Maar door de ‘matigende’ invloed van
Aristoteles en
de Romeinse juristen, zou het nooit een overwinning op aarde hebben
behaald.
Misschien
is het passend om hier op te merken dat Dostojewski in de Russische
literatuur
niet alleen staat. Vóór hem en zelfs boven hem moet
Gogolj worden geplaatst.
Alle werken van Gogolj, de ‘Revisor’, ‘Het Huwelijk’, en de ‘Dode
Zielen’ en
zelfs zijn vroege verhalen, waarin hij zo vrolijk en kleurrijk het
Klein-Russische
leven schildert, zijn louter ‘Aantekeningen uit een ondergrondse.’
Poesjkin
riep, toen hij Gogolj las, uit: ‘God, wat een tragisch Rusland!’ Maar
Gogolj had
niet alleen Rusland op het oog: in zijn ogen was de hele wereld
behekst. Dostojewski
begreep dat, toen hij zei: ‘de boeken van Gogolj, verpletteren ons
onder een
vracht van onbeantwoordbare vragen, waar zij ons mee opzadelen.’
“Wat
is het vervelend om te leven, mijne heren!” Die jammerklacht, die
Gogolj
als het ware onwillekeurig liet vallen, had niet alleen betrekking op
het
Russische leven. Het is vervelend om te leven, niet alleen omdat er op
de
wereld teveel Tsjitsjikows, Nozdrjews en Sobakjewitsen zijn. Voor
Gogolj waren
de Tsjitsjikows en de Nozdrjows niet ‘zij’, niet de ‘anderen’, die hij
zou
moeten verheffen tot zijn eigen norm. Hij zegt zelf tegen ons en het
was geen
huichelachtige deemoed, maar een onverbiddelijke waarheid, dat hij niet
anderen, maar zichzelf beschrijft en belachelijk maakt in de ‘Revisor’
en de
‘Dode Zielen’. De boeken van Gogolj zullen een boek met zeven zegels
blijven zolang
wij weigeren om de waarheid van zijn bekentenis te aanvaarden. Niet de
slechtsten, maar de besten onder ons zijn alleen maar levende
automaten, die
door een geheimzinnige hand zijn opgewonden, en die zichzelf nergens en
nooit vrij
voelen om uitdrukking te geven aan hun eigen initiatief en hun eigen
vrije wil.
Sommigen van ons - maar ze zijn zeldzaam - voelen dat hun leven geen
leven maar
dood is. Maar zelfs zij zijn, net als Gogoljs spookbeelden, maar bij
tijd en
wijle in staat om in het holst van de nacht aan hun graven te
ontsnappen, en
hun buren te verontrusten met hun hartverscheurende kreten: “Ik ben
gestikt!
Gestikt!”
Gogolj
zelf realiseerde zich dat hij net als Wii (figuur uit een spookverhaal
van
Gogolj) was, de enorme, vormeloze aardgeest, die oogleden had die tot
op de
grond reikten, en die niet bij machte was ze ook maar een stukje op te
tillen,
zodat hij maar het stukje hemel zou kunnen zien, dat zelfs voor de
deerniswekkende
bewoners van Het Dodenhuis zichtbaar was. Die boeken, die sprankelen
van
geestigheid en humor, zijn in wezen vreselijke tragedies; en Gogolj
voelde dat
zijn eigen bestaan ook een tragedie was. Ook hem had de Engel des Doods
bezocht, die hem de vervloekte gave van het tweede gezicht had
toebedeeld. Maar
is die gave niet eerder een zegen dan een vloek? Kon iemand die vraag
maar
beantwoorden! Maar de hele betekenis van het tweede gezicht ligt in het
stellen
van vragen waar geen antwoord op is, juist omdat zij zo dringend een
onmiddellijk antwoord vragen.
Legioenen
duivels en machtige geesten kon de oogleden van Wii niet van de grond
opheffen.
Ook Gogolj kon zijn ogen niet openen, hoewel hij zich helemaal op die
inspanning
had geconcentreerd. Hij was alleen maar staat om zichzelf kwellen, om
de
martelaar uit te hangen en zichzelf in handen te geven van de
geestelijke beul
Vader Matwej; om zijn beste manuscripten te vernietigen en krankzinnige
brieven
te schrijven aan zijn vrienden.
Het
lijkt erop, dat die dorst naar zelfkwelling, dit ongehoord geestelijke
ascetisme, in zekere zin ‘nodiger’ was dan zijn prachtige litteraire
werken.
Misschien is er geen ander middel om je los te rukken uit de macht van
de ‘collectiviteit’.
Gogolj gebruikt dat woord niet. Gogolj had nog nooit gehoord van Claude
Bernard
en kon natuurlijk ook nooit vermoeden, dat Aristoteles de wereld had
behekst
met de ‘wet van de tegenstrijdigheid’ en andere vanzelfsprekende
waarheden.
Gogolj had geen opleiding genoten en was bijna even ongeletterd als de
timmerlieden en vissers uit Galilea, waarover Augustinus het over
heeft. En
toch, ondanks of dankzij dat, voelt hij nog kwellender dan Dostojewski,
de
absolute macht die de zuivere rede over zichzelf en de hele wereld
uitoefent,
en de tirannie van de ideeën, die de normale, gemiddelde mens
heeft geschapen,
en die de theoretische filosofie, die de nalatenschap van Aristoteles
heeft
aanvaard, heeft ontwikkeld en wijd verspreid.
7
In
ben al in de gelegenheid geweest om erop te wijzen, dat de beste en
enige volledige
definitie van filosofie te vinden is bij Plotinus. Op de vraag, wat
filosofie
is, antwoordt hij: το
τιμιωτατον (dat, wat het belangrijkste
is).
Op
de eerste plaats slecht deze definitie, ogenschijnlijk zonder
voorbedachte rade,
de barrières, die in de oudheid filosofie afscheidde van de
verwante gebieden
van religie en kunst; want de kunstenaar en de profeet zijn in feite
ook op
zoek naar το
τιμιωτατον. Maar afgezien
daarvan, onderwerpt het niet alleen de filosofie niet aan de controle
en
richting van de wetenschap; het plaatst het ene rechtstreeks tegenover
het
andere. De wetenschap is objectief en vrijblijvend; zij houdt er geen
rekening
mee of iets er al dan niet toe doet. Zij laat haar ogen kil, net zo
over de
onschuldige als de schuldige vallen, zonder medelijden of boosheid.
Maar waar
geen medelijden of verontwaardiging is, waar onschuldige en schuldige
op
dezelfde manier en onverschillig worden bekeken, waar alle
“verschijnselen”
alleen maar worden geclassificeerd en niet gekwalificeerd, kan geen
onderscheid
worden gemaakt tussen het belangrijke en het onbelangrijke. Daaruit
volgt dat
de filosofie, gedefinieerd als het το
τιμιωτατον, op geen enkele
manier wetenschap kan zijn. Ik zou nog verder willen gaan. De filosofie
moet
noodzakelijkerwijs botsen met de wetenschap, en met name als de vraag
naar de
soevereiniteit opduikt.
De
wetenschap pretendeert dat haar beweringen zeker, universeel en
noodzakelijk
zijn. Dat is haar kracht, haar historische betekenis, en haar grootste
aantrekkingskracht. Ik herhaal: de wetenschappers - en daar zijn er
velen van -
die zich verbeelden dat zij alleen “feiten verzamelen en beschrijven”,
vergissen zich vreselijk. Feiten op zichzelf zijn voor de wetenschap
onbruikbaar,
zelfs voor wetenschappen als plant- en dierkunde, geschiedenis, of
aardrijkskunde.
Wat de wetenschap wil is theorie, wil dat iets dat één
keer plaats vindt en wat
voor gewone ogen toeval lijkt, op een wonderbaarlijke manier in
noodzakelijkheid verandert. Aan de wetenschap dat ultieme recht
ontzeggen,
betekent, haar van haar voetstuk halen, om haar krachteloos te maken.
De
eenvoudigste omschrijving van het eenvoudigste feit vooronderstelt een
ultiem
voorrecht – dat van het Laatste Oordeel. De wetenschap constateert
niet, maar oordeelt.
Zij weerspiegelt de waarheid niet, maar zij schept die zelf, volgens de
autonome wetten, die zij zelf in het leven heeft geroepen. Met andere
woorden:
de wetenschap is het leven dat voor de rechtbank van het verstand moet
verschijnen. Het verstand beslist wat mag en wat niet mag. Dat beslist
– en dat
is iets wat men nooit moet vergeten – volgens zijn eigen wetten, zonder
rekening te houden met wat het het ‘menselijke, al te menselijke’
noemt.
Materie
en energie zijn onvergankelijk, maar Socrates en Giordano Bruno zijn
vergankelijk, zegt het verstand. En iedereen buigt voor die uitspraak
zonder enige
tegenspraak; niemand waagt het ook maar om de vraag te stellen: waarom
heeft
het verstand een dergelijke wet uitgevaardigd? Waarom is het zo
paternalistisch
bezig om de materie en de energie te beschermen, als het alles over
Socrates en
Bruno is vergeten! En nog minder wagen ze het om een andere vraag te
stellen.
Laten wij aannemen, dat het verstand die weerzinwekkende wet heeft
uitgevaardigd, met voorbijgaan aan alles, wat heilig is voor de mensen,
aan het
το τιμιωτατον; maar
waar haalt het dan de kracht vandaan om zijn besluit door te voeren? En
dan nog
zo volmaakt door te voeren dat het, gedurende heel het eindeloze
bestaan van de
wereld, niet één keer is gebeurd, dat er ook maar
één atoom spoorloos is verdwenen;
dat zelfs geen gram energie, geen fractie van een gram in de ruimte is
verdwenen? Dat is inderdaad een wonder, temeer omdat uiteindelijk het
verstand
in feite helemaal niet bestaat. Probeer het maar te vinden, het aan te
wijzen: dat
kun je niet. Het verricht wonderen als het meest reële wezen; maar
het bestaat
niet. En wij, die gewend zijn om alles ter discussie te stellen,
aanvaarden een
dergelijk wonder allemaal volmaakt rustig; want de wetenschap, in het
leven
geroepen door het verstand, betaalt ons een goede prijs: uit waardeloze
‘feiten’
schept zij een ‘ervaring’, met behulp waarvan wij ‘heersers over de
natuur’
worden. Het verstand heeft de mens op een buitengewoon hoge berg
neergezet, hem
alle koninkrijken van de wereld laten zien en tegen hem gezegd: Dat
alles zal
ik u geven, als gij voor mij neervalt en mij aanbidt. En de mens heeft
aanbeden,
en het beloofde gekregen, (zij het natuurlijk niet volledig.)
Sinds
die tijd is het aanbidden van het verstand beschouwd als de
belangrijkste
plicht van de mens. En elke andere houding tegenover het verstand komt
ons
zelfs ondenkbaar voor, in zekere zin onmogelijk. Ten aanzien van God
bestaat
het gebod: “Heb de Here God lief met heel uw hart en ziel.” Het
verstand doet
het zonder geboden: mensen hebben het uit zichzelf lief, ongevraagd. De
kennistheorie zingt gewoonweg de lof van het verstand, maar niemand
heeft de
euvele moed om dat ter discussie te stellen, en nog minder waagt men
het om zijn
soevereine rechten in twijfel te trekken. Het wonder van het omzetten
van feiten
in een ‘ervaring’, heeft alle breinen veroverd; allen erkennen, dat het
verstand de rechter is, maar zelf niet aan een oordeel is onderworpen.
Dostojewski
zag, dankzij zijn tweede gezicht, al gauw, dat de ‘ervaring’, waaraan
de mensen
hun wetenschap ontlenen, geen werkelijkheid is, maar een theorie. En
geen
succes, geen verovering en zelfs geen wonder kan een theorie
rechtvaardigen. Hij
stelde de vraag, of de ‘collectiviteit’, het collectieve bewustzijn
(waaruit
het vanzelfsprekende voortspruit) enig recht heeft op de bijzondere
voorrechten, die het zichzelf had toegeëigend. Met andere woorden:
heeft het
verstand enig recht om autonoom te oordelen, zonder daarvan aan iemand
rekenschap
af te leggen; of hebben wij hier alleen maar te maken met een
wederrechtelijke
in bezitneming van rechten, gerechtvaardigd door eeuwen van bezit?
Dostojewski
beschouwt het gevecht tussen het levende individu aan de ene kant en
het collectieve
bewustzijn aan de andere kant, niet zozeer als een van feiten, maar van
rechten. De ‘collectiviteit’ heeft zich de macht wederrechtelijk
toegeëigend. Wij
moeten het haar ontrukken; en als wij dat moeten volvoeren, is de
eerste stap
om ophouden te geloven in de legitimiteit van de wederrechtelijke
toe-eigening,
en onszelf voor te houden, dat haar kracht alleen maar ligt in ons
geloof in
haar kracht. De ‘natuurwetten’ met hun onnavolgbaarheid, de waarheden
met hun vanzelfsprekendheid,
zijn misschien alleen maar magie, autosuggestie, of invloeden van
buitenaf, die
ons hypnotiseren, zoals een gans wordt gehypnotiseerd als wij met krijt
een
cirkel om haar heentrekken. De gans zal niet in staat zijn om uit de
cirkel te
stappen, alsof het een muur is die haar omringt, in plaats van alleen
maar een
lijn. Als de gans zou weten hoe zij zou moeten redeneren en haar
gedachten in
woorden zou kunnen uitdrukken, zou zij een kennistheorie scheppen, een
betoog
houden over vanzelfsprekendheden, en in die krijtstreep de grens van de
mogelijke ervaring zien. Maar als dat zo is, dan moet onze
oorlogvoering tegen
de principes van de wetenschappelijke kennis niet met argumenten worden
gevoerd, maar met andere wapenen. Argumenten deugden slechts zolang wij
de
waarheid van de premissen, waaruit zij volgen, erkennen, maar als wij
die niet
erkennen, moeten wij op zoek gaan naar wat anders. “’Twee maal twee
is vier’
is niet het leven, mijne heren, maar het begin van de dood - de mens is
in
ieder geval altijd bang geweest voor dat ‘twee maal twee is vier’, en
ook ik
ben er nog steeds bang voor. Het klopt dat de mens aan niets anders
denkt dan aan
het zoeken naar dat ‘twee maal twee is vier’; dat hij daarvoor oceanen
doorkruist, dat hij zijn leven opoffert om het te zoeken, maar dat hij,
bij God,
echt bang is om het te vinden. ……..Twee maal twee is vier heeft voor
mij gewoon
iets schaamteloos. Twee maal twee is vier is een pretentieuze pedante
kwibus,
die met zijn armen in zijn zij je pad verspert en spuugt. Ik geef toe
dat twee
maal twee is vier iets fantastisch is, maar als we overal een punt van
maken is
twee maal twee is vijf ook best aantrekkelijk.”
Jullie
zijn niet gewend aan dergelijke argumenten tegen filosofische
theorieën; misschien
zijn jullie zelfs boos, omdat ik, nu ik de kennistheorie bespreek, deze
passages uit Dostojewski citeer. Jullie zouden gelijk hebben en deze
argumenten
zouden echt niet op zijn plaats zijn, als Dostojewski niet de vraag
over het
recht en de wederrechtelijke toe-eigening had opgeworpen. Maar daar
gaat het nu
juist om. ‘Twee maal twee is vier’, en het verstand en al zijn
bewijzen, zijn
gewoonweg niet bereid om het bespreken van de vraag over de rechten toe
te
staan. Zij kunnen dat niet, want als zij dat eenmaal toelaten, zijn ze
verloren. Zij weigeren om beoordeeld te worden, zij willen zowel
rechter als
wetgever zijn, en wie hen dat recht zou willen ontzeggen, zullen zij
vervloeken
en excommuniceren uit de oecumenische mensenkerk. Daarmee eindigt elke
mogelijkheid van discussie, en begint een wanhopig en moordend gevecht.
De
man uit het ondergrondse is in naam van de rede vogelvrij verklaard. De
wetten
beschermen, zoals wij weten, slechts de materie, de energie en de
principes. Er
is niets dat Socrates, Giordano Bruno, en welke grote of kleine mens
maar ook,
beschermt. En dan is er opeens iemand, een nietige, vernederde en
deerniswekkende man, die durft op te staan om zichzelf en zijn
zogenaamde
rechten te verdedigen. En zie, de blik van dit armzalige ambtenaartje
is dieper
en doordringender dan die van de beroemde geleerden. Over het algemeen
strijdt
een filosoof tegen het materialisme en voelt zich inderdaad heel trots,
als hij
erin slaagt om een paar min of meer overtuigende argumenten te
verzamelen,
waarmee hij zijn tegenstander kan weerleggen. Maar Dostojewski, die
niet verder
ging dan Claude Bernard, verwaardigt zich zelfs niet om met de
materialisten een
discussie aan te gaan; hij weet, dat het materialisme op zichzelf
machteloos
is; dat het zijn kracht alleen ontleent aan het idealisme, aan
ideeën, d.w.z. aan
datzelfde verstand, dat niets anders boven zichzelf toestaat. Maar hoe
kan de
tiran ten val worden gebracht? Welke methoden kun je dan bedenken?
Vergeet
niet, dat het onmogelijk is met het verstand te discussiëren. Alle
argumenten
zijn rationele argumenten, die uitsluitend bestaan om de aanspraken van
het
verstand te ondersteunen. Er rest maar één wapen:
spotten, schelden, en een
categorisch “nee” op alle eisen van het verstand. Op het verstand dat
regels
schept en zijn zegen aan normale mensen schenkt, antwoordt Dostojewski:
‘Maar
waarom bent u er zo vast, zo triomfantelijk van overtuigd, dat alleen
maar het
normale en positieve, met andere woorden, alleen datgene wat de het
gelukkig
zijn bevordert, de mens tot voordeel strekt? Vergist het denken zich
niet als
het om belang gaat? Houdt de mens behalve van gelukkig zijn, misschien
nog van
iets anders? Misschien is hij net zo dol op ellende. Misschien heeft
hij net
zoveel baat bij ellende als bij gelukkig zijn. De mens houdt soms
ongewoon
hartstochtelijk veel van ellende, dat is een feit. Daarvoor hoef je
niet eens
naar de wereldgeschiedenis te kijken; kijk alleen maar naar jezelf, als
je
tenminste een mens bent en echt geleefd hebt. Wat mij betreft, vind ik
het
nogal weerzinwekkend alleen maar van het gelukkig zijn te houden. Of
dat nu
goed of slecht is, weet ik niet, maar het is af en toe erg prettig om
iets
kapot te maken. Ik verdedig hier nou echt niet het lijden noch het
gelukkig
zijn, maar ik verdedig mijn eigen gril, en het recht om daarvan te
genieten als
ik dat wil. Ik weet bijvoorbeeld dat ellende in een blijspel niet wordt
toegestaan en in het kristallen paleis is het ook niet toelaatbaar.
Lijden is
twijfel en loochening, en wat zou een kristallen paleis zijn, waarin
iemand
twijfelt? Maar ik ben er zeker van dat de mens het ware lijden nooit op
zal
geven, d.w.z. de verwoesting en de chaos.”
Tegenover
zulke argumenten, moeten ook de meest subtiele bewijzen, die in de loop
van
duizenden jaren door kennistheorieën zijn ontwikkeld, verdwijnen.
Het zijn niet
langer de wet of het principe, die waarborgen voor zichzelf eisen en
krijgen,
maar de gril, die juist door haar aard, zoals iedereen weet, niet in
staat is
waarborgen van wat voor aard dan ook te geven of te krijgen. Dat
ontkennen is
het ontkennen van vanzelfsprekendheid. Maar dat is, zoals ik al heb
verteld,
nou precies waar Dostojewski mee bezig is; het bestrijden van
vanzelfsprekendheid. Onze vanzelfsprekendheid is alleen maar te danken
aan autosuggestie,
herhaalt hij doorlopend, net zoals ons leven, geen leven is maar dood.
