Downloaden
als
Word-document op de Downloadpagina
Johann Caspar Schmidt alias
Max Stirner
25 oktober 1806 – 26 juni 1856
der Einzige und sein Eigentum
1844
De eenling en zijn
eigendom
DEEL II
I
De Eigenheid
“Verlangt de geest niet
vurig naar vrijheid?” Ach, niet
alleen mijn geest, ook mijn lichaam smacht daar elk uur naar! Wanneer
mijn neus
voor de geurige slotkeuken mijn gehemelte vertelt over de smakelijke
gerechten
die daarin bereid worden, dan voelt het bij het verorberen van droog
brood een
vreselijk smachten; als mijn ogen mijn
verharde rug over zachte donzen spreken, waarop het aangenamer
is te
rusten dan op wat samengedrukt stro, dan ontstaat bij hem een verbeten
woede;
als…. maar laten we die smarten niet verder vervolgen. En dat noem jij verlangen naar vrijheid? Waar wil jij
dan vrij van worden? Van jouw commiesbrood
en jouw stroleger? Werp het dan weg! Daarvan schijn je echter niet
gediend te
zijn; jij wil liever de vrijheid hebben kostelijke spijzen en mollige
bedden te
genieten. Moeten de mensen jou deze “vrijheid” geven - moeten zij jou
dat
toestaan? Jij verwacht dit niet van hun menslievendheid omdat jij weet dat ze allemaal denken zoals jij:
iedereen is zichzelf de naaste! Hoe wil jij zo in het genot van
genoemde
spijzen en bedden raken? Toch zeker op geen andere manier dan door ze
tot jouw
eigendom te maken!
Jij wil, wanneer jij er
goed over
nadenkt, niet de vrijheid al deze schone zaken te hebben want met de
vrijheid
daartoe heb jij ze nog niet; jij wil ze echt hebben, wil ze de jouwe
noemen en
als jouw eigendom bezitten. Wat baat
jou ook een vrijheid wanneer ze niets inbrengt? En als jij van alles
vrij zou
worden, dan zou jij juist niets meer hebben; want de vrijheid is
inhoudsloos.
Voor wie ze niet weet te benutten, heeft deze nutteloze toestemming
geen
waarde; hoe ik ze echter benut dat hangt van mijn eigenheid af.
Ik heb niets tegen de
vrijheid in te
brengen, maar ik wens jou meer dan vrijheid; jij moet niet alleen los zijn van wat jij niet wilt, jij moet
ook hebben wat jij wel wilt, jij moet
niet enkel een “vrij man”, jij moet ook een “eigenaar” zijn.
Vrij waarvan? O, wat laat
zich
allemaal niet afschudden? Het juk van het lijfeigenschap, van de
opperheerschappij, van de aristocratie en vorsten, de heerschappij van
de
begeerten en hartstochten; ja zelfs de heerschappij van de eigen wil,
van de
eigenzinnigheid, de meest volkomen zelfverloochening is niets anders
dan
vrijheid, namelijk vrijheid van de zelfbeschikking, van jouw eigen zelf
en de
drang naar vrijheid als iets absoluuts, elke prijs waardig deed ons de
eigendom
verliezen: zij schiep de zelfverloochening. Hoe vrijer ik intussen word
des te
meer dwang torent voor mijn ogen op, des te onmachtiger voel ik mij. De
onvrije
zoon van de wildernis ondervindt nog niets van al die beperkingen die
een
beschaafd mens benauwen: hij beschouwt zich vrijer dan hem. In die mate
dat ik
me vrijheid verschaf, schep ik me nieuwe grenzen en nieuwe vragen; heb
ik de
spoorweg uitgevonden, dan voel ik me weer zwak omdat ik nog niet zoals
de
vogel, de luchten kan doorklieven en heb ik een probleem, waarvan het
duistere
mijn geest beangstigde, opgelost, dan wachten mij weer ontelbare andere
wier
raadselachtigheid mijn vooruitgang belemmert, mijn vrije blik
verduistert en
mij de beperkingen van mijn vrijheid
smartelijk doen voelen. “Nu U vrij geworden bent van de zonden, bent u knechten van de gerechtigheid geworden.”
Werden de republikeinen in hun vérstrekkende vrijheid geen knechten van de wet? Hoe vurig verlangden altijd de ware
christenharten ernaar “vrij te worden”, hoe smachtten ze zich van de
“banden
van dit aardse leven” verlost te zien; ze keken naar het land van de
vrijheid
uit. (“Het Jeruzalem, dat daar boven is, dat is de vrijheid, zij is ons
aller
moeder” Gal. 4.26.)
Vrij van iets zijn
betekent alleen
maar: er van af of los zijn. “Hij is vrij van hoofdpijn” is gelijk aan:
hij is
er van los. “Hij is vrij van dit vooroordeel” betekent hetzelfde als:
hij heeft
het nooit begrepen of hij is ervan verlost. In het “los” voltooien wij
de door
het christendom aanbevolen vrijheid, in de zondeloze, goddeloze,
zedeloze, enz.
vrijheid.
Vrijheid is de leer van
het
christendom. “U, lieve broeders bent tot vrij-zijn geroepen.”
“Doe en spreek aldus, als diegenen die door de wet van de vrijheid
gevonnist
zullen worden.”
Moeten we misschien omdat
de
vrijheid zich als een christelijk ideaal verraadt die opgeven? Nee,
niets mag
verloren gaan, ook de vrijheid niet; maar ze moet ons eigen worden en
dat kan
ze in de vorm van vrijheid niet.
Wat een verschil tussen
vrijheid en eigenheid! Van zeer veel
kan men los komen echter niet van
alles; van vele dingen wordt men vrij, maar niet van alles. Innerlijk
kan men
ondanks de toestand van slavernij vrij zijn, ofschoon ook weer alleen
maar van
allerlei dingen, niet van alles, van de zweep, van de gebiedende luim van de meester, enz. wordt men als
slaaf niet vrij. “Vrijheid leeft
alleen in het rijk van de dromen!” Daarentegen de eigenheid, dat is
mijn hele
wezen en bestaan. Dat ben ik zelf. Vrij ben ik van datgene waarvan ik los ben, eigenaar van datgene wat ik in
mijn macht heb of van wat ik machtig
ben. Mijn eigen ben ik altijd
en onder alle omstandigheden
wanneer ik in staat ben mijzelf te bezitten en mij niet aan de ander
overgeef.
Dat vrij zijn kan ik niet echt willen
omdat ik het niet kan maken, niet kan scheppen; ik kan het alleen maar
wensen
en ernaar streven, maar het blijft een ideaal,
een spook. De boeien van de werkelijkheid snijden elk ogenblik hun
diepe
striemen in mijn vlees. Mijn eigen
echter blijf ik. Aan een gebieder als lijfeigene overgeleverd, denk ik
alleen
aan mij en mijn voordeel; zijn slagen treffen mij wel: ik ben daar niet
vrij van; maar ik duld dit alleen maar
ten eigen bate ongeveer om hem door
de schijn van geduld te misleiden en te verzekeren of ook om mij door
verzet
niet nog iets ergers op de hals te halen. Omdat ik echter mijzelf en
mijn
eigenbelang in het oog houd, grijp ik de eerste de beste gelegenheid
aan om de
slavenbezitter te vertrappen. Dat ik dan van hem en zijn zweep vrij word, is alleen maar het gevolg van
mijn voorafgaandelijk egoïsme. Men zal hier misschien zeggen dat
ik ook in de
toestand van slavernij “vrij” had kunnen zijn, namelijk “op zichzelf”
of
“innerlijk”. Maar “op zichzelf vrij” is nog niet “werkelijk vrij” en
“innerlijk” niet “uiterlijk”. Eigen daarentegen, mijn eigen
was ik helemaal, innerlijk en uiterlijk. Van de
folteringen en geselslagen is mijn lichaam niet “vrij” onder de
heerschappij
van een wrede gebieder; maar het zijn mijn
botten die onder de folteringen kermen, mijn
zenuwen sidderen onder de slagen en ik
kerm omdat mijn lijf kermt. Dat ik
zucht en sidder, bewijst dat ik nog
bij Mezelf, dat ik nog mijn eigen ben. Mijn been is
niet “vrij” van de knuppel van de meester, maar het is mijn been en is
niet uit te rukken. Laat hem het maar uitrukken en toezien of hij mijn
been
heeft! Niets anders houdt hij in de hand, dan het lijk van mijn been
dat net zo
min mijn been is, als een dode hond nog een hond is: een hond heeft een
pulserend hart, een zogenaamd dode hond heeft er geen en is daarom geen
hond
meer.
Denkt men dat een slaaf
toch
innerlijk vrij
zou kunnen zijn, dan zegt men in feite alleen maar het meest
onbestrijdbare en triviale. Want wie zou kunnen blijven beweren dat er
ook maar
één mens zonder alle vrijheid
bestaat? Al ben ik een ogendienaar, kan ik dan niet van ontelbare
dingen vrij
zijn bv. van het geloof in Zeus, van roemzucht en dergelijke? Waarom
zou dus
een gegeselde slaaf ook niet innerlijk vrij kunnen zijn van een
onchristelijke
gezindheid, van haat voor de vijand, enz.? Hij is dan juist
“christelijk vrij”, is los van het
onchristelijke; maar is hij
absoluut vrij, van alles vrij bv. van de christelijke waan of van
lijfelijke
smarten, enz.?
Intussen schijnt dit
allemaal meer
tegen namen dan tegen de zaak gezegd te
worden. Maar maakt de naam dan niets uit en heeft niet steeds
een woord,
een schibbolet, de mensen bezield en betoverd? Maar tussen de vrijheid
en de eigenheid ligt ook nog een diepere
kloof dan zomaar een woordenverschil.
De hele wereld verlangt
naar
vrijheid, allen verlangen er vurig naar dat dit rijk nabij is. O
betoverend
schone droom van een bloeiend “rijk van de vrijheid”, een “vrij
mensengeslacht”! Wie heeft hem niet gedroomd? Dus moeten de mensen vrij
worden,
helemaal vrij, van alle dwang vrij! Van alle dwang, werkelijk van alle!
Zullen
ze zichzelf nooit meer dwang aandoen? “Ach ja, dat wel, maar dat is
helemaal geen dwang!” Welnu, dan moeten ze
toch vrij worden van het religieuze geloof, van de strenge plichten van
de
zedelijkheid, van de onverbiddelijkheid van de wet, van “welk vreselijk
misverstand”? Nu, waarvan moeten ze
dan vrij worden en waarvan niet?
De liefelijke droom is
vervlogen,
ontwaakt wrijft men zich in de halfgeopende ogen en staart de
prozaïsche vrager
aan: “Waarvan moeten de mensen vrij worden?” Van de blinde gelovigheid,
roept
de een. Hey daar, schreeuwt een ander, alle geloof is blind geloof;
jullie
moeten van alle geloof vrij worden. Nee, nee, om godswil vaart de
eerste weer
uit, werp niet alle geloof van jullie af anders breekt de macht van de
bruutheid los. We moeten, laat een derde horen, de republiek hebben en
van alle
gebiedende meesters vrij worden. Daarmee zijn we niet geholpen, zegt
een
vierde; we krijgen dan alleen maar een nieuwe meester, een “heersende
meerderheid”; veel beter zou het zijn
ons van de verschrikkelijke ongelijkheid te bevrijden. O, onzalige
gelijkheid,
hoor ik jullie laag bij de gronds gebrul al weer! Wat
had
ik
net
nog zo mooi van een paradijs van de vrijheid
gedroomd en welk een onbeschaamdheid en
teugelloosheid
verheft nu uw woest geschreeuw! Zo klaagt de eerste en maakt zich klaar
om het zwaard op te nemen tegen de
“mateloze vrijheid”. Weldra horen we niets anders meer dan het
zwaardgekletter
van de onenige vrijheidsdromers.
De vrijheidsdrang liep te
allen tijde uit op het verlangen naar een bepaalde vrijheid, bv. geloofsvrijheid,
d.w.z. de gelovige mens wilde vrij en
onafhankelijk worden; waarvan? Van het geloof misschien? Nee! Maar van de geloofsinquisiteurs. Dus
tegenwoordig “politieke of burgerlijke” vrijheid. De burger wil
vrij worden, niet van het
burgerdom, maar van de
ambtenarenheerschappij, vorstenwillekeur en dergelijke. Vorst
Metternich zei eens
dat hij een “weg gevonden had die
geschikt was om ons voor de hele
toekomst naar het pad van de echte
vrijheid te leiden”. De graaf van
Provence vluchtte juist in die tijd uit Frankrijk, toen het begon met het “rijk van de vrijheid” te
stichten en zei: “Mijn gevangenschap
was me ondragelijk geworden, ik had
maar één hartstocht: het verlangen naar vrijheid, daar dacht ik alleen maar
aan.”
De drang
naar een bepaalde vrijheid bevat steeds het
plan
voor
een
nieuwe heerschappij zoals
de
revolutie
dan ook wel “haar verdedigers
het
verheven gevoel zou kunnen
geven
dat ze voor de vrijheid
zouden vechten”, terwijl het in werkelijkheid alleen op een
bepaalde vrijheid en daarom op een nieuwe heerschappij, de “heerschappij van de wet”
uitliep.
Vrijheid
willen jullie allemaal, jullie willen de vrijheid.
Waarom sjacheren
jullie
dan
om iets meer of
minder? De vrijheid kan alleen
de hele vrijheid zijn; een stuk
vrijheid is niet de vrijheid. Jullie twijfelen eraan
dat de hele vrijheid, de vrijheid van alles
te
bereiken is, ja,
jullie houden het voor waanzin dit
ook alleen maar te wensen? Welnu, houd dan op het fantoom na te jagen en
gebruik je moeite voor iets beters dan voor het
onbereikbare.
”Ja, er bestaat echter niets beters dan de vrijheid!”
Wat hebben
jullie dan
als jullie de vrijheid hebben — ik
wil
het
hier
namelijk niet over jullie
verbrokkelde stukjes vrijheid hebben — de volmaakte
vrijheid? Dan
zijn jullie van alles, alles
los waar jullie zich over schamen en er bestaat zeker niets waar jullie
je niet
ooit in het leven voor geschaamd en jullie ongemakkelijk over
gevoeld
hebben. En ter wille van wie willen
jullie er dan los van zijn? Toch
zeker ter wille van jezelf en wel
omdat het jullie in de weg staat? Zou
iets voor jullie niet ongemakkelijk,
maar daarentegen heel goed zijn bv. de hoewel zachte, toch onweerstaanbaar
gebiedende
blik van jullie liefje, dan zouden jullie daar niet los en vrij van willen
zijn. Waarom niet? Alweer ter wille van
jezelf! Dus jullie nemen jezelf als maatstaf en
rechter voor alles. Jullie laten
de vrijheid graag lopen, wanneer jullie de onvrijheid,
de “zoete liefdesdienst” behaagt; en jullie halen de
vrijheid bij gelegenheid
weer
aan
als ze jullie
beter begint te voldoen, verondersteld namelijk dat het er hier niet om
gaat dat
jullie je niet om andere redenen voor zulk een repeal van de union,
(misschien religieuze) bang maken.
Waarom wil
jij de moed niet vatten jezelf werkelijk helemaal tot
middelpunt en hoofdzaak te
maken? Waarom naar de vrijheid,
jouw droom snakken? Ben jij jouw
droom? Ondervraag niet eerst jouw dromen, jouw
voorstellingen, jouw gedachten want dat is
allemaal “holle theorie”. Ondervraag jezelf en vraag naar jezelf, dat
is praktisch en jij wil toch zo graag
“praktisch” zijn? Maar de één luistert
naar
wat
zijn God (natuurlijk datgene,
wat hij zich bij die naam
voorstelt, is zijn God) daar wel
van
zal zeggen en een andere wat zijn zedelijk
gevoel, zijn geweten, zijn plichtsgevoel daarover bepaalt en een derde berekent wat de mensen
er
wel
van
zouden denken en wanneer dus
iedereen zo
zijn here God (de mensen zijn even goed een, ja een nog compactere God
dan die van de andere kant en ingebeelde: vox populi, vox dei) gevraagd heeft,
dan schikt hij zich in de wil van zijn meester, vraagt er in het geheel niet meer naar wat hij
zelf graag zou willen zeggen
en besluiten.
Wend je
liever tot jezelf dan tot
jouw goden of afgoden. Breng naar
buiten wat in jou zit, kom
ermee
voor
de
dag, openbaar jezelf.
Hoe iemand alleen
uit
zichzelf
handelt
en verder nergens naar
vraagt dat hebben de christenen met hun “God” duidelijk
gemaakt.
Hij handelt
“zoals het hem belieft”. En de dwaze mens die
het zelf ook zou kunnen doen, zal
in plaats daarvan doen “zoals het God bevalt”. Als men
zegt dat ook God naar
eeuwige
wetten handelt, dan is dit ook op mij van toepassing omdat ik ook
niet uit mijn huid kan kruipen, maar mijn
gehele natuur d.w.z. mijzelf tot mijn wet heb.
Maar men
hoeft jou alleen maar aan jezelf te herinneren om je dadelijk tot
vertwijfeling
te brengen. “Wat ben ik?” vraagt iedereen van jullie zich
af. Een afgrond van regel- en wetteloze driften, begeerten, wensen, hartstochten, een chaos zonder licht
en leidster! Hoe zou ik, wanneer
ik zonder acht te slaan op de goddelijke geboden of de plichten die de
moraal voorschrijft, zonder te letten op de
stem van de rede
die in de loop van de geschiedenis na bittere ervaringen het
beste en
verstandigste tot wet verheven heeft,
alleen Mezelf raadplegend een juist antwoord kunnen krijgen? Mijn
hartstocht
zou me het meest onzinnige aanraden. Zo houdt
iedereen zichzelf voor de duivel;
want zou hij zich, voor zover hij zich niet om religie, enz. bekommert,
alleen
maar als een dier beschouwen, dan zou hij gemakkelijk merken
dat het dier, dat toch maar alleen zijn instinct (als het ware
zijn raadgever) volgt, zich niet tot het “meest onzinnige” raadt en
drijft, maar zeer juiste stappen
onderneemt. Maar de gewoonte van een
religieuze denkwijze heeft onze
geest zo zeer bevangen dat wij voor onszelf in onze naaktheid en natuurlijkheid terugschrikken; ze
heeft ons zo vernederd dat wij ons voor met
erfzonden beladenen, voor geboren
duivels houden. Natuurlijk valt je
dadelijk te binnen dat jouw roeping vereist om het
“goede”,
het juiste, het zedelijke,
te
doen. Hoe kan nu, wanneer jij jezelf afvraagt wat jij
moet doen, de juiste stem uit jou
opschallen, de stem die jou de weg van het goede,
juiste,
ware,
enz.
toont? Hoe zou God met Belial
kunnen
overeenstemmen?
Wat zou jij echter
denken, als
iemand jou zou antwoorden dat het praatjes zijn, dat men
aan
God, het geweten, plichten, wetten, enz. zou moeten
gehoorzamen, praatjes waarmee men jouw hoofd en hart volgepropt en jou gek
gemaakt heeft? En wanneer hij jou zou vragen,
hoe jij dan zo zeker weet dat de stem van de natuur een verleidster is?
En hij
van jou zou verlangen de zaak helemaal om te keren en juist de stem van
God en
die van het geweten voor duivelswerk te houden? Zulke heilloze mensen
bestaan;
hoe zou jij hem klein kunnen krijgen? Op jouw priesters, ouders en goede mensen kun jij je niet
beroepen want die worden door hen juist als jouw misleiders
bestempeld, als de ware verleiders en verdervers van de
jeugd, die het onkruid van de zelfverachting en Godsverering ijverig
uitzaaien,
de jonge harten bezoedelen en de jonge hoofden stompzinnig maken.
Ze gaan door en vragen:
ter wille
van wie bekommer jij je om Gods en andere geboden? Jij denkt toch niet
dat dit
alleen maar uit welgevalligheid jegens God gebeurt? Nee, jij doet dit
alweer ter wille van jezelf. Dus ook hier ben jij de hoofdzaak en iedereen moet tot
zichzelf zeggen: Ik ben voor mijzelf
alles en ik doe alles ter wille van
mijzelf. Zou het jou eenmaal duidelijk worden dat de God, de
geboden, enz.,
je uitsluitend schaden, dat ze jou te
kort doen en verderven: zeker, jij zou ze van je afwerpen, juist zoals
de
christenen ooit Apollo of Minerva of de heidense moraal verdoemd
hebben. Ze
stelden wel Christus en daarna Maria en ook een christelijke moraal
daarvoor in
de plaats; maar ze deden dit ook ter wille van hun
zielenheil, dus uit egoïsme of eigenheid.
En dit egoïsme, deze
eigenheid was
het waardoor ze van de oude godenwereld los en vrij werden. De
eigenheid schiep een nieuwe vrijheid;
want de eigenheid is de schepster van alles, net zoals al
lang de genialiteit (een bepaalde eigenheid), die altijd originaliteit
is, als
de schepster van nieuwe wereldhistorische producten beschouwd wordt.
Zal ooit met
dat
streven
van
jou “de vrijheid” toch van kracht worden, put
dan al jouw krachten uit. Wie moet dan vrij worden? Jij, ik, wij. Vrij
waarvan?
Van alles wat niet jou, niet wij, niet ik is. Want ik ben de kern die
uit alle
omhulsels verlost, van alle benauwende schillen bevrijd moet worden.
Wat blijft
er over wanneer ik van alles wat ik niet ben, bevrijd word? Alleen ik
en niets
dan ik! Dit ikzelf echter, heeft de vrijheid niets te bieden. Wat er nu
verder
zal gebeuren, nadat ik vrij geworden ben, daarover zwijgt de vrijheid,
zoals onze
regeringen de gevangene, na afloop van zijn gevangenschap, alleen maar
loslaat
en in de verlatenheid uitstoot.
Waarom nu, als de
vrijheid toch ter
liefde voor het ik nagestreefd wordt, waarom dan niet dat ikzelf tot
begin,
midden en einde kiezen? Ben ik niet meer waard dan de vrijheid? Ben ik
het niet
die mijzelf vrij maak, ben ik niet het eerste? Al ben ik ook onvrij, in
duizend
boeien geklonken, toch ben ik en ik ben niet pas in de toekomst en
hopelijk
aanwezig, zoals de vrijheid, maar ik ben als de meest verworpene van de
slaven
aanwezig.
Denk daar goed over na en
beslis
zelf of jij op uw vaandel de
droom van de “vrijheid” of het besluit tot het “egoïsme”, de
“eigenheid” wil
schrijven. De “vrijheid” wekt jouw woede tegen
alles op wat jij niet bent: het “egoïsme” roept jou tot vreugde over jezelf, tot het genieten van jezelf op; de
“vrijheid”
is en blijft een hunkering, een
romantisch klaaggeluid, een christelijke hoop op
een
volmaakt
ander
leven en de toekomst; de “eigenheid” is
een werkelijkheid, die vanzelf juist
zoveel onvrijheid uit de weg ruimt als jij hinderlijk
jouw
eigen
weg
verspert. Van datgene wat jou
niet stoort, zul jij
geen afstand willen doen en wanneer het jou begint te storen, dan weet
jij dat
“jij jezelf meer moet toebehoren dan de mensen!”
De vrijheid leert alleen:
Maak je
los, ontdoe je van al het lastige; ze leert je niet wie je zelf bent.
Los. Los!
Klinkt haar verlossingskreet en jij, begerig haar roep volgend, raakt
zelfs van
jezelf helemaal los, “verloochent jezelf”.
Maar de eigenheid roept je echter tot jezelf terug, zij zegt:
“Kom tot jezelf!”
Onder de Aegide van de vrijheid ben jij van allerlei dingen los, maar
iets
nieuws benauwt je weer, “van de boze ben jij los, het boze is
gebleven”. Als eigene ben jij werkelijk
van alles los en wat jou aankleeft dat heb je aangenomen, dat is jouw keuze en jouw goeddunken. De eigene is de
geboren vrije, de vrije van huis uit: de
vrije
daarentegen alleen
maar de vrijheidszuchtige: de dromer
en dweper.
Iedereen is oorspronkelijk
vrij omdat hij niets dan zichzelf erkent; hij hoeft zich
niet eerst te bevrijden omdat hij
van tevoren alles buiten zichzelf verwerpt, omdat hij niets hoger schat
dan
zichzelf, niets hoger aanslaat, kortom omdat hij van zichzelf uitgaat
en “tot
zichzelf komt”. Bevangen in het kinderlijk respect werkt hij er
niettemin al
aan zich uit deze bevangenheid “te bevrijden”. De eigenheid werkt in de
kleine
egoïst en verschaft hem de begeerde vrijheid.
Duizenden jaren van
cultuur hebben
voor jou verduisterd wat je bent, hebben jou doen geloven dat jij geen
egoïst
bent, maar tot idealisten (“goede mensen”) geroepen
bent. Schud dat af! Zoek niet de
vrijheid die je juist van jezelf berooft in de “zelfverloochening”,
maar zoek jezelf, word egoïst, laat ieder van
jullie een almachtig ik worden. Of
duidelijker: erken alleen
jezelf weer, erken alleen maar wat jij werkelijk bent en laat
jouw
huichelachtig streven varen, jouw dwaas verlangen iets anders te willen
zijn
dan jij bent. Huichelachtig noem ik jullie omdat jullie toch al deze
duizenden
jaren egoïsten gebleven zijn, maar slapende, zichzelf bedriegende,
gekke
egoïsten, jullie heautontimorumenen, jullie zelfpijnigers. Nog
nooit heeft het
een religie aan toezeggingen en “beloften” ontbeerd die naar het
hiernamaalse
of het tegenwoordige leven verwijzen (een “lang leven”, enz.), want baatzuchtig is de mens en “voor niets”
doet hij niets. Maar dan: “Het goede omwille van het goede doen” zonder
uitzicht op beloning? Alsof ook hier in de bevrediging, die dit zou
verschaffen, niet de beloning opgesloten zou liggen. Dus ook de religie
is op
ons egoïsme gegrond en zij buit jullie uit; berekend op onze begeerten, verstikt ze vele andere
omwille van één. Dat is dan het verschijnsel van het bedrogen egoïsme waarbij ik niet mijzelf bevredig,
maar één van
mijn begeerten bv. het streven naar gelukzaligheid. De religie belooft
mij het
“hoogste goed”; om dit te verkrijgen sla ik geen acht meer op
één van mijn
andere begeerten en bevredig hen niet. Al jouw doen en laten is een ongegarandeerd, heimelijk, bedekt en
verborgen egoïsme. Maar een egoïsme waar jezelf niet voor uit
wil komen, dat
jij voor jezelf verborgen houdt, dus geen openbaar of openlijk, dus
onbewust
egoïsme is daarom geen egoïsme, maar
knechtschap, dienstbaarheid, zelfverloochening. Jullie zijn
egoïsten en jullie
zijn het niet omdat jullie het egoïsme verloochenen. Waar jullie
het het meeste
om lijkt te gaan daar hebben jullie aan het woord “egoïsme”
afschuw en
verachting toegevoegd.
Mijn vrijheid verzeker ik
me
tegenover de wereld in die mate dat ik me de wereld eigen maak d.w.z.
haar voor
mijzelf “win en inneem”, door welke macht dit ook zij, door die van de
overreding, van het verzoek, van de categorische eis, ja zelfs door
huichelarij, bedrog, enz.; want de middelen die ik daartoe gebruik,
richten
zich naar datgene wat ik ben. Ben ik zwak, dan heb ik alleen maar
zwakke
middelen zoals de net genoemde, die toch voor een tamelijk groot deel
van de
wereld goed genoeg zijn. Bovendien zien bedrog, huichelarij en leugen
er erger
uit dan zij zijn. Wie heeft niet ooit de politie, de wet bedrogen, bij
het
ontmoeten van de rechtsdienaar snel het gezicht van loyale eerzaamheid
opgezet
om een bedreven onwettelijke daad te verbergen, enz.? Wie het niet
gedaan
heeft, heeft zich juist geweld aan laten doen: hij was een zwakkeling
uit geweten. Ik voel mijn vrijheid al verkleind doordat
ik tegenover een andere (zij dat andere iets willoos zoals een rots of
een
willende zoals een regering, een individu, enz.) mijn wil niet kan
doorzetten;
mijn eigenheid verloochen ik als ik mijzelf — ten opzichte van het
andere —
opgeef d.w.z. toegeef, afsta, mij onderwerp, dus door onderworpenheid,
onderwerping.
Want het is iets anders als ik mijn tot nu toe gevolgde handelswijze
opgeef
omdat ze niet naar het doel voert, dus van een verkeerde weg afwijk,
iets
anders wanneer ik mij gevangen geef. Een rots die mij in de weg staat,
ga ik
zolang uit de weg tot ik kruit genoeg heb om haar uiteen te laten
springen; de
wet van een volk ga ik uit de weg tot op het ogenblik dat ik kracht
genoeg
verzameld heb om haar ten val te brengen. Omdat ik de maan niet kan
pakken,
moet ze me daarom “heilig” zijn, een Astarte. Zou ik
jou maar kunnen
pakken, dan zou ik jou echt pakken en een middel vinden om tot jou op
te
klimmen, ik zou me door jou niet
laten afschrikken! Jij onbegrijpelijke, jij zult maar zolang
onbegrijpelijk voor me blijven tot ik de macht van het begrijpen
verworven
heb
en
jou mijn
eigen noem: ik geef het niet op tegen jou, maar wacht alleen
mijn tijd
af. Al stel ik me op dit moment tevreden met jou iets te kunnen
toedichten,
toch blijf ik het met jou van plan.
Krachtige mensen hebben
het van
oudsher zo gedaan. Hadden de “onderworpenen” een onbedwongen macht tot
hun
meesteres verheven en aanbeden, hadden ze de aanbidding van
allemaal
verlangd dan kwam
zo’n zoon van de natuur die zich
niet onderwerpen wilde en joeg die
aanbeden macht uit haar
onbestijgbare Olympus. Hij riep de lopende zon zijn “sta” toe en liet
de aarde
draaien; de onderworpenen moesten het zich laten
welgevallen;
hij legde zijn bijl aan de heilige eiken en de “onderworpenen”
verbaasden zich
erover dat geen hemels vuur hem
verteerde: hij wierp de Paus van de stoel van Petrus en de
“onderworpenen”
wisten het niet te verhinderen;
hij rukte het Gods-genade-gedoe neer en de “onderworpenen” krasten
om
uiteindelijk zonder resultaat te verstommen.
Mijn vrijheid wordt pas volkomen als ze in mijn macht is; maar
hierdoor hou ik op alleen maar
een vrije te zijn en word een
eigenaar. Waarom is de vrijheid
van de volkeren een “hol woord”?
Omdat de volkeren geen macht hebben! Met de ademtocht
van het levende ik blaas ik
volkeren om, al was het de ademtocht van een Nero, van een Chinese
keizer, of
een arme schrijver. Waarom snakten de d……. kamers toch vruchteloos naar
vrijheid en werden ze daarvoor door de minister berispt? Omdat ze geen
“machtigen” zijn! De macht is een schone zaak en voor vele dingen
nuttig; want
“men komt met een hand vol macht verder dan met een zak vol recht”.
Smachten
jullie naar de vrijheid? Jullie dwazen! Als jullie de macht zouden
grijpen, dan
komt de vrijheid vanzelf. Kijk, wie de macht heeft “staat boven de
wet”. Hoe
smaakt jullie dit vooruitzicht, jullie “wetsgetrouwe” lieden? Maar
jullie
hebben geen smaak!
Luid weerklinkt de roep
om
“vrijheid” in het rond. Maar voelt en weet men echter wat een geschonken en geoctrooieerde
vrijheid betekent? Men erkent niet in de volle betekenis van het woord
dat alle
vrijheid in wezen zelfbevrijding is d.w.z. dat ik maar zoveel vrijheid
kan
hebben als ik me door mijn eigenheid
verschaf. Wat hebben de schapen eraan dat niemand hen de vrijheid van
spreken
ontneemt? Ze houden het bij blaten. Geef iemand die innerlijk een
Mohammedaan,
een jood of een christen is toestemming om te spreken:
hij
zal
toch
alleen maar bekrompen zooi voortbrengen.
Worden jullie daarentegen door bepaalde anderen van de spreek- of
luistervrijheid beroofd, dan begrijpen ze zeer goed hun tijdelijk
voordeel
omdat jullie misschien iets zouden kunnen zeggen of horen waardoor
genoemde
“bepaalde anderen” hun krediet zouden kunnen verspelen.
Wanneer ze jullie echter
vrijheid
geven, dan zijn ze juist schelmen die meer geven dan ze hebben. Ze
geven jullie
dan namelijk niets van zichzelf, maar gestolen goed, geven jullie je
eigen
vrijheid, de vrijheid, die jullie jezelf zouden moeten nemen; en ze geven jullie haar alleen opdat jullie
haar niet zelf zouden nemen en de dieven en bedriegers bovendien ter
verantwoording zouden moeten roepen. In hun sluwheid weten ze wel dat
de
gegeven (geoctrooieerde) vrijheid toch geen vrijheid is omdat alleen de
vrijheid die men neemt, dus de
vrijheid van de egoïst, met volle zeilen vaart. Geschonken
vrijheid strijkt de
zeilen zo gauw er storm opsteekt of windstilte intreedt; ze moet altijd
zacht
en middelmatig aangeblazen worden.
Hierin ligt het verschil
tussen
zelfbevrijding en emancipatie (vrijspreken, vrijlaten). Wie heden ten
dage “in oppositie is”, snakt en schreeuwt
om “vrijlating”. De vorsten moeten hun volkeren “mondig verklaren”
d.w.z.
emanciperen! Gedraag je mondig dan ben je het zonder die
mondig-verklaring en
gedraag jij je niet daarnaar, dan ben je het niet waard en zou jij het
door de
mondig-verklaring ook nooit zijn. De mondige Grieken joegen hun
tirannen weg en
de mondige zoon maakt zich van zijn vader onafhankelijk. Hadden ze
gewacht tot
hun tirannen hun de mondigheid genadig toestonden, dan hadden ze lang
kunnen
wachten. De zoon die niet mondig wil worden, wordt door een verstandige
vader
het huis uitgeschopt en de vader houdt het huis voor zich alleen; de
laffen
geschiedt recht.
De vrijgegevene is juist
niets meer
dan een vrijgelatene, een libertinus, een hond
die een stuk ketting meesleept: hij is een onvrije in het
gewaad
van
de
vrijheid, als een ezel in een
leeuwenhuid. Geëmancipeerde
joden zijn in zichzelf niets verbeterd, maar alleen maar als jood
ietwat
verlicht ofschoon hij, die zijn toestand wat verlicht, in ieder geval
meer is
dan een kerkelijke christen omdat deze laatste dit niet zonder
inconsequentie kan doen. Maar
geëmancipeerde
jood
of
niet geëmancipeerde: jood blijft
jood; de niet zelf bevrijde is
nu eenmaal een geëmancipeerde. De protestantse staat kan de
katholieken dan wel
vrij laten (emanciperen), maar omdat ze zichzelf niet vrij maken,
blijven ze nu
eenmaal katholiek.
Over eigenbelang en
belangloosheid
is hierboven al gesproken. De vrijheidsvrienden maken zich boos op het
eigenbelang omdat ze zich in hun religieuze vrijheidsstreven niet van
de
verhevene “zelfverloochening” kunnen bevrijden. Het egoïsme
verwekt de toorn
van de liberalen want de egoïst bemoeit zich met een zaak nooit
omwille van de
zaak zelf, maar omwille van zichzelf; de zaak moet hém dienen.
Het is
egoïstisch geen enkele zaak een eigen of “absolute” waarde toe te
kennen, maar
haar waarde in mijzelf te zoeken. Tot het meest ergerlijke gedrag van het egoïsme hoort men vaak de zo
gebruikelijke broodstudie te rekenen omdat ze getuigt van de meest
schandelijke
ontwijding van de wetenschap; maar waartoe dient de wetenschap anders
dan om
gebruikt te worden? Wanneer iemand ze niet beter weet te benutten dan
tot het
verwerven van zijn dagelijks brood, dan is zijn egoïsme vast een
klein egoïsme,
omdat de macht van deze egoïst een beperkte is, maar het egoïstische daaraan en de ontwijding van de
wetenschap kan
alleen een bezetene afkeuren.
Omdat het christendom
onbekwaam was
de enkelingen als enigen mee te laten tellen, hen alleen maar als
afhankelijken
beschouwde en eigenlijk niet meer dan een sociale
theorie was, een leer van het samenleven en zowel
van
de
mensen
met God als van de mensen met de mensen,
moest al het “eigene” daarbij in
het allerkwaadste daglicht staan: eigenbaat, eigenzinnigheid, eigenwil,
eigenheid, eigenliefde, enz. De christelijke beschouwingswijze heeft zo
langzamerhand heel eerlijke uitdrukkingen in oneerlijke omgezet: waarom
zouden
we ze niet weer in ere herstellen? Zo wil “smaad” volgens de oude betekenis zoveel zeggen als
scherts; maar voor de christelijke ernst
ontstond uit de grap een gemis want hij begrijpt
geen
plezier;
“brutaal”
betekende vroeger alleen maar: koen,
dapper; “misdaad” betekende waagstuk. En bekend is het hoe het woord “rede” lange tijd met scheve
ogen bekeken werd.
Onze
spraak heeft
zich
zo
behoorlijk
naar
het
christelijke standpunt ingericht en het algemeen bewustzijn is nog
te christelijk om niet voor al het
niet-christelijke als voor iets onvolkomens of boosaardigs terug te
schrikken.
Daarom is het met het “eigenbelang” ook slecht gesteld.
Eigenbelang
betekent in christelijke zin ongeveer het volgende:
ik
let
er
alleen
op of iets mij als
zinnelijk mens van nut kan zijn. Maar is dan de
zinnelijkheid mijn hele eigenheid? Ben ik bij
mijzelf wanneer ik aan de zinnelijkheid
overgeleverd ben? Volg ik Mezelf, mijn eigen
bestemming, als ik haar volg? Mijn eigen
ben ik pas wanneer niet de zinnelijkheid, maar evenmin iets anders (God, menselijke overheid, wet,
staat,
kerk,
enz.)
mij in de macht
heeft, maar ikzelf: wat mij deze zelfeigenaar of zichzelftoebehorende
van nut
is daar streeft mijn eigenbelang naar.
Overigens
ziet men zich alle ogenblikken genoodzaakt aan het
eigenbelang,
het altijd gelasterde, als aan een alles bedwingende macht te geloven.
In de
zitting van 10 Februari 1844 stelt Welcker een motie over de
afhankelijkheid
van de rechter op en betoogt in een uitvoerige rede dat rechters die
men
ontslaan, afzetten, verplaatsen en pensioneren kan, kortom zo’n leden
van een
gerechtshof die alleen al administratief benadeeld en in gevaar
gebracht kunnen
worden, de hele betrouwbaarheid ontberen, ja alle achting en
vertrouwen
van het volk kwijt zijn. De hele rechterstand, roept
Welcker uit, is door deze afhankelijkheid
gedemoraliseerd! Met weinig woorden betekent dit niets
anders dan dat de rechters er meer mee gebaat zijn als ze in
ministeriële zin een oordeel vellen, dan wanneer
ze dit in de geest van de wet doen. Hoe moet dit verholpen
worden? Soms daardoor dat men de rechters de hoon van hun
omkoopbaarheid
op
het
gemoed drukt en dan het vertrouwen
koestert dat ze tot inkeer zullen
komen en voortaan de gerechtigheid hoger in zullen schatten dan
hun eigenbelang? Nee, tot zo’n romantisch
vertrouwen stijgt het volk niet op want het voelt dat het
eigenbelang machtiger is dan elk ander motief. Daarom
zouden diezelfde personen die dit sinds lang geweest zijn, rechter moeten blijven,
hoezeer men er zich ook van overtuigd heeft dat ze als egoïsten
handelen;
alleen zouden ze hun eigenbelang
niet langer door het verkopen van recht moeten proberen te bevorderen,
maar zo
onafhankelijk van de regering
moeten zijn dat ze door een vakkundig oordeel hun eigen
zaak, hun “welbegrepen eigenbelang”, niet in de
schaduw
stellen, maar eerder een goed salaris en de achting van de burgers op
hun gemak
met elkaar zouden moeten kunnen verbinden.
Dus Welcker
en
de
Badische
burgers zijn er pas zeker van als ze op het
eigenbelang kunnen rekenen. Wat moet men zich daarom dan van die
ontelbare belangeloosheidfrasen voorstellen waar hun mond anders van
overstroomt?
Tot een
zaak die ik in het belang van Mezelf doorzet, sta
ik
in
een
geheel andere verhouding dan tot
één die ik
belangeloos dien. Men zou daar het volgende herkenningsteken voor
kunnen aannemen: ten opzichte van de
één, kan ik mij bezondigen
of een zonde
begaan, de andere kan ik alleen maar verwaarlozen,
van mij afstoten, mijzelf zover
krijgen, d.w.z. een domheid begaan. De handelsvrijheid ervaart
beide
beschouwingswijzen omdat ze deels voor een vrijheid wordt aanzien welke
onder zekere omstandigheden verleend of
ingetrokken zou kunnen worden, deels voor één die onder alle omstandigheden als heilig beschouwd moet
worden.
Is mij aan een zaak niets
aan en
voor zich gelegen en begeer ik haar niet ter wille van haar zelf, dan
verlang
ik er alleen maar naar vanwege haar doelmatigheid, nuttigheid, ter
wille van de
bedoeling van iets anders bv. oesters om hun aangename smaak. Zal voor
de egoïst
dan niet elke zaak als middel dienen wier
laatste doel hij zelf is en moet
hij een zaak
beschermen die hem tot niets dient
zoals bv. de proletariër, de staat?
De eigenheid sluit al het
eigene in zich en herstelt weer in
ere wat de christelijke taal onteerde. De eigenheid heeft echter ook
geen
vreemde maatstaf omdat ze ook eigenlijk geen idee is zoals de vrijheid,
zedelijkheid, menselijkheid en dergelijke, ze is alleen maar een
omschrijving
van de eigenaar.
II
De Eigenaar
Ik - kom Ik tot mijzelf
en het mijne
door het liberalisme?
Wie ziet de liberaal voor
zijn
gelijke aan? De mens? Wees alleen maar mens – en dat ben jij – dan
noemt de
liberaal jou zijn broeder. Hij vraagt zeer weinig naar jouw
privé-meningen en
privé-dwaasheden als hij maar de “mens” in jou kan zien.
Daar hij echter weinig
aandacht
heeft voor wat jij “privé” bent, ja daar bij strenge naleving
van zijn
principes in het geheel geen waarde aan hecht, ziet hij in jou alleen
dat wat
jij “in het algemeen” bent. Met andere woorden: hij ziet in jou niet jezelf, maar de soort, geen Jan of Piet,
maar de mens, niet de werkelijke of enige,
maar jouw wezen of jouw begrip, niet de lijfelijke, maar de geest.
Als Jan zou jij niet zijn
gelijke zijn omdat hij Piet en
daarom niet Jan is; als mens ben jij hetzelfde als wat hij is. En omdat
jij als
Jan voor hem, voor zover hij namelijk een liberaal en niet onbewust een
egoïst
is, zo goed als niet bestaat, heeft hij voor zich de “broederliefde”
werkelijk
zeer gemakkelijk gemaakt. Hij bemint in jou niet de Jan van wie hij
niets weet
en weten wil, maar de mens.
In u en mij niets meer
zien dan een
“mens”, dat wil de christelijke beschouwingswijze, het betekent het op
de spits
drijven van de één die voor de ander niets anders dan een
begrip (bv. een tot
de zaligheid geroepene, enz.) is.
Het eigenlijke
christendom verenigt
ons nog onder een minder algemeen begrip, we zijn daar nog “Gods
kinderen” en
“de geest van God leidt ons”.
Niet iedereen kan zich er toch op beroepen het kind van God te zijn,
maar
“dezelfde geest die getuigenis aflegt aan onze geest, dat we kinderen
Gods
zijn, openbaart ook wie de kinderen van de Duivel zijn”.
Dus moest een mens om Gods kind te zijn niet een kind
van
de
Duivel
zijn; dat Goddelijke kindschap sloot
bepaalde mensen uit. Daarentegen hoeven wij, om mensenkinderen
d.w.z. mensen te zijn, niets anders dan tot de
mensensoort te behoren, wij hoeven
alleen maar een exemplaar van dezelfde soort te zijn. Wat ik als dit ik
ben dat
gaat jou als goede liberaal niets aan, dat is alleen mijn
privé-zaak; het is
genoeg dat we beiden kinderen van één en dezelfde moeder
nl. van de mensensoort
zijn, als “mensenkind” ben ik uw gelijke.
Wat ben ik nu voor jou?
Soms dit lijfelijke ik zoals ik ga en sta? Niets
minder dan dat. Dit lijfelijke ik met zijn gedachten, besluiten en
hartstochten
is in jouw ogen een “privé-zaak”, die jou niets aangaat, is een
“zaak op zich”.
Als een “zaak voor jou” bestaat
alleen maar mijn begrip, het soortbegrip,
alleen de mens die als hij Jan heet,
even goed Peter of Michel zou kunnen zijn. Jij ziet in mij niet mij,
maar een onwerkelijke, een spook d.w.z. een mens.
Tot “onsgelijken”
verklaarden we in
de loop van de christelijke eeuwen de meest verschillende mensen, maar
altijd
afgemeten naar die geest die wij van
hen verwachtten bv. iedereen bij
wie de geest van de verlossingsbehoefte zich liet veronderstellen,
vervolgens
later iedereen die de geest van de rechtschapenheid bezat en tot slot
iedereen
die de menselijke geest en een menselijk gelaat toont. Zo varieerde het
grondbeginsel van de “gelijkheid”.
Doordat men nu de
gelijkheid als
gelijkheid van de menselijke geest
opvat, heeft men werkelijk een alle mensen
omvattende gelijkheid ontdekt; want wie zou kunnen loochenen dat wij
mensen een
menselijke d.w.z. geen andere geest dan een menselijke
hebben?
Maar zijn we daarom nu
verder dan in
het begin van het christendom? Toen moesten we een goddelijke
geest hebben, nu een menselijke;
gaf echter de goddelijke geest ons al
niet helemaal weer, hoe zou nu de menselijke helemaal uitdrukken
wat wij zijn? Feuerbach bv. denkt dat hij,
wanneer hij het goddelijke vermenselijkt, de waarheid gevonden heeft.
Nee,
heeft de god ons gekweld, dan is “de mens” in staat ons nog martelender
te
onderdrukken. Maar laten wij het kort
houden: dat we mensen zijn dat is het minste aan ons en is alleen van
betekenis
in zover het één van onze eigenschappen
d.w.z. ons eigendom is. Ik ben weliswaar onder andere ook mens zoals ik bv. een levend wezen,
dus animal of dier, of een Europeaan, een Berlijner of iets dergelijks
ben;
maar wie mij alleen als mens of Berlijner wil achten die biedt me een
zeer onverschillige achting. En waarom? Omdat
hij alleen maar één van mijn eigenschappen
acht, niet mij.
Precies zo is het met de geest ook. Een christelijke, een
rechtschapene of een gelijksoortige geest kan wel mijn verworven
eigenschap
d.w.z. eigendom zijn, ik echter ben niet deze geest: hij is de mijne.
Ik niet
de zijne.
We hebben daarom in het
liberalisme
alleen maar de voortzetting van de oude
christelijke geringschatting van het ik, de lijfelijke Jan. In plaats
van mij
te nemen zoals ik ben, ziet men alleen maar mijn eigendom, mijn
eigenschappen
en sluit alleen maar ter wille van mijn bezittingen een eerlijke band
met mij;
men huwt als het ware wat ik
heb, niet wat ik ben. De christen klampt zich aan mijn
geest
vast,
de
liberaal aan mijn menselijkheid.
Daarom beweegt de
liberaal zich ook
in dezelfde kring als de christen rond. Omdat de geest van het mensdom
d.w.z.
de mens in jou woont, ben jij een mens
zoals jij, wanneer de geest van Christus in jou woont, een christen
bent; maar
omdat hij alleen als een tweede, als tegelijkertijd jouw eigenlijke of
“betere”
ik in jou woont, blijft hij het totaal andere van jou en moet jij er
naar
streven helemaal mens te worden. Een even vruchteloos
streven
als dat
van de christen om een volledig zalige geest te worden!
Op dit moment, nadat het
liberalisme
de mens uitgeroepen heeft, kan men zeggen dat daarmee alleen maar de
laatste
consequentie van het christendom voltrokken wordt en dat het christendom zich van huis uit geen
andere taak stelde dan “de mens”, de “ware mens” te
realiseren.
Vandaar
die vergissing als zou het
christendom
het ik een oneindige
waarde
toeschrijven
zoals
dit bv. in de
onsterfelijkheidsleer, in de zielzorg,
enz., voor de dag treedt. Nee, deze waarde
kent
het alleen
aan de mens toe. Alleen de mens is onsterfelijk en alleen, omdat ik mens ben, ben ik het
ook.
Inderdaad moest het christendom leren dat niemand verloren gaat, zoals juist ook
het liberalisme iedereen
als mensen gelijk stelt; maar die
eeuwigheid, net als deze gelijkheid, betrof alleen maar de mens in mij, niet mijzelf. Alleen als drager
en
herberger van de mens sterf ik niet, zoals
het
bekende “de koning sterft
niet”. Ludwig sterft, maar de koning blijft; ik sterf, maar mijn geest,
de
mens,
blijft. Om mijzelf nu geheel
met de mens te identificeren, heeft men de volgende eis
uitgedacht en gesteld: ik moet nl. een “werkelijk
soortwezen”
worden.
De menselijke religie is alleen maar de laatste metamorfose van de christelijke
religie. Want het liberalisme is daarom een
religie omdat het
mijn wezen van mij afscheidt en boven mij plaatst omdat het “de mens” in
dezelfde mate verhoogt als welke andere religie
dan
ook
haar
God of afgoden, omdat
het het mijne tot het
totaal andere, omdat hij eigenlijk uit het
mijne, uit mijn
eigenschappen en mijn eigendom, iets vreemds namelijk een “wezen” maakt, kortom omdat het mij beneden
de mens plaatst en mij daardoor een “roeping” verschaft; maar ook naar de vorm doet het liberalisme zich voor
als religie, als het voor dit
hoogste wezen, de mens, een ijverig
geloof eist, “een geloof dat
zijn gloeiende ijver
uiteindelijk ook eenmaal zal
bewijzen, een ijver die onoverwinnelijk zal zijn”. Omdat
het liberalisme echter een menselijke religie is, gedraagt de belijder ervan zich
tegenover de belijder van elke andere
(katholieke, joodse, enz.) tolerant,
zoals Frederik de Grote zich tegenover iedereen gedroeg die zijn onderdanenplichten vervulde, welke
manier
van
zalig
worden hij ook
mocht toegedaan zijn. Deze
religie moet nu tot de algemeen gebruikelijke verheven worden en van de
andere
als louter “privé-gekheden”, waar men zich
overigens om haar onbelangrijkheid hoogst liberaal tegenover gedraagt, afgezonderd worden.
Men kan
haar de staatsreligie, de religie van de
“vrije staat”, noemen, niet in de bestaande zin
nl. dat zij de door de staat bevoorrechte of geprivilegieerde is, maar als zo’n
religie die de
“vrije staat” van elk van de zijnen bij zijn privatief
of
het
nu
een jood, christen of iets anders is,
niet alleen gerechtigd is te eisen,
maar genoodzaakt is te eisen. Ze bewijst namelijk
de staat dezelfde dienst als de piëteit de familie.
Zal de familie door elk van de hare in zijn bestaan erkend en in
stand gehouden worden, dan moet voor
hem de
band des bloeds heilig en zijn gevoel daarvoor
dat
van
piëteit, van het respect tegenover de bloedband
zijn, waardoor elke
bloedverwant, voor hem een geheiligde
wordt.
Zo
moet ook voor elk lid van de
staatsgemeenschap deze gemeenschap heilig en het begrip, dat voor de staat het
hoogst is, voor hem ook het hoogste zijn.
Maar welk
begrip is voor de staat het hoogste? Toch
zeker
dat
van
een werkelijk menselijke maatschappij te zijn,
een maatschappij waarin iedereen als lid opgenomen kan worden, die
werkelijk mens d.w.z. niet onmens is.
Al
gaat
de tolerantie van een staat nog zover,
tegenover een onmens en
tegen
het
onmenselijke houdt het op. En toch
is deze “onmens” een mens, toch is het onmenselijke zelfs iets
menselijks, ja alleen een mens, geen dier, is
mogelijk juist iets
“mens-mogelijks”. Ofschoon echter
elk onmens een mens is, sluit de staat
hem toch uit, d.w.z. sluit hem op of verandert hem van een staatsgenoot
in een
gevangenisgenoot (krankzinnigengesticht- of ziekenhuisgenoot volgens
het communisme).
In het
kort zeggen wat een onmens is, valt nu juist niet moeilijk te bepalen:
het is
een mens die niet aan het begrip mens
beantwoordt, zoals het onmenselijke een menselijks is dat niet bij het begrip menselijk past. De logica noemt
dit een “onzinnig oordeel”. Zou men dit oordeel dat iemand mens zou
kunnen zijn
zonder mens te zijn, wel mogen uitspreken als men niet de hypothese zou
laten
gelden dat het begrip van de mens gescheiden zou kunnen zijn van het
bestaan,
het wezen gescheiden zou kunnen zijn van de verschijning? Men zegt: hij
lijkt wel een mens, maar hij is
geen mens.
Dit
“onzinnig oordeel” hebben de mensen vele eeuwen door geveld! Ja,
sterker nog in
deze lange tijd bestonden er alleen maar onmensen.
Welke enkeling heeft ooit aan het begrip beantwoord? Het christendom
kent
alleen maar één mens en deze ene — een
Christus — is tegelijkertijd weer in omgekeerde
zin een
onmens, namelijk een bovenmenselijke mens, een God. De werkelijke
mens is alleen maar de onmens.
Mensen die geen mens
zijn, wat
zouden dat anders dan spoken kunnen
zijn? Ieder werkelijk mens is omdat de mens niet aan
het begrip “mens” beantwoordt of omdat hij geen
“soortmens” is, een spook. Maar blijf ik ook dan nog een onmens wanneer
ik de
mens, die ik alleen maar als mijn ideaal, mijn opgave, mijn wezen of
begrip
boven mij uitgestoken zou hebben en voor mij het totaal andere zou
blijven, tot
mijn eigen en inherente eigenschap
ten val zou brengen, zodat de mens niets anders zou zijn dan mijn
menselijkheid, mijn menszijn en alles wat ik dan doe, juist daarom
menselijk is
omdat ik het doe, maar niet omdat het
met het begrip “mens” overeenstemt? Ik
ben werkelijk de mens en onmens in één; want ik ben mens en tegelijkertijd meer dan mens d.w.z. ik ben het ik van deze, mijn
pure eigenschap.
Het moest ten slotte
zover komen dat
men van ons niet meer louter eiste christen te zijn, maar mensen te
worden;
want hoewel wij ook nooit werkelijk christen konden worden, maar altijd
“arme
zondaars” bleven (de Christus was een evenzo onbereikbaar ideaal) kwam
hier
toch de tegenstrijdigheid niet zo tot bewustzijn en de dwaling was
minder dan
nu, waar ons, wij die mensen zijn en menselijk handelen, ja helemaal
niet
anders kunnen dan dit te zijn en zo te handelen, de eis gesteld wordt:
we
moeten mensen zijn, “echte mensen!”
Onze hedendaagse staten
leggen
weliswaar, omdat hen van hun kerkelijke moeder nog allerlei aankleeft,
de
hunnen nog menige verplichting op (bv. kerkelijke religiositeit) die
hen, de
staten, eigenlijk niets aangaat; maar ze verloochenen toch hun
betekenis in het
geheel niet wanneer ze voor menselijke maatschappijen
aanzien willen worden,
waarvan de mens als mens een lid kan zijn, ook al is hij minder
geprivilegieerd
dan andere medeleden; de meeste laten aanhangers van iedere religieuze
sekte
toe en nemen die lieden op zonder onderscheid in ras en nationaliteit:
Joden,
Turken, Moren, enz. kunnen Franse burgers worden. De staat kijkt er dus
bij de
opname alleen maar naar of men een mens
is. De kerk, als een maatschappij van gelovigen, kon niet alle mensen
in haar
schoot opnemen; de staat als een gemeenschap van mensen kan dit wel.
Maar als
de staat het principe, aan de zijnen geen andere voorwaarde te stellen
dan dat
ze mensen zijn, zuiver doorgevoerd heeft (tot nu stellen zelfs de
Noord-Amerikanen
aan de hunnen nog de voorwaarde dat ze een religie, op zijn minst de
religie
van de rechtschapenheid, van de eerlijkheid, moeten bezitten) dan heeft
hij
zijn eigen graf gegraven. Terwijl de staat zal denken aan de zijnen
louter
mensen te hebben, zijn dezen intussen louter egoïsten
geworden, die ieder van hen zeker naar zijn egoïstische
krachten en doeleinden zal gebruiken. Door de egoïsten gaat de
“menselijke
maatschappij” ten gronde, want ze gaan niet meer als mensen
met elkaar om, maar treden egoïstisch als een ik
tegen een van mij doorgaans
verschillend en vijandelijk u en jij op.
Wanneer de staat op onze
menselijkheid moet rekenen, dan betekent dat hetzelfde als wanneer men
zegt,
hij moet op onze zedelijkheid rekenen. In een ander de mens zien en
tegenover
elkaar als mens handelen, dat noemt men een zedelijke houding. Dit is
dan
helemaal de “geestelijke liefde” van het christendom. Zie ik namelijk
in jou de
mens zoals ik in mijzelf de mens en niets anders dan de mens zie, dan
zorg ik
voor jou zoals ik voor mijzelf zou zorgen, want wij stellen immers
beiden niets
anders voor dan de volgende mathematische stelling: A = C en B = C
daarom A =
B, d.w.z. ik ben niets anders dan mens en jij bent niets anders dan
mens, dus
ik en jij zijn hetzelfde. De zedelijkheid gaat niet met het
egoïsme samen omdat
ze niet mij, maar alleen maar de mens
in mij mee laat tellen. Is echter de staat een maatschappij, een gemeenschap van mensen, niet een
vereniging van ikken waarvan ieder zichzelf alleen maar op het oog
heeft, dan
kan hij zonder zedelijkheid niet bestaan en moet op zedelijkheid
steunen.
Daarom zijn wij beiden,
de staat en
ik, vijanden. Mij, de egoïst ligt het welzijn van deze “menselijke
maatschappij” niet aan het hart, ik offer haar niets, ik gebruik haar
alleen
maar; maar om haar echter volkomen te kunnen gebruiken, verander ik
haar eerder
in mijn eigendom en mijn creatie d.w.z. ik vernietig haar en stel de vereniging van egoïsten in haar plaats.
Dus de staat verraadt
zijn
vijandschap tegenover mij doordat hij eist dat ik mens moet zijn, wat
veronderstelt dat ik het ook niet zou kunnen zijn en voor hem als een
“onmens”
zou kunnen gelden; hij legt mij het menszijn als een plicht
op. Verder verlangt hij dat ik niets doe waarbij hij
niet kan bestaan; zijn bestaan moet dus voor mijzelf
heilig zijn. Dan moet ik geen egoïst, maar een “eerlijk,
rechtschapen”, d.w.z.
zedelijk mens zijn. Genoeg, ik moet ten opzichte van hem en zijn
bestaan
machteloos en respectvol zijn, enz.
Deze staat, in ieder
geval niet de
huidige, maar één die eerst nog geschapen moet worden, is
het ideaal van het
voortschrijdende liberalisme. Er moet een ware “mensenmaatschappij”
ontstaan
waarin elke “mens” een plaats vindt. Het liberalisme wil “de mens”
realiseren
d.w.z. voor hem een wereld scheppen en dat zou dan de menselijke
wereld of de algemene (communistische)
mensenmaatschappij moeten zijn. Men zegt “de kerk kan enkel de geest,
de staat
moet de gehele mens in aanmerking nemen”.
Maar is “de mens” niet “geest”?
De kern van de staat is juist “de mens”, deze onwerkelijkheid
en hijzelf zijn alleen maar een “mensenmaatschappij”. De wereld die de
gelovige
(gelovige geest) schept, heet kerk, de wereld die de mens (menselijke
of humane
geest) schept, heet staat. Dat is echter niet mijn wereld. Ik verricht
nooit in
“abstracto” iets menselijks, maar altijd iets eigens
d.w.z. mijn
menselijke daad is anders dan ieder ander menselijks en is alleen al
door dit
verschil een echte, mij toebehorende daad. Het menselijke aan haar is
een
abstractie en als zodanig geest d.w.z. geabstraheerd wezen.
Bruno Bauer zegt
bijvoorbeeld in
zijn Judenfrage, pag. 84, dat de waarheid van de kritiek de laatste en
wel door
het christendom zelf gezochte waarheid is, namelijk “de mens”. Hij
zegt: “De
geschiedenis van de christelijke wereld is de geschiedenis van de
strijd voor
de hoogste waarheid want in haar – en alleen in haar! – gaat het om de
ontdekking van de laatste of eerste waarheid – die van de mens en de
vrijheid.”
Welaan,
laten we deze winst dan accepteren en nemen wij
de mens als het eindelijk gevonden
resultaat van de christelijke geschiedenis en eigenlijk van het
religieuze of
ideële streven van de mens. Wie is nu die mens? Ik ben
het! De
mens, het einde en resultaat van
het christendom, is als ik het
begin en het te gebruiken materiaal van de nieuwe
geschiedenis,
de geschiedenis van het genot na de geschiedenis van de opofferingen, een geschiedenis
niet
van de mens of de mensheid, maar de
mijne. De mens geldt als het algemene.
Welaan dan, ik en het egoïstische zijn het
werkelijk algemene omdat
iedereen een egoïst is en voor zichzelf boven
alles
gaat. Het joodse
is niet het zuiver egoïstische
omdat de jood zichzelf nog aan Jehova overgeeft, het christelijke
is het niet omdat de christen van
de genade leeft en zich daaraan onderwerpt.
Een mens bevredigt als jood en ook als christen
maar een
bepaald deel van zijn behoeften, alleen maar bepaalde behoeften niet zichzelf: een half egoïsme
omdat
het
egoïsme
van een halve mens, die half zichzelf,
half jood of half zijn eigendom, half
een slaaf is. Daarom sluiten
joden en christenen elkaar altijd voor
de helft uit d.w.z. als mens dulden ze elkaar, als slaaf sluiten ze
elkaar uit
omdat ze dienaren van verschillende meesters zijn. Zouden ze volkomen
egoïst
kunnen zijn, dan sloten ze elkaar helemaal
uit en zouden elkaar des te steviger vasthouden. Niet dat ze elkaar
uitsluiten
is hun schande, maar dat dit maar half
gebeurt. Bruno Bauer daarentegen denkt dat de joden en christenen
elkaar pas
als “mensen” kunnen beschouwen en wederzijds kunnen behandelen als ze het bijzondere wezen
dat
hen scheidt en tot eeuwige
afzondering
verplicht,
opgeven
en het algemeen wezen “van de
mens” erkennen en als hun
“waarachtig wezen”
beschouwen.
Volgens zijn
uiteenzetting ligt de
fout van de joden net als die van de christenen daarin dat ze iets “aparts” zijn en willen hebben,
in plaats van alleen maar mensen te
zijn
en
naar het menselijke
te streven, namelijk “de algemene
mensenrechten”. Hij denkt dat hun hoofddwaling bestaat in het geloof dat ze “geprivilegieerd”
zouden
zijn,
“voorrechten”
zouden bezitten, eigenlijk
in het geloof in het voorrecht.
Hij
houdt hen het
algemene mensenrecht
voor! Het mensenrecht!
De mens is
de eigenlijke mens en voor
zover iedereen de mens is. Nu moet
iedereen de eeuwige mensenrechten bezitten en deze in de volmaakte “democratie” of zoals het juister zou moeten heten, in de
antropocratie volgens de mening van de communisten, genieten. Maar
alleen ik heb alles, wat ik Mezelf
verschaf;
als mens heb ik niets. Men zou elke mens
al het goede moeten laten toevloeien
alleen omdat hij de titel “mens” draagt.
Maar
ik leg de nadruk op mijzelf,
niet
op
het
feit dat ik mens
ben.
Dat
menszijn is alleen maar zoiets als mijn
eigenschap (eigendom) zoals de mannelijkheid
of
vrouwelijkheid.
De
ouden
vonden hun ideaal in het, in de volle
zin van het woord, man zijn; hun
deugd is “virtus” en
“arete” d.w.z. mannelijkheid. Wat zou men van
een vrouw denken die
alleen volkomen “vrouw” zou willen zijn? Dat is niet
iedereen
gegeven
en menigeen
zou zich daarmee een onbereikbaar doel stellen. Vrouwelijk
daarentegen is ze bovendien van nature, de
vrouwelijkheid is haar eigenschap en ze hoeft
de “echte vrouwelijkheid” niet. Ik ben mens net
zoals de aarde een ster is. En
net zo belachelijk zou het als het ware zijn van
de
aarde te verlangen
een “echte ster” te zijn, net zo belachelijk is het
mij met de roeping een “echte
mens” te zijn, te
belasten.
Wanneer
Fichte zegt “het ik is alles”,
dan schijnt dat met wat ik poneer
volkomen
overeen te komen. Alleen met dit
verschil dat het
ik niet alles is, maar dat
het
ik alles vernietigt
en alleen het zichzelf oplossende
ik,
het
nooit zijnde ik, dat eindige ik is werkelijk ik. Fichte spreekt over het “absolute” ik,
ik echter spreek over mijzelf, het vergankelijke
ik.
Hoe voor de hand liggend
is de
mening dat mens en ik hetzelfde
zeggen en toch ziet men bv. aan Feuerbach dat de uitdrukking “mens”, het absolute
ik,
de
soort moet betekenen en niet het
vergankelijke,
afzonderlijke ik. Egoïsme
en menselijkheid (humaniteit)
zouden hetzelfde moeten betekenen, maar volgens Feuerbach kan de enkeling (het “individuum”) “zich alleen
maar boven de grenzen van zijn
individualiteit verheffen, niet boven de wetten, de positieve
wezensbestemmingen van zijn soort”.
Maar de soort is niets en wanneer de enkeling zich boven de beperkingen
van
zijn individualiteit verheft, dan is dat eerder juist hijzelf als
enkeling, hij
is alleen maar als hij zich verheft, hij is alleen maar als hij niet
blijft wat
hij is; anders was hij voltooid, dood. De
mens is alleen maar een ideaal, de soort alleen maar een gedachte. Een mens zijn, wil
niet
zeggen
het ideaal van de mens verwezenlijken,
maar zichzelf, de enkeling vertolken.
Niet, hoe ik het algemeen
menselijke kan realiseren,
hoeft de vraag te zijn, maar hoe ik
Mezelf voldoe. Ik ben mijn soort, ben zonder norm, zonder wet, zonder
voorbeeld en dergelijke. Het is mogelijk dat ik
zeer weinig uit mijzelf kan maken; dit weinige is
echter alles en is beter dan wat
ik uit mijzelf laat maken door de macht van anderen, door de dressuur
van de
zeden, de religie, de wet, de staat, enz. Beter — als nu eenmaal van beter sprake is — beter
een
ongemanierd
dan
een vroegwijs kind,
beter een onwillig dan een in alles gewillig
mens. De ongemanierde en onwillige bevindt zich nog op weg
zichzelf naar eigen wil te vormen; de vroegwijze en gewillige wordt
door de
“soort”, de algemene eisen, enz. bepaald,
ze zijn voor hem wet. Hij wordt
daardoor bepaald: want wat is voor
hem de soort anders dan een
“bestemming”, zijn “roeping”? Of
ik naar de “mensheid”, de soort, kijk om dit ideaal na te streven of
naar God en Christus, met eenzelfde streven,
wat
zou hierin dan een wezenlijk verschil zijn? Hoogstens is het ene vager dan het andere. Zoals de
enkeling de hele natuur is, is hij ook de hele
soort.
Door datgene
wat
ik
ben,
is in ieder geval alles bepaald wat ik doe, kortom
mijn uiting of openbaring. De jood bv. kan
alleen maar zus of zo willen, kan alleen maar zich als zo
“geven”; de christen kan zich alleen
christelijk geven en openbaren, enz. Zou het
mogelijk zijn dat jij jood of christen zou
kunnen zijn, dan zou jij vast alleen maar
iets joods of christelijks te voorschijn
kunnen brengen; alleen is dat niet
mogelijk, jij blijft hoe dan ook toch een egoïst,
een zondaar tegen dat begrip d.w.z. jij bent
niet = jood. Omdat nu het
egoïstische altijd en overal weer duidelijk is, heeft men naar een meer volkomen begrip gezocht dat
jou werkelijk geheel zou uitdrukken en dat, omdat
het jouw ware natuur is, alle
wetten van jouw bezigheden zou bevatten. De meest volmaakte
manier heeft
men in de “mens” bereikt. Als jood ben jij te weinig en het joodse
zijn, is
niet uw taak; een Griek of een Duitser
zijn, is niet voldoende, maar wees een mens, dan heb jij alles;
beschouw het
menselijke als jouw roeping.
Nu weet ik
wat ik moet doen en de nieuwe catechismus kan
ontworpen worden. Weer is het subject aan het predikaat onderworpen, de
enkeling aan iets algemeens; weer is een idee van de heerschappij
verzekerd en de basis voor een nieuwe religie
gelegd. Het is een vooruitgang in het religieuze en in het bijzonder op
christelijk terrein, geen stap verder.
Een stap verder voert ons
in het onnoembare. Voor mij bezit de armzalige
taal geen woord en “het woord”,
de logos, is voor mij een “nietszeggend woord”.
Men zoekt mijn
wezen. Het is niet
de jood, de Duitser, enz., maar - de mens. “De mens is mijn “wezen”.
Ik sta Mezelf tegen of
vind Mezelf
weerzinwekkend; ik gruw en walg van Mezelf, ik ben Mezelf een gruwel of
ik ben
Mezelf nooit genoeg en doe mijzelf nooit genoeg. Uit zulke gevoelens
ontstaat
de zelfoplossing of zelfkritiek. Met de zelfverloochening begint de
religiositeit, met de voltooide kritiek eindigt de
religiositeit.
Ik ben
bezeten en wil van de “boze
geest” los worden. Hoe moet ik dat aanpakken? Ik bega gerust de zonde die
de christen het ergste lijkt, de zonde en de lastering
tegen de heilige geest. “Die de
heilige geest lastert, zal in der eeuwigheid niet vergeven worden, maar
is
schuldig aan het eeuwig gericht!” Ik
verlang geen vergeving en ben niet bevreesd voor
het gericht.
De mens is de
laatste
boze geest of spook,
de meest bedrieglijke en meest vertrouwde,
de
sluwste leugenaar met een eerlijk gezicht, de vader van de leugen.
Omdat de
egoïst zich tegen alle eisen en begrippen van de tegenwoordige tijd richt, voltrekt hij onbarmhartig de meest mateloze ontheiliging. Niets
is hem heilig!
Het zou dwaas zijn te beweren dat er geen macht boven
de
mijne zou bestaan. Alleen al het standpunt dat ik ten opzichte
daarvan inneem, zal een heel ander
zijn
dan
dat van het religieuze
tijdperk. Ik word de vijand van elke hogere
macht,
terwijl de
religie leert haar tot onze
vriendin te maken en deemoedig tegenover haar te
zijn.
De ontheiliger
spant zijn krachten in tegen elke godsvrucht want godsvrucht zal hem in alles
bepalen wat hij als heilig zou laten bestaan. Of de
God
of
de
mens op de godmens de heiligende
macht uitoefent of dus iets om Godswil of omwille
van de mens (de humaniteit) wordt heilig gehouden,
verandert aan de godsvrucht niets, omdat de
mens net zo goed als “hoogste wezen” vereerd wordt als op het speciale
religieuze
standpunt waar God als
“hoogste wezen” onze vrees en
eerbied verlangt en beiden ons imponeren.
De eigenlijke godsvrucht
is allang
geschokt en een min of meer bewust atheïsme, merkbaar aan een wijd
verbreide
“onkerkelijkheid”, heeft onwillekeurig de toon gezet. Maar wat God
ontnomen
werd, is aan de mens toegevoegd en de macht van de humaniteit werd
groter
naarmate de vroomheid aan gewicht verloor: “de mens” is de huidige God
en vrees
voor de mens is in de plaats van de oude Godsvrucht gekomen.
Omdat de mens nu alleen
maar een
ander hoogste wezen voorstelt, heeft het hoogste wezen inderdaad niets
anders
dan een metamorfose ondergaan en is de vrees voor de mens niets anders
dan een
veranderde gestalte van de godsvrucht.
Onze atheïsten zijn
vrome lieden.
Hadden wij in het
zogenaamde feodale
tijdperk alles van God te leen,
nu vindt in de liberale periode
diezelfde
leenverhouding met de mens plaats. God was de meester, nu is de mens de
meester; God was bemiddelaar,
nu is de mens het; God was de
geest, nu is het de mens. In
deze drievoudige betrekking heeft de leenverhouding een verandering
ondergaan.
We hebben nu in de eerste
plaats namelijk van de almachtige mens onze macht te leen die, omdat die
van een hogere komt, niet macht of
geweld, maar “recht” heet: het “mensenrecht”. Wij hebben verder van hem
onze
plaats in de wereld te leen want hij, de bemiddelaar, bemiddelt ons verkeer dat daarom niet anders
dan “menselijk” mag zijn;
uiteindelijk krijgen wij van hem onszelf te
leen,
namelijk onze eigen waarde of alles
wat
wij waard
zijn, omdat wij juist niets waard zijn
als hij niet in ons woont en wanneer of waar wij niet “menselijk” zijn.
De macht is aan de mens, de wereld
is
van
de
mens, ik ben van de mens.
Maar waarom staat
het
mij
niet
vrij Mezelf tot gerechtigde, tot
bemiddelaar en tot mijn eigen zelf te verklaren?
In dat geval luidt het als
volgt:
Mijn macht is mijn
eigendom.
Mijn macht geeft mij eigendom.
Mijn macht ben ikzelf en ben
door haar mijn eigendom.
