Downloaden
als
Word-document op de Downloadpagina 
HET TESTAMENT VAN JEAN MESLIER
Voorwoord
Jean Meslier is boos, Jean
Meslier is verontwaardigd,
Jean Meslier is een oudtestamentische profeet, die zijn stem niet heeft
durven verheffen. Hij fulmineert tegen waanideeën, dwalingen,
leugens
verzinsels en bedrog, die de mensheid in het duister doet dwalen. Hij
was
in het voordeel dat hij niet hoefde te vechten tegen de nieuwe
gelovigen,
de gelovigen in de evolutietheorie, de vooruitgang, de democratie en de
wetenschap, die sindsdien de mensheid als virussen besmet hebben. Toch
is zijn testament nog steeds even actueel als toen hij het schreef. De
franje is veranderd, wezenlijk is alles bij het oude gebleven en het is
ontegenzeglijk nog moeilijker doordringbaar als toen. Maar het is
mogelijk.
De arrogantie van de macht is niet onverslaanbaar.
Jean Meslier is helder, maar
vergist zich
als hij stelt dat het één groot complot van de
machthebbers
is, als hij denkt dat de machthebbers gelukkig zijn en als hij zich
blindstaart
op de schone schijn. Mensen, die zichzelf bedriegen en zich daar niet
van
bewust zijn, geloven in hun valse wereldbeeld en zijn dus geen bewuste
bedriegers. Mensen die zichzelf laten bedriegen, omdat ze het bedrog
niet
doorzien, valt ook niets kwalijk te nemen. Meslier heeft niet begrepen
dat alle mensen, van hoog tot laag, handelen uit angst. Angst om uit de
groep gestoten te worden, angst voor straf, angst om te veranderen,
angst
voor het onbekende.
JEAN MESLIER
(1664-1729)
De abbé Meslier werd op
zijn
vijf-en-twintigste aangesteld als pastoor van Etrépigny, in de
Champagne,
waar hij tot zijn dood, veertig jaar later, bleef. Als een
geducht
strijder tegen de sociale misstanden van zijn tijd, kwam hij bij
herhaling
in conflict met het kerkelijke en wereldlijke gezag. Niettemin
waren
zijn parochianen er niet op bedacht na zijn dood drie gesigneerde
kopieën
aan te treffen van een handschrift, getiteld 'Mon Testament', dat een
vernietigende
ontmaskering van het Christendom bevatte. 'Ik wilde niet op
de
brandstapel dan na mijn dood', schreef de abbé.
Het handschrift werd in de
daaropvolgende
jaren veelvuldig afgeschreven, en blijkbaar niet spaarzaam in omloop
gebracht.
Toch werd er niets van gepubliceerd tot 1762, toen Voltaire er een
'Extrait'
van uitgaf, met een korte levensbeschrijving van de auteur'('Hij
heeft',
schrijft Voltaire, 'de stijl van een karrepaard, maar hij trapt niet in
het wilde weg.) Het 'Extrait' werd verschillende keren herdrukt,
dikwijls
tezamen met d'Holbach's 'Bon sens', zodat het laatste geschrift vaak
ten
onrechte aan Meslier werd toegeschreven. De volledige tekst van
Meslier's
'Testament' werd eerst in 1861 te Amsterdam gedrukt (drie delen)
De apologie van de
abbé aan zijn
gemeente:
Het was geen
geldzucht die
mij er toe bracht een beroep te kiezen dat zo tegengesteld was aan mijn
overtuigingen: ik deed wat mijn ouders verlangden. Ik zou u
eerder
hebben ingelicht, wanneer ik dat zonder gevaar had kunnen doen. U
bent mijn getuigen, dat ik nimmer de honoraria heb geïnd die mijn
beroep als pastoor met zich meebracht. Kwezelarij heb ik nooit
onder
u aangemoedigd, terwijl ik u zo weinig mogelijk over onze ellendige
dogma's
heb gesproken. De plichten van mijn beroep had ik na te komen,
maar
hoe leed ik wanneer ik u de vrome leugens predikte die ik in mijn hart
verafschuw. Welk een wroeging heeft uw goedgelovigheid mij
bezorgd.
Duizendmaal heb ik op het punt gestaan in het openbaar uit de band te
springen
en u de ogen te openen; maar een vrees die sterker was dan ikzelf hield
me dan terug en dwong me te zwijgen tot mijn dood. (Voorwoord tot Mon
Testament,
aangehaald door Voltaire in een brief aan de Comte d'Argental, februari
1762.)
HET TESTAMENT
VAN JEAN MESLIER
Overwegingen van de pastoor van
Etrépigny
en But, gericht aan zijn Parochianen.
Een selectie van Voltaire, uit
het werk
van Jean Meslier
Nederlandse vertaling van Eric
W. Elst
Eerste Hoofdstuk
Over de Godsdiensten
Meslier:I,75,7: Elke
godsdienstige sekte
beweert dat ze gegrondvest is op het gezag van God. Daardoor is haar
leer
volledig vrij van de leugens en bedriegerijen die men in de overige
sekten
vindt.
Een sekte die zoiets beweert
(en zichzelf
respecteert) moet kunnen bewijzen dat haar leer werkelijk van God is
uitgegaan.
Zij zal dit moeten doen met behulp van duidelijke bewijzen en
betrouwbare
getuigenissen. Indien zij daartoe niet in staat is, dan mag men er
zeker
van zijn, dat de sekte er één is van menselijke makelij,
en dus niet vrij van vergissingen en bedrog. Nu is het niet denkbaar
dat
een almachtige en oneindig goede God wetten en voorschriften aan de
mens
zou gegeven hebben, als hij er niet tegelijkertijd voor gezorgd zou
hebben,
dat deze zich door duidelijk herkenbare tekens zouden onderscheiden van
de wetten en voorschriften die (in de loop der tijden) door vele
bedriegers
werden uitgedacht. Het blijkt echter dat tot nu toe nog geen enkele
sekte
er in geslaagd is de goddelijke oorsprong van haar godsdienst aan te
tonen.
Dat moeten we wel aannemen, want we zien, sinds vele eeuwen reeds, de
verschillende
sekten op dit punt met elkaar wedijveren. Zij hebben het er zelfs voor
over elkaar hiervoor bloedig te vervolgen. Tot nu toe heeft geen enkele
partij de andere partij van haar waarheid kunnen overtuigen; dat zou
nochtans
wel het geval geweest zijn, moest een sekte over argumenten en
duidelijke
bewijzen van haar goddelijke oorsprong hebben beschikt.
Een oprecht en verstandig mens,
van welke
godsdienstige strekking nu ook, zal niet instemmen met leugens en
bedrog,
maar hij zal wel voor de waarheid willen opkomen. De enige mogelijkheid
dus om alle leugens, vergissingen en bedrog uit de wereld te helpen, en
mensen met dezelfde gevoelens en een gelijkaardige gesteldheid in
eenzelfde
vorm van godsdienst te verenigen, zodat zij in vrede met elkaar kunnen
leven, bestaat erin door aan te tonen dat die ene godsdienst werkelijk
van goddelijke oorsprong is. Voor dit doel moeten bewijzen en
ondubbelzinnige
getuigenissen van haar waarheid geleverd worden. Als dan het bewijs van
de goddelijkheid van die betreffende godsdienst gebracht is, zal
eenieder
zich aan haar onderricht onderwerpen. Niemand zal het dan nog wagen de
geleverde getuigenissen in twijfel te trekken, of de tegenpartij te
geloven,
die nu op haar beurt in verwarring wordt gebracht door de onweerlegbare
bewijzen. Maar wat blijkt: geen enkele sekte beschikt over zulke
onfeilbare
bewijzen of getuigenissen. Hierdoor hebben vele bedriegers de
gelegenheid
gekregen om alle soorten van leugens te verzinnen.
Ziehier nog een aantal bewijzen
die al
even duidelijk de valsheid van de menselijke godsdiensten aantonen. Dit
geldt dan in het bijzonder voor wat onze godsdienst betreft: Meslier
I,77,37.
Meslier I,79,1: Een godsdienst
die op mysteries
steunt (zie verder), en voor haar leer en morele voorschriften vanuit
een
foutief uitgangspunt vertrekt, die daarbij nog een bron is van
onlusten,
en een eeuwige scheiding tussen de mensen teweegbrengt, kan noch een
echte
godsdienst zijn, noch er één zijn van goddelijke
oorsprong.
Alle godsdiensten, en in de eerste plaats de christelijke godsdienst,
steunen
voor hun leer en hun morele voorschriften op een foutief uitgangspunt.
Het besluit dat men hieruit kan trekken is dus duidelijk. Ik zie niet
in
op welke wijze men deze stelling kan negeren. Zij is te evident opdat
men
er zou kunnen aan twijfelen.
Ik ga nu over op het bewijs van
de tweede
stelling, namelijk, dat de christelijke godsdienst de waarheid van haar
leer en morele voorschriften afhankelijk maakt van hetgeen zij "geloof"
noemt, d.w.z., een blind, resoluut en absoluut vertrouwen in een
godheid
en in een aantal wetten en voorschriften die door goddelijke openbaring
aan de mensheid zouden zijn meegedeeld. Het is noodzakelijk dat ze op
dit
ene punt zo hamert, want het is juist dit resolute vertrouwen, dat borg
staat voor de christelijke godsdienst en haar het (nodige) gezag
verleent
in de gehele wereld. Zonder dit blind vertrouwen zouden de gelovigen
geen
gevolg geven aan hetgeen hun godsdienst hen voorschrijft. Dat is dan
ook
de reden waarom alle godsdiensten van hun volgelingen eisen dat zij in
hun geloof vastberaden moeten zijn (Estote fortes in fide). En het is
ook
de reden waarom onze christfanaten het standpunt verdedigen dat
"geloven"
de basis is van het heil (in de wereld), de bron van alle gerechtigheid
en de heiliging (der dingen), zoals trouwens benadrukt werd tijdens het
Concilie van Trente, Deel 6, Hfst.VIII: Meslier I,80,30.
Meslier I,82,25: Maar het is
duidelijk
dat een blind vertrouwen in al hetgeen zich voordoet onder de naam en
het
gezag van God, een uitgangspunt is dat (eveneens) aanleiding kan geven
tot bedrog en leugens. Bewijs hiervan is dat alle godsdienstbedriegers
zich verschuilen achter de naam en het gezag van God. Allen beweren zij
Gods gezant te zijn en dat zij door hem worden geïnspireerd. Niet
alleen is dit blind vertrouwen, dat zij tot basis maken van hun leer
dus
een foutief beginsel, maar het is ook een verderfelijke bron van
onlusten
en verdeeldheid tussen de mensen die met hun godsdienstige overtuiging
naar buiten willen treden. Die godsdienstige verschillen worden dan
telkens
weer opnieuw als voorwendsel gebruikt om alle mogelijke schurkerijen
uit
te denken, om elkaar zo te kunnen bestrijden.
Maar het is ook niet
geloofwaardig dat
een almachtige, oneindig goede en wijze God, zich van zulke
bedrieglijke
middelen zou bedienen, om zijn wil aan de mensheid kenbaar te maken;
want
dat zou uiteindelijk betekenen, dat hij de mens bewust wil misleiden en
voor hem een valstrik spant, opdat de mens zich in zijn keuze zou
vergissen.
Ook is niet aannemelijk dat een
god die
houdt van samenhorigheid en vrede, tevens belangrijke voorwaarden voor
het geluk van de mens, als basis van zijn godsdienst, een zo fatale
bron
van onlusten en eeuwige verdeeldheid tussen de mensen zou kiezen:
Meslier
I,86,1.
Hieruit volgt dat dergelijke
godsdiensten
noch waarachtig, noch van goddelijke oorsprong kunnen zijn (Voltaire).
Meslier I,86,28: Maar ik zie al
hoe onze
christfanaten zullen komen aandraven met hun zogenaamde
"beweegredenen",
en dat zij zullen beweren, hoewel hun vertrouwen in een zekere zin
blind
is, dat hun geloof onderbouwd wordt door een aantal betrouwbare
getuigenissen
en duidelijke bewijzen van haar waarheid. En het zou niet alleen
onvoorzichtig
zijn, maar zelfs dom en roekeloos zijn om hiermee geen rekening te
houden.
Die zogenaamde (in het
algemeen, vier)
beweegredenen zijn de volgende:
1-Het vermeende heilige van hun
godsdienst,
die de ondeugd veroordeelt en de gelovigen aanspoort tot een deugdzaam
leven. Die idee is zo subliem en daarbij zo eenvoudig, dat niemand er
aan
kan twijfelen, dat die doctrine alleen maar kan uitgegaan zijn van een
oneindig heilige, goede en wijze God.
2-De onschuld en de vroomheid
van diegenen,
die hun godsdienst zo liefdevol omhelsd en verdedigd hebben, dat ze er
de wreedste folteringen voor over hadden, en eerder de dood verkozen
dan
hun geloof te verloochenen. Als godsdienst alleen maar op leugen en
bedrog
zou berusten, dan is het niet geloofwaardig dat die personen zich
zodanig
zouden hebben laten misleiden, dat ze er alle voordelen en geneugten
van
het leven zouden voor opgegeven hebben, en zich aan de meest wrede
vervolgingen
zouden hebben laten blootstellen.
3-De orakels en voorspellingen
die lang
geleden binnen het bestek van hun godsdienst werden gemaakt, en die
vervuld
werden op een wijze waaraan niemand kan twijfelen.
4-De veelvuldigheid en de
grootsheid van
de wonderen (voor onze christfanaten, de belangrijkste beweegreden om
in
hun geloof te volharden), die ten allen tijde, tot meerdere glorie van
hun godsdienst, op vele plaatsen in de wereld zijn gebeurd: Meslier
I,88,8.
Meslier I,89,25: Maar het is
heel eenvoudig
om al deze holle redeneringen te weerleggen, en de bedrieglijkheid van
dit soort getuigenissen aan te tonen. Want al de argumenten die onze
christfanaten
uit hun vermeende beweegredenen halen, kunnen evengoed gebruikt worden
ter verdediging van de leugen als van de waarheid; want men kent geen
godsdienst,
hoe bedrieglijk zij ook is, die niet beweert op gelijkaardige
beweegredenen
te steunen; allen beweren zij over de ware en oorspronkelijke leer te
beschikken.
Allen, weliswaar ieder op zijn eigen specifieke wijze, veroordelen de
ondeugd
en zetten de gelovigen aan tot een deugdzaam leven. Alle godsdiensten
tellen
onder hun aanhangers geleerden en geestdriftige volgelingen, die om het
behoud en ter verdediging van hun godsdienst grove wreedheden hebben
ondergaan.
Tenslotte maken allen gewag van voorspellingen en wonderdaden die hun
godsdienst
ten goede zijn gekomen.
Maar zoals de christenen dat
doen, zo beroepen
zich ook de Mohammedanen, de Indiërs en de heidenen op zulke
beweegredenen.
Als onze christfanaten dus al prat gaan op hun wonderen, orakels en
voorspellingen,
dan mogen de heidenen met evenveel recht hetzelfde doen. Alle sekten
hebben
dergelijke vermeende beweegredenen met succes gebruikt voor het
"establishment"
van hun godsdienst: Meslier I,91,9.
Meslier I,92,17: Hieruit volgt
klaarblijkelijk
(de "stichtelijke" verhalen en de godsdienstige gebruiken tonen dit
overduidelijk
aan) dat al die vermeende bewijzen en getuigenissen, waarop onze
christfanaten
zich zo graag op beroepen, in alle godsdiensten terug te vinden zijn.
Daarom
kunnen zij niet als bewijs dienen voor de waarachtigheid van hun eigen
godsdienst, of voor om het even welke andere godsdienst. Het besluit
dat
men hieruit kan trekken is duidelijk: Meslier I,93,4.
