Ronald D.
Laing
Uit:
"De
strategie van de Ervaring"
Voor maar
weinig
boeken bestaat vandaag de dag een excuus. Een zwart vlak op het
linnen,
stilte op het witte doek, een onbeschreven vel papier, dat is misschien
nog te doen. Waarheid en sociale 'werkelijkheid' hebben al heel
weinig
met elkaar te maken. Om ons heen zien we pseudo-gebeurtenissen,
waaraan
we ons aanpassen met een vals bewustzijn, dat er precies op berekend is
die gebeurtenissen te zien als waar en werkelijk, ja als schoon.
In de huidige samenleving ligt de waarheid minder in wat de dingen zijn
dan in wat ze niet zijn. Onze sociale werkelijkheden zijn zo
lelijk
in het licht van de verbannen waarheid, en schoonheid is haast niet
meer
mogelijk zonder dat zij een leugen is.
Wat moeten
wij daaraan
doen? Kunnen wij, die nog half in leven zijn, in het vaak
trillende
hart van een oud wordend kapitalisme - nog iets meer doen dan nadenken
over het verval rondom en in ons? Kunnen we nog iets meer doen
dan
onze droeve en bittere liederen zingen over desillusie en
verslagenheid?'
Wat we nu
moeten
doen is hetzelfde als we in het verleden hadden moeten doen en niet
gedaan
hebben: zorgen voor een menselijke visie op de mens, doordrongen van
zelfkritiek
en bewustzijn van onszelf. Niemand kan thans beginnen te denken,
voelen of handelen zonder uit te gaan van zijn of haar eigen
vervreemding.
Enkele vormen daarvan zullen we in de volgende bladzijden aan een
onderzoek
onderwerpen.
Wij zijn
allemaal
moordenaars en prostituées - van welke cultuur, maatschappij,
klasse
of natie we ook deel uitmaken, hoe normaal, zedelijk en volwassen we
zelf
ook denken dat we zijn.
Wij zijn
verdwaasde
en verbijsterde schepsels, vervreemd van ons eigen zelf, van elkaar en
van de geestelijke en stoffelijke wereld - ja, waanzinnig, gezien
vanuit
het ideale standpunt dat wij kunnen vermoeden, maar ons niet eigen
kunnen
maken.
Wij worden
geboren
in een wereld waar de vervreemding ons wacht. In potentie zijn
wij
mensen, maar in vervreemde staat en die staat is niet zo maar een
natuurlijke
aangelegenheid. De vervreemding die vandaag de dag onze
bestemming
is, komt alleen tot stand door het schandelijke geweld dat menselijke
wezens
menselijke wezens aandoen.
Kunnen
menselijke
wezens vandaag de dag echte mensen zijn? Kan een man werkelijk
zichzelf
zijn met een andere man of vrouw? Voordat we zo'n optimistische
vraag
kunnen stellen als 'wat is een menselijke relatie?', moeten we vragen
of
een menselijke relatie mogelijk is, of: zijn mensen mogelijk, in onze
huidige
situatie. Het gaat ons hier om de mogelijkheid van de mens.
Deze vraag kan alleen opgeworpen worden via de facetten van die
vraag.
Is liefde mogelijk? Is vrijheid mogelijk?
Ons
denkvermogen
is, behalve ten dienste van wat we in een gevaarlijke waan voor ons
eigenbelang
houden en in overeenstemming met het gezond verstand, jammerlijk
beperkt:
zelfs ons vermogen om te zien, te horen, te tasten en te ruiken is zo
verhuld
in wolken van mystificatie dat ieder van ons een intensieve scholing
doormoet
- om af te leren -, voordat hij de wereld weer fris, in onschuld,
waarheid
en liefde, kan ervaren.
Men gaat
er vanuit
dat de 'normaal' vervreemde mens, aangezien hij min of meer net zoals
iedereen
handelt, geestelijk gezond is. De andere vormen van vervreemding,
die niet in de pas lopen met de heersende staat van vervreemding,
worden
door de 'normale' meerderheid geëtiketteerd als gek of slecht.
De toestand
van
vervreemding, van slaap, van bewusteloosheid, van uitzinnigheid, dat is
de toestand van de normale mens.