1. Mijn Macht
Het recht is de geest van de maatschappij.
Heeft de maatschappij een wil, dan is
deze wil juist het recht; ze bestaat alleen door het recht. Daar ze nu
alleen
bestaat doordat ze op de enkelingen een heerschappij
uitoefent, is het recht haar heersers
wil, Aristoteles zegt: gerechtigheid moet tot nut van de maatschappij strekken.
Alle bestaande recht is —
vreemd recht, is recht dat men mijzelf
“geeft”, mijzelf “laat ervaren”. Maar zou ik daarom recht hebben
wanneer de
hele wereld mij recht zou geven? En toch, wat is het recht dat ik in de
staat,
in de maatschappij krijg anders dan een recht van vreemden?
Wanneer
een
domkop
mij recht geeft, dan word ik
wantrouwig tegenover dat recht: ik hou niet van zijn rechtgeverij. Maar
ook als
een wijze mij recht geeft, heb ik het nog niet. Of ik
recht heb is volkomen onafhankelijk van het rechtgeven van de
dwaze of de wijze.
Toch hebben wij tot op
heden naar
dat recht gestreefd. We zoeken recht en wenden ons voor dat doel tot de
rechtbank. Tot welke? Tot een koninklijke, een pauselijke, een
volksrechtbank,
enz. Kan een sultanische rechtbank een ander recht spreken dan dat wat
de
Sultan als recht heeft ingesteld? Kan het mij recht geven, als ik recht
zoek
dat niet met het recht van de sultan overeenstemt? Kan het mij bv. het
recht op
hoogverraad verlenen wanneer ik een recht zoek dat niet met dat van de
Sultan
overeenkomt? Kan het mij als censuurrechtbank de vrije meningsuiting
als recht
toestaan indien de Sultan van dat recht van
mijzelf niets wil weten? Wat zoek ik dus bij die rechtbank? Ik
zoek het
recht van de sultan, niet mijn recht;
ik zoek — vreemd recht. Zolang dat
vreemde recht met het mijne
overeenstemt zal ik natuurlijk ook dat laatste bij hem vinden.
De staat laat niet toe
dat men
elkaar als man tegen man te lijf gaat; hij verzet zich tegen het tweegevecht. Zelfs iedere vechtpartij
waar geen van de vechtenden de politie bij roept, wordt gestraft, dat
is
namelijk omdat een ik niet op een jij mag losmeppen, maar wel als familiehoofd op het kind; de
familie heeft het recht en in haar naam de vader,
maar ik als enige ben dat niet.
De “Vossische Zeitung”
stelt ons de “rechtstaat” voor. Daar
moet alles door de rechter en een rechtbank
worden besloten. De
opper-censuur-rechtbank geldt voor hem als een “rechtbank” waar “recht
wordt
gesproken”. Wat voor recht? Het recht van de censuur. Om de rechtspraak
van die
rechtbank als recht te beschouwen, moet men de censuur als
recht
beschouwen.
Men
meent evenwel dat deze rechtbank
een bescherming biedt. Ja, bescherming tegen de dwaasheid van een
afzonderlijke
censuur: zij beschermt alleen de censuurwetgever voor valse
interpretatie van
zijn wil, maar maakt door de “heilige macht van het recht” ten opzichte
van de
schrijver zijn wet alleen maar sterker.
Of ik recht heb of niet
beslist geen andere rechter dan
ikzelf. Anderen kunnen alleen erover oordelen of ze met mijn recht
instemmen en
of dat ook voor hen als recht bestaat.
Laten we intussen de zaak
nog op een andere manier bekijken.
Ik moet in het sultanaat het recht van de sultan respecteren, in de
republiek
het recht van het volk, in de katholieke gemeente het canonieke recht,
enz. Aan
dat recht moet ik mijzelf onderwerpen, moet het als heilig beschouwen.
Dat
soort “gevoel voor recht” en “rechtsbegrip” zit bij de mensen zo vast
in het
hoofd dat de revolutionairen in onze dagen ons aan een nieuw “heilig
recht”
willen onderwerpen, aan het “recht van de maatschappij”, van de
sociëteit, aan
het recht van de mensheid, het “recht
van allen” en dergelijke. Het recht “van allen” moet vóór
mijn recht gaan. Als een recht van allen
zou het in ieder geval ook mijn recht zijn omdat ik bij die allen hoor;
maar dat het tegelijkertijd een recht van de ander of zelfs van alle
anderen is
dat beweegt mijzelf niet tot de instandhouding ervan. Ik zal het niet
als een recht van allen verdedigen, maar als mijn recht en ieder ander kan dan kijken
hoe hij dat op dezelfde manier voor zichzelf doet.
Het recht van allen (bv.
om te eten)
is een recht van iedere enkeling, als iedereen voor zich dat recht zou
bewaren,
dan zou iedereen dat vanzelf uitoefenen; maar zou hij echter niet voor
iedereen
zorgdragen, dan zou hij zich niet druk maken voor het recht van
iedereen.
Maar de
maatschappijhervormers prediken ons een “maatschappijrecht”.
Daardoor
wordt
de
enkeling
de slaaf van de maatschappij en heeft alleen maar recht als de
maatschappij hem recht geeft d.w.z.
wanneer hij overeenkomstig de wetten van
de maatschappij leeft, dus loyaal is.
Of ik loyaal ben in een dwingelandij of in een Weitlingse
“maatschappij” het is
dezelfde rechteloosheid in zoverre ik in beide gevallen niet mijn, maar vreemd recht geniet.
Bij rechten vraagt men
altijd: “Wat
of wie geeft mij het recht daartoe?” Antwoord: God, de liefde, de rede,
de
natuur, de humaniteit, enz. Nee, alleen jouw
geweld, jouw macht geeft jou het recht (jouw verstand bv. kan het
je
geven).
Het communisme dat
aanneemt dat de
mensen “van nature gelijke rechten hebben”, weerlegt zijn eigen
stelling in die
zin dat de mensen van nature helemaal geen recht hebben. Want het wil
bv. niet
erkennen dat de ouders “van nature” rechten tegenover hun kinderen
hebben of
deze tegenover hen: het verheft de familie. De natuur geeft de ouders,
zusters,
broeders, enz. helemaal geen recht. Eigenlijk berust deze hele
revolutionaire
of Babeufse basisgedachte
op een religieuze d.w.z. valse beschouwing. Wie kan, als hij zich niet
op het
religieuze standpunt bevindt, naar het “recht” vragen? Is “het recht”
niet een
religieus begrip d.w.z. iets heiligs? “Rechtsgelijkheid” zoals die door
de
revolutie werd opgesteld, is eigenlijk alleen maar een andere vorm voor
de
“christelijke gelijkheid”, de “gelijkheid van de broeders, van de
kinderen
Gods, van de christenen, enz.”, kortom “fraternité”. Alle vragen
naar het recht
verdienen met Schillers woorden gegeseld te worden:
“Jarenlang bedien ik me
van mijn
neus om te ruiken;
heb ik daar dan werkelijk
een
aanwijsbaar recht toe?”
Toen de revolutie de
gelijkheid als een “recht” bestempelde,
vluchtte zij in het religieuze gebied,
in de regionen van het heilige, van het ideaal. Vandaar sindsdien het
gevecht
voor de “heilige onvervreemdbare mensenrechten”. Tegenover het “eeuwige
recht
van de mensen” geldt natuurlijk en met hetzelfde recht, het
“eerlijk verworven recht van het bestaande”: recht
tegen
recht, waarbij natuurlijk het één door het ander als
“onrecht” uitgemaakt
wordt. Dat is sinds de revolutie
rechtsstrijd.
Jij wil tegenover de
anderen “gelijk
hebben”. Dat kun je niet; tegenover hen blijf je eeuwig “in het
ongelijk”; want
ze zouden je tegenstanders niet zijn wanneer zij ook niet in “hun
recht” zouden
staan: ze zullen jullie steeds “ongelijk geven”. Maar jullie recht is
in
tegenstelling tot dat van de anderen een hoger, machtiger,
nietwaar?
Helemaal
niet!
Jullie recht is niet machtiger
als jullie niet machtiger zijn. Hebben Chinese onderdanen een recht op
vrijheid? Geef het hen dan en kijk dan hoe jullie je daarin vergist
hebben:
omdat ze de vrijheid niet weten te gebruiken, daarom hebben ze er geen
recht op
of duidelijker, omdat ze de vrijheid niet hebben, hebben ze er juist geen recht op. Kinderen hebben geen
recht op mondigheid omdat ze niet mondig zijn d.w.z. omdat het kinderen
zijn.
Volkeren die zich onmondig laten houden, hebben geen recht op
mondigheid; als
ze op zouden houden onmondig te zijn, dan pas zouden ze het recht
hebben mondig
te zijn. Dat wil niets anders zeggen dan: waartoe jij de macht
hebt daar heb jij het recht toe. Ik leid alle recht
en alle bevoegdheid uit mijzelf
af: ik ben tot alles bevoegd
waar ik de macht toe heb. Ik heb het recht Zeus, Jehova, God, enz. ten
val te
brengen als ik het kan; kan ik het
niet, dan zullen deze Goden tegenover mijzelf steeds in hun recht en
macht
blijven, maar ik zal in een machteloze “godsvrucht” bang voor hun recht
en hun
macht zijn, zal mijzelf aan hun geboden houden en in alles wat ik
volgens hun recht doe, geloven juist te
handelen, zoals bijvoorbeeld de Russische grenswachten denken het recht
te
hebben de vluchtende verdachten dood te schieten omdat ze “van
hogerhand”
d.w.z. “met recht” moorden. Ik echter heb door mijzelf het
recht te moorden als ik het mijzelf niet verbied,
als
ikzelf
voor de moord niet als voor een “onrecht” bang zou zijn. Deze gedachte
ligt aan
het gedicht van Chamisso, “het Moorddal” genaamd, ten grondslag, waar
de grijze
indiaanse moordenaar respect afdwingt bij de blanke waar hij de
medebroeders
van vermoord heeft. Ik heb alleen tegenover jou niet het recht wat ik
niet uit
vrije moed doe d.w.z. waar ik mijzelf niet het recht toe geef.
Ik beslis
erover of het in mijzelf het “juiste”
is; buiten mijzelf bestaat geen recht. Is het voor mijzelf recht, dan is het recht.
Het is mogelijk
dat het daarom voor de anderen
nog niet juist is; dat is hun zorg, niet die van mij: ze kunnen zich
verweren.
En zou er voor de hele wereld iets niet juist zijn, maar voor mijzelf
wel
d.w.z. ik zou het willen, dan
zou ik aan die hele wereld niets vragen. Zo doet iedereen die zichzelf weet te waarderen, iedereen in
die mate dat hij egoïst is, want macht gaat boven recht en wel met
het volle
recht.
Omdat ik “van nature” een
mens ben,
heb ik een gelijk recht op het gebruik van alle goederen, zegt Babeuf.
Zou hij
dan ook niet moeten zeggen: omdat ik “van nature” een eerstgeboren
prins ben,
heb ik recht op de troon? De mensenrechten en de “eerlijk verworven
rechten”
komen op hetzelfde neer, namelijk op de natuur
die mij een recht geeft, d.w.z. op de
geboorte (en verder de erfenis, enz.). “Ik ben als mens geboren”, is
hetzelfde
als: Ik ben als koningszoon geboren. De natuurlijke mens heeft alleen
maar een
natuurlijk recht omdat hij macht heeft en natuurlijke aanspraken: hij
heeft
geboorterecht en geboorteaanspraken. De natuur
kan mij echter niet het recht tot datgene geven d.w.z. in staat stellen
of
machtigen, waar alleen mijn daad mij het recht toe geeft. Dat het
koningskind
zich boven andere kinderen plaatst dat is al zijn daad die hem van
voorrang
verzekert en dat de andere kinderen deze daad goedkeuren en
respecteren, is hun
daad die hen waard maakt onderdanen te zijn.
Of de natuur mij een
recht geeft of
God, de volksverkiezing, enz., is allemaal hetzelfde vreemde
recht, een recht dat ik Mezelf niet geef of neem.
Zo zeggen de communisten:
gelijke
arbeid geeft de mensen het recht op gelijk genot. Vroeger wierp men de
vraag op
of niet de “deugdzame” op aarde “gelukkig” zou moeten zijn. De joden
trokken
echter de conclusie: “Opdat het u welga op aarde.” Nee, de gelijke
arbeid geeft
jou daar niet het recht toe, maar alleen het gelijke genot geeft je het
recht op
het gelijke genot. Geniet, dan heb je het recht op genot. Heb je echter
gewerkt
en laat jij je het genot
afnemen, dan “geschiedt er recht”.
Wanneer jullie het genot nemen,
dan is het jullie recht; snakken jullie er daarentegen alleen maar naar
zonder
het te grijpen, dan blijft het als voorheen een “eerlijk verworven
recht” van
degenen die voor het genot geprivilegieerd zijn. Het is hun
recht zoals het door het te grijpen jullie recht zou worden.
In een heftige beweging
schommelt
het gevecht om het “eigendomsrecht” heen en weer. De communisten
beweren: “De
aarde behoort rechtmatig toe aan degene die haar bebouwt en haar
producten aan
diegene die ze produceert.”
Ik denk dat ze aan hem behoort die in staat is haar te nemen of ze zich
niet
laat ontnemen, zich er niet van laat beroven. Eigent hij zich haar toe,
dan
behoort hem niet alleen de aarde, maar ook het recht
erop,
dat
is
het egoïstische
recht
d.w.z. voor mijzelf is dat op die manier recht en
daarom is het recht.
Anders zou het
recht een “wassen neus” hebben. De tijger die mij
aanvalt,
heeft daar het recht toe en ik,
die hem vel, heb daar eveneens het recht toe. Niet mijn recht
verdedig ik tegen hem, maar mijzelf.
Omdat het
menselijk recht altijd een gegeven recht is, loopt
het in
werkelijkheid altijd op het recht uit dat de mensen elkaar geven d.w.z.
“verlenen”. Staat men de pasgeboren kinderen het recht op bestaan toe,
dan
hebben ze het recht; staat men het hen
niet toe, zoals dat bij de Spartanen en de oude Romeinen het geval was,
dan
hebben ze het niet. Want geven of “toestaan” kan alleen de maatschappij
hen,
zijzelf kunnen het niet nemen of het zichzelf geven. Men zal ertegen in
brengen: de kinderen hebben toch “van nature” het recht
op
bestaan;
alleen
weigerden de Spartanen dat recht te erkennen.
Maar
dan hadden zij juist net
zomin recht op deze erkenning
als ze er het recht op hadden dat de wilde dieren, waar ze voor werden
geworpen, hun leven zouden erkennen.
Men praat zoveel over aangeboren rechten en klaagt: Van het
recht, dat met ons geboren is, is helaas geen sprake.
Wat voor een recht is dan
met mij geboren?
Het recht, majoraatsheer
te worden, een troon te erven, een prinselijke
of adellijke opvoeding
te genieten of anders omdat ik uit
arme ouders ben
geboren,
kosteloos onderwijs te ontvangen,
uit de armenkas gekleed te worden en uiteindelijk in de
kolenmijn of aan het weefgetouw
mijn brood en mijn haring te verdienen?
Zijn dat niet aangeboren rechten, rechten die
ik via mijn ouders door de geboorte heb gekregen?
Jullie denken van niet; jullie denken dat
dat alleen maar oneigenlijke,
zogenaamde rechten zijn en het zijn juist deze
rechten, die jullie door het
werkelijk aangeboren recht proberen af te schaffen. Om dat te motiveren gaan
jullie tot het
meest eenvoudige terug en beweren dat iedereen
door de geboorte gelijk is aan
de ander, namelijk een mens. Ik wil jullie toegeven dat
iedereen als mens
geboren
wordt en daarom de pasgeborenen daarin voor elkaar gelijk
zijn. Waarom ze dat zijn? Alleen omdat ze zich
nog als niets
anders voordoen dan gewoon als blote mensenkinderen,
naakte mensjes. Daardoor verschillen ze meteen van diegenen die al
iets uit zichzelf gemaakt hebben en niet meer blote “mensenkinderen” zijn,
maar kinderen van hun eigen schepping. De laatste bezitten meer dan
alleen maar
aangeboren rechten; ze hebben
rechten verworven. Wat een
tegenstelling, wat een strijdperk! Het oude
gevecht over de aangeboren mensenrechten en de eerlijk verworven
rechten. Beroep je maar op je aangeboren rechten; men zal niet nalaten daar de eerlijk verworven
rechten
tegenover
te
stellen.
Beiden staan op de “rechtsgrond”; want elk van beiden heeft een “recht”
tegenover de ander: de één heeft het aangeboren of natuurlijke, de ander het verworven of “eerlijk verworvene”.
Blijven jullie bij de rechtsgrond, dan blijven jullie bij de
gelijkhebberij.
De ander kan jullie je recht niet geven, hij kan
jullie
geen
“recht
laten ervaren”. Wie de macht
heeft die heeft gelijk; heb je het ene niet, dan heb
je
het andere ook niet.
Is deze wijsheid nu zo moeilijk? Kijk maar
naar de machtigen en hun daden! We hebben het
hier
natuurlijk alleen over China en Japan. Probeer het
eens, jullie Chinezen en Japanners, hen
onrecht te doen en jullie zullen
merken hoe ze jullie in de
kerker zullen gooien. (Verwar daar nu niet die “goedbedoelde adviezen”
mee, die
in China en Japan geoorloofd zijn, omdat
ze de machtigen niet hinderen, maar mogelijk steunen.)
Wie hen onrecht zou willen doen, zou daar maar één weg
voor openstaan, die van de macht. Berooft hij hen van hun macht,
dan heeft hij hen werkelijk
onrecht aangedaan, heeft ze van hun recht beroofd; in het andere geval
kan hij
niets anders dan een vuistje in zijn zak maken of als een brutale dwaas
ten
offer vallen.
Om het kort te houden,
Chinezen en
Japanners vraag niet naar het recht, vraag namelijk niet naar het recht
“dat
met jullie geboren is”, dan hoeven jullie ook niet naar het eerlijk
verdiende
recht te vragen.
Jullie schrikken voor de
anderen
terug omdat jullie geloven naast hen het spook
van het recht te zien dat,
zoals in de homerische gevechten, als
Godin aan hun zijde leek
mee te vechten. Wat doen
jullie? Werpen jullie de speer? Nee, jullie kruipen rond om het spook voor je te
winnen, zodat het
aan jullie zijde mee zou vechten; jullie dingen naar de
gunst van het spook. Iemand anders zou gewoon
vragen: “Wil ik, wat de tegenstander wil? Nee.”
Wel, dan mogen er duizend
duivels of goden voor hem
vechten, ik sla er toch op los!
De
“rechtsstaat” zoals onder andere de Vossische Zeitung die
behartigt, eist dat de ambtenaren alleen door de rechter uit hun ambt zouden kunnen worden gezet, niet
door de administratie. IJdele
illusie! Wanneer wettelijk bepaald zou worden dat
een
ambtenaar
die een keer dronken werd gezien, zijn ambt zou verliezen, dan zou de rechter hem op basis van de verklaring
van de getuige moeten veroordelen,
enz. Kortom, de wetgever zou
alleen maar zorgvuldig alle mogelijke
redenen aan hoeven geven die het
verlies
van
het ambt ten gevolge zouden hebben, hoe belachelijk ze ook zouden zijn (bv.
wie
zijn
meerdere
in het gezicht
uitlacht, wie zondags niet naar de kerk gaat, wie niet elke vier weken het avondmaal viert, wie
schulden maakt, wie met onfatsoenlijk gezelschap
omgaat, wie geen vastberadenheid toont, enz. zal ontslagen
worden.
Die
dingen
zou de wetgever zich bv. bij het samenstellen
van
een ereraad te binnen kunnen
laten schieten) dan zou de rechter alleen maar hoeven te onderzoeken of
de
beklaagde zich aan dat “vergrijp” “schuldig heeft gemaakt en
zou na het geleverde bewijs “van
rechtswege” het ontslag aanzeggen.
De rechter
is
verloren
als hij ophoudt mechanisch
te zijn, wanneer hij “op de
bewijsstukken vertrouwt”. Dan
heeft hij alleen nog maar een
mening zoals ieder ander en beslist hij naar die mening,
dan
is
dat
geen ambtshandeling meer; hij mag als
rechter alleen naar de wet beslissen. Dan stel ik meer
die oude Franse
parlementen op prijs die zelf
onderzochten wat juist moest zijn en pas na
eigen instemming wilden
registreren. Die spraken
ten minste naar hun eigen recht en
lieten zich niet tot machines van de wetgevers maken ofschoon ze als
rechters
natuurlijk hun eigen machines moesten
worden.
Men zegt
dat de straf het recht van de misdadiger is.
Maar de straffeloosheid is eveneens zijn recht.
Lukt zijn klus hem, dan is dat
terecht en lukt het hem
niet, dan is dat eveneens terecht.
Zoals je in bed ligt zo slaap je
ook. Begeeft iemand zich
roekeloos in gevaren en komt hij daarbij om, dan
zeggen we wel: dat
is terecht; hij heeft het niet
anders gewild. Overwon hij die
gevaren echter d.w.z. overwon zijn macht,
dan is dat ook terecht. Speelt een kind
met het mes en snijdt het zich, dan is dat
terecht; maar snijdt het zich
niet, dan is dat eveneens terecht. De misdadiger ondervindt daarom wel
recht
wanneer hij ondervindt wat hij riskeerde; waarom riskeerde hij het
dan ook terwijl hij de mogelijke
gevolgen kende? Maar de straf die wij hem opleggen, is alleen
maar ons
recht, niet het zijne. Ons recht
reageert op het zijne en hij
“behaalt onrecht”
omdat wij de overhand hebben.
Wat echter als recht, wat
in een
maatschappij als recht beschouwd wordt, komt ook in het woord wet tot uitdrukking.
Hoe de wet ook moge zijn,
ze moet
door de loyale burgers gerespecteerd worden. Zo wordt het wetsgetrouwe
gevoel van Old England geprezen. Dat komt
helemaal overeen met de uitspraak van
Euripides (Orestes, 41: “De Goden dienen wij, wat
die
Goden
ook mogen
zijn.”). Voor alles wet, voor alles
God, zover zijn we inmiddels.
Men doet zijn best, wet van een willekeurig bevel, van een
order te onderscheiden, de eerste gaat van een
gerechtigde autoriteit uit. Maar een wet over menselijk
handelen
(ethische wet, staatswet, enz.) is
altijd een wilsverklaring, bijgevolg een bevel. Ja, al zou ik ook
mijzelf de wet stellen, dan zou dat toch
mijn
bevel zijn waar ik het volgende
ogenblik geen gehoor aan zou kunnen geven. Iemand zou dan wel
kunnen
verklaren wat hij zich zou willen laten welgevallen, dus door middel
van een
wet het tegenovergestelde bepalen waarvan hij niet gediend is, waarbij hij in een ongunstig geval de overtreder als zijn vijand zou behandelen;
maar over mijn handelen heeft niemand
iets te zeggen, niemand heeft mij mijn
handelen voor te schrijven en mij daar wetten over te stellen.
Ik moet
het toelaten dat hij mij als zijn
vijand behandelt; maar nooit, dat hij met mij als zijn schepsel omspringt en dat hij zijn verstand of ook wel onverstand tot mijn richtsnoer
maakt.
De staten bestaan maar
net zolang als er een heersende wil bestaat en deze
heersende
wil als overeenkomstig met de eigen wil wordt beschouwd. De wil van de
meester is
wet. Wat helpen jouw wetten
je
als
niemand
ze naleeft, wat jouw bevelen als
niemand zich laat
bevelen? De staat kan zich niet van de aanspraak ontslaan de wil van de enkeling te bepalen, daarop
te speculeren en te rekenen. Voor hem is het onvermijdelijk
noodzakelijk dat niemand een eigen
wil heeft:
als iemand die wel heeft, moet
de staat hem uitsluiten (opsluiten, verbannen, enz.); zou iedereen dat hebben, dan zouden ze
de
staat
afschaffen.
De staat is
niet denkbaar zonder heerschappij en knechtschap (onderdanigheid);
want
de
staat
moet over allen heer en meester
willen zijn en deze wil
noemt men dan de “staatswil”.
Wie om te
bestaan op de willoosheid van anderen moet
rekenen,
is een maaksel van deze anderen, zoals ook
de meester een maaksel van de dienaren
is. Zou die onderworpenheid ophouden, dan zou het met de heerschappij
gedaan
zijn.
Mijn eigen
wil is de verderver van de staat; daarom wordt hij
door deze
laatste als “eigenzinnig” gebrandmerkt. De eigen wil en de staat zijn
doodsvijandige machten waartussen een “eeuwige vrede” niet mogelijk is.
Zolang
de staat zich handhaaft, beschouwt hij
de eigen wil van de hem steeds vijandig
bejegende tegenstander als onredelijk,
slecht, enz.: en die laat zich dat aanpraten, ja hij is het ook echt
omdat hij
het zich ook nog laat aanpraten: hij is nog niet tot zichzelf en tot
het
bewustzijn van zijn waarde gekomen, dus nog onvolmaakt; hij is nog om
te
praten, enz.
Elke staat
is een dwingelandij; het komt op
hetzelfde neer of er nu één of vele dwingelanden zijn
zoals men zich het wel
bij een republiek kan voorstellen dat allen meester zijn d.w.z.
dat
de
één
voor de ander als dwingeland optreedt. Dat is
namelijk
het geval wanneer de telkens voorgeschreven wet, de uitgesproken
wilsuitdrukking van bijvoorbeeld een volksvergadering voor de enkeling
voortaan wet moet zijn waar hij gehoorzaamheid
aan verschuldigd is of waar hij de
plicht
van de gehoorzaamheid aan heeft. Zou men
zich
zelfs
het geval kunnen
voorstellen dat elke enkeling van het volk dezelfde wil zou
hebben uitgesproken
en daardoor een volmaakte, een “algemene wil” tot stand zou gekomen
zijn; dan
zou de zaak nog hetzelfde
blijven. Zou ik dan niet aan mijn wil van gisteren ook vandaag en in de
toekomst gebonden zijn? Mijn wil zou in dat geval verstard
zijn. Die ellendige stabiliteit!
Mijn schepsel, namelijk een bepaalde wilsuitdrukking,
zou dan mijn gebieder geworden
zijn. En ik, de schepper, zou in mijn willen,
in mijn gang en mijn oplossing
worden geremd. Omdat
ik gisteren een nar was, zou ik het
mijn hele leven lang moeten blijven. Zo kom ik er in het
staatsleven het
best van af en ik zou dus evengoed kunnen zeggen: in het ergste geval
als een
knecht van mijzelf. Omdat ik gisteren een willende
was,
ben ik vandaag
een willoze, gisteren vrijwillig, vandaag onvrijwillig.
Hoe dat te
veranderen?
Alleen
doordat ik geen plicht
erken d.w.z.
mijzelf niet bind of laat binden.
Heb
ik geen plicht, dan ken ik ook geen wet.
“Maar men zal mij
binden!” Niemand
kan mijn wil binden en mijn weerzin blijft vrij.
“Alles zou
toch onderste boven
gaan als iedereen
zou
kunnen doen wat hij zou willen!” Wie beweert
dan
dat
iedereen
alles kan doen? Waarvoor ben
je er dan, jij die je niet alles hoeft te laten
welgevallen? Kom
op voor jezelf, dan zal niemand je
iets
maken! Wie jouw wil wil breken, heeft met jou te maken en is jouw vijand.
Doe met hem hetzelfde. Staan er nog een paar miljoen ter bescherming
achter je,
dan vorm je een imposante macht
en zal je een gemakkelijke overwinning behalen. Maar wanneer jij de tegenstander ook als een
macht imponeert, een geheiligde autoriteit ben
je daarom nog niet, dan moet het wel een stumper zijn. Respect en
achting is
hij jou niet verschuldigd al zal hij zich voor jouw macht wel behoeden.
Wij plegen
de staten naar de verschillende manier waarop “de hoogste macht”
verdeeld is te
classificeren. Bezit één persoon die, dan is het een
monarchie; hebben allen
die, dan is het een democratie, enz. Dus de hoogste macht! Macht over
wie? Over
de enkeling en zijn “eigen wil”. De staat oefent “macht” uit, de
enkeling mag
dat niet. Het gedrag van de staat bestaat uit gewelddadigheid en zijn macht
noemt
hij
“recht”,
die van de enkeling “misdaad”. Dus de macht van
de enkelingen heet misdaad en alleen door misdaad breekt hij de macht
van de
staat, wanneer hij van mening is dat de staat niet boven hem, maar hij
boven de
staat staat.
Nu zou ik,
als ik jullie belachelijk zou willen behandelen, jullie als een
goedbedoelende
kunnen aansporen geen wetten uit te vaardigen die mijn
zelfontwikkeling, mijn
zelfhandelen, mijn zelfscheppen, belemmeren. Ik geef jullie
die raad niet. Want zouden
jullie die opvolgen, dan zouden jullie dom
zijn en ik zou jullie met mijn hele winst voor de gek hebben
gehouden. Ik verlang helemaal niets van jullie
want wat ik ook zou eisen,
jullie zouden toch de gebiedende wetgever zijn en het
moeten zijn omdat een raaf niet kan zingen, een rover zonder
roof niet kan leven. Ik vraag liever hen die egoïsten willen zijn wat ze als egoïstischer beschouwen,
zich
door
jullie
wetten laten geven en
die gegeven wetten respecteren of opstandigheid, ja zelfs een volmaakte
ongehoorzaamheid uitoefenen. Goedhartige
mensen denken dat de wetten alleen datgene zouden moeten voorschrijven
wat voor
het gevoel van het volk als juist en redelijk geldt. Wat gaat het mij
aan wat bij het volk en voor het volk
geldt? Het volk zal wellicht tegen de godslasteraar
zijn:
dus
een
wet tegen de godslastering.
Zou ik daarom niet lasteren? Zou deze wet voor mij meer moeten zijn dan
een
“bevel”? Dat vraag ik me af!
Alleen uit de
basisstelling dat alle recht en alle macht
aan het geheel van het volk behoort, ontstaan
alle
regeringsvormen.
Want
geen van
deze mist het zich beroepen op het
totale en de despoot net zo goed als de president, als welke aristocratie, enz. dan ook, handelen
en bevelen “in naam van de staat”.
Ze zijn in het bezit van de
“staatsmacht” en het maakt helemaal niets uit of
alleen de vertegenwoordigers van deze totaliteit, het volk als totaal
van alle enkelingen of alleen maar de vertegenwoordigers van dat totaal
dus
velen, zoals in aristocratieën of de ene, zoals in
monarchieën, deze staatsmacht uitoefenen. Het
totaal staat
altijd boven de enkelingen en heeft een macht die bevoegd wordt genoemd
d.w.z.
die rechtmatig is.
Tegenover
de heiligheid van de staat is de enkeling alleen maar een vat van oneer
waar
“overmoed, boosaardigheid,
spot- en smaadzucht, frivoliteit, enz.”
in overblijven zodra hij dat
heiligdom, de staat niet
goedkeurenswaardig acht. De geestelijke hoogmoed
van de staatsdienaren en staatsonderdanen heeft
voortreffelijke straffen tegen de ongeestelijke “overmoed”.
Wanneer de regering het
hele spel van de geest tegen de staat als strafbaar
aanmerkt, dan
komen de gematigde liberalen en
denken: gril, satire, geestigheid, humor, zouden toch moeten kunnen
sprankelen
en het genie moet vrijheid genieten.
Dus moet niet de afzonderlijke mens, maar wel het genie
vrij zijn. Helemaal terecht zegt de
staat
dan of in naam van de regering: wie niet vóór mij is, is tegen
mij. De gril, geestigheid, enz., kortom
het opvoeren van het staatswezen als een komedie heeft
de
staat
van
oudsher ondergraven: het is niet “onschuldig”. En
verder, welke grenzen zouden er tussen schuldige en onschuldig grappen,
enz.
getrokken
moeten
worden? De gematigden komen in grote verlegenheid
bij deze vraag en
alles komt ten slotte neer op het
verzoek dat de staat (regering) toch niet zo overgevoelig,
zo
prikkelbaar
zou moeten zijn; hij zou in “onschuldige” dingen niet meteen
kwaadwilligheid
moeten bespeuren en eigenlijk een beetje “verdraagzamer” moeten zijn.
Overdreven gevoeligheid is in ieder geval een zwakheid, het vermijden
ervan kan
een prijzenswaardige deugd zijn; alleen in oorlogstijd kan men niet
toegeeflijk
zijn en wat onder rustige omstandigheden is toegestaan, houdt op
geoorloofd te
zijn zodra de staat van beleg is afgekondigd. Omdat de goedbedoelende
liberalen
dat wel voelen, haasten zij zich te verklaren dat er bij
“onderdanigheid van
het volk” geen gevaar te vrezen is. De regering zal echter slimmer zijn
en zich
niet laten ompraten. Ze weet maar al te goed
hoe men iemand met schone woorden afscheept en zal met
deze
schijnvoorstelling niet
tevreden zijn.
Maar men wil zijn eigen speelplaats hebben
want men is nog
kind
en kan niet zoals
een
oudere in
elkaar zitten: jeugd heeft geen deugd.
Alleen om die speelplaats,
alleen om een paar uur vrolijk te mogen
rondspringen, pingelt men. Men wil alleen dat de staat als een knorrige papa niet al te
mopperig zal zijn. Hij zou een
paar ezelsprocessies en narrenspelen moeten toestaan zoals in de
middeleeuwen
de kerk dat toeliet. De tijden waarin hij dat zonder gevaar kon
toestaan zijn
voorbij. Kinderen, die tegenwoordig eenmaal vrij
komen en een uur zonder tuchtroede
doorbrengen, willen niet meer terug naar de gevangenis.
Want
het
vrije
is nu niet meer een voltooiing van de gevangenis, niet meer een verfrissende ontspanning, maar is het
tegenovergestelde, een of-of. Kortom, de staat
mag
zich
niets
meer of moet
zich alles laten welgevallen en ten
gronde
gaan:
hij
moet of volledig
kwetsbaar of als een gestorvene,
onkwetsbaar zijn. Met de verdraagzaamheid is het voorbij;
geeft
hij eerst de vinger, dan
neemt
men meteen de hele hand. Het is
niet meer om “grappen
over
te
maken”
en
alle plezier, zoals luim,
geestigheid,
humor, enz. wordt bittere ernst.
Dat geschreeuw
van
de
“vrijzinnigen” om persvrijheid is in
strijd met hun eigen principe, hun eigenlijke wil.
Ze willen wat ze niet willen
d.w.z. ze wensen, ze zouden
het graag willen. Daarom laten ze
het
ook zo gemakkelijk afweten
wanneer eenmaal
de zogenaamde persvrijheid opduikt; dan hebben ze toch maar liever censuur. Heel vanzelfsprekend. De
staat is ook voor hen heilig,
net als de zeden, enz. Ze
gedragen zich tegenover hem alleen maar als ondeugende blagen, als
pientere kinderen die van de
zwakheden
van hun ouders gebruik maken. Hun papa staat moet hen toestaan heel wat
te
zeggen wat hem niet aanstaat, maar papa heeft het recht met een strenge
blik
een censuurstreep door hun wijsneuzig
geleuter te trekken. Beschouwen
ze hem als hun papa, dan moeten zij zich in zijn tegenwoordigheid,
zoals elk
kind, de censuur van het
verstand laten welgevallen.
Laat jij je door een
ander gelijk
geven, dan moet jij je door hem niet minder ongelijk laten geven; krijg
je van
hem rechtvaardiging en beloning, verwacht dan ook zijn aanklacht
en
straf.
Met
het recht gaat het onrecht, met
de wetsgetrouwheid de
misdaad, hand in hand. Wat ben jij? Jij
bent een misdadiger!
“De
misdadiger is de meest eigene misdaad van de staat!”,
zegt Bettina.
Men kan deze uitspraak laten gelden al vat ook Bettina het zelf niet
zo letterlijk op. In de staat is
namelijk het teugelloze ik, ik zoals ik mij alleen zelf toebehoor, niet in staat tot mijn verwezenlijking
en
verwerkelijking
te komen. Ieder ik is
van zijn geboorte af al een misdadiger voor het
volk, de staat. Daarom bewaakt hij ook
echt iedereen, hij
ziet in iedereen een egoïst en voor de egoïsten is hij bang. Hij
vooronderstelt van iedereen het ergste en let erop, zoals de politie erop let, dat “de staat geen
nadeel berokkend wordt”, “ne quid res publica
detrimenti
capiat”. Dat teugelloze ik, en dat zijn we
oorspronkelijk en in ons geheime binnenste blijven
we
het steeds, is in de staat de nooit aflatende misdadiger. De mens, die door
zijn stoutmoedigheid, zijn wil, zijn meedogenloosheid en
onbevreesdheid, geleid
wordt, wordt door de staat, door
het volk, omringd met spionnen. Ik zeg door het volk! Het volk, jullie
goedhartige lieden die denken wonderen
van hem te verwachten, het volk volledig doordrenkt van de
liefde voor
de politie. Alleen wie zijn ik
verloochent, die “zelfverloochening”
uitoefent, is prettig voor het volk.
Bettina is
in genoemd boek zonder uitzondering goedhartig
genoeg
om
de
staat alleen maar als
ziek te beschouwen en op zijn
genezing te hopen, een genezing die door de “demagogen”
tot stand gebracht moet worden;
maar hij is niet alleen ziek, maar in al zijn kracht wanneer hij
de
demagogen,
die
voor
de enkelingen, voor “allen” iets willen
verwerven, van zich afwijst. Hij is met zijn gelovigen, van de beste
demagogen, volksleiders voorzien.
Volgens Bettina moet
“de staat de vrijheidskiem van
de mensheid ontwikkelen anders
is hij een ravenmoeder, die ook voor
ravenvoer zorgt!” Hij kan echter niet anders want
juist omdat hij voor de “mensheid” zorgt (wat
overigens al de “humane” of “vrije staat”
zou moeten zijn) is de “enkeling” ravenvoer voor hem. Hoe juist spreekt
daarentegen de burgemeester:
“Wat?
Zou
de
staat geen andere verplichting hebben dan alleen maar
verpleger te
zijn van reddeloze zieken? Dat klopt niet. Van oudsher heeft
de gezonde staat zich
van schadelijke stoffen ontdaan
en zich daar niet mee vermengd. Zo economisch hoeft hij niet met zijn sappen om te gaan. De rooftakken
moeten
onversaagd
afgesneden
worden
waardoor de andere kunnen
bloeien. Men moet bezwaar maken tegen
de hardheid van de staat, zijn moraal, zijn
politiek en religie; men moet hem
niet van gevoelloosheid beschuldigen,
zijn medegevoel verzet zich daartegen, maar
zijn ervaring ziet alleen heil in deze strengheid! Er bestaan ziekten waar alleen
krachtige middelen tegen helpen. De dokter
die een
ziekte als
zodanig herkent, maar aarzelend naar
het palliatieve grijpt, zal nooit
de ziekte genezen, maar wel de patiënt
na een kort of lang ziekbed
omzeep helpen! De vraag van
vrouwe raad: “Als u de dood als
een drastisch middel gebruikt, hoe valt
er dan wat te genezen?” klopt niet. De staat
gebruikt de dood immers niet tegen zichzelf, maar tegen een ergerlijk lid; hij rukt een
oog uit dat hem ergert, enz.
“Voor de
zieke staat
is, het de
mens in zich laten gedijen, de enige weg tot redding.“
Verstaat men hier, zoals Bettina, onder de mens het begrip “mens” dan
is dat juist: de “zieke” staat wordt door
het gedijen “van de mens” genezen want
hoe gekker de enkelingen zijn op
dat “menszijn”, hoe beter de
staat zich daarbij voelt. Betrekt men dat echter op
de
enkeling,
op
“allen” (en de schrijfster doet
dat half en half ook, omdat ze over “de mens”
in het duister blijft steken) dan klinkt
het ongeveer als volgt: Voor een zieke
roversbende is de loyale burgers in zich te laten gedijen de enige
redding!
Daardoor juist zou de roversbende als roversbende ten gronde gaan en
omdat ze dat merkt, schiet ze liever iedereen
dood
die de neiging heeft een “fatsoenlijk
kerel” te worden.
Bettina is
in dat boek een patriotte of liever gezegd een filantrope, een
gelukkigmaakster. Ze is op precies dezelfde manier ontevreden met het
bestaande als
het
titelspook van haar boek het is ten opzichte
van allen die het goede, oude
geloof en wat daarmee samenhangt weer in zouden willen voeren. Alleen
denkt ze
omgekeerd dat de politici,
staatsdienaren en diplomaten de staat bederven terwijl die het de
kwaadwillenden, de “volksverleiders” zelf in de schoenen schuiven.
Wat is de gewone
misdadiger anders
dan iemand die de noodlottige
vergissing gemaakt heeft naar datgene te streven
dat
van
het
volk is, in plaats van naar het zijne
te zoeken. Hij
heeft het verachtelijke, vreemde
goede gezocht, heeft gedaan wat de gelovigen doen: die naar datgene streven wat
van God is. Wat doet de priester die een zondaar vermaant? Hij houdt hem
het grote onrecht voor, het door de
staat
geheiligde, diens
eigendom (waar ook het leven van
de staatsonderdanen toe gerekend moet
worden) door zijn daad ontwijd te
hebben; in plaats daarvan zou hij hem beter kunnen verwijten
dat hij zichzelf heeft bezoedeld omdat hij
het
vreemde
niet
veracht heeft,
maar waarde aan de roof heeft toegekend: dat had hij
gekund
als hij
geen priester was geweest. Praat met
de zogenaamde misdadiger zoals met
een egoïst en hij zal zich
schamen, niet omdat hij zich aan
jullie wetten heeft vergrepen, maar omdat hij waarde aan jullie
wetten
over de sociale omgang heeft gehecht, aan de door jullie gewenste dingen; hij zal zich schamen omdat hij
jullie en wat van jullie is niet heeft
veracht, dat hij te weinig
egoïst is geweest. Maar jullie zouden met hem niet egoïstisch kunnen praten want jullie zijn niet
zo
groot als een misdadiger, jullie misdoen
niets! Jullie weten niet dat een eigen
ik het niet kan laten een overtreder te zijn,
dat het overtreden zijn leven is. En toch moeten jullie het weten omdat jullie geloven dat “we nu
eenmaal zondaars zijn”, maar dat jullie die zonden weg kunnen liegen;
jullie
begrijpen niet — want jullie
zijn bang voor de duivel —
dat de schuld de waarde van een mens
uitmaakt. O, waren jullie maar schuldig! Maar jullie zijn
“rechtvaardigen”.
Jullie maken het voor jullie Heer alleen maar aardig rechtvaardig!
Wanneer
het christelijke bewustzijn of de christenmens een strafwetboek opstelt
wat kan
het begrip misdaad dan anders voorstellen dan juist
de harteloosheid. Elke scheiding en
krenking van de hartelijke verhouding,
elk harteloos gedrag tegenover een
heilig wezen, is een misdrijf. Hoe hartelijker
de verhouding is des te schreeuwender is de bespotting ervan, des
te strafbaarder het misdrijf. De
meester moet door iedereen die hem onderdanig is, bemind worden; deze
liefde
verloochenen is een hoogverraad dat de dood waard is. De echtbreuk is
een
strafbare harteloosheid, men heeft geen hart, geen geestdrift, geen
pathos voor
de heiligheid van het huwelijk.
Zolang het hart of gevoel wetten dicteert, geniet alleen de hartelijke
of
gevoelige mens de bescherming van de wet. Dat
de gevoelsmens de wetten uitvaardigt, zegt alleen maar dat de zedelijke mens ze uitvaardigt: wat
strijdig is met het “zedelijk gevoel”
van deze mensen, verbieden ze. Hoe zou bv. ontrouw, afvalligheid, het
breken
van de eed, kortom, al het radicale
slopen, al het verscheuren van oude eerbiedwaardige
banden in de ogen van deze
mensen niet heilloos en misdadig kunnen
zijn? Wie met deze
eisen van het
gevoel breekt, heeft alle zedelijke, alle
gevoelsmensen tot vijand. Alleen degenen
die wat recht is krom maken en consorten zijn de
juiste mensen om een strafcodex van het hart consequent op te
stellen, zoals een bepaald wetsontwerp voldoende bewijst. De consequente wetgeving van de
christelijke staat moet helemaal in handen van de priesters
worden gelegd en zal niet zuiver en logisch zijn zolang
die
alleen
maar
door priesterdienaren, die
altijd
maar
halve priesters
zijn, uitgewerkt wordt. Dan pas zal elke gevoelloosheid, elke harteloosheid,
als een onvergefelijk misdrijf worden uitgemaakt, dan pas is iedere
opwinding van het gevoel verwerpelijk, zal op iedere tegenspraak
van
de
kritiek en van de twijfel de banvloek staan; dan pas is de eigenlijke mens voor het christelijke
bewustzijn
van
huis
uit
een overtuigde misdadiger.
De mannen van de revolutie spraken dikwijls over de
“rechtvaardige wraak” als een
“recht” van het volk. Wraak en recht vallen hier samen. Is dat een
verhouding van een ik tot ik? Het volk
schreeuwt dat de tegenpartij tegenover hem een
“misdaad” heeft begaan. Kan ik accepteren dat
iemand
tegenover mij een misdaad begaat, zonder te
accepteren dat hij zou moeten
handelen zoals ik het goed vind?
En deze handelwijze noem ik het juiste, goede, enz.; wat daarvan afwijkt
een
misdaad. Daarom denk ik
dat
de
anderen
met mij op hetzelfde
doel moeten afgaan d.w.z. dat ik hen niet als enigen moet behandelen,
die hun wet in zichzelf dragen en daarnaar leven, maar als wezens die
enigszins
aan een bepaalde “redelijke” wet zullen gehoorzamen. Ik verklaar wat
“de mens”
is en wat “waarachtig menselijk” handelen
is en eis van iedereen dat deze wet norm en ideaal voor hem moet
zijn en als hij zich daar niet aan houdt een “zondaar
en
misdadiger”
blijkt
te zijn. De “schuldigen” echter worden
door de “straf van de wet” getroffen!
Men ziet hier hoe het weer “de
mens” is, die
ook het begrip van de misdaad, de zonde
en daardoor dat van het recht, teweegbrengt. Een mens waar ik niet “de
mens” in
erken, is “een zondaar, een schuldige”.
Alleen tegenover iets heiligs
bestaan er
misdadigers: tegenover mij kun
jij nooit een misdadiger zijn, maar alleen een tegenstander. Maar
iemand die iets heiligs kwetst niet haten,
is
al een misdrijf; zoals St. Just
tegen Danton uitroept: “Ben jij
niet een misdadiger en verantwoordelijk omdat
jij
de
vijanden
van het vaderland niet hebt
gehaat?“
Omdat, zoals tijdens de
revolutie,
datgene wat “de mens” is, als “goede burger” wordt opgevat,
ontstonden
uit
dat
begrip “de mens”, de bekende
“politieke overtredingen en
misdaden”.
Bij alles wordt de
enkeling, de
afzonderlijke mens als uitschot beschouwd en de algemene mens
daarentegen, “de
mens”, geëerd. Naar gelang dat nu
spook wordt genoemd zoals
christen, jood,
mohammedaan, goede burger, loyale onderdaan,
vrije, patriot, enz., vallen zowel zij
die een afwijkend begrip van de mens
zouden willen doorvoeren, als zij
die zichzelf willen
doordrijven, voor de zegevierende “mens”.
En met wat
voor een zalving wordt hier in naam van de wet, het
soevereine volk, God, enz. afgeslacht.
Wanneer
dan de vervolgden zich listig voor de strenge priesterrechters verbergen en behoeden, dan scheldt men ze voor “huichelaars”
uit, zoals St.
Just bv. diegenen die hij in zijn rede tegen Danton aanklaagt.
Men moet een dwaas zijn en zich aan hun moloch
overleveren.
Uit de idée fixe ontstaat de misdaad. De heiligheid van
het
huwelijk is een idée fixe. Uit de
heiligheid
volgt dat ontrouw een misdrijf is en een bepaalde huwelijkswet
daar een kortere of langere straf op
legt. Maar deze straf moet door hen die
de “vrijheid als heilig”
uitroepen als een misdrijf tegen
de vrijheid worden beschouwd en
alleen in deze zin heeft ook de publieke opinie de huwelijkswet
gebrandmerkt.
De maatschappij wil wel
hebben dat iedereen tot zijn recht komt, maar toch
alleen ten opzichte van het door de maatschappij gesanctioneerde, het
maatschappelijk recht niet echt
ten opzichte van zijn recht. Ik geef
of neem mijzelf echter het recht
uit eigen machtsvolmaaktheid en tegenover
elke overmacht ben ik de meest onboetvaardige overtreder. Als eigenaar
en
schepper van mijn recht erken ik geen andere rechtsbron dan mijzelf,
noch God,
noch staat, noch de natuur, noch ook de mens zelf met zijn “eeuwige
mensenrechten”, noch Goddelijk, noch menselijk recht.
Recht “aan en voor
zichzelf”. Dus
niet met betrekking tot mijzelf? “Absoluut recht”. Dus van mijzelf
gescheiden!
Een aan een voor zich bestaand! Een absolute! Een eeuwig recht zoals
een
eeuwige waarheid!
Het recht moet, volgens
de
voorstelling van de liberalen, voor mijzelf bindend zijn omdat het door
de menselijke rede zo bepaald is en waar
tegenover mijn rede de “onrede” is.
Vroeger ijverde men in naam van de Goddelijke rede tegen het zwakke
menselijke,
nu in naam van het sterke menselijke tegen het egoïstische dat als
“onredelijk”
wordt verworpen. En toch is er geen ander werkelijk dan juist die
“onrede”.
Noch de Goddelijke, noch de menselijke rede, maar alleen jouw en mijn
telkens
weer optredende rede, is werkelijk zoals en omdat jij en ik het zijn.
De gedachte van het recht
is oorspronkelijk mijn gedachte of
het heeft zijn oorsprong in mijzelf. Maar is het aan mijzelf
ontsprongen, is
het ”woord” eruit, dan is het “vlees geworden”, een idée fixe.
Ik kom niet meer
los van die gedachte; hoe ik me ook draai of keer zij staat voor me. Zo
zijn de
mensen de gedachte “recht”, die ze zelf schiepen, niet meer meester
geworden:
het schepsel ging met hen op de loop. Dat is het absolute
recht, het door mijzelf vrijgesprokene of
losgelatene. Wij kunnen het, omdat
wij het als absoluut vereren, niet opnieuw opgebruiken en het
ontneemt ons de scheppingskracht; het schepsel is meer dan de schepper
zelf, is
“aan en voor zich”.
Laat het recht niet meer
vrij
rondlopen, trek het in zijn
oorsprong,
in
jezelf
terug,
dan is het jouw recht en recht is wat
voor jou juist is.
Het recht heeft een
aanval binnen in
zichzelf d.w.z. vanuit het
standpunt van het recht, moeten doorstaan doordat, van de kant van het
liberalisme, aan het “voorrecht”
de oorlog werd verklaard.
Bevoorrecht en
gelijkberecht — om
deze beide begrippen draait een hardnekkig gevecht. Uitgesloten of
toegelaten
komt op hetzelfde neer. Waar zou er echter een macht bestaan, zij het
een
imaginaire zoals God, wet, of een werkelijke, zoals ik, jij, waar niet
allen
“gelijkberechtigd” zouden zijn d.w.z. geen aanzien des persoons voor
zou
gelden? Voor God is iedereen even lief als hij hem aanbidt, voor de wet
even
aangenaam als hij maar wetsgetrouw is; of de liefhebber van God of van
de wet
gebocheld of lam of arm of rijk is en dergelijke, dat maakt voor God en
de wet niets uit; net zoals, wanneer je
aan het verdrinken bent, het je net zo lief is als je redder een neger
is of
een voortreffelijke Kaukasiër, ja, een hond is in dat geval voor
jou niet
minder dan mensen. Maar voor wie zou ook omgekeerd niet iedereen een
bevoorrechte of achtergestelde zijn? God straft de kwaden met zijn
gramschap,
de wet tuchtigt de onwettigen, jij bent ieder ogenblik over de
één te spreken
en wijst de ander de deur.
De “rechtsgelijkheid” is
nu eenmaal
een fantoom omdat recht niet meer
of minder is dan toestaan, d.w.z. een genadezaak die men zich overigens
ook
door verdienste kan verwerven; want verdienste en genade spreken elkaar
niet
tegen omdat ook de genade “verdiend” wil zijn en ons genadig lachje
alleen aan
degene toevalt die het ons weet af te dwingen.
Zo droomt men ervan dat
“alle
staatsburgers gelijkberechtigd naast elkaar zullen staan”. Als
staatsburgers
zijn ze voor de staat zeker allemaal gelijk; alleen al overeenkomstig
zijn
bijzondere doeleinden zal hij ze echter verdelen en voortrekken of
achterstellen, maar meer nog moet hij ze van
elkaar, als goede en slechte staatsburgers
onderscheiden.
Bruno Bauer behandelt het
Jodenvraagstuk
vanuit het standpunt dat het “voorrecht”
onrechtvaardig
is.
Omdat
jood
en christen ieder op de
ander iets vóórhebben en in
dat
vóórhebben
exclusief zijn, vallen
ze voor het oog van de criticus in het niet. Ook de staat treft
hij met
hetzelfde verwijt, omdat ze het vóórhebben rechtvaardigt
en tot een “voorrecht” of
privilege bestempelt, waardoor
echter de roeping een “vrije staat” te
worden, verkommert.
Maar iets heeft iedereen op
alle anderen
vóór, namelijk zichzelf of zijn
enigheid: daar blijft iedereen uitsluitend of exclusief in.
En opnieuw laat iedereen
tegenover
een derde zijn eigendomheid zo goed als mogelijk gelden en probeert dat
voor
hem, als hij hem voor zich wil winnen, aantrekkelijk te laten lijken.
Zal die derde nu, ten
opzichte van
het onderscheid tussen de één en de ander, ongevoelig
zijn? Verlangt men dat
van de vrije staat of van de mensheid? Dan zouden deze absoluut zonder
eigenbelang moeten zijn en niet in staat om ergens interesse voor te
hebben. Voor zo onverschillig hield men noch
God, die de zijnen van de bozen scheidde, noch de staat, die de goede
burgers
van de slechte weet te onderscheiden.
Maar men zoekt juist deze
derde die
geen “voorrecht” meer geeft. Dat heet dan de vrije staat of de mensheid
of
zoiets.
Omdat de christen en de
jood door
Bruno Bauer laag ingeschat worden, omdat ze hun voorrechten handhaven,
zouden
ze zich door zelfverloochening of belangeloosheid van hun beperkt standpunt moeten kunnen bevrijden.
Zouden zij zich van hun “egoïsme” ontdoen, dan zou het wederzijdse
onrecht, en
daarmee eigenlijk de christelijke en joodse religiositeit, ophouden te
bestaan:
geen van beiden zou meer iets aparts hoeven te zijn.
Maar al zouden zij deze
exclusiviteit opgeven, dan nog zou daarmee de grond waarop hun
vijandschap
gevoerd wordt, niet verlaten zijn. Ze zouden hoogstens een derde vinden
waarin
ze zich zouden kunnen verenigen, een “algemene religie”, een “religie
van de
menselijkheid” en dergelijke, kortom een compromis dat niet beter zou
hoeven te
zijn dan wanneer alle joden
christenen zouden worden, waardoor eveneens aan het “voorrecht” van de
één op
de ander een einde zou komen. Dan zou weliswaar de spanning
geëlimineerd zijn, maar in dat voortbestaan niet het wezen
van beiden, maar alleen hun bestaan als buren bestaan. Als
verschillenden
moeten ze noodzakelijkerwijs gespannen zijn en de ongelijkheid zal
altijd
blijven bestaan. Het is echt niet jouw fout dat jij tegenover mij
gespannen
bent en jouw exclusiviteit of eigendomheid handhaaft. Jij hoeft niet
toe te
geven of jezelf te verloochenen.
Men vat de betekenis van
de
tegenstelling te formeel en te
zwakjes op als men die gewoon wil “oplossen” om voor “een derde
verenigende”
plaats te maken. De tegenstelling hoort eerder verscherpt
te worden. Als jood en christen bevinden jullie je in
een te geringe tegenstelling en vechten jullie alleen maar voor de
religie, als
het ware om des keizers baard, om een kleinigheidje. Wel vijanden in de
religie, blijven jullie voor de rest
toch goede vrienden en bv. als mens aan elkaar gelijk. Niettemin is ook
de rest
bij ieder van beiden verschillend en jullie zullen jullie tegenstelling
pas dan
niet langer louter verbergen als
jullie die volledig erkennen en iedereen zich van top tot teen als enig beschouwt. Dan zal de vroegere
tegenstelling echt opgeheven zijn, maar alleen omdat een sterkere haar
in zich
heeft opgenomen.
Onze zwakheid bestaat
niet in het
feit dat wij tegengesteld ten opzichte van anderen zijn, maar in het
feit dat
wij het niet volledig zijn d.w.z. dat we niet helemaal van hen gescheiden zijn of dat we een
“gemeenschap”, een “band”, zoeken, dat we in die gemeenschap een ideaal
zien.
Een geloof, een God, een idee, een beschutting voor allen! Worden allen
onder
één hoed gebracht, dan zou vanzelfsprekend niemand meer
voor een ander zijn
hoed hoeven af te nemen.
De laatste en stelligste
tegenstelling tussen de enige en de enige ligt in wezen voorbij datgene
wat
tegenstelling heet, zonder echter in de “eenheid” en enigheid
teruggedrongen te
zijn. Jij hebt als enkeling niets gemeenschappelijks meer met de ander
en
daarom ook niets scheidends of vijandelijks; je zoekt tegenover hem
geen recht
voor een derde en staat met hem noch op de “rechtsgrond”, noch op welke
andere
gemeenschappelijke grond dan ook. De tegenstelling verdwijnt in de
volmaakte - afzondering of enigheid. Dat zou
weliswaar als het nieuwe gemeenschappelijke of een nieuwe gelijkheid
beschouwd
kunnen worden, maar de gelijkheid bestaat hier juist in de ongelijkheid
en is
zelf niets anders dan ongelijkheid: een gelijke ongelijkheid
uitsluitend voor
degene die een “vergelijking” maakt.
De polemiek tegen het
voorrecht
vormt een karaktertrek van het liberalisme dat op het “voorrecht”
inbeukt
doordat het zich op het “recht”
beroept. Verder dan tot beuken, kan het het daarbij niet brengen; want
de voorrechten
vallen niet eerder dan het recht valt omdat ze alleen maar soorten
recht zijn.
Het recht vergaat echter in het niets als het door de vorm wordt
verslonden
d.w.z. wanneer men begrijpt wat het volgende betekent: macht gaat voor
recht.
Alle recht laat zich dan als voorrecht verklaren en het voorrecht zelf
als
macht, als overmacht.
Maar moet het geweldige
gevecht
tegen de overmacht niet een heel ander gezicht tonen dan het bescheiden
gevecht
tegen het voorrecht dat voor een eerste rechter, voor het “recht”, naar
de
geest van de rechter uit te vechten is?
Ten slotte moet ik nu nog
de halve
uitdrukkingswijze terugnemen, waar ik alleen maar gebruik van wilde
maken
zolang ik nog in de ingewanden van het recht rondwoelde en het woord
nog liet
bestaan. Inderdaad verliest ook het woord echter, tegelijk met het
begrip, zijn
betekenis. Wat ik “mijn recht” noemde, is helemaal geen “recht” meer
omdat
recht alleen door een geest kan gegeven worden of het nu de geest van
de natuur
of die van de soort, van de mensheid, de geest Gods of die van zijn
heiligheid
of van zijn doorluchtigheid, enz. is. Wat ik zonder een rechtgevende
geest heb,
dat heb ik onterecht, heb het alleen en alleen door mijn macht.
Ik eis geen recht, daarom
hoef ik
ook geen recht te erkennen. Wat ik in staat ben voor mijzelf af te
dwingen
daartoe dwing ik voor mijzelf af en wat ik niet afdwing, daar heb ik
geen recht
op, noch poch ik of troost ik Mezelf met mijn onverjaarbare rechten.
Met het absolute
recht
verdwijnt
het
recht zelf en wordt tegelijkertijd
de heerschappij van het “rechtsbegrip” verdelgd. Want men mag niet
vergeten dat
sedert lang begrippen, ideeën of principes ons beheersen en dat
onder deze
heersers het rechtsbegrip of het begrip gerechtigheid één
van de belangrijkste
rollen speelde.
Gerechtigd of
niet-gerechtigd — daar
komt het voor mijzelf niet op aan; ben ik alleen maar machtig,
dan ben ik al vanzelf gemachtigd
en hoef geen andere machtiging of berechtiging.
Recht is een schroef
afkomstig van
een spook; macht dat ben ikzelf, ik ben de machtige en eigenaar van de
macht.
Het recht staat boven mij, is absoluut en bestaat uit iets hogers waar
de
genade mij van toevloeit: recht is een genadegift van de rechter; macht
en
geweld bestaat alleen maar in mijzelf, de machtige en geweldige.
2. Mijn Omgang
In de maatschappij, de
sociëteit kan hoogstens de menselijke
eis worden bevredigd terwijl het egoïstische steeds tekort moet
komen.
Omdat het nauwelijks
iemand kan
ontgaan dat de tegenwoordige tijd voor geen enkele vraag een zo
levendige interesse
toont als voor de “sociale”, moet men het oog in het bijzonder op de
maatschappij richten. Ja, zou de daarop gerichte interesse minder
hartstochtelijk en verblind zijn, dan zou men in de maatschappij de
enkelingen
niet zo erg uit het oog verliezen en zou men erkennen dat een
maatschappij niet
nieuw kan worden, zolang degenen die haar uitmaken en constitueren de
ouden
blijven. Wanneer bv. in het joodse volk een maatschappij zou ontstaan
die een
nieuw geloof over de aarde zou verspreiden, zouden deze apostelen in
ieder
geval geen farizeeërs mogen blijven.
Zoals jij bent, zo geef
jij je, zo
gedraag jij je tegenover de mensen: een huichelaar als huichelaar, een
christen
als christen. Daarom wordt het karakter van de maatschappij bepaald
door het
karakter van haar medeleden: zij zijn er de scheppers van. Dat zou men
op zijn
minst moeten inzien als men ook zelf het begrip “maatschappij” zou
willen
onderzoeken.
Steeds verre van zichzelf tot volle ontwikkeling te laten
komen en zich te laten gelden, hebben de mensen tot nu toe gedaan, ook
hun
maatschappijen niet op zichzelf
gegrondvest, of liever; ze hebben alleen maar “maatschappijen” tot
stand kunnen
brengen en in maatschappijen kunnen leven. De maatschappijen waren
altijd
personen, machtige personen, zogenaamde “morele personen” d.w.z. spoken
waar de
enkeling de daarbij passende schroeven en spokenvrees voor had. Als
zo’n spoken
kunnen ze beter met de naam “volk” en respectievelijk “volkje”
aangeduid
worden: het volk van de aartsvaders, het volk van de Hellenen, enz.,
uiteindelijk het mensenvolk, de mensheid (Anacharsis Cloots dweept met
de
“natie” van de mensheid) dan iedere onderafdeling van dat “volk” dat
zijn
bijzondere maatschappijen kon en moest hebben, het Spaanse, het Franse
volk,
enz., waarin weer de standen, de steden, kortom allerlei verenigingen
met tot
slot, aan de uiterste spits, het kleine volkje van de familie. In
plaats van te
zeggen dat de spokende persoon van alle maatschappijen die tot nu toe
bestaan
hebben het volk geweest is, zouden daarbij ook de beide extremen
genoemd kunnen
worden namelijk ofwel de “mensheid” of de “familie”; beiden de “meest
natuurlijk groeiende eenheden”. Wij verkiezen het woord “volk” omdat
men zijn afstamming in verband gebracht
heeft met het Griekse polloi, de “velen” of de “menigte”, maar meer nog
omdat
het “nationale streven” vandaag aan de orde van de dag is en omdat ook
de
nieuwste opstandelingen deze bedrieglijke persoon nog niet hebben
afgeschud,
hoewel anderzijds de laatste overweging aan de uitdrukking “mensheid”
de
voorkeur zou moet geven omdat men van alle kanten dol is om met de
“mensheid”
te dwepen.
Dus, het volk, de
mensheid of de familie — hebben sindsdien naar
het schijnt geschiedenis gemaakt:
geen egoïstische belangen mochten in
deze maatschappijen opduiken, maar alleen algemene, nationale of
volksbelangen,
standsbelangen, familiebelangen, “algemeen menselijke belangen”. Wie
heeft
echter de volkeren, over wiens ondergang de geschiedenis ons verhaalt,
ten val
gebracht? Wie anders dan de egoïst die zijn bevrediging
zocht?
Sloop
het
egoïstisch belang eenmaal
binnen, dan was de
maatschappij “verdorven” en ging haar oplossing tegemoet zoals bv. het
Romeinendom, met zijn ontwikkelde privaatrecht of het christendom, met
zijn
onophoudelijke en binnendringende “redelijke zelfbeschikking”, het
“zelfbewustzijn”, de “autonomie van de geest“,
enz.
Het christenvolk heeft
twee
maatschappijen tot stand gebracht, waarvan de duur gelijke tred zal
houden met
het bestaan van dat volk, het zijn de twee maatschappijen: staat
en kerk. Kunnen
deze een vereniging van egoïsten genoemd worden? Streven wij
daarin naar een
egoïstisch, persoonlijk, eigene of streven wij een volks- (volks
d.w.z. een
belang van het christen-volk)
namelijk een staats- en kerkbelang, na? Kan en mag ik daarin Mezelf
zijn? Mag
ik denken en handelen zoals ik wil, mag ik mijzelf uitspreken,
uitleven, bezig
zijn? Moet ik niet de majesteit van de staat, de heiligheid van de kerk
onaangeroerd laten?
Goed, ik mag niet zoals
ik wil. Maar
kan ik in één of andere maatschappij zo’n onmetelijke
vrijheid van het mogen,
vinden? Vast niet! Zouden we daarom toch tevreden kunnen zijn? In geen
geval.
Het is iets anders of ik op een ik afstuit of op een volk, iets
algemeens. Daar
ben ik de gelijkwaardige tegenstander van mijn tegenstander, hier een
verachtelijke, gebondene, betuttelde; daar sta ik als man tegen man,
hier ben
ik een schooljongen die tegen zijn kameraad
niets kan uitrichten omdat die vader en moeder te hulp geroepen heeft
en zich
onder moeders schort verscholen heeft, terwijl ik voor ongemanierde
jongen
uitgescholden wordt en er niet “tegenin mag gaan”; daar vecht ik tegen
een
lijfelijke vijand, hier tegen de mensheid, tegen iets algemeens, tegen
een
“majesteit”, tegen een spook. Voor mijzelf echter is er geen majesteit,
niets
heiligs beperkt mij dat ik weet te bemachtigen. Alleen wat ik niet kan
bemachtigen, dat beperkt nog mijn macht en ik ben tegelijkertijd door
de
ingeperkte macht, een beperkt ik, niet beperkt door de macht buiten mij, maar beperkt door de nog
ontbrekende eigen macht, door de eigen onmacht.
Alleen “de garde sterft, maar geeft zich niet over!” Voor alles alleen
maar een
lijfelijke tegenstander.
Met iedere tegenstander waag ik het,
die ik
kan zien en in de ogen kan kijken,
die, zelf vol moed, ook
in mijzelf
de moed doet ontvlammen, enz.
Vele privileges zijn weliswaar met de tijd vernietigd, maar alleen maar
omwille
van het algemeen welzijn, omwille van het welzijn van de staat, in
ieder geval
niet ter versterking van het mijne. De feodaliteit bv. werd alleen maar
opgeheven om daarmee een afzonderlijke leenheer, de heer van het volk,
de
monarchale macht te versterken: de feodaliteit onder die ene werd
daardoor nog
straffer. Alleen ten gunste van de monarch, hij heette “vorst” of
“wet”, zijn
de privileges gevallen. In Frankrijk zijn de burgers weliswaar geen
erfonderdanen van de koning, maar daardoor wel erfonderdanen van de
“wet” (de
charta). De ondergeschiktheid werd
gehandhaafd, alleen erkende de christelijke staat dat de mens geen twee heren
kan dienen (de landheer en de vorst, enz.); daarom kreeg
één alle voorrechten:
hij kan nu opnieuw de één boven de ander plaatsen,
kan
“hooggeplaatst”
maken.
Maar wat kan mij het
algemeen
welzijn schelen? Het algemeen welzijn op zich is niet mijn
welzijn, maar alleen maar het toppunt van de zelfverloochening.
Het
algemeen
welzijn
kan
luid jubelen terwijl ik “me koest moet houden”, de staat schitteren
terwijl
ik gebrek lijd. Waar anders bestaat de dwaasheid van de politieke
liberalen
uit, dan uit het feit dat ze het
volk tegenover de regering stellen en van het volksrecht spreken? Het
volk moet
dus mondig zijn, enz. Alsof mondig zou kunnen zijn, wie geen mond
heeft. Alleen
de enkeling is in staat mondig te zijn. Zo wordt de hele vraag van de
persvrijheid
op zijn kop gezet wanneer het als een “volksrecht” wordt opgeëist.
Ze is alleen maar een recht of
beter,
de macht van de enkeling. Heeft een
volk persvrijheid, dan heb ik, hoewel
te midden van dat volk, haar niet: een volksvrijheid is niet mijn vrijheid en de persvrijheid als
volksvrijheid moet een tegen mij
gerichte perswet met zich meebrengen.
Dit moet überhaupt
tegen het huidige streven naar vrijheid
ingebracht worden:
Volksvrijheid is niet mijn
vrijheid!
Laten we de categorie:
volksvrijheid en volksrecht gelden,
bv. het volksrecht dat iedereen wapens mag dragen. Verspeelt men zo’n
recht dan
niet? Zijn eigen recht kan men niet verspelen, maar wel een recht dat
niet mij,
maar het volk toebehoort. Ik kan omwille van de volksvrijheid
opgesloten worden,
ik kan als gestrafte het recht om wapens te dragen verliezen.
Het liberalisme
verschijnt als de
laatste poging tot het scheppen van de volksvrijheid, een vrijheid van
de
gemeente, de “maatschappij”, van het algemene, de mensheid, de droom
van een
mondige mensheid, van een mondig volk, een mondige gemeente, een
mondige
“maatschappij”.
Een volk kan niets
anders, dan op
kosten van de enkeling vrij zijn; want niet de enkeling is bij deze
vrijheid de
hoofdzaak, maar het volk. Hoe vrijer het volk, des te gebondener de
enkeling:
het Atheense volk schiep juist ten tijde van zijn grootste vrijheid het
ostracisme, verbande de atheïsten, vergiftigde de meest redelijke
denker.
Hoe roemt men Sokrates
niet om zijn
gewetensvolheid, die hem de raad om de kerker te ontvluchten, laat
weerstaan.
Hij is een dwaas (en draait zich bij deze om in zijn graf) omdat hij de
Atheners het recht geeft hem te
veroordelen. Daarom geschiedt hem echter inderdaad recht; waarom blijft
hij ook
met de Atheners op dezelfde bodem staan! Waarom brak hij niet met hen?
Had hij
geweten en kunnen weten wat hij was, dan zou hij zo’n rechters geen
aanspraak,
geen recht hebben toegestaan. Dat hij
niet vluchtte, was juist zijn zwakheid, zijn waan dat hij met de
Atheners
nog iets gemeen had of de mening dat hij een lid, louter een lid van
dit volk
was. Hij was echter veeleer dat volk zelf in persoon en kon alleen zijn
eigen
rechter zijn. Er bestond geen rechter
boven hem; indien hij zelf werkelijk een open rechtsspraak over
zichzelf
toegestaan en zichzelf het Prytaneum waardig geacht had. Daar had hij
bij
moeten blijven en als hij geen doodvonnis over zichzelf had
uitgesproken, dan
had hij ook dat van de Atheners moeten verachten en ontvluchten. Maar
hij
maakte zich ondergeschikt aan, en erkende in het volk
zijn rechter, achtte
zich klein voor de majesteit van het volk. Dat hij zich aan de macht,
waar hij
alleen maar onder kon bezwijken, als aan een “recht”
onderwierp,
was
een
verraad aan zichzelf; het was
deugd. Christus
die zich, naar men zegt, onthield van
de macht over zijn hemelse legioenen,
wordt daarom door de vertellers dezelfde scrupules toegeschreven. Luther deed het zeer goed en slim,
door de veiligheid van zijn
reis naar Worms schriftelijk te
laten vastleggen en Sokrates had moeten weten
dat
de Atheners zijn vijanden waren en alleen
hijzelf
zijn rechter. Het zelfbedrog
van een “rechtstoestand, wet”, enz. had moeten wijken voor het inzicht dat de verhouding een
machtsverhouding was.
Met haarklieverij en intriges
eindigde de Griekse vrijheid. Waarom?
Omdat de gewone Grieken nog veel minder de
consequenties konden trekken dan hun
gedachteheld Sokrates dat kon. Wat is haarklieverij anders, dan een manier om van iets
bestaands gebruik te maken zonder het
af te schaffen? Ik zou
hier “ten eigen bate” kunnen aan
toevoegen, maar dat ligt in
het
woord
“gebruik”
zelf
al opgesloten. Zo’n haarklievers zijn
de theologen, die Gods woord “draaien en keren”. Wat zouden ze te
verdraaien
hebben als het “bestaande” Gods woord niet zou zijn? Net zo de liberalen,
die
alleen
maar rommelen en draaien aan het
“bestaande”. Ze zijn allemaal overtreders net als die
rechtsverdraaiers.
Sokrates erkende het recht, de wet;
de Grieken handhaafden
voortdurend deze autoriteit van de wet en het recht. Wilden zij bij
deze
erkenning niettemin hun voordeel, wilde iedereen het zijne handhaven,
dan
moesten zij dat juist in de rechtsverdraaiing en intrige zoeken.