Meslier I,99,1: Tussen heidense
en christelijk
wonderen blijken duidelijk overeenkomsten te bestaan. Maar vooraleer
hierop
verder in te gaan, eerst deze bemerking: zou het misschien niet
zinvoller
zijn meer vertrouwen te schenken aan een Philostratus , wanneer die het
wonderbaarlijke leven beschrijft van Apollonius, dan aan de (vier)
evangelisten,
wanneer die het hebben over de wonderen van Jezus Christus? Van
Philostratus
weten we tenminste dat hij een geleerd man was en daarbij nog vlot van
taal. Keizerin Julia, de vrouw van keizer Severius, vroeg hem het leven
en de heldendaden van Apollonius te beschrijven. We mogen dus aannemen
dat Apollonius erg beroemd moet geweest zijn, want zijn exploten hadden
de nieuwsgierigheid van een keizerin opgewekt. Dat kunnen we niet
beweren
van Jezus Christus, noch van diegenen die over hem hebben bericht; want
de Evangelisten waren ongeletterden, eenvoudige mensen uit het volk,
arme
handelaars en vissers, die niet alleen de bekwaamheid misten om de
gebeurtenissen
waarover zij schreven op de juiste wijze weer te geven, maar op vele
plaatsen
van hun relaas zich onderling op de meest frappante wijze tegenspraken.
Op hun beurt dus hebben de
Evangelisten
over het leven en de wonderdaden van hun held bericht. Maar als Jezus
Christus
werkelijk de wonderen heeft gedaan die aan hem worden toegeschreven,
dan
zou hij zonder enige twijfel door eenieder aanbeden zijn geweest.
Iedereen
zou hem bewonderd hebben, en men zou standbeelden voor hem opgericht
hebben,
zoals men dat trouwens deed voor alle goden. Maar niets daarvan, hij
werd
beschouwd als een mislukkeling en een fanatiekeling: Meslier I,100,7.
Meslier I,101,16: Flavius
Josephus, de
Joodse geschiedkundige, spreekt eveneens over de wonderen die in zijn
land
en binnen het bestek van de Joodse godsdienst (Oude Testament) zijn
gebeurd;
maar hij voegt er snel aan toe, dat ze verdacht zijn en dat men er dus
maar weinig geloof aan kan hechten. Eenieder is echter vrij er over te
denken wat hij wil. Daaruit blijkt wel dat hij er zelf niet veel mee
ophad.
Dat is ook wat de "verlichte geesten" er over dachten, en dit soort
verhalen
altijd beschouwd hebben als absurde verzinsels (Zie hiervoor Montaigne:
"Apologie des grand hommes". Het loont ook de moeite te kijken bij
"Relation
des missionnaires de l'île de Santorini): Meslier I,101,27.
Meslier I,104,21: Men zou nog
heel wat
over dit onderwerp kunnen schrijven. Maar het is duidelijk dat die
vermeende
wonderen evenzeer uitgedacht kunnen worden ter verspreiding van de
ondeugd
en de leugen, als van de gerechtigheid en de waarheid.
En ik bewijs dit met behulp van
wat onze
christfanaten "het woord van God" noemen, en met de getuigenis van hun
meester Jezus Christus zelf. Want volgens onze christfanaten bevatten
de
(heilige) boeken het woord van God. In die boeken wordt er meermaals
gewezen
op het bestaan van valse profeten. Maar ook de "mens geworden god"
heeft
er nadrukkelijk voor gewaarschuwd, dat er niet alleen valse profeten
zullen
opstaan, d.w.z. bedriegers die beweren van god gezonden te zijn en in
zijn
naam te spreken, maar dat zij zulke grote wonderdaden zullen
verrichten,
dat zelfs de rechtvaardigen er door verleid zullen worden (Zie
Matthéüs,
24:11-25): Meslier I,105,25.
Meslier I,106: Meer nog, die
zogenaamde
wonderdoeners verlangen dat men alleen maar geloof hecht aan hun
wonderen,
en niet aan deze van de tegenpartij. Daarmee zijn beide partijen niet
meer
geloofwaardig.
Zo kent men het verhaal van de
profeet
(Zedekia) die (in het openbaar) door de profeet (Micha) (frappant) werd
tegengesproken. Daarop gaf (Zedekia) hem een klap in het gezicht, en
voegde
er met een schrandere bemerking aan toe (Zie I Kon. 22:24): "Zie, de
geest
van God, die eerst bij mij was, is nu bij u terechtgekomen?" (Zie II
Kron.
18:23 ev.): Meslier I,107,5
Meslier I, 108,1: Maar hoe
kunnen die vermeende
wonderen getuigenissen van de waarheid zijn als het duidelijk is dat ze
nooit hebben plaats gehad?
Men zou trouwens het volgende
moeten onderzoeken:
1-Zijn de berichtgevers van
deze wonderen
ook werkelijk getuigen uit eerster hand?
2-Zijn het eerlijke en
geloofwaardige mensen,
wijs en schrander, of zijn het personen die reeds vooringenomen waren
ten
overstaan van diegenen waarover zij zo gunstig berichten?
3-Hebben zij alle
omstandigheden onderzocht
van de feiten waarover zij berichten? En indien de feiten goed bekend
waren,
hebben ze deze dan trouw weergegeven?
4- Zijn de geschriften die over
deze wonderen
berichten in de loop der tijden niet vervalst, zoals met zovele
gelijkaardige
geschriften is gebeurd?: Meslier I,110,2.
Meslier: I,111,25: Kijk het
maar zelf na
bij Tacitus en vele andere beroemde geschiedkundigen. Daar kan men
lezen,
in verband met Mozes en zijn Joodse horde, dat deze beschouwd werden
als
een troep dieven en bandieten. De magie en de astrologie waren trouwens
toen de enige vorm van wetenschappen. En naar men beweert was Mozes
ingewijd
in de Egyptische wijsheden. Het moet hem dan ook niet moeilijk gevallen
zijn om eerbied en verering voor zijn persoon door zijn "entourage" af
te dwingen. De kinderen van Jacob, eenvoudige en ongeletterde mensen,
lieten
zich in hun ellende gemakkelijk overhalen tot de gehoorzaamheid die hij
hen oplegde. Ziedaar een heel andere versie, van wat onze christfanaten
en de Joden ons willen doen geloven.
Bestaat er een onfeilbare
methode om uit
te maken wie van twee partijen men veeleer moet geloven? Waarschijnlijk
niet.
Er is ook maar weinig zekerheid
omtrent
de wonderen die we aantreffen in het "Nieuwe Testament". Ze kunnen
trouwens
aan bovengenoemde criteria niet voldoen: Meslier I,113,1.
Meslier I,114,9: En het dient
tot niets
te beweren, dat de verhalen die we aantreffen in de Evangeliën, al
van oudsher als heilig beschouwd werden, en dat ze altijd trouw bewaard
zijn gebleven, zonder enige verandering van de (vermeende) waarheden
die
ze bevatten; maar dit is misschien juist een reden waarom we ze moeten
wantrouwen. Die teksten zijn des te meer verdraaid door diegenen die er
voordeel wensten uit te halen, of die vreesden dat de tekst nog niet
voldoende
gunstig geformuleerd was om hun doeleinden te bereiken. Daarom hebben
de
schrijvers die de teksten hebben herschreven, er zaken bijgevoegd,
veranderd
of er eenvoudig er uit geschrapt. Alles wat hun doel kon dienen was hen
heilig (het doel heiligt alle middelen): Meslier I,114,9
Meslier I,116,21: Dat is
trouwens wat onze
christfanaten zelf niet kunnen ontkennen. Zonder die vele geleerden te
vermelden die gewezen hebben op de toevoegingen, veranderingen en
schrappingen
die in de loop der tijden zijn gebeurd, vermeldt zelfs de heilige
Hiëronymus
Kerkvader, 342-420. n.C, vertaalde de Heilige Schrift in het Latijn),
die
een belangrijk schriftgeleerde was, op meerdere plaatsen van zijn
"Prologen",
dat de Heilige Schrift vervalst en verdraaid is. Want, zo vervolgt hij,
deze geschriften waren in de handen van alle soorten tuig, die er
teksten
aan toevoegden of er hele paragrafen uit wegschrapten. Er blijken
zovele
versies van het oorspronkelijke geschrift te bestaan als er kopijen
zijn
van gemaakt geworden (zie hiervoor zijn "Prologen" aan Paulus, zijn
voorwoord
op Jozua, zijn brief aan de Galaten, zijn voorwoord op Job enz.):
Meslier
I,117,13.
Meslier I,123,3: In verband met
de boeken
van het Oude Testament, zien we dat Ezra, een priester van de Wet, zelf
getuigt dat hij hele boeken heeft herschreven of verbeterd; want ze
waren
voor een gedeelte verloren gegaan of vervalst. Hij verdeelde zijn werk
in 22 boeken, naar het aantal letters van het Hebreeuws schrift.
Daarenboven
schreef hij nog een aantal boeken waarvan de inhoud uitsluitend mocht
meegedeeld
worden aan de "wijzen".
Als Ezra en Hiëronymus al
zelf getuigen
dat die boeken gedeeltelijk vervalst werden of verloren zijn gegaan,
dan
bestaat er toch geen enkele zekerheid over de inhoud ervan. En dan mag
Ezra nog beweren dat hij ze maar gedeeltelijk herschreven of verbeterd
heeft en dat hij door god zelf werd geïnspireerd, dan bestaat daar
ook geen enkele zekerheid over, want om het even welke bedrieger zou
hetzelfde
kunnen beweren.
Tijdens het bewind van
Antiochus werden
alle boeken die men maar kon vinden van Mozes en van de profeten,
verbrand.
De Talmud wordt door de Joden als een heilig en gewijd boek beschouwd.
Het bevat de goddelijke wetten, de zogenaamde "spreuken" en een groot
aantal
waardevolle overdenkingen van de rabijnen, te weten, hun beschouwingen
over menselijke en goddelijke wetten. Tenslotte bevatten ze nog een
groot
aantal geheimen en mysteries met betrekking tot de Hebreeuwse taal. Dit
geschrift wordt door de christenen beschouwd als een verzameling van
illusies,
fabels, bedrog en goddeloosheden. In 1559, werden te Rome, op last van
de bevelhebber van de geloofsinquisitie, 1200 exemplaren van de Talmud,
die men had gevonden in een bibliotheek te Cremona, openbaar verbrand.
De Farizeeërs vormden een
belangrijke
sekte in de Joodse gemeenschap. Zij erkenden slechts de vijf eerste
boeken
van Mozes (Pentateuch), en verwierpen alle andere (in het bijzonder die
van de profeten). Maar hetzelfde zien we gebeuren bij de christenen.
Marcion
en zijn volgelingen verwierpen de boeken van Mozes en de profeten, maar
lieten wel een aantal werken toe die toen erg in trek waren.
Carpocrates
en zijn volgelingen deden hetzelfde en verwierpen ook het gehele Oude
Testament,
maar hielden daarbij nog vol dat Jezus maar een gewoon mens was. De
Marcionieten
en de toenmalige heersers verwierpen eveneens het gehele Oude
Testament,
omdat zij het verderfelijk vonden. Ook de Brieven van Paulus en grotere
gedeelten van de vier Evangeliën vonden geen genade in hun ogen.
De
Ebionieten erkenden alleen maar het Evangelie naar
Matthéüs,
en verwierpen de brieven van Paulus en de drie overige Evangeliën.
Om hun standpunt te verduidelijken hadden de Marcionieten nog een eigen
Evangelie (zg. naar Matthias). De Apostolische Vaders hadden eveneens
een
aantal geschriften ingevoerd om hun dwalingen te verdedigen. Die hadden
ze uit een aantal "handelingen" gekristalliseerd die ze toeschreven aan
de heilige Andreas en de heilige Thomas.
De Manicheeërs schreven
een Evangelie
zoals zij zich dat zelf wensten. Ze verwierpen verder alle geschriften
van de profeten en apostelen. De Ezraïeten daarentegen beriepen
zich
op een geschrift waarvan ze beweerden dat het direct uit de hemel was
gekomen.
Uit de overige geschriften werd door hen naar willekeur geselecteerd.
Origenes,
weliswaar een verstandig man, kon er niet mee ophouden om de
geschriften
te "verbeteren". Hij smeedde allegorieën buiten alle proporties.
Daarmee
heeft hij de oorspronkelijke betekenis, die de profeten en apostelen
aan
hun geschriften hadden gegeven, grondig veranderd. Zelfs sommige van de
grondstellingen van de (christelijke) leer waren voor hem niet veilig.
Zijn boeken werden later op hun beurt verminkt en vervalst. Wat er nu
nog
van over is, zijn fragmenten die na hem door anderen werden vergaard en
aan elkaar geflanst. Ze kenmerken zich door vele dwalingen en
klaarblijkelijke
vergissingen.
De (Allegorieërs) schreven
het Johannes-evangelie
en zijn Apocalyps toe aan de ketter Corinthus, reden waarom ze deze
geschriften
verwierpen. Ketters uit meer recente tijden verwierpen weer een aantal
geschriften als zijnde apocrief, maar die echter door de Romeinse
katholieken
als heilig en gewijd worden beschouwd. Voorbeelden hiervan zijn de
boeken
Tobias, Judith, Esther en Baruch. Maar ook het verhaal van de drie
kinderen
in de oven, de geschiedenis van de (kuise) Susanna, het idool van Bel,
de wijsheden van (koning) Salomon, het boek Prediker en het eerste en
tweede
boek der Maccabeeën worden hieronder gerekend. Daarentegen worden
vele geschriften dan weer door de Romeinse katholieken verworpen, zoals
bijvoorbeeld, de Handelingen van de heilige Thomas, zijn reizen, zijn
Evangelie
en Apocalyps, de Evangeliën van Bartholomeus, Matthias, Jacob en
Petrus.
Maar ook de Handelingen van de heilige Petrus, zijn boeken Openbaring
en
Apocalyps, Laatste Oordeel, Jeugd van de Heiland, en vele andere van
gelijkaardig
allooi, vinden geen genade in de ogen van de Romeinse katholieken.
Zelfs
paus Gelasus (13e eeuw) wilde er niet van weten, en hetzelfde geldt
voor
de Heilige Vaders van de Romeinse Curie: Meslier I,127,9.
Dit bevestigt eens te meer dat
er geen
toetssteen bestaat waarmee men met zekerheid het gezag kan testen, dat
men aan deze boeken moet geven. Diegenen die het goddelijke van de
geschriften
blijven volhouden, zijn verplicht toe te geven dat zij hierover geen
zekerheid
hebben, maar dat hun geloof hen die zekerheid verschaft, en hen zelfs
verplicht
dit te geloven. Maar geloof is een beginsel, vatbaar voor leugens en
bedrog.
Hoe kan men dan door geloven, d.w.z., door louter blind vertrouwen,
zekerheid
krijgen omtrent de inhoud van bepaalde boeken, als diezelfde boeken de
basis vormen van dit blind vertrouwen. Hoe zielig en hoe onzinnig!:
(Samenvatting
door Voltaire van Meslier I,127,11 tot en met Meslier I,128,13.)