Maar als
we nu eens
alles wat van ons geëist wordt en alle bijkomstigheden konden
afleggen
en ons elkaar onze naakte aanwezigheid tonen? Als je alles
wegneemt,
alle kleren, vermommingen en krukken, de schmink, en ook de gewone
dingen,
de spelletjes die het voorwendsel zijn voor de gelegenheden die voor
ontmoeting
moeten doorgaan - als we elkaar eens echt konden ontmoeten, als er eens
zoiets zou gebeuren, zo'n gelukkig samenkomen van mensen, wat zou ons
dan
nog scheiden?
De mens
weet niet
dat, waar alles eindigt, alles begint.
Wanneer
we onze persoonlijke
wereld herontdekken en weer tot zijn recht laten komen, dan treffen we
eerst een slachting aan. Half dode lichamen; genitaliën los
van het hart; hart gescheiden van het hoofd; hoofden gescheiden van
genitaliën.
Zonder innerlijke eenheid, met nog net voldoende gevoel voor
continuïteit
om een greep naar identiteit te doen - de gangbare afgoderij.
Lichaam,
geest en ziel, verscheurd door innerlijke tegenspraak, in verschillende
richtingen getrokken. Een mens, afgesneden van zijn eigen geest,
eveneens afgesneden van zijn eigen lichaam - een half verbijsterd
schepsel
in een waanzinnige wereld
Wij zijn
al in de
tijd van Orwell. De kolonisten mystificeren niet alleen de
inboorlingen,
volgens de methoden die Fanon
(schreef
"De verworpenen der aarde") zo duidelijk laat zien, zij moeten ook
zichzelf
mystificeren. Wij in Europa en Amerika zijn de kolonisten.
Wij hebben een verbijsterend beeld van onszelf als Gods geschenk aan de
grote meerderheid van de van honger omkomende menselijke soort en om
dat
beeld in stand te houden, moeten we ons geweld bij ons zelf en onze
kinderen
interioriseren en de retoriek van de moraal bezigen om dit proces te
beschrijven.
Om ons
industrieel-militair
complex te rationaliseren, mogen we niet zien wat zich voor onze ogen
afspeelt
en mag onze verbeeldingskracht zich niet in de toekomst verdiepen.
Al lang
voordat
het tot een kernoorlog kan komen, hebben we onze geestelijke gezondheid
al dienen te ruïneren. We beginnen met de kinderen.
Het
is geboden ze op tijd te pakken te krijgen. Zonder uiterst
grondige
en snelle hersenspoeling zouden ze met hun smerige breintjes onze
smerige
streken doorzien. Kinderen zijn nog geen dwazen, maar we zullen
er
net zulke imbecielen van maken als wij zijn, indien mogelijk met een
hoog
I.Q.
Vanaf het
ogenblik
van de geboorte, waarop de stenentijdperk-baby zich oog in oog met de
twintigste-eeuwse
moeder bevindt, is de baby onderworpen aan de krachten van het geweld
dat
men liefde noemt, zoals dat met zijn vader en moeder het geval is
geweest
en daarvoor met hún ouders. Het gaat deze krachten er
voornamelijk
om baby's mogelijkheden grotendeels uit te roeien. Deze
onderneming
slaagt over het algemeen zeer wel. Tegen de tijd dat het nieuwe
mensje
vijftien is, zitten we met een wezentje dat net zo is als wij
zijn.
Een half waanzinnig schepsel, min of meer aangepast aan een
krankzinnige
wereld. Dat is normaliteit in de tijd waarin wij nu leven.
Er is
veelvuldig
sprake van geborgenheid, van de achting van anderen. Men wordt
verondersteld
te verlangen naar, te leven voor 'het genoegen dat men beleeft aan de
achting
en genegenheid van anderen. Anders is men een psychopaat.
Zulke
uitspraken
zijn in zekere zin waar. Zij beschrijven het verschrikte,
bangelijke
en abjecte wezentje dat men ons aanspoort te worden, willen we normaal
zijn - en dan bieden we elkaar bescherming tegen ons eigen
geweld.
De familie als chantage-bende.
De mensen
worden
niet datgene waartoe zij door de natuur voorbestemd zijn, maar wat de
maatschappij
van ze maakt ... edelmoedige gevoelens ... worden, als het ware,
verdord,
dichtgeschroeid, verwrongen en geamputeerd om ons maar geschikt te
maken
voor onze omgang met de wereld, zoiets als bedelaars die hun kinderen
kreupel
maken en verminken om ze geschikt te maken voor hun toekomstige positie
in het leven. -
Het gezin
is in de
eerste plaats het gebruikelijke instrument voor wat dan heet
vermaatschappelijking,
dat wil zeggen iedere nieuwe rekruut van het menselijk geslacht zo ver
te krijgen dat hij zich gedraagt en ervaart op dezelfde manier als
degenen
die er al zijn. Wij zijn allen gevallen Zonen der Profetie, die
hebben
leren sterven in de Geest en herboren worden in het vlees.