Maar als
je Dostojewski wilt begrijpen, dan moet je zelf altijd zijn
fundamentele
stelling in gedachte houden; ‘twee maal twee is vier’ is een principe
van de
dood. Wij moeten kiezen: óf wij verwerpen dat ‘twee maal twee is
vier’, óf wij
erkennen dat de dood het einde van het leven en het laatste oordeel
over het
leven is.
Daar
ligt de bron van de haat van Dostojewski tegen het geluk, tegen het
evenwicht,
tegen de bevrediging; en vandaar zijn fantastische paradox: de mens
houdt van
het lijden - ‘Je kunt van alle over de wereldgeschiedenis zeggen,
alles, wat
er maar in het meest wilde brein kan opkomen, maar één
ding kun je niet
beweren: dat die redelijk is. Je mond zou die woorden weigeren uit te
spreken.”
Hier
moeten wij de man uit het ondergrondse corrigeren – hij heeft een
feitelijke
vergissing begaan, een vergissing die eerder de neiging heeft om zijn
“argument” te verzwakken dan te versterken. Het is volstrekt onjuist
dat wij
niet kunnen zeggen dat de wereldgeschiedenis zich volgens de regels van
het
verstand heeft ontwikkeld en dat de mond van iemand die dat zou willen
blijven
beweren, zou weigeren te spreken. Hoeveel mensen hebben dat al niet
gezegd!
Hele boeken zijn over dat onderwerp volgeschreven; welsprekende en
grondige
werken. Er is een geschiedenisfilosofie in het leven geroepen, waarin
bijna
mathematisch is aangetoond, dat er een bepaald rationeel idee ten
grondslag
ligt aan alle historische ontwikkeling. Hegel heeft onsterfelijkheid
verworven
met zijn geschiedenisfilosofie, en wie heeft sindsdien ooit enig
probleem gehad
met het uitspreken van het woord “vooruitgang”? En de theodiceeën!
Was het niet
de mens die de theodicee heeft uitgevonden, die eigenlijk diezelfde
filosofie
van de geschiedenis is? En heeft de theodicee van Leibniz minder voor
zijn
reputatie gedaan, dan de geschiedenisfilosofie voor Hegel? En is die
soms niet
vloeiend geschreven? Heeft zijn mond ooit één keer
gehaperd? Maar waarom heb ik
het over Leibniz? Was de goddelijke Plotinus niet zelf de vader van de
theodicee? Plotinus, die de mensheid zijn onuitsprekelijke inzichten
verkondigde,
inzichten die alleen aan mensen worden geopenbaard, die in extase de
grenzen
van de voor de “collectiviteit” mogelijke ervaring overstijgen.
De
etymologische betekenis van het woord theodicee is: ‘rechtvaardiging
van God,’
maar zowel bij Leibniz, die Plotinus op de voet volgde, als bij
Plotinus zelf, was
het niet God die door de theodicee werd gerechtvaardigd, maar het ‘twee
maal
twee is vier’. In zoverre Plotinus, als leraar en vertegenwoordiger van
een
filosofische school, zich loyaal aan het verstand onderwierp, kon hij
geen
ander onderwerp hebben. Het was niet de ‘gril’ die hij wilde
waarborgen; de
gril, de individuele vrije wil, is de bron van alle kwaad op aarde,
zegt hij
bijna werktuigelijk zijn voorgangers na. De gril moet, volgens de
traditie van
de scholen, worden vernietigd, tenietgedaan, en oplossen in een
‘principe’.
Daarom is in zijn theodicee, die als voorbeeld heeft gediend voor alle
volgende
theodiceeën, de enige bezigheid van Plotinus het aantonen dat
principes niet
ongedaan kunnen worden gemaakt, wat er ook in de wereld gebeurt. Mensen
worden
geboren en sterven, verschijnen en verdwijnen, maar het ‘twee maal twee
is
vier’ is eeuwig: dat is er altijd geweest en zal er altijd zijn. De
‘gril’ is
ook ooit geboren; die was er eerst niet, en is toen verschenen; daarom
ligt het
voor de hand dat er van de kant van het verstand geen waarborg en geen
bescherming aan kan worden geboden. Juist de geboorte van de gril zelf
was al
een dappere daad, een goddeloze daad. Maar goddeloosheid wordt vroeg of
laat gevolgd
door vergelding; de wet van Nemesis of Adrasteia is meedogenloos, zoals
het ook
past voor een natuurwet.
Dienovereenkomstig
komt de vraag over het lot van de afzonderlijke mensen en zelfs
volkeren in de
theodicee van Plotinus op het tweede plan. Als iemand slaaf is
geworden, aan
zijn verwondingen lijdt, als hij vrienden verliest en zelfs zijn
vaderland, dan
ligt dat in de natuurlijke orde der dingen. Waardoor hij lijdt is
individueel,
toevallig, een gril; daarom lokt dat geen vragen uit; elke vraag zou
zelf
misplaatst zijn. Vragen komen pas dan op, wanneer een principe wordt
aangetast.
Alleen het principe, datzelfde ‘twee maal twee is vier’, verdient
bescherming
en waarborgen, en krijgt dat ook.
Al
wordt je geruïneerd, gewond of benadeeld, dan heeft Adrasteia daar
nog niets
mee te maken. Als het een dier is of een natuurramp, dat de oorzaak van
je
ongeluk is, zal het geen reactie van de wereld teweegbrengen en niemand
zal je
te hulp komen. Want het verstand heeft niet verordend dat de mens niet
zal
lijden of te gronde zal gaan. Maar als iemand op een of andere manier
in
conflict komt met de “wet”; als hij iets van zijn buurman heeft
weggenomen, hem
heeft geslagen of hem op een of andere manier veel minder ernstig heeft
doen
lijden, dan het lijden waaraan wij door de ‘grillen’ van de natuur
doorlopend
worden onderworpen, kan dat niet worden vergeven. De waakzame Adrasteia
ziet er
onvermoeid op toe, dat er geen enkele overtreding van de wet ongestraft
blijft;
zij bekommert zich niet om het slachtoffer, zij schenkt hem geen
aandacht; maar
zij treft de dader van de misdaad. Als je moordt, dan zul je na je dood
worden
gereïncarneerd en op jouw beurt in deze tweede incarnatie worden
vermoord; als
je steelt, zul je bestolen worden, als je een vrouw verkracht, zul je
als vrouw
opnieuw worden geboren en eenzelfde verkrachting ondergaan, en zo
voorts, de
hele lijst van misdaden door tot aan de meest onbeduidende.
Het
gaat niet om het lijden van de man die je hebt bestolen, of de vrouw
die je
hebt onteerd; lijden en verdragen is het lot van de mensheid; daar
schuilt geen
kwaad in, en niemand hoeft zich zorgen maken over het weer goed maken
van het
misdrijf. Het kwaad ligt in het feit dat de misdadiger de wet heeft
overtreden.
Dat is absoluut ontoelaatbaar en vraagt om vereffening. Zowel in de
materiele
als in de ideële wereld, is alles in evenwicht; zelf het idee van
evenwicht is
door de ideeënwereld aan de materiele wereld ontleend. Het is
merkwaardig, dat
Plotinus, een buitengewoon scherpzinnige man, zich niet heeft
gerealiseerd, dat
de altijd waakzame activiteiten van Adrasteia meer deden dan het
waarborgen van
het evenwicht; zij stonden ook in voor de onvermijdelijke groei van het
kwaad
in het universum. Evenwicht vraagt dat iedere misdaad door een andere
misdaad
wordt gecompenseerd, zodat op die manier alle kwaad wordt vereeuwigd.
Als ik heb
gedood, zal ik ook zelf worden gedood, maar mijn moordenaar moet ook
gedood
worden, en zo voorts, eindeloos. En omdat er, behalve de door Adrasteia
tot in
eeuwigheid voortgezette misdaden, ook andere misdaden kunnen voorkomen,
is het
duidelijk, dat ieder volgend geslacht noodzakelijkerwijs misdadiger
moet zijn
dan het voorafgaande.
Ik
weet niet, wat Plotinus zou hebben gezegd, als iemand zijn aandacht had
gevestigd op deze consequentie. Naar alle waarschijnlijkheid zou het
hem in het
geheel niet in verlegenheid hebben gebracht. Het ‘principe’, het ‘twee
maal
twee is vier’, het ‘evenwicht’ zijn in acht genomen, en de tol aan het
verstand
is betaald. Wat kun je nog meer willen?
8
Trouwens,
zolang wij binnen de grenzen van het verstand blijven, binnen de
grenzen,
waarbinnen het leven voor het doorsnee bewustzijn of de collectiviteit
is
voorgeschreven, wordt ons begrijpen, onze interpretatie van wat er om
ons heen
gebeurt, teruggebracht tot zuiver mechanische verklaringen. In de
materiele
wereld heet het evenwicht, in de morele wereld rechtvaardigheid, wat
alleen
maar hetzelfde evenwicht is onder een andere naam. En de filosofie, die
een
wetenschap wil zijn, bekommert zich alleen maar om het oplossen van de
vergelijking, waarin het universum zichzelf op zo’n manier voor ons
begrip
nader verklaart, dat als de onbekende grootheden zijn gevonden, het
resultaat
precies klopt. Geen offer wordt te groot gevonden om dat doel te
bereiken, dat
zo onaanvechtbaar wordt beschouwd, dat men het ziet als de
belangrijkste
voorwaarde, niet alleen voor het denken maar ook voor het bestaan. Om
ervoor te
zorgen dat het evenwicht niet wordt verstoord, wordt het toevertrouwd
aan de
onsterfelijke en angstaanjagende Adrasteia. Dat is echt niet alleen
niet meer
natuurlijk; het is een wonder der wonderen. Zolang het alleen maar een
kwestie
is van ‘twee maal is twee vier’, zolang wij nog alleen maar hebben te
maken met
abstracte getallen, is er niets aan de hand. Hier wordt de
onveranderlijkheid
van de twee delen van de vergelijking met algemene instemming, door een
soort
stilzwijgend maatschappelijk contract, zeker gesteld. Maar daarmee
stelt de
wetenschap zich niet tevreden. Zij is niet tevreden met het heersen in
de door
de mens geschapen ideeënwereld. Zij wil ook heersen in de echte
wereld; zij
wil, zoals in het sprookje, dat het gouden visje zelf haar dienaar is,
en
daarom bedenkt zij een Adrasteia, die waakt over het, voor ons verstand
zo
dierbare, evenwicht. En de wetenschap slaagt erin om dat zo onopvallend
te doen
en plaatst daarbij de godin zover weg van de wereld van verschijnselen,
waarover zij heerst, dat niemand iets bovennatuurlijks aan de zaak
vermoedt. De
uiterste willekeur gaat zo door voor een natuurlijke noodzakelijkheid.
Dostojewski
moest voorbij alle grenzen komen, om in ‘extase’ te geraken, voordat
hij durfde
te zien, dat de pretenties van Adrasteia ‘schaamteloos’ waren, net
zoals
Plotinus eerst in extase moest geraken voordat hij zichzelf kon
bevrijden uit
de greep van de filosofische vanzelfsprekendheden.
En zelfs
nu weten wij nauwelijks, als wij Dostojewski lezen, of wij echt het
recht hebben
om te protesteren tegen het ‘twee maal twee is vier’, of dat wij door
moeten
gaan met daarvoor onze knieën te buigen. Dostojewski was er zelf
niet zeker van
of hij zijn vijand had kleingekregen of dat hij opnieuw was bezweken
voor de
macht van de wet. Hij wist het niet zeker tot de laatste dagen van zijn
leven.
Toen hij was ontsnapt uit de ‘collectiviteit’, raakte hij in een
eindeloos ingewikkeld
labyrint verzeild, was zelf niet meer in staat om te oordelen en wist
zelfs
niet meer of dit een aanwinst of een verlies was. Hij voelde zich
verplicht om
de meest “gevaarlijke absurditeiten” en de meest “oneconomische onzin”
op te
sporen, enkel en alleen om aan al zijn inzichten een “fantastisch en
kwaadaardig”
element toe te voegen.
Een
fantastisch element! Met andere woorden: het probleem waar hij mee
worstelde
was niet de natuurlijke orde, die voor eens en altijd was vastgelegd en
daarom
waarschijnlijk te begrijpen, maar Adrasteia zelf met haar eeuwige
raadsels en
onoplosbare geheimen. De wetenschap, geschapen door de
‘collectiviteit’, verbant
Adrasteia met al haar grillen, fantasieën en wonderen, uit het
zicht, en doet,
om ‘rustig te kunnen leven’, alsof er in de wereld niets
wonderbaarlijks of
fantastisch bestaat. Dostojewski haatte de ‘het rustige’ en alle
‘voordelen’,
die de ‘orde’ voor de mensheid met zich mee bracht. Daarom waren noch
onze kennistheorie,
noch onze ‘logica’ in staat om hem hoe dan ook te imponeren. Hij stelt
alles in
het werk, niet om al onze vanzelfsprekendheden te rechtvaardigen, maar
om ze
omver te werpen. “U gelooft in een onverwoestbaar kristallen
paleis, een
paleis waar je nooit je tong tegen uit kan steken of stiekem een lange
neus
naar kan maken. En misschien is dat het juist wat mij zo bang voor dat
bouwsel
maakt, dat het van kristal is en niet vernietigd kan worden en dat je
er nooit
je tong naar uit kan steken, zelfs niet stiekem. Ziet u, als het in
plaats van
een paleis een kippenhok was geweest, zou ik er misschien inkruipen om
niet nat
te worden, maar dan zou ik uit dank dat het me droog gehouden heeft,
dit
kippenhok toch echt geen paleis noemen. Nou lacht u en zegt dat onder
dergelijke omstandigheden een kippenhok net zo goed is als een
herenhuis. Was
het maar zo, antwoord ik u dan, dat je alleen maar hoefde te leven om
de regen
buiten te houden. Maar wat moet ik beginnen, als ik nu eenmaal in mijn
hoofd
gehaald heb, dat dat niet het enige doel in het leven is, maar dat je,
als je
dan toch leeft, dat beter in een herenhuis kan doen.”
Zoals
het een mens uit het ondergrondse betaamt, voert hij geen bewijzen aan.
Hij
weet heel goed, dat als het op bewijzen aankomt, het verstand zal
triomferen. Wie
heeft ooit een dergelijk argument gehoord? Je tong uitsteken, je
vuisten
ballen! Je komt ertegen in opstand. Hoe kan iemand een dergelijk
optreden “een
argument” noemen en van de wetenschap eisen dat zij daar rekening mee
houdt? Maar
de man uit het ondergrondse vraagt niet dat er met hem rekening wordt
gehouden;
en misschien is dat wel het meest opmerkelijke aspect van zijn
persoonlijkheid.
Hij realiseert zich, dat ‘algemene erkenning’ hem niets zal opleveren,
en het
komt niet in hem op om anderen te overtuigen. Hij wil zijn gedachten
niet op de
komende eeuwen neerschrijven, als op stenen tafelen; hij probeert niet
de
geschiedenis te sturen. Zijn ‘belangstelling’ is vreemd voor de
‘collectiviteit’,
en daarom vreemd voor de geschiedenis. ‘U lacht alweer?’ zegt hij.
‘Misschien
lacht u nu opnieuw. Gaat u maar gerust uw gang, ik neem al uw
spotternijen
gaarne in de koop toe mee, maar ik zeg toch niet, dat ik zat ben, als
ik nog
wil eten, ik weet toch, dat ik geen genoegen neem met een compromis….
Ik
beschouw een duur huis met tal van kamers voor arme huurders, …….niet
als de
bekroning van mijn verlangens. En als ge mij geen aandacht waardig wilt
keuren,
dan zal ik u immers ook niet groeten. Ik heb een ondergrondse…….
Maar voorlopig
leef ik
nog, voorlopig wonen er nog
verlangens in me... en mijn hand moge verdorren, als ik ook maar
één
tegelsteentje bij zal dragen voor dit dure huis. U moet er niet op
letten, dat
ik pas dit kristallen paleis van de hand heb gewezen, enkel en alleen
omdat ik
daartegen mijn tong niet kon uitsteken. Ik zei dat helemaal niet, omdat
ik er
zo van houd om mijn tong uit te steken. Ik was wellicht alleen daarom
boos, omdat
er onder al uw bouwwerken tot nu toe geen enkel gevonden wordt,
waartegen men
zijn tong niet zou kunnen uitsteken.’
Een
vast, bepaald doel heeft de man uit het ondergrondse niet. Hij hunkert
wel
vurig, krankzinnig en hartstochtelijk, maar hij weet niet en zal nooit
weten
waar hij naar hunkert. De ene keer zegt hij, dat hij nooit afstand zal
doen van
het genoegen om zijn tong uit te steken, dan weer verklaart hij, dat
hij
helemaal niet zo van plagen houdt. Op het ene moment zal hij zeggen,
dat hij ruim
voldoende heeft aan zijn ondergrondse en dat hij niets anders nodig
heeft; het
andere moment wenst hij het de duivel toe. Plotseling barst hij uit in
de
volgende tirade: ‘En dus: Hoera voor het ondergrondse!!! Hoewel ik
gezegd
heb dat ik de normalen tot mijn laatste druppel gal benijd, zou ik toch
niet
graag zoals zij zijn (hoewel ik ze blijf benijden). Nee, o nee, het
ondergrondse leven is hoe dan ook veel prettiger. Daar kun je in ieder
geval….O, zelfs nu lieg ik weer. Ik lieg omdat ik zelf wel weet, dat
het niet
het ondergrondse is dat beter is, maar iets anders, iets heel anders,
waar ik
naar hunker, maar wat ik niet kan vinden! Dat verdomde ondergrondse!’
Wat
er in het brein van de man uit het ondergrondse plaats vindt, lijkt op
geen
enkele manier op ‘denken’, zelfs niet op ‘zoeken’. Hij ‘denkt’ niet,
hij windt
zichzelf wanhopig op, gooit zichzelf heen en weer, en bonkt zijn hoofd
tegen de
muur. Hij raakt de hele tijd in vuur en vlam, snelt naar ongekende
hoogten van
razernij, om zichzelf vervolgens in God weet wat voor diepe afgronden
van
wanhoop te slingeren. Hij heeft geen controle meer over zichzelf; een
kracht,
veel groter dan hijzelf, heeft hem volledig in zijn macht. ‘Als ik
zelf maar
iets geloofde van wat ik hier heb opgeschreven. Maar ik zweer u, mijne
heren,
dat ik zelf ook geen woord geloof van wat ik hier heb neergeschreven.
Dat wil
zeggen, ik geloof het misschien wel, maar tegelijkertijd voel ik en
vermoed ik,
ik weet niet waarom, dat ik lieg alsof het gedrukt staat’
Hij,
aan wie de Engel des Doods de geheimzinnige gave heeft verleend, heeft
en kan
niet langer de zekerheid hebben, die met onze gewone overtuigingen
gepaard gaat
en die aan de waarheden van ons collectieve bewustzijn een prachtige
vastheid
verleent. Hij moet daarom leven zonder zekerheid en zonder overtuiging.
Hij
moet zijn geest in vreemde handen geven, een inerte massa worden, klei
die de
pottenbakker zal vormen in wat hij zelf wil. Dat is het enige waar de
man uit
het ondergrondse absoluut zeker van is. Hij begrijpt dat noch de
activiteit van
het verstand, noch enig menselijk handelen hem kan redden. Met wat voor
zorgvuldigheid, met wat voor bovenmenselijke inspanning, heeft hij
alles de
revue laten passeren, wat de mens met behulp van zijn verstand kan
bereiken,
alle kristallen paleizen, en hij heeft gezien dat het geen paleizen
maar
kippenhokken en mierenhopen waren; want allemaal waren zij gebouwd op
het
principe van de dood, op het ‘twee maal twee is vier’. En hoe meer hij
dat
voelt, des te sterker welt uit het diepst van zijn ziel die meer dan
rationele,
onbekende, oerchaos op, die meer dan alles het collectieve bewustzijn
afschrikt. Daarom doet hij in zijn ‘kennistheorie’ afstand van alle
zekerheid,
en stelt daar, als zijn ultieme doel, de onzekerheid tegenover. Daarom
steekt
hij gewoon zijn tong uit naar de vanzelfsprekendheden, daarom prijst
hij de
altijd onvoorwaardelijke, onvoorziene, irrationele gril, en spot hij
met alle
menselijke deugden.