Meslier I, 128,23: Wat nu, als
we toch
zouden bemerken dat deze geschriften zekere waarheden bevatten, zoals
bijvoorbeeld
belangrijke wetenschappelijke gegevens, wijsheden en morele maatstaven,
of nog meer van zulke idealen die alleen maar aan een god kunnen worden
toegeschreven? En wat, indien de wonderen die men erin beschrijft
beantwoorden
aan de grootsheid, de goedheid, de rechtvaardigheid en de oneindige
wijsheid
van een almachtige God?: Meslier I,128,32
Meslier I,130,1: Dan stellen we
vooreerst
vast dat de geschriften geen wijsheden, uitzonderlijke ideeën of
belangrijke
vervullingen vermelden die het begrip van de menselijke geest te boven
zouden gaan. Maar dat we wel geconfronteerd worden met wonderbaarlijke
geschiedenissen, zoals de vrouw die uit de rib van een man wordt
gevormd,
de tuin van Eden, de slang die spreekt en argumenteert en die zelfs
listiger
blijkt te zijn dan de mens, een ezelin die ook al kan spreken en die
het
haar meester kwalijk neemt dat hij haar slecht behandelt, de zondvloed
en de ark waarin alle mogelijke dieren werden ondergebracht, de
spraakverwarring
en het ontstaan van de volkeren. En dan hebben we het niet eens over
zovele
andere onnozele geschiedenissen die over weinig verheven en idiote
onderwerpen
handelen? Schrijvers die zichzelf respecteren minachten dit soort
literatuur
en wensen zich er niet mee te engageren. Die verhalen zijn immers van
dezelfde
aard als de fabels die men kent over de vaardigheid van Prometheus,
over
de doos van Pandora, de oorlog tussen de Titanen en de goden, en over
nog
zoveel andere gelijkaardige vertelsels, die de dichters hebben
verzonnen
om hun tijdgenoten te vermaken. Van de andere kant stoten we op een
mengelmoes
van wetten, plichten en bijgelovige praktijken, dit laatste vooral in
verband
met de offers. Daarbij komen nog de vele (rituele) reinigingen volgens
de Oude Wet, en de dwaze scheiding van dieren in onrein en rein. Voor
dit
soort wetten kan men maar weinig ontzag opbrengen, want ze blijken niet
beter te zijn dan die van de meest bijgelovige volkeren. Daarenboven
bevatten
de geschriften ook nog een aantal echt gebeurde en een aantal verzonnen
verhalen, over koningen, prinsen en gewone mensen, die losbandig of
deugdzaam
hebben geleefd en lofwaardige of verwerpelijke daden hebben verricht.
Tenslotte
worden er nog een aantal frivole en laaghartige feiten in beschreven.
Om dat alles te schrijven, is
het wel duidelijk,
dat men geen genie hoefde te zijn, noch dat er goddelijke hulp aan te
pas
hoefde te komen. Dit laatste beweren zou trouwens niet bepaald eer doen
aan een God. De geschriften geven ons dus een idee over de uitspraken,
de handelingen en de daden van deze beroemde profeten, die allen
beweerden
in het bijzonder door God te zijn geïnspireerd. Men leert hun
wijze
van handelen en spreken kennen, men verneemt hun ideeën, hun
illusies
en hun dromen. En hieruit valt niet moeilijk te besluiten dat zij meer
weg hadden van dromers en fanatiekelingen dan van wijze en verlichte
personen.
Enkele van deze boeken nochtans
bevatten
een aantal waardevolle instructies en enkele mooie morele beginselen,
zoals
bijvoorbeeld in het boek "Spreuken", een geschrift dat aan koning
Salomon
wordt toegeschreven. Ook de boeken "Prediker", "Wijsheid" en
"Ecclesiasticus"
mogen hier vernoemd worden:
Meslier I,131,36.
Maar diezelfde Salomon, die de
meest wijze
was van al die schrijvers, was ook de meest ongelovige onder hen, want
hij trok zelfs de onsterfelijkheid van de geest in twijfel. Aan het
einde
van zijn werk schreef hij "dat er niets beter is dan zich in vrede te
verheugen
over zijn arbeid en te leven met diegene die men lief heeft"
(Toegevoegd
door Voltaire).
Meslier I,132,2: Trouwens
hoeveel verhevener
zijn de geschriften van profane schrijvers zoals Xenophon, Plato,
Cicero,
keizer Antonius, keizer Julius, Vergilius enz., dan deze waarvan men
beweert
dat zij door God zelf zijn geïnspireerd! Ik meen zelfs te mogen
zeggen,
wanneer we uitsluitend over de fabels van Aesopos zouden beschikken,
dat
die heel wat vindingrijker en opvoedender zijn dan al die platvloerse
en
slechte parabels die we aantreffen in de Evangeliën.
Maar wat vooral evident maakt
dat die vermeende
heilige geschriften niet van goddelijke oorsprong zijn, afgezien van de
slechte en vage stijl, en het gebrek aan orde in het manipuleren van
het
feitenmateriaal, dat meestal zonder enige aanduiding van de
omstandigheden
wordt voorgesteld, is het feit dat de schrijvers ervan zich
(regelmatig)
tegenspreken op meerdere punten. Zij beschikten trouwens niet over
voldoende
inzicht en natuurlijke aanleg om een verhaal goed op te stellen.
Ziehier nu enkele voorbeelden
waarin de
schrijvers zich (frappant) tegenspreken. Volgens de Evangelist
Matthéüs
stamt Jezus Christus af van koning David, en dit via zijn zoon Salomon
en zo verder tot aan Jozef, de min of meer vermeende vader van Jezus
Christus.
De Evangelist Lucas laat Jezus Christus eveneens afstammen van David,
maar
dan gaat het verder via zijn zoon Nathan tot aan Jozef: Meslier
I,134,7.
Meslier I,135,14:
Matthéüs,
wanneer hij het over Jezus heeft, bericht ons dat in Jeruzalem het
gerucht
ging van de geboorte van een nieuwe koning van de Joden. De
Magiërs
waren de boreling gaan opzoeken om hem te vereren. Hierdoor vreesde
koning
Herodes dat de vermeende nieuwe koning hem wel eens naar zijn kroon zou
kunnen dingen. Daarom liet hij alle kinderen, die nog geen twee jaar
oud
waren, vermoorden, en dit in de gehele omgeving van Bethlehem. Men had
hem immers verteld dat aldaar de nieuwe koning geboren zou zijn. Jozef
en de moeder van Jezus worden echter door een engel gewaarschuwd van
het
komende ongetij. Daarom vluchten ze naar Egypte, alwaar ze tot de dood
van Herodes verbleven, hetgeen eerst na meerdere jaren gebeurde.
De evangelist Lucas
daarentegen, schrijft
dat Jozef en de moeder van Jezus gedurende zes weken rustig op de
plaats
bleven waar het kind geboren werd. Acht dagen na de geboorte werd Jezus
volgens de Joodse Wet besneden. Toen de door de diezelfde wet
voorgeschreven
periode van reiniging van de moeder was verstreken, ging zij en haar
echtgenoot
met het kind naar Jeruzalem om het in te tempel aan God voor te
stellen.
Daar werd een offer gebracht, voorgeschreven volgens de wet van God,
waarna
de gehele familie naar hun stad Nazareth in Galilea terugkeerde. Jezus
groeide op in genade en wijsheid. Zijn vader en moeder gingen elk jaar
opnieuw naar Jeruzalem om er het hoogfeest van Pasen te vieren. Lucas
maakt
noch van de vlucht naar Egypte, noch van de wreedheid van Herodes ten
overstaan
van de kinderen van Bethlehem, enig gewag. Over die vermeende wreedheid
van Herodes wordt ook door geen enkele geschiedkundige uit die tijd
bericht.
Dit geldt in het bijzonder voor de meest gekende onder hen, namelijk de
Joodse geschiedkundige Flavius Josephus, die (uitvoerig) het leven van
koning Herodes heeft beschreven. Ook de drie overige evangelisten
zwijgen
op dit vlak. Het ligt dus voor de hand aan te nemen dat de reis van de
Magiërs, die door een ster werden geleid, evenals de afslachting
van
de jonge kinderen en de vlucht naar Egypte, louter absurde verzinsels
zijn.
Het is immers ondenkbaar dat Josephus, die de wandaden van koning
Herodes
heeft aangeklaagd, geen woord zou reppen over zulk een afschuwelijke
misdaad,
waarvan de evangelist Matthéüs nochtans beweert dat zij
werkelijk
heeft plaats gehad.
Voor wat de duur van het
openbare leven
van Jezus Christus betreft, moet dit, volgens de drie eerste
evangelisten,
ongeveer op drie maanden gesteld worden. Lucas immers bericht dat hij
op
dertigjarige leeftijd door Johannes (de doper) werd gedoopt. Volgens
diezelfde
Evangelist werd hij op 25 december geboren. De doop door Johannes vond
plaats in het 15-de regeringsjaar van keizer Tiberius, hetzelfde jaar
waarin
Annas en Kajafas hogepriesters waren. De eerst daaropvolgende Pasen
viel
in maart, een drietal maanden later. Volgens de evangelisten
Matthéüs,
Marcus en Lucas, werd Jezus gekruisigd de avond voor het Paasfeest van
hetzelfde jaar waarin hij gedoopt werd. Het was trouwens de eerste maal
dat hij met zijn leerlingen naar Jeruzalem was gekomen. Al wat over hem
geschreven is in verband met zijn doop, zijn reizen, zijn wonderdaden
en
zijn voorspellingen omtrent dood en lijden, moet dus terug gebracht
worden
tot het jaar van zijn doop, want de Evangelisten spreken over geen
enkel
daaropvolgend jaar. Uit de gegevens van de evangelisten volgt trouwens
dat hij al die daden onmiddellijk na zijn doop heeft uitgevoerd, alles
mooi in volgorde, en dit in een mum van tijd. Gedurende die drie
maanden
is er slechts een periode van zes dagen, waarin het blijkt dat hij
niets
heeft ondernomen.
Hieruit volgt dus dat hij na
zijn doop
ongeveer drie maanden in het openbaar is opgetreden. Deze periode moet
echter nog met een zestal weken in mindering gebracht worden, want de
Evangelisten
berichten dat Jezus onmiddellijk na zijn doop, een veertigtal dagen en
nachten in de woestijn heeft doorgebracht. Daarmee wordt de duur van
zijn
openbaar optreden, vanaf zijn eerste voorspellingen tot aan zijn dood,
teruggebracht tot een zestal weken. De Evangelist Johannes houdt het
echter
op drie jaar en drie maanden, want volgens deze apostel heeft Jezus
gedurende
zijn openbare leven driemaal Jeruzalem bezocht, en dit naar aanleiding
van het paasfeest. Als het dus waar is, zoals deze Evangelist het
uitdrukkelijk
beweert, dat Jezus driemaal, misschien zelfs viermaal, in Jeruzalem is
geweest, dan kan het niet waar zijn dat hij, te rekenen vanaf zijn
doop,
nog slechts drie maanden geleefd heeft, en dat hij gekruisigd werd
tijdens
de eerste keer dat hij Jeruzalem heeft bezocht.
De drie eerste Evangelisten
spreken dus
slechts over het jaar van de doop van Jezus door Johannes (de Doper) en
berichten niets over daaropvolgende jaren. De Evangelist Johannes heeft
het eigenlijk ook alleen maar over die ene Pasen, maar hij loopt voor
op
de gebeurtenissen door meermaals te herhalen dat het paasfeest van de
Joden
nabij was, en dat Jezus zich op weg begaf naar Jeruzalem. Dit geeft de
indruk dat hij over meerdere paasfeesten spreekt, zodat er uiteindelijk
geen tegenspraak zou bestaan tussen de verschillende Evangelisten. Dat
wil ik dan wel geloven, maar het is wel altijd zo, dat deze schijnbare
tegenstellingen een gevolg zijn, van het feit dat de Evangelisten niet
(nauwkeurig) alle omstandigheden hebben vermeld van de gebeurtenissen
waarover
zij hebben bericht. Wat er ook van waar zij, hieruit kan men weer
besluiten
dat de Evangelisten bij het neerschrijven van hun verhaal niet door God
werden geïnspireerd.
Een andere tegenspraak vinden
we in het
relaas van de Evangelisten over het eerste optreden van Jezus Christus.
De eerste drie evangelisten beweren dat Jezus, onmiddellijk na zijn
doop,
door een geest in de woestijn werd geleid. Daar verbleef hij gedurende
veertig dagen en veertig nachten, zonder enig voedsel tot zich te
nemen.
De duivel trachtte hem meermaals te verleiden. Volgens Johannes echter
vertrok hij, twee dagen na zijn doop, naar Galilea, waar hij een eerste
wonder verrichtte, door op het huwelijksfeest te Kana water in wijn te
veranderen. Dat gebeurde drie dagen na zijn aankomst in Galilea, en op
een afstand van meer dan 30 mijlen van het vertrekpunt.
Matthéüs vertelt
ons (4:13),
in verband met Jezus' eerste verblijfplaats, dat deze, nadat hij uit de
woestijn was teruggekeerd, naar Nazareth in Galilea vertrok. Hij bleef
daar echter niet maar ging wonen in Kapernaüm, een stad aan de
zee.
Lucas daarentegen vermeldt (4:16 en 31) dat hij eerst naar Nazareth
ging
en nadien pas naar Kapernaüm.
De Evangelisten spreken elkaar
ook tegen
voor wat tijdstip en omstandigheden betreft, waarop de apostelen zich
tot
het gevolg van Jezus aansloten. De eerste drie beweren immers dat
Jezus,
toen hij aan de oever van het meer van Galilea stond, eerst Simon en
Andreas
zag, en nadien, een beetje verder, Jacobus, Johannes en hun vader
Zebedeüs.
De Evangelist Johannes daarentegen houdt vol dat het eerst Andreas was,
de broer van Simon Petrus, die zich bij Jezus aansloot, samen met nog
een
andere leerling van Johannes de Doper. Die hadden Jezus ontmoet toen
het
groepje met hun meester aan de oever van de Jordaan verwijlde.
Bij de eerste drie Evangelisten
lezen we,
dat Jezus Christus tijdens het laatste avondmaal, het sacrament van de
transfiguratie (gedaanteverwisseling) van zijn lichaam en bloed
instelde
met behulp van (de symbolen) brood en wijn; zoals heden onze
christfanaten
nog altijd geloven. Bij Johannes echter vinden we hierover niets
vermeld.
Wel vertelt hij ons (13:5), dat, na het avondmaal, Jezus de voeten van
de apostelen ging wassen en dat hij hen opdroeg ditzelfde te doen, de
ene
apostel bij de andere. Ondertussen vergastte hij hen op een uitgebreide
redevoering. Bij de andere Evangelisten vindt men niets over een
(eventuele)
voetwassing, noch over een lange redevoering. Daarentegen getuigen ze
wel
dat Jezus, onmiddellijk na het avondmaal, met zijn apostelen naar de
Olijfberg
trok. Daar werd het hem zeer droevig te moede, en tenslotte begon hij
te
ijlen. De apostelen lagen ondertussen, een eindje verder, te slapen.
Er blijkt zelfs tegenspraak te
bestaan
over het tijdstip waarop het laatste avondmaal heeft plaats gevonden.
Enerzijds
spreken de Evangelisten over de avond voor Pasen, d.w.z., de avond van
de eerste dag van het ongedesemde brood, het brood dat volgens de
voorschriften
in Exodus (12:18), Leviticus (23:5) en Numeri (28:16) zonder gist moet
worden bereid, en anderzijds vertellen de Evangelisten ons, dat Jezus
gekruisigd
werd, op de dag na het laatste avondmaal, en wel omstreeks het
middaguur,
nadat de Joden de gehele nacht en de morgen daarop zijn proces hadden
gevoerd.
De dag van het avondmaal kan echter niet de dag voor Pasen geweest zijn
. Dus als hij gestorven is op de dag voor Pasen, omstreeks het
middaguur,
dan kan het ritueel van het laatste avondmaal niet plaats gegrepen
hebben
op de vooravond van Pasen. De berichtgeving van de Evangelisten is op
dit
punt wel uiterst verwarrend, om niet te zeggen, volledig foutief.
Ook vinden we veel tegenspraak
in het relaas
van de Evangelisten over de vrouwen die Jezus vanaf Galilea zijn
gevolgd.