Jezelf
vernietigen
met de ene hand en dit met de andere liefde noemen, dat is een
goocheltruc
waar je verbaasd van staat. Mensen schijnen over een welhaast
onbeperkt
vermogen te beschikken zichzelf voor de gek te houden en wel zo, dat ze
hun eigen leugens voor waarheid houden. Door dergelijke
mystificaties
brengen we sociale aanpassing tot stand en houden we die in
stand.
Maar de gevolgen van die aanpassing blijven niet uit. Bedot en
bedottend
verliezen we ons zelf, dat wil zeggen onze eigen persoonlijke
ervaringswereld,
die unieke zinvolheid, waarmee we in potentie de wereld kunnen
verrijken.
Marcel
Proust schreef:
Waar
halen
wij de moed vandaan te willen leven, hoe kunnen we ook maar een stap
doen
om aan de dood te ontkomen, in een wereld waar liefde wordt opgewekt
door
een leugen en uitsluitend bestaat in de behoefte ons lijden te laten
verzachten
door het wezen dat ons heeft doen lijden.
Maar niemand
doet ons
lijden. Het geweld dat wij onszelf aandoen, de wederzijdse
beschuldigingen,
de verzoeningen, de extases en de agonieën van een
liefdesverhouding,
berusten op de sociaal geconditioneerde illusie dat twee echte mensen
een
relatie hebben. Onder de omstandigheden is dat een gevaarlijke
staat
van hallucinatie en zelfbegoocheling, een mengelmoes van fantasie,
explosie
en implosie, van gebroken harten, 't weer goedmaken en wraak.
De
laatste vijftig
jaar hebben wij menselijke wezens zo bij de honderd miljoen van onze
soort
eigenhandig afgeslacht. We leven allemaal onder voortdurende
bedreiging
met algehele vernietiging. We schijnen evenzeer uit te zijn op
dood
en destructie als op leven en geluk. We zijn even geneigd om te
doden
en gedood te worden als om te laten leven en te leven. Alleen
door
een allerschandelijkste verkrachting van onszelf hebben we het zo ver
gebracht
dat we ons redelijk weten aan te passen aan een beschaving die
kennelijk
uit is op haar eigen vernietiging. Misschien kunnen we in
beperkte
mate ongedaan maken wat men ons heeft aangedaan en wat we onszelf
hebben
aangedaan. Misschien komen mannen en vrouwen wel ter wereld om
elkaar
gewoon en werkelijk lief te hebben, en niet voor deze bespotting, die
wij
liefde noemen. Als we kunnen ophouden onszelf te gronde te
richten,
kunnen we misschien ophouden anderen te gronde te richten. We
moeten
beginnen met toe te geven, ja te aanvaarden dat we geweld plegen, in
plaats
dat we onszelf blindelings met dat geweld te gronde richten en op die
manier
dienen we te beseffen dat we even ontzettend benauwd zijn om te leven
en
lief te hebben als om dood te gaan.
Maar ik
geloof wel
dat psychiaters meer van schizofrenen kunnen leren over de binnenwereld
dan patiënten van psychiaters.
De
onderzoekingen
naar de gezinnen waaruit schizofrenen voortkomen, uitgevoerd onder
andere
in Palo Alto (Californië), aan Yale University, aan het
Pennsylvania
Psychiatric Institute en aan het National Institute of Mental Health,
hebben
allemaal uitgewezen dat de patiënt die volgens de diagnose
schizofreen
is, deel uitmaakt van een uitgebreid net van uiterst gestoorde en
storende
communicatiepatronen. Naar mijn beste weten deed zich daarbij
geen
enkel geval voor van een schizofreen wiens of wier gestoorde
communicatiepatroon
niet de afspiegeling bleek te zijn van, en de reactie op, het gestoorde
en storende patroon dat zijn of haar familie kenmerkte. Hetzelfde
geldt voor onze eigen onderzoekingen.
Het
gedrag van de
patiënt maakt deel uit van een veel uitgebreider net van gestoord
gedrag. Men moet de tegenstrijdigheden en de verwarring die die
ene
mens 'geïnternaliseerd' heeft, bekijken in hun maatschappelijk
verband.