9
De
‘Aantekeningen uit een Dodenhuis’ en de ‘Aantekeningen uit het
Ondergrondse’
zijn de bron voor alle latere werken van Dostojewski. Zijn grote
romans:
‘Misdaad en Straf’, ‘De Idioot’, ‘Demonen’, en ‘De Broeders Karamazow’,
zijn louter
een reeks van uitgebreide commentaren op deze twee werken. Het gaat
altijd over
het tegenover elkaar stellen van het natuurlijke zien en het
bovennatuurlijke
zien, dat de gave van de Engel des Doods was. De vanzelfsprekendheid,
dwingend
als altijd, eist erkenning en onderwerping van Dostojewski. Ook voor
hem is de
krijtcirkel een muur, die onmogelijk kan worden verplaatst en
onmogelijk te
doorbreken is. Het ‘twee maal twee is vier’ blijft altijd de eeuwige
wet, die zich
volledig bewust is van haar rechten ten opzichte van en tegenover
anderen, en
spot noch woede vreest. Het ‘leven’ gaat zijn gang, de normale mensen
triomferen, de ‘wetenschap’ ontwikkelt zich en wordt sterker, het
‘evenwicht’ laat
zelf haar ultieme principe zien, zelfs boven de allesverslindende tijd
verheven.
Maar de arme ‘gril’ blijft om wat zekerheid vragen, maar alle
zekerheden zijn
al vergeven en op haar wordt geen acht geslagen. Dostojewski mag dan zo
hard
als hij kan roepen: “Laat de hele wereld maar vergaan, zolang ik
maar kop thee
heb!”, de wereld blijft op zijn plaats, en thee krijgt hij af en
toe wel,
maar meestal niet. En aan het kristallen paleis moet je liever maar
niet meer
denken: overal kippenhokken, mierenhopen, veestallen, en je moet onder
het
eerste het beste afdak kruipen om je te beschutten voor het slechte
weer; je
moet onder het eerste beste afdak dat je ziet kruipen, hoe smerig het
ook is.
Het
lijkt alsof het voor hem al lang tijd is geworden, om het gevecht op te
geven
en zich over te geven aan de genade van de overwinnaar. Maar
Dostojewski heeft
nog een laatste ‘argument’ achter de hand, dat de meeste mensen
steekhoudender
vinden dan alle andere. Het komt soms voor dat de mens de voorkeur
geeft aan
het lijden boven gelukkig zijn, en dat chaos en verwoesting
aantrekkelijker
voor hem zijn dan orde en scheppen. Dostojewski geeft dat idee nooit
op. Heel
zijn werk is daardoor geïnspireerd; overal zie je daar sporen van,
zelfs in het
‘Dagboek van een Schrijver’. Je zou kunnen zeggen, dat dat niet echt
een idee
is, maar dat het altijd diezelfde ‘gril’ is, die zichzelf, om onbekende
redenen, in de weelderige kledij van een idee heeft uitgedost, dat
helemaal
niet past bij haar nederige aard. Je kunt niet ontkennen dat dit
staatsiekleed
niet het argument van Dostojewski wordt. Hoewel hij doorlopend van het
woord
“idee” gebruik maakt, heeft hij niet het recht om dat te doen. Het
verstand
heeft alle ideeën ver achter zich gelaten. Waar geen verstand is,
daar kunnen
chaos en grillen bestaan, maar geen ideeën.
Wij
zien dit al in ‘Misdaad en Straf’. Het lijkt alsof er in die roman een
‘idee’
is en moet huizen; de titel alleen al geeft ons het recht tot een
dergelijke
veronderstelling. Waar misdaad is, is straf: dat is een idee en een
idee dat
voor het collectieve bewustzijn volstrekt begrijpelijk is. Het is het
in ere
herstellen van de oude rechtvaardigheid, het evenwicht, het principe,
de waakzame
Adrasteia, het ‘twee maal twee is vier’, van alles, waarmee de held uit
het ondergrondse
zo beledigend de draak steekt. En het is inderdaad een feit dat,
terwijl de ‘Aantekeningen
uit het Ondergrondse’ onopgemerkt bleven en ook nu nog weinig wordt
gelezen,
‘Misdaad en Straf’ een enorm succes had en de basis legde voor het
litteraire
succes van Dostojewski. Het verhaal van Raskoljnikow leek voor iedereen
volmaakt
begrijpelijk: hij wilde ontsnappen aan het collectieve bewustzijn, en
werd,
zoals het behoort, niet in een God, maar in een wild dier veranderd. En
hij
bleef dat dier, zolang hij “zelf bewust was van de leugen die in
hemzelf en
zijn overtuigingen school.” Alleen een dergelijk bewustzijn, legt
Dostojewski
uit, ‘kan de crisis voorvoelen, waar hij doorheen moet naar zijn
komende
opstanding en zijn nieuwe opvatting over het bestaan”.
Je
hoort hier een echo van de opvattingen die door Dostojewski zijn
beschreven in
de ‘Aantekeningen uit een Dodenhuis’. Hier is hetzelfde kleine randje
blauwe
lucht, vol belofte, boven de gevangenismuur te zien: hier is hetzelfde
vrije
leven temidden van vrije mensen, waarover Dostojewski in het strafkamp
droomde.
Hij gebruikt bijna dezelfde woorden:
‘Raskoljnikow
kwam uit de schuur, ging aan de oever van de rivier op de opgestapelde
balken
zitten, die langs de voet van de muur waren gelegd en begon naar de
brede
verlaten rivier te staren. Van de andere oever drong nauw hoorbaar een
liedje
door. Daar, in de met zon overgoten, onafzienbare steppe kon hij de
nomadententen zien als kleine, nauwelijks zichtbare stippen. Daar was
de
vrijheid; daar was het of de tijd zelf was blijven stilstaan, alsof de
tijden
van Abraham en zijn kudden nooit voorbij waren gegaan’.
Op
dit plechtige ogenblik verschijnt Sonja naast hem. Voor de tweede keer
in de
roman komen de moordenaar en het lichte meisje samen. Maar de eerste
keer waren
zij bij elkaar gekomen om samen de eeuwige Schriften te lezen, en deze
keer
staan zij voor het aangezicht der eeuwige natuur. En er voltrekt zich
een
wonder: ‘Hoe het gebeurd was, wist hij zelf niet, maar plotseling
werd hij
door iets aan het wankelen gebracht en deed hem zich aan haar voeten
werpen. En
hij weende en omarmde haar knieën’.
Waarom
dat ‘plotseling’? Wat betekent dat ‘plotseling’? Toen Raskoljnikow op
de avond
van dezelfde dag naar de gevangenis terugkeerde, dacht hij natuurlijk
na over wat
er was gebeurd. Maar hij dacht volstrekt anders dan op de manier waarop
andere
mensen denken. Zijn gedachten drongen zich in een ordeloze vloed aan
hem op:
‘Alles,
zelfs zijn misdaad, zelfs het vonnis en de verbanning, leek hem nu, in
zijn
vervoering, een reeks vreemde gebeurtenissen, buiten hemzelf, en alsof
ze bij
iemand anders waren voorgevallen.”
En in
werkelijkheid was dit ‘verleden’ van Raskoljnikow, dat door Dostojewski
zo
zorgvuldig is beschreven, niet echt het verleden van Raskoljnikow. Hij
had het
recht om zichzelf af te vragen, of hij het wel was die de oude vrouw
Jelizaweta
had vermoord. En ik denk niet, dat één van de aandachtige
lezers van Dostojewski,
en allerminst Dostojewski zelf, in staat zou zijn geweest om die vraag
bevestigend te beantwoorden. Misschien had hij haar vermoord, en
misschien ook
niet. In beide gevallen gaat het er niet om of de misdaad al dan niet
had
plaats gehad, maar waar het echt om gaat is dat de bestraffing vrijwel
zeker
plaats vond. In de laatste roman van Dostojewski treft de straf Dimitri
Karamazow, die, zoals de schrijver ons vertelt, onschuldig was aan de
misdaad.
En Dostojewski triomfeert: ‘De boeren deden wat van hen werd
verwacht: zij
hebben een onschuldige veroordeeld.’
Waarschijnlijk
zal iedereen het met mij eens zijn dat Raskoljnikow even weinig
schuldig aan
moord was als Karamazow. Of je kunt beter zeggen, dat er nooit een
Raskoljnikow
en nooit een Karamazow heeft bestaan, en dat beiden voor Dostojewski
volstrekt
onbelangrijk waren: ‘Ik heb het steeds over iets anders, iets
anders, maar
ik heb het over mijzelf. Waar kan een oprecht mens het anders over
hebben dan
over zichzelf?” Dostojewski vertelt ons altijd alleen maar over
zichzelf.
Hij had altijd de krankzinnige en afschuwelijke gedachte, die hem nooit
verliet,
en die hij met een ongeëvenaard cynisme aan de man uit het
ondergrondse in de
mond legde: “Laat de hele wereld maar vergaan, zolang ik maar mijn
kop thee
heb.”
Dit
is weer zo’n gril, die voor zichzelf zekerheid vraagt, en uit naam
waarvan Dostojewski
in opstand tegen de ‘wetenschap’ kwam; het is het lelijke eendje, dat
onverwachts uit het ei komt temidden van al die verheven en edele
gedachten,
die met hun heldere stralen de duisternis van strafkamp verlichten. Hoe
raadselachtig dit ook is, je moet toegeven dat Dostojewski altijd de
hoop heeft
gekoesterd, dat zijn lelijke eendje op een zekere dag in een prachtige
zwaan zou
veranderen. Veel later, kort voor zijn dood, toen Dostojewski het
‘Dagboek van
een Schrijver’ schreef, en zei dat de mensheid altijd maar
één bezigheid had
gehad, namelijk de onsterfelijkheid van de ziel, herhaalde hij slechts
de
woorden van zijn held uit het ondergrondse. Het is dezelfde stem,
dezelfde hardnekkigheid,
en hetzelfde krampachtige gezicht. ‘Ik verklaar dat liefde voor de
mensheid onvoorstelbaar,
onbegrijpelijk en volkomen onmogelijk is, zonder geloof in de
onsterfelijkheid
van de ziel’.
Herken
je die stem echt niet? Houd je nog steeds vol dat Dostojewski en zijn
held uit
het ondergrondse, niet een en dezelfde mens zijn? Het is steeds
datzelfde lelijke
eendje. De prachtige zwaan is nog steeds ver weg, zelfs ondanks het
feit dat al
zijn romans al zijn geschreven, ‘De Gebroeders Karamazow’ incluis. Je
kunt
datzelfde lelijke eendje ook nog zien in de toespraak, die hij hield op
de
vijftigste verjaardag van Poesjkin en in de polemiek met professor
Gradowski
naar aanleiding van die toespraak. De zwaan is nog steeds even ver weg.
Maar ik
druk mij niet nauwkeurig uit. “Ver weg!” Ik had beter kunnen zeggen,
dat dat
het effect is van het dubbele zien en de dubbele ogen, die hun invloed
doen
voelen. Met zijn eigen ogen kan Dostojewski het lelijke eendje zien;
maar de
andere ogen, de ogen van de Engel, laten hem een prachtige zwaan zien.
Het
gevecht tussen het natuurlijke en het onnatuurlijke zien houdt geen
moment op;
integendeel, het verscherpt zich alleen maar. Het oude zien eist
bewijzen, het
wil alle indrukken in overeenstemming brengen met de indrukken die door
de
andere zintuigen worden verschaft, het begrijpt en luistert zelfs niet
naar de
stem van het verstand. De ‘wet van de tegenstrijdigheid’ is natuurlijk
razend
en de ‘oude man’ weet niet wat hij moet doen. Uiteindelijk probeert hij
de
vrede in zijn ziel te herstellen, door aparte namen aan de
tegenstrijdige
manieren waarop hij de dingen ziet, te geven. Hij zegt: “Mijn nieuwe
ogen zijn
geen kennis, zij zijn geloof.” Maar het verstand is niet gesust, want
het
verstand laat geen autonoom geloof toe. Het verstand maakt aanspraak op
almacht
en de sleutels van de hemel, en als het geloof wil dat het wordt
geaccepteerd,
moet het zichzelf voor het verstand rechtvaardigen en zich aan zijn
wetten
onderwerpen.
Dostojewski,
dezelfde Dostojewski, die in de ‘Aantekeningen uit het Ondergrondse’ zo
spotte
over de pretenties van het verstand, en die Claude Bernard (alleen als
wij
beseffen dat het niet Claude Bernard, maar Aristoteles was, die hij
bedoelde) –
die Claude Bernard en zijn wetenschap liet buigen voor Dimitri
Karamazow, een
vrijwel onontwikkeld man; Dostojewski, die in de ‘Idioot’ zei: ‘Het
wezen
van het religieuze gevoel kan door geen enkele redenering gevat worden;
daar is
iets anders aan de hand, iets anders, waar atheïsten altijd over
uit zullen
glijden, zonder dat ze in staat zijn om tot de kern door te dringen.”
- diezelfde
Dostojewski was zelf niet in staat om in een doorlopende open oorlog
met het
verstand te leven. Er waren momenten, waarop hij werd overweldigd door
zijn
tweede gezicht en door de toestand van een doorlopende twijfel, in het
leven
geroepen door de tegenstrijdigheden die het opriep; op zulke momenten
keerde
hij zich af van zijn bovennatuurlijke zien en probeerde de harmonie,
die voor
het mensdom zo noodzakelijk is weer terug te pakken. Deze tussenpozen
zijn het,
die de lezer weer met zijn werk verzoenen en bijna alle romans eindigen
met een
volmaakt majeurakkoord, dat triomfantelijk alle kwellende twijfels
oplost, die
in het verloop van het boek zijn opgedoken. Dit zijn de laatste woorden
van
‘Misdaad en Straf’: “Maar hier begint een nieuw verhaal, het
verhaal van de
geleidelijke vernieuwing van de mens, het verhaal van zijn geleidelijke
verandering,
zijn overgang van de ene wereld in een andere, van de ontdekking die
hij deed
van een nieuwe en tot dan toe onbekende werkelijkheid. Maar dat zou het
onderwerp
kunnen vormen voor een ander verhaal. Ons verhaal is uit.”
Is
het echt afgelopen? Natuurlijk, als een volmaakt majeurakkoord en de
belofte ons
de overgang naar een nieuw leven, en een geleidelijke weg daarnaar toe
te tonen
(d.w.z. de meest redelijke, die je je kunt voorstellen; want door
geleidelijkheid wordt, zoals bekend, elk geheim, elk raadsel, elke
gril, al het
onverwachte, in één woord, die hele irrationele en
visionaire kant van het
leven, waarover Dostojewski ons zoveel heeft verteld, opgelost), - als
dat antwoorden
zijn op die drukkende vragen, die ons door alle bladzijden van de roman
heen
hebben achtervolgd, dan heeft hij het recht om zichzelf toe te staan om
niet
alleen een streep te zetten en zijn verhaal af te breken, maar om het
woord
‘finis’ neer te schrijven
Maar
die belofte is nooit vervuld. Vijftien jaar later, nog maar kort voor
zijn
dood, herhaalt Dostojewski opnieuw deze zelfde belofte in de ‘Broeders
Karamazow’; hij beseft dat het tijd is om zijn belofte te vervullen,
maar neemt
geen stappen om het te doen. Het is duidelijk, dat hij een onmogelijke
taak op
zijn schouders heeft genomen; langzame en geleidelijke veranderingen
zijn
mogelijk - die vinden vrij vaak plaats - maar zij leiden ons niet naar
een
nieuw leven; zij voeren ons alleen van het ene oude leven naar een
ander oud
leven. Het ‘nieuwe’ leven maakt zich altijd plotseling bekend, zonder
enige
nadering of voorbereiding, en het bewaart zijn vreemde, raadselachtige
karakter
temidden van gebeurtenissen, waarvan de loop wordt bepaald door de oude
wetten.
Dostojewski zegt over Raskoljnikow, dat hij zijn banden, die hem met
andere
mensen verbonden, had verbroken, alsof hij ze met een schaar had
doorgeknipt.
Geen aardse macht zou verbanden, die zo ruw zijn verbroken, weer aan
elkaar
kunnen knopen. Dostojewski stelt zowel in ‘Misdaad en Straf’, net als
in zijn
andere werken, alle pogingen in het werk om zijn man uit het
ondergrondse,
d.w.z. zichzelf, meer normaal te maken; maar hoe harder hij dat
probeert, hoe
minder het lukt.
In
‘De Idioot’, dat onmiddellijk na ‘Misdaad en Straf’ is geschreven, wil
hij ons
in de persoon van Vorst Mysjkin iemand uit dat ‘nieuwe’ leven, waar hij
ons
zoveel over heeft verteld, laten zien. Het werk is opmerkelijk, maar je
ziet er
geen nieuw leven in. Dostojewski is niet in staat om dat te bereiken,
want zijn
tweede zien doet hem zien dat “alles een begin heeft en niets een
einde.” Hij
herhaalt dat doorlopend en bij elke gelegenheid, net als zijn andere
gedachte
die hem zo dierbaar is: “De mens houdt evenveel van afbreken als van
opbouwen.”
Maar als dat juist is, als alles een begin heeft en niets een einde,
als de
mens evenveel van afbraak houdt als van opbouw, hoe kan er dan op aarde
een
nieuw leven bestaan? En inderdaad, kijk maar naar de manier waarop
Vorst Mysjkin
zelf leeft en wat hij de mensheid aandoet – en in de ogen van zijn
schrijver is
hij al tot in zijn vezels veranderd en vernieuwd.
Wij
vinden dezelfde drukkende, oververzadigde atmosfeer net zozeer in de
‘Idioot’
als in de andere romans van Dostojewski. De schrijver wil als het ware,
in een
door ‘de wetten van de tegenstrijdigheid en causaliteit’ beschermd
verhaal, gebeurtenissen
uit het zielenleven van een mens persen, die er niet in passen, in de
stille
hoop, dat de wetten, die niet in staat zijn om weerstand te bieden aan
hevige
druk van binnen uit, plotseling uiteen zullen vallen en zullen wijken,
en dat hij
dan de tweede tijdsdimensie zal vinden, waarin die dingen voort zullen
gaan en eindelijk
zichtbaar zullen worden, dingen die wij nu alleen maar kunnen waarnemen
in de
eerste dimensie als beginnend, maar zonder einde.
Op
een morgen ontmoet Vorst Mysjkin Rogozjin en Ptjitsyn in een
spoorwegcoupé, en
maakt in de loop van dezelfde dag kennis met bijna alle ontelbare
personages
van de roman. De gebeurtenissen volgen elkaar op met een
duizelingwekkende
snelheid; in de voorkamer van generaal Jepantsjin vertrouwt Vorst
Mysjkin de
huisknecht zijn diepste en meest intieme gevoelens toe. Vervolgens komt
de
scène in de studeerkamer van Jepantsjin, - met het portret van
Nastasja Filippowna
– het gezin van de generaal, de familie Iwolgin, de ontmoeting met
Natasja
Filippowna, de Olaws, enz, tot aan de avond, met de aankomst van
Rogozjin en
zijn troep dronkaards en nietsnutten, die de gastvrouw met haar
verjaardag
komen feliciteren, enz. Het is overbodig om te zeggen dat Mysjkin en
Rogozjin,
en alle anderen geen mensen zijn, maar louter maskers. Dostojewski
heeft nooit
een levend mens beschreven. Al die verschillende maskers verbergen maar
één
echt mens, de schrijver zelf, die met voorbijgaan aan alle andere
mensen, en
alleen maar op zichzelf geconcentreerd, verdergaat met de enige zaak
die hem interesseert,
het gevecht met zijn oude tegenstander, het ‘twee maal twee is vier’.
Het ‘twee
maal twee is vier” ligt in een van de twee schalen van de weegschaal,
zwaar,
bewegingloos en onbeweegbaar, met zijn hele stoet van traditionele,
eeuwige, en
vanzelfsprekende waarheden. Op de andere schaal werpt Dostojewski met
trillende
en koortsachtige hand zijn imponderabilia: onrechtvaardigheid,
verschrikking,
vreugde, triomf, wanhoop, schoonheid, de toekomst, lelijkheid,
slavernij,
vrijheid en de hele rest, die Plotinus heeft samengevat in het woord:
το τιμιωτατον.