De drie eerste Evangelisten beweren dat Maria Magdalena, Maria, de
moeder
van Jacob en Jozef, en de moeder van de kinderen van Zebedeüs, op
een afstand stonden te kijken wat er allemaal gebeurde, toen Jezus aan
het kruis werd vastgemaakt. De Evangelist Johannes daarentegen beweert
(19:25) dat de moeder van Jezus, de zuster van zijn moeder en Maria
Magdalena,
vlak bij het kruis stonden samen met de apostel Johannes. Er is hier
dus
een duidelijke tegenspraak met de andere Evangelisten, die immers
beweren
dat de vrouwen op een afstand stonden van het kruis.
Ook op het vlak van de
vermeende verschijningen
van Jezus, na zijn vermeende opstanding, komen de verschillende
geschriften
in tegenspraak met elkaar. Matthéüs (28:9 en 16) vermeldt
twee
verschijningen. Een eerste, wanneer Jezus verschijnt aan Maria
Magdalena
en nog een vrouw, die Maria wordt genoemd, en nog een tweede
verschijning,
aan zijn elf leerlingen, op een berg in Galilea, die Jezus voorheen had
aangeduid (waar hij hen na zijn opstanding zou ontmoeten).
Marcus spreekt van drie
verschijningen.
Een eerste aan Maria Magdalena, een tweede aan twee leerlingen die op
weg
waren naar Emmaüs, en tenslotte een derde verschijning, aan zijn
elf
leerlingen, die hij hun ongeloof verwijt. Lucas houdt het zoals
Matthéüs
op twee verschijningen. Johannes tenslotte bericht over vier
verschijningen,
want hij voegt bij de verschijningen van Marcus nog de verschijning toe
aan een achttal leerlingen, die op de zee van Tiberias aan het vissen
waren
De verschillende Evangelisten
zijn het
ook niet eens over de plaats van de vermeende verschijningen.
Matthéüs
spreekt van een berg in Galilea, Marcus daarentegen, van een tafel waar
de leerlingen rond verzameld waren. Lucas gaat nog verder, en voegt er
aan toe dat Jezus hen buiten Jeruzalem leidde tot in Bethanië,
waar
hij hen verliet door ten hemel op te stijgen. Johannes tenslotte,
beweert
dat de verschijningen plaats grepen in een stad in Jeruzalem, in een
huis
waarvan de deuren door de leerlingen waren afgesloten. De laatste
verschijning
vond plaats op de oever van de zee van Tiberias.
Ziedaar dus heel wat
tegenspraak op het
vlak van de vermeende verschijningen. Maar de Evangelisten spreken zich
ook tegen wanneer ze het hebben over de vermeende hemelvaart van Jezus.
Want Lucas en Marcus beweren dat Jezus in het bijzijn van zijn elf
apostelen
ten hemel steeg. Maar Matthéüs noch Johannes spreken van
enige
vermeende hemelvaart van Jezus. Meer nog, Matthéüs getuigt
heel duidelijk dat Jezus juist niet ten hemel is gevaren, want hij
schrijft
uitdrukkelijk, dat Jezus zijn apostelen verzekert, dat hij altijd bij
hen
zal blijven tot het einde der tijden. "Gaat", zegt hij hen, tijdens de
vermeende verschijning aan de apostelen, "onderricht alle naties, en
wees
er van overtuigd dat ik altijd bij jullie zal zijn, tot het einde der
tijden".
Lucas spreekt zichzelf tegen in
verband
met dit onderwerp, want in zijn Evangelie (24:50) bericht hij, dat
Jezus
in Bethanië ten hemel voer, in het bijzijn van de apostelen. Maar
in zijn "Handelingen van de Apostelen" (aangenomen dat hij er de
schrijver
van is) beweert hij, dat de hemelvaart op de Olijfberg plaats greep. En
hij spreekt zich nog eens tegen in verband met een andere gelegenheid
van
de hemelvaart, wanneer hij in zijn Evangelie schrijft, dat Jezus ten
hemel
voer op de dag van de opstanding zelf, of de nacht daarop; maar in zijn
"Handelingen van de Apostelen", houdt hij vol dat dit veertig dagen na
de opstanding was. Dat raakt dus kant noch wal.
De apostelen hebben dus
blijkbaar hun meester
luisterrijk zien opstijgen; maar waarom zwijgen dan
Matthéüs
en Johannes, die het zelf ook zouden gezien hebben (of er tenminste
over
gehoord), over zo een groots mysterie, dat daarbij ook nog zo
belangrijk
was voor de geloofwaardigheid van hun meester? De beide Evangelisten
hebben
nochtans over heel wat onbenulligere handelingen van hun meester
bericht.
Waarom zwijgt dus Matthéüs met opzet over de hemelvaart, en
waarom verklaart hij niet duidelijk op welke wijze Jezus bij zijn
apostelen
zou zijn gebleven, alhoewel hij hen verlaten heeft door ten hemel op te
stijgen? Het is zeker niet eenvoudig dit geheim te begrijpen. Hoe kan
Jezus
bij hen gebleven zijn als hij hen tevens verlaten heeft
Ik laat de overige tegenspraken
liggen
voor wat zij waard zijn. Met hetgeen ik hier gezegd heb, moet het
voldoende
zijn om in te zien, dat deze geschriften noch een gevolg zijn van
goddelijke
inspiratie, noch van een menselijke wijsheid. Bijgevolg verdienen ze
niet
dat men er enig geloof aan hecht.
Hoofdstuk II
Over de wonderen
Welk voorrecht bepaalt waardoor
de vier
Evangeliën, en nog enkele andere gelijkaardige geschriften, als
heilig
en goddelijk kunnen beschouwd worden? En waarom geldt dit niet voor een
groot aantal andere geschriften, die ook de benaming van "Evangelie"
dragen
en die zoals de eerstgenoemden, de een of andere apostel als schrijver
hebben? Als men nu beweert dat deze niet erkende Evangeliën
verzonnen
zijn en verkeerdelijk toegeschreven werden aan de apostelen, dan kan
men
dat evengoed beweren van de eerstgenoemde Evangeliën. Ook als men
beweert dat deze (apocriefe) Evangeliën bewerkt en vervalst zijn,
dan kan men hetzelfde beweren van de andere. Er blijkt dus geen
afdoende
mogelijkheid te bestaan om het kaf van het koren te scheiden. Zelfs al
beslist de kerk hierover, dan is dat geen punt, want ze is niet
geloofwaardiger
dan al het andere.
De zogenaamde wonderen die we
aantreffen
in het "Oude Testament" zouden zijn opgesteld om, op een weliswaar
ongerechte
en weerzinwekkende wijze, aan te duiden welke volkeren en personen door
God uitverkoren zijn, en om, met opzet, bepaalde volkeren met alle
mogelijke
slechtheden te beladen, en andere daarentegen te bevoordelen. Als God
aan
de aartsvaders Abraham, Isaäk en Jacob beloofde, dat zij geroepen
en uitverkoren waren, en dat uit hun nakomelingen een volk zou groeien
dat hij, meer dan om het even welk volk op aarde, zou zegenen en
beschermen,
dan is dat wel het beste bewijs hiervan.
Maar, zal men ons zeggen, God
is de volmaakte
meester van geven en nemen. Het staat hem (dus) vrij
welgevallig te zijn voor om het
even wie
hij wil, zonder dat wij (maar enigszins) het recht hebben ons te
beklagen,
of hem te beschuldigen van onrechtvaardigheid. Zoiets beweren is
onzinnig.
God, de schepper van de natuur, de vader van alle mensen, moet ons, als
zijn eigen werk, gelijkelijk liefhebben. Daarom moet hij ons allen op
een
gelijkaardige wijze beschermen en verzorgen. Want diegene die het leven
geeft moet ook voor de mogelijkheden zorgen dit leven dragelijk te
maken.
We kunnen moeilijk aannemen dat onze christfanaten geloven dat God met
opzet schepsels zou gemaakt hebben om hen nadien ongelukkig te maken.
Zo
een gedachte alleen al, over een wezen dat oneindig goed is, zou zeker
onwaardig zijn.
Meer nog, als al die zogenaamde
wonderen,
zowel uit het Nieuwe als Oude Testament, waar zouden zijn, dan kan men
hieruit alleen maar besluiten, dat God meer belang zou gehecht hebben
aan
kleine zaken dan aan het werkelijke welzijn van de mensheid en dat hij
zou gewild hebben dat bij zekere personen geringe fouten strenger
worden
bestraft dan grote misdaden bij anderen. En tenslotte, dat God minder
hulpvaardig
zou zijn als het om zeer dringende zaken gaat, dan wanneer het
kleinigheden
betreft.
Dat alles is gemakkelijk na te
trekken,
door middel van de wonderen waarvan verondersteld wordt dat ze van God
zijn, of aan de hand van de wonderen waarvan hij niet zelf de auteur
is.
Want als hij al enig wonder kan laten plaatsgrijpen, dan kan hij om het
even welk wonder laten gebeuren. Zo is het ongerijmd om te beweren dat
God zo vriendelijk was een engel te zenden om een eenvoudige
dienstmaagd
te troosten en ter hulp te komen, terwijl hij anderzijds toeliet en nog
altijd toelaat dat iedere dag weer opnieuw een ontelbaar aantal
onschuldigen
smachten en creperen in hun ellende; beweren dat hij op een
wonderbaarlijke
wijze gedurende veertig jaar de kleding en het schoeisel van een geheel
volk (op doortocht door de woestijn) heeft weten te bewaren, maar
(blijkbaar)
niet voor het natuurlijke behoud wil zorgen van vele goederen die
nuttig
zijn voor het levensonderhoud van de volkeren, waarvan er reeds zoveel
verdwenen is en elke dag nog steeds verdwijnt, is al even
ongeloofwaardig.
Wat! Hij zou een demon, een
duivel,en slang,
of noem maar op, gestuurd hebben naar Adam en Eva, de stamhouders van
het
mensenras, om hen te verleiden, om op die wijze de gehele mensheid de
verdoemenis
in te sturen. Dat is toch niet te geloven. Wat! Hij zou er voor gezorgd
hebben, door middel van een bijzondere voorzienigheid, dat de heidense
koning van Gerar niet een vluchtig avontuurtje zou hebben gehad met een
vreemde vrouw, wat trouwens tot geen enkel gevolg zou geleid hebben,
maar
niet willen beletten dat Adam en Eva hem zouden beledigen, door
ongehoorzaam
te zijn; een fatale zonde volgens onze christfanaten, die het bederf
van
de gehele mensheid tot gevolg heeft gehad! Dat is toch (ook) niet te
geloven.
Wat nu met de zogenaamde
wonderen in het
Nieuwe Testament? Daar wordt beweerd dat Jezus en zijn apostelen alle
soorten
van ziekten en gebreken zouden genezen hebben. Als ze het maar wilden
gaven
ze aan de blinden het zicht, aan de doven het gehoor en aan de stommen
het spraakvermogen. Sukkelaars die hun gehele leven hadden gemankt
liepen
plotseling normaal, en de verlamden konden zich weer bewegen. De
demonen
werden uit de lichamen van de bezetenen verdreven, en de doden werden
weer
ten leven gewekt. Vele van zulke wonderbaarlijke verhalen vinden we
terug
in de Evangeliën, maar we treffen er nog heel wat meer aan in de
boeken
die onze christfanaten hebben opgesteld over het wonderbaarlijke leven
van hun heiligen. Daar ook kan men bijna overal lezen dat die vermeende
heiligen de zieken en de gebrekkigen genazen en dat zij, bijna bij elke
gelegenheid, de demonen uit de lichamen van de bezetenen verdreven. Die
geesten werden, om het zo te zeggen, aan de elementen overgeleverd. En
dit alleen maar door middel van het uitspreken van de naam van Jezus of
door het maken van een kruisteken. Meer nog, God heeft hen zo
begunstigd
dat zij zelfs nog na hun dood deze goddelijke macht behielden, dat deze
goddelijke macht zelfs kon worden overgedragen op hun kleding, of op de
schaduw van hun lichaam of op de schandelijke instrumenten die hun dood
hadden bewerkt. Zo wordt er ons verteld dat een kous van de heilige
Honoré
op 6 januari (het jaar wordt niet vermeld) een dode deed herrijzen, en
dat de staven van de heilige Petrus, de heilige Jacobus en de heilige
Bernardus
de mogelijkheid bezaten om wonderen te doen plaatsgrijpen. Hetzelfde
wordt
beweerd van de gordel van de heilige Franciscus, van de staf van de
heilige
Johannes en van de gordel van de heilige Melanie. Ook wordt er beweerd
dat de heilige Gracilien op wonderbaarlijke wijze door God werd
onderricht,
van wat hij moest geloven en onderwijzen. Door middel van een
redevoering
slaagde hij erin een berg te verzetten die (tot dan toe) de bouw van
een
kerk had belet. Uit het lichaam van de heilige André stroomde
zonder
ophouden een vloeistof die de mogelijkheid bezat de zieken te genezen.
De ziel van de heilige Benedictus zag men ten hemel rijzen, getooid in
een prachtige mantel en omringd met vurige lichten. Van de heilige
Dominicus
wordt beweerd dat God hem nooit de dingen die hij had gevraagd
geweigerd
heeft. Franciscus zou zich onderhouden hebben met de zwaluwen, de
zwanen
en nog met vele andere vogelsoorten. De vogels gehoorzaamden hem, en
dikwijls
gebeurde het dat de vissen zich in zijn handpalmen kwamen vleien of dat
konijnen en de hazen zich in zijn schoot kwamen nestelen. Van de
heilige
Paulus en de heilige Panteleon wordt beweerd dat er, nadat ze onthoofd
waren, melk uit hun wonden stroomde. De gelukzalige Peter van Luxemburg
zou gedurende twee jaren na zijn dood (1388-1389) meer dan 2400
wonderen
hebben verricht. Hiertussen bevonden zich twee en veertig verrezenen
uit
de dood. Maar vergeten we niet de drie duizend andere wonderen waarvoor
hij verantwoordelijk zou zijn geweest en de vele andere die hij nu nog
steeds verricht. Ook wordt ons verteld dat een vijftigtal filosofen,
die
bekeerd waren door de heilige Catharina, in het vuur werden geworpen.
Maar
wonder bij wonder werden hun lichamen niet verteerd, en niet
één
enkel haar van hun hoofd was verschroeid.
Het lichaam van de heilige
Catharina werd
na haar dood door de engelen naar de berg Sinaï vervoerd en aldaar
begraven. Op het dag van de heiliging van de heilige Antonius van Padua
begonnen plotseling alle klokken van de stad Lissabon te luiden zonder
dat daar enige reden kon worden voor gevonden.
Van diezelfde heilige wordt
beweerd dat
hij aan zee de vissen toesprak, om hen te verschalken. Een groot aantal
onder hen stak de kop boven water uit, en luisterde met volle aandacht
naar wat de heilige te vertellen had.
Er zou geen einde aan komen als
we al die
dwaasheden zou moeten opsommen. Er is immers geen enkel onderwerp, hoe
onzinnig of frivool ook, of het werd gebruikt door de schrijvers van de
levens van de heiligen, die er plezier in hadden om wonder op wonder op
elkaar te stapelen. Op die wijze hebben ze heel wat mooie leugens de
wereld
in geschopt (Zie in dit verband het werk van Naudé: Apologie des
grands hommes, hst.I, blz.13).
Het is dus niet zonder reden
dat we al
die dingen als ijdele leugens beschouwen. Het is (trouwens) eenvoudig
na
te trekken dat al die vermeende wonderen uitgevonden zijn in navolging
van de fabels van de profane dichters. De gelijkaardigheid tussen beide
genres pleit hier voor.
Hoofdstuk III
Overeenstemming van de
Antieke met de
Religieuze wonderen.
Als onze christfanaten al
beweren dat het
God waarachtig zelf was, die zijn heiligen de macht gaf om tijdens hun
leven wonderen te laten plaatsgrijpen, dan mogen de heidenen met
evenveel
recht beweren, dat het de God Bacchus was, die aan de dochters van
Anius,
opperpriester van Apollo, de gunst en de macht gaf om alles wat ze maar
wilden in graan, wijn of olie, enz...te veranderen; en verder dat het
de
God Jupiter was die aan de nymphen, die hem hadden opgevoed, een hoorn
gaf van de geit die hem als boreling had gezoogd. Die geitenhoorn had
de
macht om alles wat de nymphen maar verlangden in overvloed te bezorgen.