Alcibiades,
een geniale intrigant, leidt de periode van het
“verval” van Athene in; de Spartaan Lysander en anderen tonen dat de
intrige
algemeen Grieks was geworden. Het Griekse recht
waarop de Griekse staten steunden, moest door de
egoïsten
binnen de staten verdraaid en ondergraven worden en
daardoor gingen deze staten ten
gronde, waardoor de enkelingen vrij
werden en het Griekse volk viel
omdat de enkelingen, uit dat volk minder haalden dan uit zichzelf. Eigenlijk zijn alle staten,
grondwetten, kerken, enz. door het uittreden
van de enkelingen ten gronde gegaan; want de enkeling is de
onverzoenlijke vijand van iedere algemeenheid,
van
iedere
band d.w.z. van iedere keten.
Desalniettemin
verkeert men tot op
de huidige dag
in de waan dat de mens “heilige banden” nodig heeft, hij, de
doodsvijand van
iedere “band”. De wereldgeschiedenis laat zien dat nog geen enkele band
onverscheurd bleef, laat zien dat de mens zich onvermoeibaar tegen
banden van
alle slag weert en toch zint men
verblind telkens weer op nieuwe banden en denkt bv. dat de zaak in orde
is
wanneer men hem de band van een zogenaamd vrije grondwet, een mooie,
constitutionele band aanlegt: de ordelinten,
de vertrouwensbanden tussen ”- - -“ schijnen langzamerhand
ietwat murw te zijn geworden, maar
verder
dan
van
leibanden tot hals- en kousenbanden,
heeft men het niet gebracht.
Al het heilige
is
een
band,
een keten.
Al het heilige
zal
en moet door rechtverdraaiers
verdraaid worden; daarom heeft onze
tegenwoordige tijd
in alle kringen zo’n verdraaiers in
overvloed. Ze bereiden de rechtsbreuk, de rechteloosheid voor.
Arme Atheners
die men voor haarklieverij en sofistiek,
arme
Alcibiades,
die
men voor zijn intriges aanklaagt. Dat was toch juist het
beste
aan jullie, jullie eerste schrede naar de vrijheid.
Aeschylus, Herodotus,
enz. wilden alleen maar een vrij Grieks volk;
jullie pas, vermoedden iets van jullie
vrijheid.
Een volk onderdrukt diegenen die boven zijn majesteit uitsteken,
door het ostracisme tegen overmachtige burgers,
door de inquisitie tegen de ketters van de kerk, door de inquisitie
tegen de
hoogverraders in de staat, enz.
Want voor
het volk komt het alleen maar op zijn zelfbehoud aan; het eist
“patriottische
opoffering” van iedereen. Daarom is het volk onverschillig tegenover
iedereen op zich, is iedereen een niets en het
kan
er
niet
voor zorgen, niet eens toestaan,
wat de afzonderlijke en alleen hij moet doen, namelijk zichzelf
te
gelde
maken. Onrechtvaardig
is ieder volk, iedere staat tegenover de egoïsten.
Zolang er
maar één instelling bestaat die
de enkeling niet mag
oplossen, is mijn eigenheid en het
zelftoebehoren nog zeer ver van
mij. Hoe kan ik bv. vrij zijn
wanneer ik mijzelf door middel
van een eed aan een
constitutie, een charta of een wet moet verbinden, “zweren” moet, voor
mijn volk “lichaam en
ziel” moet afzweren? Hoe kan ik Mezelf zijn als
mijn bekwaamheden zich maar
in zoverre mogen ontwikkelen als ze de “harmonie
van de maatschappij
niet storen” (Weitling).
De ondergang van de
volkeren en de
mensheid zal
mij tot verheffing uitnodigen.
Luister, juist nu ik dat neerschrijf, beginnen de klokken te
luiden om voor de dag van morgen de
viering van het duizendjarig bestaan van ons geliefde Duitsland in te luiden.
Luid,
luid zijn grafzang! Jullie
klinken feestelijk genoeg, ja alsof jullie tong bewogen wordt door het
vermoeden dat ze een dode uitgeleide doen. Het Duitse volk en Duitse
volkeren hebben
een geschiedenis van duizend jaar achter zich:
wat een lang leven! Leg je maar te ruste,
om
nooit meer op te staan, opdat allen vrij worden
die
jullie
zolang
in boeien hielden. Dood
is
het volk. — Wel, ik
leef!
O mijn
veelgekweld Duits volk — wat was
jouw kwaal? Het was de
kwelling van een gedachte die zich geen
lichaam kan
verschaffen, de kwaal van een spokende geest die voor
ieder
hanengekraai in het niets verzinkt en toch naar verlossing en
vervulling snakt. Ook in mij heb jij lang
geleefd, jij geliefde gedachte: jij geliefd
spook. Bijna dacht ik al het woord
van jouw bevrijding gevonden,
voor de dolende geest vlees en been ontdekt te hebben:
maar
daar hoor ik ze
luiden, de klokken die jou naar de eeuwige rustplaats
brengen,
daar vervliegt de laatste
hoop,
daar
gonst
de laatste liefde weg en verlaat ik
het verlaten huis van de afgestorvene en
keer terug tot de levende:
Want alleen de levende
heeft
gelijk.
Vaarwel, jij droom van
zovele
miljoenen, vaarwel jij duizendjarige tiran van je kinderen! Morgen draagt men
jou
ten
grave;
weldra zullen jouw
zusters, de volkeren, je volgen.
Zijn ze allemaal gevolgd, dan
is de mensheid begraven en ik ben
Mezelf, ik ben de lachende erfgenaam!
Het woord “gezelschap
(d.w.z.
maatschappij)” vindt zijn oorsprong in het woord “zaal”. Bevat een zaal
veel
mensen, dan bepaalt de zaal dat deze mensen in
gezelschap
zijn. Ze bevinden zich in gezelschap
en vormen hoogstens een salongezelschap omdat ze de gebruikelijke
salonconversatie voeren. Wanneer het tot een werkelijk contact
komt, dan is dat als onafhankelijk van het gezelschap te
beschouwen, dat op kan treden of
afwezig kan zijn zonder de natuur van datgene wat gezelschap heet, te
veranderen. Een gezelschap zijn de zich in de zaal bevindenden, ook
als
het
stomme personen zijn of wanneer ze
elkaar alleen maar met holle hoffelijkheidfrasen afschepen. Contact is wederkerigheid, is de handeling,
het doen van de enkeling; gezelschap is alleen maar
gemeenschappelijkheid van
zaal en in het gezelschap bevinden zich al de standbeelden van een
museumzaal,
ze zijn “gegroepeerd”. Men pleegt wel te zeggen: “Men bezit deze zaal
gemeenschappelijk”, maar het is veel eerder zo dat de zaal ons binnen
of in
zich heeft. Voor zover de natuurlijke betekenis van het woord gezelschap. Hieruit blijkt dat de maatschappij
niet door mij en jou wordt voortgebracht, maar door een derde dat van
ons
beiden maatschappijers maakt en dat juist dat derde, het scheppende,
het de
maatschappij scheppende is.
Net zo is het met een gevangenisgezelschap
of
een
gevangenisgenootschap
(die van dezelfde gevangenis
genieten). Hier raken we al in
een veel inhoudsrijkere derde,
dan dat alleen die plaatselijke,
de zaal was. Gevangenis betekent niet meer alleen een ruimte, maar een
ruimte
met een uitdrukkelijke betrekking tot zijn bewoners: het is alleen maar
gevangenis doordat zij voor gevangenen bestemd is, terwijl het zonder
dat maar
een doodgewoon gebouw zou zijn. Wie geeft dan de in haar verzamelden
een
gemeenschappelijk karakter? Klaarblijkelijk de gevangenis omdat zij
alleen maar
door middel van de gevangenis gevangenen zijn. Wie bepaalt dus de levenswijze van de
gevangenismaatschappij? De gevangenis!
Wie bepaalt hun omgang? Ook de gevangenis? Maar ze kunnen alleen
als
gevangenen met elkaar omgaan d.w.z. alleen
maar zover de gevangeniswetten het hen toestaan;
maar dat zijzelf, ik met
jou,
omgaan, dat kan de gevangenis niet tot stand
brengen, integendeel moet die er op bedacht
zijn zo’n egoïstische, zuiver persoonlijke
omgang (en alleen als zodanig bestaat er een werkelijke omgang tussen
mij en
jou) te voorkomen. Dat we gemeenschappelijk
een werk verrichten,
een machine aanzetten, wat dan
ook aanpakken, daar zorgt de gevangenis wel voor: maar dat ik vergeet dat ik een gevangene ben
en met jou, die dat eveneens
vergeet, contact maak, dat brengt de
gevangenis in gevaar en kan door haar niet alleen niet tot stand
gebracht, het
mag niet eens toegestaan worden. Op grond hiervan besluit het heilige
en
zedelijk georiënteerde Franse parlement de “eenzame opsluiting” in
te voeren en
andere heiligen zullen hetzelfde doen om de “demoraliserende omgang” te
voorkomen. Het gevangenschap is het bestaande en het heilige, dat niet
gekwetst
mag worden. De geringste soort aanvechting is strafbaar, zoals
elk verzet tegen iets heiligs waardoor de mens bevangen
en gevangen moet zijn.
Net als de zaal vormt de
gevangenis
wel een gezelschap, een genootschap. Een gemeenschap (bv. een
arbeidsgemeenschap), maar geen omgang,
geen wederkerigheid, geen vereniging.
Integendeel, iedere
vereniging in de gevangenis draagt het gevaarlijke zaad van een “complot” in zich dat onder gunstige
omstandigheden zou kunnen opschieten
en vruchten zou kunnen dragen.
Maar de gevangenis
betreedt men gewoonlijk niet vrijwillig en
blijft er ook zelden vrijwillig in, maar
men koestert integendeel het egoïstische verlangen naar vrijheid. Daardoor wordt
hier duidelijk dat de
persoonlijke omgang zich ten opzichte van de
gevangenismaatschappij vijandig verhoudt en juist op de
oplossing van deze maatschappij, de gemeenschappelijke hechtenis, uit
is.
Laten we daarom nu eens
kijken naar
zo’n gemeenschap waarin wij naar het schijnt graag en vrijwillig
verblijven,
zonder die door onze egoïstische neigingen in gevaar te brengen.
Als een gemeenschap
van
die
vereiste
soort dient zich in de eerste plaats
de familie aan. Ouders, echtelieden, kinderen, broers en zussen stellen
een geheel voor of vormen een familie die
men ook nog zou kunnen vergroten door de erbij betrokken verwanten. De
familie
is alleen een werkelijke gemeenschap als de leden ervan zich aan de
familiewetten, de piëteit of liefde voor de familie, houden. Een
zoon bv.
waarvan de ouders, zusters en broeders zich niets meer aantrekken, is
zoon geweest; want doordat het zoonschap
toont dat het niet meer werkzaam is, betekent dat niet meer dan de
allang
verloren samenhang van moeder en kind door de navelstreng. Dat men ooit
in deze
lijfelijke verbinding heeft geleefd, laat zich als iets dat gebeurd is
niet
ongedaan maken en voor zover blijft men onherroepelijk de zoon van deze
moeder
en broeder, van haar overige kinderen; maar tot een blijvend samenhang
zou het
alleen maar door de blijvende piëteit, deze familiegeest, kunnen
komen. De
enkelingen zijn alleen dan in de volle zin van het woord
leden
van
een
familie, wanneer ze het bestaan van de
familie tot hun taak
maken; alleen maar als conservatief
houden ze zich er verre van aan haar basis, de familie te
twijfelen. Een ding moet voor elk familielid zeker
en
heilig
zijn namelijk de familie zelf of duidelijker: de piëteit. Dat de
familie moet bestaan dat blijft voor het
lid ervan, zolang het zichzelf
vrijwaart
van
het
familievijandige
egoïsme, een onaantastbare waarheid. In
één woord: de familie
is heilig en dan mag geen enkele die tot haar behoort ermee breken;
doet hij
dat wel, dan wordt hij voor de familie een “misdadiger”; hij mag nooit een familievijandig belang volgen bv.
geen onwelgevallig huwelijk sluiten. Wie dat doet heeft “de familie
onteerd”,
haar “ten schande gemaakt”, enz.
Is, in een enkeling, de
egoïstische
drijfveer niet krachtig genoeg, dan schikt hij zich en
sluit een huwelijk dat met de aanspraken van de familie
overeenstemt,
neemt
een
positie in
die met het standpunt van zijn familie harmonieert en dergelijke,
kortom hij “strekt de familie tot eer”.
Bruist
daarentegen in
zijn aderen het egoïstische bloed vurig
genoeg, dan geeft hij er de voorkeur aan voor de familie een “misdadiger” te worden en zich aan
haar wetten te onttrekken.
Welk van beiden ligt mij
nauwer aan
het hart, het familiewelzijn of mijn welzijn? In ontelbare gevallen
zullen
beide vreedzaam samengaan en zal het voordeel dat de familie te beurt
valt,
tegelijkertijd het mijne zijn en omgekeerd. Hier valt moeilijk te
onderscheiden
of ik zelfzuchtig of aan het algemeen
belang denk en ik vlei mij
wellicht welgevallig met mijn onbaatzuchtigheid. Maar er komt een dag
waarop
een of/of me doet huiveren, waar ik op het punt sta mijn stamboom te
onteren,
ouders, zusters, broeders en verwanten voor het hoofd te
stoten. Hoe dan? Nu zal
blijken hoe ik in de grond van mijn hart denk; nu zal het duidelijk
worden of
de piëteit voor mijzelf ooit meer waard is geweest dan het
egoïsme; nu zal de zelfzuchtige zich niet
langer
achter de schijn van onbaatzuchtigheid kunnen verbergen. Een wens rijst
in mijn
ziel op en van uur tot uur groeiend, wordt het een hartstocht. Wie
denkt er nu
ook onmiddellijk aan dat alleen al de geringste gedachte, die tegen de
familiegeest, de piëteit, kan uitvaren, een misdrijf tegenover de
familiegeest
in zich draagt, ja, wie is zich daar vanaf het eerste ogenblik, meteen
volkomen
van bewust! Met Julia in “Romeo en Julia” gaat het net zo. De bandeloze
hartstocht laat zich uiteindelijk niet meer in toom houden en
ondergraaft het
gebouw van de piëteit. Jij zal
weliswaar zeggen dat de familie uit zichzelf, uit eigenzinnigheid
die
onwillige,
die
de
hartstocht meer gehoor schenkt dan de piëteit,
uit haar
schoot werpt; de goede protestanten hebben datzelfde smoesje met veel
succes
tegen de katholieken gebruikt en
er zelf in geloofd. Maar het is juist
een uitvlucht om de schuld van zich af te wentelen, niets anders. De
katholieken hielden aan het gemeenschappelijke kerkverband vast en
stoten die
ketters alleen van zich af omdat die aan het kerkverband niet zoveel
waarde
hechtten om daar hun overtuiging voor op te offeren; zij hielden dus
aan dat
verband vast omdat het verband, de katholieke d.w.z. de
gemeenschappelijke en
enige kerk, hen heilig was; de anderen daarentegen schoven de band naar
de
achtergrond. Zo ook de piëteitslozen. Zij worden niet uitgestoten,
maar stoten
zichzelf uit omdat ze hun hartstocht, hun eigenwil hoger achten dan de
familieband.
Nu smeult er soms echter
een wens in een minder
hartstochtelijk en eigenzinnig hart als dat van Julia. Het
inschikkelijke
meisje offert zichzelf dan op aan de
familievrede. Men zou kunnen zeggen dat ook hier het eigenbelang
zwaarder
weegt, want het besluit ontstaat
uit het gevoel dat de toegeeflijke zichzelf meer door familie-eenheid
dan door
het vervullen van haar wens, bevredigt. Dat mag dan wel zo zijn, maar
wat als
er een bepaald teken overblijft waaruit blijkt dat het egoïsme aan
de piëteit
opgeofferd is? Wat als de wens, die tegen de familie gericht was, ook
nadat hij
geofferd was, tenminste in de herinnering een “offer” aan een heilige
band zou
blijven? Wat als de toegeeflijke zich ervan bewust zou zijn dat hij
zijn eigen
wil onbevredigd heeft gelaten en zich deemoedig aan een hogere macht
onderworpen heeft? Onderworpen en geofferd omdat het bijgeloof van de
piëteit
zijn heerschappij over hem heeft
uitgeoefend!
Daar heeft het
egoïsme gezegevierd,
hier zegeviert de piëteit en het egoïstische hart bloedt;
daar was het egoïsme
sterk, hier was het zwak. De zwakken echter, dat weten we al lang, dat
zijn de
belangelozen. Voor hen, deze zwakke leden van haar, zorgt de familie
omdat ze
de familie toebehoren, de aan de
familie toebehorenden zijn, niet zichzelf toebehoren en niet voor
zichzelf
zorgen. Deze zwakheid looft bv. Hegel als hij aan de ouders de keuze
van de
huwelijkspartij van de kinderen wil overlaten.
Als een heilige
gemeenschap, waaraan
de enkeling gehoorzaamheid verschuldigd is, komt de familie ook de
rechterlijke
functie toe, zo’n “familiegericht” wordt bv. in de Cabanis van Wilibald
Alexis
beschreven. Daar stuurt de vader in naam van de “familieraad” de
ongehoorzame
zoon naar de soldaten en stoot hem uit de familie, om door deze straf
de
bezoedelde familie-eer weer te zuiveren. De meest consequente vorm van
de
familieverantwoordelijkheid bevat het Chinese recht, waar de hele
familie moet
boeten voor de schuld van de enkeling.
Tegenwoordig reikt de arm
van de
familiemacht inmiddels zelden ver genoeg om de afvallige ernstig te
straffen
(zelfs tegen onterving beschermt de staat in de meeste gevallen). De
misdadiger
tegenover de familie (de familie-misdadiger) vlucht naar het gebied van
de
staat en is vrij, zoals de misdadiger die naar Amerika ontkomt en door
de straf
van zijn staat niet meer bereikt kan worden. Hij, die zijn familie ten
schande
gemaakt heeft, de ontaarde zoon, wordt
tegen de straf van de familie beschermd omdat de staat, deze
beschermheer, de
familiestraf haar “heiligheid” ontneemt en ontwijdt; hij decreteert dat
het
alleen maar “wraak” is: hij verhindert de straf, dat heilige
familierecht,
omdat tegenover de “heiligheid” van de staat, de ondergeschikte
heiligheid van
de familie telkens weer verbleekt en ontheiligd wordt, zodra deze met
deze
hogere heiligheid in conflict komt. Zonder dat conflict laat de staat
de
kleinere heiligheid van de familie gelden; in het tegenovergestelde
geval
gebiedt hij zelfs de misdaad ten opzichte van de familie, doordat hij
bv. de
zoon oplegt zijn ouders niet te gehoorzamen, zodra ze hem tot een
misdaad
tegenover de staat willen aanzetten.
Welnu, de egoïst
heeft de banden met
de familie verbroken en heeft in de staat een beschermheer gevonden
tegen de
zwaar beledigde familiegeest. Waar is hij nu echter in terecht gekomen?
Rechtstreeks in een nieuw gezelschap,
waarin zijn egoïsme dezelfde strikken en netten wacht, waaraan hij
net ontkomen
is. Want de staat is eveneens een gezelschap, geen vereniging, het is
de
uitgebreide familie (“landsvader – landsmoeder – landskinderen”).
Wat men staat noemt, is
een weefsel en samenvlechtsel van
afhankelijkheid en aanhankelijkheid, is een samenhorigheid,
een bijeenhouden, waarbij de samengerangschikten zich
aan elkaar aanpassen, kortom wederzijds van elkaar afhangen:
de staat is de organisatie van deze afhankelijkheid.
Als
de
wet,
de koning,
wiens autoriteit iedereen -tot het knechtje toe- autoriteit verleent,
zou
verdwijnen, dan zou toch iedereen, bij wie de behoefte aan orde
levendig zou
zijn, de orde in stand houden tegenover de wanorde van de bestialiteit.
Zou de
wanorde zegevieren, dan zou de staat ophouden te bestaan.
Is deze liefdesidee, zich
aan elkaar
aan te passen, aan elkaar te hangen en van elkaar af te hangen,
werkelijk in
staat ons voor haar te winnen? De staat zou dus de gerealiseerde liefde zijn, het voor-elkaar-bestaan en
voor-elkaar-leven van allen. Maar gaat door de zin voor orde niet de
eigenzinnigheid verloren? Zal men er geen genoegen in scheppen, wanneer
door
geweld voor orde gezorgd is, d.w.z. dat niemand een ander meer “te na
komt”,
dus de kudde verstandig uit elkaar
gehaald of geordend is? Dan is alles in “de beste orde” en deze beste
orde heet
dan staat!
Onze maatschappijen en
staten bestaan zonder dat wij ze maken,
zijn
verenigd
zonder
onze
vereniging, zijn gepredestineerd en bestaan of hebben een eigen,
onafhankelijk bestaan, zijn in tegenstelling tot ons
egoïsten, het onoplosbaar bestaande.
Het tegenwoordige
wereldgevecht is, zoals men zegt, tegen
het “bestaande” gericht. Men pleegt dat echter toch verkeerd op te
vatten alsof
alleen maar wat nu bestaat met iets anders, beter bestaands omgeruild
zou
worden. Alleen zou eerder de oorlog uit het bestaande verklaard kunnen
worden,
d.w.z. uit de staat (status), niet
een bepaalde staat, niet bijvoorbeeld alleen maar de huidige toestand
van de
staat; niet een andere staat (bv. een “volksstaat”) bedoelt men, maar
zijn vereniging, de vereniging, deze steeds
vloeiende vereniging van al het bestaande. Een staat is ook zonder mijn
toedoen
beschikbaar: ik word erin geboren, opgevoed, er tot verplicht en moet
hem
“huldigen”. Hij neemt mij op in zijn “hulde” en ik leef van zijn
“genade”. Zo
bevestigt het zelfstandig bestaan van de staat mijn onzelfstandigheid,
zijn
“natuurlijke groei”, zijn organisme, eist dat mijn natuur niet vrij
opgroeit,
maar erop toegesneden wordt. Opdat hij zich natuurlijk groeiend kan
ontplooien,
legt hij de schaar van de “beschaving” aan mij; hij geeft mij een aan
hem en
niet aan mijzelf aangemeten opvoeding en vorming en leert mij bv. de
wetten
respecteren, mij van het schenden van de staatseigendom (d.w.z.
privé-eigendom)
te onthouden, een hoogheid, goddelijke en aardse te vereren, enz.,
kortom hij
leert me onberispelijk te zijn,
doordat ik mijn eigenheid “offer” aan
de “heiligheid” (heilig is al het mogelijke bv. eigendom, het leven van
anderen, enz.). Daar bestaat de aard van de beschaving en vorming uit,
die de
staat mij kan geven; hij voedt me op tot een “bruikbaar werktuig”, een
“bruikbaar lid van de maatschappij”.
Dat moet elke staat doen,
de
volksstaat net zo goed als de absolute of constitutionele. Hij moet dat
doen,
zolang wij in de dwaling verkeren dat hij een ik is,
dat hij dan de naam van “morele, mystieke of staatspersoon”
aanmeet. Deze leeuwenhuid van het ik moet ik, de ik die werkelijk ik
is, van
die pronkende distelvreter aftrekken. Wat heb ik mijzelf in de loop van
de
wereldgeschiedenis toch veel roof laten welgevallen. Zo heb ik de zon,
maan en
sterren, katten en krokodillen de eer laten toekomen als ik te gelden;
toen
kwam Jehovah, Allah en onze Vader en werden met het ik opgezadeld;
vervolgens
kwamen families, stammen, volkeren en uiteindelijk de hele mensheid en
werden
als ik gehonoreerd; toen kwam de staat, de kerk met de pretentie ik te
zijn en
ik zag alles rustig aan. Wat een wonder dat dan toch ook altijd een
werkelijk
ik nader trad en in mijn gezicht beweerde, dat het niet mijn jou, maar mijn eigen ik was. Als de mensenzoon “par excellence” datzelfde gedaan heeft,
waarom zou
dan een mensenzoon dat dan ook niet
doen? Zo zag ik dus mijn ik altijd boven en buiten mijzelf en kon nooit
werkelijk tot Mezelf komen.
Ik geloofde nooit in
Mezelf,
geloofde nooit in mijn tegenwoordigheid en zag Mezelf alleen maar in de
toekomst. De knaap gelooft dat hij pas een echt ik, een echte kerel zal
zijn,
als hij man geworden is; de man denkt dat het pas in het hiernamaals
wat kan
zijn. En, om meteen maar nader op de werkelijkheid in te gaan: ook de
besten
praten elkaar tegenwoordig na, dat men de staat, zijn volk, de mensheid
en weet
ik veel, in zich opgenomen zou moeten hebben om een werkelijk ik, een
“vrije
burger”, een “staatsburger”, een “vrij of waar mens” te zijn; ook zij
zien de
waarheid en werkelijkheid van mij in de opname van een vreemd ik en de
onderwerping eraan. En wat voor ik? Een ik dat noch een ik noch een jij
is, een ingebeeld ik, een spook.
Terwijl in de
middeleeuwen de kerk
het wel kon verdragen dat in haar allerhande staten verenigd leefden,
leerden
de staten, na de hervorming en in het bijzonder na de dertigjarige
oorlog, te
verdragen dat allerlei kerken (confessies) zich onder één
kroon verzamelden.
Alle staten zijn echter religieuze en respectievelijk “christelijke
staten” en
stellen zich ten doel de bandelozen, de “egoïsten”, in de band van
de onnatuur
te dwingen d.w.z. hen te kerstenen. Alle instellingen van de
christelijke staat
hebben de kerstening van het volk tot
doel. Zo heeft het gerecht tot doel de mensen tot gerechtigheid te
dwingen, de
school hen tot geestesvorming te dwingen, kortom de christelijk
handelenden
tegen de onchristelijk handelenden te beschermen; het christelijk
handelen tot heerschappij te brengen, machtig
te maken. Bij deze dwangmiddelen
rekende de staat ook de kerk, hij
verlangde een bepaalde religie van iedereen. Dupin zei onlangs over de
geestelijkheid: “Onderwijs en opvoeding behoren de staat toe.”
Staatszaak is in ieder
geval alles
wat het principe van de zedelijkheid aangaat. Daarom mengt de Chinese
staat
zich zozeer in de familieaangelegenheden en is men daar niets als men
niet vóór
alles een goed kind van zijn ouders is. De familieaangelegenheid is
doorgaans
ook bij ons staatsaangelegenheid, alleen dat onze staat in de families,
zonder
angstvallig toezicht, vertrouwen stelt; door de huwelijksband houdt hij
de
familie gebonden en zonder hem kan deze band niet worden ontbonden.
Dat de staat mij echter
voor mijn
principes verantwoordelijk stelt en zekerheid van mij eist, zou mij
kunnen doen
vragen: wat gaan hem mijn “schroeven” (principe) aan? Heel veel, want
het is
het heersende principe. Men denkt dat
het bij de echtscheiding, juist in het huwelijksrecht, alleen maar om
de mate
van recht tussen kerk en staat gaat. Het gaat er eerder om of iets
heiligs over
de mensen moet heersen, al heet het alleen maar geloof of zedenwet
(zedelijkheid). De staat gedraagt zich als dezelfde heerser als de kerk
dat
deed. De één berust op vroomheid, de andere op
zedelijkheid.
Men spreekt over de
tolerantie, het
vrijlaten van tegenovergestelde richtingen en dergelijke, waardoor de
geciviliseerde staten zich onderscheiden. Weliswaar zijn enigen sterk
genoeg om
zelfs de meest ongebonden
meetings toe te staan, terwijl anderen hun dienaars opdragen jacht op
tabakspijpen te maken. Alleen voor een staat, net als voor de anderen,
is het
spel van de individuen onder elkaar, hun heen en weer gonzen, hun
dagelijks
leven, een toevalligheid die hij wel
aan henzelf moet overlaten, omdat hij daar niets mee kan beginnen. Vele
staten
wijzen op muggen, maar slikken kamelen, terwijl andere wijzer zijn. In
de
laatste zijn de individuen “vrijer” omdat ze minder getreiterd worden.
Maar
vrij ben ik in geen enkele staat. De
geprezen tolerantie van de staten is alleen
maar een tolereren van het “onschadelijke”, “ongevaarlijke”, is niets
meer dan
een zich plaatsen boven de kleingeestigheid, is alleen maar een
achtenswaardigere, grootsere, trotsere dwingelandij. Een zekere staat
leek een
tijdlang tamelijk verheven boven de literaire
strijd te willen zijn, die met alle vuur mocht uitgevochten worden;
Engeland is
boven het volksgewoel en de
tabaksrook verheven. Maar wee de literatuur, die de staat zelf te lijf
gaat,
wee de volkswoelingen, die de staat “in gevaar brengen”. In die zekere
staat
droomt men over een “vrije wetenschap”, in Engeland over een “vrij
volksleven”.
De staat laat de
individuen wel zo
vrij mogelijk spelen, alleen mogen ze
niets ernstigs doen, mogen hem niet
vergeten. De mens mag niet onbekommerd
met de mens omgaan, niet zonder “hoger toezicht
en bemiddeling”. Ik mag niet alles doen
wat ik kan, maar alleen juist zoveel als de staat toestaat, ik mag mijn
gedachten niet benutten, niet mijn
arbeid, eigenlijk niets van het mijne.
De staat heeft altijd
alleen maar
tot doel de enkeling te beperken, te binden, ondergeschikt te maken,
hem op de
één of andere manier onderdaan te maken van iets algemeens en hij blijft net zolang alleen maar de
duidelijk
uitgedrukte beperktheid van mij, mijn
slavernij, als de enkeling niet alles in alles is. Nooit heeft de staat
de
bedoeling, de vrije bezigheid van de enkeling te bewerkstelligen, maar
steeds
de aan het staatsdoel gebondene. Door
de staat komt ook niets gezamenlijks
tot stand, net zomin als men een weefsel de gezamenlijke arbeid van
alle
afzonderlijke onderdelen van een machine kan noemen: het is eerder de
arbeid
van de hele machine dan een eenheid, het is machinale
arbeid. Op dezelfde wijze gebeurt
ook alles door de staatsmachine; want
zij beweegt het raderwerk van de afzonderlijke geesten, waarvan geen
enkele
zijn eigen drang volgt. Elke vrije bezigheid probeert de staat door
zijn
censuur, zijn toezicht, zijn politie, te beletten en houdt deze
belemmering
voor zijn plicht omdat het in werkelijkheid de plicht van het
zelfbehoud is. De
staat wil van de mensen iets maken daarom leven in hem alleen maar gemaakte mensen; ieder die zichzelf wil
zijn, is een tegenstander en is niets. “Hij is niets” betekent zoveel
als: de
staat kan hem niet gebruiken, geeft hem geen baan, geen ambt, geen
beroep of
iets dergelijks.
E. Bauer droomt in “Het
liberale
streven” II. 50, nog van een “regering die, uit het volk
voortspruitend, nooit
tegen datzelfde in oppositie zou kunnen gaan”. Maar hij neemt (blz. 69)
het
woord “regering” zelf terug: “In de republiek geldt helemaal geen
regering,
alleen maar een uitvoerende macht. Een macht die zuiver en alleen uit
het volk
voortkomt, die niet een tegenover het volk staande zelfstandige macht,
zelfstandige principes, zelfstandige beambten heeft, maar die in de
enige,
opperste staatsmacht, in het volk haar fundering, de bron van haar
macht en
haar principes heeft. Het begrip regering past dus helemaal niet in een
volksstaat.” Maar de zaak blijft alleen maar hetzelfde. Het
“voortgebrachte,
gefundeerde, ontsprotene” wordt iets “zelfstandigs” en gaat, net als
een uit
het moederlichaam bevallen kind, dadelijk in oppositie. De regering
zou, als ze
niet iets zelfstandigs en opponerends zou zijn, helemaal niets zijn.
“In de vrije staat
bestaat geen regering, enz.” (blz. 94). Dat wil
toch zeggen dat het volk,
wanneer het soeverein is, zich door geen opperste macht laat leiden. Is
het in
de absolute monarchie anders? Bestaat daar soms voor de soeverein,
een boven hem staande regering? Boven de soeverein of
hij nu vorst of volk heet, staat nooit een regering,
dat
spreekt
vanzelf.
Maar boven mij
zal in iedere “staat” een regering staan, zowel
in de absolute als in de republikeinse
of “vrije”. Ik ben er in de één even erg aan toe als in
de ander.
De republiek is helemaal
niets
anders dan de absolute monarchie: want het helpt niets of de monarch
vorst of
volk heet omdat beiden een “majesteit” zijn. Juist het
constitutionalisme
bewijst dat niemand alleen werktuig kan en mag zijn. De ministers
domineren hun
meester: de vorst, de gedeputeerden hun meester: het volk. Hier zijn
dus
tenminste de partijen vrij namelijk
de ambtenarenpartij (zogenaamde volkspartij). De vorst moet zich naar
de wil
van zijn ministers schikken, het volk naar de pijpen van de kamers
dansen. Het
constitutionalisme staat verder dan de republiek omdat het de in oplossing verkerende staat is.
E. Bauer loochent (blz. 56) dat het volk in de constitutionele staat
een
“persoonlijkheid” is; in de republiek dan soms wel? Welnu, in de
constitutionele staat is het volk partij
en een partij is toch wel een “persoonlijkheid” als men nu dan toch van
een
“staats”, (blz. 76) morele persoon wil spreken. Het punt is dat een
morele
persoon of die nu volkspartij, volk of ook wel “de meester” heet, in
geen geval
een persoon is, maar een spook.
Verder vervolgt E. Bauer
(blz 69):
“Het onder voogdij stellen is het karakteristieke van een regering.”
Werkelijk
nog meer van een volk en “volksstaat”; het is het karakteristieke van
elke heerschappij. Een volksstaat, die “alle
machtsvolmaaktheid in zich verenigt”, de “absolute meester”, kan mij
niet
machtig laten worden. En wat een hersenspinsel om de “volksambtenaren”
niet
meer “dienaren, werktuigen” te willen noemen omdat ze de “vrije,
redelijke
wetswil van het volk uitvoeren.” (blz. 73) Hij denkt (blz. 74): “Alleen
maar
doordat alle ambtenarencircuits zich aan de meningen van de regering
onderwerpen, kan er eenheid in de staat gebracht worden”; zijn
volksstaat heeft
ook “eenheid” nodig; hoe zou daar dan de onderworpenheid kunnen
ontbreken, de
onderwerping aan de volkswil?
“In de constitutionele
staat is het
de regent en zijn mentaliteit waarop
uiteindelijk het hele
regeringsgebouw rust” (precies hetzelfde, blz. 130). Hoe zou
dat in de “volksstaat” dan anders
zijn? Word ik dan ook niet door de
volksmentaliteit geregeerd en maakt
het voor mij iets uit, of ik me
afhankelijk gehouden zie van de vorstelijke- of van de
volksmentaliteit, de
zogenaamde “publieke opinie”? Betekent afhankelijkheid zoveel als
“religieuze
verhouding”, zoals E. Bauer juist opmerkt, dan blijft in de volksstaat
het volk voor mij de hogere macht, de
“majesteit” (want in de “majesteit” hebben God en vorst hun eigenlijke
wezen)
waartoe ik in een religieuze verhouding sta. Zoals de soevereine
regent, zal
ook het soevereine volk, door
geen enkele wet bereikt worden. De hele poging van E. Bauer loopt op
een verwisseling van meester uit. In plaats
van het volk vrij te willen
maken, had hij bedacht moeten zijn op de enig
realiseerbare vrijheid: op de
zijne.
In de constitutionele
staat is
tenslotte het absolutisme in strijd
gekomen met zichzelf omdat het in tweeën gesplist werd: de
regering wil
absoluut zijn en het volk wil absoluut
zijn. Deze beide absoluten
zullen elkaar slopen.
E. Bauer ijvert tegen het
feit dat
de regent door de geboorte, door het toeval gegeven is. Maar als nu “het volk
de
enige
macht
in de staat” (blz. 132) geworden
zal zijn, hebben wij dan geen meester uit toeval?
Wat
is
het
volk dan? Het volk is
altijd alleen maar het lichaam van de
regering geweest: het zijn velen onder één hoede
(vorstenhoed) of velen onder
één constitutie. En de constitutie is de vorst. Vorsten
en volkeren zullen net
zolang blijven bestaan als beiden niet ineenstorten. Zijn onder
één constitutie
verscheidene “volkeren” ondergebracht, zoals bv. in de oud-Perzische en
tegenwoordige monarchie, dan gelden deze “volkeren” alleen maar als
“provincies”. Voor mijzelf is in ieder geval het volk een toevallige
macht, een
natuurgeweld, een vijand die ik
moet overwinnen.
Wat moet men zich bij een
“georganiseerd” volk voorstellen? (ook blz. 132). Een volk “dat geen
regering
meer heeft”, dat zichzelf regeert. Dus waar geen ik in uitblinkt, een
door het
ostracisme georganiseerd volk. De verbanning van de ikken, het
ostracisme,
maakt het volk tot zelfheerser.
Spreken jullie over volk,
dan moeten
jullie over vorsten spreken; want het volk moet net zoals al het
handelende een hoofd hebben, zijn “opperhoofd” wil
het subject zijn en geschiedenis
maken. Weitling vertolkt dat in “Trio” en Proudhon zegt: “Une
société, pour ainsi dire acéphale, ne peut vivre.”
De “vox populi” wordt ons
tegenwoordig voorgehouden en de “publieke opinie” moet over de vorsten
heersen.
Vanzelfsprekend is de “vox populi” tegelijkertijd “vox dei”, maar zijn
ze niet
beide ten bate van iets en is de “vox principis” ook niet de “vox dei”?
Hierbij mag wel even
herinnerd
worden aan de “nationalisten”. Van de achtendertig Duitse staten
verlangen dat
zij als één natie zullen handelen,
kan alleen maar als een onzinnige wens uit de weg geruimd worden, net
zozeer
dat achtendertig bijenzwermen, aangevoerd door achtendertig
bijenkoninginnen,
zich tot één zwerm zullen verenigen. Bijen
blijven ze allemaal; maar de bijen horen niet als bijen bij elkaar en
kunnen
zich verzamelen, maar alleen de onderdanige
bijen zijn met de heersende
bijenkoninginnen verbonden. Bijen en volkeren zijn willoos en het
instinct van
hun bijenkoningin leidt hen.
Zou men de bijen op hun
bijenschap
wijzen, waarin ze toch allemaal aan elkaar gelijk zijn, dan zou men
hetzelfde
doen als wat men tegenwoordig zo onstuimig doet wanneer men de Duitsers
op hun
Duitserschap wijst. Het Duitserschap lijkt juist helemaal op het
bijendom omdat
het de noodzakelijkheid van splitsingen en separaties in zich draagt,
zonder
niettemin tot de laatste separatie door te dringen, waar met de
volkomen
doorvoering van het separeren het einde ervan verschijnt: ik bedoel tot
aan de
separatie van de mens van de mens. Het Duitserschap scheidt zich
weliswaar in
verschillende volkeren en stammen d.w.z. bijenkorven, maar de enkeling,
die de
eigenschap bezit een Duitser te zijn, is nog net zo machteloos als de
afzonderlijke bij. En toch kunnen alleen maar de enkelingen zich
verenigen en
alle volksallianties en bonden zijn en blijven mechanische
samenstellingen
omdat de samenkomenden willoos zijn, voorzover tenminste de “volkeren”
als
samengekomenen kunnen beschouwd worden. Pas met de laatste separatie
eindigt de
separatie zelf en slaat in vereniging om.
Welnu, de nationalisten
doen moeite
om de abstracte, levenloze eenheid van het bijendom tot stand te
brengen; maar
de zichzelfzijners zullen voor de zelfgewilde eenheid, de vereniging,
vechten.
Het is het kenmerk van alle reactionaire verlangens dat ze iets algemeens, abstracts, een leeg,
levenloos begrip willen restaureren
waartegen de zichzelfzijners het stevige, levensvolle afzonderlijke
uit de warboel van de algemeenheden trachten te
bevrijden. De reactionairen zouden graag een volk, een natie uit de
grond
willen stampen; de zichzelfzijnden hebben alleen maar zichzelf op het
oog. In werkelijkheid
vallen beide strevingen, die tegenwoordig aan de orde van de dag zijn,
namelijk
het herstel van de provinciale rechten, van de oude stamindelingen
(Franken,
Beieren, enz. Lausitz, enz.) en
het herstel van de hele gezamenlijke nationaliteit, in
één streven samen. Maar
de Duitsers zullen dan pas eensgezind worden d.w.z. zich
verenigen, wanneer ze zowel hun bijendom als alle bijenkorven
omverwerpen; met andere woorden: als ze meer zijn dan Duitser; pas dan
kunnen
ze een “Duitse vereniging” vormen. Niet tot hun nationaliteit, niet in
het
moederlijf zouden ze terug moeten willen keren om wedergeboren te
worden, maar
iedereen moet in zichzelf terugkeren.
Hoe belachelijk sentimenteel als de ene Duitser de andere de hand geeft
en met
heilig ontzag de hand drukt omdat “hij ook een Duitser is!” Daardoor is
hij
iets goeds! Maar dat zal toch alleen maar als iets aandoenlijk gelden
voor
zolang men met “broederlijkheid” dweept d.w.z. als men een
“familiementaliteit”
heeft. Van het bijgeloof van de “piëteit”, van de
“broederlijkheid” of
“kinderlijkheid” of hoe die weekhartige piëteitsfrasen anders ook
mogen luiden,
van de familiegeest kunnen de nationalisten, die één
grote familie van Duitsers
willen hebben, zich niet bevrijden.
Overigens zouden de
zogenaamde nationalisten
alleen maar zichzelf goed moeten begrijpen om zich boven de gehechtheid
aan het
gemoedelijke Duitserdommeren te verheffen. Want de vereniging tot
materiele
doeleinden en belangen die ze van de Duitsers eisen, loopt immers op
niets
anders uit dan een vrijwillige vereniging. Carriere roept vol
geestdrift uit:
“De spoorwegen zijn de dieper
blikkende ogen van de weg naar een volksleven,
zoals in zo’n betekenis nog nergens verschenen is.”
Zeer juist, het zal een volksleven zijn dat nergens voorgekomen is
omdat het
geen volksleven is. Verder bestrijdt Carriere zichzelf (blz. 10): “De
zuivere
menselijkheid of mensheid kan niet beter tot stand gebracht worden dan
door een
zijn missie vervullend, volk.” Alleen daardoor blijkt immers de
volksaard. De vervaagde
algemeenheid staat lager dan de in zichzelf besloten gestalte die een
heel zelf
is en als levend lid van het werkelijk algemene, “het georganiseerde,
leeft”.
Maar die “vervaagde algemeenheid” is juist het volk en een mens pas de
“in
zichzelf besloten gestalte”.
Het onpersoonlijke van
datgene wat
men “volk, natie” noemt, is ook duidelijk doordat een volk, dat zijn ik
zo goed
mogelijk tevoorschijn wil laten komen, een willoos
heerser aan het hoofd stelt. Het heeft het alternatief óf aan
een vorst onderworpen
te zijn, die alleen maar zichzelf, zijn
individueel goeddunken verwezenlijkt en dan kent het aan de
“absolute
heerser” niet de eigen, zogenaamde volkswil toe, óf een vorst op
de troon te
zetten die geen eigen wil doet gelden
en dan heeft het een willoze vorst
wiens rol misschien evengoed door een goed lopend uurwerk vervuld zou
kunnen
worden. Daarom mag het inzicht maar één stap verder gaan;
dan blijkt vanzelf
dat het volks-ik een onpersoonlijke, “geestelijke” macht is, de wet.
Hieruit
volgt dat het ik van het volk een spook is, niet een ik. Ik ben alleen
maar een
ik doordat ik mijzelf maak d.w.z. dat niet een ander mij maakt, maar ik
mijn
eigen werk moet zijn. Maar hoe staat het eigenlijk met het volks-ik?
Het toeval speelt het het volk in de hand, het
toeval geeft het de één of andere geboren meester,
toevalligheden verschaffen
het de gekozene; het is niet het product van het “soevereine” volk,
zoals ik
mijn product ben. Stel je voor dat men je zou willen wijsmaken dat jij
niet
jouw ik bent, maar dat Jan af Koen jouw ik zou zijn! Zo gaat het echter
met het
volk en terecht. Want het volk bezit net zomin een ik als de elf
planeten samen
gerekend een ik hebben, ofschoon ze
om een gemeenschappelijk middelpunt
heen walsen.
Tekenend is de uitspraak
van Bailly
voor de slavenmentaliteit die men zowel voor het soevereine volk als
voor de
vorst heeft. “Ik bezit, zegt hij, geen extrarede meer, als de algemene
rede
zich uitgesproken heeft. Mijn eerste wet was de wil van de natie: zodra
die
zich verzameld had, heb ik verder niets meer kunnen doen dan haar
soevereine
wil.” Hij wil geen “extrarede” bezitten en toch is het juist die
extrarede, die
alles tot stand brengt. Zo doet Mirabeau zijn best met zijn woorden:
“Geen
macht ter wereld heeft het recht tot de vertegenwoordigers van de natie
te
zeggen: ik wil!” Zoals bij de Grieken zou men tegenwoordig graag van de
mens
een “zoon politicon” willen maken, een staatsburger of politiek mens.
Zo
beschouwde men hem lange tijd als “hemelburger”. De Griek werd echter
tegelijkertijd
met zijn staat vernederd, de
hemelburger wordt het met de hemel; wij daarentegen willen niet
tegelijkertijd
met het volk, de natie en nationaliteit ten ondergaan, willen niet
louter politieke mensen of politici zijn. Naar
“volksgeluk” streefde men sedert de revolutie en terwijl men het volk
gelukkig,
groot en dergelijke maakt, maakt men ons ongelukkig: het volksgeluk is
mijn
ongeluk!
Wat een lege praatjes
verkondigen de
politieke liberalen met empathisch vertoon; dat ziet men juist weer in
Nauwerk’s
“Over de deelname aan de staat”. Daarin wordt over de onverschilligen
en
apathischen geklaagd, die niet in de volledige zin van het woord
staatsburger
zijn en de schrijver spreekt, alsof men in het geheel geen mens zou
kunnen
zijn, als men niet actief aan het staatswezen deelneemt d.w.z. wanneer
men geen
politicus is. Daarin heeft hij gelijk; want als de staat als hoeder van
al het
“menselijke” geldt, dan kunnen wij niets menselijks bezitten zonder aan
hem
deel te nemen. Maar wat zegt dat over de egoïsten? In het geheel
niets omdat de
egoïst voor zichzelf de hoeder van het menselijke is en tot de
staat alleen
deze woorden spreekt: ga uit mijn zon. Alleen maar wanneer de staat met
zijn
eigenheid in aanraking komt, stelt de egoïst daadwerkelijk belang
in hem.
Wanneer de kamergeleerde de toestand van de staat niet publiceert, zou
hij zich
dan met hem moeten bemoeien omdat het zijn “heiligste plicht” is?
Waarom zou
hij, zolang de staat het hem naar wens maakt, van zijn studie moeten
afzien?
Laat toch zij, die de toestand in hun eigen belang anders zouden willen
zien,
zich daarmee bezighouden. De “heilige plicht” zal die lieden er nooit
of te
nimmer toe brengen over de staat na te denken, net zomin als ze uit
“heilige
plicht” discipelen van de wetenschap, kunstenaars, enz. worden. Alleen
het
egoïsme kan ze daartoe aanzetten en dat zal het zodra de toestand
veel
beroerder is geworden. Laat je die mensen zien dat hun egoïsme
bemoeienis met
het staatswezen eist, dan zul je hen niet dikwijls hoeven op te roepen;
appeleer
je daarentegen aan hun vaderlandsliefde en dergelijke, dan zul je deze
“liefdesdienst” lang voor doven prediken. Natuurlijk zullen de
egoïsten, op hun
manier, helemaal niet aan de staat deelnemen.
Een echte liberale
uitspraak geeft
Nauwerk (blz. 16): “De mens vervult pas zijn roeping volkomen als hij
zich
medelid van de mensheid voelt en weet en als zodanig werkzaam is. De
enkeling
kan de idee van het mensdom niet
verwezenlijken als hij niet op de hele mensheid steunt en niet zoals
Anäos zijn
krachten uit haar put.”
En op dezelfde plaats
heet het: “De
verhouding van de mens tot de “res
publica” wordt uit theologisch oogpunt gereduceerd tot een zuivere privé-zaak en derhalve
verloochend.” Alsof de politieke opvatting
het met
de religie
anders gedaan heeft. Daar is de religie
een
“privé-zaak”.
Wanneer de mensen
in plaats van de heilige plicht”, de
“bestemming van
de mens”, de “roeping tot het
volle mensdom” en dergelijke geboden,
voorgehouden zou worden dat hun eigenbelang verkommert als
ze de staat in alles zijn gang laten gaan, dan zouden ze zo zonder tirades toegesproken
moeten worden, net zoals men hen op een beslissend
ogenblik zou moeten toespreken
wanneer men zijn doel wil bereiken. In plaats daarvan zegt de theoloogvijandige
schrijver: “Indien er ooit een tijd is geweest waarin
de staat op al de zijnen aanspraak maakt, dan is het zeker de onze. De denkende mens ziet een plicht in de
deelname aan de theorie en praktijk
van de staat,
één van de heiligste plichten die op hem
rusten”
en
neemt dan de
“onvoorwaardelijke noodzakelijkheid, dat
iedereen aan de staat deelneemt”,
in overweging.
Politicus
is en blijft
in alle eeuwigheid degene, bij wie de staat in hoofd of hart of in
beiden zit, de door
de staat bezetene of staatsgelovige.
“De staat
is het
meest noodzakelijke middel voor
de volledige ontwikkeling van de mensheid.”
Hij is het ongetwijfeld geweest zolang wij
de mensheid wilden ontwikkelen; maar
wanneer wij onszelf willen
ontwikkelen,
kan
hij
voor ons alleen maar een belemmering
zijn.
Kan men nu
nog staat en volk hervormen en verbeteren? Net zomin
als de
adel, de geestelijkheid, de kerk, enz.: men kan
ze
opheffen,
vernietigen, afschaffen, maar niet hervormen. Kan ik dan onzin door hervorming in zin veranderen of
moet ik dat gewoon
laten vallen?
Het is voortaan
niet meer om
de staat (de grondwet, enz.) te
doen, maar om mij. Daarmee verzinken alle vragen over vorstenmacht,
constitutie, enz. in hun ware afgrond en hun ware niets. Ik,
dat niets, zal mijn scheppingen uit mijzelf te voorschijn drijven.
Tot het hoofdstuk van de maatschappij hoort ook “de partij”, wier lof men
onlangs gezongen heeft. In de staat geldt de partij.
“Partij,
partij, wie zou ze niet nemen!” Maar de enkeling is enig,
geen lid van de partij. Hij verenigt zich vrijwillig en scheidt zich
weer vrijwillig af. De partij is niets anders dan een
staat in de staat en in deze kleinere bijenstaat, moet dan ook weer
“vrede”
heersen net zoals in de grotere. Juist zij die het hardste schreeuwen
dat in de
staat een oppositie moet bestaan, ijveren
tegen elke onenigheid in de partij. Een bewijs dat ook zij alleen maar
één
staat willen. Niet op de staat, maar op de enige, stranden alle
partijen.
Niets hoort men
tegenwoordig vaker
dan de vermaning zijn partij trouw te blijven; niets verachten
partijmensen
zozeer als een overloper. Men moet voor zijn partij door dik en dun
gaan en
haar voornaamste principes onvoorwaardelijk goedkeuren en
vertegenwoordigen.
Net zo erg als met gesloten gezelschappen is het hier echter niet,
omdat deze
hun medeleden aan vaste regels of statuten binden (bv. de orden, de
jezuïeten,
enz.).
Maar de partij houdt toch
op
hetzelfde ogenblik op vereniging te zijn, wanneer ze bepaalde principes
bindend
maakt en die tegen aanvallen verzekerd wil zien; dat ogenblik is echter
juist
de geboortedaad van de partij. Ze is als partij al een geboren
maatschappij, een dode vereniging, een fixe geworden idée.
Als partij van het absolutisme kan ze niet willen dat haar leden aan de
onomstotelijke waarheid van haar principes twijfelen; ze zouden deze
twijfel
alleen kunnen koesteren als ze egoïstisch genoeg zouden zijn nog
iets buiten
hun partij te willen zijn d.w.z. onpartijdig. Onpartijdig kunnen ze als
partijmensen niet zijn, maar alleen als egoïsten. Ben je
protestant en hoor je
dus tot deze partij, dan mag je alleen maar het protestantisme
rechtvaardigen,
in elk geval “zuiveren”, niet verwerpen;
ben je christen en hoor je tot de mensen van de christelijke
partij, dan
kan jij je als medelid van deze partij je daar niet boven verheffen,
maar alleen
als je egoïsme d.w.z. onpartijdigheid jou daartoe aanzet. Wat een
inspanningen
hebben de christenen, tot aan Hegel en de communisten toe, zich
getroost om hun partij sterk te maken; ze bleven
erbij dat het christendom de eeuwige waarheid moest bevatten en men die
alleen
nog moest vinden, vaststellen en rechtvaardigen.
Kortom, de partij
verdraagt geen
onpartijdigheid en juist hierin duikt het egoïsme
op.
Wat
kan
mij de partij schelen. Ik zal toch
genoeg mensen vinden die zich met mij verenigen zonder
op mijn vlag te zweren.
Wie van de ene partij
naar de andere
overgaat, scheldt men meteen voor “overloper” uit. De zedelijkheid
eist dat men bij zijn partij blijft en haar afvallig
worden, betekent zich met de schandvlek van de “ontrouwe” bezoedelen;
alleen de
eigenheid kent geen gebod van “trouw, aanhankelijkheid, enz.” de
eigenheid
staat alles toe, ook de afvalligheid, de overstap. Onbewust laten zelfs
ook de
zedelijken zich door dat grondbeginsel leiden wanneer het erom gaat,
een naar hun partij overgelopene te beoordelen,
ja ze maken wel proselieten; zij zouden zich er tegelijkertijd van
bewust
moeten worden dat men wel onzedelijk
zou moeten handelen om uit zichzelf te handelen, dat wil hier zeggen,
dat men
de trouw, ja zelfs zijn eed moet breken om zichzelf te bevestigen, in
plaats
van door zedelijke consideraties bepaald te worden. In de ogen van de
lieden
van een streng zedelijk oordeel wisselt een afvallige steeds tussen
twee
verschillende kleuren en hij zal niet gemakkelijk jouw vertrouwen
winnen; aan
hem kleeft de vlek van de “ontrouw” d.w.z. een onzedelijkheid. Bij de
maatschappelijk lage man vindt men dat inzicht bijna algemeen; de
verlichten
raken zoals altijd ook hier in onzekerheid en verwarring en de, in het
principe
van de zedelijkheid noodzakelijkerwijs aanwezige, tegenstrijdigheid
komt bij
hen wegens de verwarring van hun begrippen niet tot een duidelijk
bewustzijn.
De afvalligen gewoonweg onzedelijk noemen, durven ze niet omdat ze zelf
tot
afvalligheid, tot overlopen van de ene religie naar de andere, enz.,
verleiden
en het standpunt van de zedelijkheid kunnen ze toch ook niet opgeven.
En toch
zou hier de gelegenheid liggen
om de zedelijkheid te verlaten.
Zijn soms de
zichzelf-zijnden of de enigen een partij? Hoe
zouden ze zichzelf kunnen zijn als ze bij een partij horenden zouden
zijn?
Of moet men het bij geen enkele partij houden? Juist als men zich
bij haar
aansluit en haar kring betreedt, knoopt men een vereniging met haar aan
die zo
lang duurt als partij en ik één en hetzelfde doel
nastreven. Maar vandaag deel
ik nog de tendens van de partij en morgen kan ik het al niet meer en
word haar
“ontrouw”. De partij heeft niets bindends
(verplichtends) voor mijzelf en ik respecteer haar niet; bevalt zij mij
niet
meer dan zal ik haar vijandig bejegenen.
In elke partij die een
gevoel van
eigenwaarde aan zichzelf en haar bestaan ontleent, zijn de medeleden in
die
mate onvrij of beter oneigen, ze missen in die mate egoïsme, naar
mate ze het
verlangen van de partij dienen. De zelfstandigheid van de partij
bepaalt de
onzelfstandigheid van de partijleden.
Een partij kan, van welke soort ze ook is, nooit een geloofsbelijdenis
missen.
Want in het principe van de partij moeten de aangeslotenen geloven,
het
mag
door
hen niet in twijfel getrokken en ter discussie
gesteld worden, het moet het zekere, onbetwijfelbare voor het partijlid
zijn.
Dat wil zeggen: men moet een partij met lijf en ziel toebehoren anders
is men
niet waarachtig partijman, maar min of meer een egoïst. Koester
een twijfel aan
het christendom en je bent al geen christen meer, je hebt je tot de
“onbeschaamdheid” verheven daarover een vraag te stellen en het
christendom
voor jouw egoïstische rechterstoel te dagen. Jij hebt je aan het
christendom,
deze partijzaak (want bv. zaak van de joden, van een andere partij, is
het
immers niet) bezondigd. Maar het ga
je goed, als jij je niet laat afschrikken: jouw onbeschaamdheid helpt
je aan de
eigenheid.
Dan zou een egoïst
dus nooit partij
kunnen kiezen of nemen? Toch wel, alleen kan hij zich niet door de
partij laten
pakken en innemen. De partij blijft voor hem altijd niets meer dan een partij: hij is van de partij, hij neemt
deel.
De beste staat zal
blijkbaar diegene
zijn die de loyaalste burgers heeft en hoe meer de onderdanige
mentaliteit van wetsgetrouwheid verloren gaat, des te
meer zal de staat als systeem van de zedelijkheid, als zedelijk leven
zelf, aan
kracht en deugdelijkheid inboeten. Met de “goede burgers” vergaat ook
de goede
staat en lost zich in anarchie en wetteloosheid op. “Achting
voor
de
wet”.
Door deze stopverf wordt het
staatsgeheel samen gehouden. “De wet is heilig
en wie daartegen zondigt is een misdadiger.”
Zonder misdaad geen staat: de zedelijke wereld —— en dat is de staat —
zit vol
schelmen, bedriegers, leugenaars, dieven, enz. Omdat de staat de “heerschappij van de wet”, de
hiërarchie ervan is, kan de egoïst zich in elk
geval,
wanneer
zijn
belang tegen dat van de staat
indruist,
alleen via de misdaad bevredigen.
De staat kan niet nalaten te eisen dat zijn wetten en verordeningen heilig zijn. Daarbij geldt dan de
enkeling als de onheilige (barbaar,
natuurmens, “egoïst”) voor de staat, zoals hij ook ooit door de
kerk beschouwd
werd; voor de enkeling neemt de staat de nimbus van een heilige aan.
Dus stelt
hij een duelleerwet op. Twee mensen die het
erover eens zijn dat zij voor een zaak (maakt niet uit voor wat)
hun
leven op het spel willen zetten,
zullen dat niet mogen omdat de staat het niet wil hebben: hij zet er
een straf
op. Waar blijft dan de vrijheid van zelfbeschikking? Het is iets
helemaal
anders wanneer zoals bv. in Noord-Amerika, de maatschappij bepaalt dat
de
duellanten de mogelijke onaangename gevolgen
van hun daad zelf moeten dragen, bv. de onttrekking van het tot dan toe
genoten
krediet. Krediet weigeren, is ieders eigen zaak en wanneer een
sociëteit hen
dat op deze of gene grond wil onttrekken dan kan de betrokkene zich
niet
beklagen over de beperking van zijn vrijheid: de sociëteit laat
hier juist haar
vrijheid gelden. Dat is geen zondaarsstraf, geen straf voor een misdaad. Het duel is daar geen misdaad,
maar alleen een daad waar de sociëteit tegenmaatregelen tegen
neemt, een verweer instelt. De staat daarentegen
bestempelt het duel als een misdaad d.w.z. als een belediging van zijn
heilige
wet: hij maakt het tot een criminele zaak. Laat de maatschappij het aan
het
besluit van de enkeling over of hij zich de onaangename gevolgen en de
ongemakkelijkheden van zijn manier van handelen op de hals wil halen en
erkent
hij daardoor zijn vrije beslissing, dan handelt de staat juist
omgekeerd omdat
hij het besluit van de enkeling betwist en daarentegen zijn eigen
besluit, de
staatswet het alleenrecht toekent zodat wie het gebod van de staat
overtreedt,
beschouwd wordt als handelend tegen het goddelijk gebod; een mening die
eveneens
door de kerk in stand gehouden werd. God is daar het heilige aan en
voor zich
en de geboden van de kerk, evenals van de staat, zijn de geboden van
dat
heilige dat het door middel van zijn gezalfden en Godsgenadige heren
aan de
wereld doet toekomen. Had de kerk doodzonden,
de staat heeft misdaden waar de doodstraf
op staat, had de kerk ketters dan
heeft hij hoogverraders, de kerk kerkstraffen,
hij
strafrechtelijke straffen, de
één inquisitieprocessen, hij fiscale,
kortom
daar
zonden,
hier misdaden, daar zondaars, hier misdadigers,
daar
inquisitie en hier inquisitie. Zal de heiligheid van de staat niet
zoals die
van de kerk vallen? De huiver voor zijn wetten, de eerbied voor zijn
hoogheid,
de deemoed van zijn “onderdanen”, zal dat blijven? Zal zijn
“heiligengezicht”
niet ontsierd worden?
Wat een dwaasheid om van
de
staatsmacht te verlangen dat ze met de
enkeling een eerlijke strijd zou aangaan en, zoals men zich bij de
persvrijheid
uitdrukt, zon en wind eerlijk zou verdelen. Wanneer de staat, deze
idee, een
geldende macht zal zijn, dan
moet hij juist een hogere macht ten opzichte van de enkeling zijn. De
staat is
“heilig” en mag zich de “schaamteloze aantijgingen” van de enkeling
niet laten
welgevallen. Is de staat heilig, dan
moet er censuur zijn. De politieke liberalen geven het eerste en
bestrijden de
consequentie. In ieder geval verlenen ze hem repressieve maatregelen
want ze
blijven erbij dat de staat meer is
dan de enkeling en een rechtvaardige wraak uitoefent, genaamd straf.
Straf heeft
alleen betekenis als ze de boetedoening voor de belediging van iets
heiligs zal
verschaffen. Is iets voor iemand heilig, dan verdient hij zeker straf
als hij
dat vijandig bejegent. Een mens die een mensenleven laat bestaan omdat het hem heilig is en een schroom
voor het aantasten ervan koestert, is juist een religieus mens.
Weitling legt de misdaad
de
“maatschappelijke wanorde” ten laste en leeft in de verwachting dat
onder
communistische voorzieningen de misdaden onmogelijk worden omdat de
verleidingen ertoe bv. het geld, wegvallen. Omdat echter zijn
georganiseerde
maatschappij ook tot iets heiligs en onschendbaars verheven wordt,
verrekent
hij zich met deze goedhartige mening. Mensen die zich met de mond tot
de
communistische maatschappij bekennen en onderhands aan haar ondergang
werken,
zullen niet falen. In “geneesmiddelen tegen de natuurlijke rest van
menselijke
kwalen en zwakheden” moet Weitling toch al berusten en “geneesmiddelen”
bewijzen altijd al dat men de enkelingen beschouwt als tot een bepaald
“heil geroepen”
en ze intussen naar de maatstaf van deze “menselijke roeping” zal
behandelen.
Het geneesmiddel of de genezing is
alleen maar de keerzijde van
de straf; de genezingstheorie loopt
parallel met de straftheorie; ziet de
één in een handeling een zich bezondigen
tegen het recht, dan beschouwt de ander ze als een zich bezondigen van
de mens
tegen zichzelf, als een afdwaling van
zijn gezondheid. Het juiste echter is dat ik ze niet beschouw als een
handeling die volgens mij juist
of volgens
mij onjuist is, voor mij vijandig of vriendelijk d.w.z. dat ik die als mijn eigendom behandel,
dat ik verzorg of vernietig. “Misdaad” of “ziekte” zijn beiden geen egoïstische
opvatting van de zaak d.w.z. geen beoordeling van mijzelf
uit, maar vanuit iets anders namelijk óf het recht, het algemene óf de
gezondheid,
deels van de enkeling (van de zieke), deels van het algemene (de
maatschappij),
kwetst. De “misdaad” wordt met onverbiddelijkheid behandeld, de
“ziekte” met
“liefelijke mildheid, medelijden” en dergelijke meer.
De misdaad wordt gevolgd
door de
straf. Valt de misdaad doordat het heilige verdwijnt, dan kan het niet
anders
dan dat de straf in deze val moet meegesleept worden; want ook zij
heeft alleen
maar betekenis tegenover iets heiligs. Men heeft de kerkstraffen
afgeschaft.
Waarom? Omdat hoe iemand zich tegenover de “heilige god” gedraagt
ieders eigen
zaak is. Zoals echter een straf, deze kerkstraf gevallen is, zo moeten
alle
straffen vallen. Zoals de zonde tegen de zogenaamde God de eigen zaak
van de
mens is, is dat ook tegen elke soort zogenaamde heiligheid. Volgens
onze
strafrechttheorieën, waar men zich met de “eigentijdse
verbetering” van
vruchteloos aftobt, wil men de mensen voor deze of gene
“onmenselijkheid” straffen en maakt men, door haar
inconsequentie, het dwaze van deze theorieën bijzonder duidelijk
omdat men de
kleine dieven ophangt en de grote laat lopen. Voor het schenden van het
eigendom heeft men het tuchthuis en voor “gedachtedwang”, het
onderdrukken van
de “natuurlijke mensenrechten”, slechts vermaningen en verzoeken.
De strafcodex bestaat
alleen door
het heilige en verdwijnt vanzelf wanneer men de straf opgeeft. Overal
wil men
tegenwoordig een nieuwe strafwet maken zonder over het straffen zelf na
te
denken. Toch is het juist de straf die voor de genoegdoening moet
plaatsmaken,
die opnieuw niet tot doel kan hebben om het recht of de gerechtigheid
genoegdoening te geven, maar ons
voldoening te verschaffen. Doet iemand ons iets aan dat we ons niet willen laten welgevallen, dan breken we
zijn geweld en laten het onze gelden:
wij bevredigen onszelf aan hem en
vervallen niet in de dwaasheid om het recht (het spook) te willen
bevredigen.
Niet het heilige moet zich tegen de
mensen verweren, maar de mens tegen de mens, zoals ook God
zich niet meer tegen de mensen verweert, die vroeger en deels
nu nog steeds alle “dienaren van God” de hand boden om de lasteraar te
straffen, zoals ze zelfs nu nog aan het heilige de hand lenen. Iedere
toewijding aan het heilige heeft dan ook als resultaat dat men, zonder
er werkelijk
zelf deel aan te hebben, de boosdoener aan de politie en het gerecht
overlevert: een onverschillig toevertrouwen aan de overheid, “die
immers het heilige op z’n best zal beheren”.
Het volk is er helemaal dol op de politie tegen alles op te hitsen wat
hem
onzedelijk, vaak alleen maar onbetamelijk lijkt te zijn en deze
volkswoede voor
het zedelijke beschut het politie-instituut meer, dan de regering het
ooit zou
kunnen beschermen.
In de misdaad heeft de
egoïst zich
sindsdien gehandhaafd en heeft het heilige bespot; de breuk met het
heilige of
liever van het heilige kan algemeen worden. Een revolutie keert niet
weer, maar
wel een geweldig, meedogenloos, schaamteloos, gewetenloos, trots misdoen; rommelt niet in de verte de
donder en zie je niet hoe de hemel vol voorgevoel zwijgt en zich
verduistert?
Wie weigert zijn krachten
voor zo’n bekrompen maatschappijen
als familie, partij of natie aan te wenden, verlangt nog steeds naar
een
waardiger maatschappij en denkt dan in de “menselijke maatschappij” of
de
“mensheid” het ware liefdesobject gevonden te hebben, waar het zich aan
op te
offeren, zijn eer uitmaakt: van nu af aan “leeft hij voor en dient hij
de mensheid”.
Volk heet
het lichaam, staat de geest van die heersende
persoon die mij sindsdien
heeft onderdrukt. Men heeft volkeren en staten willen verlichten door
ze tot
“mensheid” en de “algemene rede” uit te breiden; maar het knechtschap
zal bij
deze uitbreiding alleen nog intensiever worden en de filantropen en
humanen
zijn net zo’n absolute meesters als de politici en diplomaten.
Nieuwere critici zetten
zich tegen
de godsdienst af omdat die God, het goddelijke, zedelijke, enz. buiten de mens plaatst of tot iets
objectiefs maakt, waar tegenover zij juist dat subject veel meer in de mens plaatsen. Alleen in de
eigenlijke fout van de godsdienst, de mens een “bestemming” te geven,
vervallen
die critici niet minder omdat ook zij hem goddelijk, menselijk, of iets
dergelijks willen zien: zedelijkheid, vrijheid en humaniteit, enz.,
zijn zijn
wezen. En zoals de godsdienst wil ook de politiek de mens “opvoeden”,
hem
tot
verwezenlijking
van zijn “wezen”, zijn
“bestemming” brengen, iets van hem maken, namelijk een
“waarachtig mens”,
de ene in de vorm van de “ware gelovige”, de andere in die van “ware
burger of
onderdaan”. Inderdaad komt het op hetzelfde neer of men de bestemming
het
goddelijke of menselijke noemt.
Onder religie en politiek
bevindt
zich de mens op het standpunt
van het moeten: hij moet
dit en dat worden, zus of zo zijn. Met dat postulaat, dat gebod, doet
de één
zich niet alleen aan de ander voor, maar ook aan zichzelf. Die critici
zeggen:
je moet een heel mens, een vrij mens
zijn. Zo zijn ook zij in de verleiding om een nieuwe religie
te verkondigen, een nieuw absoluuts, een ideaal op te
stellen, namelijk de vrijheid. De mensen moeten
vrij worden. Er zouden zelfs zendelingen
van de vrijheid kunnen komen, zoals in het christendom de overtuiging
heerste
dat allen er eigenlijk toe bestemd waren christenen te worden en
zendelingen
van het geloof uitzond. De vrijheid zou zich dan, zoals tot dusver het
geloof
als kerk, de zedelijkheid als staat, dus als een nieuwe gemeenschap
instellen en van daaruit eenzelfde “propaganda” voeren.
Inderdaad is er tegen een zich verenigen geen bezwaar in te brengen;
des te
meer echter moet men iedere vernieuwing van de oude voorzorgsmaatregelen,
de
heropvoeding,
kortom
het principe, uit ons iets
te
maken of dat nu een christen,
onderdaan of vrije en mens is, bestrijden.
Wel kan men met Feuerbach
en anderen
zeggen dat de religie het menselijke uit de mens heeft gerukt en dat
naar het
hiernamaals heeft verplaatst, dat het daar als iets onbereikbaars, als
een voor
zichzelf persoonlijks, als een “God”, zijn eigen bestaan leidt; alleen
is de
dwaling van de religie daardoor in geen geval uitgeput. Men zou heel
goed de
persoonlijkheid van het ontrukte menselijke kunnen laten vallen, zou de
God in
het goddelijke kunnen veranderen en toch zou men religieus blijven.
Want het
religieuze bestaat in de ontevredenheid met de huidige
mens d.w.z. in iemands opstelling ten opzichte van het
streven naar “volmaaktheid”, in de
“naar zijn vervolmaking worstelende
mens”.
(“Daarom moet gij volmaakt zijn,
gelijk uw vader in de hemel volmaakt is”. Matth. 5:48): het bestaat in
de
fixering van een ideaal, iets
absoluuts. De volmaaktheid is het “hoogste goed”, de finus bonorum; het
ideaal
is voor iedereen de volmaakte mens, de ware, de vrije mens, enz.
Het streven van de nieuwe
tijd heeft
tot doel het ideaal van de “vrije mens” tot stand te brengen. Zou men
het
vinden, dan zou men een nieuwe religie hebben omdat het een nieuw
ideaal is,
zou men een nieuwe hunkering hebben, een nieuw zich afbeulen, een
nieuwe
vroomheid, een nieuwe godheid, een nieuw berouw.
Met het ideaal van de
“absolute vrijheid” wordt op dezelfde
manier tekeer gegaan als met al het absolute en volgens Hess bv. zal
dat “in de
absoluut menselijke maatschappij realiseerbaar zijn”.
Ja, deze verwezenlijking wordt meteen daarna “roeping” genoemd; op
dezelfde
wijze bepaalt hij dan de vrijheid als “zedelijkheid”: het rijk van de
“gerechtigheid” (d.w.z. gelijkheid) en “zedelijkheid” (d.w.z. vrijheid)
moet
beginnen, enz.
Belachelijk
is hij die, terwijl zijn stamgenoten, familie, natie, enz.
veel betekenen, niets anders dan snoeft over de verdiensten van
zijn
stamgenoten; verblind is ook degene die uitsluitend “mens” wil zijn.
Geen van
beiden legt zijn waarde in de exclusiviteit,
maar in de verbondenheid of in
de “band” die hem met anderen samen ketent, in
de bloedband, nationale band,
mensheidsband.
Door de tegenwoordige
“nationalisten” is de strijd weer actief geworden tussen
hen die louter menselijk bloed en menselijke bloedbanden
denken te hebben en de anderen die met
hun speciale bloed en speciale bloedbanden pochen.
Laten we
buiten beschouwing dat trots een overschatting zou kunnen
uitdrukken en we dat alleen voor kennisgeving aannemen,
dan blijkt
er een enorm verschil te bestaan tussen de trots tot een natie
“te
behoren”, dus haar eigendom te zijn, en die nationaliteit zijn eigendom
te
noemen. De nationaliteit is mijn eigenschap, de natie echter mijn
eigenares en
meesteres. Heb je lichamelijke kracht, dan kun je die op de juiste plek
aanwenden en daar een gevoel van eigenwaarde of trots aan ontlenen;
bezit
daarentegen jouw sterke lichaam jou, dan jeukt het je om overal en op
de minst
geëigende plek zijn krachten te tonen: je kunt niemand de hand
geven zonder die
te knellen. Het inzicht dat men meer dan familielid, meer dan
stamgenoot, meer
dan volksindividu, enz. is, heeft er uiteindelijk toe geleid te zeggen:
men is
meer dan dat alles omdat men mens is of: de mens is meer dan de jood,
Duitser,
enz. “Daarom moet iedereen helemaal mens zijn!” Zou men niet beter
kunnen
zeggen: omdat we meer zijn dan het genoemde, willen we zowel dat, als
ook dat andere
“meer” zijn? Dus mens en Duitser, mens en Welf, enz? De nationalisten
hebben
gelijk; men kan zijn nationaliteit niet verloochenen en de humanisten
hebben
gelijk; men moet niet bij de bekrompenheid van het nationale blijven
steken. In
de enigheid lost de tegenstelling:
het nationale is mijn eigenschap, zich op. Maar ik ga niet in mijn
eigenschap
op, omdat ook het menselijke mijn eigenschap is, geef ik de mens pas
door mijn
enigheid bestaan.