Ergens deugt
er
iets niet, maar het gaat niet langer aan om dat uitsluitend of zelfs
ook
maar in de eerste plaats 'in' de patiënt te situeren.
Trouwens,
het is helemaal niet de bedoeling iemand schuld in de schoenen te
schuiven.
De onhoudbare positie, de 'je zit altijd fout' 'double bind', de
schaakmat-situatie,
is per definitie niet kenbaar voor de mensen die in deze situatie
verstrikt
zitten. Maar heel zelden is er sprake van opzettelijke en
cynische
leugens of een meedogenloos voornemen om iemand gek te maken, hoewel
dat
meer voorkomt dan men over het algemeen wel denkt. We hebben
ouders
meegemaakt die ons vertelden dat ze liever hadden dat hun kind gek was
dan dat het de waarheid zou beseffen. Maar ook daar is het nog,
omdat
ze het 'een genade' vinden dat zo iemand 'niet goed bij het hoofd is'.
Het lijkt
erop dat
de patiënt, wanneer hij eenmaal in een psychose is terechtgekomen,
een kuur te ondergaan heeft. Hij heeft zich als het ware op een
ontdekkingsreis
begeven, die pas ten einde komt bij zijn terugkeer naar de normale
wereld,
waar hij aankomt met inzichten, anders dan die van de lieden welke een
dergelijke reis nimmer ondernomen hebben. Het lijkt erop alsof
zo'n
schizofrene periode, wanneer zij eenmaal begonnen is, een even
vastgesteld
verloop heeft als een inwijdingsceremonie - een dood en wedergeboorte.
De novice is er misschien in terechtgekomen door zijn gezinsleven of
door
toevallige omstandigheden, maar het verloop ervan wordt voornamelijk
bepaald
door een endogeen proces.
Wanneer men
de zaak
zo bekijkt, levert het spontaan afnemen van de schizofrenie geen
problemen
op. Dit is niet anders dan het natuurlijke resultaat van het hele
proces. Wat we ons dan wel moeten afvragen, is waarom zo veel
mensen
die die reis beginnen, er niet van terugkeren. Hebben deze mensen
te maken met omstandigheden in hun gezinsleven of in de inrichting waar
zij zitten, die hun aanpassing zozeer in de weg staan dat zelfs de
rijkste
en best georganiseerde hallucinatoire ervaring hen niet kan redden?
Vanuit
een ideale
positie op de grond kan men een formatie vliegtuigen in de lucht
waarnemen.
Eén vliegtuig is uit de formatie. Maar de hele formatie
kan
uit de koers zijn. Het vliegtuig dat 'uit de formatie' is, kan
abnormaal
zijn, slecht of 'gek' vanuit het gezichtspunt van deformatie.
Maar
vanuit het gezichtspunt van de ideale waarnemer is de formatie zelf
misschien
wel slecht of gek. Het vliegtuig dat uit de formatie is, kan
voorts
meer of minder uit de koers zijn dan de formatie zelf.
Het is in
het bijzonder
van fundamenteel belang degene die wellicht 'uit de formatie' is, niet
in verwarring te brengen door hem te vertellen dat hij uit de koers'
is,
als -dat niet het geval is. Het is van fundamenteel belang niet
de
positivistische vergissing te maken dat men aanneemt dat, omdat een
groep
'in formatie is, ze daarom vanzelfsprekend 'in de koers' is. Dat
is de dwaling van de Gadareense zwijnen (Matth. 8:28). Maar het
is
ook niet vanzelfsprekend zo, dat degene die 'uit de formatie' is,
daarom
meer 'in de koers' is dan de formatie. Het is helemaal niet nodig
om iemand te idealiseren, omdat hij nu het etiket 'uit de formatie'
krijgt
opgeplakt. Het is ook helemaal niet nodig om degene die 'uit de
formatie'
is, ervan te overtuigen dat genezing erin bestaat dat hij zich weer in
de formatie voegt. Degene die 'uit de formatie' is, zit vaak vol
met haat tegen de formatie en vol met angst omdat hij het vreemde
buitenbeentje
is.
Wanneer de
formatie
zelf uit de koers is, dan dient degene die werkelijk 'in de koers' wil
komen, de formatie te verlaten. Maar dat is, als men dat wil,
best
doenlijk zonder geschreeuw en gekrijs en zonder dat men de toch al
verschrikte
formatie, die men moet verlaten, nog meer schrik op het lijf jaagt.