Wanneer onze christfanaten
beweren dat
hun heiligen de macht hadden om de doden tot leven te wekken, en dat
zij
deelachtig aan goddelijke openbaringen waren geweest, dan beweerden de
heidenen reeds lang voor hen dat Athalide, zoon van de God Mercurius,
de
gave van zijn vader had verkregen te kunnen leven, sterven en opnieuw
te
leven wanneer hij dit maar wilde, en dat hij kennis had van wat er in
dit
leven en in het leven daarop volgend plaats greep. Aesculapius, zoon
van
Apollo zou meerdere doden tot (nieuw) leven hebben gewekt, zoals
Hippolyte,
dochter van Theseus, en dit op vraag van Diana. Ook Alceste, de vrouw
van
koning Admetus van Thessalië, werd door de Herculus opnieuw tot
leven
gewekt, om haar zo terug te kunnen geven aan haar man.
Wanneer onze christusfanaten
beweren dat
hun Christus op wonderbaarlijke wijze geboren is uit een maagd, zonder
dat hier een man te pas was gekomen, dan beweerden de heidenen reeds
lang
vóór hen dat Romulus en Remus, de stichters van Rome,
eveneens
op wonderbaarlijke wijze uit een Vestaalse maagd werden geboren.
Die maagd heette Ilia, Silvia
of Rhea Silvia.
Maar ook Mars, Argus, Vulcanus, en vele anderen, werden geboren uit de
godin Juno, zonder tussenkomst van een man. En wat dan met Minerva, die
in het hoofd van Jupiter werd verwekt, en die toen Jupiter zich met
zijn
vuist op het voorhoofd sloeg, met harnas en wapens uit zijn hoofd te
voorschijn
sprong.
Als onze christusfanaten
beweren dat hun
heiligen bronnen uit de rotsen lieten ontspringen, dan geldt iets
dergelijks
voor de heidenen, want die beweren dat Minerva, uit dankbaarheid voor
de
tempel die men ter ere voor haar had opgericht, een oliespuitende
fontein
liet ontspringen.
Onze christusfanaten gaan er
prat op dat
zij op wonderbaarlijke wijze standbeelden uit de hemel hebben
ontvangen,
zoals bijvoorbeeld het beeld van Onze Lieve Vrouw van Lorette, of dit
van
Onze Lieve Vrouw van Liesse, of nog zovele andere geschenken, zoals de
zogezegd heilige lamp van Reims, de witte kazuifel die de heilige
Ildefonse
van de maagd Maria ontving, en nog vele andere voorwerpen van dergelijk
allooi, Maar de heidenen beweerden reeds lang voor hen, dat ze een
heilig
schild, als teken voor het behoud van de stad Rome, uit de hemel hadden
ontvangen. Ook de Trojanen gaan er prat op hun Palladium op
wonderbaarlijke
wijze uit de hemel te hebben verkregen. Ze beweren zelfs dat het
beeldje
zijn plaats innam in de tempel die ter ere van de godin Athena was
opgericht.
Als onze christusfanaten beweren dat de apostelen hun Jezus Christus
roemrijk
ten hemel hebben zien varen, of dat men heeft kunnen meemaken hoe de
zielen
van meerdere zogenaamde heiligen door de engelen roemrijk ten hemel
werden
geleid, dan beweren de Romeinse heidenen van hun kant, en dit reeds
lang
voor hen, dat Romulus, de stichter van Rome, na zijn dood nog (meerdere
malen) in volle glorie werd gezien.
Maar ook Ganymedes, de zoon van
Tros, een
koning van Troja, werd door de god Jupiter (bij middel van een arend)
ten
hemel gevoerd, om er de wijnschenker van de goden te worden. Het haar
van
Berenice, dat gewijd werd aan de godin Venus, kreeg later een plaats
aan
de hemel. Hetzelfde wordt beweerd van Cassiopeia en Andromeda, en men
beweert
dit zelfs van de ezel van Silenus.
Onze christfanaten vertellen ons
verder,
dat de lichamen van meerdere van hun heiligen, nadat die gestorven
waren,
op wonderbaarlijke wijze bewaard zijn gebleven, en dat deze lichamen,
na
lang verloren te zijn geweest, zonder dat maar iemand wist waar ze
zouden
kunnen zijn, door goddelijke openbaring terug werden gevonden. Maar
hetzelfde
wordt beweerd door de heidenen, bijvoorbeeld i.v.m. het lichaam van
Orestes
dat, nadat men het orakel (van Delphi) had geraadpleegd, terug werd
gevonden.
Onze christfanaten beweren ook nog dat zeven broeders die in een grot
waren
opgesloten daar gedurende 177 jaar hebben geslapen. Maar een
gelijkaardig
verhaal treffen we ook bij de heidenen aan, wanneer die ons berichten
dat
de filosoof Epimenides, die in een grot was ingeslapen, daar gedurende
57 jaar heeft gelegen.
Onze christfanaten beweren verder
dat
meerdere van hun heiligen, waarvan het hoofd of de tong was afgesneden,
nadien nog op wonderbaarlijke wijze konden spreken. Maar ook de
heidenen
kunnen iets dergelijks beweren, want zij vertellen ons dat het hoofd
van
Gabienus, nadat het van de romp gescheiden was, nog een lang gedicht
heeft
voorgedragen. Onze christfanaten gaan er ook prat op dat hun tempels en
kerken versierd zijn met prachtige schilderijen en kostbare geschenken,
als dank van diegenen die door de tussenkomst van de heiligen op
wonderbaarlijke
wijze genezen zijn.
Maar dergelijks kan men, of
beter kon men,
ook bewonderen in de tempel van Aesculapius te Epidaurus, waar vele
taferelen
de wonderbaarlijke genezingen, die er hebben plaats gegrepen, werden
uitgebeeld.
Onze christusfanaten beweren verder dat vele van hun heiligen op
wonderbaarlijke
wijze beschermd werden tegen het hevige vuur (waarin ze waren
geworpen),
zonder dat zij hierdoor maar enig letsel opliepen, of dat zelfs maar
hun
kleding werd vernietigd. Maar iets gelijks wordt ook door de heidenen
beweerd,
die ons vertellen hoe de priesteressen van de tempel van Diana
blootsvoets
over gloeiende kolen liepen, zonder zich te verbranden of daar maar
enig
letsel aan over te houden. Ook de priesters van de godin Feronia en
Hirpicos
liepen, tijdens het vreugdevuur dat men ter ere van de god Apollo had
aangestoken,
blootsvoets over gloeiende kolen.
Er wordt ook beweerd dat de
engelen, ter
ere van de heilige Clemens, op de bodem van de zee, een kapel zouden
gebouwd
hebben. Ovidius vertelt ons op zijn beurt dat het kleine huis van
Philemon
en Baucis (door de goden Jupiter en Mercurius) op een wonderbaarlijke
wijze
werd veranderd in een prachtige tempel, uit dankbaarheid voor het
gastvrij
onthaal dat de goden te beurt was gevallen.
Meerdere heiligen, zoals de
heilige Jacob
en Maurice, en nog vele anderen, zouden, bewapend te paard verschenen
zijn
in hun legers, en in hun voordeel meegevochten hebben.
Maar soortgelijke verhalen zijn
ook bij
de heidenen bekend, zoals het verhaal van Castor en Pollux, die
meerdere
malen op het slagveld verschenen, om er gezamenlijk mee te vechten
tegen
de vijand (van Rome).
Abraham wilde zijn zoon
offeren, maar op
wonderbaarlijke wijze werd er een bok gevonden die de plaats van
Izaäk
kon innemen. Van heidense kant vernemen we dan weer dat de godin Vesta
een kalfje zond om in de plaats van Metella, dochter van Metellus,
geofferd
te worden. Ook de godin Diana stuurde een hertje opdat het zou geofferd
worden in de plaats van Iphigeneia (dochter van Agamemnon). Iphigeneia
bevond zich reeds op het offerblok (brandstapel), maar kon op die wijze
tijdig gered worden.
De heilige Jozef werd
gewaarschuwd door
een engel, om te vluchten naar Egypte; maar ook de dichter Simonides
ontsnapte
aan vele dodelijke gevaren, omdat hij op wonderbaarlijke wijze
gewaarschuwd
was. Door met zijn staf op een rots te slaan kon Mozes hieruit een bron
laten ontspringen; De heidenen vertellen op hun beurt, dat het paard
Pegasus,
door met zijn hoef op een rots te slaan, hieruit een bron liet
ontspringen.
De heilige Vincent Ferrier bracht een dode die in mootjes was gehakt
terug
tot leven. Het lichaam was daarbij reeds voor een gedeelte gebakken en
voor een ander gedeelte gekookt. De heidenen vertellen ons dan weer dat
Pelops, de zoon van Tantalus, koning van Phrygië, door zijn vader
eveneens in mootjes was gehakt, om hem te laten verorberen door de
goden.
Maar deze zochten alle gedeelten op, brachten ze tesamen, en konden zo
aan Pelops het leven terugschenken.
Ook wordt er beweerd dat
meerdere kruisbeelden
en andere soortgelijke beeltenissen op wonderbaarlijke wijze hebben
gesproken
en antwoord hebben gegeven op de gestelde vragen. Maar de heidenen
kunnen
dan van hun kant weer beweren dat hun orakels antwoord hebben gegeven
aan
diegenen die hen hadden geraadpleegd. Ook het hoofd van Orpheus en dat
van Polycrates gaf aan eenieder raad die er om vroeg.
God maakte bij middel van een
stem uit
de hemel kenbaar dat Jezus Christus zijn zoon was. Zo kunnen we het
nalezen
bij de evangelisten. De heidenen vertellen ons dat Vulcanus door middel
van een wonderbaarlijke vlam liet weten dat Coeculus werkelijk zijn
zoon
was. Als god dan al op wonderbaarlijke wijze enkele van de heiligen
heeft
gevoed, dan kunnen de heidense dichters op hun beurt weer beweren dat
Triptolemus
op wonderbaarlijke wijze gevoed werd door de goddelijke melk van Ceres,
die trouwens ook nog voor een kar zorgde die getrokken werd door twee
draken.
Pheneus, zoon van Mars, werd geboren uit een dode moeder, maar werd
nochtans
nadien nog op wonderbaarlijke wijze door haar gevoed. Ook wordt er ons
verteld dat meerdere heiligen op wonderbaarlijke wijze de wreedheid van
de meest wrede dieren hebben weten te temmen. Maar (de heidense)
Orpheus
kon door zijn wonderlijk gezang en zijn bijzonder harmonisch gestemd
instrument
de wreedheid van leeuwen, beren en tijgers bedwingen. Hij was zelfs in
staat de aandacht te trekken van rotsen, bomen en rivieren zodat deze
laatsten
hun stroming onderbraken om naar hem te luisteren.
En zo zouden we kunnen
doorgaan, want er
zijn nog heel wat meer van zulke wonderbaarlijke geschiedenissen, zoals
het verhaal van de muren van Jericho die door bazuinengeschal in elkaar
stortten. De heidenen beweren zelfs meer, want de muren van de stad
Thebe
werden gebouwd door middel van de muziekinstrumenten van Ampion. De
stenen
begonnen zichzelf te schikken, onder de invloed van zijn muziek, om er
de muren mee te vormen. Dat is dan nog heel wat wonderbaarlijker en een
groter schouwspel dan het zien neerstorten van muren.
Ziedaar, zeker een grote
overeenstemming
tussen de wonderen van de ene en de andere partij. Zoals het dus een
grote
dwaasheid zou zijn om enig geloof te hechten aan de zogenaamde wonderen
van het heidendom, zou het evenzeer onnozel zijn om de wonderen van het
christendom ernstig te nemen, want beiden gaan uit van een foutief
beginsel.
Dat is ook de reden waarom de Manicheeërs en Ariërs, bij het
ontstaan van het christendom, spotten met die zogenaamde door de
heiligen
verwekte wonderen. Zij hadden ook minachting voor diegenen die na de
dood
van deze heiligen, zich daar nog mee bezig hielden of hun
relikwieën
vereerden.
Komen we nu terug op het
uiteindelijke
doel dat God zich zou gesteld hebben, door zijn zoon naar de wereld te
sturen, en die er mens zou zijn geworden. Die zou dan, zoals ons wordt
voorgehouden, de zonde van de wereld wegnemen en volledig het werk van
de zogenaamde duivel vernietigen.
Dat is hetgeen dat onze
christfanaten (willen)
geloven, evenals het feit dat Jezus Christus uit liefde voor hen op het
kruis zou gestorven zijn. En dit alles volgens de bedoeling van God,
zijn
vader. Zo staat het trouwens duidelijk geschreven in alle vermeende
heilige
boeken.
Wat! een almachtige god die
zich sterfelijk
zou gemaakt hebben uit liefde voor ons, en die zijn bloed tot de
laatste
druppel zou vergoten hebben om ons allen te redden!
Een almachtige god, die zich de
moeite
getroost zou hebben om zich bezig te houden met het genezen van enkele
zieken en enkele gebrekkigen, die bij hem waren gebracht. En hij zou
zijn
goddelijke goedheid niet hebben willen gebruiken om de gebreken in onze
geest te genezen, d.w.z. de mensen te genezen van hun ondeugden en
losbandigheden,
die heel wat erger zijn dan de ziekten van het lichaam! Dat is niet te
geloven.
Wat! een zo goede God, die het
lichaam
van de doden op wonderbaarlijke wijze zou willen behoeden voor
verrotting
en vernietiging! En die tegelijkertijd niet zou gewild hebben dat de
geest
van een groot aantal mensen behoed zou worden voor besmetting met de
ondeugd
en vernietiging door de zonde.
Een god die gekomen zou zijn om
ons vrij
te kopen ten koste van zijn bloed, en die ons door zijn genade moest
heiligen!
Wat een erbarmelijke tegenstellingen!
Hoofdstuk IV
Over de leugenachtigheid van
de christelijke
godsdienst
Laten we terugkomen op die
zogenaamde goddelijke
verschijningen en openbaringen waarop voor onze christfanaten de
waarheid
en gewisheid van hun godsdienst steunt.
Om hierover een juist beeld te
krijgen,
denk ik dat we in het algemeen al mogen beweren, dat zij van dien aard
zijn, dat, zou er al iemand prat op gaan, zich voor zijn geloof op
zulke
bewijsstukken te beroepen, men hem onmiskenbaar als een gek en een
fanatiekeling
zou bestempelen.
Ziehier enkele van die
zogenaamde verschijningen
en goddelijke openbaringen: Volgens de zogenaamde heilige boeken, zou
God,
toen hij voor de eerste maal aan Abraham verscheen, het volgende hebben
gezegd: "Vertrek uit uw land (hij verbleef toen in Chaldea), verlaat
het
huis van uw vader, en ga naar het land dat ik u zal tonen". De
geschiedenis
(Genesis, 12:7) vertelt verder: Eenmaal daar in de buurt (te Sichem)
aangekomen
sprak God voor de tweede maal tot Abraham: "Ik geef u dit hele land,
aan
u en aan al uw nakomelingen". Uit dankbaarheid voor deze belofte bouwde
Abraham aldaar een altaar voor God.
Na de dood van Isaäk, ging
zijn zoon
Jacob, in Mesopothamië, op zoek naar een vrouw, die bij hem zou
passen.
Na een hele dag gestapt te hebben en vermoeid van de reis legde hij
zich
's avonds neer om uit te rusten, met zijn hoofd op enkele stenen.