De geschiedenis zoekt de mens: hij is echter ik, jij, wij. Gezocht
als een mysterieus wezen, als het
goddelijke, eerst als de God, dan pas
als de mens (de menselijkheid, de
humaniteit en mensheid), wordt hij gevonden als de enkeling, de
eindige, de
enige.
Ik ben eigenaar van de
mensheid, ben
de mensheid en doe niets voor het welzijn van een andere mensheid.
Dwaas die je
bent, jij die een afzonderlijke mensheid bent, dat jij een hoge borst
opzet,
dat je een ander dan jezelf bent, wilt leven.
De tot nu toe beschouwde
verhouding
van mijzelf tot de mensenwereld biedt een zo grote rijkdom aan
verschijnselen
dat het bij alle andere gelegenheden meer en meer geaccepteerd moet
worden,
maar hier -omdat het hier alleen maar in het groot aanschouwelijk zal
gemaakt
worden- weer afgebroken moet worden, om voor een opvatting van twee
andere
kanten, waar het naar uitstraalt, plaats te maken. Omdat ik namelijk
niet
alleen tot de mensen, voor zover ze het begrip
“mens” voorstellen of mensenkinderen zijn (kinderen van de
mens, zoals over kinderen van God
gesproken wordt), in verhouding sta, maar ook tot datgene wat ze van de
mens
hebben en hun eigen noemen dus niet alleen met datgene wat ze door de
mens zijn, maar ook met hun menselijke hebben,
betrek:
zo
moet
buiten de
mensenwereld ook de zinnen- en ideeënwereld binnen de kring van de
bespreking
betrokken worden en valt er zowel over wat de mensen aan zinnelijke,
als wat ze
aan geestelijke zaken hun eigen noemen, iets te zeggen.
Naarmate men het begrip van de
mens
ontwikkelde en zich daar een beeld van had gemaakt, liet men
ons hetzelfde als deze of gene
eerbiedwaardige persoon achten en uit het
meest
uitgebreid inzicht
van dat begrip ontstond tenslotte het gebod: “In iedereen de mens te
respecteren.” Respecteer ik echter de mens, dan moet mijn respect zich
eveneens
tot het menselijke of datgene wat des mensen is uitstrekken.
De mensen hebben iets eigens en ik moet dat eigene accepteren
en heilig houden. Hun eigene bestaat
deels uit uiterlijke, deels uit innerlijke have.
Het ene zijn dingen, de geestelijkheden, gedachten, overtuigingen,
edele
gevoelens, enz. Maar altijd moet ik alleen maar de rechtelijke
of menselijke
have respecteren; de onrechtmatige en onmenselijke hoef ik niet te
ontzien,
want alleen wat de mens werkelijk eigen is, alleen maar het eigene van de mens. Innerlijk bezit van dat
soort is bv. de religie; omdat de religie
vrij d.w.z. aan de mens toebehoort, daarom mag ik die
niet aantasten. Eveneens is de eer een innerlijk
bezit; ze is vrij en mag door mij niet aangetast
worden (belediging, karikaturen, enz). Religie en eer zijn “geestelijke
eigendom”. In het zakelijke eigendom staat de persoon bovenaan: mijn
persoon is
mijn eerste eigendom. Daarom vrijheid van de persoon; maar alleen de rechtelijke of menselijke persoon is
vrij, de andere wordt opgesloten. Jouw leven is jouw eigendom; het is
echter
voor de mens alleen heilig als het geen onmens is.
Wat de mens als zodanig
niet aan
lichamelijke goederen kan handhaven, mogen we hem ontnemen: dat is de
betekenis
van de concurrentie, van de handelsvrijheid. Wat hij aan geestelijke
goederen
niet kan handhaven, vervalt eveneens aan ons: zover gaat de
discussievrijheid,
de vrijheid van de wetenschap, kritiek, enz.
Maar onaantastbaar zijn
de
geheiligde zaken. Geheiligd en gegarandeerd door wie? In de eerste
plaats door
de staat, de maatschappij, maar eigenlijk door de mensen of het
“begrip”, het
“begrip van de zaak”: want het begrip van de geheiligde goederen is dat
ze
waarachtig menselijk zijn of liever dat ze de bezitter als mens en niet
als
onmens bezitten.
Geestelijkerzijds is zo’n
bezit het
geloof van de mens, zijn eer,
zijn zedelijkheid, ja zijn fatsoens-,
schaamtegevoel, enz. Krenkende handelingen (redevoeringen, geschriften)
zijn
strafbaar; aanvallen op “de grondslagen van de hele godsdienst”;
aanvallen op
het politieke geloof, kortom aanvallen op alles wat een mens “terecht”
bezit.
Welke uitbreiding het
begrip “mens”
bevat en wat daardoor de afzonderlijke mens toekomt, wat dus de mens en
het
menselijke is, daarover liggen de verschillende trappen van het
liberalisme
uiteen en de politieke, de sociale, de humane mens neemt, de
één steeds meer
dan de ander, “de mens” in beslag. Wie dat begrip het best begrepen
heeft die
weet het best wat “de mens” toebehoort. De staat vat dat begrip nog in
de
politieke, de maatschappij in zijn sociale beperktheid op, de mensheid,
zo heet
het, ontwikkelt dat pas volledig of “de geschiedenis van de mensheid
ontwikkelt
dat”. Is echter “de mens gevonden”, dan kennen wij ook het mens-eigene,
het
eigendom van de mens, het menselijke.
Maar al mag de
afzonderlijke mens,
omdat voor hem de mens of het begrip mens d.w.z. omdat zijn menszijn
hem
daartoe het “recht geeft”, op nog zoveel rechten aanspraak maken: wat
maakt mij zijn recht en aanspraak uit? Heeft
hij zijn recht alleen van de mens en heeft hij het niet van mij
dan heeft hij voor mij geen recht. Zijn leven bv.
geldt voor mij in zoverre het voor mijzelf waarde
heeft. Ik respecteer
noch zijn zogenaamd eigendomsrecht of zijn recht op zakelijke goederen,
noch
zijn recht op zijn “innerlijke heiligdom” of zijn recht op het
ongeschonden
blijven van geestelijke en goddelijke zaken, zijn goden. Zijn goederen,
de
zinnelijke zowel als de geestelijke, zijn de mijne en
naarmate mijn macht regeer ik daarover als eigenaar.
Het eigendomsvraagstuk
bergt een grotere betekenis in zich dan de
beperkte vraagstelling laat blijken. Alleen met betrekking tot datgene
wat men
ons bezit noemt, is het onoplosbaar; de beslissing bevindt zich pas bij
hem
“van wie we alles hebben”. Van de eigenaar
hangt het eigendom af.
De revolutie richtte haar
wapens
tegen alles wat “van Gods genade” afkomstig was, bv. tegen het
goddelijke
recht, waar het menselijke aan bevestigd werd. Tegenover het “door Gods
genade”
verleende, werd het “uit het wezen van de mens” afgeleide, geplaatst.
Toen nu het onderling
verband van de
mensen, in tegenstelling tot het religieuze dogma dat een “bemint
elkaar om
Gods wil” gebiedt, zijn menselijke plaats door een “bemint elkaar om
des mensen
wil” moest handhaven, kon de revolutionaire leer niet anders dan
vooralsnog,
wat de betrekking van de mensen tot de dingen van de wereld betreft,
vaststellen dat de wereld, die tot dusver naar de wil van God was
ingericht,
voortaan “aan de mens” toebehoorde.
De wereld hoort “de mens” toe en moet door mij als zijn eigendom
gerespecteerd
worden.
Eigendom is het mijne!
Eigendom in de burgerlijke betekenis betekent heilig
eigendom, van die soort dat ik jouw eigendom moet respecteren.
“Respect
voor
het
eigendom!”
Daarom wilden de politici dat iedereen een stukje eigendom
bezat en
ze hebben door dat streven deels een ongelooflijke verkaveling
veroorzaakt.
Iedereen moest zijn bot hebben waaraan hij iets te kluiven had.
Anders is het met de zaak
in het
egoïstische gesteld. Voor jouw en jullie eigendom treed ik niet
schuw terug, maar
beschouw het steeds als mijn eigendom
waar ik niets aan hoef te “respecteren”. Doe toch net zo met datgene
wat jij
mijn eigendom noemt!
Zo beschouwd zullen wij
het het gemakkelijkst met elkaar
eens worden.
De politieke liberalen
zorgen er
voor dat waar mogelijk alle erfdienstbaarheden afgeschaft worden en
iedereen
een vrije meester op zijn grond is, als die grond tenminste ook alleen
maar
zoveel grondgehalte heeft dat die zich voldoende laat verzadigen door
de mest
van een mens. (Elke boer huwde nog in de oudheid “zodat hij dan van de
stront
van zijn vrouw kon profiteren”.) Al is het ook nog zo klein, als men
maar het
eigene, namelijk een gerespecteerd
eigendom heeft.
Hoe meer van zulke
eigenaars, zulke
stront-azers, des te meer “vrije mensen en goede patriotten” heeft de
staat.
Het politieke liberalisme
rekent net
als al het religieuze op het respect,
de humaniteit, de liefdedeugden. Daarom leeft het ook in een
onophoudelijke
ergernis. Want in de praktijk respecteren de mensen juist niets en alle
dagen
worden de kleine bezittingen weer door grotere eigenaren opgekocht en
uit de
“vrije burgers” ontstaan dagloners.
Hadden daarentegen de
“kleine
eigenaars” bedacht dat ook het
grote eigendom van hen is, dan hadden ze zich daar niet respectvol van
uitgesloten
en zouden niet uitgesloten zijn.
Het eigendom zoals de
burgerlijke
liberalen het opvatten, verdient de aanvallen van de communisten en
Proudhon:
het is onhoudbaar omdat de burgerlijke eigenaar werkelijk niets dan een
eigendomloze, een overal uitgeslotene is.
In plaats van dat hem de wereld zou kunnen toebehoren, behoort hem niet
eens
een armzalige punt toe waarop hij kan ronddraaien.
Proudhon wil niet de
“propriétaire”,
maar de “possesseur” of de “usufruitier”.
Wat betekent dat? Hij wil niet dat de grond aan iemand toebehoort, maar
wel de
opbrengst daarvan en al zou men hem ook maar een honderdste deel van
deze
opbrengst, van deze vrucht toekennen, dan is dat toch zijn eigendom
waarmee hij
naar believen kan doen en laten wat hij wil. Wie alleen de opbrengst
van een
akker heeft, is daar zeker geen eigenaar van; nog minder hij die, zoals
Proudhon wil, van die opbrengst zoveel af moet geven als hij voor zijn behoeften niet noodzakelijk
nodig heeft; hij is alleen maar de eigenaar van het hem overblijvende
aandeel.
Zo negeert Proudhon enkel dit of dat eigendom, niet het
eigendom. Wanneer wij de grond niet langer aan de
grondeigenaars overlaten, maar die ons willen toe-eigenen,
dan
verenigen
we
ons tot dat doel,
vormen een vereniging, een “société” die zichzelf tot
eigenares maakt; lukt het
ons, dan houden zij op grondeigenaren te zijn. En zoals van grond en
bodem
kunnen we hen nog uit menig
ander eigendom verjagen om dat vervolgens tot ons eigendom te maken, tot eigendom
van de veroveraars. De veroveraars vormen een sociëteit
die
men
zich zo groot kan voorstellen
dat ze langzamerhand de hele mensheid omvat; maar ook die zogenaamde
mensheid,
is als zodanig niet anders dan
een gedachte, een spook; haar werkelijkheid zijn de enkelingen. En
deze enkelingen zullen als één
gezamenlijke
massa niet minder willekeurig met grond en bodem omspringen dan
een afzonderlijke enkeling, of zogenaamde
“propriétaire”. Ook zo blijft dus het eigendom
bestaan en weliswaar als “uitsluitend” omdat de mensheid,
deze
grote
sociëteit,
de enkeling van hun
eigendom uitsluit (hem wellicht alleen maar een
stuk daarvan verpacht, te leen
geeft) zoals ze toch al alles
wat niet tot de mensheid behoort, uitsluit bv. de
dierenwereld
niet
tot
eigendom laat komen. Zo zal het ook
blijven en worden. Datgene waar allen
aandeel aan willen hebben, wordt aan die enkeling, die het alleen
voor
zichzelf wil hebben, onttrokken, het wordt gemeengoed
gemaakt. Zoals aan een gemeengoed
heeft iedereen daar zijn aandeel aan en dat aandeel is zijn eigendom.
Zo
is
ook
binnen onze oude
verhoudingen een huis dat aan vijf erfgenamen toebehoort hun
gemeengoed; het
vijfde deel van het bedrag echter is ieders eigendom. Proudhon had zich
zijn
breedvoerig pathos kunnen besparen als hij gezegd had: er zijn een paar
dingen
die alleen maar aan weinigen toebehoren en waarop wij overigen van nu
af aan
aanspraak of jacht zullen maken. Laten wij ze nemen omdat men door het
nemen
tot eigendom komt en het tot nu toe nog aan ons onthouden eigendom ook
alleen
maar door het te nemen aan de eigenaren is toegekomen. Het zal van
groter nut
zijn als het in ons aller handen is,
dan wanneer de weinigen daarover beschikken. Laten wij ons daarom
verenigen met
deze roof tot doel (vol). Daarom liegt hij ons voor dat de maatschappij
de
oorspronkelijke bezitster en de enige eigenares met onverjaarbaar recht
is; ten
opzichte van haar is de zogenaamde eigenaar tot dief geworden (la
propriété
c’est le vol); als ze nu de huidige eigenaar zijn eigendom onttrekt,
dan
berooft ze hem van niets omdat ze alleen maar haar onverjaarbare recht
laat
gelden. Zover komt men met het spook van de sociëteit als morele persoon. De mens behoort integendeel toe wat hij
weet te
krijgen: mij behoort de wereld toe.
Zeg jij dan iets anders met de tegenovergestelde zin: “De wereld
behoort allen toe”? Allen ben ik en nog eens ik,
enz. Maar jij maakt van dat “allen” een spook en maakt dat heilig zodat
dan die
“allen” tot een angstaanjagende meester
voor de enkeling worden. Aan jouw zijde plaatst zich dan het spook van
het
“recht”.
Proudhon vecht net als de
communisten tegen het egoïsme. Daarom
zijn zij de gevolgen en consequenties van het christelijke principe,
het
principe van de liefde, de opoffering voor iets algemeens, iets
vreemds. Ze
voltooien bv. in het eigendom alleen wat in feite al lang beschikbaar
was,
namelijk de eigendomloosheid van de enkeling. Wanneer het in de wet
heet “ad
reges potestas omnium pertinet, ad singulos proprietas; omnia rex
imperio
possidet singuli dominio”, dan wil dat zeggen: de koning is eigenaar,
want hij
alleen kan over “alles” beschikken, daarmee doen en laten wat hij wil, hij heeft daar potestas en “imperium”
over.
De
communisten
maken
dat duidelijker doordat ze dat imperium
op de “maatschappij van allen” overdragen. Dus: omdat ze
vijanden van
het egoïsme zijn, zijn ze christenen of algemener: religieuze
mensen, gelovers
in spoken, afhankelijken, dienaren van iets algemeens (van God, de
maatschappij, enz.). Ook daarin lijkt Proudhon op de christenen, dat
hij
datgene wat hij aan de mensen ontzegt aan God toevoegt. Hem noemt hij
(bv. blz.
90) de propriétaire van de aarde. Hiermee bewijst hij dat hij de
eigenaar als zodanig niet kan wegdenken:
hij belandt uiteindelijk aan bij één eigenaar, maar
verplaatst die voorbij de
wereld.
Eigenaar is echter noch
God, noch de mens (de “menselijke
maatschappij”), maar de enkeling.
Proudhon (en ook
Weitling) gelooft
het ergste van het eigendom te zeggen als hij het diefstal (vol) noemt.
Helemaal afgezien van de
netelige
vraag wat voor argument tegen diefstal ingebracht zou kunnen worden,
vragen we
alleen maar: is het begrip “diefstal” eigenlijk anders mogelijk, dan
wanneer
men het begrip “eigendom” laat
gelden? Hoe kan men stelen als er geen eigendom bestaat? Wat aan
niemand
toebehoort, kan niet gestolen worden; het water dat iemand uit de zee
schept, steelt hij niet. Daarom is
niet het eigendom diefstal, maar door het eigendom
wordt pas een diefstal mogelijk. Ook moet Weitling toegeven dat hij
alles als het eigendom van allen
beschouwt: is iets het “eigendom van
allen”, dan steelt zeker de
enkeling die het zich toeeigent.
Het privé-eigendom
leeft van de
genade van het recht. Alleen in het recht heeft het zijn waarborg.
Bezit is
immers nog geen eigendom, het wordt pas “het mijne” door toestemming
van het
recht; het is geen gegeven, niet “un fait” zoals Proudhon denkt, maar
een
fictie, een gedachte. Dat is het rechtseigendom,
rechterlijk
eigendom,
gegarandeerd
eigendom. Niet door mij
is het mijn, maar
door het recht.
Toch is eigendom de
uitdrukking voor
de onbeperkte heerschappij over iets
(ding, dier, mens) waarmee “ik kan doen en laten wat ik wil, naar eigen
goeddunken”. Volgens het Romeinse recht echter “ius utendi et abutendi
re sua,
quatenus iuris ratio patitur”, een uitsluitend
en onbeperkt recht; maar eigendom wordt
door macht bedongen. Wat ik in mijn macht heb dat is mijn eigen. Zolang
ik me
als bezitter handhaaf, ben ik de eigenaar van de zaak; ontgaat het me
weer,
maakt niet uit door welke macht, bv. door mijn erkenning van iemand
anders
aanspraak op de zaak, dan heeft het eigendom opgehouden te bestaan. Zo
valt
eigendom en bezit in één samen. Niet een buiten mijn
macht bestaand recht
legitimeert mij, maar alleen mijn macht; heb ik die niet meer, dan
verdwijnt
voor mij de zaak. Toen de Romeinen geen macht meer over de Germanen
bezaten,
behoorde het wereldrijk Rome aan hen toe en het zou belachelijk klinken
als men
zou willen volhouden dat de Romeinen desondanks de eigenlijke eigenaars
gebleven waren. Wie in staat is de zaak
te nemen en te behouden, hem behoort de zaak toe, totdat die hem weer
wordt
afgenomen, zoals de vrijheid aan hem behoort die haar neemt.
Over het eigendom beslist
alleen de
macht en aangezien alleen de
staat, het maakt niet uit of dat nu de burgerlijke staat of de
lompenstaat of
gewoonweg die van de mensen is, machtig is, is hij alleen eigenaar; ik,
de
enige, bezit niets en krijg alleen maar te leen, ik ben leenman en als
zodanig
dienaar. Onder de heerschappij van de staat bestaat geen eigendom van mij.
Wil ik de waarde van het
mijne
verhogen, de waarde van de eigenheid, zou die van het eigendom dan
dalen? Nee,
zoals ik sindsdien niet naar waarde geschat werd omdat men
volk, mensheid en duizend andere
algemeenheden boven mij stelde, is ook het eigendom
tot
op
de
dag van vandaag nog niet in zijn volle
waarde erkend.
Ook het eigendom was alleen maar het eigendom van een spook
bijvoorbeeld volkseigendom;
mijn hele bestaan “behoorde het
vaderland toe”: ik behoorde het
vaderland, het volk, de staat toe en daarom ook alles wat
ik mijn eigen
noemde. Men
eist van de staten dat ze het pauperisme
uit
de
weg
moeten
ruimen. Het lijkt mij hetzelfde als verlangen dat de staat zichzelf de
kop af
zou snijden en voor de voeten leggen; want zolang de staat het ik is, moet dat afzonderlijke ik
een arme duivel, een niet-ik zijn. De staat heeft er alleen belang bij
zelf
rijk te zijn; of Michel rijk en Peter arm is, maakt voor hem niets uit;
het zou
ook kunnen zijn dat Peter rijk en Michel arm is. Hij kijkt
onverschillig toe
hoe de één verarmt en de andere zich verrijkt,
onbekommerd om dat wisselspel.
Als enkelingen zijn ze in zijn ogen
echt gelijk, daarin heeft hij gelijk: voor hem zijn ze beiden niets net
zoals
we voor God “allemaal zondaars zijn”; daarentegen heeft hij er zeer
veel belang
bij dat die enkelingen die hem tot hun
ik maken, deel aan zijn rijkdom
hebben: hij maakt hen tot deelhebbers aan zijn
eigendom. Door eigendom, waarmee hij de enkelingen beloont, temt
hij hen;
het blijft echter zijn eigendom en
iedereen heeft er maar zolang het vruchtgebruik van als
hij
het
ik
van de staat in zich draagt of een “loyaal lid
van de maatschappij” is; in het tegenovergestelde geval wordt het
eigendom
verbeurd verklaard of door pijnlijke processen in niets omgezet. Het
eigendom
is en blijft dus staatseigendom, niet
het eigendom van het ik. Dat de staat niet willekeurig de enkeling
onttrekt wat
hij van de staat heeft, is alleen hetzelfde als dat de staat zich niet
zelf
berooft. Wie een staats-ik d.w.z. een goede burger of onderdaan is, die
laat
als zo’n ik, niet als eigen, het lenen ongestoord. Dat noemt de codex
dan als
volgt: eigendom is wat ik van “Gods- en rechtswege” het mijne noem. Van
Gods-
en rechtswege is het echter maar het mijne zolang de staat er niets
tegen
heeft.
Bij de onteigeningen,
wapenleveranties en dergelijke (zoals bv. de fiscus erfenissen intrekt,
als de
erven zich niet tijdig genoeg melden) springt dat anders verdekte
principe, dat
alleen het volk, “de staat”, eigenaar
is en de enkeling daarentegen leenman, duidelijk in het oog.
Wat ik wil zeggen is dat
de staat
niet kan toelaten dat iemand ter wille
van zichzelf eigendom heeft of zelfs rijk of alleen maar welvarend
is; hij
kan mij als mijzelf niets toekennen, laten toekomen, niets verschaffen.
De
staat kan het pauperisme niet tegengaan omdat poverheid van bezit een
poverheid
van mijzelf is. Wie niets is dan wat het toeval
of iets anders, namelijk de staat van hem maakt, heeft
heel terecht niets dan wat een
ander hem geeft. En deze andere zal hem alleen maar geven
wat hij verdient d.w.z. wat hij door dienen waard is. Niet
hijzelf maakt zich waardevol, maar de staat kent hem waarde toe.
De politieke economie
(nationaal-economie) houdt zich veel met dat onderwerp bezig. Het gaat
daarom
ver boven het “nationale” uit en boven het begrip en de horizon van de
staat,
die enkel staatseigendom kent en dat kan verdelen. Daarom knoopt hij
het bezit
van eigendom aan voorwaarden zoals
hij daar alles aan vastknoopt, bv. het huwelijk omdat hij alleen het
door hem
gesanctioneerde huwelijk laat gelden en dat aan mijn macht onttrekt.
Eigendom
is echter alleen mijn eigendom
wanneer ik het zelf onvoorwaardelijk in
mijzelf heb: alleen ik, als onvoorwaardelijk ik, bezit
eigendom,
knoop een liefdesbetrekking aan, drijf vrije handel, enz.
De staat bekommert zich
niet om mij
en het mijne, maar om zich en het zijne; ik geld voor hem alleen maar
als
zoiets als zijn kind, “landskind”;
als ik ben
ik helemaal niets voor hem. Wat
mijzelf als ik overkomt, is voor het begrip
van de staat iets toevalligs: mijn
rijkdom zowel als mijn armoede. Wanneer ik echter met al het mijne voor
hem een
toeval ben, dan bewijst dat, dat hij mij
niet kan begrijpen; ik ga zijn
bevattingsvermogen te boven of zijn begrip schiet te kort om mij te
kunnen
begrijpen. Daarom kan hij ook niets voor mij doen.
Het pauperisme betekent mijn waardeloosheid; het verschijnsel
dat ik mijzelf zélf niet ten gelde kan maken. Daarom zijn staat
en pauperisme
één en hetzelfde. De staat laat mij niet tot mijn waarde
komen en bestaat
alleen door mijn waardeloosheid: hij is er altijd op uit van mij gebruik te maken, d.w.z. me te
exploiteren, uit te buiten, te verbruiken al zou dat verbruik alleen
maar
bestaan uit het feit dat ik voor een proles (proletariaat) zorg; hij
wil dat ik
“zijn schepsel” ben.
Alleen dan kan het
pauperisme opgeheven
worden, wanneer ik me als mijzelf waarde
toeken, wanneer ik Mezelf waarde geef en mijn prijs zelf maak. Ik
moet
Mezelf verheffen om omhoog te komen.
Wat ik voortbreng, meel,
linnen of
ijzer en kolen die ik met moeite aan de aarde onttrek, enz. is mijn arbeid die ik in waarde wil
omzetten. Ik zou er echter lang over kunnen klagen dat mijn arbeid niet
naar
waarde betaald wordt; de betaler zal me niet horen en de staat zal zich
net
zolang apathisch gedragen tot hij
gelooft mij te moeten “sussen” opdat ik niet met mijn gevreesd geweld
zou
losbarsten. Maar bij dat “sussen” zal het
echter blijven en schiet mij niets meer te verlangen binnen dan
keert de
staat zich weer tegen mij met alle kracht van zijn leeuwenpoten en
adelaarsklauwen: want hij is de koning van de dieren, is leeuw en
adelaar. Neem
ik geen genoegen met de prijs die hij voor mijn arbeid en waren
vaststelt,
probeer ik eerder de prijs van mijn waren zelf te bepalen d.w.z. “mij
te laten
betalen”, dan raak ik in de eerste plaats met de
afnemers
van
de
waren in conflict. Zou dat door een
wederzijdse overeenkomst opgelost worden, dan zal de staat niet gauw
bezwaren
maken; want hoe de enkelingen het met elkaar uitmaken, maakt hem weinig
uit
zolang ze hem daarbij maar niet in de weg lopen. Zijn schade en gevaar
begint
pas als ze er niet met elkaar
uitkomen, maar ze, omdat er geen compromis tot stand komt, elkaar bij
de kop
vatten. De staat kan het niet
dulden dat de mens tot de mens in directe verhouding staat: hij moet
als
bemiddelaar tussenbeiden komen, moet interveniëren. Wat Christus
was, de
heilige, de kerk, dat is de staat geworden namelijk “bemiddelaar”. Hij
rukt de
mens van de mens af om zich als een “geest” in
hun midden te plaatsen. De arbeiders die hoger loon
verlangen, worden
als misdadigers behandeld zodra ze dat willen afdwingen. Wat moeten ze
dan
doen? Zonder dwang krijgen ze het niet en met dwang ziet de staat een
zelfhulp,
een door het ik bepaalde prijs, een werkelijke, vrije waardering van
zijn
eigendom, die hij niet kan tolereren. Wat moeten de arbeiders dan
beginnen?
Zelfstandig blijven en de staat niets vragen?
Zoals het echter met mijn
zakelijke
arbeid gaat zo gaat het ook met mijn geestelijke. De staat staat mij
toe al
mijn gedachten ten gelde te maken en aan de man te brengen (dit in
waarde
omzetten gebeurt al bv. doordat het me waardering van mijn toehoorders
verschaft, enz.); maar alleen maar zolang mijn
gedachten, zijn gedachten zijn.
Koester ik daarentegen gedachten die hij niet op prijs stelt, d.w.z.
niet tot
de zijne kan maken, dan staat hij me doorgaans niet toe om ze waarde te
geven, ze te ruilen, in omloop te
brengen. Mijn gedachten zijn alleen
vrij als ze mij door de genade van de staat gegund zijn, d.w.z. wanneer
ze
gedachten van de staat zijn. Hij laat me alleen maar vrij filosoferen
voor
zover ik bewijs een “staatsfilosoof” te zijn; tegen de
staat mag ik niet filosoferen, hij ziet graag dat ik hem
van zijn “gebreken” afhelp, hem “steun”. Dus omdat ik mijzelf alleen
maar als
een door de staat allerminzaamst toegelaten, als een van zijn
legitimiteitbewijs en politiepas voorzien ik moet gedragen, is het mij
ook niet
vergund aan het mijne waarde toe te kennen, behalve wanneer het zich als het zijne
voordoet, dat ik dan van hem te leen heb. Mijn wegen
moeten zijn wegen zijn anders legt hij beslag op me; mijn gedachten
zijn zijn
gedachten anders snoert hij mij de mond.
Van niets heeft de staat
meer te
vrezen, dan van mijn waarde en niets moet hij zorgvuldiger proberen te
voorkomen, dan elke zich voor mij voordoende gelegenheid om Mezelf te
laten
gelden. Ik ben de doodsvijand van de
staat die steeds in de tweestrijd zweeft: hij of ik. Daarom houdt hij
zich er
streng aan niet alleen mij niet
Mezelf te laten doen gelden, maar ook het mijne te verijdelen. In de
staat
bestaat geen eigendom d.w.z. geen eigendom van de enkelingen, alleen
maar
staatseigendom. Alleen door de staat heb ik wat ik heb zoals ik alleen
door hem
ben wat ik ben. Mijn privé-eigendom is alleen maar datgene wat
de staat mij van de zijnen
overlaat terwijl
hij andere staatsleden daarom inkort (priveert): het
is
staatseigendom.
In tegenstelling echter
tot de staat
voel ik steeds duidelijker dat mij nog een grote macht overblijft, de
macht
over Mezelf d.w.z. over alles wat alleen mijzelf toebehoort en alleen
maar is,
omdat het mijn zelf is.
Wat moet ik beginnen
wanneer mijn
wegen niet meer zijn wegen, mijn gedachten niet meer zijn gedachten
zijn? Ik blijf bij Mezelf en vraag niets
aan hem! Aan mijn gedachten die ik
door geen toestemming, vergunning of genade laat sanctioneren, heb ik
mijn
werkelijk eigendom, een eigendom waarmee ik handel kan drijven. Want
als het
mijne zijn ze mijn scheppingen en ik
ben in staat ze weg te geven tegen andere
gedachten; ik geef ze op en ruil daar andere voor in die dan mijn nieuw
gekochte eigendom zijn.
Wat is dus mijn
eigendom? Niets dan wat in mijn macht is! Op welk eigendom heb
ik recht? Op elk eigendom waartoe ik mijzelf machtig.
Het eigendomsrecht geef ik mijzelf omdat ik voor mijzelf
in eigendom neem of mijzelf de macht
van de eigenaar, de volmacht, de machtiging, geef.
Waarover men mij de macht
niet kan
ontnemen dat blijft mijn eigendom; welaan, dus de macht beslist over
het
eigendom en ik wil alles van mijn macht verwachten! Vreemde macht,
macht die ik
aan een ander overlaat, maakt mij tot lijfeigene; moge zo mijn eigen
macht mij
tot eigenaar maken. Laat ik dan de macht terugtrekken die ik aan
anderen uit
onkunde over de kracht van mijn eigen
macht heb afgestaan! Laat ik tot Mezelf zeggen: wat mijn macht kan
nemen, is
mijn eigendom en ik maak op alles als eigendom aanspraak, waar ik me
sterk
genoeg voor voel het te bereiken en laat mijn werkelijk eigendom zover
reiken
als ik me het recht geef,
d.w.z. mijzelf machtig te nemen.
Hier moet het
egoïsme,
het eigenbelang, beslissen, niet het principe van de liefde,
niet
de
liefdesmotieven,
zoals barmhartigheid,
milddadigheid, goedhartigheid of zelfs gerechtigheid en billijkheid
(want ook
de justitia is een fenomeen van de liefde, een liefdesproduct): de
liefde kent
alleen maar offers en eist
“zelfverloochening”.
Het egoïsme denkt er
niet aan iets
op te offeren, zich in iets te kort te doen; het beslist gewoon: wat ik
nodig
heb, moet ik hebben en wil ik me verschaffen.
Alle pogingen om over het eigendom redelijke wetten te
maken, liepen van de boezem van de liefde in een woeste zee van
verordeningen
uit. Ook het socialisme en communisme maken hierop geen uitzondering.
Iedereen
moet van toereikende middelen voorzien worden waarbij het er weinig op
aan komt
of men ze nog socialistisch in een persoonlijk eigendom vindt of
communistisch
uit de goederengemeenschap schept. De mentaliteit van de enkeling
blijft
daarbij dezelfde, het blijft een afhankelijkheidsmentaliteit. De
verdelende billijkheidsinstantie geeft mij alleen
maar zoveel als de billijkheidsmentaliteit, haar liefdevolle zorg voor
allen,
voorschrijft. Voor mij, de enkeling, ligt er niet minder aanstoot in
het totaalvermogen, dan dat van de afzonderlijke
andere; noch het ene, noch
het andere is het mijne; of het vermogen aan de gemeenschap toebehoort
die mij
daar een deel van laat toekomen of aan afzonderlijke bezitters is voor
mijzelf
dezelfde dwang omdat ik over geen van beiden kan beschikken.
Integendeel, het
communisme drukt mij door opheffing van alle persoonlijke eigendom nog
meer in
de afhankelijkheid van een ander, namelijk van de algemeenheid of
gezamenlijkheid, terug en hoe hard het ook steeds de “staat” aangrijpt,
wat het
beoogt is zelf weer een staat, een status, een mijn vrije beweging
belemmerende
toestand, een opperheerschappij over mij. Tegen de verdrukking die ik
van de
afzonderlijke eigenaar te verduren heb, verzet het communisme zich
terecht;
maar huiveringwekkender nog is de macht die het in handen van de
gemeenschap
legt.
Het egoïsme slaat
een heel andere
weg in om het bezitloze gepeupel uit te roeien. Het zegt niet: wacht af
wat de
billijkheidsinstantie in naam van de gemeenschap zal schenken (want
zo’n
schenking geschiedde van oudsher in de “staat” waar “naar verdienste”
dus
naarmate iedereen het wist te verdienen,
wist te dienen, aan iedereen gegeven
werd), maar: grijp toe en neem wat je nodig hebt! Daarmee is de oorlog
van
allen tegen allen verklaard. Ik alleen bepaal wat ik wil hebben.
“Wel dat is echt geen
nieuwe
wijsheid want zo hebben de zelfzuchtigen het te allen tijde gedaan!” Het is dan ook helemaal niet nodig dat
een zaak nieuw is, als het bewustzijn daarvan
maar aanwezig is. Dat kan echter niet op een hoge ouderdom aanspraak
maken,
wanneer men de Egyptische en Spartaanse wetten tenminste niet
meerekent; want
hoe weinig gebruikelijk het is,
volgt al uit bovengenoemd verwijt dat met verachting over de
“zelfzuchtige”
spreekt. Men moet juist weten dat zo’n daadwerkelijk ingrijpen niet
verachtelijk is, maar de zuivere daad tot uitdrukking brengt van de het
met zichzelf
eens zijnde egoïst.
Pas wanneer ik niet van
de
afzonderlijken, noch van een gemeenschap verwacht wat ik Mezelf kan
geven, pas
dan ontglip ik de strikken van de liefde; pas dan houdt het gepeupel op
gepeupel te zijn, wanneer het toeslaat.
Alleen omdat het toeslaan zonde,
misdaad is, alleen die bepaling schept een gepeupel en dat het blijft
wat het
is, daaraan is het zowel zelf schuldig, omdat het die bepaling laat
gelden, als
diegenen die “zelfzuchtig” (om hen hun geliefde woord terug te geven)
eisen dat
ze gerespecteerd wordt. Kortom, alleen het ontbreken van bewustzijn
omtrent die “nieuwe wijsheid”, het oude
zondebewustzijn,
draagt
de
schuld.
Raken de mensen zover dat
ze het respect voor het eigendom
verliezen, dan zal iedereen eigendom hebben, zoals alle slaven vrij
zouden zijn
zodra ze de meester niet meer als meester erkennen. Verenigingen
zullen dan ook wat dat betreft de middelen van de
enkeling vermenigvuldigen en zijn aangevochten eigendom veiligstellen.
Volgens de mening van de
communisten
moet de gemeenschap eigenares zijn. Omgekeerd, ik ben
eigenaar en heb het alleen met anderen over mijn eigendom.
Doet de gemeenschap mij geen recht, dan kom ik tegen haar in opstand en
verdedig mijn eigendom. Ik ben
eigenaar, maar mijn eigendom is niet heilig.
Zou ik dan alleen maar bezitter zijn? Nee, voorheen was men alleen maar
bezitter, verzekerd van het bezit van een perceel doordat men anderen
ook in
het bezit van een perceel liet; nu echter behoort alles mij
toe,
ik
ben
eigenaar van alles wat ik
nodig heb en
te pakken kan krijgen. Heet het socialistisch: de maatschappij geeft me
wat ik
nodig heb, zo zegt de egoïst: ik neem wat ik nodig heb. Gedroegen
de
communisten zich als lompen, de egoïst gedraagt zich als eigenaar.
Alle
gepeupel-gelukkig-maak-pogingen
en zwanenverbroederingen die uit het principe van de liefde voortkomen,
moeten
schipbreuk lijden. Alleen uit het egoïsme
kan het gepeupel hulp krijgen en
deze hulp moet het zichzelf verschaffen en zal het zich
verschaffen. Laat het zich niet tot vrees dwingen,
dan is het een macht. “De mensen zouden alle respect verliezen als men
ze niet tot vrees dwong”, zegt de wet van
Popanz in de Gelaarsde Kat.
Dus, het eigendom
moet
en
kan
niet opgeheven worden, het moet
eerder uit spookachtige
handen ontrukt worden en mijn eigendom worden, dan zal het foute
bewustzijn
verdwijnen dat ik niet gerechtigd
zou kunnen zijn tot zoveel als ik nodig heb.
“Maar wat kan de mens dan
niet
allemaal gebruiken!” Welnu, wie veel nodig heeft en het weet te
krijgen, heeft
het te allen tijde gepakt, zoals Napoleon het continent en de Fransen
Algiers. Het komt er hier dus op aan dat het respectvolle “gepeupel” eindelijk
leert te pakken wat het nodig heeft. Pakt het volgens jullie teveel,
oei,
verweer je dan. Jullie hebben het helemaal niet nodig om het
bereidwillig iets
te schenken en als het zichzelf leert kennen, of liever wie van het
gepeupel
zichzelf leert kennen, ontdoet zich van de gepeupelachtigheid omdat het
voor
jullie aalmoezen bedankt. Belachelijk blijft het dat jullie het voor
“zondig en
misdadig” uitmaken als het niet van jullie goeddoen wil leven, omdat
het
zichzelf iets goed kan doen. Jullie schenkingen bedriegen het en houden
het aan
het lijntje. Verdedig je eigendom, dan zullen jullie sterk zijn; willen
jullie
daarentegen jullie schenkvaardigheid houden en soms, om des te meer
politieke
rechten te hebben naarmate jullie meer aalmoezen (steun aan de armen)
kunnen
geven, dan gaat dat juist zolang als de bedeelden jullie je gang laten
gaan.
Genoeg, het
eigendomsvraagstuk is
niet zo minnelijk te schikken als de socialisten, ja zelfs de
communisten
dromen. Dat wordt alleen opgelost door de oorlog van allen tegen allen.
De
armen worden alleen vrij en eigenaar wanneer ze in opstand komen, zich
opwerken, zich verheffen. Al schenk je hen nog zoveel, ze zullen toch
altijd
meer willen hebben; want ze willen niets minder dan dat er uiteindelijk
niets
meer geschonken wordt.
Men zal vragen: maar hoe
zal het dan worden als de bezitlozen zich
vermannen? Hoe zullen de zaken dan vereffend worden? Men zou net zo
goed kunnen
willen dat ik een horoscoop voor een kind trek. Wat een slaaf zal doen,
zodra
hij zijn ketens verbroken heeft, dat moet men afwachten.
Kaiser hoopt in zijn naar
vorm en
inhoud waardeloze brochure (“De persoonlijkheid van de eigenaars met
betrekking
tot het socialisme en communisme, enz.”) dat de staat een
vermogensvereffening
zal
bewerken.
Altijd de staat! De
heer papa! Zoals de kerk voor de “moeder” van de gelovigen uitgegeven
en
aanzien werd, zo heeft de staat helemaal het gezicht
van
de
bezorgde
vader.
De concurrentie toont
zich als ten
nauwste verbonden met het principe
van de burgerlijkheid. Is dat iets anders dan de gelijkheid
(égalité)? En is de
gelijkheid niet ook een product van diezelfde revolutie, die door het
burgerdom
of de middenklasse is voortgebracht? Omdat het niemand verboden is met
iedereen
in de staat (uitgezonderd de vorst, omdat die zelf de staat voorstelt)
te
wedijveren en zich tot hun niveau op te werken, ze ten eigen bate ten
val te
doen brengen of uit te buiten, ze te overvleugelen en door sterke
inspanning
van hun welstand te beroven, dan dient dat als duidelijk bewijs dat
voor de
rechterstoel van de staat iedereen alleen maar de waarde van een
eenvoudig
individu heeft en niet op een gunst kan rekenen. Ren elkaar omver en
overtref
elkaar, zoveel je wil en kan, dat maakt mij, de staat, niets uit! Onder
elkaar
zijn jullie vrij te concurreren, wees concurrenten; dat is jullie maatschappelijke functie.
Voor mij, de staat, zijn
jullie niets anders dan “simpele
individuen!”
Wat in principiële
of theoretische
vorm als de gelijkheid van allen opgesteld werd, heeft juist in de
concurrentie
zijn verwerkelijking en praktische uitvoering gevonden; want de
“égalité” is de
vrije concurrentie. Allen zijn voor de staat, simpele individuen in de
maatschappij of met betrekking tot elkaar, concurrenten.
Ik hoef niet meer dan een
simpel individu te zijn om met die
ander, behalve de vorst en zijn familie, te kunnen concurreren, een
vrijheid
die vroeger onmogelijk was doordat men haar alleen door bemiddeling van
zijn
corporatie en daarbinnen een vrijheid van streven, genoot.
In gilde en feodaliteit
gedraagt de
staat zich intolerant en kieskeurig omdat hij privilegieert;
in
de
concurrentie
en het liberalisme is hij tolerant
en toegeeflijk omdat hij alleen patenteert
(aan de kandidaat schriftelijk verklaart dat voor hem de plaats open,
patent,
staat) of “concessioneert”. Omdat de staat nu alles aan de sollicitant
heeft overgelaten, moet hij met allen in conflict komen
omdat immers allen en iedereen het recht heeft om te solliciteren. Hij
zal
“bestormd” worden en in deze storm ten gronde gaan.
Is de
“vrije concurrentie”
dan
werkelijk “vrij”, ja
is het
werkelijk een “concurrentie”
namelijk van de personen, waarvoor ze zich uitgeeft, omdat ze op deze
titel haar recht baseert? Ze ging
er immers van uit dat de personen
van alle persoonlijke heerschappij vrij moesten worden. Is een concurrentie “vrij” die door de staat,
deze
heerser volgens het burgerlijk principe,
ingeperkt
wordt
door
duizenden
grenzen? Daar doet een
rijke fabrikant schitterende zaken en ik zou
met
hem moeten
concurreren? “Tenslotte, zegt de
staat, heb ik niets tegen jouw persoon als
concurrent in te brengen”. Ja, antwoord ik, maar daar heb ik ruimte
voor, een gebouw, geld voor nodig! “Dat is erg,
maar als je geen geld hebt, kun je niet concurreren. Je mag
niemand iets afpakken, want ik bescherm en
privilegieer het
eigendom.” De vrije concurrentie is niet “vrij” omdat mij de zaak om te
concurreren ontbreekt. Tegen mijn persoon valt niets in te brengen, maar omdat ik
de zaak niet heb, moet mijn persoon ook
terugtreden. En wie heeft de benodigde zaken? Die fabrikant daar? Dan
zou
ik ze hem afpakken! Nee, de staat
heeft ze als eigendom, de fabrikant alleen maar te leen, als bezitting.
Omdat het
dus met de fabrikant niet gaat, wil ik met die professor in de rechten
daar
concurreren; de man is een stumper en ik, die honderdmaal
meer
weet
dan
hij, zal zeker zijn
auditorium leegmaken. “Hebt u gestudeerd en bent u gepromoveerd,
vriend?” Neen,
maar wat geeft dat? Ik begrijp ruimschoots wat voor het leervak nodig is.
“Het spijt me, maar de concurrentie is
hier niet “vrij”. Tegen uw persoon valt niets te zeggen, maar de zaak ontbreekt, het doctoraaldiploma. En
dat diploma verlang ik, de staat. Smeek mij me daar op z’n minst om,
dan zullen
we zien wat er te doen valt.”
Dit is dus
de “vrijheid” van de concurrentie. De staat, mijnheer, bekwaamt me
eerst in het
concurreren.
Concurreren
de personen nu werkelijk? Nee,
opnieuw alleen de zaken! Het geld in
de eerste plaats, enz.
In de
wedstrijd zal steeds de ene achter de andere blijven (bv. een rijmelaar
bij een
dichter). Alleen maakt het niets uit of de ontbrekende middelen van de
ongelukkige concurrerenden persoonlijke of zakelijke zijn en evenmin of
de
zakelijke middelen op persoonlijke kracht verkregen kunnen worden
of alleen maar door genade te
verkrijgen zijn, alleen als geschenk en wel doordat bv. de arme de rijke zijn rijkdom laat, d.w.z. moet
schenken. Moet ik echter eigenlijk op de goedkeuring van de
staat
wachten om de middelen te krijgen of te
gebruiken (bv. bij de promotie),
dan heb ik deze middelen door de genade van
de
staat.
Vrije concurrentie
heeft dus alleen maar de volgende betekenis:
voor de staat zijn allen zijn
gelijke kinderen en iedereen kan lopen en
rennen om de goederen en genadegiften
van
de
staat te verdienen. Daarom jagen
ook
allen naar have, het hebben, het bezit (zij het van geld of ambten, eretitels, enz.)
naar
de zaak.
Volgens
het burgerdom is iedereen
bezitter of “eigenaar”. Hoe komt
het
dan
dat
toch de meeste zo goed als niets bezitten? Dat komt doordat
de
meeste
er zich al over verheugen alleen
maar bezitter te zijn, al is het maar van
enige lappen, zoals kinderen zich
verheugen over hun eerste broekje of zelfs over
hun eerste gekregen
muntje. Nauwkeuriger echter is
de zaak als volgt op te vatten. Het liberalisme kwam meteen met
de verklaring dat het tot het wezen van de mens
behoort
om geen eigendom, maar eigenaar te
zijn. Daar het hierbij om “de mens” en niet om de enkeling te doen
was, bleef de vraag hoeveel, dat juist het speciale belang
van de enkeling uitmaakte, aan hem overgelaten.
Daarom hield het egoïsme van de enkeling de meest vrije
speelruimte in
het hoeveel, en dreef een onvermoeibare
concurrentie
op.
Intussen
moest het gelukkige egoïsme, de minder gelukkig
gemaakte
aanstoot
geven
en dit, nog altijd stoelend op het principe
van
het mensdom, stelde de vraag naar het
hoeveel van het bezit en beantwoordde die met “de mens moet zoveel
hebben als hij nodig heeft”.
Zal mijn egoïsme
daar
genoegen
mee
kunnen nemen? Wat
“de mens” nodig heeft, geeft in
geen geval voor mijzelf en mijn
behoeften een maatstaf; want ik kan minder of
meer nodig hebben.
Ik moet eerder zoveel hebben als ik in staat ben mijzelf toe te eigenen.
De
concurrentie lijdt aan de kwaal dat niet iedereen de middelen
om te concurreren ter beschikking heeft, omdat ze niet aan
de persoonlijkheid ontleend zijn, maar aan de toevalligheid. De meesten
zijn onbemiddeld en daarom onbegoederd.
De socialisten eisen
daarom de middelen op voor allen en beogen een
middelenverschaffende maatschappij. Jullie geldwaarde, zeggen ze,
beschouwen
wij niet meer als jullie vermogen, jullie moeten een ander vermogen
kunnen
aantonen, namelijk je arbeidskracht.
In het bezit van een have of als “hebber” laat de mens zich wel als
mens zien,
daarom lieten wij ook de bezitter die wij “eigenaar” noemden, zolang
gelden.
Alleen heb jij de dingen toch maar net zolang als je niet “uit dat
eigendom
gezet wordt”.
De bezitter is vermogend,
maar
alleen maar in zoverre als de anderen onvermogend zijn. Omdat jouw
goederen
maar net zolang jouw vermogen vormen als je in staat bent ze te
behouden d.w.z.
als wij daar niets over te zeggen
hebben, kijk dus maar naar een ander vermogen uit, want wij overtreffen
nu jouw
voorgewende vermogen door onze macht.
Er zou buitengewoon veel
gewonnen
zijn als men zou doordrijven om als bezitter beschouwd te worden. Het
lijfeigenschap zou daardoor opgeheven worden en iedereen die tot dan
toe de
meester dienstplichtig en min of meer zijn eigendom was geweest, zou
dan een
“meester” worden. Maar voorlopig is jouw hebben en have niet meer
toereikend en
wordt niet meer toegestaan; daarentegen stijgt jouw arbeid in waarde.
We
stellen nu jouw bemachtigen van de
dingen, zoals voorheen jouw bezit, op prijs. Jouw arbeid is jouw
vermogen! Jij
bent alleen maar meester of bezitter van het verwerkte,
niet
van
het
vererfde.
Daar echter tegenwoordig alles iets geërfds is en iedere stuiver
die je bezit
niet een arbeidsstempel, maar een erfstempel draagt, moet alles
omgesmolten
worden.
Maar is dan werkelijk,
zoals de
communisten denken, mijn arbeid mijn enige vermogen of bestaat dat niet
veeleer
uit alles wat ik kan? En moet de arbeidersmaatschappij dat zelf niet
toegeven
omdat ze bv. ook zieken, kinderen, grijsaards, kortom de
arbeidsongeschikten
onderhoudt? Deze kunnen nog altijd heel veel bv. zich in leven houden
in plaats
van zich ervan te beroven. Zijn zij in staat jullie naar hun
voortbestaan te
doen verlangen dan hebben ze macht over jullie. Wie eenvoudigweg geen
macht
over jullie zou uitoefenen, die zouden jullie niets toestaan, hij zou
aan lager
wal geraken.
Dus wat jij kan,
is
jouw
vermogen!
Ben je in staat duizenden plezier te bezorgen dan zouden duizenden je
daarvoor
honoreren, het zou dus in jouw macht liggen om dat na te laten,
waardoor zij
jou ervoor moeten betalen. Ben je niet in staat iemand voor je in te
nemen, dan kun je simpelweg verhongeren.
Moet ik, de
veelvermogende, dan niets op de onvermogenden
voor hebben?
We zitten allemaal in de
volte; moet
ik me nu niet zelf bedienen zo goed als ik kan of alleen maar afwachten
hoeveel
er bij een gelijke verdeling voor mij overblijft?
Tegen de concurrentie
verheft zich het principe van de
lompenmaatschappij, de verdeling.
Voor louter een deel, een deel van de maatschappij te worden aanzien, dat
verdraagt
de enkeling niet omdat hij meer is;
zijn enigheid verzet zich tegen deze bekrompen opvatting.
Daarom verwacht hij zijn
vermogen
niet van een bedeling door anderen en in de arbeidersmaatschappij is er
al het
bezwaar, dat bij een gelijke verdeling de sterke door de zwakke
uitgebuit
wordt; hij verwacht zijn vermogen eerder van zichzelf en zegt dus: wat
ik kan
hebben, dat is mijn vermogen. Welk vermogen bezit een kind niet in zijn
lachje,
zijn spelen, zijn gehuil, kortom louter in zijn bestaan? Ben jij in
staat zijn
verlangen te weerstaan of reik je het als moeder niet de borst, en als
vader
zoveel van je bezit, als het nodig heeft? Het dwingt je en daarom heeft
het
datgene wat jij het jouwe noemt.
Is mij aan jouw persoon
iets gelegen
dan betaal jij mij al met jouw bestaan; is het mij alleen om
één van jouw
eigenschappen te doen, dan heeft misschien jouw bereidwilligheid of
jouw hulp
een waarde (geldwaarde) voor mij en koop
ik dat.
Kun je geen andere dan
een geldwaarde ter schatting opgeven,
dan kan zich het geval voordoen waar de geschiedenis ons over vertelt,
dat
namelijk Duitse landskinderen aan Amerika verkocht werden. Zouden zij
die zich
lieten verkopen voor de verkoper meer waard moeten zijn? Hij had het
baar geld
liever dan deze levende waar, die zich voor hem niet kostbaar kon
maken. Dat
hij in hen niets waardevollers ontdekte, was bij hem echter een gebrek
in zijn
vermogen; maar alleen een schurk geeft meer dan hij heeft. Hoe zou hij
respect
kunnen tonen wanneer hij dat niet had, ja, voor zulk gespuis nauwelijks
kon
hebben?
Jullie handelen
egoïstisch wanneer
jullie elkaar noch als bezitter, noch als lomp of arbeider beschouwen,
maar als
een deel van jullie vermogen, als “bruikbare
subjecten”. Dan zullen jullie niet de bezitter (“eigenaar”) iets
voor zijn
have geven, noch hem die arbeidt, maar alleen hem die jullie
nodig
heeft. De Noord-Amerikanen vragen zich af: Hebben wij
een koning nodig? En antwoorden: hij en zijn arbeid zijn ons geen cent
waard.
Zegt men: de concurrentie
stelt
alles voor allen open, dan is deze uitdrukking niet nauwkeurig en kan
men het
beter als volgt opvatten: ze maakt alles koopbaar.
Omdat zij het hen prijsgeeft, laat ze
het aan hun prijs of schatting over en eist er een prijs voor.
Alleen de kooplustigen
hebben
meestal gebrek aan het middel om zichzelf tot kopers te maken; ze
hebben geen
geld. Voor geld zijn dus weliswaar de koopbare zaken te krijgen (“voor
geld is
alles te koop”), maar juist aan geld mankeert het. Waar dan geld, dat
gangbaar
of circulerend eigendom vandaan te halen? Weet dan dat je zoveel geld
hebt als
je macht hebt; want je geldt voor zoveel als waarvoor jij jezelf laat
gelden.
Men betaalt niet met
geld, waar
gebrek aan kan ontstaan, maar met zijn vermogen waardoor wij alleen
“vermogend”
zijn; want men is alleen maar in zoverre eigenaar als de arm van onze
macht
reikt.
Weitling heeft een nieuw
betaalmiddel bedacht, de arbeid. Het ware betaalmiddel blijft echter
zoals
altijd het vermogen. Met datgene wat
je “in jouw vermogen” hebt, betaal
je. Denk daarom aan de vergroting van je vermogen.
Terwijl men dat toegeeft,
heeft men
toch meteen de lijfspreuk: “Ieder naar zijn vermogen” bij de hand. Wie
zal mij
naar mijn vermogen geven? De
maatschappij? Dan moet ik mijzelf de schatting laten welgevallen. Veel
liever
zal ik naar mijn vermogen nemen.
“Alles behoort aan
allen!” Deze
stelling stamt uit dezelfde inhoudsloze theorie. Aan iedereen behoort
alleen
toe waar hij toe in staat is. Wanneer ik zeg: mij behoort de wereld
toe, dan is
dat eigenlijk ook holle praat die maar in zoverre zin heeft als ik geen
vreemd
eigendom respecteer. Mij behoort echter maar zoveel toe als ik kan of
in mijn
vermogen heb.
Men is niet waard te
hebben wat men
zich uit zwakheid laat afnemen; men is het niet waard omdat men er niet
geschikt voor is.
Een geweldig kabaal heft
men aan
over het “duizendjarig onrecht” dat door de rijken aan de armen wordt
aangedaan. Alsof de rijken aan de armoede schuld zouden hebben en
hebben niet
de armen op dezelfde manier schuld aan de rijkdom? Bestaat er tussen
beiden een
ander onderscheid dan dat van het vermogen en onvermogen, van de
vermogenden en
onvermogenden? Waarin bestaat dan de misdaad van de rijken? “In hun
hardvochtigheid.” Maar wie heeft de armen dan onderhouden, wie heeft
voor hun
voeding gezorgd toen ze niet meer konden arbeiden, wie heeft aalmoezen
gegeven,
die aalmoezen die zelfs hun naam aan de barmhartigheid (eleemosyne)
ontlenen?
Zijn de rijken niet altijd “barmhartig” geweest, zijn ze niet tot op de
dag van
vandaag “milddadig”, zoals armenbelastingen, ziekenhuizen, stichtingen
van
allerlei soort, enz. bewijzen?
Maar dat is voor jullie
allemaal
niet genoeg! Ze moeten ook nog met de armen delen? Dus jullie eisen dat
zij de
armoede zullen opheffen. Afgezien van het feit dat nauwelijks iemand
van jullie
zo zou kunnen doen en dat deze ene dan juist een dwaas zou zijn, vraag
je dan
eens af: waarom zouden de rijken één veer moeten laten en
zichzelf moeten opgeven terwijl voor de
armen
diezelfde handeling
veel nuttiger zou zijn? Jullie, die dagelijks je daalder hebben, zijn
rijk
vergeleken bij duizenden die van vijf stuivers moeten leven. Is het in jullie belang om met die
duizenden te delen of is het niet veeleer het hunne?
Met de concurrentie is
minder de
bedoeling verbonden iets zo goed mogelijk
te doen, dan wel het zo winstgevend,
vruchtbaar
mogelijk
te
maken.
Men studeert er daarom voor een baan op los (broodstudie), men
oefent de
kattenrug, vleierij, routine en “zakenkennis”, men arbeidt “voor de
schijn”.
Terwijl het daar schijnbaar om een “goede prestatie” te doen is, wordt
in
werkelijkheid alleen maar naar een “goed bedrijf” en geldverdienste
gekeken.
Men verricht de zaak alleen maar in schijn omwille van de zaak, in
feite echter
omwille van de winst die het afwerpt. Men zou weliswaar niet graag
censor
willen zijn, maar men wil bevorderd worden; men zou ook graag naar
beste
overtuiging rechtspreken, administreren, enz., maar men vreest
overplaatsing of
zelfs ontslag: vòòr alles moet men toch leven.
Zo is dat gedoe een
strijd om het lieve leven en, in trapsgewijze
stijging, om meer of minder “welzijn”.
En daarbij levert de
meesten al dat
hun best doen en zorg niets anders op dan het “bittere leven” en
“bittere
armoede”. En daarvoor al die bittere ernst!
Dat rusteloze verwerven,
laat ons
niet bij adem komen, tot een rustig genieten:
wij worden niet vrolijk door ons bezit.
De organisatie van de
arbeid echter
betreft alleen die arbeid, die anderen voor ons kunnen doen bv.
slachten, het
land bebouwen, enz.; het overige blijft egoïstisch omdat bv.
niemand in jouw
plaats jouw muzikale compositie kan maken, jouw schilderontwerpen kan
uitvoeren, enz.: Raphaels werken kan niemand vervangen. Die laatste
zijn werken
van een enige, die alleen deze enige in staat was te voltooien terwijl
die
anderen verdienden “menselijk” genoemd te worden, omdat het eigene
daaraan van
geringer belang is en vrijwel “ieder mens” daartoe afgericht zou kunnen
worden.
Omdat de maatschappij
alleen
rekening kan houden met de arbeid voor het algemeen nut of de menselijke arbeid, blijft wie iets enig
presteert zonder haar zorg, ja, kan zich zelfs door haar tussenkomst
gehinderd
voelen. De enige zal zichzelf wel uit de maatschappij tevoorschijn
werken, maar
de maatschappij brengt geen enigen voort.
Het is daarom altijd
bevorderlijk
ons voor menselijke arbeid te
verenigen zodat niet, zoals bij de concurrentie, al onze tijd en moeite
in
beslag genomen wordt. In zoverre zal het communisme zijn vruchten
dragen. Zelfs
datgene waar alle mensen toe in staat zijn of in bekwaamd kunnen
worden, werd
vòòr de heerschappij van het burgerdom aan weinigen
vastgeknoopt en aan de
overigen onttrokken: het was een privilege. Het burgerdom was van
mening dat
het rechtvaardig was alles vrij te geven wat voor iedere “mens”
bereikbaar
leek. Maar door het vrij te geven, was het nog niemand gegeven, maar
eerder aan
iedereen overgelaten om het door zijn menselijke
krachten te pakken te krijgen. Daardoor werden de zinnen op het
verwerven van
het menselijke, dat voortaan iedereen toewenkte, gezet en er ontstond
een
richting die men onder de naam van “materialisme” zo luid hoort
betreuren.
Haar loop probeert het
communisme
een halt toe te roepen, door het geloof te verspreiden dat het
menselijke
zoveel plagen niet waard is en dat bij een verstandige organisatie
zonder die
grote inzet van tijd en krachten, zoals sindsdien vereist leek, tijd
gewonnen
zou kunnen worden.
Voor wie moet echter tijd
gewonnen
worden? Waartoe heeft de mens meer tijd nodig, dan nodig is, om zijn
overspannen arbeidskrachten te verfrissen? Hier zwijgt het communisme.
Waartoe? Om zichzelf als
de enige te kunnen verheugen nadat
hij als mens het zijne gedaan heeft!
In de eerste vreugde over
het naar
al het menselijke de hand te mogen uitstrekken, vergat men nog iets
anders te
willen en concurreerde er lustig op los, alsof het bezit van het
menselijke het
doel van al onze wensen zou zijn.
Men heeft zich echter moe
gerend en merkte langzamerhand dat
“bezit niet gelukkig maakt”. Daarom denkt men eraan om het nodige voor
een
zacht prijsje te verkrijgen en daar maar zoveel tijd en moeite voor aan
te
wenden als de onontbeerlijkheid vereist. De rijkdom daalt in prijs en
de
tevreden armoede, de zorgeloze lomp, wordt het verleidelijke ideaal.
Zo’n menselijke
bezigheden die
iedereen zich toevertrouwt, moeten dus duur gehonoreerd worden en met
moeite en
met inzet van alle levenskrachten gezocht worden? Al in de alledaagse
redenering: “Als ik maar minister of zelfs de……zou zijn, dan zou het
heel
anders gaan”, wordt het vertrouwen uitgedrukt, dat men bekwaam denkt te
zijn
zo’n hoogwaardigheidsbekleder te kunnen voorstellen; men merkt wel dat
voor
zoiets niet de enigheid, maar alleen maar een -zij het dan ook niet
juist voor
allen, dan toch- voor velen bereikbare ontwikkeling hoort d.w.z. dat
men voor
zoiets maar een gewoon mens hoeft te zijn.
Nemen we aan dat net
zoals de organisatie tot het wezen van de staat
behoort, ook de onderwerping in zijn natuur gegrondvest is, dan zien we
dat van
de ondergeschikten of bevoorrechten de achtergestelden onevenredig overvraagd en overbevoordeeld worden.
Maar deze laatste vermannen zich,
allereerst vanuit het socialistische standpunt, later echter
ongetwijfeld met
egoïstisch bewustzijn van waaruit wij dan hun woorden meteen wat
kleur willen
geven door de vraag: waardoor is dan jullie eigendom zeker, jullie
bevoorrechten? En de bevoorrechten geven als antwoord: doordat wij ons
van elk
ingrijpen onthouden! Dus door onze
bescherming! En wat geven jullie ons daarvoor? Schoppen en
geringschatting
geven jullie het ”gemene volk”; politiebewaking en een catechismus met
als
hoofdzin: respecteer wat niet het jouwe
is, wat anderen toebehoort!
Respecteer de anderen en in het bijzonder de meerderen! Wij echter
antwoorden:
willen jullie ons respect, koop het
dan voor de door ons vastgestelde prijs. Wij willen jullie je eigendom
laten
wanneer dat laten er behoorlijk tegen opweegt. Waar weegt dan de
generaal in
vredestijd tegenop, die véle duizenden van zijn jaarwedde, waar
een ander, ja,
die jaarlijkse honderdduizenden en miljoenen? Waar weegt het voor
jullie
tegenop dat wij aardappelen moeten kauwen en terwijl rustig jullie
oesterslurpen moeten aanzien? Koop ons die oesters maar zo duur af als
wij van
jullie die aardappelen moeten afkopen, dan kunnen jullie ze verder
opeten. Of denken jullie soms dat deze oesters
ons niet even goed toebehoren als jullie? Jullie zullen over
geweld schreeuwen
als wij toegrijpen en ze mee verteren en jullie hebben gelijk. Zonder
geweld
krijgen we ze niet, zoals jullie ze net zomin hebben als door ons
geweld aan te
doen.
Maar neem die oesters
maar en laten we het eens hebben over ons
eigenlijke eigendom (want dat daar is alleen
maar bezitsdom) de arbeid. Wij beulen
ons
twaalf
uren
in het
zweet af en jullie bieden ons daar een paar stuivers voor. Neem dan ook
voor
jullie arbeid hetzelfde. Bevalt jullie dat
niet? Jullie nemen aan dat onze arbeid rijkelijk met dat loon betaald
is, die
van jullie daarentegen is een loon van vele duizenden
waard.
Zouden
jullie
echter je arbeid niet zo
hoog aanslaan en
zouden jullie ons beter belonen, dan zouden wij indien nodig nog veel
belangrijker dingen tot stand kunnen brengen dan jullie voor die vele
duizenden
thalers en zouden jullie alleen maar een loon als het onze krijgen, dan
zouden
jullie weldra vlijtiger worden om meer
te krijgen. Presteren jullie echter iets wat
ons tien of honderdmaal meer waard lijkt te zijn dan onze
eigen arbeid, ai, dan zouden
jullie daar ook honderdmaal meer voor krijgen; wij daarentegen
denken
ook voor jullie dingen te fabriceren
die jullie ons hoger dan met het gewone dagloon
moeten betalen. Wij zullen het wel met elkaar
eens worden wanneer we maar eerst
overeenkomen dat niemand meer aan een
ander iets hoeft te geven. Dan
gaan we zelfs zover dat we de kreupelen, zieken en de ouden van dagen
een
voldoende prijs betalen zodat ze niet meer door honger
en nood van ons gescheiden
zijn; want willen we dat ze
leven, dan betaamt het ook dat wij die vervulling van onze wil kopen, ik
zeg “kopen”, bedoel dus geen ellendige “aalmoezen”. Jullie leven
is ook het eigendom van
hen die niet kunnen arbeiden; willen wij (maakt niet uit om wat voor
reden) dat
ze dat leven niet aan ons onttrekken, dan kunnen we dat alleen door koop
bewerkstelligen; ja, wij zullen
wellicht omdat we bijvoorbeeld graag vriendelijke gezichten om ons heen
zien,
hen zelfs welvarend willen zien. Kortom, wij willen niets van jullie cadeau, maar
we willen jullie ook niets cadeau geven. Eeuwenlang hebben we jullie aalmoezen gegeven
uit
goedhartige
domheid,
hebben de duit
aan de arme geschonken en de heren gegeven wat
niet des
heren is; doe nu één keer jullie beurs
open, want van nu af aan stijgt
onze waar enorm in prijs. Wij willen jullie niets, helemaal niets
afnemen, maar
jullie moeten ons beter betalen voor
wat jullie willen hebben. Wat
heb jij dan? “Ik heb een landgoed van duizend are.” En ik ben jouw
boerenknecht en zal jouw akker voortaan
alleen maar voor één daalder dagloon
bewerken.
“Dan
neem
ik een ander”. Jullie vinden er geen want wij
boerenknechten doen het niet
meer anders en wanneer zich iemand aanmeldt, die minder
neemt, dan moet hij voor ons
oppassen. Daar is de dienstbode,
die nu ook zoveel eist en
jullie vinden geen andere meer
onder die prijs. “O, dan moet ik ten gronde gaan.” Niet zo haastig!
Zoveel als
wij zullen jullie wel ontvangen en als
dat niet zo zou zijn, dan zouden wij nog zoveel kunnen afgeven zodat
jullie
net
als
wij kunnen leven. “Maar
ik ben gewend beter te leven.”
Daar hebben wij niets op tegen, maar dat is
niet onze zorg; kun je in ieder geval meer sparen. Moeten wij ons onder de prijs
verhuren zodat jullie in weelde kunnen leven? De rijke
scheept de arme altijd af met de woorden: “Wat heb ik met jouw nood
te
maken?
Kijk
hoe
jij je door de wereld
slaat, dat is niet mijn maar jouw zaak.”
Welnu, laat dat dan onze zaak zijn en laten we
de rijken niet meer onze middelen laten gappen, die wij bezitten om ons te laten
gelden. “Maar jullie onbeschaafde
lieden hebben toch niet zoveel nodig.” “Wel, dan nemen we iets meer
zodat we ons daarmee de vorming die we nog nodig
hebben,
kunnen
verschaffen.”
“Maar, als jullie zo de rijken
omlaaghalen, wie zal dan nog de
kunsten en wetenschappen ondersteunen?” O wel, de massa moet het dan
doen; we
brengen geld bij elkaar, dat geeft een aardig
sommetje, jullie rijken kopen nu bovendien alleen maar de
meest smakeloze boeken en huilerige moedergodsbeelden of een paar
flinke
danseressenbenen. “O, die onzalige gelijkheid!” Neen, mijn beste ouwe
heer,
niets van gelijkheid. Wij willen alleen laten gelden wat we waard zijn
en als
jij meer waard bent dan zul je in elk geval ook voor meer gelden. Wij
willen alleen maar ons geld waard zijn en denken de prijs die jij zult
betalen
waard te zijn.
Kan de
staat wel
zo’n vastberaden moed en zo’n krachtig gevoel van eigenwaarde bij de
huisknecht
wakker maken? Kan hij ervoor
zorgen dat de mens zich van zichzelf bewust wordt, ja, mag hij zich dan
ook
zoiets tot doel stellen? Kan hij willen dat de enkeling zijn waarde
erkent en
ten gelde maakt? Laten we deze dubbele vraag uit elkaar houden en laten
we eerst
kijken of de staat zoiets kan
bewerkstelligen. Omdat eensgezindheid van de boerenknechten wordt vereist, kan alleen deze eensgezindheid het tot
stand brengen en een staatswet zou duizendvoudig en in het geheim door
de concurrentie ontdoken worden. Kan hij
dat dan
toelaten? Dat kan hij onmogelijk dulden: dat mensen door iets anders als door hem gedwongen worden;
hij
zou
dus
de zelfhulp niet toestaan van de eensgezinde boerenknechten tegen diegenen
die zich voor minder loon onder contract laten leggen. Stellen we nu,
dat de
staat de wet zou uitvaardigen en alle boerenknechten het
daarmee eens zouden zijn, zou hij het dan kunnen toestaan?
In een afzonderlijk geval, ja;
alleen is
het afzonderlijke geval meer dan dat, het
is een principieel geval. Het gaat
daarbij
om
het
hele toonbeeld
van de zelfwaardering van het ik
dus ook om zijn gevoel van
eigenwaarde tegenover de staat. Zover
gaan de communisten mee; maar de zelfwaardering richt zich
noodzakelijkerwijs
niet alleen tegen de staat, maar ook tegen de maatschappij
en grijpt daarom uit egoïsme boven de commune en het
communistische uit.
Het communisme maakt tot
basisgedachte van het burgerdom dat
iedereen bezitter (“eigenaar”) is,
tot een onomstotelijke waarheid, tot
een werkelijkheid omdat nu de
zorg om het te verkrijgen ophoudt en iedereen van huis uit heeft
wat hij nodig heeft. In
zijn arbeidskracht heeft hij zijn
vermogen
en
als hij daar geen gebruik
van maakt dan is dat zijn
schuld. Het grijpen en jagen kent
een einde en de concurrentie blijft
niet, zoals zo vaak tegenwoordig, zonder gevolg omdat door elke
arbeidshandeling voldoende levensmiddelen thuis gebracht kunnen worden.
Nu pas
is men werkelijk bezitter
omdat wat men in zijn arbeidskracht heeft,
niemand meer zo
kan ontgaan zoals dat onder concurrentie-economie
op
ieder
ogenblik dreigde te gebeuren. Men is een zorgeloze
en verzekerde bezitter.
En
men is dat juist
doordat men zijn vermogen niet meer in goederen, maar in zijn eigen
arbeid,
zijn arbeidsvermogen, zoekt dus doordat men een lomp,
een mens met louter ideële rijkdom is. Ik
kan intussen mijzelf met
het weinige niet tevreden laten stellen, met wat ik door mijn
arbeidsvermogen
betaal, omdat mijn vermogen niet louter uit mijn arbeid bestaat.
Door arbeid kan ik het ambt van president, minister, enz.
vervullen; deze ambten vereisen alleen maar een algemene ontwikkeling,
namelijk
een algemeen bereikbare (want algemene ontwikkeling is niet alleen
degene die
iedereen bereikt heeft, maar eigenlijk die iedereen bereiken kan, dus
elke
speciale, bv. medische, militaire, filologische vorming waar geen enkel
“beschaafd mens” van gelooft dat ze zijn krachten te boven gaan) of
eigenlijk
alleen maar een voor allen mogelijke geschiktheid.
Maar al kan
iedereen
deze
ambten
bekleden, dan toch geeft alleen de
enige hen de eigen kracht van de enkeling, hen bij wijze van spreken
leven en
betekenis. Dat hij zijn ambt niet als “gewoon mens” uitoefent, maar er het vermogen van zijn enigheid
in
legt,
dat
betaalt men
hem nog niet als men hem alleen maar als beambte of minister
betaalt.
Heeft
hij
het jou tot dank gemaakt en wil jij
deze dankwaardige kracht van de enkeling voor jou behouden, dan moet
jij hem
niet als een gewoon mens betalen die alleen
maar iets menselijks verricht, maar als iemand die iets enigs
volbrengt.
Doe met je eigen arbeid maar hetzelfde!
Voor mijn enigheid is geen
algemeen
tarief vast te stellen zoals voor
datgene wat ik als mens doe.
Alleen voor het laatste kan een tarief bepaald worden.