Het
moet meteen voor iedereen duidelijk zijn, dat het ‘twee maal twee is
vier’ veel
meer weegt, niet alleen meer dan het το
τιμιωτατον, dat Dostojewski in
de loop van één enkele dag overboord heeft gegooid, maar
ook meer dan alle
gebeurtenissen van de hele wereldgeschiedenis. Zal het ‘twee maal twee
is vier’
een haarbreed in de weg worden gelegd door het onrecht dat Nastasja
Filippowna
onder de handen van Totski moet verdragen, of door de moed van Rogozjin
die,
toen hij Nastasja Filippowna één keer had gezien, niet
bang is om de razernij
van zijn brute vader uit te lokken, of door het feit dat Mysjkin een
klap van
Olaw Iwolgin moest verduren, met de gedweeheid van Christian? Zeker,
zelfs als Dostojewski
in staat was geweest om de hele wereldgeschiedenis, binnen die ene dag,
die hij
beschrijft in het eerste deel van “De Idioot” te bevatten, de hele
geschiedenis, met de werken van de heiligen, de veldtochten van
Alexander de
Grote, het heldendom van Regulus en Brutus, de openbaringen van de
profeten, de
bezielde woorden van Plato en Plotinus, kortom met alles, wat er voor
groots en
schoons en verschrikkelijks en afschuwelijks is geweest, met alle
idealen en verwachtingen,
rampen en wanhoop, heldendaden en misdaden van alle mensen die ooit op
de aarde
hebben geleefd – als hij in staat was geweest om dat allemaal op de
weegschaal
te gooien, waarop hij zijn το
τιμιωτατον had gelegd, dan
zou hij dat onmetelijke gewicht van het ‘twee maal twee is vier’ geen
grein lichter
hebben kunnen maken. En dan zou dus onze laatste hoop verdwenen zijn op
de
mogelijkheid om, al is het maar een spoor, van die tweede dimensie van
de tijd
te ontdekken, waar die dingen eindigen die hier alleen maar beginnen en
niet
eindigen, waar alle grillen, die door de geschiedenis zijn verworpen
een
schuilplaats vinden, de grillen, die niemand zal herkennen en die
niemand
beschermt, maar waarvoor Dostojewski een bescherming wil vinden tegen
de tanden
van de hele wereld. En Dostojewski weet dat net zo goed als Spinoza.
Sterker
nog: Spinoza heeft zelf dezelfde vraag opgeworpen, met de helderheid en
het opzettelijke
benadrukken van de hopeloosheid van het vinden van een oplossing, die
karakteristiek is voor het hele werk van die opmerkelijke filosoof. “Nadat
de
mensen
zich
eenmaal hadden wijs gemaakt, dat al wat geschiedt om
hunnentwil
geschiedt, moesten zij wel in alle dingen datgene het belangrijkste
vinden wat
voor hen het nuttigste was en al datgene voor het voortreffelijkste
houden,
waardoor zij het aangenaamst werden aangedaan. Vandaar dat zij ter
verklaring
van de aard van de dingen als die begrippen moesten vormen, als daar
zijn het goede,
het kwade, orde, verwarring, warmte koude, schoonheid en
wanstaltigheid.....De
waarheid zou voor het menselijke geslacht in eeuwigheid verborgen zijn
gebleven, indien niet de wiskunde, die niet over doeleinden, maar
slechts over
wezen en eigenschappen van figuren handelt, de mensen een ander
richtsnoer van
waarheid had getoond.” (Ethica. Pars I Appendix).
Je
ziet, hoe voor diezelfde weegschaal, voor datzelfde vreselijke, duizend
jaren
oude raadsel, die twee elkaar hebben gevonden: de hedendaagse,
ongeschoolde
Russische schrijver, en de nu beroemd geworden, maar tijdens zijn leven
onbekende en verachte, eenzame geleerde. Men denkt gewoonlijk, dat
Spinoza plotseling
bij de wiskunde is blijven stilstaan, omdat hij daarin het antwoord op
zijn
vraag zag. Maar, als je Spinoza niet alleen zorgvuldig leest, maar ook
naar toon
van zijn stem luistert, kun je in de door mij aangehaalde woorden en in
de hele
Appendix, waarmee het eerste deel van zijn ‘Ethica’ eindigt, een echo
van
hetzelfde probleem horen, waar Dostojewski zo hardnekkig in al zijn
werken
jacht op maakte. Spinoza vertrapt opzettelijk het goede, de schoonheid
en
alles, wat ooit voor de mens heilig is geweest, onder zijn voeten,
alsof hij
zichzelf samen met de profeet afvraagt: ‘hoe vaak moeten wij worden
geslagen?”
Alles
heeft hij ons afgenomen; hij heeft ons slechts het ‘twee maal twee is
vier’ nagelaten.
Zal de mens dat kunnen verdragen? Kan ik dat zelf verdragen? Of zal
mijn ”bewustzijn”
en dat van alle andere mensen uiteindelijk onder die last worden
verpletterd? En
dan zullen wij niet alleen voelen, maar ook, al is het maar
éven, zien, dat
‘hier’ alles alleen maar begint en dat, wat hier begint, niet hier
eindigt waar
tot nu toe geen schoonheid noch lelijkheid is, geen goed noch kwaad,
maar
alleen warm en koud, aangenaam en onaangenaam; waar het niet de
vrijheid is die
heerst, maar de noodzaak, waar zelfs God zelf aan ondergeschikt is;
waar de menselijke
wil en verstand net zomin op de wil en het verstand van de Schepper
lijken, als
een hond, het blaffende dier, op de Hondsster (een van de sterren van
het
sterrenbeeld Grote Hond)
.
Het karakter van Dostojewski was tweeledig, net als dat van Spinoza, en
van bijna
alle mensen die de mensheid uit haar verdoving willen wekken. Daarom
was hij
van tijd tot tijd genoodzaakt zijn tweede paar ogen te sluiten en de
wereld te
bekijken met zijn gewone, blinde ogen, om zijn dissonanten op te lossen
in
harmonische akkoorden. Hij heeft zelf meer dan eens beschutting gezocht
in de
schaduw van die regels en wetten, waartegen hij een oorlog op leven en
dood had
verklaard; hij vluchtte naar het kamp van de vijand om zich te warmen
aan hun
vuren. Voor de lezer is dat een bron van een aanhoudend en pijnlijk
misverstand. Hij weet niet, waar hij de ‘echte’ Dostojewski moet
zoeken.
Bevindt hij zich waar de dingen zowel beginnen als eindigen, of waar ze
alleen
maar beginnen, maar niet eindigen; waar het evenwicht wordt
gehandhaafd, of
waar het is verstoord? Waar de tijd maar één dimensie
heeft, of waar hij de
tweede dimensie kan waarnemen en waar de schaal waar het το
τιμιωτατον op ligt langzaam
lijkt te gaan zakken…? Het is ten eerste des te moeilijker te bepalen,
omdat
het onmogelijk is om in al zijn romans het wezenlijke thema precies
vast te
stellen. Zelfs hun onderwerp is, hoewel het altijd min of meer in
overeenstemming is met de aanvaarde regels, zó ingewikkeld en
zó uitgebreid
vertakt, dat het onmogelijk is om met zekerheid te zeggen wat de
bedoeling van
de schrijver was. Ten tweede onderbreken belangrijke gebeurtenissen
doorlopend
de hoofdlijn van de roman en deze gebeurtenissen zijn zo belangrijk,
zowel qua
onderwerp als uitwerking, dat zij het hoofdthema naar de achtergrond
verdringen
en volledig verduisteren. Desalniettemin vertonen alle verhalen van
Dostojewski
één gemeenschappelijke trek.
Zijn
helden lijken noch de wil noch het vermogen te hebben om iets te doen,
te scheppen;
vernietiging en dood volgen hun stappen op de voet. Hij doet dat
duidelijk om
bij de lezer niet de illusie van een einde te wekken. Mysjkin, die de
schrijver
als een heilige aanduidt, de vleesgeworden onbaatzuchtigheid, maakt
geen
uitzondering op deze regel; ondanks al zijn inspanningen, slaagt hij er
alleen
niet in om ook maar iemand te helpen, maar hij draagt gewoonlijk bij
aan de
krachten van het kwaad. Een wreed lot drukt op iedereen, ze zijn
allemaal
verdoemd. Spinoza zou heel goed scènes uit “De Idioot” hebben
kunnen citeren,
als bewijs voor de soevereine macht van de noodzakelijkheid; Luther zou
ze
hebben kunnen gebruiken om zijn Servo Arbitrio (Over de gebonden wil)
te
verduidelijken. Als Darwin in het leven had gezien, wat Dostojewski
zag, dan
zou hij het niet hebben gehad over de wet van behoud van de soorten,
maar over
de vernietiging ervan. Als de historici en kennistheoretici met
Dostojewski
waren geschoold, zouden zij ‘de wet van de toereikende grond’ (Leibniz)
hebben
vervangen voor de wet van de absolute ongegrondheid. Niets in de romans
van Dostojewski
wordt door iets anders bepaald. Het
is de logica van Tertullianus, de logica van dromen die erin heerst:
‘Non pudet
quia pudendum est, prorsus credibile est quia incertum, certum est quia
impossibile.’ (Ik schaam mij
niet omdat
het beschamend is; het is geloofwaardig omdat het absurd is; het is
zeker omdat
het onmogelijk is.)
Vorst
Mysjkin mengt zich in de zaken van anderen, omdat hij dat helemaal niet
hoeft
te doen; Rogozjin vermoordt Nastasja Filippowna, omdat dat het juist
het meest
zinloze is wat hij had kunnen doen. Nastasja Filippowna streeft naar
heiligheid, omdat zij volstrekt weet, dat zij dat nooit zal bereiken.
Hetzelfde
zien we ook in de andere romans van Dostojewski: eeuwigdurende crises,
eeuwigdurende extases. Alle helden van Dostojewski streven naar dingen
die hen
zullen vernietigen. In ‘De Gebroeders Karamazow’ neemt hij de meest
raadselachtige uitspraak uit het vierde Evangelie als motto: ‘Voorwaar,
voorwaar,
ik
zeg
u: indien de tarwekorrel niet op de aarde valt en
sterft,
blijft hij alleen, doch als hij sterft, zal hij veel vrucht dragen’.
Het
is
een
van
de uitspraken, waar Dostojewski zelf in ‘De Gebroeders
Karamazow’ commentaar
op geeft: ‘Het is verschrikkelijk, wat je in die boeken (de Bijbel)
tegenkomt. Dat kun je hen gemakkelijk onder de neus wrijven - maar wie
heeft ze
geschreven? Waren dat echte mensen?’ En inderdaad, wie heeft die
boeken
geschreven? Zijn het mensen geweest? En kon Dostojewski, die zich
dergelijke gedachten
eigen heeft gemaakt, dan wel een mens blijven?
10
Dostojewski
beseft heel goed, dat er in het leven bepaalde schatten zijn, die als
iets heel
kostbaars moet worden behoed, en dat er bepaalde andere zijn die niet
de moeite
waard zijn om te bewaren, omdat zij ons alleen maar kunnen ketenen en
terneerdrukken. Maar hoe kunnen wij de ene soort van de andere
onderscheiden?
Het is zinloos om te verwijzen naar het collectieve bewustzijn, naar de
kennistheorie of de ethiek. Moeten wij bij ons tweede gezicht te rade
gaan? Maar
dat leert ons niets. En bovendien verzet het zich als het geraadpleegd
wordt en
verschijnt alleen ongevraagd en altijd op een ongelegen moment. In de
‘Aantekeningen
uit het Ondergrondse’ tracht Dostojewski het zonder enig criterium,
enige regel
en enige wet te stellen, maar hij is genoodzaakt zijn tol aan het
collectieve
bewustzijn te betalen en het werk te voorzien van een verklarende
aantekening.
In ‘Misdaad en Straf’ heeft het natuurlijke zien al invloed op de
strekking. In
‘De Idioot’ zie je nog duidelijker de pogingen van Dostojewski om de
bewijzen,
die hij eerder met zoveel razernij afwees, zijn eigen kamp binnen te
halen. En
naarmate hij vordert, versterkt de neiging zich om de twee visies met
elkaar in
overeenstemming te brengen, of liever, om de tweede aan de eerste
ondergeschikt
te maken. Dat verklaart het vreemde feit waar ik al eerder op heb
gedoeld: dat in
de romans van Dostojewski de secundaire gebeurtenissen zo overvloedig
aanwezig
zijn, en dat in die gebeurtenissen juist het wezenlijke belang van de
boeken
ligt.
Zelfs
in het ‘Dagboek van een Schrijver’ worden politieke artikelen van tijd
tot tijd
afgewisseld met kleine fabels en verhalen zoals ‘De Zachtmoedige’, ‘De
Droom
van een Belachelijke Man’, en ‘De Eenzame”; bladzijden met een
diepzinnige en krachtige
betekenis, waarin de schrijver met een stem die niet zijn eigen stem
is,
uitroept wat hij zag met ogen, die niet zijn eigen ogen zijn. In elk
van die
verhalen, in elke episode van de romans, blijkt elke poging van
Dostojewski om
het resultaat van zijn tweede zien in het kader te passen van de
ervaring,
waarop de gewone mensheid zijn bestaan baseert, volledig tevergeefs.
In
‘De Idioot’ komt een verhaal voor waarin de bedoeling van Dostojewski
moeilijk
is te vatten, tenzij het is om de arme Vorst Mysjkin de genadeslag toe
te
dienen, hoewel die toch al met elke stap op zijn voeten wankelde. Een
van de
personages in ‘De Idioot’ is de jonge teringlijder, Hippolyt, wiens
dagen en
zelfs uren zijn geteld. Een hele nacht lang leest hij zijn “biecht” aan
zijn
vrienden voor, een van de meest ontroerende en vreselijke bekentenissen
die
ooit zijn geschreven sinds het boek Job, dat ongetwijfeld als voorbeeld
heeft
gediend. Wie zou de stervende knaap zulke vlammende en profetische
woorden kunnen
hebben ingegeven? Wie zou ze Dostojewski hebben kunnen ingeven, die
hoewel hij
al op leeftijd was, zijn dood nog niet voorvoelde?
Overigens
doet Dostojewski, getrouw aan de eeuwenoude traditie, alles wat hij kan
om zich
te verschuilen voor de nieuwsgierigheid van oningewijden. De biecht van
Hippolyt heeft de titel ‘Après moi le déluge’ (na mij de
zondvloed). Dat zou
vast meer dan genoeg moeten zijn om het collectieve bewustzijn terzijde
te
schuiven. Maar wij mogen niet vergeten dat Dostojewski, in het diepst
van zijn hart,
nergens vertrouwen in had, behalve in zijn lelijke eendje. Hij was er
kennelijk
van overtuigd, dat lelijkheid en verschrikking in de wereld alleen maar
bestonden om het laatste en ultieme geheim van de schepping te
verbergen, voor
mensen die er niet klaar voor zijn. Luister maar, wat Hippolyt zegt
over het
schilderij, dat hij in het huis van Rogozjin heeft gezien. Het
schilderij
stelde de ‘Afneming van het Kruis’ voor: “Het gezicht van Christus
was
afschuwelijk misvormd door de slagen die hij had opgelopen; het was
opgezwollen
en had vreselijke, bloedende wonden; de ogen stonden wijd open, ze
keken scheel
en glansden met de glazige glans van de dood. Maar vreemd genoeg, als
je naar
dat dode lichaam van die man kijkt die zoveel heeft geleden, komt er
een
bepaalde, nieuwsgierige vraag in je op: als het lichaam er zo uitzag
(en zo was
het ongetwijfeld) en als dat het was, wat de leerlingen en apostelen,
en de
vrouwen die Hem hadden gevolgd en hem liefhadden zagen, hoe konden zij
dan
geloven dat deze martelaar ooit weer zou kunnen herrijzen? En dan duikt
er nog
een gedachte op: als de dood zo vreselijk is, en de natuurwetten zo
krachtig
zijn, hoe kan iemand die dan overwinnen? Hoe kunnen wij die overwinnen,
als zelfs
Hij, die de natuur, die zich aan Hem onderwierp, dwong om Hem te
gehoorzamen
toen Hij nog leefde, die natuurwetten niet kon overwinnen; bij wie toen
Hij
riep ‘Talitha Koemi’ de maagd opstond, en toen Hij tegen Lazarus riep
om uit
het graf op te staan, Lazarus Hem hoorde en gehoorzaamde? Als je naar
dit
schilderij kijkt, lijkt de natuur een reusachtig, meedogenloos,
zwijgend beest
te worden of liever en nauwkeuriger (hoewel vreemd): de natuur neemt
steeds meer
de gedaante aan van een van die moderne machines, die blindelings dat
oneindig
geliefde en bewonderenswaardige Wezen heeft gegrepen, opgeslokt, in
stukken
gescheurd en verzwolgen, dat Wezen dat in zijn eentje meer waard was
dan de
hele natuur en haar wetten en die, inderdaad, misschien alleen was
geschapen om
dat Wezen te vervaardigen.”
Ik
weet niet of het nog nodig is, na alles wat hierboven is gezegd, om aan
te
tonen, dat Dostojewski hier zijn diepste, meest intieme, en ook meest
verwarrende gedachten tot uitdrukking heeft gebracht. Hoe vaak hebben
wij hem
al niet ontdekt, terwijl hij voor de schalen van die gruwelijke
weegschaal
staat, en aan zichzelf en de hele wereld voorbijgaat? Op de ene schaal
ligt de natuur,
reusachtig, onmetelijk zwaar met haar wetten en principes, stom, doof
en blind.
In de andere schaal gooit Dostojewski met bevende hand zijn
imponderabilia,
zijn onbeschutte en onbeschermde το
τιμιωτατον en wacht met bonzend
hart om te zien welke schaal zal dalen. En hij vertrouwt deze
onderneming niet
toe aan Vorst Mysjkin, voor wie iedereen, hijzelf incluis, buigt.
Dostojewski weet,
dat Mysjkin een klap zal verdragen en zijn andere wang zal toekeren,
maar dat
hij voor deze vreselijke weegschaal zal huiveren. Nederigheid is niet
de deugd,
die Dostojewski zoekt.
Hij
is inderdaad helemaal niet op zoek naar de deugd. De deugd bestaat niet
op
zichzelf. Zij leeft allen maar door herkenning; zij ontleent heel haar
kracht
aan onze goedkeuring. Zij is de eigen zuster van dat ‘twee maal twee is
vier’;
beide geboren uit dezelfde moeder: de wet. Maar zolang deze wet bestaat
en
oordelen velt, zal de Dood de heerser over de wereld zijn. En wie durft
de Dood
uit te dagen tot een tweegevecht, als alle zekerheid aan zijn kant
staat, die
zekerheid die door Dostojewski zo wreed wordt beschreven en die door de
kennistheorie en de ethiek wordt gerechtvaardigd? Natuurlijk niet Vorst
Mysjkin. Hij staat volledig achter de ethiek; hij streeft naar de lof
van het
‘principe’. Zelfs de heiligen kunnen niet leven zonder de lof der wet.
De
heilige Hiëronymus leerde, en zijn woorden weerklonken in Liguori,
de laatste
kerkleraar, toen hij zich richtte tot de nonnen die afstand van de
wereld
deden: “Disce superbiam sanctam” (leer de heilige trots). “Scite, te
illis esse
meliorem”. (weet dat jullie beter zijn dan die anderen). Een monnik is
nog niet
klaar voor de laatste strijd, zelfs niet de meest toegewijde en meest
oprechte
monnik. Hij stelt nog steeds zijn vertrouwen in zijn werken en hij
verwacht eerbied;
hij kan nog trots zijn op eerbied.