Dadelijk
viel hij in (een diepe) slaap en begon te dromen. Hij zag een ladder
staan
die tot hoog aan de hemel reikte. Engelen daalden er langs af en stegen
er weer langs op. En hij zag zelfs God die vanaf het hoogste punt van
de
ladder uitriep: "Ik ben de Heer, de God van Abraham en de God van
Isaäk,
uw vader. Ik geef u en uw nakomelingen het land waarop gij nu slaapt.
Uw
nakomelingen zullen even talrijk zijn als de zandkorrels op het
aardoppervlak.
Het land zal zich uitstrekken van het westen tot het oosten, en van het
zuiden tot het noorden. Ik zal uw beschermer zijn, overal waarheen ge
zult
gaan. Ik zal u gezond en veilig op deze aarde behouden. En ik zal u
niet
verlaten vooraleer alle beloften die ik u heb gedaan zijn ingelost".
Jacob die uit zijn droom was
ontwaakt,
werd zeer bevreesd en sprak:" Wat! God is hier in de buurt, en ik weet
van niets! Ah! Wat is dit een gruwelijk oord. En bevindt zich hier het
huis van God, en de poort naar de hemel?" Dan stond hij op en zette een
steen rechtop die hij met olie begoot, ter herinnering aan wat hem was
overkomen. Tegelijkertijd uitte hij een wens, dat hij gezond en veilig
naar huis zou mogen terugkeren, en hij offerde het tiende deel van al
wat
hij bezat.
Ziehier nog een andere
verschijning. Jacob
was belast met het hoeden van de kudden van zijn schoonvader Laban.
Deze
laatste had hem beloofd, dat alle lammeren met een verschillende kleur,
die de schapen zouden verwekken, zijn beloning voor het werk zouden
zijn.
Op een nacht droomde hij en zag de mannetjes de vrouwtjes bespringen.
En
de verwekte lammeren hadden allen een verschillende kleur. In deze
mooie
droom verscheen God en sprak tot hem (Genesis 31:12):
"Zie hoe de mannetjes de
vrouwtjes bespringen.
En ze zijn allemaal van verschillende kleur. Laban, uw schoonvader
bedriegt
u en bejegent u onrechtvaardig. Sta dus onmiddellijk op, vertrek uit
dit
land, en keer naar het uwe terug".
Jacob vertrok dus met zijn
gehele familie,
en met al wat hij bij Laban had verdiend. De geschiedenis vertelt ons
verder
dat Jacob tijdens de nacht een ontmoeting had met een onbekende man,
met
wie hij de gehele nacht zou vechten, tot het krieken van de dag. Hij
had
de overwinning behaald, en vroeg nu naar de naam van zijn tegenstander:
Deze antwoordde als volgt: "Ge zult niet meer Jacob worden genoemd maar
Israël, want gij zijt sterk geweest in het gevecht tegen God, en
met
meer reden nog zult ge sterk zijn in het gevecht met de mensen
(Genesis,
32:25-28)".
Ziedaar dus een gedeelte van de
eerste
van deze zogezegde goddelijke verschijningen en openbaringen. Het
oordeel
dat we hierover zullen vellen zal insgelijks voor de overige gelden. Of
zouden die stompzinnige (vage) dromen en ingebeelde verschijningen toch
iets goddelijks bevatten?
Stel u nu voor dat er vandaag
enkele personen
u zulke kletspraat zouden komen vertellen, en dat ze die onzin voor
werkelijk
goddelijke openbaringen zouden houden. Veronderstel bijvoorbeeld, dat
er
een aantal vreemdelingen, bijvoorbeeld enkele Duitsers, naar Frankrijk
zouden komen en zo in deze gelegenheid waren al de mooiste van onze
provincies
(departementen) te bewonderen. Ze beweren nu dat God hen in hun land
heeft
geopenbaard, dat ze naar Frankrijk moesten gaan, en dat hij hen beloofd
heeft, dat zij en hun nakomelingen alle vruchtbare gronden,
heerlijkheden
en provincies van het koninkrijk in bezit mogen nemen. Het gehele
gebied
tussen Rijn en Rhône tot aan de oceaan zou aan hen worden
toegekend.
Verder beweren onze vreemdelingen nog dat God met hen een eeuwig
verbond
zou afgesloten hebben, dat hij hun ras zal vermenigvuldigen, zodat hun
nakomelingen even talrijk zullen worden als de sterren aan de hemel of
als de zandkorrels op de aarde. Wie zou dan niet om zulke onzin lachen
en deze vreemdelingen voor gek verklaren?
Laten we er maar zeker van zijn
dat iedereen
hen als gek zal beschouwen, en dat men de spot zal drijven met hun
mooie
verschijningen en vermeende goddelijke openbaringen.
Daarom is er ook geen enkele
reden om anders
te oordelen of te denken, over die vermeende goddelijke openbaringen,
die
men ons wil doen kennen, bij monde van die vermeende heilige
aartsvaders,
Abraham, Isaäk en Jacob.
Wat nu de instelling van de
bloedige (dieren)
offers betreft, hier zijn de heilige boeken overduidelijk, en verwijzen
allen naar God. Maar het zou hier ongepast zijn om op de gruwelijke
details
in te gaan, waarmee die offers moesten gebeuren. Daarom verwijs ik de
lezer,
die er enige interesse zou voor hebben, naar Exodus (15:1; 27:1 en 21;
28:3; 29:1-11).Meslier355
Maar waren die mensen dan niet
gek en verblind
als ze geloofden dat ze God konden vereren door zijn eigen schepsels te
verscheuren, te doden en te verbranden, omdat ze meenden dat ze offers
aan hem moesten brengen? En hoe is het mogelijk dat nu nog onze
christfanaten
zo kortzichtig zijn, dat ze kunnen geloven dat ze God de vader een
uitzonderlijk
plezier doen, met hem voortdurend te herinneren aan het offer van zijn
zoon, die op een schandelijke en ellendige wijze aan het kruis het
leven
liet? Het is duidelijk dat zoiets alleen maar in de geest van
hardnekkig
verblinden kan ontstaan.
Met betrekking tot de
dierenoffers wil
ik er alleen nog maar aan toevoegen dat de priesters, getooid in
kleurrijke
gewaden, zich vergenoegden met het offeren van bloed, orgaanvlees,
levers,
kroppen van vogels, nieren, nagels, dierenhuiden, kruiden en
zoetigheden.
Er kwam ook heel veel rook bij te pas (van het offervuur), en het
geheel
was gedrenkt in drek, wijn en olie. In één woord, een
smerige
boel en erbarmelijke toestanden, die in niets moesten onder doen voor
de
meest primitieve magische bezweringen.
Maar het meest weerzinwekkende
was wel,
dat de wetten van dit afschuwelijke Joodse volk ook mensenoffers
voorschreven.
De barbaren (wie dat nu ook mogen geweest zijn) die deze
verschrikkelijke
wet hadden opgesteld, eisten (Zie Leviticus, 27), dat een mens die aan
God was gewijd zonder medelijden ter dood moest worden gebracht. Als
gevolg
van dit walgelijke voorschrift heeft Jephta zijn dochter geofferd. Saul
wilde hetzelfde doen met zijn zoon (maar dit werd vermeden).
Maar ziehier nu nog een bewijs
van de leugenachtigheid
van de openbaringen waarover we hebben gesproken. Het bewijs steunt op
het niet vervullen van de beloften die gepaard gingen met de
openbaringen.
Want het is toch wel duidelijk dat die vele en fantastische beloften
nooit
ingelost zijn. Komen we bijvoorbeeld terug op de drie belangrijkste: 1:
Het Joodse volk zou talrijker worden dan andere volkeren op de aarde,
2:
Het Joodse volk zou het gelukkigste volk op aarde worden en 3: Het
verbond
met God hield in dat zij voor eeuwig het land zouden bezitten dat hij
hen
had toegewezen. Het is duidelijk dat geen van deze beloften ooit
vervuld
zijn.
Ten eerste: zonder twijfel is
het Joodse
volk, het volk van Israël, het enige volk dat we kunnen beschouwen
als de afstammelingen van de aartsvaders Abraham, Izaäk en Jacob.
Alleen aan dit volk moesten de gedane beloften worden ingelost. Maar
dit
volk, in vergelijking met de andere volkeren, is nooit bijzonder
talrijk
geweest, dus zeker niet zo talrijk als de zandkorrels. Op tijdstippen
dat
zij het talrijkst en welvarendst waren vinden we ze terug in de kleine
onvruchtbare provincies van Palestina en omgeving. Maar die
woonplaatsen
kunnen geen vergelijking doorstaan met de uitgestrektheid van de vele
welvarende
koninkrijken verspreid over heel het aardoppervlak.
Ten tweede: de vele zegeningen
die (door
God) aan het Joodse volk waren beloofd, zijn nooit in vervulling
gegaan.
Zelfs al hebben de Joden enkele onbelangrijke overwinningen behaald op
een aantal arme volkeren, die ze (nadien) beroofd hebben, dan heeft dit
niet belet dat zijzelf meerdere malen overwonnen zijn en tot slavernij
gedwongen. Hun koninkrijk, om niet te zeggen, hun gehele Joodse staat,
werd door het Romeinse leger vernietigd. Nu nog wordt dit volk, wat er
dan nog van rest, beschouwd als het meest verderfelijke en meest
verachtelijke
van de gehele aarde. Op geen enkele plaats bezitten zij maar enige
heerschappij,
laat staan geestelijk overwicht.
Ten derde: Wat betreft de
beloften, in
verband met het eeuwigdurende verbond dat God met hen had afgesloten,
deze
zijn nooit vervuld. Want nooit heeft men enig teken gezien dat zou
wijzen
op de uitvoering van dit verbond. Daarentegen is het Joodse volk, reeds
sinds vele eeuwen, niet meer in het bezit van hun kleine land
(Israël),
waarvan ze beweerden dat ze het vanwege God hadden gekregen, om er
eeuwig
van te kunnen genieten
Al die zogenaamde beloften zijn
dus nooit
verwezenlijkt. Dat is dan wel een duidelijk bewijs dat het slechts
leugens
waren. En het toont eens te meer aan, dat die vermeende heilige boeken
die deze beloften bevatten, niet door god zijn geïnspireerd. Dus,
als onze christfanaten beweren dat zij deze beloften gebruiken als een
onfeilbaar getuigenis van de waarheid van hun geloof, dan is dat alles
maar ijdele praat.
Hoofdstuk V
Over de heilige geschriften.
1: Over het Oude Testament
Onze christfanaten beweren dat
de voorspellingen
van de profeten relevante getuigenissen zijn van de waarheid van de
goddelijke
openbaringen en ingevingen. De waarachtigheid van hun geloof steunt op
deze geloofwaardigheid en de voorspellingen gelden als echte bewijzen.
Alleen God kan immers met zekerheid de gebeurtenissen in de toekomst
voorspellen.
De profeten hebben zulke voorspellingen gedaan, lang voordat de
gebeurtenissen
zouden plaatsgrijpen. Laat ons dus nagaan wie die zogenaamde profeten
waren,
en onderzoeken of we op hun voorspellingen evenveel staat kunnen maken
als onze christfanaten beweren.
Het blijkt nu dat deze profeten
alleen
maar dromers en fanatiekelingen waren, die handig inspeelden (op de
gevoelens
van het volk) naargelang de omstandigheden en die zich voor hun
uitspraken
lieten leiden door hun momentane gevoelens of door hun
allesoverheersende
passies. Zij beeldden zich in dat het de geest van God was die op hen
inwerkte,
en waarvan ze de gedachten onder woorden brachten. Onder hen waren ook
een aantal bedriegers die de profeten nadeden, en op die wijze het
eenvoudige
volk er van konden overtuigen dat zij het woord van God spraken.
Ik zou wel eens willen weten
hoe men nu
een Ezechiël zou beoordelen (3: en 4:), als die komt beweren dat
God
hem een pond perkament als ontbijt heeft gegeven, hem bevolen heeft
zich
als een zot te gedragen, hem voorgeschreven heeft drie honderd en vijf
en twintig nachten op zijn rechter zijde, en veertig nachten op zijn
linker
zijde te slapen en tenslotte stront als belegsel op zijn brood te
smeren.
Dat laatste werd uiteindelijk (gelukkig), na veel gepalaver, veranderd
in ossendrek. Ik vraag me af hoe hierop, door zelfs de meest
stompzinnige
mensen hier te lande, zou gereageerd worden?
Maar het grootste bewijs van de
onzinnigheid
van al die vermeende openbaringen vinden we in de wederzijdse verwijten
die de profeten elkaar doen, over hetgeen god hen heeft geopenbaard. Ze
beweren zelfs dat God hen dit heeft opgedragen (Zie Ezechiël, 8:3;
Zefanja.,3:4 en Jeremia, 2:8.). Allen roepen uit: Opgepast voor valse
profeten.
Ook de Mithra-verkopers waarschuwden iedereen om zeker maar niet
nagemaakte
pillen te kopen.Die armzaligen laten god spreken op een wijze die
niemand
zou durven nadoen. Zo zegt God, volgens Ezechiël, dat de jonge
Ohola
alleen maar liefde voelde voor mannen met een lid (zo groot) als dit
van
een ezel en met het (overvloedige) sperma als van een paard (Zie
Ezechiël,
23:). En die waanzinnigen zouden de toekomst gekend hebben?. Geen
enkele
voorspelling ten opzichte van hun Joodse staat is ooit in vervulling
gegaan.
Het aantal voorspellingen die
het geluk
en de grootheid van Jeruzalem als voorwerp hebben, is praktisch
ontelbaar.
Maar het is een bekend feit dat
een volk
dat overwonnen en in gevangenschap werd geleid, voor zijn reële
tegenslagen
troost zoekt in droombeelden. Wat hebben we niet beleefd met Ierland,
nadat
koning Jacob was afgezet, hoe het jaar daarop, de adepten van hem
meerdere
voorspellingen deden ten gunste van hem.
Als al die voorspellingen, die
aan de Joden
zijn gemaakt, op waarheid zouden berust hebben, dan zou reeds lang en
nog
steeds de Joodse staat het talrijkst, het machtigste, het gelukkigste
en
het meest zegevierende volk moeten herbergen.
II. Het Nieuwe Testament
Wat nu met de zogenaamde
voorspellingen
die we in het "Nieuwe Testament" aantreffen?
Daar lezen we bijvoorbeeld: Een
engel verscheen
in een droom aan de vermeende (toekomstige) vader van Jezus, en sprak
als
volgt: "Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd om Maria, uw vrouw,
tot
u te nemen, want wat in haar is, is het werk van de heilige geest
(hoeveel
gevallen van overspel zijn er niet toe te schrijven aan de goden,
waarbij
wij arme mensen het slachtoffer waren; Montaigne, Essais, blz 500). Zij
zal u een zoon baren die ge Jezus zult noemen, want hij zal het zijn
die
zijn volk van de zonden zal bevrijden".
Deze engel sprak ook tot Maria:
"Wees niet
bevreesd, want gij hebt genade gevonden in de ogen van God. Ik bevestig
u dat gij in blijde verwachting zijt, en dat gij een kind zult baren
dat
gij Jezus zult noemen. Eenmaal volwassen zal hij de zoon van de
Allerhoogste
genoemd worden. De Heer God, zijn vader, zal hem de troon van David
geven.
Hij zal voor eeuwig regeren in het huis van Jacob, en zijn rijk zal
geen
einde nemen" (Zie Matthéüs, 1:20; Lucas, 1:30).
Jezus begon te prediken en
sprak als volgt:
"Doet boete, want het rijk van God is nabij" (Matthéüs
4:17).
"Maak u geen zorgen en zeg
bijvoorbeeld
niet: Wat zullen we morgen eten of drinken, of wie zal ons kleden? Zoek
eerst het rijk van God en zijn gerechtigheid, en al die dingen zullen u
als toemaat gegeven worden" (Matthéüs 6:30-32).