Stel dus
in ieder geval een algemene schatting voor menselijke arbeid op, maar
vernietig
je enigheid niet door je eigen verdienste.
Menselijke
of algemene
behoeften
kunnen
alleen
door
de maatschappij bevredigd worden;
voor enige behoeften moet je de
bevrediging zelf zoeken. Een vriend en een vriendschapsdienst, zelfs een
dienst van een enkeling, kan de maatschappij je niet verschaffen. En toch
zul je ieder ogenblik zo’n dienst nodig
hebben en bij de meest onbeduidende gelegenheid iemand nodig hebben die
je
behulpzaam is. Vertrouw
daarom niet op de maatschappij, maar zorg
dat je hebt om de vervulling van je wensen af te kopen.
Of het geld onder
egoïsten te
handhaven is? Aan oude stempels kleeft
een geërfd bezit. Laat je daar niet meer mee betale dan is
het geruïneerd, doe je niets
meer voor
dat geld, dan verliest het alle macht. Schrap de erfenis en je hebt de
rechtszegel van
de
executeur afgebroken.
Tegenwoordig is alles een erfenis, is het al geërfd of wacht het
nog op z’n erven. Is het het jouwe, waarom
laat
je
het dan verzegelen,
waarom respecteer je die zegel?
Waarom zouden jullie geen
nieuw
geld maken? Vernietigt het dan de waar als je er de erfstempel afhaalt?
Welnu,
het geld is
een waar en
wel een wezenlijk middel of vermogen. Want
het
beschermt
het
vermogen tegen
verstarring, houdt het in beweging en bewerkt zijn omzet. Weten jullie dan een beter ruilmiddel?
Toch
zal
het weer een “geld” zijn. Niet het geld schaadt
jullie, maar jullie onvermogen
om het te nemen. Laat je vermogen
werken, beheers je en het zal
jullie aan geld, aan jullie
geld, het geld van jullie stempel, niet
ontbreken. Arbeiden, dat
noem ik niet “je vermogen laten werken”. Degenen die alleen maar
“arbeid
zoeken” en “hard willen werken” werken zelf aan de onvermijdelijke
werkloosheid.
Van het geld hangt geluk
en ongeluk
af. Daarom is het in de burgerperiode een macht,
omdat
het
alleen
als een meisje
het hof gemaakt wordt, maar door niemand echter onherroepelijk wordt
gehuwd. Al
de romantiek en ridderlijkheid voor het verwerven
van een kostbaar voorwerp, leeft in de concurrentie weer op. Het geld,
het
voorwerp van hunkering, wordt door de koene “industrieridders”
ontvoerd.
Wie het geluk heeft,
voert de bruid
huiswaarts. De lomp heeft het geluk; hij voert haar zijn
huis-wezen binnen, de “maatschappij” en vernietigt
de
maagd.
In zijn huis is ze geen bruid
meer, maar vrouw en met de
maagdelijkheid gaat ook de geslachtsnaam verloren. Als huisvrouw heet
die
geldmaagd “arbeid”, want “arbeid” is de
naam van de man. Ze is een bezit
van de man.
Om dat beeld te
volmaken, is het kind
van arbeid en geld weer een meisje, een niet-huwbare, dus geld, maar een onmiskenbare
afstamming van de arbeid, haar vader. De gelaatsvorm,
het “beeld”, draagt nu een ander kenmerk.
Wat tot slot nog een keer
de
concurrentie betreft, die heeft juist alleen bestaansrecht omdat niet allen zich over hun
eigen zaak ontfermen en
het
daarover
met
elkaar oneens zijn. Brood is bv. een behoefte van alle inwoners van een stad;
daarom zouden ze gemakkelijk met elkaar kunnen overeen komen om een
openbare
bakkerij op te richten. In
plaats daarvan laten ze de
levering van die behoefte aan de concurrerende bakkers over.
Net zo vlees aan de slagers, wijn aan
de wijnhandelaren,
enz.
De concurrentie
opheffen,
betekent
niet zoveel als het gilde bevoordelen. Het onderscheid is dit: in het gilde
is het bakken, enz., zaak van de gildenbroeders; in de concurrentie
zaak van de concurrerenden;
in de vereniging van degenen die het
gebak gebruiken, dus mijn, jouw zaak, noch de zaak van de
gildenbroeders, noch
van de vergunning verleende bakkers,
maar de zaak van de verenigden.
Wanneer ik
mij niet om mijn zaak bekommer, dan moet ik voor lief nemen wat anderen mij believen
toe te
staan.
Brood te
hebben is mijn zaak, mijn wens en verlangen, en toch laat men
dat
aan
de
bakkers over en hoopt hoogstens door hun ruzie,
positieverlies, hun wedijver, kortom
concurrentie, een voordeel te verkrijgen waarop men bij de gildenbroeders, die helemaal alleen in het
eigendom van de bakkersrechtvaardigheid
vastzaten, niet kon rekenen.
Wat iedereen nodig heeft
aan het
verschaffen en de productie ervan, moet ook iedereen bijdragen; dat is zijn zaak, zijn eigendom, niet het
eigendom van de gilden- of de vergunning hebbende meesters.
Laten we nog een keer
terugkijken.
De kinderen van deze wereld, de mensenkinderen, behoort de wereld toe;
die is
niet meer van god, maar de wereld van de mensen. Zoveel elk mens zich
van haar
kan verschaffen, laat hij dat het zijne noemen; alleen zal de ware
mens, de staat,
de menselijke maatschappij of mensheid erop toezien dat iedereen niets
anders
tot het zijne maakt dan wat hij
zich als mens, d.w.z. op menselijke wijze, toeeigent. De
onmenselijke toe-eigening is de door de mens niet
toegestane,
d.w.z. ze is een “misdadige”, zoals omgekeerd de menselijke een
“wettige”, een “van rechtswege” verkregene is.
Zo sprak men sinds de revolutie.
Maar mijn
eigendom is geen ding,
omdat dat een van mijzelf onafhankelijk bestaan heeft; mijn eigen is alleen mijn macht. Niet deze boom, maar
mijn macht of beschikking
daarover, is de mijne.
Hoe drukt men deze macht
nu onjuist
uit? Men zegt: ik heb recht op deze boom
of
hij
is
mijn wettig eigendom. Ik heb hem dus door
macht gekregen. Dat deze macht voortduren
moet,
waardoor
hij
ook
gehandhaafd blijft, of beter:
dat de macht niet een op
zichzelf bestaand iets is, maar alleen maar in het machtige
ik, in mij, de machtige, bestaan vindt, dat wordt
vergeten. De macht wordt, net als andere
van mijn eigenschappen, bv. de
menselijkheid, majesteit, enz. verheven tot een op
zichzelf bestaande,
zodat het nog bestaat als het al lang niet meer mijn
macht is. Op die manier in een spook veranderd, is de macht
het recht. Deze vereeuwigde macht
vergaat zelfs niet met mijn dood, maar wordt
overgedragen of “geërfd”.
De dingen behoren nu werkelijk mij niet toe, maar aan het recht.
Anderzijds is dat niets meer dan een verblinding.
Want de macht van de enkeling wordt
alleen permanent en een recht,
doordat anderen hun macht met de zijne verbinden. De waan bestaat in het feit
dat zij geloven dat zij hun macht niet
meer kunnen terugtrekken. Weer hetzelfde
verschijnsel,
dat
de
macht
van mijzelf gescheiden wordt. Ik kan de macht,
die ik de bezitter gaf, niet meer terugnemen. Men heeft
“gevolmachtigd”, heeft de macht
weggegeven, men heeft die zichzelf
ontzegd, zich over iets beters bezonnen.
De eigenaar
kan
zijn
macht
en zijn
recht op een zaak opgeven doordat hij die
weggeeft, verkwist en dergelijke. En wij zouden
de
macht,
die
wij hem verleenden, niet eveneens kunnen
laten schieten?
De wetsgetrouwe mens, de gerechtigde, wil niets zijn eigen noemen
wat hij niet “terecht” of waartoe hij het recht niet heeft, dus alleen rechtmatige eigendom.
Wie zal nu rechter zijn
en over hem
zijn recht spreken? Uiteindelijk toch de mens die hem de mensenrechten
heeft
gegeven: dan kan hij in een oneindig uitgebreidere zin dan Terentius
zeggen:
“Humani nihil a me alienum puto”, d.w.z. het
menselijke is mijn eigendom. Hij mag het doen zoals hij wil, van
een
rechter komt hij op dit standpunt niet los en in onze tijd zijn de
verschillende rechters die men gekozen heeft als twee doodsvijandige
personen
tegen elkaar opgetreden, namelijk in de god en de mens. De
één beroept zich op
het goddelijke, de andere op het menselijke recht of de mensenrechten.
Het is in ieder geval
duidelijk dat in beide gevallen de
enkeling niet zichzelf rechtvaardigt.
Noem mij tegenwoordig
maar één daad,
die niet een rechtsschending is! Elk ogenblik worden aan de ene kant de
mensenrechten met de voeten getreden, terwijl de tegenstanders de mond
niet
open kunnen doen zonder een blasfemie tegen het goddelijke recht uit te
spreken. Geef je een aalmoes, dan maak je een mensenrecht
belachelijk,
omdat
de
verhouding van bedelaar en
weldoener een onmenselijke is; spreek een twijfel uit, dan zondig je
weer tegen een goddelijk recht. Eet droog
brood met tevredenheid, dan schend je het
mensenrecht door je gemoedsrust;
eet je het met ontevredenheid,
dan smaad je het goddelijke recht door je weerzin. Er is er niet
één onder jullie,
die niet elk ogenblik een misdaad begaat: jullie gesprekken zijn
misdadig en
elke belemmering van jullie vrijheid van spreken is niet minder een
misdaad.
Jullie zijn allemaal misdadigers.
Maar jullie zijn dat
alleen omdat
jullie allemaal op de rechtsgrond staan d.w.z. omdat jullie niet eens
weten en
kunnen waarderen dat jullie misdadigers zijn.
Het onschendbare of heilige
eigendom is op deze grond gegroeid: het
is een rechtsbegrip.
Een hond merkt dat zijn
bot in de
macht van een ander is en staat het
pas af als hij zich te zwak voelt. De mens echter respecteert het recht van de ander op zijn bot.
Dat geldt dus voor menselijk, het andere
voor
brutaal
of
egoïstisch.
En zoals hier, heet het zelfs “menselijk”, als men in alles iets
geestelijks ziet (hier in het recht), d.w.z. alles tot een spook maakt
en zich
daar tegenover als spook gedraagt, dat men weliswaar bij zijn
verschijning kan
verjagen, maar niet kan doden. Menselijk is het, het afzonderlijke niet
als het
afzonderlijke, maar als iets algemeens te beschouwen.
In de natuur op zich
respecteer ik
niets meer, maar voel mijzelf daar tegenover tot alles gerechtigd;
daarentegen
moet ik de vreemdheid respecteren van
de boom in die tuin (eenzijdig zegt men: “Het eigendom”), moet mijn
handen
ervan afhouden. Dat houdt pas op als ik die boom wel aan een ander kan
overlaten, zoals ik mijn stok,
enz. aan een ander overlaat,
maar hem niet van tevoren als aan mijzelf vreemd d.w.z. als heilig
beschouw.
Eerder beschouw ik het niet als een misdaad
hem te vellen wanneer ik dat wil, hij blijft mijn eigendom zolang ik
hem ook
aan anderen afsta: is en blijft hij mijn.
In
het vermogen van de bankier zie
ik net zomin iets vreemds als Napoleon in de landen van de koningen: we
hebben
geen schroom het te “veroveren” en kijken dan ook uit naar de
middelen daarvoor. Wij stropen het daardoor de geest
van de vreemdheid
af waarvoor we bang geweest zijn.
Daarom is het
noodzakelijk dat ik
nergens meer als mens aanspraak op
maak, maar op alles als ik, dat ik, daarom niets menselijks, maar het
mijne,
d.w.z. niets wat mij als mens toekomt, maar wat ik wil en
omdat ik het wil.
Rechtelijk of rechtmatig
eigendom
van een ander zal alleen datgene zijn waarvan het jouw recht
is,
dat
het zijn eigendom is. Houdt het op voor jou recht te zijn, dan heeft het voor jou
aan
rechtmatigheid ingeboet en je zult lachen om het absolute
recht
daarop.
Buiten het
tot
nu toe besproken eigendom in beperkte zin, wordt ons eerbiedig gemoed
een ander
eigendom voorgehouden, waaraan we ons nog veel minder “mogen
bezondigen”, dat
eigendom bestaat uit de geestelijke goederen, uit het “innerlijke
heiligdom”.
Wat
een
mens als heilig beschouwt daar
mag niemand de spot mee drijven, omdat, hoe onwaar het ook
altijd
is
en
hoezeer men de daaraan hangenden en
gelovenden “op liefdevolle en bescheiden wijze” van iets echts heiligs
probeert
te overtuigen, het heilige zelf
daaraan moet altijd geëerd worden: de dwaas gelooft toch in het heilige, al is dat ook een onjuist
heilige en daarom moet zijn geloof in het heilige
tenminste
gerespecteerd
worden.
In roeriger tijden als de
onze,
placht men een bepaald geloof en de toewijding aan iets bepaalds
heiligs te
vragen en ging men met de andersgelovigen niet op de meest zachtzinnige
wijze
om; maar vanaf het moment dat de “geloofsvrijheid” zich meer en meer
uitbreidde, vervloog de “naijverige God en alénige heer” allengs
in een
tamelijk algemeen “hoogste wezen” en was het voldoende voor de humane
verdraagzaamheid, wanneer iedereen maar “iets heiligs” vereerde.
Op de meest menselijke
manier
uitgedrukt, is dat heilige “de mens zelf” en “het menselijke”. Bij de
bedrieglijke schijn, als zou het menselijke helemaal ons eigene en vrij
van al
het hiernamaalse, waarmee het goddelijke behept is, zijn, ja, als ware
de mens
zoveel als ik of jij is, kan zelfs de ijdele waan ontstaan dat niet
langer
sprake is van iets “heiligs” en dat we ons nu overal thuis en niet meer
in het
geheimzinnige d.w.z. in het heilige en de heilige schroom voelen: in de
verrukking over de “eindelijk gevonden mens”, wordt de egoïstische
smartenkreet
niet gehoord en het zo vertrouwelijk geworden spook voor ons werkelijke
ik
gehouden.
Maar “Humanus heet de
heilige” (zie Goethe) en het humane is alleen maar het zuiverste
heilige.
De egoïst spreekt
zich omgekeerd
uit. Daarom juist, omdat jij iets voor heilig houdt, drijf ik met jou
de spot
en al acht ik ook alles aan jou, juist jouw heiligdom acht ik niet.
Bij deze
tegenovergestelde inzichten
moet ook een tegenstrijdige houding tegenover de geestelijke goederen
aangenomen worden: de egoïst beledigt ze, de religieuze (d.w.z.
iedereen, die
boven zichzelf zijn “wezen” plaatst) moet ze logischerwijs beschermen.
Welke
geestelijke zaken echter beschermd en welke onbeschermd gelaten moeten
worden
dat hangt volledig van het begrip
af, dat men zich van het “hoogste wezen” maakt en de godsvruchtige bv.
heeft
meer te beschermen dan de mensvruchtige (de liberaal).
Wat betreft de
geestelijke goederen
worden wij, in tegenstelling tot de zinnelijke, op een geestelijke
manier
gekrenkt en de zonde ertegen bestaat uit een directe ontheiliging,
terwijl
ten
opzichte
van de zinnelijke een
ontvreemding of vervreemding plaatsvindt: de goederen zelf worden
ontwaard en
ontwijd, niet alleen onttrokken, het heilige
wordt onmiddellijk in gevaar gebracht. Met het woord
“oneerbiedigheid”
of
“brutaliteit”
is alles aangeduid
wat tegen de geestelijke goederen d.w.z. tegen alles, wat ons heilig
is, misdreven kan worden en spot, smaad,
verachting, twijfel, enz., zijn maar verschillende schakeringen van de misdadige brutaliteit.
Dat de ontheiliging op de
meest
verschillende manieren begaan kan worden, zal hier niet besproken
worden en er
zal voornamelijk alleen aan die ontheiliging worden herinnerd die door
een ongebreidelde pers het heilige in gevaar
brengt.
Zolang ook nog maar voor
één
geestelijk wezen respect geëist wordt, moeten de redevoering en
pers in naam
van dat wezen worden gekneveld; want de egoïst zou zich er door zijn uitingen aan kunnen
“vergrijpen”, wat hem juist op zijn minst door
een passende straf verhinderd moet worden, als men daar niet liever het juiste middel voor wilt gebruiken,
de verhoedende politiemacht bv. de censuur.
Wat een gezucht over
drukpersvrijheid. Waar moet de pers dan van bevrijd worden? Op zijn
minst van
afhankelijkheid, toebehoren en dienstbaarheid! Maar zich daarvan
bevrijden is
juist een zaak van iedereen en men kan met zekerheid aannemen dat, als
jij je
uit de dienstbaarheid verlost hebt, ook wat je schrijft en opstelt aan jezelf zal toebehoren, in plaats van in
dienst van één of andere macht bedacht en opgesteld te
zijn. Wat kan een
christengelovige zeggen en laten drukken dat vrijer van die
christengelovigheid
zou zijn, dan hijzelf is? Wanneer ik iets niet schrijven kan en mag,
dan ligt
de directe schuld misschien bij mij.
Zo weinig als het de zaak zelf schijnt te raken, zo nauw blijkt het er echter op aan te komen bij het
gebruik. Door een perswet trek of laat ik aan mijn uitingen een grens
trekken
waar voorbij het onrecht en de straf
volgen, ik beperk Mezelf.
Zou de drukpers vrij
moeten zijn, dan zou juist niets zo
belangrijk zijn als de bevrijding van iedere dwang die haar in naam van een wet wordt aangedaan. En om
zover te komen, moet ik juist Mezelf helemaal van de gehoorzaamheid aan
de wet
ontdaan hebben.
De absolute vrijheid van
de pers is echter, zoals elke
absolute vrijheid, een onding. Van heel veel kan ze vrij worden, maar
steeds
maar alleen van datgene waar ook ik vrij van ben. Bevrijden we ons van het heilige, dan zijn we heilloos en
wetteloos geworden, dan zullen ook onze
woorden
dat worden.
Zo weinig wij
in de wereld van iedere dwang ontslagen kunnen worden, zo
weinig laat ons schrijven zich daar aan onttrekken. Maar zo vrij als we
zelf
zijn, zo vrij zullen ook onze woorden worden.
Het moet ons dus eigen
worden in plaats van, zoals tot nu toe, een spook te dienen.
Men blijft in het ongewisse bij
de roep om persvrijheid. Wat men kennelijk wil, is dat de staat de
persvrijheid
zal vrijgeven; wat men echter eigenlijk en zonder het zelf te weten wil
hebben,
is dat de pers vrij of los van de staat is. Het ene is een petitie
aan de staat, het
andere een verzet tegen de staat. Als
een “bede om recht”, zelfs als een ernstig eisen van het recht op
persvrijheid,
stelt ze de staat als de gever voor
en kan alleen op een geschenk, een
toestaan, een octrooieren hopen. Best mogelijk, dat een staat zo
onzinnig
handelt het geëiste geschenk te geven; men kan er echter alles om
verwedden dat
de geschonkenen het geschenk niet weten te gebruiken zolang ze de staat
als een werkelijkheid beschouwen: ze
zullen zich niet aan dat “heilige” vergrijpen en voor iedereen, die het
zou
durven, een straffende perswet vragen.
In één
woord, de pers wordt niet vrij van datgene waar ik
niet vrij van ben.
Blijk ik hierdoor
misschien een
tegenstander van de persvrijheid? Integendeel, ik beweer alleen dat men
dat
nooit zal krijgen als men alleen dat, de persvrijheid, wil, d.w.z.
wanneer men
alleen van een onbeperkt verlof uitgaat. Bedel maar door om dat verlof:
je zult
er eeuwig op kunnen blijven wachten want er is niemand in de wereld die
het je
kan geven. Zolang jij je voor het gebruik van de pers een toestemming,
d.w.z.
persvrijheid, het “recht, laat geven”, leef je in ijdele hoop en
klacht.
“Onzin! Jij, die zulke
gedachten als
in jouw boek staan, koestert, kunt ze helaas zelf alleen maar door een
gelukkig
toeval of langs sluipwegen openbaar maken; tegelijk wil je er echter
tegen
opkomen dat men druk uitoefent op de staat en hem lastig valt tot hij
de
toestemming geeft om het geweigerde te laten drukken?” Een zo
aangesproken
schrijver zal echter wellicht - want de brutaliteit van zulke lieden
gaat ver -
het volgende antwoorden: ”Denk goed na over je redenering!” Wat doe ik
dan om
mijzelf voor mijn boek persvrijheid te verschaffen? Vraag ik
toestemming of
zoek ik niet veel liever, zonder alle vragen naar wettigheid, naar een
gunstige
gelegenheid en grijp die zonder rekening te houden met de staat en zijn
wensen?
Ik - het angstaanjagende woord moet uitgesproken worden - ik bedrieg de
staat.
Onbewust doe jij hetzelfde. Jij roept hem van je tribune toe dat hij
zijn
heiligheid en onschendbaarheid moet opgeven, zich aan de aanvallen van
de
schrijvenden prijs moet geven, zonder dat hij daarom gevaar te duchten
heeft.
Maar je misleidt hem; want het is met hem gedaan zodra hij aan
ongenaakbaarheid
inboet. Hij zou jullie echter wel de vrijheid van schrijven kunnen
verlenen,
zoals Engeland het heeft gedaan; jullie zijn staatsgelovigen
en niet bij machte tegen de staat te schrijven,
hoeveel je ook steeds aan hem te hervormen en van zijn gebreken af te
helpen
hebt. Maar wat, als de tegenstanders van de staat zich het vrije woord
ten nut
maken en tegen kerk, staat, zeden en alle “heiligheden” met
onverbiddelijke
argumenten losstormen? Jullie waren toch ook de eersten die onder
verschrikkelijke angsten de Septemberwet
in het leven hebben geroepen. Te laat heb je spijt gehad van de
domheid, die
jullie eerder zo bereid vond om de staat of de staatsregering om te
praten en
in te palmen. Ik echter, bewijs door mijn daad twee dingen. Ten eerste,
dat de
persvrijheid altijd aan “gunstige omstandigheden” gebonden is en daarom
nooit
een absolute vrijheid zal zijn; ten tweede echter dat, wie er van wil
genieten,
die gunstige gelegenheid moet zoeken en zo mogelijk moet scheppen,
terwijl hij
tegen de staat zijn eigen belang laat
gelden en zichzelf en zijn wil voor meer aanziet dan de staat en die
“hogere
macht”. Niet met, maar alleen tegen de staat kan de persvrijheid
doorgevoerd
worden; ze is, als ze tot stand
gebracht is, niet het gevolg van een verzoek,
maar alleen als het werk van een opstand te bereiken. Elk verzoek of
iedere
aanvraag om persvrijheid is al, zij het bewust
of onbewust, een opstand, wat de filisterachtige
halfheid zich
alleen niet kan en wil permitteren tot op het ogenblik dat ze huiverend
het
gevolg duidelijk en onweerlegbaar zal zien. Want de afgesmeekte
persvrijheid
heeft weliswaar aanvankelijk een vriendelijk en goedbedoelend gezicht
omdat ze
in de verste verte niet van plan is ooit de “persbrutaliteit” te laten
optreden; langzamerhand echter wordt haar hart verhard en de conclusie
vleit
zich bij haar binnen dat een vrijheid die in dienst
van een staat, de zede of de wet staat, toch geen vrijheid
is. Weliswaar vrij van censuurdwang is het toch niet vrij van
wetsdwang. De
pers wil eenmaal door vrijheidszin aangegrepen steeds vrijer worden
totdat de
schrijver uiteindelijk zegt: Ik ben dan pas toch echt helemaal vrij als
ik naar
niets meer vraag; het schrijven
is pas vrij als het mijn eigen is,
dat mij door geen macht of
autoriteit, door geen geloof, geen angst gedicteerd wordt; de pers moet
niet
vrij zijn — dat is te weinig — ze moet mijn
zijn — perseigenheid of perseigendom,
dat is wat ik mij wil
nemen.
“Persvrijheid is niets
anders dan persverlof en de staat zal en kan
mijzelf nooit vrijwillig toestaan dat ik hem door de
pers verpletter.”
Laten we nu ten slotte, terwijl we de voorafgaande -door het
woord “persvrijheid”- nog wankele redenering
verbeteren,
liever
als
volgt stellen: persvrijheid,
die luide eis van de liberalen, is in ieder
geval
mogelijk in de staat, ja ze is alleen in
de staat mogelijk omdat het
een vergunning is die de
vergunnende, de staat, niet mag ontbreken. Als vergunning
heeft ze echter haar grenzen juist
aan
de
staat, die toch redelijkerwijze niets meer
zal vergunnen dan met hem en zijn
welvaart
overeenkomt: hij schrijft deze
grenzen
voor als de wet van zijn
bestaan en uitbreiding. Dat de ene staat
meer dan de andere
verdraagt, is alleen
maar een kwantitatief onderscheid dat alleen maar
de
politieke
liberalen
nauw aan het hart ligt: ze
willen in Duitsland bv. enkel een “uitgebreider, verder
toestaan van het vrije woord”. De persvrijheid
die men zoekt, is een zaak van het volk
en zolang het volk (de staat) die niet bezit, zolang mag ik daar geen
gebruik
van maken. Vanuit het oogpunt van het perseigendom ligt de zaak heel
anders.
Wil mijn volk graag de persvrijheid missen, dan zoek ik mijzelf een
list of
macht om te drukken, de vergunning tot drukken krijg ik uitsluitend van
mijzelf en mijn kracht.
“Is de pers mijn
eigen, dan heb ik voor het gebruik ervan net zomin de
toestemming van de staat nodig, als dat ik die nodig heb om mijn neus
te kunnen
snuiten. De pers is mijn eigendom
vanaf het ogenblik waarop voor mijzelf niets meer boven mijzelf gaat:
want
vanaf dat moment houden staat, kerk, volk, maatschappij, enz. op, omdat
ze
alleen aan de geringschatting die ik voor Mezelf heb hun bestaan te
danken
hebben en zullen met het verdwijnen van deze geringschatting zelf
ophouden te
bestaan: ze bestaan alleen als ze boven
mij staan, alleen maar als machten en
machtigen. Of kun jij je een staat voorstellen waarvan de inwoners
zich
gezamenlijk niets aantrekken? Dat zou ongetwijfeld een droom, een
schijnbestaan, zoals dat “éne Duitsland” zijn.
“De pers is mijn eigen
zodra ik zelf mijn eigen, een
eigenaar ben: aan de egoïst behoort de wereld toe, omdat hij aan
geen macht ter
wereld toebehoort.”
“Daarbij zou mijn pers
altijd nog
zeer onvrij kunnen zijn, zoals bv. op
dit ogenblik. Maar de wereld is groot en men behelpt zich nu eenmaal zo
goed
als men kan. Zou ik van het eigendom
van mijn pers afzien, dan zou ik gemakkelijk kunnen bereiken dat ik
overal
zoveel zou kunnen laten drukken als mijn vingers produceerden. Maar
omdat ik
liever mijn eigendom wil behouden, moet ik noodzakelijkerwijs mijn
vijanden een
oor aannaaien.” “Zou jij hun toestemming niet pakken als die je gegeven
zou
worden?” “Zeker, met plezier; want die toestemming zou voor mijzelf een
bewijs
zijn dat ik hen belazerd heb en op weg naar de afgrond heb gezet. Om
hun
toestemming is het me niet te doen, des te meer echter om hun dwaasheid
en hun
nederlaag. Ik doe geen moeite om
hun toestemming te krijgen en vlei Mezelf niet met de hoop, zoals de politieke liberalen, dat
wij beiden, zij en ik, naast en met
elkaar vreedzaam zouden kunnen optrekken, ja zelfs de één
de ander zou kunnen
verheffen en beschermen, maar ik doe er moeite voor om hen aan zichzelf
te
laten doodbloeden, waardoor ten slotte de toestemmende zelf ophoudt. Ik
handel
als bewuste vijand omdat ik hen meer dan bevoordeel en van hun
onbedachtzaamheid gebruik maak.”
”Van
mij is de pers wanneer ik voor wat betreft het
gebruikmaken ervan, volstrekt geen rechter
buiten mijzelf erken d.w.z. wanneer mijn schrijven niet
meer bepaald wordt door de zedelijkheid of de religie of het respect
voor de
staatswetten en dergelijke, maar door mijzelf en mijn egoïsme.”
Wat antwoorden jullie hem
nu die
jullie zo’n brutaal antwoord geeft? We brengen deze vraag wellicht het
meest
sprekend in de volgende formulering: van wie is de pers, van het volk
(de
staat) of van mij? De politici beogen van hun kant niets meer dan de
pers te
willen bevrijden van het persoonlijk en willekeurig ingrijpen van de
machthebbers, zonder er aan te denken dat ze, om werkelijk voor
iedereen
toegankelijk te zijn, ook van de wetten d.w.z. van de volkswil
(staatswil) vrij
moet zijn. Ze willen van haar een “volkszaak” maken.
Het eigendom van het volk
geworden,
is ze echter nog verre van het mijne, ze houdt eerder voor mijzelf de
ondergeschikte
betekenis van een toestemming. Het
volk speelt rechter over mijn gedachten waarvoor ik het rekenschap
verschuldigd
of verantwoordelijk ben. Als hun idée fixen worden aangetast,
hebben de
gezworenen net zo’n harde koppen en harten, als de starste despoten en
hun
slaafse beambten.
In “Die Liberalen
Bestrebungen”
beweert Edgar Bauer dat de persvrijheid in de absolutistische en
constitutionele staat onmogelijk is. In de “vrije staat” daarentegen
wel haar
plaats vindt. “Hier”, zegt hij, “wordt erkend dat de enkeling het recht
heeft
zich uit te spreken omdat hij niet meer een enkeling, maar een medelid
van een
waarachtige en redelijke algemeenheid is”. Dus niet de enkeling, maar
het
“medelid” bezit persvrijheid. Maar als de enkeling ten behoeve van de
persvrijheid
eerst een bewijs moet leveren van zijn geloof in het algemene, het
volk, dan
heeft hij deze vrijheid niet door eigen
macht, dan is het een volksvrijheid, een vrijheid
die hem om zijn geloof, zijn “lidmaatschap”
zal
willen
verlenen. Omgekeerd staat het juist de
enkeling vrij zich uit te spreken. Maar hij heeft
daar
niet
het
“recht” toe, die vrijheid is
niet
zijn “heilig recht”.
Hij heeft alleen
maar de macht; maar deze macht alleen maakt hem tot eigenaar. Ik hoef
geen
concessie
voor persvrijheid,
hoef daar niet de instemming van het volk voor, hoef
niet het “recht” daartoe en ook
geen “volmacht”. Ook de
persvrijheid, net als elke andere
vrijheid, moet ik “nemen”; het
volk als “nu eenmaal de enige rechter” kan het
mij niet geven. Het kan zich de vrijheid die ik neem, laten welgevallen of zich daartegen verzetten;
geven, schenken, verschaffen kan het
die niet. Ik maak er gebruik van ondanks het
volk, zuiver als enkeling d.w.z. ik betwist dat het volk, mijn vijand
en ik
verkrijg het alleen door dat het
volk werkelijk afhandig te maken d.w.z.
door het te nemen. Ik neem het echter omdat het mijn eigendom is.
Sander,
die met Edgar Bauer spreekt, eist (blz. 99) de persvrijheid “als het
recht en de vrijheid van de burgers in de
staat op”. Wat doet
Edgar Bauer anders? Ook voor hem
is het enkel het recht van de vrije burgers.
Ook onder
de naam van
“algemeen menselijk recht” wordt de persvrijheid opgeëist.
Daar werd het
bezwaar tegen geopperd: dat niet elke
mens haar goed weet te
gebruiken; want niet elke enkeling is waarachtig mens. De
mens als zodanig heeft een regering nog nooit geweigerd: maar de mens schrijft juist niets
omdat het een spook is. Zij
weigerde haar steeds alleen aan enkelingen en gaf ze aan anderen bv.
haar
organen.
Zou men
het dus voor allen willen hebben, dan zou men
juist moeten
beweren dat het de enkeling toebehoort, mij, niet de mens of de
enkeling voor
zover hij mens is. Iets anders
als een mens (bv. een dier) kan toch al geen gebruik van haar maken. De
Franse
regering bv. bestrijdt de persvrijheid niet als mensenrecht, maar ze
eist van
de enkeling de waarborg dat hij werkelijk mens is; want niet de
enkeling, maar
de mens geeft ze de persvrijheid. Juist onder het voorwendsel dat het
niet menselijk is, onttrok men mij het mijne: het menselijke liet men
mij
onverminderd.
De
persvrijheid kan alleen maar een verantwoordelijke pers teweeg
brengen,
de
onverantwoordelijke komt slechts uit het perseigendom voort.
Voor de
omgang met
mensen wordt voor allen, die religieus leven,
een uitdrukkelijke wet opgesteld,
wier navolging men soms wel op zondige
wijze durfde te vergeten, maar waarvan men de absolute waarde nooit
durfde te
loochenen: dat is de wet
van de liefde, die ook diegenen die
tegen haar principe
schijnen te vechten en haar
haten, nog niet ontrouw geworden zijn; want ook zij bezitten nog
liefde, ja ze beminnen inniger en zuiverder,
ze beminnen “de mens en de mensheid”.
Wanneer we de betekenis
van deze wet
formuleren, dan krijgen we ongeveer het volgende: ieder mens
moet iets hebben dat hij
als hoger dan zichzelf beschouwt.
Jij
moet
jouw “privé-belangen”
veronachtzamen
wanneer het de welvaart van
anderen, het heil van het vaderland,
de
maatschappij, het algemeen
welzijn,
het welzijn van
de mensheid, de goede zaak en dergelijke meer, geldt! Vaderland,
maatschappij,
mensheid, enz., moeten boven jou staan en voor hun
belang moet jouw privé-belang” achtergesteld worden; want je mag geen egoïst zijn.
De liefde
is een verregaande religieuze eis die zich niet alleen tot
de liefde voor God en de mensen beperkt,
maar in iedere verhouding bovenaan moet staan. Wat wij ook doen, denken, willen,
steeds
moet
de
basis daarvan de
liefde zijn. Zo mogen we wel
oordelen, maar alleen “met liefde”. De bijbel mag
weliswaar bekritiseerd
worden en wel zeer grondig, maar de criticus moet hem voor alles
liefhebben en
het heilige boek erin zien. Betekent dat iets anders dan: hij mag
het niet ten dode bekritiseren,
hij moet het laten bestaan en
wel als iets heilig, onomstotelijks? Ook in
onze kritiek op de mensen moet de liefde onveranderd de grondtoon blijven. Een oordeel dat de haat ingeeft, is zeker
helemaal niet ons eigen oordeel, maar een oordeel van de ons beheersende haat, een
“hatelijk
oordeel”. Maar is een oordeel dat de liefde ons
ingeeft, meer ons eigen?
Het
is
een
oordeel van de ons beheersende liefde, is een “liefdevol,
toegeeflijk” oordeel, is niet ons eigen
en daarom helemaal geen
werkelijk oordeel. Wie van liefde voor gerechtigheid brandt, roept uit:
“Fiat
iustitia, pereat mundus!” Hij
kan wel vragen en navorsen wat gerechtigheid dan eigenlijk is en eist
of waaruit ze bestaat, maar niet of
ze iets is.
Het is
zeker waar dat: “Wie in de liefde blijft, blijft in God en God
in hem.” (Joh. 4:
16) De God blijft in hem, hij
komt er niet van los, wordt niet goddeloos en hij
blijft in God, komt
niet tot zichzelf en in zijn
eigen thuis, blijft in de liefde tot God en wordt niet liefdeloos.
“God is de liefde! Elke
tijd en alle geslachten erkennen in deze
woorden het middelpunt van het
christendom.” God, die de liefde is, is een indringende God: hij kan de
wereld
niet met rust laten, maar wil die zaligmaken.
“God is mens geworden om de mensen goddelijk te maken.”
Hij heeft zijn vinger overal in de pap en
niets geschiedt zonder die vinger; overal heeft hij zijn “beste
bedoelingen” in
“onbegrijpelijke plannen en raadsbesluiten”. De rede, die hij zelf is,
moet ook
over de hele wereld verspreid en
verwezenlijkt worden. Zijn vaderlijke zorg vernietigt al onze
zelfstandigheid.
We kunnen niets verstandigs doen zonder dat men zegt; dat heeft God
gedaan!
Kunnen ons geen ongeluk op de
hals halen zonder te moeten horen: dat heeft God zo beschikt; we hebben
niets
dat we niet van hem hebben: hij heeft alles “gegeven”. Maar net zoals
God, doet
ook de mens. De één wil “partout” de wereld zalig
maken en de mens wil de wereld begelukken,
wil alle mensen gelukkig maken.
Daarom
wil
ieder
“mens”
de rede, die hijzelf denkt te bezitten, in allen opwekken: alles moet
absoluut
redelijk zijn. God plaagt zich met de duivel en de filosoof met het
onredelijke
en het toevallige. God laat geen
wezen zijn eigen gang gaan en de
mens
wil
ons
eveneens alleen een
menselijk gedrag tonen. Wie echter vol heilige (religieuze, zedelijke,
humane)
liefde is, bemint alleen het spook,
de “ware mens” en vervolgt met bekrompen onbarmhartigheid de enkeling,
de
werkelijke mens, onder de flegmatieke
rechtstitel van de handelswijze tegen de “onmens”. Hij vindt het lovenswaardig en onvermijdelijk om de
erbarmeloosheid op de meest strenge wijze uit te oefenen;
want de liefde tot
het spook of het algemene, gebiedt hem
om de niet spookachtige d.w.z. de
egoïst of enkeling te haten; dat is de betekenis van het beroemde
liefdesverschijnsel, dat men “gerechtigheid” noemt.
De zorgvuldig
aangeklaagde heeft
geen verontschuldiging te verwachten en niemand legt vriendelijk een
deken over
zijn ongelukkige naaktheid. Ongeroerd rukt de strenge rechter de arme
aangeklaagde de laatste flarden verontschuldiging van het
lijf, zonder medelijden sleept de cipier hem in zijn
bedompte
woning, onverzoenlijk stoot hij de gebrandmerkte na de afgelopen
straftijd weer
onder de hem verachtelijk bespuwende mensen, zijn goede, christelijke,
loyale
medebroeders! Ja, zonder genade wordt een “doodverdienende” misdadiger
naar het schavot gevoerd en voor de ogen
van een jubelende menigte viert de voldane zedenwet haar verheven
wraak. Eén
kan er maar leven: de zedenwet of de misdadiger. Waar de misdadigers
ongestraft
leven, daar is de zedenwet ten
onder gegaan en waar deze heerst, moeten de anderen vallen. Hun
vijandschap is
onvernietigbaar.
Dat is
juist het christelijke
tijdperk
van
de
barmhartigheid, van
de liefde, van de zorg om de mensen te
laten toekomen wat hen toekomt, ja
ze ertoe te brengen dat ze hun menselijke (goddelijke) roeping
vervullen. Wat
de omgang betreft, heeft men bovenaan gesteld: dit en dat is het wezen
van de
mens en daarom zijn roeping, waartoe, hetzij God hem geroepen heeft of (naar huidige begrippen) zijn
mens-zijn (de soort) hem geroepen
heeft. Vandaar die bekeringsijver. Dat
de communisten en humanisten meer verwachten van de mensen dan
de christenen, brengt hen in
geen geval van dat standpunt af. De mens
moet het menselijke worden! Was het
de vrome genoeg dat het goddelijke hem te beurt
viel, de humanisten verlangen dat in hem het
menselijke niet dood gaat. Tegen het
egoïsme verzetten ze zich beiden. Natuurlijk, want het egoïstische kan hem niet toegestaan of
verleend worden (lenen), maar
hij moet het zichzelf verschaffen. Liefde verkrijgt iedereen, het
egoïstische
kan mij alleen door mijzelf gegeven worden.
De tot nu toe geldende
omgang berustte
op de liefde, het fijngevoelige gedrag,
het voor-elkaar-doen. Zoals men het ten opzichte van zichzelf verschuldigd
was
om
zichzelf
zalig te maken of de
zaligheid, het hoogste wezen, in zich op te nemen en tot een
vérité (een
waarheid en werkelijkheid) te brengen, zo was men anderen
verschuldigd, hen te helpen om hun wezen en hun
roeping te realiseren: men was het
juist
in
beide
gevallen aan het wezen van
de mens verschuldigd, tot zijn verwezenlijking bij te dragen.
Maar men
is noch aan zichzelf verschuldigd, iets uit zichzelf, noch aan anderen,
iets
uit
henzelf
te maken: want men is zijn en het wezen van de
ander niets verschuldigd. De op het wezen steunende omgang is een
omgaan met
het spook, niet met het werkelijke. Heb ik omgang met het hoogste
wezen, dan ga ik niet met mijzelf om en heb ik
omgang met het wezen van de mens, dan ga ik
niet met de mens om.
De liefde
van de natuurlijke mens wordt door de beschaving een gebod. Als
gebod behoort het de mens als zodanig,
niet
mijzelf toe; het is mijn
wezen,
waar men veel wezens van maakt, niet mijn eigendom. De
mens d.w.z. de menselijkheid
stelt mij die eis; de liefde
wordt
geëist, is mijn plicht.
In
plaats
dus
werkelijk door mijzelf verworven
te zijn, heeft het
algemene haar verworven, de mens als diens eigendom of eigenheid: “De mens behoort lief
te hebben:
liefhebben is de plicht en de roeping van de mens, enz.”
Daarom moet ik mijzelf de
liefde
weer terugvorderen en haar uit de
macht van de mens
verlossen.
Wat
oorspronkelijk
het
mijne was,
maar toevallig,
instinctmatig, dat werd me als eigendom van de mens verleend;
ik werd
leenman doordat ik liefhad, de leenman
van
de
mensheid, louter een exemplaar
van deze soort en handelde
liefhebbend, niet als ik, maar als mens,
als
mensenexemplaar
d.w.z.
menselijk.
De hele toestand van de cultuur is het leenstelsel
omdat het eigendom van de mens of van de mensheid is,
niet het mijne. Een enorme leenstaat
werd gegrondvest, de enkeling werd alles ontroofd, alles aan “de mens”
gegeven.
De enkeling moest uiteindelijk als “dóór en
dóór zondaar” verschijnen.
Moet ik nu
met
de
persoon van de
ander geen actief contact hebben, moet zijn
vreugde en zijn geluk
mij niet na aan het hart
liggen, moet het genot dat ik hem bezorg voor mijzelf niet boven
een
ander,
eigen genot gaan?
Integendeel, ik kan hem ontelbare genietingen
met vreugde offeren, het ontelbare kan ik me
ter
verhoging van zijn genot ontzeggen en wat
mijzelf zonder hem het kostbaarste was,
kan ik voor hem
op het spel zetten:
mijn
leven, mijn welvaart, mijn vrijheid. Het maakt immers mijn geluk en
mijn
plezier uit om mijzelf aan zijn geluk en zijn plezier te laven. Maar mij, Mezelf offer ik
hem
niet,
maar
blijf
egoïst en geniet van hem. Wanneer ik hem alles offer wat ik hem
zonder de
liefde zou onthouden, dan is dat zeer eenvoudig en zelfs normaler
in het leven dan het schijnt; maar het
bewijst niets meer dan dat deze
éne hartstocht in mijzelf machtiger is, dan al de overige. Deze
hartstocht aan
alle andere op te offeren, leert ook het christendom. Offer ik de ene hartstocht aan alle andere
op, dan offer ik mijzelf nog niet op
en offer niets van datgene op, waardoor ik waarachtig Mezelf ben, niet mijn
eigenlijke
waarde, mijn eigenheid. Waar
dat pijnlijk geval zich voordoet, daar ziet het
er met de liefde al niet beter uit, dan met welke andere hartstocht
dan
ook
die ik blindelings
gehoorzaam. De eerzuchtige, die door eerzucht voortgesleurd wordt en voor elke
waarschuwing die een rustig ogenblik in
hem oproept, doof blijft, heeft deze hartstocht
tot een dwingeland laten uitgroeien, waar hij alle
oplossende
macht tegen verloren heeft: hij heeft zich zelf opgegeven
omdat hij zich niet kan oplossen,
zich daarom niet van hem kan verlossen: hij is bezeten.
Ik heb de mensen ook lief, niet alleen de enkeling, maar iedereen,
maar ik heb ze lief met het bewustzijn
van de egoïst; ik hou van ze omdat de liefde mij gelukkig maakt,
ik heb lief
omdat voor mijzelf het liefhebben natuurlijk is, omdat ik er van hou.
Ik ken
geen “gebod van de liefde”. Ik heb medegevoel
met ieder voelend wezen en zijn kwelling kwelt, hun verkwikking
verkwikt ook
mij: doden kan ik hen niet, martelen evenmin. Daarentegen zint de
hooghartige,
deugdzame filistervorst Rudolf in de Mysteriën
van
Parijs,
op
de marteling van de bozen omdat ze hem “verontrusten”.
Dat
medegevoel bewijst alleen dat het gevoel van de voelende ook het mijne, mijn eigendom is, waar de
meedogenloze manier van doen van de “rechterlijken” (bv. tegen notaris
Ferrand), lijkt op de gevoelloosheid van de rover die naar
de
maat van zijn bed de gevangenen de benen afsneed of hen uitrekte; Rudolfs bed waarnaar
hij de mensen op maat snijdt, is het
begrip van het “goede”. Het gevoel voor recht, deugd, enz.,
maakt
hardvochtig en onverdraagzaam. Rudolf voelt niet zoals de notaris, maar
omgekeerd, hij voelt dat “de
booswicht recht geschiedt”; dat is geen medegevoel.
Jullie beminnen de mens,
daarom
pijnigen jullie dan de afzonderlijke
mens, de egoïst; jullie mensenliefde is mensenmarteling.
Zie ik de geliefde
lijden, dan lijd
ik mee en dat laat me niet met rust totdat
ik alles geprobeerd heb om hem te
troosten en op te beuren; zie ik
hem vrolijk, dan word ook ik over zijn vrolijkheid vrolijk. Daaruit
volgt niet
dat bij mijzelf dezelfde zaak lijden
of vreugde veroorzaakt, die in hem deze werking oproept, zoals iedere
lichamelijke pijn al bewijst die ik niet zoals hij voel: hem pijnigt zijn tand, maar mijzelf pijnigt zijn
pijn.
Omdat ik
nu die
kommervolle
rimpels op het voorhoofd van
mijn geliefde niet kan verdragen, daarom,
dus ter wille van mijzelf, kus
ik ze weg. Zou ik niet van deze
mens houden en zou hij toch
rimpels trekken dan zou het me niets
doen; ik verjaag enkel mijn kommer.
Hoe dan,
heeft nu
iemand of iets, die en dat ik
niet bemin, er recht op, door
mij bemind te worden? Is mijn liefde het voornaamste of zijn recht
het voornaamste? Ouders, verwanten, vaderland, volk, geboortestad,
enz., uiteindelijk eigenlijk
mijn medemensen (“broeders, broederlijkheid”), beweren recht op mijn liefde te hebben en eisen haar zonder
meer op. Ze beschouwen het als hun
eigendom en mij, als ik dat niet respecteer, als
rover,
die
hen onttrekt
wat hen toekomt en het hunne is. Ik moet
liefhebben. Is de liefde een gebod en wet, dan moet ik daarin opgevoed,
daarin gevormd worden en als ik
me daaraan te buiten ga,
gestraft worden. Men zal daartoe een zo sterk mogelijke “morele
invloed” op mij
trachten uit te oefenen, om me tot liefde te brengen. En het laat geen
twijfel
dat men de mensen tot liefde kan kietelen en kan verleiden, net als tot
andere
hartstochten, bv. tot haat.
De haat doortrekt hele
geslachten,
alleen omdat de voorouders van de één tot de Welfen, die
van de ander tot de
Ghibellijnen behoorden.
Maar de liefde is geen
gebod, maar
als elk van mijn gevoelens, mijn eigendom. Verwerf
d.w.z. koop mijn eigendom en
dan draag ik het aan je over. Een kerk, een volk, een vaderland, een familie, enz., die zich mijn
liefde niet weet te verwerven, hoef ik niet lief te hebben en ik bepaal
de
prijs van mijn liefde geheel naar het mijzelf belieft.
De baatzuchtige liefde
staat ver af
van de onbaatzuchtige, mystieke of romantische
liefde. Liefhebben kan men al het mogelijke, niet alleen mensen, maar
eigenlijk
elk “voorwerp” (de wijn, zijn vaderland, enz.). Blind en dol wordt de
liefde,
doordat een moeten haar aan mijn macht
onttrekt (verzotheid),
romantisch, doordat een moeten
haar inneemt d.w.z. doordat “het voorwerp” voor mijzelf heilig wordt of
dat ik
door plicht, geweten, eed, enz., er aan gebonden ben. Nu is het
voorwerp van mijn liefde er niet meer voor mij,
maar ik ben er voor het voorwerp.
Niet als mijn ervaring is
de liefde
een bezetenheid - als zodanig houd ik haar veel meer in bezit dan als
eigendom
- maar door de vreemdheid van het voorwerp. De religieuze liefde
bestaat
namelijk uit het gebod om in de geliefde iets “heiligs” lief te hebben
of aan
een heilige te hangen; voor de belangeloze liefde bestaan er absoluut
beminnenswaardige voorwerpen, waarvoor mijn hart moet kloppen bv. de
medemensen
of de echtgenote, de bloedverwanten, enz. De heilige liefde bemint het
heilige
aan de geliefde en doet dan ook moeite om uit de geliefde steeds meer
een
heilige (bv. een “mens”) te maken.
De geliefde is een
voorwerp dat door
mij bemind moet worden. Het is daarom
niet voorwerp van mijn liefde omdat ik haar liefheb, maar is voorwerp
van de
liefde aan en voor zich. Niet ik maak haar tot een voorwerp van de
liefde, maar
dat het van huis uit zo is, eerder dan dat het misschien door mijn
keuze zo
geworden is, zoals bruid, echtgenote en dergelijke, doet hier niet ter
zake
omdat het toch altijd, als een eenmaal uitverkorene eigen, “recht op
mijn
liefde” gekregen heeft en ik, omdat
ik haar bemind heb, voor eeuwig verplicht ben haar te beminnen.
Het
is
dus
niet een voorwerp van mijn liefde, maar
helemaal echt de liefde: een voorwerp dat bemind moet
worden. De liefde komt het toe,
behoort het, of is zijn recht, ik
echter
ben
verplicht het te beminnen. Mijn liefde
d.w.z. de liefde die ik hem betuig, is in waarheid zijn liefde die hij alleen
maar als een belasting van mij vordert.
Elke liefde waar ook maar
de kleinste vlek van verplichting aan kleeft,
is een onbaatzuchtige en zover deze vlek reikt, is ze bezetenheid. Wie
het
voorwerp van zijn liefde iets verschuldigd gelooft te zijn, die bemint
romantisch
of religieus.
Familieliefde bv. zoals
gewoonlijk
de “piëteit” opgevat wordt, is een religieuze liefde;
vaderlandsliefde die als
“patriottisme” gepredikt wordt eveneens. Al onze romantische liefde
beweegt
zich in dezelfde vorm: overal die huichelarij of liever het zelfbedrog
van een
“onbaatzuchtige liefde”, een interesse in het voorwerp omwille van het
voorwerp
zelf, niet omwille van mijzelf en wel alleen omwille van mij.
De religieuze of
romantische liefde
onderscheidt zich van de zinnelijke liefde weliswaar door het verschil
in voorwerp, maar niet door de
afhankelijkheid van de verhouding tot dat voorwerp. In laatstgenoemde
verhouding zijn beiden bezetenheid, in het
eerste echter is het ene voorwerp profaan, het andere
heilig.
De
heerschappij
van het voorwerp is in
beide gevallen hetzelfde, alleen dat het in het ene
geval een zinnelijke, in het andere een
geestelijke
(spookachtig) is. Mij eigen is mijn liefde pas wanneer ze volledig uit
een
baatzuchtig en egoïstisch belang bestaat, zodat het
voorwerp van mijn liefde werkelijk mijn
voorwerp of mijn eigendom is. Mijn eigendom ben ik niets
schuldig en ik heb er geen verplichtingen tegenover, net zomin als ik
bijvoorbeeld een plicht ten opzichte van mijn ogen heb; bescherm ik ze toch met grote zorgzaamheid, dan
gebeurt het omwille van Mezelf.
Aan liefde ontbrak het de
oudheid
net zomin als de christelijke
tijd. De liefdesgod is ouder dan de God van de liefde. Maar de mystieke
bezetenheid behoort tot de nieuwe tijd.
De bezetenheid van de
liefde ligt in de vervreemding van het voorwerp of
in
mijn
onmacht
tegenover
zijn vreemdheid en overmacht. Voor de egoïst is niets
hoog genoeg dat
hij er zich voor vernedert, niets zo zelfstandig dat hij zou leven om dat te beminnen, niets zo heilig
dat hij zich daaraan opoffert. De liefde van de egoïst vloeit in
de bedding van het eigenbelang en mondt weer
uit in het eigenbelang.
Of dat nog liefde kan heten? Ken
je er een
ander woord voor, kies daar dan tenminste vrij in; dan mag dat zoete
woord van
de liefde samen met de afgestorven wereld verwelken; ik tenminste, vind
voor
het ogenblik geen ander in onze christelijke
taal en blijf daarom bij de oude klank en “bemin” mijn
voorwerp, mijn eigendom.
Alleen maar als
één van mijn
gevoelens koester ik liefde, maar als een macht over mij, als een
goddelijke
macht (Feuerbach), als een hartstocht, waaraan ik me niet zal
onttrekken, als
een religieuze en zedelijke plicht, versmaad ik haar. Als mijn gevoel
behoort
het mijzelf toe; als basis waar ik mijn ziel aan wijd en “afzweer”, is
ze een
gebiedster en goddelijk, zoals de
basis van de haat duivels is: het ene
is niet beter dan het andere. Kortom, de egoïstische liefde d.w.z.
mijn liefde
is noch heilig, noch onheilig, noch goddelijk, noch duivels.
“Een
liefde
die
door
het geloof ingeperkt is, is een
onware
liefde. De enige, het wezen van de liefde niet tegenstrijdige
beperking, is de
zelfbeperking van de liefde door de rede, de intelligentie. Liefde, die
de
gestrengheid, de wet van de intelligentie versmaadt, is theoretisch een
valse,
praktisch een verderfelijke liefde.”
Dus de liefde is naar haar aard redelijk?
Dat denkt Feuerbach; de gelovige daarentegen denkt: dat de liefde in
wezen gelovig is. De één ijvert tegen
de redeloze, de ander tegen de ongelovige
liefde. Beiden kunnen ze
hoogstens als een splendidum vitium beschouwen. Laten beiden niet de
liefde
bestaan, ook in de vorm van redeloosheid en ongeloof? Ze durven niet te
zeggen:
redeloze of ongelovige liefde is onzin, is geen liefde, net zomin als
je zou
kunnen zeggen: redeloze en ongelovige tranen zijn geen tranen. Zou
echter ook
voor de redeloze, enz. liefde als liefde gelden en zou die
tegelijkertijd de
mens onwaardig zijn, dan volgt daar eenvoudigweg het volgende uit:
liefde is
niet het hoogste, maar rede of geloof;
ook de redeloze en ongelovige kan liefhebben; liefde heeft echter
alleen waarde
als ze die van een redelijke of gelovige is. Het is verblinding als
Feuerbach
de redelijkheid van de liefde, haar “zelfbeperking” noemt; de gelovige
zou met
hetzelfde recht de gelovigheid haar “zelfbeperking” kunnen noemen.
Redeloze
liefde is noch “vals”, noch “verderfelijk”; ze doet als liefde haar
dienst.
Tegenover de wereld en in
het
bijzonder tegenover de mensen moet ik
een bepaald gevoel aannemen en
hen van begin af aan met het gevoel van de liefde, “met liefde tegemoet
treden”. Weliswaar openbaart zich hierin veel meer willekeur en
zelfbeschikking, dan wanneer ik mijzelf door de wereld, met alle
mogelijke
gewaarwordingen laat bestormen en aan de meest verwarde, de meest
wisselvallige
indrukken, blootgesteld blijf. Ik ga er liever op af met een
vooropgezet
gevoel, een vooroordeel als het ware en een vooropgezette mening; ik
heb mijn
gedrag tegenover haar vooraf al uitgestippeld en voel en
denk ondanks al
haar aanvechtingen alleen maar zo over
haar, als ik nu eenmaal besloten heb te voelen. Tegen de heerschappij
van de
wereld bescherm ik me door het liefdesprincipe; want wat er ook moge
gebeuren,
ik bemin. Het lelijke bv. maakt op mij een afstotelijke indruk; maar,
vastbesloten om lief te hebben, bedwing ik deze indruk, net zoals elke
antipathie.
Maar dat gevoel waartoe ik me van huis uit bestemd en veroordeeld heb,
is juist
een bekrompen gevoel, omdat het
gepredestineerd is, waarvan ik zelf niet los kan komen of afstand kan
doen.
Omdat het vooropgezet is, is het
een vooroordeel. Ik vertoon mijzelf
niet meer tegenover de wereld, maar mijn liefde vertoont zich.
Weliswaar
beheerst de wereld me niet, maar des
te meer onafwendbaar echter beheerst de geest van de liefde
mij. Ik heb de wereld overwonnen om een slaaf van deze geest
te worden.
Zei ik eerst: ik heb de
wereld lief,
nu voeg ik daaraan toe: ik heb haar niet lief, want ik vernietig
haar, zoals ik Mezelf vernietig: ik los haar op. Ik
beperk me niet tot één ervaring bij de mensen, maar geef
aan alle, waartoe ik
in staat ben, vrije speelruimte. Waarom zou ik het niet
in
alle
schrilheid
durven uitspreken? Ja, ik gebruik de
wereld en de mensen! Daarbij
kan ik me voor alle indrukken open stellen, zonder door
één ervan aan mijzelf ontrukt
te worden. Ik kan liefhebben, met heel mijn ziel liefhebben en de meest
verterende gloed van de hartstochten in mijn hart laten branden, zonder
de geliefde als iets anders te beschouwen, dan als voedsel voor
mijn
hartstocht, waaraan
hij zich steeds opnieuw verfrist. Al mijn zorg om hem geldt alleen het voorwerp van mijn
liefde,
alleen hem, die mijn liefde nodig heeft,
alleen hem, de “vurig geliefde”.
Hoe onverschillig zou hij mij zijn, zonder deze, mijn liefde?
Enkel
mijn
liefde
spijzig ik met hem, daartoe echter gebruik
ik hem: ik geniet hem.
Laten we een ander voor
de hand
liggend voorbeeld kiezen. Ik zie, hoe de mensen door een zwerm spoken
in
duister bijgeloof beangstigd worden. Laat ik
misschien daarom naar vermogen, daglicht over het
nachtelijk spook
vallen, omdat bv. de liefde tot jullie me dat ingeeft? Schrijf ik uit
liefde
voor de mensen? Nee, ik schrijf omdat ik mijn
gedachten een bestaan in de wereld wil verschaffen en al zou ik ook
vooruit
zien dat deze gedachten jullie van de rust en vrede zouden beroven, al
zou ik
ook de bloedigste oorlogen en de ondergang van vele generaties uit dat
gedachtezaad zien ontkiemen: dan zaaide ik het toch uit. Doe ermee wat
jullie
willen en kunnen, dat is jullie zaak en maakt mij niets uit. Jullie
zullen daar
wellicht niets dan kommer, strijd en dood door krijgen, de minsten
zullen hier
vreugde uit halen. Zou mij jullie welzijn wel na aan het hart liggen,
dan zou
ik als de kerk doen, toen ze de leek de bijbel ontnam, of zoals de
christelijke
regeringen die het zich tot hun heilige plicht maken om de “gewone man
voor
slechte boeken te behoeden”.
Doch niet alleen, niet
ter wille van
jullie, ook niet eens ter wille van de waarheid spreek ik uit, wat ik
denk.
Nee:
Ik zing, zoals de vogel
zingt.
die in de twijgen woont:
het lied, dat uit de keel
dringt,
is het loon, dat
rijkelijk loont.
Ik zing, omdat ik een
zanger ben. Jullie echter gebruik ik omdat ik oren
nodig heb.
Waar de wereld me in de
weg loopt —
en die loopt me overal in de weg — daar verteer ik haar, om de honger
van mijn
egoïsme te stillen. Jij bent voor mij niets dan mijn spijs zoals
ik ook door
jou verspijsd en verbruikt
wordt. We hebben met elkaar maar één betrekking, die van
de bruikbaarheid, van de nuttigheid, van
het nut. We zijn elkaar niets
schuldig, want wat ik jou schuldig
lijk te zijn, ben ik hoogstens Mezelf schuldig. Toon ik jou een vrolijk
gezicht
om jou eveneens op te vrolijken, dan is het mij om jouw vrolijkheid te
doen en
mijn gezicht dient mijn wensen;
duizenden anderen, die ik niet van plan ben op te vrolijken, toon ik
het niet.
Tot de liefde die zich op
het “wezen
van de mens” baseert of in de kerkelijke en zedelijke periode als een
“gebod”
op ons drukt, moet men opgevoed worden. Op welke wijze de
morele
invloed,
het
hoofdingrediënt
van onze opvoeding, de omgang van de mensen
probeert te
regelen, moet hier minstens met één voorbeeld door
egoïstische ogen bekeken
worden.
Zij die ons opvoeden,
zorgen ervoor
ons vroegtijdig het liegen af te leren en ons de grondregel
in
te
prenten
dat men steeds de waarheid moet
zeggen. Zou men voor deze regel
het eigenbelang als uitgangspunt nemen, dan zou iedereen gemakkelijk
kunnen
begrijpen hoe men door te liegen het vertrouwen dat men in de andere
wil
opwekken, verliest en hoe juist de zin blijkt te zijn: wie eenmaal
liegt,
vertrouwt men niet, ook als hij toch de waarheid spreekt.
Tegelijkertijd zou
hij ook voelen dat hij alleen diegenen tegemoet moet treden met de
waarheid,
die hij bevoegd acht om de waarheid
te horen. Zwerft een spion verkleed door het vijandelijke kamp en wordt
hem
gevraagd, wie hij is, dan zijn de vragers weliswaar bevoegd om naar
zijn naam
te vragen, de verklede geeft hen echter het recht niet om van hem de
waarheid
te vernemen; hij zegt hen wat hij wil, maar niet het juiste. En toch
leert de
moraal: “Ge zult niet liegen!” Door de moraal hebben zij het recht om
de
waarheid te verwachten; maar voor mijzelf zijn ze daartoe niet
gerechtigd en ik
erken alleen het recht dat ik deel.
In een vergadering van revolutionairen dringt de politie binnen en
vraagt de
redenaar naar zijn naam; iedereen weet dat de politie daar het recht
toe heeft,
alleen van de revolutionair heeft zij het niet, daar hij haar vijand
is; hij
geeft een valse naam op en liegt tegen ze. Ook is de politie niet zo
dwaas om
op de waarheidsliefde van haar vijanden te rekenen; ze gelooft integendeel niet zonder meer, maar
“recognosseert” als ze kan, het individu in kwestie. Ja, de staat
gedraagt zich
overal ongelovig tegenover de individuen omdat hij in hun egoïsme
zijn
natuurlijke vijand erkent: hij verlangt gewoon een “legitimatie”
en wie dat niet kan leveren, die valt in handen van
zijn speurende inquisitie. De staat gelooft en vertrouwt de enkeling
niet en
plaatst zich zo zelf met hem in het leugenverbond:
hij vertrouwt mij alleen als hij zich van de waarheid van mijn
verklaring overtuigd heeft, waarvoor hem vaak geen
ander middel overblijft dan de eed. Hoe duidelijk bewijst ook dit, dat
de staat
niet op onze waarheidsliefde en geloofwaardigheid rekent, maar op ons
belang,
ons eigenbelang: hij vertrouwt erop dat wij niet door een meineed
onenigheid
met God zouden willen krijgen.
Denk maar aan een Franse
revolutionair in het jaar 1788, die onder kameraden de bekend geworden
uitspraak deed: de wereld is niet eerder rustig dan wanneer de laatste
koning
aan de darmen van de laatste priester bengelt. Destijds had de koning
nog alle
macht en als de uitspraak door een toeval verraden
zou
zijn, zonder
dat men daar getuigen
van had, dan eiste men van de aangeklaagde de bekentenis. Zal hij
bekennen of
niet? Ontkent hij, dan liegt hij en blijft straffeloos; bekent hij, dan
is hij
eerlijk en wordt onthoofd. Gaat hem de waarheid boven alles, welaan,
dat hij
dan sterve. Alleen een beroerde dichter zou kunnen proberen om uit dit
levenseinde
een tragedie te maken; want wat voor nut heeft het, te zien hoe een
mens uit
lafheid bezwijkt? Zou hij echter de moed hebben gehad, geen slaaf van
de
waarheid en eerlijkheid te zijn, dan zou hij wellicht het volgende
vragen:
waarom is het nodig dat die rechters weten wat ik onder vrienden gezegd
heb?
Wanneer ik zou willen dat ze het
wisten dan zou ik het hen gezegd hebben, zoals ik het mijn vrienden
gezegd heb.
Ik wil niet dat ze het weten. Ze dringen zich in mijn vertrouwen zonder
dat ik
ze daartoe geroepen en tot mijn vertrouwelingen gemaakt heb: zij willen weten wat ik wil geheimhouden.
Kom dan hier jullie, die mijn wil door jullie wil
willen breken en beproef je kunsten. Jullie kunnen me door folteringen
pijnigen, kunnen me met hel en eeuwige verdoemenis bedreigen, kunnen me
zo murw
maken dat ik een valse eed afleg, maar de waarheid zullen jullie niet
uit me
persen, want ik wil tegen jullie
liegen omdat ik jullie geen aanspraak en geen recht op mijn oprechtheid
heb
gegeven. Al mag God “die de waarheid is”, nog zo dreigend op me
neerzien, al
mag het liegen me nog zo zuur worden, toch heb ik de moed te liegen en
zelfs
als ik mijn leven zat zou zijn, zelfs wanneer mij niets zo welkom zou
zijn als
jullie scherpe beulszwaard, dan nog zullen jullie de vreugde niet
hebben om in
mijzelf een slaaf van de waarheid te vinden, die jullie door je
priesterkunsten
tot een verrader van zijn wil maken.
Toen ik die hoogverraadwoorden uitsprak, wilde ik dat jullie daar niets
van
zouden weten; diezelfde wil heb ik nu nog behouden en ik laat me niet
door de
vloek van de leugen terugschrikken.
Sigismund is geen
jammerlijke schurk
omdat hij zijn vorstelijk woord brak, maar hij brak zijn woord omdat
hij een
schurk was; hij had zijn woord kunnen houden en zou toch een schurk,
een
priesterknecht zijn geweest. Luther werd, gedreven door een hogere
macht, zijn
monniksgelofte ontrouw: hij werd dat om godswil. Beiden braken hun eed
als
bezetenen: Sigismund, omdat hij als een oprechte
belijder van de goddelijke waarheid
d.w.z. het ware geloof, zuiver katholiek wilde blijken; Luther, om
oprecht en
met de hele waarheid, met lijf en ziel, getuigenis van het evangelie af
te
willen leggen; beiden werden meinedig om tegenover de “hogere waarheid”
oprecht
te zijn. Alleen onthief de priester de één, de ander
onthief zichzelf. Wat
beoogden beide anders, dan wat in het apostolische woord staat: “Gij
hebt niet
tegen de mensen, maar tegen God gelogen”? Ze logen tegen de mensen,
braken voor
het oog van de wereld hun eed, om niet tegen God te liegen, maar hem te
dienen.
Zij tonen ons een weg, die men met de waarheid tegenover de mensen moet
vasthouden. Ter ere van God en zijn wil, een meineed, een leugen, een
gebroken
vorstenwoord!
Hoe zou het zijn, wanneer
we de zaak
een beetje zouden veranderen en zouden schrijven: een meineed
en
leugen
ter
wille van mij! Zou dat een pleidooi voor
iedere laagheid zijn? Het lijkt
echt zo, maar dan lijkt het daarin helemaal op het “om Gods wil”. Want
wordt
niet elke laagheid om Gods wil gedaan, alle bloedgerichten ter wille
van hem
uitgevoerd, alle autodafé’s voor hem gehouden, alle verdoeming
voor hem
ingevoerd en bindt men niet nu nog, al bij de nog tedere kindertjes,
door
religieuze opvoeding, de geest om Gods wil? Brak men geen heilige
geloften ter
wille van hem en trekken niet alle dagen nog missionarissen en
priesters rond
om joden, heidenen, protestanten of katholieken, enz. tot verraad aan
het
geloof van hun vaderen te brengen? Ter wille van hem? En dat zou bij
het ter
wille van mij erger zijn? Wat
betekent dan om mij? Dan denkt men
meteen aan “snood gewin”. Wie echter uit liefde voor snode winst
handelt, doet
dat wel voor zichzelf omdat er eigenlijk helemaal niets is dat men niet
voor
zichzelf doet -onder andere ook alles wat ter ere van God geschiedt-
toch is
hij, voor wie hij winst zoekt, een slaaf van die winst, niet verheven
boven de
winst, is iemand die de winst, de geldzak toebehoort, niet zichzelf, is
niet
zijn eigen. Moet een mens, die door de hartstocht van de hebzucht
beheerst
wordt, niet de geboden van deze meesteres
volgen en wanneer hem eens een zwakke goedmoedigheid bekruipt, is dat
dan niet
juist een uitzondering van precies dezelfde aard, zoals vrome gelovigen
soms
door de leiding van hun meester verlaten en door de kunsten van de
“duivel” in
verrukking gebracht worden? Dus een hebzuchtige is geen eigenaar, maar
een
slaaf en hij kan niets ter wille van zichzelf doen, zonder het
tegelijkertijd
ter wille van zijn meester te doen - net zoals de godsvruchtige.
Beroemd is de eedbreuk
die Frans II tegenover keizer Karel V
beging. Niet wat later, toen hij zijn belofte rijpelijk overwogen had,
maar
meteen toen hij de eed aflegde, nam koning Frans hem zowel in
gedachten, als
door een heimelijk, door zijn raadsheren gedocumenteerd ondertekend
protest,
terug: hij sprak een voorbedachte meineed uit. Zijn vrijlating te
kopen, daar
toonde Frans zich wel toe geneigd, alleen leek hem de prijs die Karel
daar op
zette te hoog en onbillijk. Al gedroeg Karel zich ook krenterig toen
hij er
zoveel mogelijk probeerde uit te persen, toch was het schofterig van
Frans om
zijn vrijheid voor een gering losgeld te willen inruilen en zijn latere
handelingen, waaronder nog een tweede woordbreuk voorkomt, bewijzen
voldoende
hoe de sjachergeest hem geknecht hield en een schofterige bedrieger van
hem
maakte. Wat moeten we daarom als verwijt op zijn meineed zeggen?
Allereerst
weer dat niet de meineed hem te schande maakte, maar zijn gierigheid;
dat hij
geen verachting voor zijn meineed verdiende, maar dat hij zich schuldig
maakte
aan meineed omdat hij een verachtelijk mens was. De meineed van Frans
echter op
zichzelf beschouwd, vereist een andere beoordeling. Men zou kunnen
zeggen dat
Frans niet heeft beantwoord aan het vertrouwen dat Karel bij zijn
vrijlating in
hem stelde. Alleen als Karel hem werkelijk zijn vertrouwen geschonken
zou
hebben, dan zou hij hem de prijs genoemd hebben die hij de vrijlating
waard
achtte, hem dan in vrijheid gesteld hebben en afgewacht hebben tot
Frans het
losgeld betaalde. Karel koesterde zo’n vertrouwen niet, maar geloofde
alleen
maar in de machteloosheid en lichtgelovigheid van Frans, die het hem
niet
zouden toestaan om tegen zijn eed te handelen; Frans bedroog echter
deze
lichtgelovige berekening. Toen Karel zich door de eed van zijn vijand
verzekerd
waande, bevrijdde hij hem juist van elke verplichting. Karel had de
koning een
domheid, een eng geweten toevertrouwd en rekende zonder vertrouwen in
Frans,
alleen maar op de domheid van Frans d.w.z. zijn gewetensnood; hij
ontsloeg hem
alleen uit de Madrileense gevangenis om hem des te zekerder in de
gevangenis
van de gewetensnood, de grote, door de religie om de mensengeest heen
opgetrokken kerker, vast te houden: hij stuurde hem, vastgeklonken in
onzichtbare ketenen terug naar Frankrijk, wat een wonder dat Frans
probeerde te
ontkomen en de ketenen verbrak. Geen mens zou het hem kwalijk hebben
genomen
als hij heimelijk uit Madrid gevlucht zou zijn, want hij was in de
macht van de
vijand; iedere goede christen echter roept wee over hem omdat hij zich
ook uit
gods banden wilde losmaken. (De paus ontsloeg hem pas later van zijn
eed.)
Het is verachtelijk om
een
vertrouwen dat we vrijwillig oproepen, te schenden; maar iedereen die
ons door
een eed in zijn macht wil krijgen, aan de vergeefsheid van zijn
trouweloze list
te laten doodbloeden, dat maakt het egoïsme niet ten schande. Heb
je mij willen
binden, merk dan dat ik jouw band kan laten knappen.
Het komt er op aan of ik de vertrouwende het recht op het
vertrouwen geef. Wanneer de vervolger van mijn vriend mij vraagt waar
die heen
is gevlucht dan zal ik hem ongetwijfeld op een dwaalspoor zetten.