En Vorst
Mysjkin kan ook geen afstand doen van zijn heilige trots, en kan dus
ook niet
met Dostojewski tot het einde mee gaan. De enige mensen die in staat
zijn om
hem te volgen, wier bestemming het is om dat te doen, zijn de mensen
die alle
rechten en alle bescherming hebben verloren; het zijn de mensen uit het
ondergrondse. Alleen zij kunnen zichzelf permitteren om te twijfelen
aan de
rechtmatigheid van de oordelen van de natuur en de ethiek, aan de
rechtmatigheid van een oordeel in het algemeen; alleen zij mogen
verwachten dat
zij op een zeker moment zien dat de imponderabilia zwaarder zullen zijn
dan het
grote gewicht, dat bestaat uit de vanzelfsprekende waarheden en de
oordelen van
het verstand, die zich daarop baseren, van het verstand dat niet alleen
de
natuur- maar ook de morele wetten op de weegschaal heeft gegooid.
Hippolyt is
niet bang voor de moraal en haar sancties. Hij heeft minachting voor
trots,
zelfs voor heilige trots. Hij wil niet beter zijn dan de anderen, hij
wil niet
goed zijn, hij verwerpt de lof van de moraal.
‘Welk
rechtbank is hier rechter?’
vraagt
hij. ‘Ter wille van wie moet ik niet alleen worden veroordeeld,
maar ook
mijn veroordeling zonder protest ondergaan? Is er nou echt iemand die
daar baat
bij heeft?’ En verder: ‘Waartoe dient mijn nederigheid? Kan ik
niet gewoon
opgegeten worden, zonder erop te staan dat ik de lof zing over mijn
verslinder?’ Dat zijn de vragen die Hippolyt had leren stellen; zo
had
Hippolyt leren vragen; Kant was niet in staat om zo te vragen. Het zijn
maar
een paar, zeldzame mensen in de geschiedenis van de mensheid, die in
staat zijn
geweest om zulke vragen te stellen. In onze tijd was het Nietzsche, met
zijn
‘Voorbij Goed en Kwaad’. Vóór hem Luther, die leerde dat
het doen van goede
werken geen verlossing brengt. Luther had dat van Augustinus gehoord,
die op
zijn beurt alleen de ideeën van Paulus verder had ontwikkeld, die
ze weer van Jesaja
had en van het belangrijkste en gruwelijke Bijbelverhaal over de
Zondeval.
Als
antwoord op de biecht van de stervende Hippolyt breekt de
‘collectiviteit’, die
wordt vertegenwoordigd door het merendeel van de personen uit ‘De
Idioot’, en
waartoe ook Vorst Mysjkin, de heilige, behoort, in spot, gebrul, en
kattengejank uit. De ‘collectiviteit’ staat pal voor zijn ideaal — de
wet. Ook
heiligen kunnen de wet niet opgeven. Een paar dagen na de nacht waarin
Hippolyt
tevergeefs een beroep op de ‘collectiviteit’ had gedaan, tracht hij
onder vier
ogen met de ‘heilige’ te spreken, waarvan hij hoopt te merken, dat hij,
als hij
uit het zicht van zijn makkers is, zich onafhankelijk van de wet
opstelt, en
vrij van angst en gevlei is. Maar tevergeefs. De wet, ‘quo nos
laudabiles vel
vituperabiles sumus’ (waarin wij lofwaardig of afkeurenswaardig zijn)
is net zo
diep geworteld in Vorst Mysjkin, als het ‘twee maal twee is vier’:
daarin
verschilt de heilige niet van de gewone man.
Het
gesprek eindigt als volgt: Hippolyt vraagt de Vorst: “Nu goed; maar
zegt u
mij nou eens zelf, wat ik volgens u zou moeten doen. Hoe zou ik moeten
sterven
om er een deugdzaam einde aan te maken? Vertel me dat eens!” De
Vorst wil
zijn heilige trots niet opgeven en is vooral bang dat hij zijn recht op
de lof
der wet verspeelt. Hij neemt de uitdaging aan. “Ga je gang en
vergeef ons
ons geluk”, antwoordt hij met zachte stem. Er is niets tegen in te
brengen:
hij heeft de proef doorstaan; het is onmogelijk om verder te gaan.
Hippolyt kan
alleen maar in lachen uitbarsten. “Ha! Ha! Ha!...dat dacht ik al!
Ik
verwachte al zoiets! O, zo zijn jullie dus, jullie anderen, jullie
mooipraters!”
Wat
was de bedoeling van Dostojewski om Vorst Mysjkin tot een dergelijke
bekentenis
te brengen? Uiteindelijk was het geen Rakitin, geen Claude Bernard; het
was
Mysjkin, waarvan de schrijver opzettelijk een positief type had
gemaakt. Maar
het ‘tweede gezicht’ zag klaarblijkelijk iets anders.
Het
is duidelijk dat Dostojewski op dit moment een ander en ingewikkelder
probleem
zag opdoemen; een nog moeilijker probleem dan hij in de zaak van
Raskoljnilov
had besproken. Raskoljnikow redeneerde als volgt: er zijn mensen, die
zichzelf toestaan
om het bloed van hun medemensen te vergieten. Napoleon bijvoorbeeld,
die door
de meerderheid van de mensen zeer werd bewonderd. Dus kun je met
goedkeuring en
toestemming van de wet bloedvergieten en het lichaam van je naaste
doden. In
zijn nederigheid gaat Mysjkin verder (“nederigheid is kracht” zoals
Dostojewski
heeft gezegd). Hij vindt dat hij, als beloning voor zijn
gehoorzaamheid, van de
wet meer rechten heeft gekregen, en meer macht, dan Napoleon; hij heeft
het
recht en de macht om niet het lichaam, maar de ziel te doden. ‘Vergeef
ons
ons
geluk
en
ga je gang’. En dan? Wat zal er gebeuren als Hippolyt
zijn
gang gaat en hen hun geluk vergeeft? Dan zal er niets gebeuren, en er
moet ook
niets gebeuren. Het ideale evenwicht is hersteld. Ons verstand vraagt
niet
meer.
11
Wij
hebben gezien dat Dostojewski in toenemende mate ernstige pogingen deed
om zijn
extatische visioenen binnen de grenzen van de alledaagse ervaring in te
passen,
om de “gril” en die individuele, interne drijfveer, die zo eigen voor
hem was
en waar hij ons zoveel nieuwe dingen over heeft verteld, in het
“noodzakelijke
en universele” te veranderen. Het was voor hem te moeilijk om de tweede
tijdsdimensie
binnen te gaan, waarin het hele το
τιμιωτατον was verdwenen; hij
wilde zijn beloning al hier, in de geschiedenis, in de eerste
tijdsdimensie in
ontvangst nemen; hij wilde een waarborg en bevestiging voor de “gril”.
Zijn
eerste gezicht, zijn natuurlijke ogen, verzekerden hem, evenals zijn
verstand,
dat tegelijkertijd met die eerste ogen was geboren, onophoudelijk, dat
de tijd maar
één dimensie had, en dat er, zonder waarborg en
bevestiging van de wet, niets
op deze wereld kon bestaan. Zijn tweede zien vertelde hem dat ‘de mens
van het
lijden houdt’, maar het verstand ziet daarin een ‘tegenstrijdigheid.’
Het
lijden moet ‘ons iets opleveren’, als wij ervan moeten houden. En
Dostojewski,
die de schaamteloosheid van het ‘twee maal twee is vier’ had gevoeld,
had deze
keer niet de moed om de ‘wet van de tegenstrijdigheid’ aan te vallen.
Er wordt
iets ‘gekocht’ door het lijden, en dat iets bezit een zekere waarde
voor ons
allemaal, voor het collectieve bewustzijn; door het lijden kopen wij
het recht
om te oordelen. En Dostojewski gelooft zelfs dat dit oordeel het
laatste was,
het vreselijke, laatste oordeel waarover de Heilige schrift spreekt, en
dat hij
het recht had om te oordelen. En dit opperste recht, het recht om als
een
potentaat te spreken, bezielt hem soms zo hevig, dat veel mensen hebben
verondersteld, zoals hij zichzelf ook verbeeldde, dat in het oordelen
zijn
echte taak en bestemming lag.
En
wie over heeft Dostojewski allemaal niet geoordeeld! In de ‘Demonen’
zijn het
Granowski, Toergénjew, en de jongere generatie; in het ‘Dagboek
van de
Schrijver’ Stasioelewitsj en Granowski, in de toespraak ter ere van
Poesjkin,
de hele Russische maatschappij. Ook in ‘De Gebroeders Karamazow’ speelt
hij
opnieuw de rechter. Hij oordeelt dapper, meedogenloos en beslissend.
Maar hoe vreemd
het ook lijkt, hoe meer hij oordeelde, en hoe meer hij tot de
overtuiging kwam,
dat de mensen bang waren voor zijn recht om te oordelen, maar het wel
accepteerden, hoe meer hij in zijn binnenste twijfelde aan het recht
van de
mens tot wat voor oordeel dan ook. Sterker nog: hij komt ertoe om dit
opperste
en soevereine recht niet zozeer als een recht te beschouwen, maar als
een privilegium
odiosum, als een beschamende, onverdraaglijke en pijnlijke last.
Dit
is in feite het enige thema van de talrijke secundaire gebeurtenissen,
die in
de romans overvloedig aanwezig zijn. Wij hebben het gehad over de
biecht van
Hippolyt, en over zijn laatste gesprek met Vorst Mysjkin. We vinden een
analoge
episode in de “Demonen.’
De
werkelijke held uit de ‘Demonen’ is niet Werchowenski, niet Stawrogin,
maar de
grote en raadselachtige zwijgende “Styliet” Kirilow. Deze stotteraar,
bij wie
het lijkt alsof zijn woorden uit zijn mond losgerukt moeten worden, die
niets
doet en niets verlangt, is de echte ‘ziel’ van het boek. De episode met
Kirilow
zou wellicht onder de grootste meesterstukken van de hele litteratuur
moeten
worden gerekend, dankzij de kracht, waarmee die uitdrukking geeft aan
wat wij
het “onuitsprekelijke” noemen. Kirilow verkondigt zijn eigen vrije wil.
Het
wezen van de hele leer van de Stylieten en Asceten heeft van oudsher
altijd juist
gelegen in deze verkondiging van de vrije wil; om temidden van een
groep
razende mensen – want in een grot razen alleen de doden niet – halt te
roepen
en eindelijk te vragen of die wereld van ons, waaraan het verstand zijn
wetten
heeft opgelegd en die door de collectieve ervaring is opgebouwd, echt
de enig
mogelijke wereld is, en of het verstand en zijn wetten echt almachtig
zijn. Dostojewski
heeft slechts één fout gemaakt: hij zou Kirilow niet
moeten hebben toegestaan
om zelfmoord te plegen. Stylieten en Asceten hebben er geen behoefte
aan om
zelfmoord te plegen. Zij hebben andere mogelijkheden om hun vrijheid te
verkondigen. Maar het lijkt dat deze fout opzettelijk was, dat
Dostojewski
bewust Kirilow zich op een manier liet gedragen, waarop hij het niet
kon hebben
gedaan. Als Dostojewski dat einde niet had bedacht, zou hij genoodzaakt
zijn
geweest om een aantekening toe te voegen, zoals hij dat in het
voorwoord van de
‘Aantekeningen uit het Ondergrondse’ heeft gedaan.
Wij
kunnen hier ook niet voorbijgaan aan het kleine verhaal ‘De Droom van
een
Belachelijke Man’, dat niet als een episode in een van de romans van
Dostojewski
is terecht gekomen, maar dat een plaats heeft gevonden in zijn ‘Dagboek
van een
Schrijver’. Het verhaal is vrijwel onbekend, net als dat andere, ‘De
Zachtmoedige’,
waar het direct mee heeft te maken en dat ook in het ‘Dagboek van een
Schrijver’ staat. Je voelt in deze twee verhalen dezelfde inspiratie,
hetzelfde
vuur dat de ‘Aantekeningen uit het Ondergrondse’, de ‘Biecht’ van
Hippolyt, en
talloze andere meesterwerken dicteerde, die de litteraire kroon van
Dostojewski
met evenzoveel juwelen hebben versierd. ‘De Droom van een Belachelijk
Man’ is
het vervolg op het, een half jaar eerder verschenen, ‘De Zachtmoedige’.
Dostojewski
vond het nodig om het laatste werk, met een inleiding te verantwoorden,
net
zoals hij dat met de ‘Aantekeningen uit het Ondergrondse’ had gedaan.
Het heeft
inderdaad een verantwoording nodig, maar niet om de redenen die
Dostojewski aanvoert.
Het onderwerp van het verhaal is het volgende: De held is een officier
buiten
dienst, die net als alle echte helden van Dostojewski, wreed en
onrechtvaardig
is behandeld. Hij wordt niet gekweld op de manier van Vorst Mysjkin,
die een
epilepticus was, maar doordat hij maar één idee in zijn
hoofd had, maar één
doel in het leven, namelijk het drijven van een pandjeshuis. Dan
ontmoet hij
een jong meisje, het eerste menselijke wezen, waar hij ooit met heel
zijn hart
van heeft gehouden en zij trouwen. Ze is de zachtmoedigheid zelve. Hij
houdt
zoveel van haar dat hij haar in zijn idee wil inwijden. Hij neemt zich
voor om
het aan haar te onthullen, maar stelt het nog één dag,
één uur, uit; hij was
nog niet klaar met het onderzoeken van zichzelf en zijn vrouw. Maar net
op die
dag, gooit zij zichzelf, tot wanhoop gedreven, uit het raam, met een
icoon in
haar hand, en valt dood. Het is goed bedacht; een dergelijk iemand zou
voor
geen enkele vraag terugdeinzen. Luister naar zijn woorden, zoals
Dostojewski ze
herhaalt: ‘Wat heb ik nu aan uw wetten? Wat heb ik met uw
gewoonten, met uw
zeden, met uw leven, met uw staat, met uw geloof te maken? Laten uw
rechters
mij maar veroordelen, laat ze me maar voor uw rechtbank, voor uw
openbare
rechtbank brengen, ik zal blijven zeggen, dat ik niets erken. De
rechter zal
mij toeropen: “Waar haalt u nu de macht vandaan, om mij tot
gehoorzaamheid te
dwingen? Waarom heeft een duistere natuurwet dat stukgeslagen, wat mij
het
allerdierbaarste was? Wat heb ik nu met uw wetten te maken? Ik wil mij
bevrijden. O voor mij is alles hetzelfde……O wet der traagheid, o
natuur. De
mensen zijn eenzaam op de aarde, dat is het ongeluk. ‘Is er daar op het
veld
nog een levend mens?’ schreeuwt de Russische sagenheld. Ook ik, die
geen held
uit de sage ben, schreeuw; maar niemand antwoordt……Alles is dood en
overal
liggen lijken. Alleen de mensen bestaan nog en rondom hen is de
stilte.”
Met
deze vraag eindigt de novelle. De ‘rechter’ heeft onvoldoende macht ter
beschikking, om de officier buiten dienst, de pandjesbaas, te laten
gehoorzamen.
‘De Droom van een Belachelijke Man’ toont ons de ‘psychologie’ van de
mens, voor
wie ‘alles hetzelfde is’. Je zou kunnen denken, dat daar niets
interessants in
zit, dat iemand voor wie alles hetzelfde is helemaal geen ‘psychologie’
kan
hebben. Maar hoe gaat het er dan aan toe in de ‘De Droom van een
Belachelijke
Man’, waaraan Dostojewski de ondertitel van een ‘fantastisch verhaal’
geeft? De
kern van het fantastische is dat het bestaat uit onverwachte
metamorfosen, waarin
voor onze ogen het ‘niets’ op een wonderbaarlijke manier verandert in
het το
τιμιωτατον. Zo nam Plotinus God
waar, waar anderen alleen maar een leegte konden zien. Zo was het ook
bij Dostojewski.
Hij eiste een waarborg voor de ‘gril’, hij probeerde de tweede
tijdsdimensie te
ontdekken, juist omdat hij het fantastische wilde ‘wettigen’, en het op
de
plaats wilde stellen, die in het collectieve bewustzijn tot dusver was
ingenomen door natuurlijke gebeurtenissen.
De
novelle begint als volgt: ‘Ik ben een belachelijke man. Ze noemen
me tegenwoordig
een gek. Dat zou een promotie zijn als het niet zo zou zijn dat ik in
hun ogen
net zo belachelijk blijf als vroeger.’ Je ziet, dat Dostojewski in
1877,
vijftien jaar na de ‘Aantekeningen uit het Ondergrondse’ ons nog steeds
het
onvoltooide verhaal vertelt van iemand die door het collectieve
bewustzijn
wordt verworpen. In de ogen van alle anderen is deze belachelijke,
weerzinwekkende man een lelijk eendje, dat beter nooit geboren had
kunnen
worden, of dat zich, nu het toch eenmaal is geboren, maar het beste in
de
diepste diepten zou moeten verstoppen, niet alleen voor de anderen,
maar ook
voor zichzelf; want ook hij is bezeten door het collectieve bewustzijn,
en dat
oordeelt over hem en veroordeelt zijn wanstaltigheid. Dat weet de
belachelijke
man zelf ook: hij is even onverdraagzaam voor zichzelf als voor
anderen.
Maar toch ontstaat er plotseling, niemand weet hoe of waarvandaan, in
hem een
vreemde onverschilligheid. Dostojewski is, zoals we weten, zelf met
name geïnteresseerd
in alles waar hij niet van weet waar het vandaan komt, en heeft daar
alle
aandacht voor. Wat is die onverschilligheid? Wat is de betekenis
daarvan? ‘Hoewel
ik mij van mijn verschrikkelijke eigenschap ieder jaar meer bewust
werd, om de
een of andere onbekende reden kalmer geworden. Ik zeg “onbekend”, omdat
ik tot
op de dag van vandaag niet kan vertellen waarom. Misschien lag het aan
het
vreselijke lijden dat in mijn ziel groeide tengevolge van iets dat voor
mij
zwaarder woog dan wat dan ook: dat iets was de overtuiging die zich aan
mij
opgedrongen had dat alles in de wereld volstrekt onbelangrijk was. Ik
had er
allang een voorgevoel van gehad maar het volledige besef kwam eigenlijk
vrij
plotseling afgelopen jaar. Ik voelde plotseling dat het mij niets zou
kunnen
schelen of de wereld bestond of dat er helemaal nooit iets geweest zou
zijn: ik
begon met mijn hele wezen te voelen dat er niets bestond. In het begin
had ik
het idee dat er vroeger veel dingen geweest waren, maar later nam ik
aan dat er
ook vroeger niets geweest was, maar dat dat om de een of andere reden
alleen
maar zo had geleken. Langzamerhand kwam ik tot de overtuiging dat er
ook in de
toekomst nooit iets zal zijn”.
Laten
wij hier stilstaan en onszelf afvragen, wat de betekenis is van dat
vreemde
‘plotseling’ dat ons tot uitspraken leidt, die zelfs nog fantastischer
zijn: “alles
is hetzelfde; er gebeurt niets; er is nooit iets gebeurd; er zal nooit
iets
gebeuren.” Dat zijn uitspraken, die Dostojewski blijft maken en die
hij aan
een bron ontleent, waar wij ons niet bewust van zijn. Hebben wij niet
het
recht, zijn wij feitelijk niet verplicht Dostojewski te vertellen,
zoals Aristoteles
Heraclites antwoordde, die de ‘wet van de tegenstrijdigheid’ ontkende: “Je
kunt
die
dingen
wel zeggen, maar je moet ze niet denken.” Als de
belachelijke man niet het zwijgen wordt opgelegd, dan zal niet alleen
de ‘wet van
de tegenstrijdigheid’, het meest onwankelbare van alle principes, in
stukken
vallen, maar ook alle principes van het bestaan, de hele
‘collectiviteit’. En
dat door de ‘gril’ van een enkel mens, en wat voor een mens! Iemand
voor wie, zoals
hij zelf laat zien, krankzinnigheid een promotie zou zijn! Je moet dit
openlijk
toegeven, maar je moet ook toegeven, dat als de belachelijke man het
zwijgen
wordt opgelegd, ook aan Dostojewski het zwijgen wordt opgelegd. En niet
alleen aan
Dostojewski, maar ook aan Plato met zijn grot, aan Plotinus met zijn
Ene, aan Euripides,
die niet weet, wat het leven was en wat de dood. Lokt je dat aan? Zou
je alleen
willen worden gelaten met het μετριοσ
εις ύπερβολειν
(tot het uiterste gematigde) van Aristoteles? Je kunt hier niet over
discussiëren. Je kunt alleen de vraag stellen en verder gaan.