Laat nu eenieder die zijn
verstand niet
verloren heeft eerlijk antwoorden op de vraag of Jezus ooit koning is
geweest,
of dat zijn leerlingen alles in overvloed hebben gekregen. Jezus heeft
ook meermaals beloofd dat hij de zonde uit de wereld zou helpen. Is er
nu één voorspelling die nog meer onjuist is gebleken? En
is onze eeuw daarvan niet het schrijnend bewijs? Er wordt ook beweerd
dat
Jezus gekomen is om zijn volk te redden. (Dan kunnen we alleen maar
zeggen:)
"Wat een manier van redden".
De benaming van een zaak richt
zich naar
wat overweegt in het geheel: een paar dozijn Spanjaarden of Fransen
maken
dus noch het Spaanse volk, noch het Franse volk uit. Stel nu dat een
leger
van 120.000 soldaten gevangen werd door een nog sterkere vijandelijke
legermacht.
Indien
nu de leider van dit leger er in slaagt een tien- tot twaalftal
soldaten en officieren vrij te kopen, dan zal men (nadien) niet gaan
beweren
dat hij zijn gehele leger heeft bevrijd of vrijgekocht. Wat is dat dan
voor een God die zich laat kruisigen en die sterft (zogezegd) voor
geheel
de wereld, en die nochtans hele natiën in de verdoemenis laat? Hoe
zielig en wat een verschrikking.
Jezus Christus beweert dat men
maar moet
vragen om te krijgen, en zoeken om te vinden. Hij verzekert ons, dat al
wat men in zijn naam aan God vraagt, dat men dat zal krijgen, en dat,
al
heeft men maar een geloof ter grootte van een mosterdzaadje, men met
een
woord, bergen kan doen verzetten. Als die (laatste) belofte op waarheid
berust, dan moet het ons niet verwonderen dat voor onze christfanaten,
die in hun Christus geloven, niets onmogelijk is. Het tegenovergestelde
is echter waar.
Maar wat nu met de beloften die
(bijvoorbeeld)
de profeet Mohammed aan zijn volgelingen heeft gedaan, en die zoals de
beloften van de Christus ook maar fictie blijken te zijn, hoe reageren
onze christfanaten dan? Dan tieren ze: "Oh, wat een schurk, wat een
bedrieger.
Oh, wat een zotten om die bedrieger te geloven". En onze christfanaten
die al zo lang met gelijkaardige illusies leven. Want ze zijn nog
steeds
verblind. Meer nog, ze zijn zo vindingrijk om te bedriegen, dat ze
zichzelf
wijsmaken dat de beloften vervuld zijn en wel al vanaf het begin van
het
christendom. Toen was het nodig dat er wonderen zouden geschieden, om
de
ongelovigen van de waarheid van de (nieuwe) godsdienst te overtuigen.
Maar
toen die godsdienst eenmaal stevig in het zadel zat, waren wonderen
niet
meer nodig (en kwam de vervulling van zekere beloften te vervallen).
Maar
welke zekerheid hebben wij omtrent die (laatste) stelling?
Trouwens, diegene die de
beloften heeft
uitgesproken heeft noch aan een bepaald tijdstip, noch aan een bepaalde
plaats of aan bepaalde personen gedacht, maar de beloften gedaan ten
overstaan
van de gehele wereld." Zo heeft hij immers gezegd: "Zij die geloven
zullen
in mijn naam demonen uitdrijven, met meerdere tongen spreken, slangen
aanraken,
enz.". En met betrekking tot het verplaatsen van bergen, beweert hij
duidelijk,
dat eenieder, zolang hij maar niet twijfelt en (werkelijk) gelooft, een
berg kan verzetten, of deze zelfs in zee kan laten storten. Zijn dat
dan
geen beloften van algemene aard, beloften die geen beperking opleggen
wat
tijd, plaats of persoon betreft?
Er wordt beweerd dat alle valse
en bedrieglijke
sekten op een schandelijke wijze hun einde zullen vinden. Als Jezus met
die woorden heeft bedoeld, dat zijn (eigen) sekte nooit in schurkerij
of
leugens zal vervallen, dan zijn dat holle woorden. Want er is geen
enkele
afsplitsing, vereniging of kerk binnen het christendom die vrij is van
schurkerij en leugens. Dat geldt in het bijzonder voor diegene die
ressorteren
onder de Roomse kerk, alhoewel die laatste (juist) beweert dat zij van
alle sekten de meest waarachtige en de allerheiligste is.
Zij is al een hele tijd tot een
apparaat
van louter leugens vervallen; Wat zeg ik! Ze is uit leugens ontstaan,
en
om het nog beter te zeggen, ze is uit leugens geboren en getogen. En nu
is de oorspronkelijke sekte zelfs tot leugens vervallen die
tegenstrijdig
zijn met de bedoelingen, gevoelens en leerstellingen van haar stichter.
Want het christendom heeft (al vanaf het begin) de Joodse wetten
verworpen,
wetten die Jezus zelf aanvaardde, en waarvan hij beweerde, dat hij
gekomen
was om ze te vervullen, en niet om ze te vernietigen. Het christendom
verviel
in afgoderij en heidendom, wat duidelijk wordt aangetoond door het
afgodische
ritueel van de hostie-God, en de verering van heiligen, beelden en
relikwieën
Ik weet wel dat onze
christfanaten het
(nu) belachelijk vinden om de beloften en de openbaringen letterlijk op
te vatten. Zij verwerpen de letterlijke zin en de natuurlijke betekenis
van de woorden, om er zo een mystieke en geestelijke zin aan te geven,
hetgeen ze dan allegorische en tropologische interpretatie noemen. Zo
beweren
ze, bijvoorbeeld, dat men onder het volk van Israël en Juda, aan
wie
de beloften werden gedaan, niet het lijfelijke Joodse volk moet
verstaan,
maar wel het geestelijke Joodse volk, d.w.z. de christenen, die hieruit
zijn ontstaan. Het Israël van God, oftewel de christenen, zijn dus
eigenlijk het werkelijke uitverkoren volk. Zo ook, als men het heeft
over
de belofte dat het gevangen genomen volk zal bevrijd worden, dan moet
men
hieronder niet de lichamelijke bevrijding, maar de geestelijke
bevrijding
van alle volkeren begrijpen; een geestelijke bevrijder zal hen van het
juk van het kwaad verlossen. Als men rijkdom en geluk in overvloed aan
een volk belooft, dan moet hieronder de geestelijke rijkdom begrepen
worden
die dat volk ten deel zal vallen. Tenslotte, wanneer men het heeft over
Jeruzalem, dan is hiermee niet de stad Jeruzalem bedoeld, maar het
geestelijke
Jeruzalem van de christenen, d.w. z., de christelijke Kerk.
Maar het is gemakkelijk om in
te zien dat
die geestelijke en allegorische zingeving niets met de zaak zelf te
maken
heeft, dat het louter verzonnen dingen zijn en een laatste middel is om
tot een (schijnbaar zinvolle ) verklaring te komen. Ze kunnen in geen
geval
gebruikt worden om de waarheid te achterhalen, of dit nu de juistheid
van
een voorstel of van een of andere belofte betreft. Het verzinnen van
allegorische
verklaringen zet dus geen zoden aan de dijk, want de juistheid of de
onjuistheid
van iets kan slechts beoordeeld worden als men uitgaat van de
natuurlijke
en letterlijke betekenis van het gegeven. Een stelling (uitspraak),
bijvoorbeeld,
waarvan men de juistheid, op basis van de natuurlijke en werkelijke
betekenis
van de termen, waarin zij werd geformuleerd, heeft kunnen natrekken,
zal
uit zichzelf nooit onwaar worden, als men er nadien nog een of andere
allegorische
verklaring aan zou geven. Daarentegen worden stellingen (uitspraken),
die
in de letterlijke en natuurlijke zin duidelijk onjuist zijn, er niet
beter
op, door achteraf voor hen nog een allegorische verklaring te
verzinnen.
Men mag dus gerust beweren dat
de allegorische
verklaringen die men gegeven heeft aan de beloften die men in het Oude
Testament vindt, en die gemaakt werden om in overeenstemming te zijn
met
het Nieuwe Testament, absurd en kinderachtig zijn. Abraham had twee
vrouwen.
De dienstmaagd Hagar stelt de (Joodse) synagoge voor en Sarah zijn
(echte)
vrouw, de christelijke Kerk. Abraham had ook twee zonen. De eerste had
hij bij Hagar verwekt, en die stelt het Oude Testament voor. Izaäk
daarentegen, die Abraham bij Sarah verwekte, staat voor het Nieuwe
Testament.
Wie zou niet lachen met zoveel
onzin (Spectatum
admissi risum teneatis amici, Horatius).
Bijzonder plezierig is ook het
verhaal
van de rode lap die in het Oude Testament als afgesproken teken door
een
hoer werd gebruikt voor haar spionnen, en die in het Nieuwe Testament
het
vergoten bloed van de Christus voorstelt.
Heel wat is er dus dat in het
Oude Wet
van de Joden allegorisch verklaard kan worden Maar als men nu diezelfde
werkwijze zou toepassen op de gesprekken, de wapenfeiten en de
avonturen
van de bekende Don Quichotte de la Manche, dan zou men daar gewis ook
heel
wat mysteries en allegorische voorstellingen mee kunnen verzinnen.
Nochtans teert de christelijke
godsdienst
op deze belachelijke werkwijze. Dat is dan ook de reden waarom de
christelijk
geleerden (theologen) praktisch alles wat ze konden vinden in de Oude
Wet
(Oud Testament) hebben getracht allegorisch te interpreteren.
Maar de meeste leugenachtige en
onnozele
voorspelling die ooit werd gemaakt lezen we bij Lucas (21:); daar wordt
beweerd, dat er tekens zullen zijn in maan en zon. Dan zal de
mensenzoon
in een wolk neerdalen en oordeel komen vellen over de mensen; en die
gebeurtenis
zou al plaatsgrijpen in dezelfde generatie nog (van de mensen aan wie
de
belofte werd gedaan). Is dat dan werkelijk gebeurd? Is de mensenzoon
toen
op een wolk verschenen?
Hoofdstuk VI
Over de leugens in de
christelijke leer
en moraal
De christelijke godsdienst, de
zogenaamde
apostolische en Romeinse, leert en verplicht de mens te geloven, dat er
slechts één enkele God is; maar tegelijkertijd beweert
zij,
dat er drie goddelijke personen bestaan, waarvan elkeen waarachtig God
is. Dat is duidelijk onzinnig, want als er drie personen zijn, die zich
werkelijk God mogen noemen, dan zijn er in werkelijkheid drie Goden.
Ofwel
beweert men dat er slechts één enkele God bestaat, of men
houdt het op drie Goden. Want één en dezelfde zaak kan
niet
op hetzelfde ogenblik enkelvoudig (homogeen) en drievoudig (heterogeen)
zijn.
Er wordt ook beweerd dat de
eerste van
die zogenaamde goddelijke personen, die men de "vader" noemt, de tweede
goddelijke persoon, de "zoon", heeft verwekt. Samen hebben zij dan de
derde
goddelijke persoon, d.w.z., de "heilige geest" voortgebracht. Die drie
goddelijke personen zijn totaal onafhankelijk van elkaar, en de ene is
zelfs niet ouder dan de andere. Dat ook is duidelijk onzinnig, want elk
wezen dat ontstaan is uit een ander heeft hiermee een zekere
afhankelijkheid,
en een wezen moet noodzakelijkerwijze eerst bestaan vooraleer hieruit
een
nieuw wezen kan ontstaan. Als de tweede en derde goddelijke persoon
ontstaan
zijn uit de eerste, dan moeten deze, wat hun wezen betreft,
noodzakelijkerwijze
een afhankelijkheid vertonen met de eerste goddelijke persoon, die hen
hun wezen heeft verschaft, of die hen heeft verwekt. Het is ook
noodzakelijk
dat de goddelijke persoon, die het ontstaan van de beide anderen heeft
bewerkt, er eerst moet geweest zijn, want iets dat er niet was, kan
niets
doen ontstaan. Trouwens het is tegennatuurlijk en onzinnig te beweren
dat
een zaak die verwekt of voortgebracht is, geen begin (in de tijd) zou
hebben.
Volgens onze christfanaten werden de tweede en derde goddelijke persoon
verwekt of voortgebracht; daarmee hebben zij dus een begin. En indien
zij
een begin hebben gehad, hetgeen men niet kan beweren van de eerste
goddelijke
persoon, want deze werd noch verwekt noch voortgebracht door iemand
anders,
dan volgt hieruit noodzakelijkerwijs, dat de ene er vóór
de andere was.
Onze christfanaten die deze
onzinnigheden
zelf (ook) wel aanvoelen, en geen middel vinden om ze aannemelijk te
maken,
hebben wijselijk besloten, de menselijke rede ten spijt, er
godsvruchtig
hun ogen voor te sluiten. De zo onmetelijk grote goddelijke mysteries
worden
dan maar op nederige wijze vereerd, zonder hen te willen begrijpen.
Gewapend
met het geloof kan men die (schijnbare) onzinnigheden allemaal
weerleggen.
Als zij ons dus voorhouden dat
we ons moeten
onderwerpen, dan is het alsof zij ons zouden zeggen, dat wij
blindelings
moeten geloven wat wij zelf niet geloven.
Onze god-christfanaten
veroordelen openlijk
de verblinding van de oude heidenen op het vlak van hun veelgoderij.
Ze spotten met de afstamming
van hun goden,
met hun geboorten, met hun huwelijken en met de verwekking van hun
kinderen.
En ze letten er helemaal niet op om er nog meer belachelijke en
onzinnige
dingen over te vertellen. Als de heidenen geloofd hebben dat er niet
alleen
goden maar ook godinnen bestonden, dat deze goden en godinnen huwden en
dat zij kinderen hadden, dan is het omdat zij hierover op een
natuurlijke
wijze dachten. Want zij konden zich nog geen goden voorstellen zonder
lichaam
of gevoelens. Ze meenden immers dat zij, net zoals mensen, over deze
attributen
beschikten. Waarom zouden er geen vrouwelijke goden bestaan als men wel
rekening hield met mannelijke goden? Er was zeker geen reden om het ene
of het andere te ontkennen. En als men al in goden en godinnen gelooft,
waarom zouden die dan niet op een natuurlijke wijze kinderen verwekken?
Er is zeker niets belachelijks of onzinnigs in die leerstelling,
(tenminste)
in de veronderstelling dat hun goden zouden bestaan.
Maar, in de leerstellingen van
onze christfanaten,
is er iets dat heel wat onzinniger en belachelijker is. Want, afgezien
van wat zij beweren over hun God, die eigenlijk uit drie goden bestaat,
geloven ze ook nog dat die drievoudige en enkelvoudige god noch een
lichaam,
noch een vorm of gedaante bezit. Ook de eerste goddelijke persoon van
deze
drievoudige en enkelvoudige god, die ze de "vader" noemen, en die een
tweede
goddelijke persoon, de "zoon", heeft verwekt, en die het evenbeeld is
van
zijn vader, beschikt ook al niet over een lichaam, vorm of gedaante.
Maar als dat waar is, wat maakt
dan voor
verschil, of men de eerste goddelijke persoon vader noemt en niet
moeder,
en de tweede goddelijke persoon zoon en niet dochter? Want als de
eerste
werkelijk meer vader is dan moeder, en de tweede meer zoon dan dochter,
dan moet er noodzakelijk bij die twee goddelijke personen iets zijn
waaraan
men (dadelijk) herkent dat het eerder een vader dan een moeder betreft,
en eerder een zoon dan een dochter. Maar wie zou dat kunnen
bewerkstelligen,
als ze alle twee al mannelijk en niet vrouwelijk zijn? Maar hoe zouden
ze al eerder mannelijk dan vrouwelijk kunnen zijn, als ze over geen
lichaam,
noch over een vorm of gedaante beschikken? Dat kunnen we ons werkelijk
niet voorstellen, en heel het idee van een mannelijke of vrouwelijke
god
komt hier op losse schroeven te staan. Maar wat voor belang heeft het;
onze christfanaten blijven (toch) beweren dat deze twee goddelijke
personen
geen lichaam, vorm of gedaante bezitten, en het geslacht komt dus
helemaal
niet ter sprake. Nochtans hebben deze vader en zoon, uit wederzijdse
liefde
voor elkaar, een derde goddelijke persoon voortgebracht, die ze de
"heilige
geest" hebben genoemd. Ook deze derde goddelijke persoon beschikt, net
zoals zijn voorgangers, noch over een lichaam, noch een vorm of
gedaante.