Waarom vraagt
hij het juist aan mij, de vriend
van de vervolgde? Om niet een valse,
verraderlijke vriend te zijn, geef ik er de voorkeur aan om tegenover
de vijand
vals te zijn. Ik zou wel uit moedige gewetensvolheid kunnen antwoorden:
ik wil
het niet zeggen (zo besluit Fichte in dat geval); daardoor zou ik mijn
waarheidsliefde redden en zou voor de vriend vrijwel niets doen, want
als ik de
vijand niet op een dwaalspoor zou brengen, dan kan hij toevallig de
juiste
straat inslaan en dan zou mijn waarheidsliefde een vriend prijsgegeven
hebben,
omdat mij de moed om te liegen ontbrak. Wie in de waarheid een idool,
iets
heiligs ziet, moet zich voor haar vernederen,
mag haar eisen niet trotseren, niet moedig weerstaan, kortom hij moet
zich de heldenmoed van de leugen ontzeggen. Want
voor de leugen is niet minder moed nodig dan voor de waarheid, een
moed, waar
het de meeste jonge mensen aan pleegt te ontbreken die liever de
waarheid belijden
en daar het schavot voor bestijgen, dan door de vermetelheid van een
leugen de
macht van de vijand ten schande te maken. Voor hen is de waarheid
“heilig” en
het heilige eist altijd blinde verering. Onderwerping en opoffering!
Ben jij
niet brutaal, geen bespotter van het heilige, dan ben je getemd en een
dienaar.
Als men voor jullie
alleen maar één korreltje waarheid in de
val strooit, pik je er vast naar en men heeft de dwaas gevangen. Jullie
willen
niet liegen? Val dan maar ten offer aan de waarheid en wordt martelaar!
Martelaar waarvoor? Voor jezelf, voor de eigenheid? Neen, voor jullie
godin, de
waarheid. Jullie kennen maar twee soorten dienaren:
dienaren van de waarheid en dienaren van de leugen. Dien dan in
godsnaam de
waarheid!
Weer anderen dienen ook
de waarheid,
maar ze dienen haar “met mate” en maken bv. een groot onderscheid
tussen een
eenvoudige en een gezworen leugen. En toch valt het hele hoofdstuk van
de eed
samen met dat van de leugen omdat een eed alleen maar een sterk
beloofde verklaring
is. Jullie denken dat je het recht hebt om te liegen, als je er maar
niet op
zweert? Wie het nauw neemt moet een leugen even hard veroordelen en
verdoemen
als een valse eed. Er heeft zich echter een oeroud geschilpunt in de
moraal in
stand weten te houden, dat onder de naam van “noodleugen” afgehandeld pleegt te
worden. Niemand die dat woord durft uit te spreken, kan logischerwijs
een
“noodeed” van de hand wijzen. Rechtvaardig ik mijn leugen als een
noodleugen,
dan moet ik niet zo kleinzielig zijn om de gerechtvaardigde leugen van
de
sterkste bevestiging te beroven. Waarom zou ik, wat ik ook doe, niet
helemaal
en zonder voorbehoud (reservatio mentalis) doen? Als ik nu toch eenmaal
lieg,
waarom dan niet volkomen, met mijn hele bewustzijn en alle kracht
liegen? Als
spion zou ik de vijand al mijn valse verklaringen naar wens bezweren;
vastbesloten om tegen hen te liegen, zou
ik dan plotseling lafhartig en besluiteloos ten opzichte van mijn eed
moeten
staan? Dan zou ik van begin af aan, als leugenaar en spion, verdorven
geweest
zijn; want dan zou ik de vijand vrijwillig een middel aan de hand doen
om mij
te vangen. Ook de staat vreest de noodeed en laat daarom de
aangeklaagde niet
zweren. Jullie echter rechtvaardigen de angst van de staat niet; jullie
liegen, maar zweren niet vals. Bewijst
iemand jullie bv. een dienst, zonder dat hij het mag weten, maar hij
vermoedt
het en hij zegt het jullie op de man af, dan ontkennen jullie het;
volhardt
hij, dan zeggen jullie: “Echt niet!” Zou het op zweren aan komen, dan
zouden
jullie weigeren, want jullie blijven uit angst voor het heilige steeds
halverwege steken. Tegenover het
heilige hebben jullie geen eigen wil.
Jullie liegen met mate, zoals jullie “met mate” vrij zijn, “met mate”
religieus
(de geestelijkheid mag niet “aangetast” worden, zoals tegenwoordig hier
de
meest smakeloze twist over wordt gevoerd tussen universiteit en kerk),
“met
mate” monarchistisch gezind, (jullie willen een door de grondwet, een
staatsgrondwet, beperkte monarch) alles netjes gematigd, lauw en flauw,
half
goddelijk, half duivels.
Ooit was het op een
universiteit de gewoonte dat de
studenten nul en generlei waarde hechtten aan elk erewoord dat aan de
universiteitsrechter gegeven moest worden. De studenten zagen daarin
een
valstrik, die ze alleen maar konden ontlopen door er alle betekenis aan
te
onttrekken. Wie echter op precies dezelfde plaats tegenover een
studiegenoot
zijn erewoord brak, was infaam; wie het de universiteitsrechter gaf,
lachte
juist samen met die studiegenoten de bedrogene uit, die zich inbeeldde,
dat een
woord onder vrienden en onder vijanden dezelfde waarde heeft. Minder
een juiste
theorie, dan praktische noodzaak, had die studenten zo leren handelen,
omdat ze
zonder dit hulpmiddel genadeloos tot verraad aan hun vrienden gedreven
zouden
worden. Zoals dat middel zich echter in de praktijk bewees, had het ook zijn theoretisch bewijs. Een
erewoord, een eed, is alleen maar voor de één, de ik gerechtigde, te
krijgen; wie mij daartoe dwingt, krijgt alleen maar een afgedwongen
d.w.z. een vijandig woord, het woord van een
vijand, die men niet het recht heeft te vertrouwen; want de vijand
geeft ons
dat recht niet.
Overigens erkennen de
gerechtshoven
van de staat niet eens de onverbrekelijkheid van een eed. Want heb ik,
die
verhoord moet worden, gezworen om niets tegen hem in te brengen, dan
zal het
gerecht, ondanks het feit dat een eed mijzelf bindt, mijn verklaringen
eisen en
in geval van weigering, mij net zolang opsluiten tot ik besloten heb
mijn eed
te breken. Het gerecht “ontslaat mij van mijn eed”; wat grootmoedig!
Als er
ergens een macht is die mij van mijn eed zou kunnen ontslaan, dan ben
ik zelf
toch wel de allereerste macht die daar aanspraak op maakt.
Als curiositeit en om aan
allerlei
gebruikelijke eden te herinneren, mag hier de eed wel een plaatsje
vinden, die
keizer Paul de gevangen Polen (Kosciuszko, Potocki, Niemcewicz, enz.)
beval af
te leggen, voor hij hen vrijliet: “Wij zweren niet alleen trouw en
gehoorzaamheid aan de keizer, maar beloven bovendien om ons bloed voor
zijn
roem te vergieten; we verplichten ons, alles bekend te maken wat we
ooit voor
zowel zijn persoon als zijn rijk gevaarlijk mochten vinden; ten slotte
verklaren we, dat in welk deel van het aardrijk we ons ook bevinden,
één enkel
woord des keizers voldoende zal zijn om alles te verlaten en ons
terstond naar
hem toe te begeven.”
In één
gebied schijnt het principe
van de liefde al lang door het egoïsme overvleugeld te zijn en nog
alleen maar
het zekere bewustzijn, als het ware de zegepraal met goed geweten, nodig te hebben. Dat gebied is de
speculatie in haar tweevoudige verschijning: als denken en als
handeldrijven.
Men denkt er flink op los, wat er ook uit moge voortspruiten en men
speculeert,
hoe velen er ook onder ons speculatieve ondernemen mogen lijden. Maar
als het
uiteindelijk tot een uitbarsting komt, als ook de laatste rest van
religiositeit, romantiek of “menselijkheid”, afgeschaft zal worden, dan
klopt
het religieuze geweten en men bekent zich op zijn minst tot
menselijkheid. De
hebzuchtige speculant werpt een paar stuivers in de armenbus en “doet
goed”, de
koene denker troost zich ermee dat hij aan de vooruitgang van het
menselijk
geslacht werkt en dat verwoesting ervan, de mensheid “ten goede moet
komen”, of
ook wel, dat hij “de idee dient”; de mensheid, de idee is voor hem iets
waarvan
hij moet zeggen: dat gaat mijn petje te boven.
Tot op de dag van vandaag
is er om
godswil gedacht en gehandeld. Zij, die zes dagen voor hun zelfzuchtige
doeleinden alles vertrapten, offerden de zevende dag aan de Heer en zij die
honderd “goede zaken” door hun meedogenloze denken verstoorden, deden
dat toch
in dienst van een andere “goede zaak” en moesten - behalve aan zichzelf
- ook
nog aan iets anders denken dat hun zelfbevrediging ten goede kwam, aan
het volk,
de mensheid en dergelijke. Dat andere is echter een wezen boven hen,
een hoger of hoogste wezen en daarom zeg ik: ze
doen moeite om godswil.
Ik kan daarom ook zeggen
dat de
uiteindelijke basis van hun handelen de liefde
is. Maar niet een vrijwillige, niet hun eigen, maar een renteplichtige,
of een
hoger wezen (d.w.z. God, die de liefde zelf is) eigen liefde, kortom
niet de
egoïstische, maar de religieuze, een liefde die uit hun waan
ontspringt dat ze
een tol aan de liefde moeten betalen
d.w.z. dat ze geen “egoïsten” mogen zijn.
Willen wij
de wereld uit allerlei onvrijheid verlossen, dan willen we dat
niet omwille van
jullie – maar omwille van onszelf: want omdat we geen
wereldverlossers
van beroep en uit “liefde” zijn, willen we haar alleen maar anderen
afhandig
maken. We willen haar ons eigen
maken; niet langer zal zij de lijfeigene
van God (de kerk), de wet (de staat) zijn, maar ons eigen;
daarom
proberen
we
haar voor ons te “winnen”, voor ons
“in te nemen” en de macht die ze tegen ons keert, te doen eindigen en
overtollig te maken door haar tegen te gaan en haar zodra ze ons
toebehoort,
dadelijk aan ons te “onderwerpen”. Is de wereld van ons, dan waagt ze
geen
macht meer tegen ons, maar alleen met
ons. Mijn eigenbelang heeft belang bij de
bevrijding van de wereld,
waardoor ze mijn eigendom wordt.
Niet de afzondering of
het
alleenzijn is de oorspronkelijke toestand van de mens, maar de
gemeenschap. Met
de innigste verbinding begint ons bestaan, omdat we al voor we ademen
met onze
moeder samenleefden; en hebben we vervolgens het licht
van
de
wereld
aanschouwd, dan liggen we meteen weer aan
de borst van een mens, zijn liefde wiegt ons in zijn schoot, leidt aan
de
leiband en
ketent ons met duizend banden aan zijn persoon. De maatschappij
is onze natuurlijke toestand. Daarom wordt ook,
hoe meer we ons leren voelen, de vroeger meest innige band steeds
losser en de
oplossing van de oorspronkelijke maatschappij onmiskenbaarder. De
moeder moet
haar kind, dat eens onder haar hart lag, van de straat en
uit het midden van zijn
speelgenoten halen om het weer eens voor
zichzelf te hebben. Het kind geeft de voorkeur aan de omgang
die het met zijnsgelijken
aangaat in plaats van aan de maatschappij,
die het niet is binnengegaan of beter gezegd, waar het alleen maar in
geboren
is.
De oplossing van de maatschappij wordt veroorzaakt door de
omgang of vereniging. Weliswaar ontstaat ook uit de vereniging een
maatschappij, maar alleen zoals door een gedachte een idée fixe
ontstaat,
namelijk doordat uit de gedachte, de energie van de gedachte, het denken zelf, die rusteloze
herroeping van alle gevestigde gedachten, verdwijnt. Heeft een
vereniging zich
tot een maatschappij uitgekristalliseerd, dan heeft ze
opgehouden
een
vereniging
te zijn; want vereniging is een
onophoudelijk zich-verenigen; is het tot een verenigd-zijn geworden,
tot
stilstand gekomen, in een verstarring ontaard, dan is zij - als
vereniging dood, is het lijk
van de vereniging d.w.z. is maatschappij, gemeenschap.
Een sprekend voorbeeld van deze soort levert de partij.
Dat een maatschappij, bv.
de
staatsmaatschappij, voor mijzelf de vrijheid verkleint
dat
maakt
me
nauwelijks boos. Moet ik me dan toch
door allerlei
machten en door iedere sterkere, ja door iedere medemens, in mijn
vrijheid
laten beperken en al zou ik de meest zelve van alle r….., dan zou ik
toch nog
niet de absolute vrijheid genieten. Maar de eigenheid, die wil ik me
niet laten
afnemen. En juist op de eigenheid heeft elke maatschappij het gemunt,
juist hij
moet ondergeschikt worden gemaakt aan haar macht.
Weliswaar ontneemt een
maatschappij,
waartoe ik behoor, mij menige vrijheid, maar daar verschaft ze me weer
andere
vrijheden voor in de plaats; ook betekent het niets wanneer ik me zelf
één of
andere vrijheid ontzeg (bv. door een contract). Ik wil daarentegen
jaloers op
mijn eigenheid staan. Iedere gemeenschap heeft, naarmate ze over macht
beschikt, de sterkere of zwakkere neiging om voor haar leden een autoriteit te worden en beperkingen in
te stellen; ze verlangt
en moet een “beperkt onderdanen-verstand” verlangen, ze verlangt dat de
haar
toebehorenden haar onderdanig, haar “onderdanen” zijn, ze bestaat
alleen door onderdanigheid. Een zekere
verdraagzaamheid hoeft daarbij in geen geval uitgesloten te zijn, de
maatschappij zal integendeel verbeteringen, terechtwijzingen en
verwijten, voor
zover deze op haar winst berekend zijn, welkom heten; men moet wel de
substantie van de maatschappij ongeschonden laten en heilig houden. De
maatschappij eist dat de haar toebehorenden zich niet boven haar
plaatsen en
zich verheffen, maar “binnen de grenzen van de wettigheid” blijven
d.w.z. zich
maar zoveel veroorloven als de maatschappij en haar wetten hen
toestaan.
Het maakt verschil uit of
een
maatschappij mijn vrijheid of mijn eigenheid beperkt. Is alleen maar
het eerste
het geval, dan is het een vereniging,
een overeenkomen; wordt echter de eigenheid met de ondergang bedreigd,
dan is
ze een macht op zichzelf, een macht boven
mij, een voor mij onbereikbare,
die ik wel verbaasd kan aankijken, aanbidden, vereren, respecteren,
maar niet
kan bemachtigen en verbruiken en wel daarom niet, omdat ik er afstand
van doe.
Ze bestaat door mijn resignatie, mijn zelfverloochening,
mijn moedeloosheid, nederigheid genaamd.
Mijn nederigheid geeft haar moed, mijn onderworpenheid geeft haar de
heerschappij.
Met betrekking echter tot
de vrijheid zijn staat en vereniging niet
wezenlijk van elkaar verschillend. De laatste kan niet ontstaan of
bestaan
zonder dat de vrijheid op allerhande manieren ingeperkt wordt, net
zomin als
een staat die zich met mateloze vrijheid gedraagt. Beperking van de
vrijheid is
overal onafwendbaar, want men kan niet van alles los worden; men kan
niet als
een vogel vliegen, alleen omdat men zo zou willen vliegen, want men
komt niet
los van zijn eigen zwaarte; men kan niet een willekeurige tijd onder
water
leven zoals een vis, omdat men de lucht niet kan missen en niet vrij
kan worden
van deze noodzakelijke behoefte, enz. Zoals de religie en het meest
uitgesproken het christendom, de mensen kwelde door te eisen van het
onnatuurlijke en onzinnige te realiseren, kan men het alleen maar als
de
zuivere consequentie van die religieuze overspannenheid en
overdrevenheid
beschouwen, dat tenslotte de vrijheid
zelf, de absolute vrijheid, tot
ideaal werd verheven en zo de onzin van al het onmogelijke schril aan
het licht
moest komen. Weliswaar zal de vereniging ons zowel een grotere mate van
vrijheid bieden, als namelijk ook als een “nieuwe vrijheid” beschouwd
kunnen
worden omdat men door haar aan de dwang ontkomt, die eigen zijn aan het
staats-
en maatschappelijk leven; maar de onvrijheid en onvrijwilligheid zal ze
toch
nog genoeg houden. Want haar doel is juist niet - de vrijheid, die zij
integendeel aan de eigenheid opoffert, maar ook alleen de eigenheid.
Met
betrekking
hierop
is het onderscheid tussen staat en
vereniging groot genoeg. De één is een vijand en
moordenaar van de eigenheid, de ander een zoon en
medewerker ervan, de één een geest,
die als geest en in waarheid aanbeden wil worden, de ander mijn werk, mijn voortbrengsel;
de staat is de meester van mijn geest, die geloof eist en mij
geloofsartikelen
voorschrijft, de geloofsartikelen van de wetsgetrouwheid; hij oefent
een morele
invloed uit, beheerst mijn geest, verdrijft mijn ik, om zich als “mijn
waarachtig ik” in de plaats te stellen, kortom de staat is heilig
en in plaats van mij, de afzonderlijke mens, is hij de ware
mens, de geest, het spook; de vereniging echter is mijn eigen
schepping, mijn
schepsel, niet heilig, niet een geestelijke macht over mijn geest, net
zomin
als welke associatie dan ook. Zoals ik niet een slaaf van mijn maximen
mag
zijn, maar deze zonder elke garantie
aan mijn gestage kritiek blootstel en helemaal geen waarborg voor hun
bestaan
toesta, zo en nog minder verplicht ik mijzelf voor de toekomst aan de
vereniging en verkoop ik ook haar mijn ziel niet, zoals dat bij de
duivel heet
te zijn en bij de staat en elke geestelijke autoriteit echt het geval
is, maar
ik ben en blijf meer dan staat, kerk,
God, mensheid en dergelijke, daarom ook oneindig veel meer dan de
vereniging.
De maatschappij die het
communisme
wil stichten, schijnt het meest op de vereniging
te lijken. Ze heeft namelijk het “welzijn van allen” tot doel, maar van
allen,
roept Weitling ontelbare keren uit, van allen! Het ziet er werkelijk
naar uit
alsof daarbij niemand ten achter zou staan. Wat is dan dat welzijn?
Hebben dan
allen één en hetzelfde welzijn? Zijn allen met hetzelfde
even gelukkig? Is dat
zo, dan is er sprake van het “ware welzijn”. Komen we dan niet juist op
hetzelfde punt waar de machtsheerschappij van de religie begint? Het
christendom zegt: kijk niet naar aardse rommel, maar zoek je waarachtige geluk; word - vrome
christenen: het christen-zijn,
is het ware geluk. Het is het ware
geluk
“van
allen”
omdat het het geluk van
de mens als zodanig (dit spook) is. Moet dan het
geluk van allen toch ook mijn en jouw
geluk zijn? Maar als jij en ik echter
dat
geluk, niet als ons geluk beschouwen, zal dan voor
datgene gezorgd worden waarbij wij ons gelukkig voelen? Integendeel, de
maatschappij
heeft een geluk als het “ware
geluk” gedecreteerd en noemt dat geluk bv. het redelijke,
door
arbeid
verkregen
geluk; als jij echter de
voorkeur geeft aan de genotvolle luiheid, het genot zonder arbeid, dan
zal de
maatschappij die voor het “geluk van allen” zorgt, zich wijselijk
hoeden te
zorgen voor datgene waarbij jij je gelukkig voelt. Omdat het
communisme het geluk van allen
proclameert, vernietigt het juist
het geluk van hen die sinds lang van hun renten leefden en zich daar
waarschijnlijk gelukkiger bij voelden, dan bij het vooruitzicht op de
strenge
arbeidsuren van Weitling. Deze beweert daarom, dat bij het geluk van
duizenden
het geluk van miljoenen niet zou kunnen bestaan en dat zij dus hun
bijzondere
welzijn zouden moeten opgeven “ter wille van het algemeen welzijn”.
Nee, men
zal die lieden niet oproepen om hun bijzondere welvaart op te offeren
voor het
algemeen welzijn, want met deze christelijke eis redt men het niet; de
tegenovergestelde aanmaning om zich door niemand hun eigen
welzijn te laten afpakken, maar het duurzaam vast te leggen,
zullen ze beter begrijpen. Ze worden er vanzelf toe geleid om op z’n
best voor
hun eigen welzijn te zorgen, wanneer ze zich met deze bedoeling met
anderen verbinden, d.w.z. “een deel van hun
vrijheid opofferen”, maar niet voor het welzijn van allen, maar voor
hun eigen.
Een beroep op de opofferingsgezindheid en zelfverloochenende liefde van
de
mensen moet eindelijk haar bedrieglijke schijn verloren hebben, omdat
zij bij
een werkzaamheid van duizenden jaren niets dan de hedendaagse
misère heeft
achtergelaten. Waarom dan nog altijd vruchteloos verwachten dat de
opoffering
ons betere tijden zal brengen; waarom het niet liever van de usurpatie
verwachten? Niet meer van de gevenden, schenkenden, liefdevollen, komt
dan het
heil, maar van de nemenden, de toeeigenden (usurpatoren), de eigenaars.
Het
communisme en bewust of onbewust, het egoïsme lasterende
humanisme, rekenen nog
altijd op de liefde.
Is de maatschappij voor
de mens
eenmaal een behoefte en denkt hij door haar in zijn doelstellingen
gesteund te
worden, dan schrijft ze hem ook -omdat ze zijn principe zijn geworden-
zeer
spoedig haar wetten voor, de wetten van de maatschappij. Het principe
van de
mensen verheft zich tot een soevereine macht boven hen, wordt hun
hoogste
wezen, hun god en als zodanig wetgever. Het communisme geeft aan dat
principe
het strengste resultaat en het christendom is de religie van de
maatschappij
want liefde is, zoals Feuerbach terecht zegt, hoewel hij het niet echt
meent,
het wezen van de mens d.w.z. het wezen van de maatschappij of van de
maatschappelijke (communistische) mens. Alle religie is een cultus van
de
maatschappij, dat principe waar de maatschappelijke (gecultiveerde)
mens door
beheerst wordt; ook is geen god de uitsluitende god van een ik, maar
altijd die
van een maatschappij of gemeenschap, zij het van de maatschappij
“familie”
(lar, penaten) of van een “volk” (“nationale God”) of “van alle mensen”
(“hij
is een vader van alle mensen”).
Daarom heeft men alleen
het vooruitzicht
om de religie tot op de bodem uit te roeien, als men de maatschappij
en alles wat uit dat principe voortvloeit, achterhaald
maakt. Juist het communisme echter tracht dat principe het hoogste punt
te
laten bereiken, omdat in hem alles gemeenschappelijk
zal worden, voor de totstandbrenging van de - “gelijkheid”. Is deze
gelijkheid
verkregen, dan ontbreekt ook de “vrijheid” niet. Maar wiens vrijheid?
Die van
de maatschappij! De maatschappij is dan alles in alles en de mensen
bestaan
alleen maar “voor elkaar”. Het zou de glorie van de liefdesstaat zijn.
Ik wil echter liever op
de mensen
hun eigenbelang aangewezen zijn, dan op hun “liefdediensten”, hun
barmhartigheid, erbarmen, enz. Dat eist wederkerigheid
(zo jij mij, zo ik jou), doet niets “voor niets” en laat zich verwerven
en - kopen. Waarmee verwerf ik me echter de
liefdedienst? Het hangt van het toeval af of ik
juist met een “liefdevolle” te maken heb. De dienst
van de
liefderijken laat zich alleen maar - afbedelen,
zij het door mijn beklagenswaardige uiterlijk, door mijn
hulpbehoevendheid,
mijn ellende, mijn - lijden. Wat kan
ik hem aanbieden voor zijn hulpvaardigheid? Niets! Ik moet dat als - geschenk aannemen. Liefde is
onbetaalbaar of liever: liefde kan wel betaald worden, maar alleen door
tegenliefde
(“de ene dienst is de andere waard”). Wat een armzaligheid en
bedelachtigheid
is er niet verbonden met het jaar in jaar uit aannemen van giften
zonder
wederdienst, zoals ze bv. regelmatig van arme dagloners geïnd
worden? Wat kan
de ontvanger voor hem en zijn geschonken penningen, waaruit zijn hele
rijkdom
bestaat, doen? De dagloner zou er echt meer plezier aan hebben wanneer
de
ontvanger met al zijn wetten en instellingen, enz., die die dagloner
ten slotte
toch allemaal zelf moet betalen, helemaal niet zou bestaan. En daarbij
bemint
dat armzalig wicht zijn meester nog ook.
Nee, de gemeenschap als
dat “doel”
van de huidige tijd, is onmogelijk. Laten we ons liever van elke
huichelarij
van de gemeenschap ontdoen en laten we erkennen dat, als we als mensen
gelijk
zijn, we juist niet gelijk zijn, omdat we niet mens zijn. We zijn
alleen in
gedachten gelijk, alleen wanneer “wij” gedacht worden,
niet
zoals
we
werkelijk en lijfelijk zijn. Ik ben ik
en jij bent
ik, maar ik ben niet dat gedachte ik, maar het ik waarin we allen
gelijk zijn,
het is alleen maar mijn gedachte. Ik
ben mens en jij bent mens, maar “mens” is alleen maar een gedachte, een
algemeenheid; noch ik, noch jij zijn zegbaar, we zijn onuitsprekelijk
omdat enkel gedachten
uitsprekelijk zijn, uit spreken bestaan.
Laten we daarom niet meer
naar de
gemeenschap streven, maar wel naar de eenzijdigheid.
Laten we niet naar de meest omvattende gemeenschap, de “menselijke
maatschappij” zoeken, maar laten we in de anderen alleen middelen en
organen
zoeken die we als ons eigendom
gebruiken! Zoals we in bomen, in dieren, onze gelijke niet zien, zo
ontstaat
ook het vooroordeel dat de anderen onze gelijken zijn, uit een
huichelarij. Er
bestaat geen mijnsgelijke, maar net
als al de andere wezens beschouw ik hen als mijn eigendom. Daarentegen
zegt men
mij, dat ik mens onder “medemensen” moet zijn (Judenfrage bldz. 60); ik
moet in
hen de medemens “respecteren”. Niemand is voor mij een respectabel
persoon, ook
de medemens niet, maar alleen maar als andere wezens een voorwerp, waar
ik deel
aan heb of niet, een interessant of oninteressant voorwerp, een
bruikbaar of
onbruikbaar subject.
En wanneer ik hem kan gebruiken, dan word ik het wel met hem eens en
verenig ik
me met hem, om door die overeenkomst mijn
macht te versterken en door gezamenlijke kracht meer te bereiken
dan de
afzonderlijke zou kunnen bereiken. In deze gemeenschappelijkheid zie ik
volstrekt niets anders dan een vermenigvuldiging van mijn kracht en
alleen maar
zolang ze mijn verveelvoudigde kracht
is, handhaaf ik haar. Maar zo is het een - vereniging.
De vereniging wordt noch
door een
natuurlijke, noch door een geestelijke band samengehouden en het is
geen
natuurlijk, geen geestelijk verbond. Geen bloed, geen geloof (d.w.z.
geest)
brengt haar tot stand. In een natuurlijk verbond — zoals een familie,
een stam,
een natie, ja de mensheid — hebben de enkelingen alleen maar de waarde
van exemplaren van dezelfde soort of
geslacht; in een geestelijk
verbond — zoals een gemeente, een kerk — geldt de enkeling alleen maar
als een lid van diezelfde geest; wat jij in
beide gevallen als enige bent, moet - onderdrukt worden. Als enkeling
kun jij
je alleen in een vereniging handhaven omdat de vereniging je niet
bezit, maar
jij haar bezit of je haar tot nut maakt.
In de vereniging en
alleen in de
vereniging wordt het eigendom erkend, omdat men het zijne
van
niets
of
niemand meer te leen heeft. De communisten
voeren alleen maar consequenter door wat tijdens de religieuze
ontwikkeling en
met name in de staat al lang aanwezig was,
namelijk de eigendomloosheid d.w.z. het feodale wezen.
De staat doet moeite om
de begerige
te temmen, met andere woorden, hij probeert de begeerten van hem op hem
te
richten en ze, met wat hij hem aanbiedt, te bevredigen.
De
begeerte ter wille van het begeerlijke
bevredigen, komt niet in hem
op; hij scheldt integendeel degenen die de meest teugelloze begeerten
inademen
uit voor “egoïst” en de “egoïstische mens” is zijn vijand.
Hij is dat voor hem
omdat de geschiktheid om met die egoïstische mens overweg te
kunnen, de staat,
die de egoïsten niet kan “begrijpen”, ontbreekt. Omdat het de
staat en dat kan
niet anders, enkel en alleen om zichzelf te doen is, zorgt hij niet
voor mijn
behoeften, maar zorgt er alleen maar voor hoe hij mij vernietigt d.w.z.
een
ander ik uit mijzelf maakt, een goede burger. Hij maakt aanstalten tot
“zedenverbetering”. — En waar wint hij de enkelingen mee voor zich? Met
zichzelf d.w.z. met datgene wat des staats is, met staatseigendom.
Hij
zal
onophoudelijk
bezig zijn om allen deelachtig
te maken aan zijn “goederen”, allen met de “goederen van de cultuur” te
bedenken: hij schenkt hen zijn opvoeding, opent hen de toegang tot zijn
cultuurinstellingen, stelt ze via de industrie in staat tot eigendom
d.w.z. tot
lenen te komen, enz. Voor al dit lenen, eist hij van allen alleen maar
de
juiste rente, van een voortdurende dankbaarheid.
Maar de “ondankbaren” vergeten deze dank af te dragen. — Wezenlijk
anders dan
de staat, kan de “maatschappij” het ook niet maken.
In de vereniging breng
jij je hele
macht, je vermogen in en maakt je ten
gelde; in de maatschappij word je met jouw arbeidskracht
gebruikt;
in de één leef je egoïstisch, in de ander menselijk
d.w.z. religieus, als een
“lid aan het lichaam van deze meester”: de maatschappij is jou
verschuldigd wat
jij hebt en jij bent aan haar verplicht, bent door “sociale plichten” -
bezeten, de vereniging gebruik jij en geef jij “plicht- en trouweloos”
op van
zodra je verder geen nut meer uit haar weet te trekken. Is de
maatschappij meer
dan jou, dan gaat ze boven jou; de vereniging is alleen maar een
werktuig of
het zwaard waarmee jij je natuurlijke kracht scherpt en vergroot; de
vereniging
bestaat alleen maar voor en door jou, de maatschappij eist omgekeerd
jou voor
zich op en bestaat ook zonder jou; kortom de maatschappij is heilig, de vereniging jouw eigen, de
maatschappij verbruikt jou, de vereniging verbruik
jij.
Men zal echter opwerpen
dat de
gesloten overeenkomst voor ons weer lastig zou kunnen worden en onze
vrijheid
zou kunnen beperken; men zal zeggen: we zouden er uiteindelijk ook op
uit komen
dat “iedereen ter wille van het algemeen een deel van zijn vrijheid zou
moeten
opofferen”. Alleen ter wille van het “algemeen” willen velen dat offer
niet,
net zomin als ik de overeenkomst omwille van het “algemene” of ook
alleen maar
omwille van één of ander mens, sloot; veeleer ging ik
hier ter wille van mijn
eigen nut, uit eigenbelang, op in.
Wat nu dat “opofferen” betreft, dan “offer” ik toch wel alleen datgene
wat niet
in mijn macht is d.w.z. ik “offer” helemaal niets.
Om op het eigendom terug
te komen: de eigenaar is de meester. Kies dan of
je meester wil zijn of dat
de maatschappij jouw meesteres moet zijn! Daar hangt het van af of jij
een eigenaar of een lomp zal zijn: de
egoïst is eigenaar, de sociale een lomp. Lomperij
of eigendomloosheid is de betekenis van de feodaliteit, van het
leenwezen, dat
sinds de vorige eeuw alleen maar van leenheer is veranderd, omdat het
“de mens”
op de plaats van God stelde en van de mens in leen nam wat voorheen een
leen
uit Gods genade was geweest. Dat de lomperij van het communisme door
het humane
principe tot de absolute of meest lompige lomperij doorgevoerd wordt,
is
hierboven al aangetoond, tegelijk echter ook hoe alleen zò de
lomperij in
eigenheid kan omslaan. Het oude feodale wezen werd in de revolutie zo
grondig
ineengetrapt dat sindsdien elke reactionaire list vruchteloos bleef en
altijd
vruchteloos zal blijven, omdat het dode dood is; maar ook de opstanding
moest
zich in de christelijke geschiedenis als een waarheid bewijzen en heeft
zich
bewezen: want in een hiernamaals is met een verheerlijkt lichaam de
feodaliteit
weer opgestaan, de nieuwe feodaliteit
onder de opperste leenheerlijkheid van “de mens”.
Het christendom is niet
vernietigd,
maar de gelovigen hebben gelijk als ze tot nu toe vol vertrouwen
aannamen dat
ieder gevecht ertegen alleen tot loutering en bevestiging kon dienen;
want het
is nu echt duidelijk geworden en het “ontdekte christendom” is het – menselijke. We leven nog helemaal in
het
christelijke
tijdperk
en
zij, die zich daar het meest aan ergeren, dragen juist het ijverigst
ertoe
bij om het te “voltooien”. Hoe menselijker, des te liever is de
feodaliteit ons
geworden; want des te minder geloven we dat het nog feodaliteit is, des
te getrooster
houden we haar voor eigenheid en denken ons meest “eigenste” gevonden
te hebben
wanneer we “het menselijke” ontdekken.
Het liberalisme wil mij
het mijne
geven, maar niet onder de titel van het mijne, maar denkt het mij onder
die van
het “menselijke” te verschaffen. Alsof het onder dat masker te bereiken
zou
zijn! De mensenrechten, dat kostbare werk van de revolutie, betekenen
dat de
mens in mij, me het recht op dit en
dat geeft: ik als enkeling d.w.z. als deze ben niet gerechtigd, maar de
mens
heeft het recht en geeft mij het recht. Als mens kan ik derhalve wel
gerechtigd
zijn, maar omdat ik meer dan mens, namelijk een afzonderlijk
mens ben, kan het juist mij, de afzonderlijke,
geweigerd worden. Hou daarentegen vast aan
de waarde van jullie gaven, stel ze op prijs, laat je niet dwingen om
onder de
prijs te dumpen, laat je niet wijsmaken dat jullie waren de prijs niet
waard
zijn, maak je niet bespottelijk door een “spotprijs”, maar doe als de
dappere
die zegt: ik wil mijn leven (eigendom)
duur verkopen, de vijanden
zullen niet een goedkope koop hebben:
zo hebben jullie het omgekeerde van
het communisme als het juiste erkend en het heet dan niet:
geef
je
eigendom op!
Maar: maak je eigendom productief!
Boven de poort van onze tijd staat
niet
het apollinische: “Ken u zelf”,
maar: bewijs
je zelf!
Proudhon
noemt het eigendom “roof” (le vol). Het is echter niet minder vreemd
eigendom — en alleen daar spreekt hij over — door
onthouding,
afstand
doen
en nederigheid, het is
een geschenk. Waarom zo sentimenteel als een arme beroofde
het
medelijden
inroepen
als
men toch maar
een dwaze, laffe geschenkgever is?
Waarom ook hier weer de schuld aan anderen toeschrijven, alsof ze ons
beroofden, omdat we toch zelf de
schuld dragen aangezien we de anderen onberoofd laten. Het is de schuld
van de armen
dat er rijken bestaan.
Eigenlijk
spant niemand zich voor zijn eigendom in, maar voor
het vreemde. Men tast in werkelijkheid niet
het eigendom aan, maar de ontvreemding van het eigendom. Men wil meer, niet minder, het zijne kunnen
noemen, men wil alles het zijne noemen. Men vecht zo
tegen de vreemdheid
of om een aan het
eigendom
verwant
woord
te
gebruiken, tegen het vreemdendom.
En
hoe
behelpt
men zich daarbij? In plaats van
het vreemde in het
eigene te veranderen, speelt men de onpartijdige en verlangt alleen
maar, dat
alle eigendom aan een derde (bv. de menselijke maatschappij) zal worden
afgestaan. Men maakt geen bezwaar tegen het vreemde in eigen naam, maar
in naam
van een derde. Nu is het “egoïstisch” vernis afgewist en alles is
zo zuiver en
– menselijk!
Eigendomloosheid of
lomperij, dat is
ook het “wezen van het christendom”, zoals het het wezen van alle
religiositeit
(d.w.z. vroomheid, redelijkheid, menselijkheid) is en zich alleen in de “absolute religie” het
duidelijkst openbaarde en als blijde boodschap tot het ontwikkelingsbekwaam
evangelie
werd.
De meest sprekende ontwikkeling
vinden
we
in het tegenwoordige gevecht tegen het eigendom voor ons, een gevecht dat “de mens” naar de overwinning
zal voeren en de
eigendomloosheid volkomen zal maken: de zegepralende humaniteit is de
overwinning van - het christendom. Het zo “ontdekte christendom” is de
voltooide feodaliteit, het alles omvattende leenwezen d.w.z. de volkomen lomperij.
Dus toch nog een keer een “revolutie”
tegen
het feodale wezen?
Revolutie en opstand
mogen niet voor
hetzelfde worden aanzien. De
één bestaat uit een omwenteling
van de toestand, van de
bestaande toestand of status, van de staat
of de maatschappij, is daarom een politieke
of sociale daad; de ander heeft
weliswaar, als onvermijdelijk
gevolg, verandering van de toestanden, maar gaat niet van
zichzelf, maar van de ontevredenheid van de mens met
zichzelf uit, is geen bordjes omdraaien, maar een verheffing van de
enkelingen,
een zich oprichten zonder rekening te houden met de voorzieningen die daaruit
voortvloeien. De revolutie doelt op
nieuwe voorzieningen, de opstand leidt
ertoe dat we onszelf niet meer laten
voorzien, maar ons zelf voorzien en stelt geen schitterde hoop op
“instituties“. Het is een gevecht tegen
het bestaande omdat,
wanneer het gedijt, het bestaande vanzelf ineenstort, het is alleen een
uitwerken van mijzelf uit het bestaande. Verlaat ik het bestaande, dan is het dood en gaat in
verrotting over. Omdat niet een omverwerping
van het bestaande mijn
doel is, maar mijn verheffing daarboven, is mijn
bedoeling
en
handelen
niet politiek of sociaal, maar alleen
op mijzelf en mijn eigenheid gericht:
egoïstisch.
Voorzieningen
maken, gebiedt de revolutie, zichzelf op-
of omhoog richten eist de opstand. Welke statuten
te kiezen, deze
vraag hield de
revolutionaire hoofden bezig en de hele politieke periode bruiste van
statutengevechten en statutenvraagstukken, zoals ook de sociale talenten in maatschappelijke
voorzieningen (Phalanstères en dergelijke) ongemeen vindingrijk
waren.
Voorzieningloos worden daar streeft de opstandeling naar.
Terwijl ik
ter meerdere
verduidelijking op een vergelijking
zin, valt me onverwacht de
stichting van het christendom te binnen. Van liberale zijde
neemt men
het de eerste christenen kwalijk dat ze gehoorzaamheid aan de bestaande
heidense staatsorde predikten, bevalen de heidense overheid te erkennen
en een
“geef de keizer, wat des keizers is” vol vertrouwen aanprezen. Hoeveel
oproer
ontstond er toch in diezelfde tijd tegen de Romeinse opperheerschappij,
hoe
muitend bleken de joden en zelfs de Romeinen tegen hun eigen wereldse
regering,
kortom hoe geliefd was de
“politieke ontevredenheid” toen! Daar wilden de christenen niets van
weten; ze wilden niet met de “liberale
tendensen”
instemmen. Die tijd was politiek zó opgewonden dat men, zoals
het in het evangelie heet, de stichter van het christendom niet
succesvoller dacht te kunnen aanklagen, dan wanneer men
hem van een “politieke omwenteling” betichtte en
toch vermelden diezelfde evangeliën, dat
juist
hij het minst aan deze politieke
drukte deelnam. Waarom was hij echter geen revolutionair, geen
demagoog, zoals
de joden hem graag gezien zouden
hebben, waarom was hij geen liberaal?
Omdat hij geen heil verwachtte van
een verandering van de toestanden en deze hele boel hem onverschillig
liet. Hij was geen revolutionair, zoals bv.
Caesar, maar een opstandeling, geen staatsomwentelaar, maar iemand die zichzelf oprichtte. Daarom
was
het hem ook alleen maar te doen om een “wees
listig als de slangen”, wat hetzelfde
betekent
als met
name dat: “Geef de keizer, wat des keizers is.”
Hij voerde geen liberaal of politiek gevecht
tegen de bestaande overheid, maar wilde,
onbekommerd en ongestoord door deze
overheid, zijn eigen weg bewandelen.
Niet minder onverschillig als de regering, waren hem haar vijanden,
want wat
hij wilde, begrepen beiden niet en hij moest hen alleen met slangenvernuft van zich af houden. Als hij
dan geen volksopruier, geen demagoog of revolutionair was, toch
was hij en ook alle
andere
oude christenen, des te meer een opstandeling, die
zich boven alles verhief, wat de regering en
haar tegenstanders verheven toescheen
en zich van alles losmaakte waar
zij aan gebonden bleven en die tegelijkertijd
de
levensbron
van
de hele heidense wereld
drooglegde, waardoor de bestaande staat toch
wel
moest verwelken: hij was juist daarom,
omdat
hij
het omverwerpen van het bestaande van zich af wees, er de doodsvijand
en werkelijke vernietiger van; want
hij metselde het in terwijl
hij bovendien rustig en zonder
ergens rekening mee te houden de bouw
van zijn tempel uitvoerde, zonder op
de smart van de ingemetselden te letten.
Zal het
nu, net zoals het met de heidense wereldorde
gebeurde,
ook
met
de christelijke gaan? Een
revolutie maakt er zeker geen eind aan, als niet eerst een opstand
volbracht
is!
Mijn omgaan met de
wereld, waarop
komt dat neer? Genieten wil ik van haar en daarom moet ze mijn eigendom
zijn en
daarom wil ik haar voor mijzelf winnen. Ik wil niet de vrijheid, niet
de
gelijkheid van de mensen; ik wil alleen mijn
macht over haar, wil ze tot mijn eigendom d.w.z. genietbaar
maken. En lukt me dat niet? Wel, dan noem ik ook de
macht over leven en dood, die kerk en staat zich voorbehielden, het
mijne.
Stigmatiseer de officiersweduwe die op de vlucht in Rusland, nadat haar
het
been was afgeschoten, de kousenband aftrok, haar kind daarmee wurgde en
vervolgens naast het lijkje doodbloedde, -brandmerk de nagedachtenis
van die-
kindermoordenares. Wie weet hoezeer dat kind, als het in leven was
gebleven,
“de wereld van dienst had kunnen zijn!”. De moeder vermoordde het omdat
ze tevreden en rustig wilde sterven. Dit
spreekt jullie sentimentaliteit misschien nog aan en jullie kunnen er
verder
niets van maken. Het zij zo; ik gebruik van mijn kant dat als voorbeeld
om aan
te tonen dat mijn tevredenheid boven
mijn houding tegenover de mensen beslist en dat ik me ook de macht over
leven
en dood niet door een bevlieging van nederigheid ontzeg.
Wat eigenlijk de “sociale
plichten”
betreft, bepaalt niet een ander mijn houding ten opzichte van anderen,
noch
God, noch de menselijkheid schrijven dus mijn houding ten opzichte van
de
mensen voor, maar ik bepaal die houding. Ik kan het misschien
sprekender als
volgt zeggen: Ik heb ten opzichte van anderen geen plicht,
zoals
ik
ook
alleen maar zolang tegenover Mezelf een plicht
heb (bv. het zelfbehoud, dus geen zelfmoord) als ik mij van Mezelf
onderscheid
(mijn onsterfelijke ziel van mijn aards bestaan, enz.).
Ik verneder
me voor geen enkele macht meer en stel dat alle machten
alleen maar mijn macht zijn die ik meteen moet onderwerpen wanneer ze
een macht tegen of over mij dreigen
te
worden. Elk van hen mag alleen maar één van
mijn middelen zijn om mijn wil door te drijven, zoals een jachthond
onze macht
tegenover het wild is, maar door ons gedood zou worden van zodra hij
ons zelf
zou aanvallen. Alle machten die mij beheersen, sla ik zover neer, dat
ze mij
dienen. De afgoden bestaan door mij: ik hoef ze dus alleen niet opnieuw
te
scheppen, dus bestaan ze niet meer; “hogere machten” bestaan alleen
doordat ik
ze verhef en Mezelf verneder.
Dus is mijn houding
tegenover de
wereld de volgende: ik doe voor haar niets meer “om Godswil”, ik doe
niets “ter
wille van de mens”, maar wat ik doe, doe ik “ter wille van mijzelf”. Zo
alleen
voldoet de wereld mij, terwijl het voor het religieuze standpunt, waar
ik ook
de zedelijken en humanen toe reken, tekenend is, dat alles daarop een vrome wens (pium desiderium) d.w.z. iets
buiten de wereld, iets onbereikbaars blijft. Dus de algemene zaligheid
van de
mensen, de zedelijke wereld van een algemene liefde, de eeuwige vrede,
het
verdwijnen van het egoïsme, enz. “Niets in deze wereld is
volmaakt.” Met deze
holle spreuk scheiden de goeden van haar en vluchten in hun kamertje
tot God of
in hun trotse “zelfbewustzijn”. Wij echter blijven in deze
“onvolmaakte” wereld
omdat wij haar ook zo kunnen gebruiken voor ons - zelfgenot.
Mijn omgaan met de wereld
bestaat
erin dat ik haar geniet en op die wijze haar voor mijn zelfgenot
verbruik. De omgang is wereldgenot en
behoort bij mijn zelfgenot.
3. Mijn Zelfgenot
We staan aan de grenslijn van een periode. De tot nu toe bestaande
wereld zon
op niets anders dan op het winnen van het leven, zorgde voor het - leven. Want of men alle krachten inspant
voor deze wereld of voor de andere wereld, voor het tijdelijke of het
eeuwige
leven, of naar het “dagelijks brood” smacht (“geef ons ons dagelijks
brood”) of
naar het “heilige brood” (het “ware brood des hemels”; het “brood Gods
dat uit
de hemel komt en de wereld het leven
geeft”; “het brood des levens”; Joh. 6) of men voor het “lieve
leven” zorgt
of voor het “leven in eeuwigheid”, dat verandert het doel van de
inspanning en
zorg niet, dat in het ene zowel als in het andere geval het
leven blijkt te zijn. Kondigen de moderne tendensen zich anders
aan? Men wilt dat niemand meer
om de meest noodzakelijke levensbehoeften in verlegenheid komt, maar
daarvan
verzekerd is en anderzijds leert men dat de mens zich om deze wereld
moet
bekommeren en zich moet wennen aan de werkelijke wereld zonder ijdele
zorg over
het hiernamaals.
Laten wij dan de zaak
eens van een
andere zijde bekijken. Wie alleen maar bezorgd is dat hij leeft,
vergeet
door
deze
angstigheid gemakkelijk van het leven te genieten.
Is
het
hem alleen maar om het
leven te doen en denkt hij, als ik maar eenmaal het lieve leven heb,
dan wendt
hij zijn hele kracht niet aan om het leven te verbruiken d.w.z. ervan
te
genieten. Hoe moet men echter het leven gebruiken? Doordat men het
gebruikt;
zoals het licht dat men verbruikt als
men het brandt. Men gebruikt het leven
en daarom zichzelf, de levende, indien het en
zichzelf verteert. Levensgenot is het leven
verbruiken.
Nu – het
genot van het leven zoeken wij op! En wat deed de religieuze wereld? Ze
zocht het leven op. “Waaruit bestaat het ware
leven,
het
zalige
leven, enz.? Hoe is dat te bereiken?
Wat moet de mens doen en worden om waarlijk
een levende te zijn? Hoe vervult hij deze roeping?” Deze
en gelijksoortige vragen duiden erop
dat de vragenden
eerst zichzelf zochten, zichzelf
namelijk in de ware zin van het
woord, in de zin van de waarachtige levendheid. “Wat ik ben, is schuim
en
schaduw; wat ik zal zijn, is mijn
ware ik.” Dat ik, na te jagen, het
tot
stand
te
brengen, het te realiseren,
maakt de zware taak van de stervelingen uit die alleen maar sterven om weer op te staan, alleen leven om
te sterven, alleen leven om het
ware leven te vinden.
Pas dan, als ik
zeker van Mezelf ben en
mijzelf niet meer zoek, ben ik
werkelijk mijn eigendom: ik bezit mijzelf en daarom gebruik en geniet
ik van
mijzelf. Daarentegen kan ik mij nooit meer over Mezelf verheugen, zolang
ik denk dat ik mijn
ware
ik eerst nog zou moeten vinden
en het daarop uit zou moeten lopen dat niet ik,
maar Christus in mij zou leven, of een of ander geestelijk
d.w.z. spookachtig ik, bv. de ware mens, het wezen van de mens en
dergelijke.
Een
reusachtige afstand scheidt beide opvattingen: in de oude ga ik naar
mijzelf
toe, in de nieuwe ga ik van mijzelf uit, in de één verlang
ikzelf naar mijzelf, in de ander heb ik mijzelf en doe met mijzelf zoals men met
ieder ander eigendom doet, ik geniet
van mijzelf naar mijn
goeddunken. Ik ben niet meer bang voor het leven, maar “verdoe” het.
Van nu af
aan luidt de vraag niet hoe men
het leven verwerven, maar hoe men het verdoen,
ervan genieten kan, of
niet hoe men het ware ik in zich tot stand kan brengen, maar hoe
men zichzelf oplossen, zich
uitleven moet.
Wat zou
het ideaal anders zijn dan het gezochte, steeds
veraf
zijnde
ik? Men zoekt zichzelf en bijgevolg heeft
men
zich nog niet, men streeft naar datgene wat men moet zijn, daarom is
men het niet. Men
leeft in hunkering en men heeft
duizenden
jaren in haar, in hoop geleefd. Heel anders leeft men in – het genot.
Betreft
dat soms alleen maar de zogenaamde vromen? Nee, het betreft allen die behoren tot
de
stervende
geschiedenisperiode,
zelfs de levensgenieters. Ook voor hen
volgde
op de werkdagen een zondag en op het wereldgedoe
de
droom
van
een betere wereld, van een
algemeen
mensengeluk, kortom een ideaal. Maar
met
name
de
filosofen worden
tegenover de vromen geplaatst. Welnu, hebben die aan
iets anders gedacht dan aan het ideaal,
op iets anders
gezonnen, dan op het absolute
ik? Smachten en hopen overal en
niets anders. Noem het voor mijn part romantiek.
Wil het levensgenot
over de levenshunkering of de
levenhoop triomferen, dan moet
het dat in de dubbele betekenis die
Schiller in “Ideal und das
Leben” voorstelt, bedwingen, de
geestelijke en wereldse armoede verpletteren, het
ideaal verdelgen en — de zorg
voor
het dagelijks brood. Wie
zijn leven moet besteden om het
leven te rekken, kan er niet van genieten en wie zijn leven nog zoekt,
heeft
het niet en kan er evenmin van
genieten: beiden zijn arm, “maar zalig zijn de armen”.
Zij die hunkeren naar het
ware leven
hebben geen macht over hun huidige leven, maar moeten het aanwenden om dat ware leven te verkrijgen
en moeten het helemaal aan dat streven en deze taak
opofferen.
Wanneer
bij
die
religieuzen, die op een leven na de dood hopen en het huidige alleen maar als een voorbereiding
erop beschouwen, de dienstbaarheid van hun
aardse bestaan, dat ze louter in
dienst van het gehoopte hemelse leven geven, tamelijk scherp duidelijk
wordt, dan
zou men zich toch sterk vergissen als men
de meest verlichten en meest verhelderden voor minder
opofferend houdt. In het “ware leven”
is er immers toch een veel meer omvattende betekenis
te vinden, dan het “hemelse” kan uitdrukken.
Is soms, om meteen het liberale begrip ervan
aan te halen, het “menselijke” en
“waarlijk menselijke”, niet het ware
leven? En leidt soms iedereen al van huis uit dat ware menselijke leven
of moet
hij zich daar met zure moeite eerst toe verheffen? Heeft hij het al als
zijn
huidige of moet hij het met inspanning als zijn toekomstige leven
verwerven dat
hem pas ten deel valt als hij “door geen egoïsme
meer bevlekt is”? Het leven dient volgens dit
inzicht alleen maar om het leven te verkrijgen en men leeft
alleen maar
om het wezen van de mens in zich levend te maken, men leeft ter wille
van dit
wezen. Men heeft het leven alleen maar om zich door middel ervan het
ware, van
alle egoïsme gereinigde leven te verschaffen. Daarom is men bang om van zijn leven willekeurig gebruik
te maken: het mag alleen maar
voor het “juiste gebruik”
dienen.
Kortom, men heeft een levenroeping, een
levenstaak, heeft door zijn leven iets te verwezenlijken
en
tot
stand
te brengen, een iets, waarvoor ons leven
alleen
maar
middel
en werktuig
is, een iets, dat meer waard is
dan dit leven, een iets waaraan men het leven schuldig
is. Men heeft een God
die een levend offer verlangt. Alleen
de barbaarsheid van het mensenoffer is mettertijd verloren gegaan; het
mensenoffer zelf is onverminderd gebleven en elk uur vallen misdadigers
de
gerechtigheid ten offer en wij “arme zondaars” slachten onszelf als
offer voor
het “menselijke wezen”, de “idee van de mensheid”, de “menselijkheid”
en hoe
die afgoden of Goden verder nog mogen heten.
Omdat wij echter ons
leven aan een iets verschuldigd zijn,
hebben wij — het meest nabije — niet het recht om het ons te nemen.
De conservatieve tendens
van het
christendom laat ons niet toe om op een andere manier aan de dood te denken, dan met de bedoeling om
hem zijn angel te ontnemen en —vrolijk voort te leven en onszelf te
behouden.
Alles laat de christen gebeuren en over zich heengaan, als hij — de
aartsjood —
zich maar de hemel kan binnensjacheren en -smokkelen; zichzelf doden
mag hij
niet, hij mag zichzelf alleen —bewaren en aan de “voorbereiding van een
toekomstige plaats” werken. Conservatisme of “overwinning op de dood”
ligt hem
na aan het hart: “De laatste vijand die vernietigd wordt, is de dood.”
“Christus heeft de dood de macht ontnomen en het leven en een onvergankelijk wezen aan het licht
gebracht
door
het
evangelie.”
“Onvergankelijkheid”, stabiliteit.
De zedelijke wil het goede, het juiste en wanneer hij de middelen die
tot dat
doel voeren, echt voeren, te baat neemt, dan zijn deze middelen niet zijn middelen, maar die van het goede,
het juiste, enz. zelf. Onzedelijk zijn deze middelen nooit omdat het
goede doel
zichzelf hierdoor tot stand brengt: het doel heiligt de middelen. Deze
grondstelling noemt men jezuïtisch, zij is echter volkomen
“zedelijk”. De
zedelijke handelt in dienst van een
doel of een idee: hij maakt zich tot het werktuig
van de idee van het goede, zoals
de vrome bv. er zich op laat voorstaan een werktuig of stuk gereedschap
van God
te zijn. De dood afwachten, eist het zedelijke
gebod als het goede; hem
zichzelf aandoen is onzedelijk en slecht: de zelfmoord
vindt geen verontschuldiging voor de rechterstoel van de
zedelijkheid. Verbiedt de religieuze haar, omdat “gij uzelf het leven
niet
gegeven hebt, maar God, die het u ook alleen weer ontnemen kan” (alsof
ook bij
deze manier van voorstellen, God mij het leven niet even goed zou
ontnemen als
ik Mezelf zou doden, dan wanneer een dakpan of een vijandelijke kogel
mij
omverwerpt: hij zou immers het besluit om Mezelf te doden ook in mij
gewekt
hebben!): zo verbiedt het zedelijke dat, omdat ik mijn leven aan het
vaderland,
enz. verschuldigd ben, “omdat ik niet weet of ik niet door mijn leven
nog goeds
zou kunnen verrichten”. Natuurlijk, het goede verliest in mij een
werktuig,
zoals God in mij een stuk gereedschap. Ben ik onzedelijk, dan is het
goede met
mijn verbetering gediend, ben ik “goddeloos”,
dan schept God vreugde in mijn boetvaardigheid.
Zelfmoord is dus zowel goddeloos als schandelijk. Wanneer iemand wiens
standpunt de religiositeit is, zich het leven beneemt, dan handelt hij
godvergeten; is echter het standpunt van de zelfmoordenaar de
zedelijkheid, dan
handelt hij plichtvergeten, onzedelijk. Men kwelde zich veel met de
vraag of
Emilia Gallotti’s dood zich door de zedelijkheid laat rechtvaardigen
(men
beschouwt het als zelfmoord, wat het strikt genomen ook is). Dat ze op
de
kuisheid, deze zedelijke deugd, zo verzot is om zelfs haar leven
daarvoor te
laten, is in ieder geval zedelijk; maar dat ze haar de macht over haar
bloed
niet toevertrouwde, is weer onzedelijk. Zulke tegenstrijdigheden vormen
in het
zedelijke treurspel het eigenlijke tragische conflict en men moet
zedelijk
denken en voelen om daar belang in te kunnen stellen.
Wat voor de vroomheid en
zedelijkheid geldt, zal noodzakelijkerwijs ook de menselijkheid treffen
omdat
men aan de mens, de mensheid of de soort, eveneens zijn leven
verschuldigd is.
Alleen als ik geen enkel wezen iets verplicht ben, is het behoud van
mijn leven
- mijn zaak. “Een sprong van deze brug, maakt me vrij!”
Zijn we echter aan het
wezen dat wij
in ons levend moeten maken, het behoud van ons leven verschuldigd, dan
is het
niet minder onze plicht om dit leven niet naar ons
plezier te leiden, maar het overeenkomstig dat wezen te vormen.
Al mijn voelen, denken en willen, al mijn doen en streven, behoort -
hem.
Wat in overeenstemming
met dat wezen
is, vloeit voort uit het begrip ervan en hoe verschillend is dat begrip
begrepen of hoe verschillend is dat wezen voorgesteld? Welke eisen
stelt het
hoogste wezen aan de Mohammedaan en welke andere gelooft de Christen
weer van
hem te vernemen; hoe afwijkend moet daarom de levensontwikkeling van
beiden
uitvallen! Alleen houden ze allemaal vast, dat het hoogste wezen ons
leven te sturen heeft.
Maar aan de vromen, die
in God hun
rechter en in zijn woord een leidraad van hun leven hebben, ga ik
overal alleen
maar voorbij bij wijze van herinnering omdat ze tot een uitgeleefde
ontwikkelingsperiode behoren en als versteningen in ieder geval op hun
vaste
plaats mogen blijven; in onze tijd voeren niet meer de vromen, maar de
liberalen het hoogste woord en de vroomheid zelf kan zich niet inhouden
om met
liberale teint haar bleek gezicht rood te kleuren. De liberalen echter
vereren
niet in God hun rechter en wikkelen hun leven niet aan de leidraad van
het
goddelijke woord af, maar richten zich naar de mens: niet “goddelijk”,
maar
“menselijk” willen ze zijn en leven.
De mens
is voor de liberaal het hoogste wezen, de mens zijn
levensrichter, de menselijkheid
zijn leidraad of catechismus. God is geest,
maar de mens is de “volmaaktste geest”, het uiteindelijke resultaat van
de lange
geestenjacht of het “onderzoek in de diepten van de godheid” d.w.z. in
de
diepten van de geest.
Elk van jullie trekken
moet
menselijk zijn; jijzelf moet het van top tot teen, innerlijk en
uiterlijk zijn:
want de menselijkheid is jouw roeping.
Roeping — Bestemming —
Taak! —
Wat iemand kan
worden,
dat wordt hij
ook. Een geboren dichter kan dan wel
door ongunstige omstandigheden verhinderd worden om op het toppunt van
zijn tijd te staan en volgens de daartoe noodzakelijke grote studies ontwikkelde kunstwerken te
scheppen; maar dichten zal hij, of hij
nu boerenknecht is of zo gelukkig
aan het hof van Weimar te leven. Een geboren muzikant
zal muziek uitvoeren, om het even of hij
dat
doet op alle instrumenten of op een rietfluit. Een geboren filosofische kop
kan zich als universiteitsfilosoof
of als dorpsfilosoof waar maken. Tot slot, een
geboren onnozele hals die, wat daarmee zeer goed samengaat,
tegelijkertijd een
gladde vogel kan zijn, zal, zoals waarschijnlijk iedereen die scholen bezocht
heeft
in
staat
is zich menig
voorbeeld van medeleerlingen voor de geest te kunnen halen, altijd een
stomme
ezel blijven, al mag hij tot een bureauchef gedrild en gedresseerd
zijn, of
diezelfde chef als laarzenpoetser dienen. Ja,
de geboren bekrompen koppen vormen ontegenzeggelijk de meest talrijke mensenklasse. Waarom
zou ook in de mensensoort niet
dezelfde verscheidenheid bestaan
die bij iedere diersoort onmiskenbaar
is? Overal zijn er begaafden en minder
begaafden.
Zo stompzinnig zijn
intussen alleen
maar weinigen, dat men hen geen
ideeën bij zou kunnen brengen. Daarom
acht men gewoonlijk alle mensen
ertoe instaat om een religie te hebben. In bepaalde mate zijn ze ook nog tot andere ideeën af te richten,
bv.
tot
een
muzikaal inzicht, iets filosofisch,
enz. Hier knoopt dan het priesterdom de
religie, de
zedelijkheid, de beschaving, de wetenschap, enz. aan vast en de
communisten bv.
willen door hun “volkschool” alles voor allen
toegankelijk maken. Als een gangbare bewering hoort men dat “de grote massa” het zonder
religie niet redt; de communisten verruimen het
tot de stelling dat niet alleen “de grote massa”, maar dat eenvoudigweg
allen
tot alles geroepen zijn.
Het is niet genoeg dat men de grote massa tot religiositeit
afgericht heeft, nu moet ze zichzelf zelfs met “al het menselijke”
bemoeien.
De
dressuur
wordt steeds algemener en
omvattender.
Jullie arme wezens, die
zo gelukkig zouden kunnen leven wanneer jullie sprongen
naar je eigen zin zouden mogen maken,
jullie moeten naar de pijpen van
schoolmeesters en berenbazen dansen om
kunstjes uit te voeren waarvoor jullie jezelf nooit
zouden
gebruiken.
En jullie slaan niet eindelijk één keer met de vuist op
tafel omdat men
jullie anders neemt dan jullie jezelf
willen geven? Nee, jullie dragen de jullie voorgezegde
vraag
zelf
mechanisch voor: “Waartoe ben ik geroepen?
Wat moet ik?” Zo hoeven zij alleen
maar te vragen, om jullie te laten zeggen en
te bevelen, wat jullie moeten, jullie je beroep te laten voortekenen of ook het jullie
zelf
naar
het
voorschrift van
de geest te bevelen en op te leggen. Dan
heet met betrekking tot de wil:
ik wil, wat ik moet.
Een mens
is tot niets “geroepen” en heeft geen “taak”, geen “bestemming”, net zomin als
een plant of dier een “roeping” heeft. De bloem volgt de roeping om
zich te vervolmaken, maar ze wendt al haar krachten aan om van de
wereld zo
goed zij kan te genieten en ze te verteren d.w.z. ze zuigt zoveel
sappen uit de
aarde, zoveel lucht uit de ether, zoveel licht van
de
zon
op, als ze kan
krijgen en kan bergen. De vogel leeft niet volgens zijn roeping, maar
gebruikt
zijn krachten zo goed als het
gaat: hij grijpt kevers en zingt naar hartelust. De krachten van de
vogels en
bloemen zijn echter in vergelijking
bij die van een mens gering en veel geweldiger zal een mens die zijn
krachten
aanwendt in de wereld ingrijpen, dan bloem en dier. Een roeping heeft
hij niet,
maar hij heeft krachten die zich uiten waar ze zijn omdat hun zijn
alleen in
hun uiten bestaat en net zomin onwerkzaam zouden kunnen blijven, zoals
het
leven dat, als het ook maar één
seconde “stil zou staan”, geen leven meer zou zijn. Nu zou men de
mensen
kunnen
toeroepen: gebruik jullie
kracht. Maar in deze imperatief
zou dat de betekenis krijgen dat het de taak van de mens is om zijn
kracht te
gebruiken. Zo is het niet, iedereen gebruikt werkelijk veel meer zijn
kracht
zonder dat eerst als zijn roeping te beschouwen: iedereen gebruikt op
elk
ogenblik zoveel kracht als hij bezit. Men zegt wel eens van een
overwonnene dat hij zijn krachten veel meer had moeten inspannen; maar
men vergeet
dat indien hij, op het moment van de nederlaag, de kracht had bezeten
om zijn
krachten (bv. lichaamskracht) in te spannen, hij het niet zou hebben
nagelaten:
was de moedeloosheid ook maar één minuut, dan was dat
toch een minuutlange -
krachteloosheid. De krachten laten zich weliswaar verscherpen en
verveelvoudigen, met name door vijandelijke tegenstand of
vriendschappelijke
bijstand; maar waar men hun toepassing mist, kan men ook van hun
afwezigheid
verzekerd zijn. Men kan uit een steen vuur slaan, maar zonder de slag
komt er
niets uit; op dezelfde manier heeft ook een mens de “aanstoot” nodig.
Daarom nu, omdat krachten
steeds
vanzelf werkzaam blijken, zou het gebod ze te gebruiken overbodig en
zinloos
zijn. Zijn krachten gebruiken is niet de roeping en taak van de mens,
maar dat
is zijn altijd werkelijke, aanwezige daad.
Kracht is alleen maar een eenvoudiger woord voor krachts-uiting.
Zoals nu deze roos van
begin af aan
echt roos, deze nachtegaal steeds echt nachtegaal is, zo ben ik niet
pas echt
mens als ik mijn roeping vervul, mijn bestemming naleef, maar ik ben
van huis
uit “echt mens”. Mijn eerste brabbelen is een teken van leven van een
“echt
mens”, mijn levensstrijd zijn krachtontboezeming, mijn laatste
ademtocht de
laatste krachtuitblazing “van de mens”.
Niet in de toekomst, dat
voorwerp
van de hunkering, ligt de ware mens, maar bestaand en werkelijk ligt
hij in het
tegenwoordige. Wie en wat ik ook ben, vreugdevol en smartvol, een kind
of een
grijsaard, in vertrouwen of twijfel, slapend of wakend, ik ben het, ik
ben de
ware mens.
Ben ik echter de mens en
heb ik hem,
die de religieuze mensheid als ver doel aanduidde, werkelijk in mijzelf
gevonden, dan is ook al het “waarlijk menselijke” mijn
eigen. Wat men aan de idee van de mensheid toeschreef dat
behoort mij. De handelsvrijheid bv. die de mensheid nog moet bereiken
en die
men als een betoverende droom naar haar gouden toekomst verplaatst,
neem ik
mijzelf vooraf als mijn eigendom en bedrijf die intussen in de vorm van
smokkel. Weliswaar zullen maar weinig smokkelaars in staat zijn
zichzelf
rekenschap te geven over hun doen en laten, maar het instinct van het
egoïsme
vervangt hun bewustzijn. Van de persvrijheid heb ik hetzelfde hierboven
aangetoond.
Alles is mijn eigen,
daarom haal ik
in mijzelf terug wat zich aan mij wil onttrekken: vóór
alles echter haal ik
Mezelf steeds terug wanneer ik mijzelf ontglipt ben door
één of andere
dienstbaarheid. Maar ook dat is niet mijn roeping, maar mijn
natuurlijke daad.
Genoeg, het maakt een
groot verschil
of ik me tot uitgangs- of eindpunt maak. Als het laatste heb ik Mezelf
niet,
ben me dus nog vreemd, ben mijn wezen,
mijn “ware wezen” en dat mij vreemde “ware wezen” zal als een spook met
duizenderlei namen de spot met me drijven. Omdat ik nog niet ik ben, is
een
ander (zoals God, de ware mens, de waarachtig vrome, de redelijke, de
vrije,
enz.), ik, mijn ik.
Van mijzelf nog ver
verwijderd,
verdeel ik me in twee helften waarvan één, de onbereikte
en te vervullen, de
ware is. De één, de onware, moet ten offer gebracht
worden, namelijk de
ongeestelijke; de andere, de ware, moet de hele mens zijn, namelijk de
geest,
dan heet het: “De geest is het eigenlijke wezen van de mens” of “de
mens
bestaat als mens alleen geestelijk”. Nu gaat het erom met gulzigheid
erop uit
te gaan, de geest te vangen als zou men zichzelf
dan pakken en in de jacht op zichzelf, verliest men zichzelf, de man is
uit het
oog verloren.
En als men onstuimig
zichzelf, de
nooit bereikte, achternazit, veracht men de regel van de wijzen, de
mensen te
nemen zoals ze zijn en neemt ze liever zoals ze zouden moeten zijn,
jaagt
daarom iedereen achter zijn zijn-moetende ik en “streeft ernaar allen
tot
gelijkberechtigde, gelijkachtbare, gelijkzedelijke of redelijke mensen
te
maken”.
Ja, “als de mensen waren,
wie ze moesten zijn, konden zijn,
wanneer alle mensen redelijk waren, allen elkaar als
broeders liefhadden, dan zou het een paradijselijk leven zijn”.
Welaan, de mensen zijn zoals ze moeten zijn, kunnen zijn. Wat moeten ze
zijn?
Toch zeker niet meer dan ze kunnen zijn? En wat kunnen ze zijn? Toch
eveneens
niet meer dan zij - kunnen d.w.z. dan ze in staat zijn te zijn, de
kracht om te
zijn hebben. Dat zijn ze echter werkelijk, omdat wat ze niet zijn, zijn ze niet in staat te zijn: want in
staat zijn, betekent - werkelijk zijn. Men is tot niets in staat, wat
men niet
werkelijk is, men is niets in staat te doen, wat men niet werkelijk
doet. Zou
een door staar blindgewordene kunnen zien? O ja, als hij zich met goed
gevolg
de staar zou laten lichten. Alleen nu kan hij niet zien omdat hij niet
ziet.
Mogelijkheid en werkelijkheid komen steeds op hetzelfde neer. Men kan
niets wat men niet doet, zoals men niet doet wat men niet kan.
Het zonderlinge van deze
bewering verdwijnt als men
overweegt dat de woorden “het is mogelijk dat, enz.”, vast geen andere
betekenis in zich bergen, dan dat: “Ik me kan indenken dat, enz.” bv.
het is mogelijk dat alle mensen redelijk zouden leven d.w.z. ik kan me
indenken
dat allen, enz. Omdat nu mijn denken niet kan bewerken, dus ook niet
bewerkt
dat alle mensen redelijk leven, maar
dat dat aan de mensen zelf overgelaten moet worden, is de
algemene
redelijkheid voor mijzelf alleen denkbaar, een denkbaarheid als zodanig
echter
inderdaad een werkelijkheid, die
alleen maar betrekking heeft op datgene wat ik niet kan
maken, namelijk de redelijkheid van de ander, een mogelijkheid
genoemd wordt. Voor zover het van jou afhangt, zouden alle mensen
redelijk
kunnen zijn, want daar heb jij niets tegen, ja voor zover jouw denken
reikt,
kun je wellicht ook geen hinderpaal ontdekken, daarom is er in jouw
gedachten
niets tegen de zaak in te brengen: ze is denkbaar voor jou.
Maar omdat de mensen nu
toch niet
allemaal redelijk zijn, dan zullen ze het ook wel – niet kunnen zijn.
Is of gebeurt iets niet
waarvan men
zich voorstelt dat het toch heel eenvoudig mogelijk zou kunnen zijn,
dan kan
men er verzekerd van zijn dat er iets de zaak in de weg staat en het is
–
onmogelijk. Onze tijd heeft haar kunst, wetenschap, enz.:
die kunst kan van harte slecht zijn;
mag men echter zeggen dat we een betere verdienden te hebben en zouden
we die “kunnen” hebben als we maar zouden
willen? We hebben juist zoveel kunst als we kunnen hebben. Onze huidige
kunst
is de tegenwoordig enig mogelijke en daarom werkelijke.
Zelfs in de betekenis,
waar men het
woord “mogelijk” uiteindelijk nog zo tot zou kunnen reduceren tot het uiteindelijk “toekomstig”
betekent, behoudt het de volle kracht van het “werkelijke”.
Zegt
men
bv.
het is mogelijk dat morgen de zon
opgaat — dan betekent dat alleen maar: voor het vandaag
is
morgen
de
werkelijke toekomst; want het hoeft nauwelijks
betoog
dat
een
toekomst alleen maar dan werkelijke “toekomst” is als ze nog niet is
verschenen.
Waartoe echter deze
waardering van
een woord? Hield zich daar niet het meest
succesvolle misverstand van duizenden jaren achter verscholen, spookte
niet het
hele spook van de bezeten mensen in die enkele betekenis van dat kleine
woordje “mogelijk”,
dan zou de beschouwing ervan ons weinig zorgen baren.
De gedachte beheerst,
zoals net
aangetoond, de bezeten wereld. Welnu,
de mogelijkheid is niets anders dan de denkbaarheid en voor de
afgrijselijke denkbaarheid zijn sindsdien ontelbare
offers gevallen. Het zou denkbaar
zijn dat de mensen redelijk konden worden, denkbaar dat ze het
christendom
erkennen, denkbaar dat ze zich voor het goede zouden laten bezielen en zedelijk werden, denkbaar dat ze
allen in de schoot van de kerk vluchten, denkbaar dat ze niets
staatsgevaarlijks bedenken, spreken en doen, denkbaar dat ze gehoorzame
onderdanen zouden kunnen zijn; daarom
echter, omdat het denkbaar was, was het — zo
luidde de conclusie — mogelijk en verder, omdat het
voor de mens
mogelijk was (en hier ligt het bedrieglijke: omdat het voor mijzelf
denkbaar
is, is het voor de mens mogelijk) zo
zouden ze moeten zijn, zo was hun roeping;
en
uiteindelijk
—
alleen maar
naar deze roeping, alleen maar als geroepene
heeft men de mensen te nemen, niet “zoals ze zijn, maar zoals ze moeten
zijn”.
En de verdere conclusie?