Zie
dan die belachelijke man, voor wie alles eender is geworden, voor wie
er niets
in het leven is, die ervan overtuigd is dat er nooit iets is geweest of
ooit
zal zijn; deze man neemt een groot besluit, hij besluit om een eind aan
zijn
leven te maken. Als je wilt, kun je om Dostojewski lachen, vooral omdat
er een
argument bij de hand is, dat vijfentwintig eeuwen geleden is bedacht;
als er
niets bestaat, als er nooit iets heeft bestaan, bestaat de belachelijke
man ook
niet, noch zijn besluit, noch al het ‘plotselinge’, noch dit verhaal,
enz. Dat
kun je natuurlijk allemaal aanhalen, en Dostojewski weet dat je hem uit
kunt
lachen, zelfs kunt weigeren hem als een krankzinnige te beschouwen, en
die
kwalificatie te goed voor hem zult vinden. Maar hij gaat verder met
zijn
verhaal, en blijft zijn absurditeiten en tegenstrijdigheden opstapelen;
het zou
bijna de moeite waard zijn om ze allemaal aan te halen, als er ruimte
genoeg
voor zou zijn.
Wie
nader tot Dostojewski wil komen, moet een hele reeks bijzondere
exercitia
spiritualia (geestelijke oefeningen) verrichten: hij moet uren, dagen,
jaren temidden
van tegenstrijdige vanzelfsprekendheden doorbrengen. Een andere manier
is er
niet. Alleen op die manier kun je zien, dat de tijd niet
één, maar twee of
zelfs meer dimensies heeft, dat wetten niet altijd hebben bestaan, maar
dat zij
zijn ‘gegeven’ en alleen maar om te zorgen dat de overtreding in
overvloed
voorkomt, dat het het geloof is en niet de werken, dat de zielen kan
redden,
dat de dood van Socrates het ontzagwekkende ‘twee maal twee is vier’
aan het
wankelen kan brengen, dat God altijd en alleen maar het onmogelijke
eist, dat
het lelijke eendje in een prachtige zwaan kan veranderen, dat hier
alles een
begin heeft, maar niets eindigt, dat de ‘gril’ recht heeft op
waarborgen, dat
het fantastische reëler is dan het natuurlijke, dat het leven de
dood is en de
dood het leven, en andere ‘waarheden’ van hetzelfde kaliber, die ons
van elke
bladzijde van Dostojewski´s werken aankijken met vreemde en
angstaanjagende
ogen.
Als
je wil weten hoever het denken van de belachelijke man zich waagt in de
zoektocht naar zijn ‘nieuwe’ waarheid, om die te veroveren en weer te
verliezen
op het moment dat hij haar vond, herlees dan dit korte en bijna
vergeten, maar
echt opmerkelijke verhaal. Het meest opmerkelijke is, dat deze waarheid
op geen
enkele manier een nieuwe waarheid is; het is de oudste van alle
waarheden;
bijna net zo oud als de wereld, want zij werd de mens al bijna op de
dag na de
schepping geopenbaard. Zij werd geopenbaard, werd in het Boek der
Boeken
neergeschreven, en onmiddellijk vergeten. Je vermoedt natuurlijk al,
dat ik het
verhaal van de Zondeval bedoel.
De
belachelijke man, voor wie alles toch eender was, viel, nadat hij had
besloten
om een eind aan zijn leven te maken, in slaap en zag in zijn droom
datgene, wat
de Bijbel ons vertelt. Hij droomde, dat hij bij mensen terecht was
gekomen, die
nog niet de vruchten van de boom der kennis van goed en kwaad hadden
geproefd,
die nog geen schaamte kenden, die geen kennis hadden en noch het
vermogen, noch
het verlangen hadden om te oordelen. ‘Zonnekinderen, kinderen van
hun zon —
o wat waren ze mooi! Nog nooit had ik op onze aarde zoveel schoonheid
in de
mens gezien…. Het leek mij onbegrijpelijk, dat zij die zoveel wisten er
geen
wetenschap op na hielden zoals wij. Maar ik begreep al gauw dat hun
weten door
andere inzichten gevormd en gevoed werd dan bij ons op aarde en dat ze
ook heel
andere dingen nastreefden. Ze hadden geen wensen en leefden in vrede;
ze
streefden er niet naar het leven te doorgronden zoals wij doen, omdat
hun leven
vervuld was. Maar hun weten was hoger en dieper dan het onze; want onze
wetenschap probeert te verklaren wat het leven is, ze wil het leven
leren
kennen om anderen te leren hoe ze moeten liefhebben, terwijl zij ook
zonder
wetenschap wisten hoe ze moesten leven; en dat begreep ik, alleen hun
weten kon
ik niet begrijpen. Ze wezen mij op hun bomen en ik kon die diepgevoelde
liefde
niet begrijpen waarmee ze ernaar keken; het was of ze over schepsels
als zij
zelf spraken. En misschien vergis ik me niet wanneer ik zeg dat ze met
hen
spraken. Ja, ze hadden hun taal ontdekt en ik ben ervan overtuigd dat
de bomen
hen verstonden.’
Geen
enkele hedendaagse kennistheorie stelt het probleem van het wezen en de
betekenis van de wetenschappelijke kennis zo helder en grondig aan de
kaak. Alleen
in de oudheid hebben de helderziende Plato en Plotinus het probleem,
dat Dostojewski
had gesteld, begrepen en, in zoverre mensen daartoe in staat zijn,
opgelost: afstand
doen van de wetenschappelijke kennis, om de waarheid in haar ware
gedaante te zien.
Waarheid en wetenschappelijke kennis kunnen niet met elkaar worden
verzoend. De
waarheid kan de banden van de wetenschappelijke kennis niet verdragen;
zij
wordt verstikt in de omarming van die ontzagwekkende bewijzen die onze
wetenschap zekerheden verschaft. De wetenschap, vervolgt de
belachelijke man, ‘openbaart
wetten, en stelt ‘de wet van het geluk boven het geluk’, de wetenschap
wil ons
‘leren hoe wij moeten leven’. Maar de waarheid staat boven de
wetten, en de
wetten zijn voor de waarheid, wat in het leven van Dostojewski eens de
gevangenismuren en de ketenen waren. Dostojewski is zelf getroffen en
verblind
door zijn zonderlinge visioen; hij wist niet of hij dat moest
aanvaarden; was
het een droom of was het de werkelijkheid? Was het een hallucinatie of
was het
een openbaring? ‘Maar waarom zou ik niet accepteren dat het zo was?”
vraagt
hij. “Misschien was het allemaal nog duizendmaal stralender en
heerlijker
dan ik het beschrijf. Toegegeven dat ik het gedroomd heb, toch moet het
echt
geweest zijn. Weet u, ik zal u een geheim vertellen: misschien was het
helemaal
geen droom! Want daarna gebeurde er iets zo vreselijks, zo iets
gruwelijk
echts, dat het onmogelijk alleen maar een droom geweest kan zijn. Laat
mijn
hart mijn droom hebben voorgebracht, maar was mijn hart alleen dan in
staat die
verschrikkelijke gebeurtenis voort te brengen die mij later overkwam?
Hoe had
ik dat in mijn eentje kunnen bedenken of mij in mijn droom kunnen
voorstellen?
Zouden mijn bekrompen hart en mijn grillige, nietswaardige verstand
zich ooit
kunnen verheffen tot zulk een openbaring van de waarheid? O, oordeelt u
zelf:
ik heb het tot dusver verzwegen maar nu zal ik de waarheid vertellen.
Het gaat
erom dat ik…. ze allemaal bedorven heb!’
Waardoor
heeft die aardse mens de bewoners van het paradijs bedorven? Hij gaf
hen ons
‘weten’ of, om in de woorden van de Schriften, hij haalde hen over om
de
vruchten te proeven van de verboden boom. En toen zij onze kennis
hadden
verworven, merkten zij dat zij werden overstelpt door alle aardse
verschrikkingen, en dat de dood hen naderbij kwam. ‘Zij leerden de
schaamte
kennen, en maakten van de schaamte een deugd’, gaat Dostojewski
verder,
waarbij hij het korte bijbelverhaal becommentarieert en nader
verklaart. Deze
kennis was niet genoeg; aan dezelfde wortel ontsproot de ethiek; de
wereld was
veranderd, omsingeld door wetten; mensen veranderden van vrije
schepsels in
automaten. Er zijn maar weinigen, die kortdurend en in zeldzame
ogenblikken,
pijnlijk naar het echte leven hunkeren, maar zij beseffen meteen dat de
macht
die hen beheerst, die hen stuurt en die zij hebben aanbeden, de eeuwige
slaap,
dood en vernietiging is. Dat is gewoon de ‘anamnesis’ (herinnering) van
Plato,
het ‘ontwaken’ van Plotinus. Dat is wat de mensen genadig wordt
gegeven, maar
wat wij niet op eigen kracht kunnen bereiken, door onze deugden of onze
goede
werken.
De
lezer kan zien, dat Dostojewski die ‘waarheid’ niet zelf heeft bedacht;
dat hij
dat zelf niet had gekund. Hij heeft het over de ‘openbaring’ van de
waarheid,
omdat de waarheid hem werd geopenbaard. Dat is de waarheid, die, hoewel
iedereen
haar kent, en hoewel zij is neergeschreven in dat ene boek, dat vaker
is
gelezen dan welk ander boek dan ook, toch eeuwig verborgen blijft. Maar
het meest
opmerkelijke deel, opmerkelijker dan alles wat Dostojewski ons tot nu
toe heeft
verteld, is het eind van de ‘Droom van een Belachelijke Man’. De held
van het
verhaal geeft zijn voornemen om zelfmoord te plegen op als de waarheid
hem
wordt onthuld: De held laat de gedachte aan zelfmoord, nadat de
Waarheid hem
geopenbaard is, varen. ‘O, nu, leven, leven! Ik hief mijn armen
omhoog en
riep de eeuwige waarheid aan; ik riep niet met woorden, ik weende; een
verrukking, een grenzeloze verrukking overspoelde mijn ziel. Ja, leven
en de
goede boodschap prediken! Het besluit om te gaan prediken nam ik meteen
op
datzelfde ogenblik en natuurlijk nam ik dat besluit voor mijn hele
leven! Ik ga
de goede boodschap prediken, ik wil de goede boodschap prediken; van
wat? Van
de waarheid, want ik heb haar gezien, ik heb haar met eigen ogen
gezien, ik heb
haar in al haar luister gezien!”
De
waarheid prediken – ik ga de waarheid prediken! Met andere woorden: ik
geef
haar over aan het ‘collectieve bewustzijn’ dat ongetwijfeld, alvorens
haar te
kunnen aanvaarden, zal eisen, dat zij zich eerst aan de wet onderwerpt.
Begrijp
je, wat dat betekent? Voor de tweede keer, en nu niet in de droom, maar
in
werkelijkheid, is met Dostojewski dat ‘verschrikkelijke’ gebeurd,
waarover hij
ons heeft verteld. Hij had de eeuwige waarheid, die zich aan hem had
geopenbaard, verraden en aan haar doodsvijand verkocht. Hij had ons
verteld dat
hij in een droom de vlekkeloze bewoners van het paradijs had
‘bedorven’. Nu
haast hij zich naar de mensen, om, volledig bij zijn verstand, de
misdaad te
herhalen, waarvoor hij in zijn droom zo had gehuiverd.
12
Wij
staan nu oog in oog met het allergrootste geheim, waaraan de mens ooit
het
hoofd heeft moeten bieden, het geheim van de Zondeval. De lezer zal het
er
zonder twijfel mee eens zijn, dat geen enkele van zijn innerlijke
worstelingen,
geen enkele van de inspanningen van Dostojewski, een ander doel of
onderwerp
had, dan het begrijpen van, of tenminste deel hebben aan, dat geheim.
Want wij
kunnen dat evenmin vatten of bedwingen, als wij de waarheid kunnen
begrijpen.
Het is juist het wezen van het geheim, dat het niet kan worden
ontsluierd, en
dat wij van de waarheid alleen maar een glimp kunnen opvangen, als wij
haar
niet in bezit proberen te nemen, of het voor onze historische behoeften
willen
gebruiken, binnen de grenzen, dat wil zeggen, van de enkelvoudige
dimensie van
de tijd, die wij kennen. Zodra wij proberen om het geheim te
ontsluieren of
gebruik proberen te maken van de waarheid, door het geheim aan iedereen
te
laten zien en de waarheid universeel en noodzakelijk te maken, zullen
wij -
zelfs als wij door het meest edele en verheven verlangen worden geleid,
namelijk het delen van onze kennis met onze naasten en het verbreiden
van de
zegeningen ervan met de hele mensheid – toch alles meteen vergeten, dat
wij
hebben gezien toen wij tijdens de extase ‘buiten onszelf’ waren. Wij
zullen dan
gaan kijken, zoals de wereld kijkt en spreken zoals de wereld eist.
Deze
logica, die op een wonderbaarlijke manier de, voor de enkeling
‘nutteloze’,
indrukken in een ervaring van algemeen nut verandert en op die manier
die vaste
en onveranderlijke orde creëert, die voor ons bestaan zo
noodzakelijk is, deze
logica, (die ook het verstand wordt genoemd) vermoordt het geheim en de
waarheid. Voor de laatste keer verzamelt Dostojewski zijn
wonderbaarlijke
krachten en schrijft over dit thema de ‘Broeders Karamazow’.
Zoals
wij hebben gezien kiest hij een uitspraak uit het vierde Evangelie als
motto;
maar hij zou net zo goed zijn eigen woorden uit de ‘Aantekeningen uit
het
Ondergrondse’ hebben kunnen citeren: ‘En dus, lang leve het
ondergrondse! Hoewel
ik gezegd heb dat ik de normalen tot mijn laatste druppel gal benijd,
zou ik
toch niet graag zoals zij zijn (hoewel ik ze blijf benijden). Nee, o
nee, het
ondergrondse leven is hoe dan ook veel prettiger. Daar kun je in ieder
geval….O, zelfs nu lieg ik weer. Ik lieg omdat ik zelf wel weet, dat
het niet
het ondergrondse is dat beter is, maar iets anders, iets heel anders,
waar ik
naar hunker, maar wat ik niet kan vinden! Dat verdomde ondergrondse!’
Lang
leve het ondergrondse! Naar de duivel met het ondergrondse! Die
genadeloze,
heftige inconsequentie loopt door de hele roman heen, waarvan elke zin
getuigt
van een verterende dorst naar iets, een onbevredigende kwelling, die de
schrijver
niet kan definiëren. ‘Indien de graankorrel niet in de aarde
valt en sterft,
blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft brengt zij veel vruchten
voort’
(Joh. 12:24) Hoe te sterven? Jezelf voor altijd in het ondergrondse
terugtrekken?
Dat gaat de menselijke kracht te boven. Je bij de normale mensen
aansluiten en
zelf een normaal mens worden? De mensen die door de Engel des Doods
zijn
bezocht, zijn daartoe niet in staat. Daarom staan er in ‘De Gebroeders
Karamazow’ zoveel vreselijke vragen en, (maar misschien is dat
opzettelijk)
zoveel antwoorden, die duidelijk zijn bedoeld om alleen maar
ogenschijnlijke
antwoorden te zijn. Maar er is één punt waarop
Dostojewski zichzelf nooit
tegenspreekt: de algemeen aanvaarde antwoorden, de antwoorden van het
gezonde
verstand en van de wetenschap, zijn voor hem altijd onaanvaardbaar.
Maar
voor ik overga naar ‘De Gebroeders Karamazow’ wil ik mijzelf een kleine
uitwijding veroorloven, die ons kan helpen, als het dan niet is om onze
weg te
vinden, dan in ieder geval om het labyrint te herkennen waarin
Dostojewski ons heeft
binnengevoerd.
Iedereen kent de beroemde Duitse historicus van het christendom,
Professor
Adolf Harnack. Laten wij naar zijn getuigenis luisteren: zijn studie
heeft hem
in de gelegenheid gesteld om geleidelijk en uitvoerig de ‘geheimen’ te
bestuderen temidden waarvan Dostojewski zijn leven heeft doorgebracht.
Maar anders
dan Dostojewski had Harnack slechts één paar ogen ter
beschikking. Bovendien
was hij er als historicus van overtuigd, dat de mens maar
één gezicht heeft, net
zoals de tijd maar één dimensie heeft. Harnack laat geen
gelegenheid voorbijgaan
om ons te vertellen, dat de ‘wet van de tegenstrijdigheid’ het
basisprincipe is
van ons verstand en dat niemand ongestraft de wetten van het verstand
en de op
die wetten gebaseerde wetenschap kan trotseren. Deze geleerde
historicus
schrijft (Dogmengeschichte III, 81): ‘Er is nog nooit een religieus
geloof
geweest, hoe sterk dan ook, dat zich op het belangrijkste, beslissende
moment
niet heeft beroepen op een uitwendige autoriteit. Het zijn louter de
fletse
verhandelingen van filosofen of de polemieken van protestantse
theologen, die
een geloof hebben geconstrueerd, dat zijn kracht uitsluitend aan
interne
bronnen ontleent. Het is zeker deze bronnen de kracht vormen van zijn
bestaan
en ontwikkeling; maar zijn er geen bijzondere voorwaarden nodig om dit
geloof
te laten werken? Jezus Christus beriep zich op de autoriteit van het
Oude
Testament, de eerste Christenen op de profetieën, Augustinus op de
kerk, en zelfs
Luther beriep zich op de schriften. Het leven en de geschiedenis tonen
ons aan,
dat geen enkel geloof werkzaam en vruchtbaar kan zijn, als het zich
niet op een
uitwendige autoriteit beroept en als het geen volstrekte zekerheid in
zijn
absolute autoriteit bezit.” Zo spreekt prof. Harnack en hij voegt
daar aan
het eind van de pagina als noot aan toe, “Ich sehe die Tatsache, aber
ich
verzweifle daran, ihren letzten Grund zu finden, (ik constateer het
feit, maar
hoe ik het moet verklaren, daar kan ik met mijn verstand niet bij).
Dit
is een getuigenis van buitengewoon belang — als je in aanmerking neemt
wie die
geeft — en je kunt daar niet achteloos aan voorbijgaan. Maar je moet
het,
voordat je er gebruik van gaat maken, eerst aan een nader kritisch
onderzoek onderwerpen.
‘Er
is nog nooit een geloof geweest’. Nooit?
Hoe weet professor Harnack dat? De geschiedenis, die hij ongetwijfeld
buitengewoon
diepzinnig heeft bestudeerd, heeft voor hem geen enkel geval van een
geloof opgeleverd,
dat niet op een uitwendige autoriteit heeft gesteund. Maar houdt de
geschiedenis een verslag bij van alle gevallen en alle feiten, of
tenminste van
het merendeel? Is het eigenlijk de taak van de geschiedenis om feiten
te
bewaren? Uit het ontelbare aantal verschillende feiten, zondert de
geschiedenis
slechts een bepaald aantal feiten af, en ook die zijn al
becommentarieerd en
“geïnterpreteerd”, en tot op zekere hoogte aan bepaalde doeleinden
aangepast.
Maar Harnack zegt vol overtuiging: ‘Nooit’. Het is duidelijk,
dat hij
deze conclusie niet aan de geschiedenis of een bestudering van de
feiten heeft
ontleend, want hij heeft nooit alle feiten die zijn voorgevallen kunnen
bestuderen, of er ook maar een glimp van kunnen opvangen. Het is
duidelijk, dat
zijn ‘nooit’ uit een andere bron komt. Het is bij zijn verstand te rade
gegaan,
het uitgangspunt van de wetenschap, dat volgens hem niet ongestraft kan
worden
opgegeven, om de autoriteit aan te ontlenen om zijn eigen verklaring in
een
universeel en noodzakelijk oordeel om te zetten.