Wat een ongelooflijk circus.
Onze christfanaten begrenzen de
macht van
God de vader, door hem maar een enkele zoon te laten verwekken. Waarom
willen ze niet dat de tweede, maar ook de derde goddelijke persoon,
over
de mogelijkheid zou beschikken om een zoon te verwekken, die aan hen
gelijk
zou zijn? De macht om een zoon te verwekken blijkt dus iets
uitzonderlijks
(een voorrecht) te zijn bij de eerste goddelijk persoon. Maar die
volmaaktheid
en macht van de eerste goddelijk persoon is niet aanwezig bij de tweede
en derde goddelijke persoon. Daaruit volgt dat de drie goddelijke
personen
niet aan elkaar gelijk zijn, want twee ervan beschikken niet over
dezelfde
mogelijkheden als de eerste. Als de christfanaten nu echter zouden
beweren,
dat het verwekken van een zoon geen volmaaktheid inhoudt, dan mogen ze
die eigenschap ook niet aan de eerste goddelijke persoon toekennen, of
aan de andere twee goddelijke personen, want men mag alleen maar
volmaaktheden
toekennen aan een wezen dat oneindig volmaakt is.
Trouwens, ze durfden niet
beweren dat de
macht om een goddelijke persoon te verwekken geen volmaaktheid zou
zijn.
En als ze nu komen zeggen dat de eerste goddelijke persoon meerdere
zonen
en dochters had kunnen verwekken, maar dat hij bewust gekozen heeft
voor
een enkele zoon, en dat de andere goddelijke personen insgelijks geen
andere
zonen (of dochters) hebben willen verwekken, dan zou men hen kunnen
vragen:
1: Hoe ze dat allemaal kunnen
weten; want
hieromtrent kan men niets terugvinden in hun zogezegde heilige
geschriften.
Geen enkele van die goddelijke personen wordt daarin expliciet vermeld.
Hoe kunnen dan onze christfanaten weten waarover ze spreken. Zij
babbelen
maar raak naargelang hun ideeën en hun op hol geslagen
verbeelding.
2: Men kan ook niet beweren dat
die zogezegde
goddelijke personen de macht gehad zouden hebben om meerdere kinderen
te
verwekken, maar dat zij het niet gewild hebben en dat dit de reden is
waarom
die goddelijke gave niet veel resultaat heeft opgeleverd. In ieder
geval
is ze zonder resultaat gebleven bij de derde goddelijke persoon, die
niets
verwekt en niets voortgebracht heeft. En ze is bij de twee andere
goddelijke
personen bijna zonder resultaat gebleven, want daar werd ze aan banden
gelegd. Dus die macht die de goddelijke personen ter beschikking hadden
om een grote hoeveelheid kinderen te verwekken en voort te brengen, zou
bij hen ledig en onnuttig blijven. Dat staat in ieder geval niet netjes
om zoiets over goddelijke personen te beweren.
Onze christfanaten bespotten en
veroordelen
de heidenen omdat ze sterfelijke mensen vergoddelijkt zouden hebben, en
omwille van het feit dat ze deze na hun dood als goden vereerd zouden
hebben.
Daar hebben ze gelijk in, maar de heidenen deden niets anders dan wat
onze
christfanaten nu nog doen, met de vergoddelijking van hun Christus. Ze
zouden zichzelf moeten veroordelen, want ze begaan dezelfde fout als de
heidenen wanneer ze een mens vereren die sterfelijk was, en zo
sterfelijk
dat hij schandelijk op het kruis stierf.
En het raakt kant noch wal als
onze christfanaten
nu beweren dat er een groot verschil zou bestaan hebben tussen hun
Christus
en de heidense goden, dat hun Christus tegelijkertijd god en mens zou
zijn
geweest (zoals onze christfanaten beweren), in aanmerking genomen dat
de
godheid werkelijk in Christus geïncarneerd zou zijn. Op die wijze
werd de goddelijke natuur hypostatisch verenigd (zoals dat heet bij
onze
christfanaten ) met de menselijke natuur. Die twee naturen zouden van
Jezus
Christus een ware God en een ware mens gemaakt hebben; dat laatste is
nooit
gebeurd met de goden van de heidenen (dat beweren tenminste onze
christfanaten).
Maar het is gemakkelijk om de
zwakte van
hun antwoord in te zien; want, van de ene kant, zou het voor de
heidenen
niet moeilijk geweest zijn om (ook) net zoals de christenen te beweren,
dat de godheid zich geïncarneerd zou hebben in de mensen die zij
als
goden vereerden. Aan de andere kant, als de goddelijkheid (werkelijk)
zich
zou hebben willen incarneren en zich hypostatisch verenigen met de
menselijke
natuur van Jezus Christus, hoe weten onze christfanaten dan, dat
diezelfde
godheid niet gewild zou hebben om zich ook te incarneren en zich
hypostatisch
te verenigen met de menselijke natuur van belangrijke heidense mannen
en
bewonderenswaardige vrouwen; mannen en vrouwen die zich door hun
deugdzaam
leven, hun uitmuntende eigenschappen en door hun prachtige
verwezenlijkingen
boven de gewone mensen hebben weten te verheffen, en daardoor als goden
en godinnen vereerd zijn?
En als onze christfanaten niet
willen geloven
dat de goddelijkheid zich nooit geïncarneerd zou hebben in die
grote
(heidense) persoonlijkheden, waarom willen ze er ons dan van
overtuigen,
dat die eer wel te beurt gevallen is aan Jezus?
Hoe kunnen ze dat bewijzen?
Niet met hun
geloof of met hun vertrouwen, want die ingrediënten vindt men
evengoed
terug bij de heidenen: hetgeen maar eens te meer aantoont dat beide
partijen
zichzelf een rad voor de ogen draaien.
Maar in het heidendom echter,
in tegenstelling
tot het christendom, beperkte de godheid zich gewoonlijk tot
belangrijke
persoonlijkheden, kunstenaars en geleerden, mensen die zich bijzonder
nuttig
hadden gemaakt voor hun land. Maar wat voor belachelijks gebeurt er in
het christendom? Daar incarneert de godheid zich in een onbetekende
man,
vuig en verachtelijk, die geen gave of kennis bezat, niet eens handig,
en geboren uit arme ouders. En die vanaf hij zich had voorgenomen om in
het openbaar te treden en over zich te laten spreken, voor een
waanzinnige
en een verleider werd gehouden; die veracht, bespot, vervolgd, en
gegeseld
is en die men tenslotte heeft opgehangen zoals het merendeel van hen,
die
dezelfde rol hebben willen spelen als ze van geen hout pijlen wisten te
maken.
Maar in zijn tijd waren er nog
veel meer
soortgelijke bedriegers, die allen beweerden de beloofde messias te
zijn,
zoals een zekere Judas de Galileër, Theodoros, Barcon en nog vele
anderen, die met ijdele voorwendsels het volk bedrogen, en ze
probeerden
te verheffen, om ze zo voor hun kar te spannen. Maar allen zijn ze in
vergetelheid
geraakt.
Laten we nu enige van hun
redevoeringen
en optredens, die zo typisch zijn in hun soort, nader bekijken: "Doet
boete",
maakte hij bekend aan het volk, "want het hemelse koninkrijk is nabij,
hecht geloof aan dit goede nieuws". En hij doorliep geheel Galilea,
terwijl
hij predikte over de zogenaamde nabije komst van het hemels koninkrijk.
Maar heeft iemand de komst van dit hemels koninkrijk al gezien? Opnieuw
een bewijs dat Jezus een illusionist was. Bekijken we nu hoe hij in
andere
verkondigingen dit mooie koninkrijk beschrijft. En hij sprak als volgt
tot het volk: "Het hemelse koninkrijk is gelijk aan een man die graan
van
goede kwaliteit op zijn veld heeft gezaaid. Maar gedurende de nacht
kwam
zijn vijand die tussen het goede graan onkruid zaaide.
Het is gelijk aan een man die
een schat
op een veld had gevonden, en die die schat opnieuw begroef. Hij had
zoveel
vreugde over het vinden van die schat, dat hij zijn hele bezit verkocht
om dit ene veld te kopen. Het is gelijk aan een handelaar die naar
mooie
parels zocht, en die nadat hij een bijzonder mooi exemplaar had
gevonden
zijn gehele bezit verkocht, om die ene parel te kunnen kopen. Het is
gelijk
aan een visnet dat in zee werd geworpen, en dat vele soorten vissen
bevatte
nadat het weer naar boven werd gehaald. De lekkerste werden door de
vissers
in tonnen verzameld, en de slechtsmakenden werden weggeworpen. Het is
gelijk
aan een mosterdzaadje dat een man op zijn veld had gezaaid. Er is geen
zaadje dat zo klein is als een mosterdzaadje, maar nadat het volgroeid
is, is het groter dan welke groente dan ook, enz. Zijn dat
redevoeringen
waardig aan een God?
Tot een gelijkaardig oordeel
over hem komt
men als men ook zijn optredens van nabij gaat bekijken. Want, 1. Een
hele
provincie doorlopen om de komst van een zogezegd koninkrijk te
prediken;
2. Beweren dat hij door de duivel weggevoerd werd, naar een hoge berg,
van waarop hij alle koninkrijken op de aarde kon overzien: zoiets kan
alleen
maar bij een fantast opkomen; want men mag er zeker van zijn dat er op
aarde geen enkele berg bestaat van waarop men, zij het slechts een
enkel
koninkrijk in zijn geheel, zou kunnen overzien, afgezien van het kleine
koninkrijk van Yvetot, in Frankrijk. Hij heeft het zich dus maar
ingebeeld
dat hij al die koninkrijken zag, en dat hij door de duivel was
weggevoerd.
Dat geldt trouwens ook voor de top van de tempel; De heilige Marcus
vermeldt
ons dat hij een doofstomme heeft genezen. Hiervoor stak hij zijn
vingers
in de oren van de man, en na gespuwd te hebben trok hij aan zijn tong.
Dan richtte hij zijn ogen hemelwaarts en zuchtte diep, en zei tot de
doofstomme:
Epheta. Lees alles werd er over hem bericht is zelf maar na en oordeel
dan of er verder zoiets belachelijks op de wereld bestaat.
Nadat we een aantal zwakheden
in het christelijke
geloof hebben belicht, willen we tenslotte nog enkele woorden wijden
aan
hun mysteries. Zij vereren een God die uit drie personen bestaat,
oftewel
drie personen en een God. Onze christfananten eigenen zich de macht toe
om goden uit deeg en meel te maken, en zoveel als ze zelf maar willen.
Want, volgens hun beginselen, hoeven ze maar een viertal woorden over
een
aantal glazen wijn of over een aantal kleine broodjes (hosties) uit te
spreken, en ze maken er zoveel goden van als ze maar willen, al ware
het
er een miljoen. Wat een waanzin! Met al die zogezegde macht van hun
Christus
zouden ze nog geen vlieg kunnen maken; en toch (blijven ze) geloven ze
dat ze goden, met duizenden te gelijk, kunnen maken. Men moet wel
simpel
van geest zijn, om zulke erbarmelijke zaken te kunnen geloven; en dan
te
beseffen dat dit ijdele fundament opgebouwd is uit de dubbelzinnige
woorden
van een fanatiekeling.
Zien ze dan niet, deze
verblinde geleerden
(theologen), dat ze met het willen laten vereren van beeltenissen uit
deeg,
onder het voorwendsel dat de priesters de macht zouden hebben om die te
wijden en in goden te veranderen, dat ze de deur wijd openzetten voor
alle
soorten van afgoderij? Zouden alle priesters die zich niet op die macht
kunnen beroemen, zouden die zich niet willen kunnen beroemen om
beeltenissen
in goden te veranderen?
Zien ze ook niet, dat de goden
en de beeltenissen
in hout, in steen, enz., die door de heidenen werden vereerd, voor
dezelfde
redenen, de ijdelheid aantonen van de goden en de beeltenissen in deeg
en meel, die door onze gods-christfanaten worden vereerd? Met welk
recht
bespotten ze de valsheid van de heidense goden? Is het omdat ze slechts
het werk zijn van mensenhand, stomme en ongevoelige beeltenissen? En
wat
zijn dan tenslotte onze goden, die we opgesloten houden in blikken
bussen,
uit angst voor de muizen?
Etrépigny, 15 maart 1732
Addendum van de hand van
Voltaire
Welke hulpmiddelen zullen de
christfanaten
in de toekomst gaan gebruiken om hun godsdienst op te krikken?
De christelijke moraal! Zij is
in de grond
dezelfde die we terugvinden in andere godsdiensten; maar hieruit zijn
wrede
dogma's ontstaan die geleid hebben tot vervolging en onrust. Hun
wonderen!
Welk volk heeft er geen, en hebben de wijzen deze verzinsels niet
altijd
veracht? Hun voorspellingen! Heeft men er de leugenachtigheid niet van
aangetoond? Hun zeden! Zijn ze dikwijls niet schandelijk? Het
gevestigde
aspect van hun godsdienst! Maar is die niet te wijten aan
fanatiekelingen,
en heeft het gekonkel niet altijd duidelijk dit bouwwerk gesteund?
De christelijke leer! Maar is
die niet
het toppunt van belachelijkheid?
Ik meen, mijn beste vrienden,
dat ik u
voldoende heb ingelicht om u te behoeden tegen zoveel onzin. Uw
verstand
zal er nog meer mee kunnen doen dan mijn geschrift alleen. Laten we
hopen
dat we alleen maar bedrogen zijn! Maar sinds keizer Constantijn vloeit
er menselijk bloed voor het instandhouden van die afschuwelijke
bedriegers.
De romeinse kerk, de griekse, de protestantse, hebben door zoveel
onderlinge
strijd en zoveel eerzuchtige schijnheiligheid Europa, Afrika en
Azië
verwoest. Voeg bij de mensen, die door deze godsdienst gekeeld zijn nog
de steriele monniken en nonnen, en mijn beste vrienden, ge zult moeten
besluiten dat de christelijke godsdienst de helft van het menselijk ras
heeft vernietigd.
Laat ik eindigen met God te
smeken, hij
die zo ernstig beledigd is door deze sekte, zich te verwaardigen om ons
te herinneren aan de natuurlijke godsdienst. Deze heilige godsdienst,
die
door het christendom als haar ergste vijand wordt beschouwd, is door
God
in het hart van alle mensen geplant. Zij leert, ons niets aan een
andere
te doen wat we zelf niet zouden willen dat ons wordt aangedaan. Dan zou
het heelal bevolkt zijn met goede burgers, rechtvaardige vaders,
gehoorzame
kinderen, tedere vrienden. Door ons met rede te begiftigen heeft God
ons
deze godsdienst gegeven. Laten we hopen dat het fanatisme er nooit in
slaagt
deze godsdienst te verderven. Ik ga sterven vervuld van deze
verlangens,
maar met weinig hoop.
Meer van en over Jean
Meslier:
Multatuli
over Meslier
H.P.Quack,
hoofdstuk X uit "De socialisten" over Jean Meslier
Teksten van Baron d'Holbach,
geestverwant
van Meslier:
Baron
d'Holbach:
"Over de vrije wil" uit "Le bon Sens"
Baron
d'Holbach:
Voorwoord bij "Le Système de la Nature"