Niet de
enkeling is de mens, maar een gedachte,
de mens is een ideaal, waartoe de
enkeling zich nu eenmaal niet zo verhoudt als het kind
tot
de
man,
maar als een krijtstip tot een denkbeeldige
punt of als een - eindig schepsel tot de eeuwige schepper of volgens
een
nieuwer inzicht, als het exemplaar tot de soort. Hier komt dan de
verheerlijking van de “mensheid” te voorschijn, de “eeuwige,
onsterfelijke”,
ter wier eer (in majorem humanitatis gloriam) de enkeling zich moet
opofferen
en zijn “onsterfelijke roem”
daarin moet vinden van voor de “mensheidsgeest” iets gedaan te hebben.
Dus heersen de denkenden in de wereld zolang de priester- of
schoolmeestertijd
duurt en wat zij zich indenken is mogelijk, wat dus mogelijk is moet
verwezenlijkt worden. Ze bedenken een
mensenideaal dat voorlopig alleen in hun gedachten werkelijk is; maar
ze
bedenken ook de mogelijkheid van de uitvoering ervan en het valt niet
te
bestrijden, de uitvoering is werkelijk - denkbaar, ze is een - idee.
Echter ik en jij, wij
mogen
weliswaar mensen zijn waarvan een Krummacher kan denken
dat wij nog goede christenen zouden kunnen worden; maar als
hij ons daartoe zou willen “bewerken”, zullen we hem weldra voelbaar
maken dat
onze christelijkheid alleen maar denkbaar,
voor het overige echter onmogelijk
is: hij zou, indien hij ons steeds maar weer met zijn opdringerige
gedachten,
zijn “goede geloof” zou toegrijnzen, moeten ervaren dat wij helemaal
niet
hoeven te worden wat wij niet willen worden.
En zo gaat het
verder,
ver boven de vromen en vroomsten uit. “Als alle mensen redelijk zouden
zijn,
als allen het juiste zouden doen, als allen door de mensenliefde geleid
zouden
worden, enz.!” Rede, recht, mensenliefde, enz. worden hen als roeping
van de
mens, als doel van hun streven voor ogen gehouden. En wat betekent
redelijk
zijn? Zichzelf ondervragen? Nee, de rede is een boek
vol
wetten,
die
allemaal tegen het egoïsme geschreven
zijn.
De geschiedenis tot nu
toe, is de
geschiedenis van de geestelijke mens.
Na de periode van de zinnelijkheid, begint de eigenlijke geschiedenis
d.w.z. de
periode van het geestelijke, van de geestelijkheid, onzinnelijkheid,
bovenzinnelijkheid, onzinnigheid. De mens begint nu iets te willen zijn en te worden. Wat? Goed, mooi,
waar; later zedelijk, vroom, welgevallig, enz. Hij wil een
“rechtvaardig mens”,
“iets goeds” uit zichzelf maken. De mens
is zijn doel, zijn moeten, zijn bestemming, roeping, opgave, zijn –
ideaal: hij
is voor zichzelf een toekomstige, iets buiten deze wereld. En wat maakt
van hem
een “echte kerel”? Het waar-zijn, goed-zijn, zedelijk-zijn en
dergelijke. Nu
kijkt hij iedereen scheel aan die niet hetzelfde “wat” erkent, dezelfde
zedelijkheid zoekt, hetzelfde geloof heeft: hij verjaagt de
“separatisten,
ketters, sekten”, enz.
Geen schaap, geen hond,
doet moeite
om een “echt schaap, een echte hond” te worden; voor geen enkel dier
schijnt
zijn wezen een opgave d.w.z. een begrip dat het realiseren moet. Het
realiseert
zich terwijl het zichzelf uitleeft d.w.z. oplost, vergaat. Het verlangt
niet
iets anders te zijn of te worden, het
is het.
Wil ik jullie aanraden op
de dieren
te lijken? Dat jullie dieren moeten worden, daar kan ik jullie echt
niet toe
aanmoedigen omdat dat weer een taak, een ideaal zou
zijn. (“In vlijt, is de bij jullie de baas.”) Ook zou het
hetzelfde zijn dat men van de dieren zou wensen dat ze mensen zouden
worden.
Jullie natuur is nu eenmaal een menselijke, jullie zijn menselijke
naturen
d.w.z. mensen. Maar juist omdat jullie dat al zijn, hoeven jullie het
niet meer
te worden. Ook dieren worden “gedresseerd” en een gedresseerd dier doet
allerlei onnatuurlijks. Nu is een gedresseerde hond op zich niets
beters dan
een natuurlijke en heeft er geen voordeel bij wanneer hij voor ons
aangenamer
in de omgang zou zijn.
Van oudsher waren de
pogingen in
zwang om alle mensen tot zedelijke, redelijke, vrome, menselijke en
dergelijke
“wezens te vormen”, d.w.z. de dressuur. Ze leden schipbreuk op de
onbedwingbare
ikheid, op de eigen natuur, op het egoïsme. De afgerichten
bereiken nooit hun
ideaal en belijden alleen maar met de mond
de verheven grondslagen of leggen een belijdenis,
een geloofsbelijdenis af. Ten opzichte van deze belijdenis moeten zij
zich in
het leven “allemaal als zondaars beschouwen” en blijven van
hun ideaal verwijderd, zijn “zwakke mensen” en lopen
rond
met
het bewustzijn van de “menselijke zwakheid”.
Anders is het wanneer jij
niet een ideaal als je “bestemming” najaagt, maar jezelf oplost, zoals de tijd alles
oplost. De oplossing is niet jouw “bestemming” omdat het net
tegenwoordig is.
Toch heeft de
ontwikkeling, de
religiositeit van de mensen, hen wel vrijgemaakt, echter alleen maar
vrij van
de ene meester om hen aan een andere over te leveren. Mijn begeerten
heb ik
door de religie leren bedwingen, de tegenstand van de wereld breek ik
door list
die mij door de wetenschap aan de hand wordt gedaan; zelfs geen mens
dien ik:
“Ik ben van geen enkel mens knecht.” Maar dan komt het: je moet God
meer
gehoorzamen dan de mensen. Net zo ben ik wel vrij van de onredelijke
bestemming
van mijn driften, maar gehoorzaam de
meesteres: rede. Ik heb de “geestelijke
vrijheid”, “vrijheid van de geest” gewonnen. Daardoor
ben
ik juist onderdanig aan de geest
geworden. De geest beveelt me, de rede leidt me, zij zijn mijn leiders
en
gebieders. De “redelijken”, de “dienaren van de geest” heersen. Maar
als ik echter geen vlees ben, dan ben ik ook
echt geen geest. Vrijheid van de geest is knechtschap van mijzelf omdat
ik meer
ben dan geest of vlees.
Zonder twijfel heeft de
ontwikkeling
mij tot een machtige gemaakt. Ze
heeft me macht over alle aandriften
gegeven, zowel over de driften van mijn natuur als over de verlangens
en
gewelddadigheden van de wereld. Ik weet en heb door de ontwikkeling de
kracht
gekregen om me niet te hoeven laten dwingen door één van
mijn begeerten,
lusten, opwellingen, enz. Ik ben hun - meester;
op dezelfde manier word ik door de wetenschappen en kunsten meester
over de
weerbarstige wereld, waar zee en aarde aan moeten gehoorzamen en zelfs
de
sterren rekenschap aan moeten afleggen. De geest heeft me tot meester
gemaakt.
— Maar over de geest zelf heb ik geen macht. Van de religie
(ontwikkeling) leer
ik wel de middelen ter “overwinning van de wereld”, maar niet hoe ik
ook God kan bedwingen en zijn meester kan
worden; want “God is geest”. En de geest, waar ik niet meester over kan
worden,
kan de meest verschillende gedaanten hebben: hij kan God heten of volksgeest, staat, familie, rede,
ook — vrijheid, menselijkheid, mens.
Ik neem in dank af, wat
eeuwen beschaving mij heeft
verschaft; niets daarvan wil ik weggooien en opgeven; ik
heb niet voor niets geleefd. De ervaring dat ik macht
over mijn natuur heb en niet de slaaf van mijn
begeerten hoef te
zijn, zal voor mijzelf niet verloren gaan; de ervaring dat ik door
beschavingsmiddelen de wereld kan bedwingen, is te duur gekocht dan dat
ik haar
zou kunnen vergeten. Maar ik wil nog meer.
Men vraagt wat de mens
kan worden,
wat hij tot stand kan brengen, welke spullen
hij zich kan verschaffen en men stelt het hoogste voor allen als
roeping vast.
Als zou voor mijzelf alles mogelijk zijn!
Wanneer men iemand aan
een
verslaving, een hartstocht, enz., ten gronde ziet gaan (bv. aan
sjacherzucht,
jaloersheid) dan ontstaat het verlangen om hem uit deze bezetenheid te
verlossen en hem met de “zelfoverwinning” behulpzaam te zijn. “We
willen een
mens van hem maken!” Dat zou echt mooi zijn als niet meteen een andere
bezetenheid in de plaats van de vroegere gebracht zou worden. Van de
geldzucht
bevrijdt men de knecht ervan echter alleen om hem aan de vroomheid, de
humaniteit of welk ander principe dan ook, over te leveren en hem
opnieuw naar
een vast standpunt te verplaatsen.
Deze verplaatsing van een
beperkt
standpunt naar een meer verheven blijkt uit de volgende woorden: de
zinnen
mogen niet op het vergankelijke gericht zijn, maar alleen op het
onvergankelijke, niet op het tijdelijke, maar op het eeuwige, absolute,
goddelijke, het zuiver menselijke enz. — op het geestelijke.
Men zag zeer spoedig in
dat het niet
onverschillig is waar men zijn hart aan ophangt of waarmee men zich
bezighoudt:
men onderkende de belangrijkheid van het onderwerp.
Een boven de bijzonderheid van de dingen verheven onderwerp is het wezen van de dingen; ja het wezen
is alleen het denkbare eraan, is
voor de denkende mens. Richt daarom niet langer je zinnen
op de dingen, maar
je gedachten op het wezen. “Zalig
zijn zij, die niet zien en
toch geloven” d.w.z. zalig zijn de denkenden,
want die hebben met het onzichtbare
te doen en geloven erin. Maar ook een onderwerp van het denken dat
eeuwenlang
een wezenlijk strijdpunt uitmaakte, komt er ten slotte op uit dat het
“niet
meer de moeite waard is erover te spreken”. Dat zag men in, maar
tegelijkertijd
hield men steeds weer een op zichzelf geldige belangrijkheid van het
onderwerp,
een absolute waarde ervan voor ogen, alsof niet voor het kind de pop,
voor de
Turk de Koran, het belangrijkste zou zijn. Zolang ik voor mijzelf niet
het
enige belangrijke ben, maakt het niet uit van welk onderwerp ik “veel
wezenlijks” maak en alleen maar mijn groter of kleiner misdrijf
ertegen is van waarde. De graad van mijn afhankelijkheid
en onderworpenheid geeft het standpunt van mijn dienstbaarheid aan, de
graad
van mijn bezondiging geeft de mate van mijn eigenheid aan.
Uiteindelijk moet men
zich echter
eigenlijk alles “uit het hoofd weten te slaan”, gewoon om te kunnen -
inslapen.
Niets mag ons bezighouden waar wij
ons niet mee bezighouden: de eerzuchtige kan zijn eerzuchtige plannen
niet
ontlopen, de godvruchtige niet de gedachte aan God; gekte en
bezetenheid komen
op hetzelfde neer.
Zijn wezen realiseren of
overeenkomstig de betekenis ervan willen leven, wat voor de gelovige in
God
zoveel als “vroom”zijn betekent, voor de mensheidgelovige “menselijk”
leven
heet, kan zich alleen maar de zinnelijke en zondige mens voornemen, de
mens,
zolang hij tussen zinnelijk genot en zielevrede de bange keuze heeft,
de mens,
zolang hij een “arme zondaar” is. De christen is niets anders dan een
zinnelijk
mens die, terwijl hij van het heilige op de hoogte is en zich ervan
bewust is
dat hij het zelf schendt, in zichzelf een arme zondaar ziet;
zinnelijkheid als
“zondigheid” weten, dat is het christelijk bewustzijn, dat is de
Christus zelf.
En wanneer nu “zonde” en “zondigheid” door de nieuweren niet meer in de
mond
worden genomen, maar in plaats daarvan “egoïsme”, “zelfzucht”,
eigenbelang” en
dergelijke, hen bezig houdt, als de duivel in de “onmens” of
“egoïstische mens”
vertaald wordt, is dan de christen niet evengoed aanwezig als voorheen?
Is de
oude tweespalt tussen goed en kwaad niet een rechter over ons, de mens,
een
roeping, de roeping zichzelf tot mens te maken, niet gebleven? Noemt
men het
niet meer roeping, maar “taak” of ook wel “plicht”, dan is deze
naamsverandering helemaal juist omdat “de mens” niet zoals God een
persoonlijk
wezen is, dat “roepen” kan; maar buiten deze naam blijft de zaak bij
het oude.
Iedereen heeft een verhouding ten opzichte van de objecten en in
werkelijkheid
verhoudt iedereen zich daar anders tegenover. Laten we als voorbeeld
dat boek
nemen, waar miljoenen mensen tweeduizend jaren een verhouding mee
hebben, de
bijbel. Wat is, wat was het voor éénieder? Ongetwijfeld
alleen maar dat wat hij ervan maakte! Wie er helemaal
niets
van maakt, voor hem is het helemaal niets; wie het als een amulet
gebruikt,
voor hem heeft het alleen maar de waarde, de betekenis van een
tovermiddel; wie
er zoals kinderen mee speelt, voor hem is het niets anders dan
speelgoed, enz.
Nu verlangt het
christendom dat het
voor allen hetzelfde zou zijn, zoiets
als het heilige boek of de “heilige schrift”. Dat betekent zoveel als
dat het
inzicht van de christenen ook dat van de anderen moet zijn en dat
niemand zich
anders tegenover dat object zou mogen gedragen. Daarmee wordt dan de
eigenheid
van de verhouding vernietigd en één zin,
één mentaliteit, als de “ware”,
de “alleen ware”
vastgesteld. Met de vrijheid, van de bijbel maken wat ik ervan wil
maken, wordt
de vrijheid van het maken in ieder geval belemmerd en in plaats daarvan
de
dwang van een inzicht of van een oordeel gesteld. Wie het oordeel zou
vellen
dat de bijbel een langdurige dwaling van de mensheid is, oordeelt
misdadig.
Inderdaad oordeelt het
kind dat de
bijbel aan flarden scheurt of daarmee speelt. De Inca Atahualpa die er
zijn oor
oplegt en het verachtelijk wegwerpt, omdat het stom blijft, dacht even
juist
over de bijbel als de priester die hem als het “woord Gods” aanprijst
of de
criticus die het een maaksel van mensenhanden noemt. Want hoe we met de
dingen
omspringen, is de zaak van ons goeddunken, onze willekeur:
we
gebruiken
ze
naar hartelust
of duidelijker, we gebruiken ze zoals we juist kunnen. Waar janken de
priesters
dan over, als ze zien hoe Hegel en de speculatieve theologen uit de
inhoud van
de bijbel speculatieve gedachten maken? Juist omdat zij er naar
hartelust van
alles uithalen of er “willekeurig mee te werk gaan”.
Omdat we echter allen in
het
behandelen van de objecten willekeurig blijken te zijn d.w.z.
er
zo
mee
omgaan als het ons het best bevalt, naar ons goeddunken (de filosoof bevalt niets zozeer
als
wanneer hij in
alles een “idee” kan bespeuren, zoals het de godvruchtige bevalt, door
alles
dus bv. door het heilighouden van de bijbel, zich God tot vriend te
maken): zo
ontmoeten we nergens zo’n pijnlijke willekeur, een zo vreesaanjagende
gewelddadigheid, een zo’n domme dwang, als juist op het gebied van onze
- eigen willekeur. Handelen we
willekeurig als we de heilige
onderwerpen zus of zo opvatten, hoe zouden we het dan de
priestergeesten
kwalijk kunnen nemen wanneer zij het ons even willekeurig op
hun
manier kwalijk nemen en ons het kettervuur of een andere
straf bv. de - censuur waardig achten?
Wat een mens is, haalt
hij uit de
dingen; “zoals jij de wereld beschouwt, zo kijkt de wereld naar jou”.
Hier kan
men meteen de wijze raad uit halen: je moet haar alleen maar “juist en
onbevangen”, enz. bekijken. Alsof het kind niet “juist en onbevangen”
de bijbel
bekeek toen het er een stuk speelgoed van maakte. Die wijze raad geeft
bv.
Feuerbach ons. De dingen bekijkt men net juist als men eruit haalt wat
men wil (onder dingen zijn hier objecten, eigenlijk
voorwerpen begrepen, zoals God, onze medemensen, een liefje, een boek,
een
dier, enz.). En daarom zijn de dingen en hun beoordeling niet het
voornaamste,
maar ik ben het, mijn wil is het. Men wil
gedachten uit de dingen te voorschijn roepen, wil rede
in de wereld ontdekken, wil heiligheid in haar hebben:
daarom zal men het vinden. “Zoekt en
gij zult vinden”. Wat ik wil zoeken, dat bepaal ik: ik
wil me bv. uit de bijbel stichting halen: het is te vinden;
ik wil de bijbel grondig lezen en onderzoeken: er zal een grondig
onderricht en
kritiek voor mijzelf ontstaan— volgens mijn krachten. Ik kies datgene
waar mijn
zin naar staat en kiezend, blijk ik willekeurig.
Hieraan knoopt zich het
inzicht dat
elk oordeel dat ik over een object vel, het schepsel
van mijn wil is en opnieuw leidt dat inzicht mij ertoe, dat ik Mezelf
niet aan
dat schepsel, dat oordeel, moet
verliezen, maar de schepper moet blijven, de oordelende, die steeds
opnieuw
schept. Alle predikaten van de voorwerpen zijn mijn uitspraken, mijn
oordelen,
mijn - scheppingen. Willen ze zich van mij losrukken en iets voor
zichzelf zijn
of mij helemaal imponeren, dan heb ik niets haastigers te doen dan ze
in hun
niets d.w.z. in mij, de schepper, terug te nemen. God, Christus,
drie-eenheid,
zedelijkheid, het goede, enz. zijn zo’n schepsels waarvan ik me niet
zomaar
moet veroorloven te zeggen dat ze waarheden zijn, maar ook niet dat ze
vergissingen zijn. Zoals ik eens hun bestaan gewild en gedecreteerd
heb, zo wil
ik hun niet-zijn eveneens mogen willen; ik mag ze me niet over het
hoofd laten
groeien, mag niet de zwakheid hebben om iets “absoluuts” uit hen te
laten
worden waardoor ze vereeuwigd en aan mijn macht en bedoeling worden
onttrokken.
Daarmee zou ik in het stabiliteitsprincipe
vervallen, het eigenlijke levensprincipe van de religie, die het zich
er aan
gelegen laat, “onaantastbare heiligdommen”, “eeuwige waarheden”, kortom
iets
“heiligs” te creëren en jou het jouwe te onttrekken.
Het object maakt ons door
zijn
heilige gedaante evenzeer tot bezetenen als door zijn onheilige; als
bovenzinnelijk object evenzeer, als zinnelijk. Op beiden betrekt zich
de
begeerte of zucht en op dezelfde trede staan geldzucht en de hunkering
naar de
hemel. Toen de verlichters de mensen voor de zinnelijke wereld wilden
winnen,
predikte Lavater de hunkering naar het onzichtbare. Aandoening,
willen sommigen te voorschijn roepen, aandoenlijkheid
de anderen.
De opvatting over de
onderwerpen is
totaal verschillend, zoals God, Christus, de wereld, enz. op de meest
verschillende wijze werden en worden opgevat. Iedereen is daarin een
“andersdenkende” en na bloedige gevechten heeft men eindelijk zoveel
bereikt,
dat de tegenovergestelde inzichten over één en hetzelfde
onderwerp niet meer
veroordeeld worden als ketterijen waar de doodstraf op staat. De
“andersdenkenden” dulden elkaar. Alleen, waarom zou ik alleen maar
anders over
een zaak denken, waarom niet het andersdenken tot de spits drijven,
namelijk
tot het helemaal niets meer van de zaak denken, dus haar niets te
denken, haar
te verpletteren? Dan komt de opvatting
vanzelf aan zijn eind omdat er niets meer op te vatten is. Waarom zou
ik wel
zeggen: God is niet Allah, niet Brahma, niet Jehova, maar - God; waarom
echter
niet: God is niets dan een misleiding? Waarom brandmerkt men mij als ik
een
“godloochenaar” ben? Omdat men het schepsel boven de schepper plaatst
(“ze eren
en dienen het schepsel meer dan de schepper zelf”)
en
een
heersend object nodig heeft
waardoor het subject aardig onderdanig
dient. Ik moet me onder het absolute
buigen,
ik
moet het.
Door het “rijk van de
gedachten”
heeft het christendom zich voltooid, de gedachte is die innerlijkheid
waarin
alle lichten van de wereld uitdoven, alle bestaan bestaanloos wordt, de
innerlijke mens (het hart, het
hoofd,) alles in alles is. Dat rijk van de gedachten wacht op zijn
verlossing,
wacht als de sfinx uit het raadsel
van Oedipus totdat uiteindelijk zijn dood intreedt. Ik
ben de vernietiger van zijn bestaan, want in het rijk
van
de
schepper
ontwikkelt
zich geen eigen rijk meer, geen staat in de staat, maar een schepsel
van mijn
scheppende - gedachteloosheid. Alleen tegelijk en samen met de
verstarde, denkende wereld, kan de christenwereld,
het christendom en de religie zelf, ten gronde gaan; en als de
gedachten
eindigen, bestaan er geen gelovigen meer. Voor de denkende is zijn
denken een
“verheven arbeid, een heilige bezigheid” en het berust op een vast geloof, het geloof in de
waarheid. Ten eerste is het bidden een heilige
bezigheid, vervolgens gaat
deze heilige “aandachtigheid” in een verstandelijk en raisonnerend
“denken”
over, dat echter eveneens in de “heilige waarheid” zijn
onverzettelijke geloofsbasis behoudt en alleen maar
een
wonderbaarlijke machine is die de geest van de waarheid in zijn dienst
opwindt.
Het vrije denken en de vrije wetenschap houden mijzelf bezig — want
niet ik ben
vrij, niet ik hou me bezig, maar het
denken is vrij en houdt mij bezig — met de hemel en het
hemelse of “goddelijke”, wat
eigenlijk wil zeggen, met de wereld en het wereldse,
alleen maar met een “andere” wereld; het is
alleen maar de omkering en een krankzinnig worden van de wereld, een
bezighouden met het wezen van de
wereld, daarom een krankzinnigheid.
De denker is blind voor de onmiddellijkheid van de dingen en niet in
staat ze
meester te worden: hij eet niet, drinkt niet, geniet niet, want de
etende en
drinkende is nooit de denkende, die vergeet eten en drinken, zijn
levensonderhoud, de zorg voor voeding, enz., voor het denken; hij
vergeet het
zoals de biddende het ook
vergeet. Daarom lijkt hij voor de krachtige natuurzoon op een rare snuiter, een dwaas, terwijl hij hem
tegelijkertijd voor heilig aanziet, zoals de ouden de razenden
beschouwden. Het
vrije denken is razernij omdat het een zuivere
beweging van de innerlijkheid, de louter innerlijke
mens, die de
overige mens leidt en regelt, is. De sjamaan en de speculatieve
filosoof
verbeelden de onderste en bovenste sport van de trapladder van de innerlijke mens, van de - Mongool.
Sjamanen en filosofen vechten met spoken, demonen, geesten,
goden.
Van dat vrije denken
totaal verschillend, is het eigen
denken, mijn denken, het denken dat
mij niet leidt, maar door mijzelf geleid, voortgezet of afgebroken
wordt, naar het mijzelf goeddunkt. Dat eigen
denken onderscheidt zich van het vrije denken op dezelfde wijze als de
eigen
zinnelijkheid die ik naar eigen
goeddunken bevredig, van het vrije, bandeloze, het ik, waar ik onder
bezwijk.
Feuerbach pocht
in zijn “Grundsätzen der Philosophie der Zukunft” steeds op het zijn. Daarin blijft ook hij,
bij alle vijandschap tegen
Hegel en de absolute filosofie, in de abstractie steken; want “het
zijn” is
abstractie zoals zelfs het “ik”. Alleen ik
ben niet alleen abstractie, ik ben alles in alles en daarom zelf
abstractie
of niets, ik ben alles en niets; ik ben niet louter een gedachte, maar
ik ben
tegelijkertijd vol gedachten, een gedachtewereld. Hegel veroordeelt het
eigene,
het mijne, de - “mening”. Het “absolute denken” is dat denken, dat
vergeet dat
het mijn denken is, dat ik denk en
dat alleen maar door mijzelf bestaat. Als ik echter, verslind ik het
mijne
weer, ik ben er meester van, het
is alleen maar mijn mening, die ik
elk ogenblik kan veranderen, d.w.z. vernietigen, in
mijzelf terug kan nemen of kan
verteren. Feuerbach wil het “absolute denken” van Hegel door het onoverwonnen zijn verslaan. Het zijn is
echter door mijzelf zo goed
overwonnen als het denken. Het is mijn
zijn zoals al mijn denken.
Daarbij komt Feuerbach
natuurlijk
niet verder dan tot het op zichzelf triviale
betoog dat ik voor alles de zinnen nodig heb of
dat
ik
deze organen niet helemaal kan
missen.
Natuurlijk kan ik niet
denken als ik niet zinnelijk besta. Alleen heb ik voor het denken net
als voor
het ervaren, dus voor het abstracte zoals voor het zinnelijke,
vóór alle dingen
mijzelf nodig en wel mijzelf,
dat heel bepaalde, mijzelf de enige.
Zou ik niet die bv. Hegel zijn, dan zou ik de wereld niet zoals ik er
nu naar
kijk bekijken, ik zou dan niet uit haar dat filosofische systeem halen
dat ik
nu als Hegel eruit haal, enz. Ik zou dan wel zinnen hebben, zoals de
andere
mensen die ook hebben, maar zou die niet gebruiken zoals ik het nu doe.
Zo wordt door Feuerbach,
Hegel het
verwijt gemaakt
dat hij de taal misbruikt omdat hij onder veel woorden iets anders
verstaat,
dan waar het natuurlijk bewustzijn ze voor houdt en toch begaat ook hij
dezelfde fout als hij het”zinnelijke” een zo prominente betekenis geeft
zoals
hij niet gewend is. Zo heet het op blz. 68-69: “het zinnelijke moet
niet het
profane, gedachteloze, het voor de hand liggende, het vanzelf
begrijpelijke,
zijn.” Is het echter het heilige, het gedachtevolle, het verborgen
liggende,
het alleen maar door mediëring begrijpelijke – dan is het dus niet
meer datgene
wat men het zinnelijke noemt. Het zinnelijke is alleen maar datgene wat
voor de zinnen bestaat; wat daarentegen
alleen voor diegenen genietbaar is die met meer
dan de zinnen genieten, die boven het zingenot of boven de
zinnenontvankelijkheid uit gaan, dat is hoogstens via de zinnen of door
de
zinnen toegevoerd, d.w.z. de zinnen maken voor het verlangen ervan geen
voorwaarde uit, maar het is niets
zinnelijks meer. Het zinnelijke, wat het ook moge zijn, wordt een
onzinnelijks,
dat echter weer zinnelijke effecten kan hebben, bv. door het opwekken
van mijn
gemoedsaandoeningen en mijn bloed.
Het is al veel waard dat
Feuerbach
de zinnelijkheid waardeert, maar hij weet daarbij alleen maar het
materialisme
van zijn “nieuwe filosofie”, met het tot dusverre eigendom van het
idealisme,
de “absolute filosofie” te bekleden. Net zomin als men de mensen kan
wijsmaken
dat men van het “geestelijke” alleen, zonder brood, zou kunnen leven,
net zomin
zullen ze hem geloven dat men als een zinnelijke alles al is, dus
geestelijk,
gedachtevol, enz.
Door het zijn
wordt helemaal niets gerechtvaardigd. Het gedachte is net zo goed als het niet-gedachte, de
steen op straat is en ook mijn voorstelling ervan is.
Beiden zijn alleen maar in verschillende ruimten, de
één in het luchtruim, de ander in mijn hoofd, in mij: want ik ben een ruimte, zoals de
straat.
De deskundigen of
geprivilegieerden
dulden geen gedachtevrijheid d.w.z. geen gedachten die niet van de
“gever van
al het goede” komen of deze gever nu God, paus, kerk of wat dan ook
heet. Heeft
iemand dergelijke illegitieme gedachten, dan moet hij ze zijn
biechtvader in
het oor fluisteren en zich door hem zolang laten kastijden tot voor de
vrije
gedachten de slavenzweep ondraaglijk wordt. Ook op een andere manier
zorgt de
gildengeest ervoor dat vrije gedachten helemaal niet opkomen,
vóór alles door
een wijze opvoeding. Wie de grondslagen van de moraal behoorlijk wordt
ingeprent, wordt nooit meer vrij van morele gedachten en roof, meineed,
bedriegerij en dergelijke blijven voor hem idée fixen, waar geen
gedachtevrijheid hem tegen beschermt. Hij heeft zijn gedachten “van
boven” en
blijft daarbij.
Anders is het met de
geconcessioneerden of getalenteerden. Iedereen moet gedachten hebben en
iets
van zichzelf kunnen maken zoals hij wil. Wanneer hij het patent of de
concessie
voor een denktalent heeft dan heeft hij geen bijzonder privilege
nodig. Omdat echter “alle mensen redelijk zijn” staat het
iedereen vrij zich wat voor gedachte dan ook in het hoofd te halen en
naar
gelang het talent van zijn natuurgave een grotere of kleinere
gedachterijkdom
te hebben. Nu hoort men de waarschuwingen dat men “alle meningen en
overtuigingen moet respecteren”, dat “iedere overtuiging
gerechtvaardigd is”,
dat men “tegenover de inzichten van anderen verdraagzaam moet zijn”,
enz.
Maar “uw gedachten zijn
niet mijn
gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen”. Of ik wil liever het
omgekeerde
zeggen: uw gedachten zijn mijn
gedachten, waar ik naar willekeur mee handel en die ik onbarmhartig de
kop
indruk: ze zijn mijn eigendom dat ik, zo het me belieft, vernietig. Ik
verwacht
van jullie niet eerst het recht om jullie gedachten aan te tasten en
weg te
blazen. Mij kan het niet schelen dat jullie die gedachten ook die van
jullie
noemen, ze blijven toch de mijne en hoe ik daarmee wil omgaan is mijn zaak, geen arrogantie. Ik kan er
zin in hebben om jullie bij jullie gedachten te laten; dan zwijg ik.
Geloven
jullie dat de gedachten zo vogelvrij zouden rondvliegen dat iedereen ze
zomaar
zou kunnen pakken en die dan vervolgens als zijn onaantastbaar eigendom
tegen
mij zou kunnen gebruiken? Wat rondvliegt, is allemaal - het mijne.
Geloven jullie dat jullie
je
gedachten voor jezelf hebben en ze voor niemand hoeven te verantwoorden
of
zoals jullie ook wel zeggen, dat jullie alleen God daar rekenschap over
hoeven
af te leggen? Nee, jullie grote of kleine gedachten behoren mijzelf toe
en ik
behandel ze naar mijn goeddunken.
Eigen is mij
pas de gedachte als ik er geen bezwaar tegen heb om haar elk ogenblik
in
doodsgevaar te brengen, als ik haar verlies niet als een verlies
voor
mij, een verlies van mijzelf, te vrezen heb. Mijzelf
eigen is de gedachte pas dan, als ik wel haar, zij echter nooit mij
onder het
juk kan brengen, me niet fanatiek maakt, tot een werktuig van haar
realisatie
maakt.
Dus, gedachtevrijheid
bestaat als ik
alle mogelijke gedachten kan hebben; de gedachten worden echter pas
eigendom
doordat ze geen meester kunnen worden. In de tijd van de
gedachtevrijheid heersen gedachten (ideeën);
breng ik het
echter tot gedachte-eigendom, dan gedragen ze zich als mijn schepsels.
Zou de hiërarchie
niet zo diep in
ons innerlijk doorgedrongen zijn, zodat ze
de mensen alle moed benam, vrije d.w.z. God wellicht
ongevallige
gedachten te koesteren, dan zou men gedachtevrijheid als net zo’n hol
woord
zien als bv. de spijsverteringsvrijheid.
Volgens de mening van de
deskundigen
wordt mij de gedachte gegeven,
volgens de vrijdenkers zoek ik de
gedachte. Daar is de waarheid al
gevonden en aanwezig, alleen moet ik haar alleen maar van de gever zelf
door
genade - ontvangen; hier is de waarheid te vinden en mijn in de
toekomst
liggend doel naar waar ik moet rennen.
In beide gevallen ligt de
waarheid
(de ware gedachte) buiten mijzelf en ik probeer haar te krijgen,
zij
het
door
schenking (genade), zij het door verwerven
(eigen verdienste). Dus de waarheid is 1) Een privilege.
2)
Nee,
de
weg er naartoe is voor allen voortreffelijk
en noch de bijbel, noch
de heilige vader, de kerk of wie ook, is in het bezit van de waarheid;
maar men
kan over het bezit ervan speculeren.
Beiden, zo zie je, zijn eigendomloos met betrekking tot de
waarheid: ze hebben haar of te leen (want de “heilige vader” bv. is
geen enige;
als enige is hij Sixtus, Clemens, enz. maar als Sixtus, Clemens, enz.
heeft hij
de waarheid niet, maar als “heilige vader”, d.w.z. als geest) of als ideaal. Als leen is ze alleen maar voor
weinigen (geprivilegieerden), als ideaal voor allen
(gepatenteerde).
Gedachtevrijheid heeft
dus de
betekenis dat we, hoewel we allen in de duisternis en op een dwaalspoor
ronddolen, allemaal echter op die weg de waarheid
zouden kunnen naderen en daardoor op de juiste weg zijn (“elke weg
leidt naar
Rome, naar het einde van de wereld, enz.”). Gedachtevrijheid wil daarom
zoveel
zeggen als dat de ware gedachte mijzelf niet eigen is;
want
zou
dat
wel het geval zijn, hoe zou men mij daar dan
van af kunnen sluiten?
Het denken is helemaal
vrij geworden
en heeft een veelheid van waarheden opgesteld waar ik me naar moet
voegen. Het
probeert zich tot een systeem te
vervolmaken en tot een absolute toestand te brengen. In de staat bv.
zoekt het
zolang naar het idee tot dat het de verstands-staat heeft
voortgebracht, waar
ik het me dan juist moet laten zijn; net zo in de mens (de
antropologie)
zolang, tot het de mens gevonden heeft.
De denkende onderscheidt
zich van de
gelovige doordat hij veel meer gelooft
dan deze, die van zijn kant over zijn geloof (geloofsartikel) veel
minder
nadenkt. De denkende heeft duizend geloofsstellingen waar de gelovige
met
weinig uitkomt; maar de één brengt samenhang
in zijn stellingen en neemt opnieuw de samenhang als maatsstaf van de
waardering ervoor. Past het één of ander niet in zijn
kraam, dan gooit hij het
eruit.
De denkenden lopen in hun
uitspraken
parallel met de gelovigen. In plaats van: “Als het van God komt, mag je
het
niet verdelgen”, heet het: “Wanneer het uit de waarheid
is, is het waar”; in plaats van: “Geef God de eer” — “Geef
de waarheid de eer”. Het is voor mijzelf echt hetzelfde of God of de
waarheid
overwint; op de eerste plaats wil ik
overwinnen.
Hoe zou overigens in de
staat of
maatschappij een “onbeperkte vrijheid” denkbaar kunnen zijn? De staat
kan wel
de ene tegen de andere beschermen, maar zichzelf mag hij toch niet door
een
mateloze vrijheid, een zogenaamde teugelloosheid, in gevaar laten
brengen. Zo
verklaart de staat bij de “vrijheid van onderwijs” alleen dat voor hem
iedereen
juist is die onderwijst, zoals de staat, of begrijpelijker uitgedrukt,
de
staatsmacht het wil hebben. Wil bv. de geestelijkheid niet zoals de
staat het
wil, dan sluit zij zichzelf van concurrentie
uit (zie in Frankrijk). De grenzen die in de staat aan alle en iedere
concurrentie noodzakelijkerwijs gesteld worden, noemt men “de bewaking
en het
oppertoezicht van de staat”. Omdat de staat de vrijheid van onderwijs
in de
gepaste beperking sluit, stelt hij zich tegelijkertijd gedachtevrijheid
tot
doel omdat de mensen namelijk gewoonlijk niet verder denken dan hun
leraren
hebben gedacht.
Luister naar minister
Guizot:
“De
grootste
moeilijkheid
van deze tijd is de leiding en
beheersing van de
geest. Vroeger vervulde de kerk deze missie, tegenwoordig is ze
daartoe
niet toereikend. Het is de universiteit waar deze grote dienst van
verwacht
moet worden en ze zal niet in gebreke blijven deze te verrichten. Wij,
de regering, hebben de plicht haar daarin
te ondersteunen. De Charta wil de vrijheid van gedachten en geweten.”
Dus ten
gunste van de vrijheid van gedachten en geweten eist de minister “de
leiding en
beheersing van de geest” op.
Het katholicisme sleurde
de
examenkandidaten voor het forum van de kerkelijkheid, het
protestantisme voor
dat van de bijbelse christelijkheid. Het zou maar een kleine
verbetering zijn
als men hen voor dat van de rede zou sleuren, zoals bv. Ruge wil.
Of de kerk, de bijbel of de rede (waarop overigens Luther en Hus zich
al
beriepen) de heilige autoriteit is, maakt
in wezen geen verschil uit.
Oplosbaar zou het
“vraagstuk van
onze tijd” nog niet eens zijn als men het als volgt stelde: heeft iets
algemeens het recht of alleen maar het afzonderlijke? Is de
algemeenheid (zoals
staat, wet, rede, redelijkheid, enz.) gerechtigd of de
afzonderlijkheid?
Oplosbaar wordt het pas als men helemaal niet meer naar een
“berechtiging”
vraagt en niet louter een gevecht tegen het “privilege” voert. — Een
“redelijke” leervrijheid, die “alleen maar het geweten van de rede
erkent”,
brengt
ons
niet
tot het doel. We hebben eerder een egoïstische
nodig; een leervrijheid voor de hele eigenheid, waarbij ikzelf
tot een verneembare word en
mijzelf ongehinderd bekend kan maken. Dat ik me “verneembaar” maak, dat
alleen
is “rede” al ben ik nog zo onverstandig; terwijl ik iets van me laat
horen, me
“verneembaar” maak, genieten anderen
zowel als ikzelf van mij en verteer tegelijkertijd Mezelf.
Wat zou er dan gewonnen
zijn,
terwijl zoals vroeger het rechtzinnige, het loyale, het zedelijke, enz.
ik vrij
was, nu het redelijke ik vrij zou worden? Zou dat de vrijheid van het
mijne
zijn?
Ben ik als “redelijk ik”
vrij, dan
is het redelijke aan mijzelf of de rede vrij en deze vrijheid van de
rede of
vrijheid van gedachten was van oudsher het ideaal van de christelijke
wereld.
Het denken — en zoals gezegd is het geloof ook denken, zoals het denken
geloof
is — wilde men vrij maken, de denkenden d.w.z. zowel de gelovigen als
de
redelijken moesten vrij zijn, voor de overigen was vrijheid onmogelijk.
De vrijheid
van de redelijken is echter de “vrijheid van de kinderen Gods” en
tegelijkertijd de meest onbarmhartige — hiërarchie of heerschappij
van de
gedachten: want aan de gedachten bezwijk ik.
Zijn de gedachten vrij, dan ben ik hun slaaf, dan heb ik geen macht
over hen en
word door hen beheerst. Ik echter, wil de gedachten bezitten, wil rijk
aan
gedachten zijn, maar tegelijkertijd wil ik ook gedachteloos zijn en
behoud ik
voor mijzelf de gedachteloosheid in plaats van de gedachtevrijheid.
Komt het er op aan zich
verstaanbaar
te maken en mee te delen, dan kan ik inderdaad alleen maar van menselijke middelen gebruik maken die
mij, omdat ik tevens mens ben, ter beschikking staan. En werkelijk heb
ik
alleen maar als mens gedachten, als
ik ben ik tegelijkertijd gedachteloos. Wie niet
van een gedachte kan los komen, is zover alleen
maar mens, is de knecht van de spraak,
deze menseninstelling, deze schat van menselijke gedachten. De spraak
of het
“woord” tiranniseert ons het allerergst omdat zij een heel leger van idée fixen tegen ons aanvoert. Sla
jezelf eens gade bij het nadenken en je zult ondervinden hoe je alleen
verder
komt, doordat je ieder ogenblik gedachten- en sprakeloos wordt. Je bent
niet
alleen tijdens je slaap, maar zelfs bij het diepste nadenken gedachte-
en
sprakeloos, ja, juist dan het meest. En alleen maar door deze
gedachteloosheid,
deze onbegrepen “gedachtevrijheid” of vrij zijn van gedachten, ben jij
jezelf.
Pas van haar uit kom je ertoe om de spraak als jouw eigendom
te gebruiken.
Is het denken niet mijn denken, dan is het louter een
voortgesponnen gedachte, is slavenarbeid of arbeid van een “dienaar van
het
woord”. Voor mijn denken is namelijk niet een gedachte het begin, maar
ik en
daarom ben ik ook het doel ervan, zoals dan het hele verloop van mijn
denken
alleen maar het verloop van mijn zelfgenot is; voor het absolute of
vrije
denken is daarentegen het denken zelf het begin en het kwelt zich
ermee, dat
begin als de uiterste abstractie (bv. als zijn) voor te stellen. Juist
deze
abstractie of deze gedachte wordt dan verder uitgesponnen.
Het absolute denken is de
zaak van
de menselijke geest en dat is een heilige geest. Daarom is dat denken
de zaak
van de priesters, die “het zintuig daarvoor bezitten”, het zintuig voor
de
“hoogste belangen van de mensheid”, voor “de geest”.
Voor de gelovige zijn de
waarheden
een uitgemaakte zaak, een feit; voor de vrijdenker een zaak die eerst
nog uitgemaakt moet worden. Het absolute
denken mag nog zo ongelovig zijn, zijn ongelovigheid
heeft
haar
grenzen
en blijft toch een geloof
in de
waarheid, in de geest, in de idee en haar uiteindelijke zegepraal: het
zondigt
niet tegen de heilige geest. Alle denken echter, dat niet tegen de
heilige
geest zondigt, is geloof in geesten of geloof in spoken.
Het denken kan ik net
zomin missen
als het ervaren, de werkzaamheid van de geest, net zomin als die van de
zintuiglijkheid. Zoals het ervaren onze zin voor de dingen is, is het
denken
onze zin voor de wezens (gedachte). De wezens hebben hun bestaan in
heel het
zinnelijke, in het bijzonder in het woord. De macht van het woord volgt
op die
van de dingen; eerst wordt men door de roede bedwongen, daarna door de
overtuiging. De macht van de dingen overwint onze moed, onze geest;
tegenover
de macht van de overtuiging, dus van het woord, verliezen zelfs
foltering en
zwaard hun overmacht en kracht. De overtuigingsmensen zijn de
priesterlijken,
die elke verlokking van de satan weerstaan.
Het christendom ontnam de
dingen van
deze wereld alleen maar hun onweerstaanbaarheid, maakte ons van hen
onafhankelijk. Op dezelfde manier verhef ik me boven de waarheden en
hun macht:
ik ben zowel bovenzinnelijk als bovenwaardig. De waarheden zijn voor mij zo gewoon en onverschillig als
de dingen, ze sleuren mij niet mee en maken me niet geestdriftig. Er is
ook
niet één waarheid, niet het recht, niet de vrijheid, de
menselijkheid, enz. die
voor mij bestaan heeft, waaraan ik me onderwerp. Het zijn woorden,
niets
dan
woorden,
zoals voor de christen alle dingen
niets dan “ijdele dingen” zijn. In woorden en waarheden (elk woord is
een
waarheid, zoals Hegel beweert dat men geen leugen kan uitspreken)
ligt
voor
mijzelf
geen heil, net zomin als voor de
christen in de dingen en ijdelheden. Zoals de rijkdommen van deze
wereld mij
niet gelukkig maken, zo ook de waarheden niet. Het verzoekingverhaal
wordt nu
niet meer door de satan gespeeld, maar door de geest en die verleidt
niet door
de dingen van deze wereld, maar door de gedachten eraan, door “de
schittering
van de idee”.
Naast de wereldse zaken
moeten ook alle heilige zaken
waardeloos gemaakt worden.
Waarheden zijn frasen,
spreekwijzen,
woorden (logos); in samenhang of in het gelid gebracht, vormen ze de
logica, de
wetenschap, de filosofie.
Om te denken en te
spreken, gebruik
ik de woorden en waarheden, zoals de spijzen om te eten; zonder hen kan
ik
denken noch spreken. De waarheden zijn de gedachten van de mens,
neergelegd in
woorden en daarom net zo aanwezig als andere dingen, hoewel alleen maar
voor de
geest of het denken. Ze zijn menselijke instellingen en menselijke
scheppingen
en al geeft men ze ook voor goddelijke openbaringen uit, toch blijven
ze voor
mijzelf de eigenschap van vreemdheid behouden, ja, als
mijn
eigen
schepsels
zijn ze voor mijzelf na de
scheppingsdaad al vervreemd.
De christenmens is de
denkgelovige die in de
opperheerschappij van de gedachten gelooft en gedachten, zogenaamde
“principes”, tot heerschappij wil brengen. Weliswaar onderzoekt
menigeen de
gedachten en kiest geen ervan kritiekloos tot zijn meester, maar hij
lijkt
daarin op de hond die de mensen besnuffelt om “zijn baasje” er van
tussen te
ruiken: van de heersende gedachten
ziet hij altijd af. De christen kan oneindig veel reformeren en
revolteren, kan
de heersende begrippen van eeuwen ten gronde richten: steeds echter zal
hij weer
naar een nieuw “principe” of een nieuwe meester streven, steeds weer
een hogere
of “diepere” waarheid opstellen, steeds weer een cultus te voorschijn
roepen,
steeds een tot heerschappij beroepende geest proclameren, een wet voor allen instellen.
Bestaat er ook maar
één waarheid
waar de mens zijn leven en krachten aan zou moeten wijden omdat hij
mens is,
dan is hij aan één regel, één heerschappij,
wet, enz. onderworpen, is dienaar.
Zo’n waarheid moet bv. de mens, de menselijkheid, de vrijheid, enz.
zijn.
Daarentegen kan men
zeggen: of jij
je verder met het denken wil inlaten, hangt van jezelf af: maar weet
dat, als jij het in het denken graag tot iets
belangrijks zou willen brengen, er vele en moeilijke problemen op te
lossen
zijn en dat je het, zonder deze
te overwinnen, niet ver kunt brengen. Er bestaat dus geen plicht en
geen
roeping voor jou, je met gedachten (ideeën, waarheden) bezig te
houden; wil jij
het echter, dan zal je er goed aan doen om te gebruiken wat andere
krachten in de afhandeling van deze moeilijke
zaken al gepresteerd hebben.
Zo heeft dus hij, die wil
denken,
ongetwijfeld een taak die hij
zichzelf door dat willen bewust of onbewust oplegt; maar niemand heeft de taak te denken of te geloven. — In
het eerste geval kan men zeggen: je gaat
niet ver genoeg, je hebt een bekrompen en vooringenomen interesse,
dringt niet
tot op de bodem van de zaak door, kortom je maakt je niet helemaal van
hen
meester. Anderzijds echter, hoever je telkens ook zou willen komen, je
bent
toch altijd aan het einde, hebt geen roeping verder te gaan en je kunt
het
hebben, als je het wil of kan hebben. Zo is het ook
met een andere arbeid die je kunt opgeven als je de lust ertoe vergaat.
Als je
niet meer in iets kunt geloven, heb
jij jezelf niet te dwingen te geloven of je
voortdurend als met een heilige geloofswaarheid bezig
te houden,
zoals de theologen en filosofen doen, maar kan gerust jouw interesse
uit haar
terugtrekken en haar loslaten. De priesterlijke geesten zullen
ongetwijfeld dat
gebrek aan interesse als “luiheid, gedachteloosheid, verstoktheid,
zelfbedrog”
en dergelijke uitleggen. Maar laat die rotzooi toch maar liggen. Geen
enkele
zaak, geen zogenaamd “hoogste belang van de mensheid”, geen “heilige
zaak”, is
het waard dat jij haar dient en je ter
wille van jezelf daarmee afgeeft; haar waarde mag je alleen daarin
zoeken,
of ze het jou ter wille van jezelf
waard is. Word als de kinderen, vermaant de bijbelse spreuk. Maar
kinderen
hebben geen heilige interesse en weten niets van een “goede zaak” af.
Maar des
te beter weten ze waar hun zinnen naar staan en hoe ze dat kunnen
bereiken,
daar denken ze naar best vermogen over na.
Het denken zal net zomin
ophouden
als het ervaren. Maar de macht van de gedachten en ideeën, de
heerschappij van
de theorieën en principes, de opperheerschappij van de geest,
kortom de - hiërarchie bestaat alleen maar zolang
als de priesters, d.w.z. theologen, filosofen, staatslieden, filisters,
liberalen, schoolmeesters, bedienden, ouders, kinderen, echtelieden,
Proudhon’s, George Sand’s, Bluntschli’s, enz. enz. het hoogste woord
voeren; de
hiërarchie zal duren, zolang men in principes gelooft, denkt of ze
ook
bekritiseert: want zelfs de meest onverbiddelijke kritiek die alle
geldende
principes ondergraaft, gelooft
tenslotte toch in het principe.
Ieder bekritiseert, maar
het
criterium is verschillend. Men jaagt het “juiste”
criterium
na.
Dat
juiste criterium is het eerste
vooroordeel.
De criticus gaat van een stelling, een waarheid, een geloof, uit. Dat
is niet
een schepping van de criticus, maar van de dogmaticus, ja, het wordt
zelfs
gewoonlijk zonder meer uit de tijdgeest overgenomen, zoals bv. “de
vrijheid”,
“de menselijkheid”, enz. De criticus heeft niet “de mens gevonden”,
maar deze
waarheid is door dogmatici als “de mens” vastgesteld en de criticus,
die
overigens één en dezelfde persoon kan zijn, gelooft in
deze waarheid, deze
geloofsstelling. In dat geloof en bezeten door dat geloof, kritiseert
hij.
Het geheim van de kritiek
is een of andere “waarheid”: dat
blijft haar krachtgevend mysterie.
Maar ik maak een
onderscheid tussen dienstbare en eigen
kritiek. Kritiseer ik met het vooroordeel van een hoogste
wezen, dan dient mijn kritiek dat
wezen en wordt ter wille van hem gevoerd: ben ik bv. bezeten door het
geloof in
een “vrije staat”, dan kritiseer ik
alles wat daarop betrekking heeft vanuit
het standpunt of het met deze staat overeenkomt; want ik hou
van deze staat; kritiseer ik als een vrome, dan valt voor
mijzelf alles in goddelijk en duivels uiteen en de natuur bestaat voor
mijn
kritiek uit sporen van God of sporen van de duivel (vandaar die namen
als:
Gottesgabe, Gottesberg, Teufelskanzel, enz.), de mensen uit gelovigen
en
ongelovigen, enz.; kritiseer ik, omdat ik
in de mens als het “ware wezen” geloof,
dan valt voor mijzelf meteen alles in menselijk en onmenselijk uiteen.
De kritiek is tot op de
dag van
vandaag een liefdeswerk gebleven: want we beoefenden haar altijd uit
liefde tot
een wezen. Alle dienstbare kritiek is een liefdesproduct, een
bezetenheid en
handelt naar het nieuw-testamentische: “Onderzoek alle dingen en behoud
het goede.”
“Het goede” is de toetssteen, het criterium. Het goede onder
duizenderlei namen
wederkerend, bleef altijd het vooroordeel, bleef het dogmatische vaste
punt
voor deze kritiek, bleef de - idée fixe.
Onbevangen stelt de criticus, telkens wanneer hij weer aan het werk
gaat, de
“waarheid” voorop en in het geloof dat ze te vinden is, zoekt hij de
waarheid.
Hij wil het ware vertolken en heeft daar juist dat “goede” aan.
Vooronderstellen betekent niets anders dan een gedachte
vooraan plaatsen of iets voor al het andere indenken en
vanuit deze gedachte het overige
denken, d.w.z. het daaraan meten en kritiseren. Met andere woorden wil
dat
zoveel zeggen als dat het denken
met een gedachte moet beginnen. Zou het denken zomaar begonnen zijn, in
plaats
van begonnen te worden, dan zou het denken een subject zijn, een op
zichzelf
handelende persoonlijkheid, zoals de plant er al één is,
dan zou men er
ongetwijfeld van af moeten zien dat het denken met zichzelf zou moeten
beginnen. Alleen brengt deze personificatie van het denken juist die
talloze
dwalingen tot stand. In het hegeliaanse systeem wordt altijd gesproken
alsof
het denken of “de denkende geest” zou denken en handelen d.w.z. het
verpersoonlijkte denken, het denken als spook; in het kritisch
liberalisme heet
het voortdurend: “de kritiek” doet dat en dat of ook: het
“zelfbewustzijn”
vindt dat en dat. Geldt het denken echter als het persoonlijk
handelende dan
moet het denken zelf voorondersteld zijn, geldt de kritiek daarvoor,
dan moet
eveneens een gedachte voorop staan. Denken en kritiek zouden alleen
maar van
zichzelf uit werkzaam kunnen zijn, zouden zelfs de vooronderstelling
van hun
bezigheid moeten zijn, omdat ze zonder te zijn, niet bezig zouden
kunnen zijn.
Het denken echter, als het vooronderstelde, is een idée fixe,
een dogma: denken en kritiek zouden dus
alleen maar van een dogma d.w.z. van
een
gedachte, een idée fixe, een
vooroordeel, kunnen uitgaan.
We komen daarmee weer op het hierboven beweerde
terug,
dat
het
christendom uit een ontwikkeling van
een gedachtewereld bestaat of
dat
het de eigenlijke “gedachtevrijheid”
is, de
“vrije gedachte”, de
“vrije geest”. De “ware” kritiek, die ik de “dienstbare” noemde, is
daarom
eveneens “vrije” kritiek want ze is
niet mijn eigen.
Anders is het wanneer het jouwe niet tot een voorzichzelf-zijnde
gemaakt, niet verpersoonlijkt, niet als
een eigen “geest” verzelfstandigd wordt. Jouw denken heeft niet “het
denken” als
vooronderstelling, maar jijzelf. Maar zo vooronderstel
jij
jezelf
toch? Ja, maar niet mijzelf,
maar mijn denken. Vóór mijn denken
ben
—
ik. Daaruit volgt dat aan mijn denken
niet een gedachte
voorafgaat, maar dat mijn denken
zonder “vooroordeel” is. Want de
vooronderstelling die ik voor mijn denken ben, is geen door
het
denken
gemaakte, geen gedachte,
maar is het gestelde denken zelf,
is
de eigenaar van het denken
en bewijst alleen maar dat het
denken
niets meer is dan —eigendom, d.w.z. dat een “zelfstandig” denken,
een “denkende geest”, helemaal
niet bestaat.
Deze
omkering van de gangbare beschouwingswijze zou zo op een hol spel met
abstracties kunnen lijken dat zelfs diegenen, tot wie ze gericht
is, in deze
onschuldige omkering zouden berusten indien ze daar voor zichzelf geen praktische
gevolgen zouden aan vastknopen.
Om dat in
een beknopte uitdrukking samen te brengen, wordt nu
beweerd dat
niet de mens de maat van alles
is maar dat het ik die maat is.
De dienstbare criticus heeft een ander wezen, een idee, voor ogen dat hij wil dienen; daarom
slacht hij voor zijn God alleen maar de afgoden. Wat uit liefde
voor dat wezen gebeurt, wat zou dat anders dan een werk van de liefde
zijn? Ik echter heb, als ik
kritiseer,
niet eens Mezelf voor ogen, maar doe
Mezelf alleen
plezier, amuseer me naar mijn
smaak: ik kauw de zaak naar mijn behoefte of adem alleen zijn geur in.
Sprekender
nog zal het onderscheid tussen beide
zienswijzen blijken als men
bedenkt dat de dienstbare
criticus de zaak zelf denkt te dienen omdat de liefde hem leidt.
De
waarheid of “de eigenlijke waarheid” wil men niet
opgeven,
maar
zoeken. Wat is ze
anders dan het être suprème, het hoogste wezen?
Ook de “ware kritiek” zou moeten wanhopen als ze het geloof in de waarheid zou
verliezen. En toch is de waarheid alleen maar een – gedachte, maar niet
zomaar
één, maar ze is de gedachte die boven alle gedachten
uitgaat, de “absolute”, de
“heilige”gedachte. De waarheid houdt het langer uit dan alle goden;
want alleen
in haar dienst en uit liefde tot haar heeft men de goden en tot slot
zelfs de
god ten val gebracht. De waarheid overleeft de ondergang van de godenwereld
want ze is de onsterfelijke ziel
van deze vergankelijke godenwereld, ze is
de godheid zelf.
Ik wil antwoorden op de vraag van Pilatus: wat is
waarheid? Waarheid is de vrije
gedachte, de vrije idee, de
vrije geest, waarheid is wat van jou
vrij, van wat je niet eigen, wat niet in jouw macht
is. Maar waarheid is ook het volkomen
onzelfstandige,
onpersoonlijke,
onwerkelijke
en
onbelichaamde; waarheid kan niet
optreden zoals
jij optreedt, kan zich niet
bewegen, niet veranderen, niet
ontwikkelen; waarheid verwacht
en ontvangt alles van jou en is zelf alleen maar door jou: want
ze
bestaat alleen in – je hoofd. Je geeft toe dat de waarheid een gedachte
is,
maar niet iedere gedachte is een ware of zoals je het ook wel uitdrukt,
niet
iedere gedachte is waarachtig en werkelijk gedachte. En
waaraan meet je en herken je de ware gedachte? Aan jouw
onmacht, namelijk dat jij hem niet
meer kunt accepteren! Als hij je overweldigt, bezielt en voort sleurt,
dan hou
je hem voor de ware. Zijn heerschappij over jou documenteert jou zijn
waarheid
en als hij jou bezit en jij door hem bezeten bent, dan zit je bij hem
goed, dan
heb jij jouw – heer en meester
gevonden. Als je de waarheid zoekt waar verlangt jouw hart dan vurig
naar? Naar
jouw meester! Je streeft niet naar jouw macht,
maar naar de machtige en wil een machtige verhogen. (“Verhoog de heer,
onze
God!”) De waarheid, mijn beste Pilatus, is – de meester en allen die de
waarheid zoeken, zoeken en prijzen de meester. Waar bestaat de meester?
Waar
anders dan in je hoofd? Hij is alleen maar geest en waar je hem steeds werkelijk gelooft te zien daar is
hij een – spook; de meester is immers louter een gedachte en alleen de
christelijke angst en kwelling, het onzichtbare zichtbaar, het
geestelijke
lijfelijk te maken, brengt het spook voort en was de angstige ellende
van het
spokengeloof.
Zolang jij
in de waarheid gelooft, geloof jij niet in jezelf en ben je een – dienaar,
een – religieuze mens. Jij alleen
bent de waarheid of veel meer, jij bent meer dan de waarheid, die voor
jou
helemaal niets is. Natuurlijk vraag je ook naar de waarheid, natuurlijk
bekritiseer ook jij, maar je vraagt niet naar een “hogere waarheid” die
namelijk hoger zou zijn dan jij en kritiseert niet volgens een zodanig
criterium. Je maakt je druk om de gedachten-voorstellingen, net zoals
over de
verschijning van de dingen, alleen maar met het doel om ze hapklaar
genietbaar
en eigen te maken, je wil ze alleen maar bemachtigen en hun eigenaar
worden, wil
zich in hen oriënteren en er je thuis in voelen en beschouwt ze
als waar of
ziet ze dan in het ware licht als ze je niet meer kunnen ontglippen,
geen
ongevatte of onbegrepen plek meer hebben of wanneer ze voor jou juist
zijn,
wanneer ze je eigendom zijn. Worden ze later
weer moeilijker, ontwringen zij zich weer aan jouw macht, dan
is dat
juist hun onwaarheid, namelijk jouw onmacht. Jouw onmacht is hun macht,
jouw
nederigheid hun hoogheid. Hun waarheid ben jij dus of is het niets dat
jij voor
hen bent en waar zij in vervliegen, jouw waarheid is hun niet-heid.
Pas als mijn eigendom
komen de
geesten, de waarheden, tot rust en ze zijn pas dan werkelijk als ze aan
hun
treurig bestaan onttrokken en tot mijn eigendom gemaakt worden, wanneer
het
niet meer heet: de waarheid ontwikkelt zich, heerst, doet zich gelden,
de
geschiedenis (ook een begrip) zegepraalt en dergelijke. Nooit heeft de
waarheid
overwonnen, maar steeds was ze een middel voor de overwinning, zoals
het zwaard
(“het zwaard van de waarheid”). De waarheid is dood, een letter, een
woord, een
materiaal, dat ik kan gebruiken. De hele waarheid op zich is dood, een
lijk;
levend is ze alleen maar op dezelfde manier als mijn long levend is,
namelijk
in de mate van mijn eigen levendheid. De waarheden zijn materiaal zoals
kruid
en onkruid; of het kruid of onkruid is, daarover beslis ik.
Voor mijzelf zijn de
voorwerpen
alleen maar materiaal dat ik verbruik. Waar ik ook heen grijp, pak ik
een
waarheid die ik voor me klaar maak. De waarheid is voor mijzelf zeker
en ik
hoef haar niet meer te verlangen. De waarheid een dienst bewijzen is
nergens
mijn bedoeling; ze is voor mijzelf alleen voedingsmiddel voor mijn
denkend
hoofd, zoals aardappelen voor mijn verterende maag zijn, de vriend voor
mijn
gezellig hart. Zolang ik zin en kracht heb om te denken, dient elke
waarheid
mij er alleen toe om haar naar mijn vermogen te verwerken. Zoals voor
de
christen de werkelijkheid of wereldlijkheid, zo is voor mijzelf de
waarheid,
“ijdel en nietig”. Ze bestaat net zo goed als de dingen van deze wereld
bestaan
ofschoon de Christus hun nietigheid heeft aangetoond; maar ze is ijdel
omdat ze
haar waarde niet in zichzelf heeft,
maar in
mij. Voor zichzelf is ze
waardeloos. De waarheid is een -schepsel.
Zoals jullie door je
bedrijvigheid
ontelbare dingen tot stand brengen, ja, de aardbodem opnieuw inrichten
en
overal mensenwerken oprichten, zo kunnen jullie door jullie denken nog
talloze
waarheden opsporen en wij willen ons daar graag in verheugen. Zoals ik
me er
echter niet toe wil lenen om jullie pas ontdekte machine machinaal te
bedienen,
maar ze alleen voor mijn nut in gang wil helpen zetten, zo wil ik ook
jullie
waarheden alleen maar gebruiken zonder me voor hun verbreiding te laten
gebruiken.
Alle waarheden onder mijzelf zijn me lief; een waarheid boven
mij, een waarheid, waar ik mijzelf naar moet richten, ken ik
niet. Voor mijzelf bestaat er geen waarheid want boven mijzelf gaat
niets! Ook
niet mijn wezen, ook niet het
wezen van de mensen gaat boven mij! En weliswaar
boven
mij,
deze
“druppel in de emmer”,
deze “onbeduidende mens”.
Jullie
geloven het
uiterste
gedaan te hebben als jullie stoutmoedig beweren dat er, aangezien elke
tijd haar eigen waarheid heeft, geen
“absolute waarheid” bestaat. Daarmee laten jullie dan echter iedere
tijd haar
eigen waarheid en scheppen op deze wijze eigenlijk juist een “absolute
waarheid”, een waarheid die aan geen tijd ontbreekt, omdat elke tijd,
wat haar
waarheid ook is, toch een “waarheid” heeft.
Wil dat nu zeggen dat men in elke
tijd
gedacht, dus gedachten en waarheden heeft gehad en dat deze in de
daarop
volgende tijd andere waren dan in de vroegere? Nee, men moet zeggen dat
elke
tijd haar “geloofswaarheid” had en inderdaad is er nog geen geweest
waarin niet
een “hogere waarheid” werd aangenomen, een waarheid waar men zich als
“hoogheid
en majesteit” aan geloofde te moeten onderwerpen. Iedere waarheid van
een tijd
is de idée fixe ervan en wanneer men later een andere waarheid
vond, dan
gebeurde dat alleen maar omdat men een andere zocht: men hervormde
alleen de
dwaasheid, trok haar een modern kleed aan. Want men wilde toch — wie
zou aan de
rechtvaardigheid hiervan durven twijfelen? — men wilde door een “idee
bezield”
worden. Men wilde door een gedachte beheerst, - bezeten zijn. De
modernste
heerser van dit soort is “ons wezen” of “de mens”.
Voor alle vrije kritiek
was het
criterium een gedachte, voor de eigen kritiek ben ik het, ik, de
onzegbare,
daarom niet louter gedachte; want het louter gedachte is steeds zegbaar
omdat
woord en gedachte samenvallen. Waar is wat mijn is, onwaar dat wat mij
heeft;
waar is bv. de vereniging, onwaar de staat en de maatschappij. De
“vrije en
ware” kritiek zorgt voor de consequente heerschappij van een gedachte,
een
idee, een geest, de “eigen” alleen voor mijn zelfgenot. Daarin lijkt de
laatste
in feite – en we willen haar die “smaad” niet sparen! – op de dierlijke
kritiek
van het instinct. Mijzelf is het, net als de kritiserende dieren,
alleen om
mij, niet “om de zaak” te doen. Ik ben het criterium van de waarheid,
ik echter
ben geen idee, maar meer dan idee, dat wil zeggen onuitsprekelijk. Mijn
kritiek
is geen “vrije”, niet van mij en geen “dienstbare”, niet in dienst van
een
idee, maar mijn eigen.
De ware of
menselijke
kritiek
brengt
alleen naar buiten of iets met de mens, de
ware mens
overeenstemt; door de eigen kritiek zoek je uit of het met jou
overeenstemt.
De vrije kritiek
houdt
zich
met
ideeën bezig en is daarom steeds theoretisch. Hoe
ze ook tegen de ideeën tekeer gaat, ze komt toch niet van hen los.
Ze heeft het
aan de stok met de spoken, maar ze kan dat alleen omdat ze die zelf
voor spoken
houdt. De ideeën waarmee zij te maken heeft, verdwijnen niet
volledig: de
morgengeur blijft onverwezenlijkt omdat ze juist “idee” blijft en zal
blijven.
De criticus kan weliswaar
tot
ataraxie ten opzichte van de ideeën komen, maar hij komt er nooit
van los
d.w.z. hij zal nooit begrijpen dat boven de lijfelijke mens niet iets
hogers
bestaat, namelijk zijn menselijkheid, de vrijheid, enz. Er blijft voor
hem nog
altijd een “roeping” van de mens over, de “menselijkheid”. En deze idee
van de
menselijkheid blijft onverwezenlijkt omdat het juist “idee” blijft en
moet
blijven.
Vat ik daarentegen de idee als mijn idee op, dan is ze al
gerealiseerd
omdat
ik haar realiteit ben: haar
realiteit
bestaat daarin dat ik, de lijfelijke, ze heb.
Men zegt
dat in de wereldgeschiedenis zich de idee van de vrijheid
verwezenlijkt.
Omgekeerd, dit idee is reëel, zoals een mens het zich denkt en is
in die mate
reëel als ze idee is, d.w.z. als ik haar denk of heb. Niet de idee
van de
vrijheid ontwikkelt zich, maar de mensen ontwikkelen zich en
ontwikkelen in
deze zelfontwikkeling natuurlijk ook het denken.
Kortom, de criticus is
nog niet
eigenaar, omdat hij nog met de ideeën als met machtige vreemden
vecht, zoals de
christen niet de eigenaar van zijn “slechte begeerten” is zolang hij ze
te
bestrijden heeft: wie tegen de zonde vecht, voor hem bestaat de zonde.
De kritiek blijft
in de
“erkenningsvrijheid”, de geestelijke vrijheid, steken en
de
geest
krijgt
zijn echte vrijheid pas dan als hij zich met
het zuivere, het ware idee vult; dat is de denkvrijheid, die
niet zonder gedachten kan zijn.
De kritiek overwint de
ene idee
alleen maar door de andere bv. die van
het privilege door de mensheid of die van het egoïsme door de
belangeloosheid.
Eigenlijk treedt het begin van het
christendom weer in zijn
kritisch einde op omdat hier zowel
als daar het egoïsme bestreden wordt. Niet ik, de enkeling moet ik tot gelding brengen, maar de idee,
het algemene, moet ik tot gelding
brengen.
De oorlog van het priesterdom tegen het
egoïsme, de geestelijk
gezinde tegen de werelds gezinde, maakt
de inhoud van de hele christelijke geschiedenis
uit. In de nieuwste kritiek wordt deze oorlog alleen maar allesomvattend,
het fanatisme, volkomen. Natuurlijk kan hij
pas zo, nadat hij zich
uitgeleefd heeft en uitgewoed is, vergaan.
Of, wat ik
denk en doe, christelijk is, wat maakt mij dat nu uit? Of het
menselijk, liberaal, humaan of onmenselijk, illiberaal, inhumaan is, wat heb ik daar mee te maken?
Als het maar bedoelt wat ik wil, als ik me er
maar in bevredig, bedek het dan maar met etiketten zoveel
je wil: het is mij om het even.
Ook ik
verweer me
wellicht al in het eerstvolgende ogenblik tegen
mijn vorige gedachten, ook ik verander wel eens
plotseling mijn handelwijze; maar niet omdat ze niet
aan het christendom beantwoordt, niet omdat ze tegen de eeuwige
mensenrechten indruist, niet omdat ze de idee
van de mensheid,
menselijkheid en humaniteit in het gezicht slaat, maar — omdat ik er niet meer helemaal bij ben, omdat ze me
geen vol genot meer verschaft,
omdat ik aan de vroegere gedachte
twijfel of in de zojuist uitgeoefende handelwijze Mezelf niet meer
beval.
Zoals de
wereld als eigendom tot materiaal is geworden waarmee
ik
begin
wat
ik wil, zo moet ook de geest als eigendom tot
een materiaal bezinken waar
ik geen heilige vrees meer voor voel.
Allereerst zal ik dan niet
verder
meer
voor
een gedachte huiveren,
zij mag zo vermetel en “duivels” zijn als zij
wil, omdat, als ze mij
te lastig en onbevredigend zou dreigen te worden, haar einde in mijn
macht
ligt; maar ook zal ik voor geen daad meer terugschrikken
omdat er een geest van de goddeloosheid,
onzedelijkheid, onrechtmatigheid in woont, net zomin als de heilige
Bonifatius
van het omhouwen van de heilige heidense eiken uit religieuze
overweging wilde
afzien. Zijn de dingen van de wereld
eenmaal ijdel geworden, dan moeten ook de gedachten
van de geest ijdel worden.
Geen gedachte is heilig
want geen
gedachte gaat door voor “aandacht”, geen gevoel is heilig (geen heilig
vriendschapsgevoel, moedergevoel, enz.), geen geloof is heilig. Ze zijn
allemaal uiterlijk, mijn
veruiterlijkt eigendom en worden door mij
zowel vernietigd als geschapen.
De christen kan alle dingen of voorwerpen, de meest geliefde
personen, die “voorwerpen” van zijn liefde, verliezen, zonder zichzelf
d.w.z.
in christelijke zin, zijn geest, zijn ziel, verloren te geven. De
eigenaar kan
alle gedachten die zijn hart lief
waren en zijn ijver deden ontvlammen van zich afwerpen en zal ze
eveneens
“duizendvoudig weer herwinnen” omdat hij hun schepper blijft.
Onbewust en onwillekeurig
streven we
allen naar de eigenheid en er zal onder ons nauwelijks iemand zijn die
niet een
heilig gevoel, een heilige gedachte, een heilig geloof, heeft
opgegeven, ja, we
komen vast niemand tegen, die zich niet uit de één of
andere van zijn heilige
gedachten nog zou kunnen verlossen. Al onze strijd tegen overtuigingen
gaat van
de mening uit dat we in staat zijn de tegenstander uit zijn
gedachteverschansingen
te verdrijven. Maar wat ik onbewust doe, dat doe ik half en daarom word
ik na
elke overwinning weer de gevangene (bezetene) van een geloof
dat dan opnieuw mijn hele ik in dienst neemt en mijzelf tot
een dweper voor de rede maakt, nadat ik opgehouden ben met de bijbel te
dwepen,
of tot een dweper met de idee van de mensheid, nadat ik lang genoeg
voor die
van de christelijkheid heb gevochten.
Wel zal ik, als eigenaar
van de
gedachten, zo goed mogelijk mijn eigendom met het schild dekken zoals
ik als
eigenaar van de dingen niet iedereen gewillig laat toegrijpen; maar
tegelijkertijd zal ik glimlachend het einde van de slag tegemoet zien,
glimlachend het schild op de lijken van mijn gedachten en mijn geloof
leggen,
glimlachend triomferen wanneer ik verslagen ben. Dat is juist de humor
van de
zaak. Zijn humor op de kleingeestigheden van de mensen loslaten kan
iedereen
die “verhevener gevoelens” bezit; hem met alle “grote gedachten,
verheven
gevoelens, edele geestdrift en heilig geloof ” laten spelen, betekent
dat ik de
eigenaar van alles ben.
Heeft de religie de
stelling
verkondigd dat we ten enenmale zondaars zijn, dan stel ik daar een
andere
tegenover: wij zijn ten enenmale volmaakt! Want we zijn ieder ogenblik
alles
wat we kunnen zijn en hoeven nooit méér te zijn. Omdat er
aan ons geen gebrek
kleeft, heeft ook de zonde geen betekenis. Toon mij nog
één zondaar in de
wereld als niemand meer voor een hoger wezen iets heeft goed te maken!