Voor het
individu
dat het etiket schizofreen is opgeplakt, begint dan niet alleen de rol,
maar ook de loopbaan van patiënt, en wel door het gezamenlijk
optreden
('samenzwering') van familie, huisarts, ambtenaren van de
gezondheidsdienst,
psychiaters, broeders, sociale werksters en dikwijls
mede-patiënten.
De 'verdachte' wordt niet alleen zijn rechtspersoonlijkheid, maar zijn
persoonlijkheid tout court ontnomen: hij wordt niet langer
verantwoordelijk
geacht voor wat hij doet, hij heeft geen eigen definitie meer van
zichzelf,
hij mag zijn bezittingen niet houden, hij mag niet meer de mensen
ontmoeten
die hij wil ontmoeten. Hij beschikt niet meer over zijn eigen
tijd
en de ruimte waarin hij zich bevindt, heeft hij zelf niet
uitgezocht.
Nadat hij onderworpen is aan een vernederend ceremonieel" dat bekend
staat
als psychiatrisch onderzoek, worden hem zijn burgerrechten ontnomen en
sluit men hem op in een instelling,' die bekend staat als inrichting
voor
geestelijk gestoorden. Nergens wordt iemand zo volledig en zo
radicaal
in menselijkheid ontnomen. In zo'n inrichting moet hij blijven,
totdat
het etiket verwijderd wordt of verzacht door uitdrukkingen als
'ontslagen'
of 'weer aangepast'. Heel vaak lijkt het wel: eens een
'schizofreen',
altijd een schizofreen'.
Dit
proces van ingaan
in de andere wereld vanuit deze wereld en van terugkeer in deze wereld
vanuit de andere wereld, dit proces nu is even natuurlijk als sterven,
baren en geboren worden. Maar het moet ons niet verbazen dat in
onze
huidige wereld, die zo bang is voor en zich zo onbewust van de andere
wereld,
men er anders tegenaan kijkt. Wanneer vandaag de dag de
'werkelijkheid',
het weefsel van deze wereld, scheurt en iemand de andere wereld
binnengaat,
dan voelt hij zich angstig en volkomen verloren en ontmoet hij bij
anderen
slechts onbegrip.
Wanneer
men dan door
de spiegel heengaat, door het oog van de naald, dan herkent men het
gebied
soms als het eigen thuis dat men kwijt was geraakt, maar meestal
bevindt
men zich in de innerlijke ruimte en de innerlijke tijd in eerste
instantie
op onbekend gebied en is men bang en in verwarring. Men is
verdwaald.
Men is vergeten dat men daar eerder is geweest. Men grijpt naar
hersenschimmen.
Men probeert zich te handhaven door de verwarring nog erger te maken,
door
projectie (van innerlijke gebeurtenissen naar buiten) en introjectie
(van
uiterlijke gebeurtenissen naar binnen). Men weet niet wat er
gaande
is en er is niemand om je op de hoogte te brengen.
Wij zetten
onszelf
krampachtig af, zelfs wanneer het alleen nog maar gaat om extreme
ervaringen
van het ik. Maar hoeveel te meer zullen we reageren met angst,
met
verwarring en met afweerhoudingen, wanneer we ervaren dat ons ik
verloren
gaat. Er is op zichzelf niets pathologisch in ik-verlies, maar
het
kan soms heel moeilijk zijn om een goede route te vinden voor de reis
die
men begonnen is.
Degene die
dit innerlijke
rijk is binnengegaan zal (indien men hem deze ervaring maar laat)
ontdekken
dat hij een reis gaat maken of wordt meegenomen op een reis - het valt
niet mee om hier duidelijk onderscheid te maken tussen actief en
passief.
Men heeft
het gevoel
dat deze reis 'inwaarts' gaat, terug in het eigen leven, en nog verder
terug: in de ervaring van de gehele mensheid, van de eerste mens, van
Adam
en misschien nog verder in het bestaan van dieren, planten en mineralen.
Op deze reis
zijn
er heel wat kansen om te verdwalen, om verward te geraken, om
gedeeltelijk
te mislukken, ja om geheel en al schipbreuk te lijden: men kan heel wat
angsten, geesten en demonen tegenkomen, die men al dan niet weet te
overwinnen.