Dit
is helemaal juist, als je echt zo bang bent voor straf, dat je zelfs
ter wille
van de waarheid, afziet van de leiding van verstand en wetenschap; of
als je zo
goedgelovig en onervaren bent, dat je echt gelooft, dat onderwerping
aan de
wetenschap en aan het verstand je voor alle straffen zal behoeden. Maar
Dostojewski
was, zoals wij hebben gezien, niet bang voor straf: af en toe, hij
heeft ons
verteld dat iemand soms de voorkeur geeft aan lijden boven gelukkig
zijn. Wij
hebben ook van Dostojewski gehoord, dat ook de meest nederige
onderwerping ons
niet tegen straf kan beschermen, en ook Spinoza leert ons: "Experientia
in
dies
reclamat,
at infinitis exemplis ostendit, commoda atque
incommoda piis
aeque ac impiis promiscue evenire." (De ervaring verkondigt van dag
tot
dag, en toont met oneindig veel voorbeelden aan, dat voorspoed en
tegenspoed de
vromen gelijk de onvromen zonder onderscheid ten deel vallen’) Maar
gehoorzame
en ongehoorzame, godvruchtige en goddeloze mensen zullen vroeg of laat,
bij het
Laatste Oordeel geoordeeld worden: niemand zal worden vrijgesproken,
niemand
zal zijn straf ontlopen.
Professor
Harnack heeft dus de grenzen van een eenvoudige verklaring en van het
verslag
over wat hij heeft gezien en gehoord, overschreden en heeft ons zijn
eigen theorie
over het verstand en haar rechten verschaft. Je zou je zelfs kunnen
afvragen of
het juist is om te zeggen ‘zelfs Luther’. ‘Jezus, de eerste
Christenen, Augustinus, en ‘zelfs Luther’. Ik denk, dat dat ‘zelfs’
beter
achterwege gelaten had kunnen worden.
Maar
nu die correcties eenmaal zijn aangebracht, kunnen wij de getuigenis
van
Professor Harnack in zijn geheel aanvaarden. Maar hij krijgt een nogal
andere
betekenis. Harnack kan niet zeggen, “Er is nooit een geloof is
geweest….”
Wat er wel en niet is geweest is voor de historicus net zo onbekend als
voor de
eenvoudige pelgrim. Van wat er is geweest, weet de historicus alleen
maar wat
in de stroom van de tijd is opgenomen en op die manier sporen in de
wereld
heeft achtergelaten, die voor iedereen zichtbaar zijn; dat wil zeggen
dat
iedereen ze kan zien, vanaf het moment dat ze zijn ontdekt. Maar van de
gebeurtenissen die geen enkel spoor hebben achtergelaten, weet de
historicus
niets en wil hij ook niets weten; en nog minder wil hij dingen weten
die wel
zijn gebeurd, maar die niet aan iedereen getoond kunnen worden.
Als
er dus ooit een geloof is geweest, dat niet steunde op een uitwendige
autoriteit en zich feitelijk niet beriep op welke autoriteit dan ook,
en als
het geen sporen heeft nagelaten, is het voor de historicus alsof het
nooit
heeft bestaan. De historicus zoekt alleen maar en noteert ‘werkzame’
feiten. Als
Harnack zich eenvoudig had willen beperken tot een verslag en niet uit
eigen
naam had willen spreken (want het oordeel van het verstand is inmiddels
voldoende bekend, ook zonder hem), had hij niet moeten zeggen, dat er
nooit een
sterk geloof is geweest, maar nooit een geschikt geloof, een geloof dat
graag
daden wilde verrichten en dat niet op enige uitwendige autoriteit heeft
gesteund; net zoals niemand van de geleerde autoriteiten, de historici,
de
biologen, en geologen, ooit alleen maar feiten heeft meegedeeld, maar
daarbij
altijd heeft verwezen naar de autoriteit van het verstand. Zelfs Jezus
moest
zich, om gehoor te krijgen, op de Schriften beroepen; en nog meer
moesten de
eerste Christenen of Luther dat. Als Harnack zijn feiten op die manier
had
meegedeeld, zouden zij een heel andere betekenis hebben gekregen.
Plotseling
zou dan duidelijk zijn geworden – volstrekt onverwacht – dat de mensen
nooit
het geloof van Jezus of zelfs Luther hadden kunnen of willen
aanvaarden, dat
“geloof” helemaal niet gepredikt kan worden en dat geloof niet werkzaam
kan
zijn; niet kan, wil zeggen, geen historische gebeurtenissen kan
bepalen; dat, wat
de mensen of het collectieve bewustzijn een “sterk geloof” noemen, op
geen
enkele manier op het geloof van Jezus of zelfs Luther lijkt, maar dat
het
louter een verzameling regels en principes is, waar iedereen aan
gehoorzaamt en
voor buigt, omdat niemand weet waar ze vandaan komen; en omdat mensen
eigenlijk
helemaal geen “geloof” willen, maar alleen maar autoriteit en orde, die
des te
invloedrijker worden, naar mate hun oorsprong geheimzinniger is. Op
precies
dezelfde manier geloven mensen in het verstand en de wetenschap, en
geloven
zelfs dat onder hen alleen degenen worden gestraft, die het verstand en
de
wetenschap verachten, maar niet de mensen die dat niet doen.
13
Dostojewski
was geen historicus, hij was niet verplicht te geloven dat wat hier
begint, ook
hier moet eindigen. Wij herinneren ons, dat hij in de tweede dimensie
van de
tijd, voorbij de grenzen van de geschiedenis, wat hem het meest
dierbaar was
probeerde te realiseren, het το
τιμιωτατον, zijn ‘gril’. Hij
hoopte dat dan de muur zou ophouden een muur te zijn, dat het ‘twee
maal twee
is vier’ zijn onbeschaamde zelfverzekerdheid zou verliezen, dat de
atomen niet
langer zouden worden beschermd, dat de vogelvrijverklaarde Socrates en
Giordano
Bruno, bovenal zouden worden gekoesterd, enz. Maar tegelijkertijd was
Dostojewski,
zoals wij allemaal, een kind van de aarde; en daarom verlangde hij, en
werd
daar soms absoluut toe gedwongen, niet alleen om te beschouwen, maar
ook om te
handelen. Wij hebben die tegenstrijdigheid in al zijn geschriften
opgemerkt;
het is met name duidelijk in ‘De Gebroeders Karamazow’ en in het
‘Dagboek van
een Schrijver’.
In ‘De
Gebroeders Karamazow’ gaat Dostojewski net als vroeger voort met zijn
ervaring
— niet die universele ervaring, waar Kant het over had, een ervaring,
die gebaseerd
is op vanzelfsprekendheid, maar zijn persoonlijke, subjectieve
ervaring, die
tot taak heeft om alle bewijzen te overstijgen. Maar in deze roman, net
als in
de artikelen uit het ‘Dagboek van een Schrijver’, wil de schrijver,
alsof hij
het programma van professor Harnack ten uitvoer wilde brengen, kost wat
kost de
instemming van een deskundige autoriteit verkrijgen. Hij weet, dat zijn
geloof
niet actief ‘werkzaam’ kan zijn en geen spoor in de geschiedenis zal
achterlaten, tenzij hij een uiterlijke autoriteit kan vinden, die
voldoende
macht heeft, om voor andere mensen onaantastbaar te lijken.
Wie
is de ‘held’ van de ‘Broeders Karamazow’? Als je op het voorwoord
afgaat, is
het Aljosja, de jongste van de broers en ook Vader Zosima. Maar waarom
zijn dan
de bladzijden die aan hen zijn gewijd, de zwakste en meest kleurloze?
Maar éénmaal,
voelt Dostojewski zich echt bezield als hij het over Aljosja heeft, en
hem een
van de visioenen toestaat, die hij tijdens momenten van uiterste extase
heeft
gehad. ‘Hij (Aljosja) draaide zich plotseling om en liep de cel uit
(van de overleden
monnik Zosima). Snel liep hij de stoep af. Overstelpt van verrukking
zocht hij
de buitenlucht, de vrijheid, de ruimte. Wijd en onafzienbaar koepelde
zich
boven hem de hemel met stille, glanzende sterren bezaaid…De vage streep
van de
Melkweg strekte zich uit van het zenit tot aan de horizon…De koele,
onbeweeglijke stille nacht omhulde de aarde. De witte torens en gouden
koepels
van de kerk fonkelden tegen de saffierblauwe hemel. In de perken rondom
het
gebouw sliepen de weelderige herfstbloemen in afwachting van de
ochtend. De
stilte van de aarde vloeide samen met die van de hemel, het aardse
mysterie
raakte het mysterie van de sterren…. Aljosja stond stil te kijken:
opeens viel
hij ter aarde als een boom die geveld was. Hij wist niet waarom hij de
aarde
omhelsde, hij gaf zich er geen rekenschap van wat hem ertoe dreef om de
grond
te kussen, maar hij deed het, als snikkend, met zijn tranen bevochtigde
hij de
aarde, hij zwoer in verrukking dat hij haar altijd, tot in alle
eeuwigheid, zou
beminnen. “Bevochtig de aarde met de tranen van je vreugd en heb die
tranen
lief…’ hoorde hij een stem zeggen. Waarom huilde hij? Hij huilde van
verrukking, hij vergoot zelfs tranen om de sterren die hem uit de
afgrond van
de hemel hun licht toestraalden, en ‘hij schaamde zich niet voor deze
extase’.
Het leek alsof de draden die al die ontelbare werelden van God met
elkaar
verbonden opeens samenkwamen in zijn ziel, die van verrukking trilde
‘bij dit
contact met andere werelden.’”
In
het hele werk van Dostojewski zul je nooit meer iets dergelijks vinden.
Weliswaar heeft Vader Zosima het in een passage over hetzelfde
onderwerp, maar
minder ongecompliceerd, met minder kracht, en minder inspiratie. Maar
dat was
alles waartoe Dostojewski kon besluiten om zijn bekende helden toe te
bedelen.
Bovendien spreekt hij zelf maar een enkele keer op deze toon, alsof hij
voelde,
dat het onwettig was om veel over dergelijke zaken te praten; of anders
voelde
hij dat van die dingen alleen maar een glimp kan worden opgevangen
vanaf de
bodem van de afgrond, van de onderwereld, tegelijkertijd met, en als
achtergrond voor, de waarden van het “ondergrondse”. Beide
veronderstellingen
lijken even aannemelijk. Het geloof dat Harnack als onmogelijk
beschouwde, het
geloof dat zich niet op een uitwendige autoriteit beroept, dat de
geschiedenis
weigert te erkennen, en dat geen sporen heeft achtergelaten, is precies
hetzelfde visioen van onbekende werelden; een dergelijk geloof houdt
geen
rekening met werken en heeft de mensheid niets geschonken, zodat de
wetenschap
verklaart dat het niet kan bestaan. Maar voor Dostojewski was dat nou
juist het
το τιμιωτατον, die
eeuwige gril, waarvoor hij rechten en waarborgen eiste en zocht, die
hij met
een ongeëvenaarde dapperheid uit de macht van de autoriteit en
zelfs van de macht
van de geschiedenis en haar bewijzen, probeerde te ontworstelen. Vanuit
dit oogpunt
vormt ‘De Broeders Karamazow’, zoals ik al heb gezegd, een vervolg op
de ‘Aantekeningen
uit het Ondergrondse’, waarin hoofdstukken zoals ‘De Opstand’, ‘De
Verdervende
Geest’, en ‘De Broeders maken Kennis’, volledig hadden kunnen worden
ingepast.
Dimitri
Karamazow, de dronkaard, de losbol, die een van de meest onontwikkelde
mensen
is, houdt een toespraak, waar Plato of Plotinus zich niet voor
geschaamd zou
hebben. Hij citeert Schiller en als de dichter zegt:
Ja,
so weit sie wandernd kreiste
Fand sie Elend überall,
Und in ihrem grossen Geiste
Jammert sie des menschen FaIl,
huilt
hij. “Beste vrienden,” zegt hij tot zijn broeders, “deze
vernedering
duurt voort, duurt voort tot op de dag van vandaag. De mens moet op
deze aarde
veel lijden. Wat een vreselijk lijden!....Ik kan nauwelijks over iets
anders
denken, mijn broeder, dan over de vernedering van de mens.” En een paar
minuten
later verklaart diezelfde onontwikkelde officier: ‘Schoonheid is een
vreselijk
en verschrikkelijk ding. Vreselijk, omdat je het niet kunt
definiëren, en omdat
het niet kan worden gedefinieerd, omdat God alleen in raadsels tot ons
spreekt.
Hier vermengen de tegendelen zich met elkaar, hier bestaan de meest
tegenstrijdige dingen naast elkaar. Ik heb weinig ontwikkeld, broeder,
maar ik denk
daar veel over na.’
Hij
denkt er veel over na! Kan een onontwikkeld mens dan nadenken? En
hebben wij
ook maar enig recht om wat zich in het hoofd van Dimitri Karamazow
afspeelt,
denken te noemen? Het is misschien verontwaardiging, opstandigheid, een
jacht
op tegenstrijdigheden, op ondefinieerbare dingen, maar geen denken. Wij
zouden
ons kunnen herinneren, dat wij volgens Spinoza, de vader van de huidige
filosofie, als wij willen denken, elke voorstelling van Bonum et Malum,
Pulchritudo et Deformatio (goed en kwaad, schoonheid en lelijkheid)
terzijde moeten
leggen. Diezelfde Spinoza ‘leerde’: non ridere, non lugere, neque
detestari,
sed intelligere (niet lachen, niet treuren, noch ook verachten,
maar
begrijpen). En als de mensen iets hebben geleerd van Spinoza, dan is
het wel om
zowel het goede en het schone naast zich neer te leggen ter wille van
het
begrijpen en om zichzelf te veranderen in dat “collectieve bewustzijn”,
dat
noch lacht, noch huilt, noch boos is, maar alleen maar weegt, meet en
telt,
zoals de wiskunde naar het beeld waarvan het collectieve bewustzijn is
geschapen.
Wat
de uitspraken als ‘de tegendelen vermengen zich met elkaar’, ‘alle
tegenstrijdigheden leven naast elkaar’, betreft: die lijken meer op het
geraaskal tijdens een delirium, of een verzameling nietszeggende
woorden. ‘Was
einen vollkommenen Widerspruch enthält, kann nicht richtig sein
und Jederman
ist berechtigt, den Widerspruch schonungslos als solchen zu bezeichnen’
(wat een volmaakte tegenspraak bevat, kan niet waar zijn, en iedereen
heeft het
recht om een dergelijke tegenspraak bij zijn naam te noemen), zegt
professor
Harnack over Athanasius, (Dogmengeschichte II, 225) en als hij
Dostojewski had
gelezen zou hij hetzelfde hebben gezegd. En met dezelfde
verontwaardiging zou
hij het ‘ondefinieerbare’ van de onontwikkelde Dimitri Karamazow hebben
bejegend.
Dit
zijn eigenlijk allemaal pogingen die zijn gericht tegen het enige
voornemen om
het βεβαιωτατε
των αρχων, te verslaan, die ‘wet van de
tegenstrijdigheid’, die sinds de tijd van Aristoteles juist als basis
van het
denken is beschouwd. Maar dat houdt Dostojewski niet tegen en hij laat
zich
daardoor niet afschrikken. Hij herinnert zich, dat indocti rapiunt
coelum
(onontwikkelden veroveren de hemel), hij herinnert zich, dat het ‘twee
maal
twee is vier’ het beginsel van de dood is, dat de mens van de boom der
kennis
van goed en kwaad heeft geplukt.
Is
het mogelijk om aan de vloek van de kennis te ontsnappen? Kan de mens
ophouden
met oordelen en veroordelen? Kan hij ophouden met zich te schamen over
zijn
naaktheid, over zichzelf, of over zijn omgeving, zoals Adam en Eva,
voordat de
slang hen verleidde? Dat is het onderwerp van de belangrijke discussie
die in
de ‘Legende van de Grootinquisiteur’, plaats vindt tussen de
negentigjarige
Kardinaal Inquisiteur, die de verpersoonlijking is van alle menselijke
‘kennis’, en God zelf. Lang, negentig jaar lang heeft de oude man
gezwegen; maar
uiteindelijk kan hij niet langer; Hij moet spreken.
De Kardinaal
zegt tot God: “Wat hebt Gij de mensen geboden? Wat kunt Gij hen
bieden? Vrijheid?
De mensen kunnen de vrijheid niet aan. De mensen hebben wetten nodig,
een
bepaalde orde, die voor eens en altijd is ingesteld, die hen zal helpen
om te
onderscheiden, wat waarheid is, en wat leugen; wat mag, en wat niet
mag…… ‘Hebt
Gij het recht ook maar één van die geheimen uit de
wereld, waaruit Gij gekomen
zijt, bekend te maken’, vraagt de Kardinaal aan God, en hij
antwoordt zelf
voor Hem — want God blijft zwijgen, (God zwijgt immers altijd) ‘Nee,
dat
recht
hebt
Ge
niet. Ge hebt de zaak aan ons overgegeven, dat hebt Ge
beloofd, en
Ge hebt die belofte met uw woord bekrachtigd, Ge hebt ons het recht
gegeven te
binden en te ontbinden, en nu kunt Ge er natuurlijk niet meer aan
denken, ons
dat recht weer af te nemen’.
De Kardinaal
zinspeelt natuurlijk op Matth. 18:18: ‘Ik zal U de sleutels van het
koninkrijk der hemelen geven. — En al wat Gij op aarde bindt, zal ook
in de
hemel gebonden zijn, en al wat gij ontbindt op aarde zal ook ontbonden
zijn in
de hemel.’
Op
deze woorden baseert de Katholieke Kerk haar idee van de “potestas
clavium” (de
sleutelmacht) en de onfeilbaarheid van de kerk. Je weet dat vele
hedendaagse
historici van het christendom, waarbij ook professor Harnack behoort,
als ik
mij niet vergis, het vers als een later tussenvoegsel beschouwen. Maar
ook al
zou dat waar zijn, als de Kerk geen tekst uit de Heilige Schrift zou
hebben
waarop zij haar aanspraken zou kunnen baseren, zou dat haar rechten op
geen enkele
manier verzwakken. Met andere woorden: het idee van de onfeilbaarheid
heeft
geen behoefte aan een hemelse toestemming en kan daar gemakkelijk
buiten. Dacht
Harnack soms, toen hij verzekerde, dat niemand ongestraft het verstand
en de
wetenschap kan veronachtzamen, aan de Bijbel? Socrates, en na hem
Plato, hadden
in de oudheid al aangetoond, dat de mensen al op aarde heel goed weten,
hoe ze
moeten ‘binden en ontbinden’, d.w.z. oordelen, en ze wisten dat in de
hemel de
dingen net zo worden geoordeeld, als op aarde. Niemand trekt dat
tegenwoordig
meer in twijfel. Onze kennistheorieën maken elk beroep op de
openbaring
volkomen overbodig. Edmund Husserl, de meest opmerkelijke van de
hedendaagse
filosofen, formuleert deze gedachte als volgt: ‘Misschien is geen
enkel idee
in de huidige tijd is machtiger, actiever en triomferender, dan de
macht van de
wetenschap. Niets kan een halt toeropen aan haar zegevierende opmars.
Zij is in
feite in haar rechtmatige doeleinden alomvattend. Opgevat in haar
ideale
volmaaktheid, zou het identiek zijn met het verstand zelf, dat naast en
boven
zichzelf geen autoriteit kan hebben.’
Het
idee van de ‘onfeilbaarheid’ van de kerk en van de potestas clavium,
is
inderdaad
gebaseerd
op
wat de filosofen de ‘rede’ hebben genoemd en nog steeds
noemen,
deze rede of verstand dat geen autoriteit naast zich verdraagt, en
daarom eist
dat wij voor haar moeten neervallen en haar moeten aanbidden.