Wij vinden
het geen
ziekelijke afwijking wanneer iemand het oerwoud verkent of de Mount
Everest
beklimt. Wij vinden dat Columbus alle recht had om zich te
vergissen
toen hij een schets maakte van het land dat hij ontdekte, toen hij naar
de Nieuwe Wereld kwam. Wat de oneindige regionen der inwendige
ruimte
aangaat, zelfs met de grensgebieden daarvan hebben wij heel wat minder
contact dan met de gebieden der uitwendige ruimte. Wij hebben
respect
voor de ontdekkingsreiziger, de bergbeklimmer, de ruimtevaarder.
Maar het verkennen van de innerlijke ruimte en de innerlijke tijd van
het
bewustzijn, dat lijkt mij een heel wat zinniger onderneming - ja, een
onderneming
die voor onze tijd verschrikkelijk dringend geboden is. Dit is
misschien
wel een van de weinige dingen die in dit tijdsgewricht nog enige zin
hebben.
Wij hebben zo weinig voeling meer met dit rijk, dat veel mensen in alle
ernst kunnen beweren dat het helemaal niet bestaat. Het is
beslist
geen wonder dat het inderdaad een gevaarlijke zaak is zo'n verloren
rijk
te verkennen
Er is
wellicht nog
nooit een tijdperk in de geschiedenis der mensheid geweest dat zozeer
ieder
contact heeft verloren met dit natuurlijke genezingsproces dat sommige
van de mensen die wij schizofreen noemen, ondergaan. Er is geen
tijdperk
geweest dat dit proces zozeer ontwaard heeft, geen tijdperk dat het
zozeer
heeft omgeven met verbodsbepalingen en 'schrikdraad' als onze eigen
tijd.
In plaats van inrichtingen, die een soort garage voor menselijke panne
zijn, hebben we een oord nodig, waar mensen die verder zijn gereisd en
bijgevolg wellicht erger verdwaald dan psychiaters en andere gezonde
mensen,
hun reis door de innerlijke ruimte en tijd kunnen vervolgen om daarna
terug
te keren. In plaats van het vernederende ceremonieel van
psychiatrisch
onderzoek, diagnose en prognose, hebben we een inwijdingsceremonie
nodig
voor degenen die daar rijp voor zijn (in de psychiatrische terminologie
vaak degenen die op het punt staan een aanval van schizofrenie te
ondergaan).
Dit inwijdingsceremonieel zou dan inhouden dat zo iemand volledig
maatschappelijk
begeleid wordt op zijn reis door de innerlijke ruimte en tijd, door
mensen
die daar geweest zijn en ervan teruggekomen. Psychiatrisch gezien
zou dat er op neerkomen dat ex-patiënten toekomstige
patiënten
gek helpen worden.
Misschien
zullen
we het nog eens zo ver brengen dat we de zogenaamde schizofrenen die
tot
ons teruggekeerd zijn, misschien na jaren pas, even veel eer betuigen
als
de vaak niet minder verdwaalde ontdekkingsreizigers van de Renaissance
Hieronder
volgt een
vrij vroeg relaas, dat opgetekend is door Karl Jaspers in zijn
Allgemeine
Psychopathologie.
Ik
geloof
dat ik zelf de ziekte veroorzaakte. In mijn poging door te
dringen
in de andere wereld, stuitte ik op zijn natuurlijke wachters, de
belichaming
van mijn eigen zwakheden en fouten. Eerst dacht ik dat deze
demonen
onaanzienlijke bewoners van de andere wereld waren, voor wie ik een
speelbal
was, omdat ik deze regionen onvoorbereid binnenging en
verdwaalde.
Later dacht ik dat het afsplinteringen waren van mijn eigen geest
(hartstochten)
die zich in mijn nabijheid in de vrije ruimte bevonden en teerden op
mijn
gevoelens. Ik geloofde dat iedereen die had, maar ze niet
waarnam,
dankzij het bescherming biedende bedrog van het gevoel van persoonlijk
bestaan. Ik had het idee dat het laatste een artefact was van de
herinnering, van gedachtencomplexen enz., een pop, aardig om van
buitenaf
naar te kijken, maar van binnen zonder enige realiteit. In mijn
geval
was het persoonlijke zelf poreus geworden doordat mijn bewustzijn was
vervaagd.
Hierdoor wilde ik mijzelf dichter bij de bronnen van het leven
brengen.
Ik had mij daarop lange tijd moeten voorbereiden door een hoger,
onpersoonlijk
zelf in mij wakker te roepen, aangezien 'nectar' niet voor sterfelijke
lippen is. De uitwerking op het dierlijk-menselijk zelf was
desastreus:
het viel uiteen. De onderdelen gingen geleidelijk tot ontbinding
over, de pop was nu werkelijk stuk en het lichaam beschadigd. Ik
had de toegang tot de 'bron van het leven' geforceerd, de vloek van de
'goden' daalde op mij neer. Ik had te laat door dat duistere
elementen
in het spel waren gekomen. Ik leerde ze pas kennen toen ze al te
veel macht hadden. Er was geen weg terug. Daar had ik nu
die
geestenwereld die ik zo graag wou zien. De demonen kwamen uit de
afgrond te voorschijn, als Cerberussen, de toegang ontzeggend aan wie
geen
toestemming had om binnen te komen. Ik besloot de strijd op leven
en dood aan te gaan. Dit hield voor mij uiteindelijk in dat ik
besloot
te sterven, aangezien ik alles opzij moest zetten wat de vijand in
stand
hield, maar dat was tevens alles wat het leven in stand hield. Ik
wilde de dood binnengaan zonder krankzinnig te worden en stond voor de
Sfinx: of gij in de afgrond of ik!
Toen kwam
de verlichting.
Ik vastte en drong zo door tot de ware aard van mijn verleiders.
Het waren souteneurs en bedriegers van mijn dierbare persoonlijke zelf,
dat al even waardeloos bleek als zij. Er kwam een ruimer en
meeromvattend
zelf te voorschijn en ik kon van mijn vorige persoonlijkheid met haar
hele
entourage afzien. Ik zag nu wel in dat deze vorige
persoonlijkheid
nimmer transcendentale gebieden kon binnengaan. Ik voelde
dien-tengevolge
een verschrikkelijke pijn, maar ik was gered, de demonen krompen ineen,
verdwenen en kwamen om. Er begon een nieuw leven voor mij en van
toen af voelde ik me anders dan andere mensen. Er groeide in mij
opnieuw een zelf dat bestond uit leugens omwille van de conventie, uit
komediespel, zelfbedrog en herinneringsbeelden, een zelf net als dat
van
andere mensen, maar daarachter en daarboven bevond zich een groter en
meeromvattend
zelf dat op mij de indruk maakte van eeuwigheid, onveranderlijkheid en
onschendbaarheid en sindsdien steeds mijn beschermer en toevlucht is
geweest.
Ik geloof dat het voor heel wat mensen goed zou zijn om ook eens kennis
te maken met zo'n hoger zelf en dat er mensen zijn die dit doel langs
een
vriendelijker weg hebben bereikt.
Wanneer Iwan
in De Gebroeders Karamazow zegt: 'Als God niet bestaat, is alles
toegestaan',
dan bedoelt hij niet: 'Als mijn superego, in geprojecteerde vorm,
afgeschaft
kan worden, dan kan ik alles doen met een goed geweten'. Hij
bedoelt
wel: 'Als er niets anders bestaat dan mijn geweten, dan heeft mijn wil
geen uiteindelijke geldigheid'.
Onder
dokters en
priesters moeten we mensen hebben die als gids kunnen optreden, die
iemand
uitgeleide doen uit deze wereld en hem in de andere binnen
geleiden.
Een gids wanneer hij binnengaat en een gids wanneer hij terug moet.
Men gaat de,
andere
wereld binnen door een schaal te verbreken: of door een deur: door een
wand: het doek gaat open of omhoog: een sluier wordt weggenomen.
Zeven sluiers, zeven zegels, zeven hemelen. Het 'ego' is het
instrument
om in deze wereld te leven. Wanneer het 'ego' tot ontbinding
overgaat
of afgebroken wordt (doordat bepaalde situaties in een leven
onoverkomelijke
moeilijkheden opleveren, door intoxicatie of door chemische
veranderingen),
dan krijgt de betrokken persoon te maken met andere werelden, die op
een
heel andere manier 'werkelijk' zijn dan het wel zo ongeveer bekende
gebied
van dromen, verbeelding, waarneming of fantasie.
Doordat
deze buitenwereld
bijna volkomen vervreemd is van de binnenwereld, brengt ieder
rechtstreeks
persoonlijk besef van de binnenwereld al ernstige risico's met zich mee.