Dostojewski ziet
dit met die bijzondere, buitengewoon doordringende blik, waarvan hij
telkens
blijk geeft, als “Apollo hem oproept tot het offer” en “hem dwingt om
van zijn
tweede gezicht gebruik te maken”. “Er bestaat voor de mens geen
onophoudelijker en kwellender zorg”, zegt de Kardinaal, “dan,
als hij
eenmaal vrij geworden is, met de grootst mogelijke spoed op zoek te
gaan naar
iets waarvoor hij zich op de knieën kan werpen. Maar het moet iets
volkomen
onbetwistbaars zijn waarvoor alle mensen tegelijkertijd bereid zijn
neer te
knielen. Want de zorg van de beklagenswaardige schepselen bestaat niet
alleen
uit het probleem om iets te vinden waarvoor ik of een ander zich in het
stof
kan werpen, er moet tevens iets gevonden worden waarin allen kunnen
geloven en
waarvoor allen bereid zijn neer te knielen, maar dan ook beslist
allemaal
tegelijk. Deze behoefte aan gemeenschappelijke adoratie is dan ook de
meest
fundamentele kwelling van de eenling en van de mensheid als totaliteit
sedert
het begin der tijden.
Het
is onmogelijk om verder te citeren: dan zouden wij de hele ‘Legende’
moeten
overschrijven. Maar ik kan niet nalaten om nogmaals de aandacht van de
lezer te
vestigen op de buitengewone kracht, verwant aan helderziendheid, van de
blik
van Dostojewski, op de scherpzinnigheid, waarmee hij de
allermoeilijkste
filosofische kwestie ter sprake brengt. Niet alleen niet in de
filosofieleerboeken,
maar ook niet in de beste monografieën zul je ergens een zulk
indringend en
diep inzicht tegenkomen. Kennistheorie, ethica, en ontologie, maken een
heel
andere indruk op iemand die zijn ‘inwijding’ van Dostojewski heeft
gekregen, en
die, net als hij, deel wil hebben aan het ontzagwekkende geheim van de
Zondeval,
waaraan ook de door de Kardinaal geschetste kwellingen zijn ontleend.
Ik denk,
dat zo iemand ook tot op zekere hoogte de tegenstanders van Dostojewski
zou
kunnen begrijpen: Spinoza, die zijn voortdurende twijfels diep onder
zijn
wiskundige formules verbergt, of Edmund Husserl, die ogenschijnlijk zo
zorgeloos en triomferend is. Want Spinoza is gewoon de Kardinaal van
Dostojewski,
die al op zijn vijfendertigste jaar dat vreselijke geheim heeft
voorvoeld, waarover
in de “Legende” de negentigjarige grijsaard in de diepte van het
onderaardse
gewelf met de eeuwig zwijgende God fluistert. Hoe hunkerend smachtte
Spinoza
naar vrijheid! Maar met wat een onverbiddelijke gestrengheid
verkondigde hij de
‘wet van de noodzakelijkheid’, de enige wet waar God en de mens op
dezelfde
manier aan zijn onderworpen!
En
hij staat niet alleen; bijna alle mensen, die het meest gekweld naar
vrijheid hebben
gedorst, gelovigen en sceptici evenzeer, zingen met een soort
begrafenisvreugde
lof over de noodzakelijkheid. Luthers beste werk, ‘De servo arbitrio’
(over
de
slaafse
wil), is tegen Erasmus van Rotterdam gericht, die
trachtte een
klein gedeelte, van die al toch zo kleine, menselijke vrijheid te
beschermen.
Plotinus beeldde ons leven uit als een marionettenvoorstelling, een
uitvoering
waarin de spelers mechanisch een rol vertolken, die van tevoren is
geschreven. Marcus
Aurelius zei hetzelfde. Voor Gogolj was, zoals wij ons herinneren, de
aarde een
betoverd rijk, voor Plato een grot. De oude tragedieschrijvers
Sofokles,
Aeschylus en Euripides, en de grootste moderne dichter, Shakespeare,
hadden
dezelfde visie over ons bestaan. Je kunt niet zeggen dat de mens niet
vrij is;
maar wel dat de mens de vrijheid boven alles vreest, en dat hij om die
reden
naar kennis zoekt, en er naar streeft om een of andere onbetwistbare en
onfeilbare autoriteit te vinden, waarvoor zij zich met zijn allen
kunnen
neerwerpen. De vrijheid is diezelfde ‘gril’, waarover de man uit het
ondergrondse met ons heeft gesproken; maar hier, op aarde, vraagt ook
de gril
waarborgen voor zichzelf, zelfs zonder te vermoeden, dat haar
belangrijkste
voorrecht, haar vermogen is om het zonder enige waarborg te doen. De
mens
schept datgene, wat hij ‘waarheid’ noemt, een illusie van iets, dat
macht heeft
op aarde en in de hemel. “Kijk eens”, vervolgt de Kardinaal, “wat
U
verder
hebt
aangericht.
En dat alles in naam van de vrijheid! Ik zeg U
dat de
mens door geen andere angst zozeer wordt gekweld als door het zo snel
mogelijk
vinden van iemand waar hij het geschenk van de vrijheid, waar dat
noodlottige
schepsel mee geboren is, aan kan overdragen. ….. In plaats van dat U hun vrijheid hebt
afgenomen, hebt
U die groter dan ooit gemaakt! …. En
zie, in plaats van dat U een vaste basis hebt verschaft om het geweten
van de
mens voor altijd rust te verschaffen, hebt U allerlei buitenissigs,
vaags en
raadselachtigs gegeven; U hebt gekozen voor wat boven het vermogen van
de mens
uitgaat…. En zie, in
plaats van
dat U een vaste basis hebt verschaft om het geweten van de mens voor
altijd
rust te verschaffen, hebt U allerlei buitenissigs, vaags en
raadselachtigs
gegeven; U hebt gekozen voor wat boven het vermogen van de mens
uitgaat”
Met
andere woorden: tot dusver achtte de filosofie, de wetenschappelijke of
ogenschijnlijk wetenschappelijke filosofie, zich verplicht zich te
‘rechtvaardigen’ voor de ‘collectiviteit’, of met de woorden van de
scholastici,
voor het ‘bewustzijn als zodanig’. Zij zoekt vaste grondslagen,
ondubbelzinnigheid,
onbetwistbaarheid en een vaste bodem, en is vooral bang voor de
vrijheid, de
‘gril’, al het ongewone, problematische, en onbepaalde in het leven, en
heeft
nooit het vermoeden, dat het juist dit ongewone, problematische, en
onbepaalde iets
is, dat geen bescherming of waarborg nodig heeft, dat het echte en
enige
onderwerp van haar studie is, het το
τιμιωτατον, waar Plotinus het
over had en waarnaar hij streefde, de werkelijkheid, die Plato in zijn
grot zag,
de God, die Spinoza onder zijn wiskundige formules verborg, en dat het
lelijke
eendje, de man uit het ondergrondse van Dostojewski, bezielde, wanneer
hij zijn
vuisten balde en zijn tong zo schaamteloos uitstak tegen het door de
mensen
gebouwde kristallen paleis. De wijzen van weleer hebben het bevestigd:
Van God
kun je niet zeggen, dat Hij bestaat, want als je zegt: ‘God bestaat’,
verlies
je Hem onmiddellijk.
14
Ik
moet gaan eindigen: niet omdat ik mijn onderwerp uitgeput zou hebben,
maar
omdat de werken van Dostojewski onuitputtelijk zijn. Er zijn maar
weinig mensen,
die hun ziel zo volkomen hebben opengelegd voor de laatste geheimen van
het menselijke
bestaan. Maar voor ik eindig, zou ik graag nog een paar woorden willen
wijden
aan de journalist, zoals hij zich aan ons voordoet in het ‘Dagboek van
een
Schrijver’
Wij
herinneren ons, dat Dostojewski zijn fantastische novelle ‘De Droom van
een Belachelijke
Man’ besloot met het aankondigen van een prediking. Het leek hem
plotseling,
dat hij niet alleen was geroepen om te beschouwen, maar ook om actief
werkzaam
te zijn; dat de actieve werkzaamheid de enige waardige kroon op de
beschouwing
is. Hij was dat ‘vreselijke’ vergeten, dat hij ons zelf had verteld,
namelijk dat
hij al een keer had geprobeerd om te onderrichten, en dat hij met zijn
onderricht
wezens had ‘verdorven’, die zo puur waren dat zij niet wisten wat
schaamte was.
Hij was ook het dreigement uit de Bijbel vergeten, dat wie van de
vrucht van de
boom van de kennis van goed en kwaad had gegeten, zal sterven.
Misschien was
hij het niet vergeten in de eigenlijke zin des woords, net zoals hij
niet de andere
waarheden was vergeten, die zijn tweede gezicht hem hadden geopenbaard;
hij had
maar één ding vergeten: dat die waarheden juist door hun
aard ‘nutteloos’ zijn,
en dat iedere poging om ze nuttig en geschikt voor alle mensen in alle
tijden, universeel
en noodzakelijk, te maken, hen onmiddellijk van waarheden in leugens
veranderen.
‘Daar’
had hij een glimp van de absolute vrijheid opgevangen, waar de
Grootinquisiteur
het over heeft. Maar wat valt er te doen met die vrijheid te midden van
mensen,
die er banger voor zijn dan voor wat dan ook, die alleen iets nodig
hebben wat
zij kunnen aanbidden, voor wier ogen een onwankelbare autoriteit te
verkiezen
is boven alles, zelfs boven het leven? Wie met succes zijn ideeën
wil
verspreiden, moet de vrijheid verruilen voor een autoriteit, zoals,
volgens Dostojewski,
het Katholicisme heeft gedaan, of zelfs Luther, volgens Harnack.
Het
‘Dagboek van een Schrijver’ is zelfs niet het dagboek van Dostojewski,
of
weerspiegelt vrijwel nooit (maar desondanks bevat het ‘De
Zachtmoedige’, ‘De
Droom van een Belachelijke Man’ en een aantal gelijksoortige
bladzijden) de
meest intieme gedachten en gevoelens van Dostojewski. Het is een reeks
artikelen, waarin iemand andere mensen tracht te leren, hoe zij moeten
leven en
wat zij moeten doen. Wij hebben al gezien dat Dostojewski soms heeft
geprobeerd, zelfs in zijn romans, om die rol te spelen. Wij hebben dit
doceren
in ‘Misdaad en Straf’ ontdekt, in ‘De Idioot’ en de ‘Demonen’. In
Dostojewski´s
laatste roman, ‘De Gebroeders Karamazow’ is die tendens bijzonder
uitgesproken.
De schrijver voert hier, in de figuur van Vader Zosima, het ideale type
van de
Meester op. Maar wij hoeven alleen maar de bleke en bloedeloze
redevoeringen
van Zosima te vergelijken met de vurige en bezielde woorden van Iwan en
Dimitri
Karamazow, om te beseffen, dat de waarheden van Dostojewski net zo bang
zijn
voor een algemene geldigheid en zich daar net zo moeizaam aan
onderwerpen, als
de gemiddelde mens aan de vrijheid. Het is de schrijver die door de
mond van
Zosima spreekt, net zozeer als door de mond van zijn held uit het
ondergrondse,
maar in het eerste geval horen wij alleen maar de woorden “collectief”
of “collectief
bewustzijn”. Kijk maar wat er met Dostojewski zelf gebeurt als hij het
over Vader
Therapont heeft; toen Dostojewski probeerde om een grote kluizenaar te
schetsen, een Styliet, die de fantasie van het collectieve bewustzijn
moest
behagen, lukte het hem alleen maar om een figuur te schilderen die
bijna
komisch was….Maar toen hij Kirilow beschreef, die hij zelfs tot
zelfmoord moest
veroordelen, werd deze zwijgende, eenzame man onder zijn pen een
grandioze,
diep ontroerende persoon.
Dostojewski
wilde, dat iedereen de woorden van Vader Zosima zou kunnen begrijpen,
tot zelfs
Claude Bernard aan toe. En inderdaad vielen ze bij iedereen in de
smaak; ze
ontspannen de lezers, die heel goed weten wat het leven is en wat de
dood. Maar
als je die oneindig lange preken leest, ben je verbaasd over het geduld
dat Dostojewski
moet hebben gehad met het schrijven ervan. Er is geen spoor te vinden
van die geestelijke
spanning, van die ‘imponderabilia’ waarmee Dostojewski zielen zo diep
wist te
ontroeren, en die Pascal het geheimzinnige recht gaven om zijn denken
tegenover
de hele wereld te stellen.
Het
is verbijsterend, dat Dostojewski zelf, Smerdjakow, (zij het ook,
weliswaar,
slechts één keer), een ‘beschouwer’ noemt. Zosima en
Aljosja, zijn mannen van
actie, die daarom tot die vertegenwoordigers van het collectieve
bewustzijn
behoren, volgens wie er niets boven zekerheid en vanzelfsprekende
waarheden staat,
die overal waarborgen voor eisen, zelfs voor de gril. Het grootste deel
van Dostojewski’s
journalistieke werk is een herhaling van de woorden, toespraken en
geschriften
van Zosima en Therapont. Zosima geeft raad, behandelt zieken, geeft
aalmoezen
en troost. Therapont drijft duivels uit. Om te kunnen handelen zag
Dostojewski zich
genoodzaakt om zijn tweede gezicht ondergeschikt te maken aan zijn
vertrouwde,
gewone, menselijke gezicht, dat zowel overeenstemde met de bevindingen
van zijn
andere zintuigen, als met die van zijn verstand. Hij wil de mensen
leren hoe ze
moeten leven, of, om zijn eigen uitspraak te gebruiken, ‘hoe ze op
aarde in het
reine moesten komen met God.’ Maar het is op aarde evenmin mogelijk om
mét God
in het reine te komen als zonder God. Dostojewski heeft het ons, dus
ook
zichzelf verteld in de ‘Grootinquisiteur’: openbaringen worden niet aan
de
mensen gegeven, om hun leven te verlichten of om ‘stenen in brood’ te
veranderen; en ook niet, om de loop van de ‘geschiedenis’ te
veranderen. De
geschiedenis kent maar één richting, van het verleden,
door het heden heen,
naar de toekomst; maar de openbaring vooronderstelt een tweede pad.
Iedereen
die een historische invloed wil uitoefenen, moet afstand doen van zijn
vrijheid
en zich onderwerpen aan de noodzakelijkheid. Daarom ook heeft de Kwade
Geest,
de verleider, tot Christus gezegd: als je “alle koninkrijken van de
wereld” wil
bezitten, moet je mij aanbidden! Iedereen die weigert te buigen en het
‘twee
maal twee is vier’ te aanbidden, zal nooit meester van de wereld zijn.
Ik ben
het niet zelf, die al die dingen zegt; het zijn Dostojewski’s eigen
woorden,
als hij met zichzelf alleen is. Maar zodra hij in het gezelschap van
anderen
is, wordt hij net als zij. Zijn eigen ervaring, wat hij met zijn eigen
ogen had
gezien, werd een zware last voor hem. De mensen willen de ervaring waar
Kant en
de wetenschapsfilosofie het over hebben, de ervaring die stenen in
brood doet
veranderen, in datgene wat de wereld kan verzadigen, en die eens en
voor altijd
de gril, het levende individu en de uitzondering in het algemene
principe zal
veranderen, dat de wet boven het leven zal stellen, omdat zij de wet
als het
wezen van het leven zien en eigenzinnigheid van het ‘twee maal twee is
vier’,
en de andere vanzelfsprekende feiten, als het bewijs van hun goddelijke
oorsprong.
Het
resultaat is ongehoord. Geperst in de mal van de ‘collectiviteit’
worden de extases
van Dostojewski slaven van dagelijkse behoeften. Af en toe drukt
Dostojewski gewoon
het stempel van de andere wereld op de gangbare meningen. Hij
voorspelt, bemoedigt
de zwakken, doet hun hoop herleven, overreedt en drijft zelfs soms, net
als
Therapont, duivels uit. Geen enkele van zijn voorspellingen is
uitgekomen. Hij
zei, dat Rusland Constantinopel zou veroveren, dat Rusland nooit een
klassenstrijd zou meemaken, dat West-Europa in bloed zou ondergaan en
in zijn
doodstrijd Rusland te hulp zou roepen, enz. Je kunt je leven op aarde
niet
zonder God regelen, maar volgens hem is dat met God wel mogelijk. Wij
zien nu,
hoe wreed Dostojewski zich heeft vergist. Rusland gaat onder in bloed
en is het
toneel van gruwelen zoals Europa nooit heeft gekend. En hoe merkwaardig
het ook
mag lijken: dat gebeurt misschien juist omdat die mensen, die
eeuwenlang het
lot van Rusland hebben bepaald, op aarde met God in het reine wilden
komen; zij
wilden zich laten leiden door de waarheden, die aan Dostojewski door
zijn
tweede gezicht waren geopenbaard, maar voor hen verborgen waren.
Dostojewski
heeft dat zelf begrepen; enthousiast vertelt hij ons in de
‘Groot-inquisiteur’ dat
de mensen God hebben verloochend omdat Hij zich niet wilde bekommeren
om hun
aardse voorspoed, hun ‘gril’ niet wilde waarborgen. En toch ging hij
door met
prediken met het veranderen van de waarheden van de andere wereld in
oordelen
met een universele geldigheid. In zijn contact met de andere wereld had
hij een
glimp van de ultieme vrijheid gezien, maar toen hij tot zijn medemensen
sprak,
herhaalde hij, samen met de Slavofielen, dat Rusland het meest vrije
land ter
wereld was, en eiste, als een tiran, dat iedereen net zo moest denken
als hij.
Hij herinnerde zich, dat hem in zijn ervaring was geopenbaard, dat ‘de
mens misschien
wel meer van het lijden houdt dan van het gelukkig zijn, meer van
afbraak, houdt
dan van opbouw’, dat ‘hier alles begint, maar niets eindigt’, dat ‘God
het
onmogelijke eist’, dat het ‘twee maal twee is vier’ het principe van de
dood
is, etc.. En uit al die plotselinge, onbepaalde, grillige, en onzekere
waarheden
probeert hij een politiek programma op te stellen, een verzameling
regels, die
een leidraad kunnen zijn voor de praktijk van het leven.
Het
is niet moeilijk om je voor te stellen, wat daarvan terecht is gekomen.
De
dorst naar de absolute vrijheid, waardoor hij wordt gekweld, resulteert
uiteindelijk in die naïeve Slavofiele verklaring, dat Rusland het
meest vrije
van alle landen is; een verklaring die Dostojewski, die niet bang was
voor de ‘wet
van de tegenstrijdigheid’, verkondigt voor het aangezicht van het
despotisme,
dat Rusland naar de rand van de afgrond leidde. ‘De mens houdt
misschien meer
van het lijden dan van het gelukkig zijn’ wordt ten behoeve van de
‘actie’
veranderd in een formulering, die er ogenschijnlijk wat op lijkt, maar
in
werkelijkheid volstrekt anders is: ‘het Russische volk houdt van het
lijden’.
Ook zonder Dostojewski was die ‘waarheid’ maar al te goed bekend bij de
mensen,
die de lotgevallen van Rusland bepaalden en die, door het lijden van
haar volk
te vermenigvuldigen, de toestand teweeg hebben gebracht, waar wij nu
getuige
van zijn. Je zou uitvoerig over dit onderwerp kunnen spreken, maar ik
denk dat
het beter is om daarover te zwijgen; iedereen, aan wie de lotgevallen
van
Rusland ter harte gaan, begrijpt maar al te goed, dat de mensen die die
lotgevallen
besturen, niet ‘ongestraft het gezonde verstand en de wetenschap kunnen
veronachtzamen’.
Je
kunt niet het bestaan van God bewijzen. Je kunt Hem niet in de
geschiedenis
zoeken. God is de vleesgeworden ‘gril’, die alle waarborgen verwerpt.
Hij staat
buiten de geschiedenis, net als alles dat mensen als het το
τιμιωτατον beschouwen.
Dat
is de betekenis van alle werken van Dostojewski; en dat is ook de
betekenis van
de raadselachtige woorden van Euripides, die ik in het begin van deze
monografie heb aangehaald:
τις δ’ οιδειν, ει
το ζην μεν εστι κατθανειν,
το κατθανειν δε
ζην.
September
1921