Maar
aangezien de
samenleving zonder het te weten snakt naar de binnenwereld, wordt er
enorm
vaak een beroep gedaan op mensen die deze wereld op een 'veilige'
manier
te voorschijn kunnen roepen, zo, dat men er geen ernst mee hoeft te
maken
enzovoort. Natuurlijk staat men daar dan weer zeer ambivalent
tegenover.
Geen wonder dat de lijst van kunstenaars die op deze klippen zijn
gestrand,
zo groot is Hölderlin, John Clare, Rimbaud, Van Gogh, Nietzsche,
Antonin
Artaud ...
Zij
die het overleefd hebben, beschikten over uitzonderlijke hoedanigheden
- het vermogen om in het geheim te werken, sluwheid, arglistigheid -
een
door en door realistische kijk op de risico's die ze lopen, niet alleen
van de zijde van het door hen bezochte geestelijk domein, maar ook van
de kant van hun medemensen, die een iegelijk die zich met dit streven
inlaat,
verafschuwen.
Zoals de
zaak nu
staat, is de rol van de seculiere psychotherapeut dikwijls die van de
blinde
die de halfblinde leidt.
Wij leven
in een
seculiere wereld. Om zich aan deze wereld aan te passen, doet het
kind afstand van zijn extase ('L'enfant abdique son extase':
Mallarmé).
Wij ervaren de geest niet meer en nu verwacht men van ons dat we geloof
hebben. Maar op die manier wordt dat een geloven in een
werkelijkheid
welke geen evidentie bezit. Er staat een profetie in het boek
Amos
dat er een tijd zal komen dat er honger in het land zal zijn, 'geen
honger
naar brood, noch dorst naar water, maar naar het horen van het woord
des
Heren'. Die tijd is nu aangebroken. Het is de dag van
vandaag.
Onze
gezondheid is
geen 'ware' gezondheid. Hun waanzin is geen 'ware' waanzin.
De waanzin onzer patiënten is een artefact, teweeggebracht door
ons
destructief optreden t.a.v. hen en hun eigen destructief optreden
t.a.v.
zichzelf. Laat niemand denken dat we nog 'ware' waanzin zullen
tegenkomen:
beslist niet, zo min als wij waarlijk gezond zijn. De waanzin die
wij tegenkomen in patiënten, is een grove parodie op, een
bespotting
en groteske karikatuur van wat de natuurlijke genezing van die
vervreemde
integratie die wij gezondheid noemen, zou kunnen zijn. Ware
gezondheid
houdt op de een of andere manier in de ontbinding van het normale ego,
dat valse zelf dat zo goed is aangepast aan onze vervreemde sociale
werkelijkheid:
het te voorschijn komen van de 'innerlijke' archetypische middelaars
van
de goddelijke macht, en door deze dood heen een wedergeboorte en
mogelijk
een nieuw soort ego-functie, waarbij het ego dan de dienaar, niet de
verrader
van het goddelijke is.
Zien we
dan niet
dat deze reis niet iets is waarvan we genezen moeten worden, maar dat
zij
zelf een natuurlijke geneeswijze is voor onze afschuwelijke staat van
vervreemding,
die wij normaliteit noemen? In andere tijden begon men doelbewust
aan zo'n reis. Of als bleek dat men al op reis was, nolens
volens,
dan dankte men de Heer, als voor een speciale genade.
Vandaag de
dag gaan
nog steeds mensen erop uit. Maar de meesten zullen wel gedwongen
zijn de 'normale' wereld te verlaten, doordat ze in die wereld in een
onhoudbare
positie verkeren. Zij kunnen zich niet oriënteren in de
geografie
van de innerlijke ruimte en de innerlijke tijd, en het zit erin dat zij
zonder gids heel snel zullen verdwalen.
De richting
die
we, op deze zo bijzondere reis, moeten inslaan, is terugwaarts en
inwaarts,
want het was tijden terug dat we tegen de 'vlakte' gingen. Ze
zullen
zeggen dat we regrediëren en ons terugtrekken en geen contact meer
met ze hebben. Dat zal best, want we moeten een lange, lange reis
maken om weer contact te krijgen met de werkelijkheid waarmee we al
lang
geleden ieder contact hebben verloren, allemaal. En omdat ze zo
humaan
zijn en zo bezorgd, ja, van ons houden, en omdat ze zo geschrokken
zijn,
zullen ze ons proberen te genezen. Misschien lukt het ze.
Maar
er is nog alle hoop dat het ze niet lukt.