Hoef ik
het alleen maar met Mezelf goed te maken, dan ben ik geen zondaar als
ik het
niet doe, omdat ik in mijzelf niets “heiligs” kwets; moet ik
daarentegen vroom
zijn, dan moet ik het met God goed maken, moet ik menselijk handelen,
dan moet
ik het met het wezen van de mensen, de idee van de mensheid, enz. goed
maken. Wat
de religie “zondaar” noemt, noemt de humaniteit “egoïst”. Maar
nogmaals, hoef
ik het niet met iemand anders goed te maken, is dan de “egoïst”
waar de
humaniteit een nieuwerwetse duivel in geboren ziet, niet meer dan een
onzinnigheid? De egoïst, waar de humanisten voor huiveren, is net zo goed
een spook als de duivel er één is: hij bestaat in hun
brein alleen maar als
angstspook, een fantasiegedaante. Zouden zij niet tussen de
oud-frankische
tegenstelling van goed en kwaad, die zij nu de moderne naam van
“menselijk” en
“egoïstisch” gegeven hebben, heen en weer drijven, dan zouden ze
ook niet de
grijs geworden “zondaar” tot “egoïst” hebben opgefrist en een
nieuwe lap op een
oud kleed hebben gezet. Maar ze konden niet anders want ze beschouwen
het als
hun taak “mens” te zijn. De goeden zijn ze kwijt, het goede is
gebleven!
We zijn volkomen volmaakt
en op de
hele aarde is niet één mens die een zondaar is! Er
bestaan waanzinnigen die
zich inbeelden God de vader, God de zoon, of het mannetje op de maan te
zijn en
zo wemelt het ook van gekken die denken zondaar
te zijn: maar zoals de enen niet het mannetje op
de maan zijn,
zijn de anderen ook geen zondaars. Je hebt ze alleen maar gedroomd.
Maar, merkt men als een
strikvraag
terloops op, dan is toch hun waanzin of bezetenheid minstens hun zonde.
Hun
bezetenheid is niets anders dan datgene
wat ze - tot stand konden brengen, het resultaat van hun
ontwikkeling,
zoals Luther’s geloof in de bijbel
alles was wat hij bij machte was te voorschijn te brengen. De
één brengt
zich door zijn ontwikkeling in een gekkenhuis, de andere in het
Pantheon en
verliest het - Walhalla.
Er bestaat geen enkele
zondaar en ook geen zondig egoïsme!
Ga van m’n
lijf met je “filantropie”! Sluip erin, jij
mensenvriend,
in de
“hel van de zonde”, verblijf een keertje in het gewoel van de grote
stad: zul
je niet overal zonde en zonde en nog
eens zonde vinden? Zul je niet jammeren over de verdorven
mensheid, niet
klagen over het kolossale egoïsme? Zul je een rijke zien zonder
hem
onbarmhartig en “egoïstisch” te vinden? Jij noemt je
wellicht al atheïst, maar het christelijke
gevoel dat
een
kameel eerder door het oog van een naald gaat dan dat een rijkaard geen
“onmens” is, blijf je trouw. Hoevelen zie jij eigenlijk die je niet
onder de
“egoïstische massa” schaart? Wat heeft dus jouw mensenliefde
gevonden? Louter
onvriendelijke wezens! En waar stammen ze allemaal van af? Van jou, van
jouw
filantropie! Jij hebt de zondaar in jouw hoofd meegebracht, daarom heb
je hem
gevonden, daarom heb je het hen overal in de schoenen geschoven. Noem
de mensen
geen zondaars, dan zijn ze het niet: jij alleen bent de schepper van de
zondaar: jij, die denkt de mensen lief te hebben, juist jij werpt ze in
het
slijk der zonde, juist jij scheidt hen in ondeugdzamen en deugdzamen,
in mensen
en onmensen, juist jij bezoedelt hen met het kwijl van je bezetenheid;
want
houdt niet van de mensen, maar van de
mens. Ik echter zeg je, jij hebt
nooit een zondaar gezien, jij hebt hem alleen maar gedroomd.
Het zelfgenot wordt door
mijzelf misleid
omdat ik denk een ander te moeten dienen, omdat ik iets verplicht denk
te zijn,
omdat ik me tot “opoffering”, “onderwerping”, “geestdrift” geroepen
voel.
Welaan, dien ik geen idee, geen “hoger wezen” meer, dan blijkt vanzelf
dat ik
ook geen mens meer dien, maar — onder alle omstandigheden —Mezelf.
Zo
ben
ik
echter niet louter voor de daad of het zijn, maar
ook voor mijn bewustzijn — de enige.
Jou komt meer toe dan het
goddelijke, het menselijke, enz.,
jou komt het jouwe toe.
Beschouw
je als
machtiger dan
waarvoor men je uitgeeft, dan heb je meer macht, beschouw je als meer
en je
hebt meer.
Jij bent dan niet louter geroepen tot al het Goddelijke, gerechtigd
tot al het menselijke, maar eigenaar
van het jouwe d.w.z. al datgene
waartoe jij de kracht bezit het je
eigen te maken d.w.z. jij bent geschikt
en bevoegd voor al het jouwe.
Men heeft altijd gedacht
om mij een
buiten mijzelf liggende bestemming te moeten geven zodat men op het
laatst van
mij eiste dat ik het menselijke in aanspraak moest nemen omdat ik —
mens ben.
Dat is de christelijke tovercirkel. Ook het ik van Fichte is hetzelfde wezen buiten mijzelf want ik
is iedereen en heeft alleen recht op dat ik, dus is het “het ik”, ik
ben het
niet. Ik ben echter geen ik naast andere ikken, maar het alenige ik: ik
ben
enig. Daarom zijn ook mijn behoeften enig, mijn daden, kortom alles aan
mijzelf
is enig. En alleen maar als dit enig ik, maak ik mijzelf alles eigen,
omdat
alleen ik maar als zodanig mijzelf bezig houd en ontwikkel: niet als
mens en
niet als de mens ontwikkel ik, maar als ik, ontwikkel ik — mijzelf.
Dit is de betekenis van
de — enige.
III
De
Enige
De voorchristelijke en
christelijke tijd jagen een
tegenovergesteld doel na; de één wil het
reële
idealiseren,
de
ander wil het
ideale realiseren, de één zoekt de “heilige
geest”, de ander het
“verheerlijkte lichaam”. Daarom eindigt de één met de
ongevoeligheid voor het
reële, met de “wereldverachting”, de ander met het verwerpen van
het “ideale”,
met de “verachting van de geest”.
De tegenstelling tussen
het reële en
ideale is een onverzoenlijke en het ene kan nooit het andere worden:
zou het
ideale reëel worden, dan zou het juist niet meer het ideale zijn
en zou het
reële ideaal worden, dan zou alleen het ideale, maar het
reële echter helemaal
niet bestaan. De tegenstelling tussen beide is niet anders te
overwinnen dan
wanneer men beiden vernietigt. Alleen maar in deze “men”, de derde,
vindt de
tegenstelling haar einde; anders dekken idee en realiteit elkaar nooit
meer. De
idee kan niet zo gerealiseerd worden, dat ze idee blijft, maar alleen
wanneer
ze als idee sterft en net zo is het met het reële.
Nu hebben we met de ouden
aanhangers
van de idee, met de nieuwen aanhangers van de realiteit voor ons.
Beiden raken
niet van de tegenstelling los en snakken alleen maar, de
één naar de geest en
toen deze drang van de oude wereld bevredigd en deze geest gekomen leek
te
zijn, de anderen dadelijk weer naar de verwereldlijking van die geest,
die voor
altijd een “vrome wens” moet blijven.
De vrome wens van de
ouden was de
heiligheid, de vrome wens van de nieuwen is de lijfelijkheid.
Zoals echter de oudheid moest ondergaan toen haar
hunkering bevredigd zou worden (want het bestond alleen maar in de
hunkering),
kan de lijfelijkheid ook nooit meer binnen de kring van de
christelijkheid tot
stand komen. Zoals de trek van de heiliging of reiniging door de oude
wereld
gaat (de wassingen, enz.), gaat die van het lijfelijk worden door de
christelijke: de God daalt neer op deze wereld, wordt vlees en wil haar
verlossen
d.w.z. met zich vullen; omdat hij echter “de idee” of “de geest” is,
voert men
(bv. Hegel) tot slot de idee in alles, in de wereld in en bewijst, “dat
de
idee, de rede, in alles is”. Aan datgene, wat de heidense
stoïcijnen als “de
wijze” voorstelden, beantwoordt in de huidige beschaving “de mens”: de
laatste
zoals de eerste een - vleesloos
wezen. De onwerkelijke “wijze”, deze lijfloze “heilige” van de
stoïcijnen, werd
een werkelijke persoon, een lijfelijke “heilige”, in de vleesgeworden
God; de onwerkelijke “mens”, het lijfloze ik, zal
werkelijk worden in het lijfelijke
ik, in mij.
Doorheen het christendom
slingert
zich de vraag naar het “bestaan van god”, die steeds en steeds weer
gesteld,
ervan getuigt dat de drang naar
het bestaan, de lijfelijkheid, de persoonlijkheid, de werkelijkheid,
onophoudelijk het gemoed bezig
hield omdat ze nooit een bevredigende oplossing vond. Uiteindelijk viel
de
vraag naar het bestaan van God, maar alleen om weer op te staan in de
stelling
dat het “goddelijke” bestaat (Feuerbach). Maar ook dat bestaat niet en
de
laatste toevlucht, dat het “zuiver menselijke” realiseerbaar is, zal
ook niet
lang meer bescherming verlenen. Geen enkele idee bestaat, want geen is
tot
lijfelijkheid in staat. De scholastieke strijd van het realisme en het
nominalisme heeft dezelfde inhoud; kortom, deze weeft zich door de hele
christelijke geschiedenis heen en kan niet in
haar eindigen.
De christelijke wereld
werkt eraan
om de ideeën in de afzonderlijke
verhoudingen van het leven, in de instellingen en wetten van de kerk en
van de
staat te realiseren; maar ze
verzetten zich en houden altijd iets onverlijfds (onrealiseerbaars)
achter. Hoe
rusteloos het niettemin op deze belichaming los gaat, hoe meer ook de lijfelijkheid uitblijft.
Het is de realiserende
weinig aan de
realiteiten gelegen, er echter alles aan gelegen dat het
verwerkelijkingen van
de idee zijn; daarom onderzoekt hij steeds opnieuw of in het
verwerkelijkte in
waarheid de idee, zijn kern, woont en terwijl hij het werkelijke
toetst,
toetst
hij
tegelijkertijd de idee of ze
zoals hij ze denkt, realiseerbaar is of door hem alleen maar onjuist en
daarom
onuitvoerbaar beschouwd wordt.
Als bestaanden zullen de
christenen
zich over familie, staat, enz. geen zorgen meer maken; niet zoals de
ouden,
moeten de christenen zich voor deze “goddelijke dingen” opofferen, maar
deze
dingen moeten alleen maar gebruikt worden om in hen de geest levend te maken. De werkelijke familie is
hem onverschillig geworden en een ideale, die dan de
“waarachtig reële” is,
moet uit haar ontstaan, een heilige, door God gezegende of volgens
liberale
denkwijze, een “redelijke”. Bij
de ouden is familie, staat, vaderland, enz. een
voorhanden goddelijks; bij de nieuwen,
verwacht
het eerst de
goddelijkheid, is als
voorhandene alleen maar zondig, aards en moet
eerst “verlost” d.w.z. waarachtig
reëel worden. Dat heeft de volgende
betekenis: niet de familie,
enz.
is het
voorhandene en reële, maar het goddelijke,
de idee, is voorhanden en werkelijk; of deze familie door opname van het waarachtige
werkelijke,
de
idee,
zich
werkelijk zal maken, valt nog te bezien. Het is niet
de taak van
de enkeling om de familie als het goddelijke te dienen, maar
omgekeerd,
het goddelijke te dienen en de nog ongoddelijke familie er aan toe te
voegen, d.w.z.
in naam van de idee alles te onderwerpen, de banier van de idee overal
te
planten, de idee tot reële werkzaamheid te brengen.
Daar het
echter het christendom, net als de oudheid, om het goddelijke te
doen is, komen ze er langs tegenovergestelde wegen
steeds
weer
op uit. Aan het einde van het heidendom werd het goddelijke tot het buitenwereldlijke, aan het einde van het
christendom tot binnenwereldlijke.
Het helemaal buiten de wereld te plaatsen, lukt de oudheid niet en als het christendom deze taak volbrengt,
verlangt ogenblikkelijk het goddelijke weer vurig naar de wereld terug
en wil
haar “verlossen”. Maar binnen het christendom komt en kan het er niet
toe komen dat het goddelijke
als binnenwereldlijks,
werkelijk het wereldlijke zelf
wordt: er blijft genoeg over dat
zich als het “slechte”, “onzedelijke”,
“toevallige”, “egoïstische”, gedraagt en moet gedragen als het in een slechte betekenis
ondoordrongen “wereldse”. Het christendom begint met de menswording van
God en
het drijft zijn bekerings- en verlossingswerk altijd door om voor de
opname van
God in alle mensen en al het menselijke
te zorgen en alles met de geest te doordringen: het blijft erbij
om voor
de “geest” een plaats te bereiden.
Toen uiteindelijk het
accent op de
mens of de mensheid gelegd werd, was het weer de idee die men “eeuwig uitsprak”: “De mens sterft niet!”
Men dacht nu de realiteit van de idee gevonden te hebben. De
mens is het ik van de geschiedenis, van de wereldgeschiedenis;
hij, deze ideale, is het die zich werkelijk ontwikkelt, d.w.z. realiseert. Hij is de werkelijke reële,
lijfelijke, want de geschiedenis is zijn lichaam waaraan de enkelingen
alleen
maar ledematen zijn. Christus is het ik van de wereldgeschiedenis,
zelfs van de
voorchristelijke; volgens het moderne inzicht is het de mens, het
christusbeeld
heeft zich tot een mensbeeld
ontwikkeld: het is de mens als zodanig,
de mens is bij uitstek het
“middelpunt” van de geschiedenis. In
“de mens” keert het imaginaire
begin terug; want “de mens” is zo imaginair als Christus het is. “De mens”, als ik van de
wereldgeschiedenis, sluit de cyclus van de christelijke beschouwingen.
De toverkring van de
christelijkheid
zou verbroken zijn als de spanning tussen
bestaan en roeping, d.w.z. tussen mijzelf zoals ik ben en mij, zoals ik
moet
zijn, zou ophouden; ze bestaat alleen maar als de
hunkering van de idee naar haar lijfelijkheid en verdwijnt met
verslappende scheiding van beiden:
alleen als de idee — idee
blijft, zoals de mens of de
mensheid een lijfloos idee is,
is de christelijkheid nog voorhanden.
De lijfelijke idee, de
lijfelijke of “voleindigde” geest, zweeft de christen als het “einde
der
dagen” voor ogen of als het
“doel van de geschiedenis”; hij is voor
hem niet het tegenwoordige. De enkeling kan alleen maar deelhebben aan de stichting van het Godsrijk of volgens de moderne voorstelling van
dezelfde zaak, aan de ontwikkeling en geschiedenis van de mensheid en
alleen
maar voor zover hij daar deel
aan neemt, komt hem een christelijke of, volgens de moderne
uitdrukking,
menselijke waarde toe, voor het
overige is hij stof en een zak
met maden.
Dat de enkeling
op zichzelf een
wereldgeschiedenis is en aan de overige wereldgeschiedenis zijn
eigendom heeft,
gaat het christelijke
bevattingsvermogen te boven. Voor de christen is de wereldgeschiedenis
het
hogere omdat ze de geschiedenis van Christus of “van de mens” is; voor
de
egoïst heeft alleen zijn geschiedenis
waarde, omdat hij alleen zichzelf wil
ontwikkelen, niet de mensheid-idee, niet het plan Gods, niet de bedoelingen
van
de
voorzienigheid, niet de vrijheid
en dergelijke. Hij beschouwt zich niet als een werktuig
van
de
idee
of een wapen van God, hij erkent geen roeping, hij
denkt niet voor de verdere ontwikkeling van de mensheid te bestaan en
zijn
scherfje daartoe te moeten bijdragen, maar hij leeft zich uit, er
onbezorgd
over hoe goed of slecht het de
mensheid daarbij vaart. Zou het niet het misverstand toelaten, als zou hier een natuurtoestand aangeprezen
worden, dan zou men aan de “drie zigeuners” van Lenau kunnen
herinneren. Wat,
ben ik op de wereld om ideeën te realiseren? Om misschien ter
verwezenlijking
van de idee “staat”, door mijn burgerschap, het mijne te doen of door
de
echt,
als
echtgenoot
en vader, de idee
van de familie te verwezenlijken? Wat gaat mij zo’n roeping aan! Ik
leef net
zomin volgens een roeping als de
bloem volgens een roeping groeit en geurt.
Het ideaal
“de mens” is gerealiseerd als de
christelijke beschouwing verandert in de stelling: “Ik, deze enige, ben de mens.” De vraag naar
het begrip: “Wat is de mens?” — heeft
zich dan in de persoonlijke
vraag omgezet: “Wie is de mens?” Bij
“wat” zocht men het begrip om
hem te realiseren; bij “wie” is
het helemaal geen vraag meer, maar het antwoord
is in het vragende meteen voorhanden: de vraag beantwoordt
zichzelf.
Men zegt
van God: “Namen drukken u niet uit”. Dat geldt
nu voor mij: geen begrip drukt mij
uit,
niets,
van
wat men
als mijn wezen aangeeft, drukt me
helemaal uit; dat zijn maar
namen. Zo zegt men ook van God dat hij volmaakt is en dat hij geen roeping heeft om volmaaktheid na te
streven. Ook dat geldt alleen
voor mij.
Eigenaar ben ik van mijn macht en
ik ben dat omdat ik me van mijn enigheid
bewust ben. In de enige keert de eigenaar zelf terug in zijn scheppend
niets,
waaruit hij geboren werd. Elk hoger wezen boven mij, of het God, of de
mens is,
verzwakt het gevoel van mijn enigheid en verbleekt pas voor de zon van
dat
bewustzijn. Stel ik op mij, de enige, mijn zaak, dan staat
ze
op het vergankelijke, de sterfelijke schepper van zichzelf, die
zichzelf verteert
en ik mag zeggen:
Ik heb mijn zaak op niets
gesteld.
Nawoord
Der
Einzige und sein Eigentum
verscheen in de periode tussen de revoluties van
1830 en 1848. Een periode waarin vanuit de theologie en de filosofie
een poging
ondernomen werd om de bestaande machtsverhoudingen in vraag te stellen.
Hegel,
die door middel van zijn speculatieve filosofie een aantal centrale
punten van
de christelijke geloofsleer ter discussie had gesteld, kon volgens de
jonghegelianen als springplank fungeren bij het formuleren van een meer
algemene maatschappijkritiek. Ze gingen weliswaar op een kritische
manier met
Hegel om, maar lieten toch een aantal van zijn centrale concepten en
uitgangspunten onaangeroerd. We zullen in dit nawoord kort ingaan op
het
jonghegelianisme en Bruno Bauer in het bijzonder om nadien inzicht te
krijgen
in de kritiek die Stirner op zijn tijdgenoten formuleerde. Het subtiele
gevoel
voor ironie waarvan Stirner zich bediende, wordt daardoor niet alleen
inzichtelijk gemaakt, maar zal ook naar voren treden als
één van de centrale
elementen die de actualiteit van zijn denken uitmaken. Dit nawoord
schetst deze
problematiek door een minutieuze ontmanteling van Stirners opzet, maar
wil
geenszins afbreuk doen aan interpretaties die ook na het lezen van deze
tekst
mogelijk blijven.
De
jonghegelianen: theologie en maatschappijkritiek
De
jonghegelianen formuleerden een kritiek op het
samenspel van absolutistische staatsmacht en religieus dogmatisme.
Aanvankelijk
legden ze de nadruk op een kritiek van de “personele macht”, die
volgens hen al
eeuwenlang gelegitimeerd werd door de christelijke notie van het
“soevereine
individu”, die op haar beurt dan weer voortvloeide uit de “absolute
soevereiniteit van God”.[42]
Aangezien Hegel de personele God van het christendom
vervangen had door
een immanente God (“de Geest”) kon door een pantheïstische lezing
van zijn werk
kritiek geleverd worden op de heersende politieke en maatschappelijke
verhoudingen.
Dit debat werd in eerste
instantie gevoerd via een kritiek van de christelijke notie van de
“persoonlijke onsterfelijkheid”.
Tegenover de personele God van het protestantisme en haar
“egoïstische” notie
van het “individuele zielenheil”, plaatste de jonge Ludwig Feuerbach de
hegeliaanse notie van “de liefde” als wezens-kenmerk van de relatie
tussen God
en de mens (Gedanken über Tod und
Unsterblichkeit, 1830). Net zoals David Friedrich Strauss de
“menselijke
soort” als de incarnatie van de verhouding tussen menselijke
sterfelijkheid en
goddelijke oneindigheid benaderde (Das
Leben Jesu, 1835), was de mens volgens Feuerbach sterfelijk, maar
“de
liefde” eeuwig.
Zolang die “universaliteit”
echter op een personele God geprojecteerd werd, bleef de “menselijke
soort”
overgeleverd aan een verstikkend egoïsme (Das Wesen des Christentums, 1841).
In tegenstelling tot Strauss, die geen directe politieke conclusies
trok uit
zijn theologische stellingen, waagde Feuerbach zich wel aan een
schuchtere
maatschappijkritiek. Het concrete individu, dat bij Hegel nog
ondergeschikt was
aan het denken, werd bij Feuerbach slechts “aan de grens van zijn eigen
individualiteit” drager van de “menselijke essentie”. De
“menselijke essentie” was niet langer een “idee”, maar een objectieve
realiteit
die binnen intermenselijke relaties gerealiseerd werd (Vorläufige
Thesen
zur
Reformation
der Philosophie, 1843 en Grundsätze
der
Philosophie der Zukunft,
1843).
Feuerbachs kritiek liep daardoor uit in een communautaristisch denken
waarbinnen de individuele relatie tussen personen en eigendom
gelijkgeschakeld
werd aan “egoïsme”.
Een
fundamentele kritiek van de private eigendom stond
echter haaks op het hegeliaanse denken aangezien de menselijke
persoonlijkheid
of vrijheid net door de eigendom geobjectiveerd werd en de concrete
aanwending
ervan op haar beurt gereguleerd werd door het “abstracte recht”, de
“moraal” en
uiteindelijk de “zedelijkheid”. Als hoogste veruiterlijkingsvorm van de
“zedelijkheid” was de staat de laatste, concrete verwezenlijking van de
idee
“vrijheid” in de concrete werkelijkheid. Eigendom was volgens Hegel een
maatschappelijke relatie waarbinnen de menselijke persoonlijkheid zich
door de
erkenning van anderen voor de eerste maal manifesteerde in een
objectieve,
zintuiglijke vorm (Grundlinien der
Philosophie des Rechts,
1821). Eduard Gans bekritiseerde bijvoorbeeld de bestaande
eigendomsverhoudingen, maar kantte zich tegelijkertijd tegen de
afschaffing van
het eigendomsrecht aangezien dat volgens hem de fundamenten van de
“zedelijkheid” zou aantasten.
Vanuit
een
kritiek op de christelijke notie van de
“onsterfelijkheid van de ziel” bracht Moses Hess zijn
pantheïstisch denken –
onder invloed van het Franse socialisme – wel in verband met het
principe van
de “gemeenschap van goederen” (Die
heilige Geschichte der Menschheit, 1837 en Die
europäische Triarchie, 1841). Deze
eigendomsverhoudingen zouden pas ontstaan wanneer “de mensheid” zich in
haar
“sociaal leven” zou herkennen als de incarnatie van het “goddelijke” of
het
“algemene”. Het was ironisch genoeg de radicalisering – of
ridiculisering – van
de Baueriaanse kritiek op de pantheïstische Hegel-lezingen die
Stirner nadien
in staat zou stellen om een veralgemeende kritiek op het
jonghegelianisme te
formuleren.
Bruno
Bauer en “de verovering van het egoïsme”
Bruno
Bauer
ontwikkelde
een
projectietheorie waarbinnen
hij zijn concept van “het filosofische of creatieve oneindige
zelfbewustzijn”
aan Hegels filosofie van de subjectieve geest toeschreef en afzette
tegen de
pantheïstische lezingen van Strauss en Feuerbach (Posaune des jüngsten Gerichts
(1841), Hegels Lehre von der Religion und
Kunst (1842). De eenheid tussen de menselijke en goddelijke
essentie vatte
hij weliswaar – net als Strauss en Feuerbach – op als zijnde immanent
in de
geschiedenis, maar “het filosofische of creatieve oneindige
zelfbewustzijn”
werd als de volgende stap in een dialectische ontwikkeling beschouwd. Hegel
had de substantie als het “pure universele” beschouwd dat het
“particuliere”
absorbeerde en dit “spinozistische moment” werd door Feuerbach
aangegrepen om
de substantie los te koppelen van het menselijke bewustzijn.
Bauer daarentegen, beschouwde het
“universele” als
de immanente geschied-enis van het zelfbewustzijn. Het “universele” was
het
rationele concept en het particuliere de belichaming ervan. Het
universele werd
dus objectief door het particuliere in zichzelf op te nemen terwijl het
particuliere de uitdrukkingsvorm van een hoger principe werd. Het
oneindige
zelfbewustzijn ontwikkelde zich daardoor dialectisch en vereiste dat
het
individu zich de vrijheid als een universeel principe eigen zou maken
en los
zou komen van alles wat hem vervreemde.
Toegang tot het universele was een intellectuele aangelegenheid
waarbinnen het
eindige bewustzijn omgezet werd in de veruiterlijkingsvorm van de
rationele
idee van vrijheid als universaliteit. De eenheid tussen het individuele
en het
universele was dus slechts een historische mogelijkheid. Het individu
moest
eerst potentieel universeel worden en de objecten moesten verschijnen
als een
orde die beantwoordde aan het streven van het individu naar rationele
vrijheid.
De volgende stap was het omzetten van de substantie in de concrete
acties van
het zelfbewustzijn. Substantie was in zekere zin slechts een abstracte
universaliteit die uiteindelijk concreet gemaakt werd. De omzetting van
de
substantie veranderde deze abstracte universaliteit in de concrete
universaliteit van het individu. Subjectiviteit bezat universaliteit
aangezien
het zelfbewustzijn een innerlijke en subjectieve universaliteit was.
Het
individuele bewustzijn werd uiteindelijk universeel zelfbewustzijn en
vormde de
ultieme synthese van het universele en het particuliere waardoor het
volgens
Bauer letterlijk “de verovering van het egoïsme” inhield.
Het religieuze bewustzijn liet daarentegen het universele en het
particuliere
naast elkaar bestaan, waardoor particuliere belangen gelegitimeerd
werden
vanuit een abstracte universaliteit. De religieuze toe-eigening van het
universele leverde de maatschappij daardoor over aan egoïsme.
Het ontkende immers het universele karakter van het zelfbewustzijn en
projecteerde dit als een abstracte, transcendente universaliteit op
talloze
particuliere belangen.
Het religieuze bewustzijn ontkende de mogelijkheid van het individu om
op eigen
kracht tot het universele te komen. De valse universaliteiten zoals de
absolutistische staat en de fetisjistische objecten van de religie,
overstegen
de macht van het individu, maar alle pogingen om vrijheid te funderen
vanuit
particuliere belangen waren irrationeel en daardoor gedoemd om te
verdwijnen.
Het oneindige zelfbewustzijn, dat gelijkstond aan zowel vrijheid als
menselijkheid, zou uiteindelijk zowel de substantie als het
“transcendente
absolute” in zichzelf oplossen. Het absolute oversteeg het religieuze
bewustzijn en werd op haar beurt door de kritiek van het individuele
bewustzijn
opgelost.
Het
universele “zegevierde” daardoor letterlijk over het “egoïsme”.
De substantie was cruciaal binnen de relatie van het kritisch
zelfbewustzijn
tot zichzelf, aangezien de universele substantie het voor het
zelfbewustzijn
mogelijk maakte om het individuele particularisme te overstijgen. Bauer
onderschreef dan ook de stelling van Hegel dat de concrete menselijke
persoonlijkheid of vrijheid in eerste instantie gebaseerd was op
private
eigendom. Als een immanente subjectieve universaliteit was het
kritische
zelfbewustzijn ook de motor van de geschiedenis en gekant tegen zowel
het
liberalisme als het socialisme.
Volgens
Bauer
was
een
amorfe massa ontstaan na de Franse
Revolutie die gekenmerkt werd door particuliere belangen en elke
kritiek van de
bestaande orde onmogelijk maakte. Tegenover het liberalisme en
socialisme, als
veruiterlijkingsvormen van deze massa, plaatste Bauer zijn eigen notie
van de
“Republiek”.Het liberalisme vertaalde
“vrijheid” immers in “eigenbelang” of “particularisme”, wat in
tegen-spraak was
met zijn hegeliaanse notie van de “universele vrijheid”. Het
“socialisme”
redeneerde eveneens vanuit een welbepaald particularisme aangezien “het
proletariaat” zich volgens Bauer evenmin universele pretenties kon
aanmeten. De
“Republiek” zou daarentegen pas tot stand komen nadat het
"egoïstische
atomisme" werd uitgeschakeld door “het morele zelfbewustzijn". De
“individuele vrijheid” was dus het product van de “autonomie” die we
kunnen
opvatten als Bauers eigen invulling van Hegels notie van “de wil”.
Autonomie was dus een compromisloos streven naar “vrijheid” dat
enerzijds alle
“particuliere belangen” van zich afwierp en zich anderzijds afzette
tegen
transcendente begrippen, religieuze en politieke autoriteiten, die
zichzelf
buiten het zelfbewustzijn -en de geschiedenis- plaatsten.
Vanuit die invalshoek keerde Bauer zich in 1843 onder meer tegen de
emancipatie
van de Pruisische joden. Op basis van hun "particularistische eisen”
konden ze volgens hem geen aanspraak maken op politieke rechten (Die Judenfrage, 1843). Dit vraagstuk
werd door de jonge Marx aangegrepen om zowel een kritiek van het
politieke
liberalisme als van Bauer zelf te maken, maar wel nog steeds via een
gelijkschakeling van het christendom – en het beginsel van het
soevereine
individu – aan “egoïsme” (Zur Judenfrage,
1843). In zijn dissertatie over Epicurus en Democritus had Marx reeds
een
“transformatieve methode” (de mens als subject en het denken als
predicaat)
gebruikt die gelijkliep aan die van Feuerbach en verbonden was met een
kritiek
van het zogenaamde “abstracte individuele zelfbewustzijn”. In
zijn Zur Kritik der Hegelschen
Rechtsphilosophie (1843) plaatste hij Hegels opvattingen rond de
constitutionele monarchie uiteindelijk op één lijn met de
absolutistische staat
en haar notie van het “soevereine individu”. In die zin kunnen we Zur Judenfrage als een uitbreiding van
die kritiek tot het Baueriaanse concept van “de Republiek” begrijpen.
Hij was
ten aanzien van Bauer niet alleen van object veranderd, de zogenaamde
“atheïstische staat” was volgens Marx zelfs gewoon de politieke
verwezenlijking
van het christendom. Zoals
volgens Feuerbachs transformatieve methode de mens achter de religie
schuilging, ging voor Marx de maatschappij schuil achter de staat en
was ze de
bron van “aliënatie” en “egoïsme”. Net zoals bij Feuerbach
was het echter
onvoldoende om beide met elkaar te laten samenvallen zolang de mens nog
als
“atomair” subject gedacht werd, aangezien die net het product was van
de
initiële inversie van de predikaten en het subject. Daartegenover
plaatste hij
– in navolging van Feuerbach – de mens als “soortwezen” en formuleerde
hij –
door een herdefiniëring van het hegeliaanse concept van de
“aliënatie” – ook een
kritiek van de private eigendom. Vanaf 1843 begon Marx het christelijke
soevereiniteitsbeginsel dus niet zozeer als een oorzaak van politiek en
maatschappelijk egoïsme te denken, dan wel als een ideologische
constructie ter
legitimatie van die verhoudingen. Door de religie gaandeweg tot een
ideologische constructie te herleiden, begon hij zich steeds verder te
verwijderen van de jonghegeliaanse kritiek van de religie/de
“christelijke
staat” (Bauer) en keerde hij zich vanaf 1843 tegen “die
Freien” en Bauer in het bijzonder. De notie “egoïsme” zoals ze
door de werken van Feuerbach, Bauer en Marx ontwikkeld werd, laat toe
om dieper
in te gaan op deze verhouding. Hegel had de “burgerlijke maatschappij”
in
verband gebracht met het zogenaamde “atomisme” (individualisme), waarna
deze
stelling door zowel Feuerbach, Marx als Bauer haast letterlijk werd
overgenomen
en gekoppeld aan een kritiek van de religie.Aangezien het jodendom de
natuur zogezegd herleid had tot een object van “eigenbelang”,
beschouwde
Feuerbach het “egoïsme” als het basisprincipe van de joodse
godsdienst. De
stellingname van Hegel, dat het jodendom de natuur niet als de
belichaming van
het “goddelijke” beschouwde, werd daardoor drastisch geradicaliseerd. Het
“egoïsme” was volgens Feuerbach echter niet het product van de
religie, maar
door de religie werd het “joodse egoïsme” als het ware
gelegitimeerd.
Binnen het christendom werd het egoïsme nadien gespiritualiseerd
en het
verlangen naar “aardse gelukzaligheid” vervangen door een verlangen
naar
“hemelse zaligheid”.
Volgens Bauer waren de joden daarom nog verder van de “vrijheid”
verwijderd dan
de christenen en “voelden ze zich in het egoïsme geborgen”.Marx verweet Bauer
daarentegen, dat de zogenaamde “politieke emancipatie” die hij
voorstond,
“mensen” herleidde tot leden van de “burgerlijke maatschappij” en dus
tot
“egoïstische mensen”.
Wanneer Marx het over het doorbréken van de theologische
benadering van het
“joodse vraagstuk” had, dan bedoelde hij eigenlijk dat het
“egoïsme” als
“maatschappelijk element” overwonnen moest worden alvorens het jodendom
zelf
opgeheven werd. Dat
is de laatste consequentie van de redenering die eerder al door
Feuerbach in
meer theologische termen ontwikkeld
werd. De kritiek van het “egoïsme” had dus strikt morele
connotaties en
ontleende bovendien elementen aan het christelijke antisemitisme. Het
is binnen deze context dat Stirner de term “egoïsme” lanceerde in Der Einzige und sein Eigentum.
Max
Stirner in de aanloop naar Der Einzige
und sein Eigentum
Max
Stirner
werd op 25 oktober 1806 geboren in Bayreuth
als Johann Caspar Schmidt en studeerde aan de universiteiten van
Berlijn,
Erlangen en Königsberg. In Berlijn volgde hij o.a. de hoorcolleges
van Hegel en
Schleiermacher. Tussen 1839 en 1844 was hij leraar Duits, geschiedenis
en
literatuur, maar maakte hij ook deel uit van “die Freien”, een losse groep van leraren,
studenten en journalisten die elkaar ontmoetten in een wijnbar aan de
Friedrichstrasse. Na Der
Einzige und sein Eigentum hernam Stirner zijn voornaamste
argumenten in Rezensenten Stirners (1845) en Die philosophische Reaktionäre (1847). Vanaf
1847 leidde Stirner een armtierig bestaan en sloot zich af van de
gebeurtenissen en ontwikkelingen van zijn tijd. Zo schijnt de revolutie
van
1848 aan hem voorbij te zijn gegaan. Wel vertaalde Stirner nog een
aantal
economische werken in het Duits, zoals de geschriften van Adam Smith
(1723-1790) en Jean-Baptiste Say (1767-1832). Na enkele jaren op de
loop te
zijn geweest voor zijn schuldeisers, stierf Stirner op 25 juni 1856 in
volslagen anonimiteit. Op zijn begrafenis waren slechts een handvol
mensen
aanwezig, waaronder de jonghegelianen Bruno Bauer en Ludwig Buhl.
Aanvankelijk
ontwikkelde
Stirner
een
kritiek op staat en
religie die sterke gelijkenissen vertoonde met het denken van Bruno
Bauer.In Das unwahre Prinzip unserer
Erziehung, oder: Humanismus und Realismus
(1842) ontwikkelde hij zijn “personalistische”
zienswijze dialectisch uit de toen gangbare “humanistische”
en
“realistische”
onderwijsvormen. Het denken mocht niet louter vormelijk (humanistisch)
of
materieel (realistisch) blijven, maar moest integendeel opgaan in de
individuele wil (drift). Zolang het denken louter materieel of
vormelijk bleef,
onttrok het zich aan het subject, terwijl het uiteindelijk zou moeten
opgaan in
de individuele “drift” (“Trieb”). In
die zin radicaliseerde hij de uitgangspunten die hij eerder in zijn
proefschrift Über Schulgesetze (1834)
geponeerd had. Daarin benaderde hij het onderwijs nog vanuit een
“menswordingsproces”, waarbinnen de leerling zich herkende in het
“zuiver
menselijke” waarmee hij geconfronteerd werd en het zich uiteindelijk
“toe-eigende”.Die hegeliaanse notie van de
“toe-eigening” ontdeed hij in Das unwahre
Prinzip unserer Erziehung van elke positieve waardering voor
religie, wet
en staat. De vrijheid van de wil ontwikkelde zich, net als bij Hegel,
dialectisch uit de vrijheid van denken. Op die manier was ze ook
expliciet
verbonden met een ethiek van het zelfbewustzijn, waarbinnen Stirner
“vrijheid” omschreef
als de enige vorm van “gelijkheid”. Binnen zijn politieke kritiek
plaatste
Stirner de “liefde” tegenover de “zelfzucht”, die hij duidelijk
onderscheidde
van zijn eigen concept van de “zelfbeschikking”. “Zelfzucht” kon
namelijk
uitmonden in een zich laten leiden door “begeerten” en “andere
personen” (Einiges Vorläufige vom Liebesstaat,
1843). De
“zelfbeschikking” onderscheidde hij daarom ook op het niveau van de
“redelijkheid” van de “zelfzucht”, waardoor hij in het verlengde van
Hegel
redelijkheid gelijkschakelde aan vrijheid en vrijheid aan redelijkheid.
De
politieke kritiek van de “liefde” situeerde zich uiteindelijk op het
niveau van
“de wil” aangezien de liefde enkel wensen verwoordde, maar geen eisen
stelde. In
zijn recensie van Les Mystères de Paris
van Eugène Sue formuleerde hij niet zozeer een kritiek op de
“filantropische
voorstellen”, die Sue in het verlengde van zijn schuchtere sociale
kritiek
ontwikkeld had, maar verzette hij zich tegen de achterliggende morele
vooronderstellingen. De talrijke personages, die in Les
Mystères de Paris de burgerlijke moraal belichaamden, werden
afgezet tegen de zogenaamd “zelfgeschapen mensen”. De “zelfgeschapen
mens” of
“eigen mens” liet zich immers niet leiden door een geloof in allerhande
“deugden”, maar “schiep” zichzelf vanuit zijn “eigen scheppende
almacht”. De
filantropische voorstellen van Eugène Sue waren dan ook niets
anders dan
pogingen om mensen, door het spel van belonen en bestraffen, deugden
eigen te
maken en waren daardoor voorstellen ter verbetering van het
onverbeterbare: de
staat.
Der Einzige und sein Eigentum als parodie op het
hegeliaanse denken
De
diverse
kritieken die Stirner in de aanloop naar Der Einzige und
sein Eigentum
ontwikkelde, beperkten zich tot een kritiek van ideeën,
voorstellingen en
gedachten. Hij herleidde die telkens opnieuw tot de individuele mens
die
tegenover zijn eigen categorie van de “zelfgeschapen mens” gesteld werd
aangezien die “enkel zichzelf toebehoorde”. De “zelfgeschapen mens”
viel
daardoor buiten de geschiedenis. Zijn
bestaan werd niet gelegitimeerd vanuit een gemeenschap die nog
gerealiseerd
moest worden (Feuerbach) en evenmin vanuit een hegeliaanse of
Baueriaanse
bewustzijnsfilosofie. De notie van de “zelfgeschapen mens” werd
uitgewerkt in
het tweede – en laatste – deel “Ik”
van Der Einzige und sein Eigentum.
Daarin werd het “Ik” duidelijk
afgezet tegen de hegeliaanse of gehistoriseerde “Mens”
uit het eerste deel.
In zekere zin parodieerde hij
in het eerste deel de volledige Phänomenologie
des Geistes. Ook
de talloze herhalingen in Der Einzige und
sein Eigentum moeten in dit licht gezien worden. Net als in de Phänomenologie gaat het om herhalingen
waar telkens andere elementen worden aan toegevoegd. In combinatie met
deze
spiraalvormige manier van argumenteren, maakte Stirner het zijn lezers
doelbewust moeilijk door net als Hegel aan woorden een eigen betekenis
te
geven.
Stirner parodieerde onder meer
het verband dat Hegel gelegd had tussen de historisch-culturele
ontwikkelingen
en de zelfkennis van het zelfbewustzijn. De
menselijke levensloop (“kindertijd (“realisme”) – jongeling (“idealisme”)
– man (“egoïsme”) –
Grijsaard”) koppelde hij ironiserend aan: “de ouden” (“realisme”) – de nieuwen (“idealisme”) – de vrijen”. Wat “de
grijsaard” betreft, voegde Stirner er nog sarcastisch aan toe,
daarvoor zal er nog tijd genoeg zijn wanneer hij dat zelf ook zal zijn.Aangezien de vrijen slechts
de nieuweren
en nieuwsten onder de nieuwen waren,
bracht Stirner ze binnen
zijn historische driedeling onder in de tweede categorie (de
nieuwen). Ze verdienden echter afzonderlijke aandacht aangezien
ze tot het heden behoorden.Opnieuw inspelend op Hegel
koppelde Stirner de verhouding “ouden -
nieuwen” ook aan de zogenaamde “Negerachtigheid
(“realisme”) -Mongoolachtigheid
(“idealisme”)” van het “Kaukasische
tijdperk”. Daardoor herleidde hij de wereldgeschiedenis ironiserend
tot het
product van de “Kaukasische mensenstam”,
die haar hoogste zelfverwezenlijking zou bereiken in het “egoïsme”. Het
ironische spel met triades rondde hij tenslotte af binnen de categorie “de vrijen”, die hij nog eens
onderverdeelde in “het politieke
liberalisme” (liberalisme), “het
sociale liberalisme” (socialisme en communisme) en “het
humane liberalisme” (Bruno Bauer en de “kritische kritiek”).
Hegel beschouwde de
wereldgeschiedenis als de geleidelijke ontwikkeling van “vrijheid”. Die
ontwikkeling hield volgens Stirner in dat “de geest” of het denken vrij
werd en
daardoor net de grootst mogelijke dwang op de individuele mens kon
uitoefenen. Het
politieke liberalisme bevrijdde de “egoïsten” van de “meester”,
maar veranderde
hem in een “spook”: de staat. Het sociale liberalisme hief het
onderscheid
tussen arm en rijk op, maar hevelde alle eigendom over naar een
“spook”: de
maatschappij. Het humane liberalisme tenslotte, schafte de personele
God af,
maar bracht een nieuw geloof in de plaats: de mensheid of vrijheid.
Daardoor kwam Bruno Bauer, die de Absolute Geest van Hegel herleid had
tot het
menselijke zelfbewustzijn, aan het einde te staan van Stirners
ironiserende
historische overzicht. Het streven naar “vrijheid”, dat uiteraard het
fundament
vormde van Hegels (Rechts)philosophie, vond
in Bauer haar hoogste cumulatiepunt en werd in het tweede deel van Der Einzige und sein Eigentum afgezet
tegen de notie van de “eigenheid” (“die
Eigenheit”) met het “egoïsme” als Stirners tegenhanger voor
Bauers notie
van de “autonomie”. Zoals Bauer de “autonomie” als een streven naar
“vrijheid”
beschouwde, was het “egoïsme” een streven naar “eigenheid”. De
“geest” of het
denken kon slechts opgelost worden door diegene die de natuur en ook
“de geest”
als “eindig” of “vergankelijk” kon denken: de “egoïst”. Deze
formulering bevat de kern van Stirners betoog zoals ze in het tweede
deel werd
uitgewerkt.
In tegenstelling
tot “vrijheid” was
“eigenheid” volgens Stirner geen “idee”, maar een “omschrijving” van de
“eigenaar”. In
tegenstelling tot vrijheid, het recht, de moraal en de staat, die
steeds “de
mens” tot onderwerp hadden, was “eigenheid” verbonden met de “eigenaar”
of het
“ik”. “Eigenheid” sloeg namelijk op datgene wat het individu in zijn
“macht”
had en “machtig” was.
Egoisme was m.a.w. voorwaardenscheppend voor “eigenheid”. Net zoals
Hegel
eigendom als eerste veruiterlijkingsvorm van vrijheid had beschouwd (Rechtsphilosophie, §41), waren eigendom
en eigenheid onlosmakelijk met elkaar verbonden. Daar
waar beide begrippen volgens Hegel echter het (“abstracte”)
recht
fundeerden
en
aan de basis lagen van de
“objectieve geest” (de geleidelijke verwezenlijking van de “absolute
vrijheid”
in de concrete werkelijkheid) maakten ze bij Stirner integendeel deel
uit van
zijn veralgemeende kritiek op recht en staat.
Stirner merkte dan ook
sarcastisch op dat “het recht de Geest van de maatschappij is” en
plaatste het
“recht” expliciet tegenover zijn notie “macht”.Derhalve beschouwde hij
“geweld” of “macht” als wezenskenmerk van de bestaande
eigendomsverhoudingen en
sprak hij zich een eerste keer uit over het zogenaamde “eigendomsrecht”
en
richtte zich tegen de “Kommunisten”
(August Becker, Wilhelm Weitling) en P.J. Proudhon. Eigendom behoorde
diegenen
toe die het naar zich toe wisten te halen of het zich niet lieten
ontnemen. Het
private eigendomsrecht hield daarentegen in dat de staat eigenaar bleef
van de
eigendom en “rechten” verleende aan haar onderdanen.
Daardoor werd het private eigendomsrecht een vreemde macht buiten het
individu.
Het ultieme bewijs daarvan was
het erfrecht dat duidelijk maakte dat de “eigendom” niet aan het
sterfelijke
individu toebehoorde, maar een overerfbaar “recht” was.
Indien het individu daarentegen alles op zich betrok, werd alles zijn
“eigendom” en werd het individu ook eigenaar van zichzelf.
Daardoor werd alles op de “vergankelijke”, “sterfelijke schepper”
betrokken die
zichzelf “verteerde”. Het
“eigendomsvraagstuk” kon slechts opgelost worden vanuit de notie van de
“Eigner”. Zolang de “bezitlozen” zich
echter “niet van hun eigen macht bewust waren”, zouden ze overgeleverd
blijven
aan de “macht” of het “geweld” van anderen. Zolang “geweld” of “macht”
het
monopolie van de staat bleef, vielen staat en “pauperisme” met elkaar
samen.
Binnen deze context ging
Stirner -zoals in Einiges Vorläufige vom
Liebesstaat- in op de verhouding tussen “het egoïsme” en “de
liefde” als
zogenaamde “wezenskenmerk” van de maatschappij (Feuerbach). Daardoor werkte hij zijn kritiek op de
“transformatieve methode” (de omkering van predicaat en subject) van
Feuerbach
verder uit. Door
het predicaat tot subject te verheffen – en het subject tot object en
principe
te maken – had Feuerbach de filosofie van Hegel immers gewoon
omgekeerd: “We zeggen bv. niet meer: ‘God is de liefde’,
maar ‘de liefde is goddelijk’”.Datgene wat voorheen slechts
transcendent was, werd door Feuerbach als een immanent “wezen”
gefixeerd. Als
predikaat van “de mens” werd “de liefde” bij Feuerbach een “beroep” (“Beruf”) of “opgave”.
De “egoïst” daarentegen,
stelde zijn “wezen” niet “boven zichzelf” en kon zich dus ook niet
“verwezenlijken”. Door
zijn kritiek van de “transformatieve methode” ontmaskerde hij het
volledige
dialectische denken uiteindelijk als een teleologisch of religieus
denken.
Deze hele problematiek hield
namelijk verband met de hegeliaanse “Vergegenständlichungsdialektik”
die
er
op
neerkwam dat de “Absolute Geest” zichzelf kende door zich
eerst te
objectiveren in de werkelijkheid en zich dan zijn eigen vervreemde
wezen toe te
eigenen. Naar
analogie met Hegel – maar in overeenstemming met zijn “transformatieve
methode”
– ging Feuerbach ervan uit dat de mens zichzelf kende door zich te
veruiterlijken in een godsidee en zich dan zijn eigen projectie toe te
eigenen. De “Vergegenständlichungsdialektik”
functioneerde
als
een
soort theorie van de “menselijke emancipatie”
waarbinnen
de mens naar voren trad als een zichzelf scheppend wezen (Cf. Marx in
de
zogenaamde Parijse Manuscripten,
1844).
Bruno Bauer ging ervan uit dat
het menselijke “zelfbewustzijn” zijn eigen scheppende wezen realiseerde
binnen
het eeuwigdurende proces van “veruiterlijking
– terug toe-eigenen”, “vergegenständlichen
–
opheffen”. Door zich te verwerkelijken, vervreemdde het
zelfbewustzijn
van de statische objecten die de producten van zijn eigen dynamische
productiviteit waren. Daardoor trad een omkering van de verhouding
subject -
object op en eigende het vrije, scheppende zelfbewustzijn zich
uiteindelijk
zijn eigen objecten terug toe.
De relatie tussen “de enige”
en “zijn eigendom” was eigenlijk, net zoals de
structuur van het boek,
een parodie op deze verhouding. Bauer had Hegels historische vierdeling
bovendien
herleid tot het tijdperk van de “vervreemding” en het tijdperk van de
“oplossing” van de “vervreemding”. Die “vervreemding” hield
volgens Bauer in
dat “de mens” zichzelf volledig ondergeschikt maakte aan zijn eigen
producten,
die hij als een vreemde macht buiten zichzelf beschouwde. Door de
“oplossing”
van de “vervreemding” zou “de mens” de staat, het recht, integendeel
als de
producten van zijn eigen zelfbewustzijn herkennen en zijn wezen
realiseren in
de “vrije zelfbeschikking”.
Stirner daarentegen,
beschouwde “de mens” net als de “vreemde macht buiten zichzelf” en
stond de
“oplossing” van al deze categorieën in het sterfelijke “ik” voor.
Zijn parodie op de “Vergegenständlichungsdialektik”, die met deze verhouding
correspondeerde, benaderde de hele werkelijkheid dus als “mijn object”
(“Gegenstand”) en dus als “mijn eigendom”. Mijn
“vervreemding” (“Entfremdung”) van
het object hield daarentegen in dat ik er door “bezeten” was. De
eigen “scheppingen” hadden dan een zelfstandigheid en legden een
bepaalde
“stabiliteit” en continuïteit op.De twee “tijdperken” die
Stirner ironiserend introduceerde, hielden ook verband met de kritiek
van
Feuerbach op het jodendom en het christendom. Enerzijds was er het
tijdperk van
“de zorg voor het leven” en anderzijds was er het tijdperk van “het
genot van
het leven”. “De zorg voor het leven” hield zowel het streven naar
“aardse
gelukzaligheid” (volgens Feuerbach kenmerkend voor het Jodendom) als
“hemelse
zaligheid” (volgens Feuerbach kenmerkend voor het Christendom) in. Het
“genieten” hield daarentegen het “verbruik” van het leven in. Daardoor
luidde
de vraag niet langer hoe het leven “verworven”, maar wel hoe het
“verdaan” kon
worden. De “bezetenheid” maakte het echter onmogelijk om van het
leven/de
eigendom te “genieten” aangezien het steeds een bepaalde “roeping”
oplegde.
De
kritiek van de filosofie als theologie/teleologie
De
implicaties van dit denken zijn vrij verregaand.
Doorheen de notie van de “oplossing”
wordt het “ik” immers niet opgevat
als een zich ontwikkelend wezen, maar wel als een krachtenveld dat aan
constante verandering of “oplossing”
onderhevig is. De notie “oplossing”
houdt bovendien nauw verband met het zogenaamde “scheppende niets”. “Der Einzige” was een “scheppend niets”,
had geen “wezen” dat “verwezenlijkt” zou moeten worden, maar schiep
integendeel
zichzelf.
De
notie van
het “niets” houdt ongetwijfeld verband met
de manier waarop Hegel die behandelde in de Wissenschaft
der Logik, maar in tegenstelling tot Hegel staat het “niets” aan
het begin
van het “zijn” en dus van Stirners parodie op de hegeliaanse
zijnsdialectiek.
Hegels notie van het “zijn” stond aan het begin van de dialectische
relatie
tussen “zijn-niets-worden” en vormde het fundament van zijn hele
metafysische
systeem.
Doorheen de notie “Dasein”
maakte Hegel duidelijk dat het
“eindige zijn” de noodzakelijke en tegelijk onvolmaakte
uitdrukkingsvorm van
het “oneindige zijn” was.
Dit betekende concreet dat het “Dasein”
voortvloeide uit zijn notie “worden”, die op haar beurt het samengaan
van het
“zijn” en “niet-zijn” vertegenwoordigde. De eindigheid van het “Dasein” was het product van het
contradictorische karakter van het samengaan van het “zijn” en
“niet-zijn”. “Dasein” droeg dus de kiemen van haar
eigen ondergang in zich, maar net doorheen de constante beweging tussen
“ontstaan” en “vergaan”, verwees het en streefde het tegelijk ook naar
het
“oneindige zijn”.
Stirner daarentegen, ging uit
van een “niets” waaruit het “zijn” ontstond en verwees daarmee ook
onmiddellijk
naar Feuerbach die de creatie uit het niets als kenmerkend beschouwde
voor de
“absolute persoonlijkheid voor wie de natuur niets was”.
Stirner hield als het ware halt bij de eindigheid van het “Dasein”
die hij -in tegenstelling tot bijvoorbeeld Heidegger- loskoppelde
van de notie “tijd”. Volgens Stirner werd “de mens”, binnen de
“christelijke
beschouwingswijze”, als het “ik” van de “wereldgeschiedenis”
voorgesteld. “De
enkeling” (“Der Einzelne”) was echter
op zichzelf een “wereldgeschiedenis” en had “aan de overige
wereldgeschiedenis
zijn eigendom”.
“De enkeling” was dus niet aan het verleden gebonden en legde er
logischerwijs
geen verantwoording tegenover af. De “wereldgeschiedenis” van “de
enkeling”
hield de constante oplossing van de werkelijkheid in zichzelf in. Het
“zijn”
was dus een “het” (Es) dat het scheppende niets zich toeeigende en
uiteindelijk
opgelost werd in het “sterfelijke Ik”. Het “sterfelijke Ik” had dus
weliswaar
een geheugen, maar was er niet door “bezeten”.
Stirner kon op die manier ook
zijn eigen gedachten volledig van zich afzetten en vermijden dat hij er
door
“bezeten” werd. Wat dat betreft had hij het over het “lachend
triomferen
wanneer ik verslagen ben”. Hij liet zich zijn “gedachten” niet
zondermeer
ontnemen, maar wanneer ze verdwenen waren, bleef hij lachend achter.
Eigenaar
van de volledige werkelijkheid zijn, hield in dat men met “grote
gedachten” en
“verheven gevoelens” liet “spelen” en lachen. De
lach kenmerkte de relatie van “de enige”
tot “zijn eigendom”.
Het was
de
ontkrachting van elke verkrampte autonomie die
aan “de waarheid” kon worden toegedicht en was de ultieme kritiek van
alle
denken dat appelleerde aan datgene dat zich zogezegd voorbij het
zichzelf
denkende subject situeerde. De sérieux
waarmee Stirners zogenaamde “dialectische methode” tot op de dag van
vandaag
benaderd wordt, gaat daardoor voorbij aan het feit dat Stirner zich met
zijn
radicale nominalisme aan “gene zijde” van de filosofie bevond.
Laten we daarom even stilstaan
bij de notie van de “oplossing”.
Hegel had het binnen zijn teleologie over de “oplossing”
van
het
“bijzondere”
in het “algemene”.
Feuerbach sprak over de “oplossing” van de religie in het “wezen” van
de
religie.Stirner begreep de relatie
tussen “de enige” en “zijn eigendom”
echter niet als een dialectische relatie. De
eigendom werd in het “sterfelijke ik” “opgelost” en er werd niets op
een
zogenaamd “hoger plan” geheven en bewaard. In tegenstelling tot Bauers
“kritische kritiek” was er dus nergens sprake van ontwikkeling. De
ontwikkeling veronderstelde namelijk een telos,
een doel én een middel waardoor het doel bereikt werd. De “oplossing” hield in dat er niets “verhevens” bestond en
dat alle “fixe Ideen” “opgelost” moesten worden
aangezien het leven zelf een proces van “zelfoplossing” was. De
“oplossing” was
daardoor ook geen “bestemming”, aangezien ze zich gewoon in het heden
afspeelde.Het “niets” was met andere
woorden gegeven en moest niet bereikt of verworven worden. Stirner
verwees
expliciet naar de stelling van Bauer dat de “eigendom” niet stabiel
mocht
worden en aan constante “oplossing” onderhevig moest zijn. Bauer
kaderde zijn
“kritische kritiek” echter binnen een menswordingsproces en maakte de
kritiek
in die zin tot “beroep”.De “gedachten” werden bij
Bauer slechts opgelost om ze door “hogere gedachten” te vervangen. Het
“denken”
zelf kon echter onmogelijk de ”gedachten” oplossen. Slechts de
“gedachteloosheid” kon de “gedachten” oplossen.
Dit hield in dat het eigen
“ik” niet “gedacht” of onder woorden gebracht kon worden. In Stirners
reactie op de recensies van Szeliga, Feuerbach en Hess luidde het als
volgt:
“Wat
Stirner zegt,
is een woord, een gedachte, een begrip; wat hij bedoelt,
is
geen
woord,
geen gedachte, geen begrip. Wat hij zegt,
is niet het bedoelde en wat hij bedoelt is onzegbaar.”
De
notie
“oplossing” was afgeleid van Bauers
radicalisering van Hegels persoonlijkheidsdialectiek in de Rechtsphilosophie,
waarop
Stirners
Vergegenständlich-ungsdialektik
dan weer een bijtende parodie was.
Hegel ging uit van het “universele” dat het “particuliere” dialectisch
absorbeerde en dus ophief en bewaarde. Bauer daarentegen, liet het
universele
het particuliere oplossen en vernietigen. Stirners Vergegenständlichungsdialektik
loste de volledige realiteit op in
het sterfelijke “Ik” en vernietigde het universele, wat Stirner volgens
Bauer
overhield was dus puur particularisme. Het is daarom vrij misleidend om
te
stellen dat Stirner een radicalisering van Bauers
zelfbewustzijnsfilosofie
presenteerde.
We zijn er weliswaar van
overtuigd dat Stirner het oneindige zelfbewustzijn van Bauer reduceerde
tot het
sterfelijke ik, net zoals Bauer het hegeliaanse absolute had herleid
tot het
oneindige zelfbewustzijn, maar volgens ons is hier absoluut geen sprake
van
continuïteit, maar eerder van spot en ironie.
De
filosofie van de lach
Afsluitend
lijkt
het
uitermate
interessant om hier dieper
op in te gaan. Stirner was niet de eerste die zich bediende van ironie
bij het
uitwerken van zijn filosofie, Bauer had het hem onder meer reeds
voorgedaan in
zijn Posaune, maar ook andere
tijdgenoten zoals Heinrich Heine en Arnold Ruge bedienden zich er van
en
formuleerden, in navolging van Friedrich Schlegel, een aantal
theoretische
inzichten terzake.
Hegel beschouwde “ironie” als
een vorm van subjectivisme, een staat van het bewustzijn waarbinnen
elke
overtuiging werd afgedaan als niet meer dan een gril. Hegel schreef
deze staat
van bewustzijn toe aan Fichtes filosofie, die het “ik” volgens hem als
absoluut
had gepostuleerd: “universele persoonlijkheid” en daarmee aan de basis
lag van
Schlegels “subjectieve ironie”. Ironie stond dus voor een staat van het
bewustzijn waarbinnen de eigen persoonlijkheid altijd superieur bleef
aan zijn
eigen schepsels en elke objectiviteit ervan ontkende. Hegel verwees ook
naar
Socrates die de ironie eerder gebruikte als een manier van communiceren
en niet
als een manier van denken, die volgens Hegel uiteraard dialectisch was. We
zouden eenvoudigweg kunnen stellen dat Stirner de ironie als de basis
van zijn
denken beschouwde en ze in het verweer bracht tegen het dialectische
denken,
maar daarmee is alles nog lang niet gezegd.
Ruge bijvoorbeeld, beschouwde
de “komedie” als de geschikte manier om mensen te bevrijden van
verouderde
ideeën en instituties. Stirner besprak de “komedie” op een
gelijkaardige manier
in zijn essay “Kunst und Religion”,
dat onmiddellijk verwees naar Bauers beroemde werk “Hegel’s
Lehre
von
der
Religion und Kunst”.
Kunst creëerde het object dat
de religie tot een religieus object maakte, maar uiteindelijk eigende
de kunst
zich zijn object opnieuw toe en werd de religie niet meer dan een
komisch
gegeven waarvan de mens logischerwijs bevrijd werd. De “komedie” drong
in elk
heiligdom binnen en ontmaskerde de leegheid waaraan de mens niet langer
moest
houden. De “komedie” dus als emancipatie van verouderde ideeën en
instituties,
waarvan Stirner het sprekende voorbeeld van het huwelijk gaf.
Stirners ironie moet dus begrepen worden als een middel om het
hegelianisme te
ontmaskeren als een verouderd denken dat zijn hoogtepunt vond in Bauers
filosofie. Stirners ironisch gebruik van hegeliaanse elementen ligt
bovendien
in het verlengde van zijn opvatting dat er geen alternatief voor het
bestaande
gepostuleerd moest worden, maar dat het bestaande gewoon moest opgelost
worden
in het sterfelijke “ik”.
De relatie van “de enige” tot
“zijn eigendom” hield daardoor ook een kritiek van de “zuiverheid” en
een
pleidooi voor het hybride in. Het stelde namelijk geen alternatief voor
het
bestaande voorop, maar ging uit van het “verbruik” ervan. Zo moest de
taal –
die volgens Stirner “christelijk” (geestelijk) was – evenmin veranderd
worden,
maar aangewend worden in functie van de constante “oplossing” van het
eigen
bestaan.
Stirner verwees in dat verband naar Feuerbach, die Hegel verweten had
dat “hij
de taal misbruikte door aan één woord verschillende
betekenissen te geven”.
Dit
heeft
verschillende auteurs geïnspireerd tot “nieuwe”
interpretaties, die echter elk op hun manier oude denkstructuren
reproduceren.
Zo wordt Nietzsche niet alleen in het verlengde van Stirner geplaatst,
maar
wordt Stirner zelf als een voorloper van het existentialisme en
poststructuralisme beschouwd. Het
gaat andermaal om een historisering waaraan Stirner een vorm van
“legitimiteit”
zou moeten ontlenen.De noties “Auflösung” en
“scheppend niets” kunnen
inderdaad gelezen worden als een kritiek op het christelijke of
humanistische
essentialisme en in die zin opgevat worden als een constituerend
element binnen
een contingente subjectiviteit, maar anderzijds gaat men ook hier weer
voorbij
aan het komische of ironiserende karakter van Stirners betoog.
Feuerbach
bekritiseerde het jodendom bijvoorbeeld vanuit het feit dat het een
“schepping
uit het niets” kende en koppelde die notie aan de “absolute
persoonlijkheid”
voor wie “de natuur niets is”.
Stirner eigende zich deze termen toe om zijn eigen aanval op Feuerbach
– en bij
uitbreiding de hele filosofie – vorm te geven.
Daarmee
zijn
we aanbeland bij datgene waarmee het voor
het jonghegelianisme allemaal begonnen was; de kritiek van de
“persoonlijke
onsterfelijkheid”. Stirner bekritiseerde wat hij de “conservatieve
tendens van
het christendom” noemde. Aangezien tegenover de dood,
“onvergankelijkheid” en
“stabiliteit” gepostuleerd werd, richtte het conservatisme zich
eigenlijk op
“de overwinning op de dood”.
De
jonghegelianen stelden zich op een gelijkaardig
standpunt door de mensheid als het eeuwige, onsterfelijke voorop te
stellen
waaraan het individu zijn “roem” moest ontlenen.
Verwijzend naar Fichte,
benadrukte Stirner daarentegen dat het “ik” niet “alles” was, maar dat
het “ik”
integendeel “alles vernietigde”. Slechts “het zichzelf oplossende ik,
het
eindige, vergankelijke ik, is werkelijk ik.”
Dixi
et salvavi animam meam,
Widukind
De
Ridder
[1] Rom. 6, 18.
[2] 1. Petr. 2, 16.
[3] Jak. 2, 12.
[4] Rom. 8, 14
[5] Vgl. met Rom. 8, 14. - 1. Joh. 3, 10
[6] Bv. Karl Marx: Zur Judenfrage. In: Deutsch-französische
Jahrbücher. Hg. von Arnold Ruge. 1. u. 2. Lfg. Paris 1844. p. 197
[7] Moses Hess (anoniem): Die europäische Triarchie. Leipzig 1841.
p. 76
[8] Das Wesen des Christentums. 2., vermehrte Aufl. Leipzig 1843. p. 401
[9] Mark. 3, 29
[10] Vgl. (Johann Caspar Bluntschli): Die Kommunisten in der Schweiz
nach den bei Weitling vorgefundenen Papieren. Wörtlicher Abdruck
des Kommissionalberichtes an die H. Regierung des Standes Zürich.
Zürich 1843. p. 2-3
[11] August Becker: Die Volksphilosophie unserer Tage. Neumünster
bei Zürich 1843. p. 22 f
[12] »Ik smeek je, spaar mijn longen! Wie gelijk wil hebben en
maar één tong heeft, behoud hem ondanks alles!«
[13] Bettina von Arnim (anoniem): Dies Buch gehört dem König.
Berlin 1843. p. 376
[14] p. 376
[15] p. 374
[16] p. 381-2
[17] p. 385
[18] Zie: Bibliothek politischer Reden. p. 153
[19] De la Création de l'Ordre dans l'Humanité ou
Principes d'Organisation politique. Paris et Besançon 1843. p.
485
[20] Moriz Carrière: Der Kölner Dom als freie deutsche
Kirche. Gedanken über Nationalität, Kunst und Religion beim
Wiederbeginn des Baues. Stuttgart 1843. p. 3-4
[21] Bruno Bauer (anoniem): Was ist jetzt der Gegenstand der Kritik?
In: Allgemeine Literatur-Zeitung. Monatsschrift. Hg. von Bruno Bauer.
Heft 8. Charlottenburg Juli 1844. p. 22
[22] Moses Hess (anoniem): Sozialismus und Kommunismus. In:
Einundzwanzig Bogen aus der Schweiz. Hg. von Georg Herwegh. Zürich
und Winterthur 1843. p. 89-90
[23] Pierre-Joseph Proudhon: Qu'est-ce que la propriété?
Ou Recherches sur le Principe du droit et du gouvernement. Premier
mémoire. Paris 1841. bv. p. 83
[24] In een registratierekening voor Ierland stelde de regering voor,
diegenen die 5 pond sterling betaalden aan armentax, kiesrecht te
geven. Dus diegene die aalmoezen geeft, verwerft politieke rechten of
wordt elders zwanenkoning.
[25] Deze uitdrukking gebruikte Minister Stein over Graaf von Reisach,
wanneer hij hem koelbloedig overleverde aan de Beierse regering,
aangezien volgens hem, “een regering als die van Beieren meer waard
moet zijn als één individu”. Reisach had in opdracht van
Stein tegen Montgelas geschreven en Stein willigde de eis van Montgelas
in om hem uit te leveren en net omwille van dit boek. Zie Hermann
Friedrich Wilhelm Hinrichs: Politische Vorlesungen. Unser Zeitalter und
wie es geworden, nach seinen politischen, kirchlichen und
wissenschaftlichen Zuständen, mit besonderem Bezug auf Deutschland
und namentlich Preussen. Bd. 1. Halle 1843. p. 280
[26] In gymnasia en universiteiten, enz. concurreren armen met rijken,
maar ze kunnen dit meestal slechts door studiebeurzen die –een
belangrijk punt- allen tot ons zijn gekomen uit een tijd waar vrije
concurrentie nog lang geen controllerend principe was. Het principe van
de concurrentie kent geen beurzen, maar is van mening: “help jezelf”
wat wil zeggen “verschaf jezelf de middelen”. Wat de staat geeft, doet
het om dienaars voor zichzelf op te leiden.
[27] Die liberalen Bestrebungen in Deutschland. Zürich und
Winterthur 1843. Heft 2, p. 91 ff. (95) (Zie mijn bovenstaande
bemerking)
[28] Athanasius
[29] Ludwig Feuerbach: Das Wesen des Christentums. 2., vermehrte Aufl.
Leipzig 1843. p. 394
[30] (Om mijzelf voor vervolging te vrijwaren, maak ik er uitdrukkelijk
opmerkzaam op, dat ik het woord “opstand” om zijn etymologische
betekenis verkies, dus niet in engere zin gebruik, die voor de wet
strafbaar is., M.S.)
[31] 1. Kor. 15, 26
[32] 2. Tim. 1, 10
[33] (anoniem) Der Kommunismus in der Schweiz. Eine Beleuchtung des
Kommissionalberichtes des Herrn Dr. Bluntschli über die
Kommunisten in der Schweiz (angeblich!) nach den bei Weitling
vorgefundenen Papieren. Bern 1843. p. 24
[34] Der Kommunismus in der Schweiz. p. 63
[35] Rom. 1, 25
[36] Grundsätze der Philosophie der Zukunft. Zürich und
Winterthur 1843. p. 47 ff
[37] Pairskammer 25. April 1844
[38] Arnold Ruge: Bruno Bauer und die Lehrfreiheit. In: Anekdota zur
neuesten deutschen Philosophie und Publizistik. Hg. von Arnold Ruge.
Bd. 1. Zürich und Winterthur 1843. p. 120
[39] Anekdota. Bd. 1, p. 127
[40] 1. Thess. 5, 21
[41] Dit nawoord steunt op twee eerder gepubliceerde artikels: De
Ridder (W.): Max Stirner, Hegel and the Young Hegelians: a
reassessment. In: History of European Ideas, 2008/2. De Ridder (W.):
Max Stirner en de jonghegelianen: een andere lezing van “Der Einzige
und sein Eigentum”. In: Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 41/2 (2007),
pp. 62-69. We danken Alain Meynen, Douglas Moggach en William Desmond
voor hun opmerkingen en commentaren die tot deze teksten hebben
bijgedragen.
[42] Breckman (W.): Marx, the Young Hegelians, and the origins of
radical social theory: dethroning the self. Cambridge University Press,
Cambridge, 1998, pp. 5-11. Hegel (G.W.F.): Phänomenologie des
Geistes. Suhrkamp Verlag, Frankfurt, 1970, pp. 288-323.
[43] Friedrich Richter beargumenteerde de onverzoenbaarheid van de
filosofie van Hegel met de christelijke notie van de persoonlijke
onsterfelijkheid vanuit de terugkeer van de individuele Geest in het
Algemene. Die neue Unsterblichkeitslehre (1833), Lehre von den letzten
Dingen (1833). In zijn Von den Beweisen für die U. der
menschlichen Seele im Lichte der spekulativen Philosophie (1835)
probeerde Karl Göschel een aantal van zijn argumenten te
weerleggen.
[44] Feuerbach (L.): ‘‘Gedanken über Tod und Unsterblichkeit.’’
In: Frühe Schriften, Kritiken und Reflexionen: 1828– 1834.
Akademie Verlag, Berlin, 1981, pp. 203–211.
[45] Breckman (W.): Marx, the Young Hegelians, and the origins of
radical social theory: dethroning the self. pp. 99-107.
[46] Feuerbach (L.): Das Wesen des Christentums. Akademie Verlag,
Berlin, 1973, p. 29. Feuerbach sprak over het “du” als verbinding
met de wereld en over de christelijke God als een “ich ohne du”.
Feuerbach (L.): Das Wesen des Christentums. Akademie Verlag, Berlin,
1973, pp. 165-166, pp. 203-204.
[47] Hij ging daarvoor uit van het hegeliaanse concept van “Die Not”
als een immanent principe dat sociale interactie veroorzaakte en zijn
belichaming vond in de concrete mens als soortwezen. De “nood” werd bij
Feuerbach zowel als een psychische en fysieke onvolmaaktheid van het
concrete subject gedacht. In die zin verklaarde het de notie van “de
liefde” en de sociale interdependenties.
[48] Breckman (W.): Marx, the Young Hegelians, and the origins of
radical social theory: dethroning the self. pp. 117–119.
[49] Eduard Gans was assistent van Hegel en genoot vooral bekendheid
door zijn analyses omtrent het erfrecht. Hij zette zich af tegen de
eigendomsopvatting van Stahl en Savigny die de private eigendom als het
product van een natuurlijke wilsact beschouwden. In 1833 gaf Gans de
Philosophie des Rechts (1821) opnieuw uit, met aanvullingen op basis
van lesnota’s die studenten tijdens de hoorcolleges van Hegel gemaakt
hadden. Waszek (N.): Eduard Gans (1797-1839): Hegelianer - Jude -
Europäer. Texte und Dokumente. Lang, Frankfurt, 1991, pp. 27-31,
p. 145, Gans (E.), Schröder (H.): Philosophische Schriften.
Auvermann, Glashütten im Taunus, 1971, 398 p.
[50] De voornaamste werken van Moses Hess zijn te vinden in: Hess (M.):
Philosophische und sozialistische schriften: 1837-1850. Cornu (A.),
Mönke (W.). (Ed.), 1961, Akademie Verlag, Berlin, 516 p. Een
aantal uittreksels uit de werken van onder meer Wilhelm Weitling,
Heinrich Heine en uit Der Sozialismus und Kommunismus des heutigen
Frankreichs (1842) van Lorenz Stein zijn te vinden in: Grandjonc (J.):
Communisme/Kommunismus/Communism: Origine et développement
international de la terminologie communautaire prémarxiste des
utopistes aux néo-babouvistes 1785-1842. Trier, Schriften aus
dem Karl-Marx-Haus, 39/2, 1989, pp. 521-555.
[51] Bauer (B.): “Die Posaune des jüngsten Gerichts über
Hegel, den Atheïsten und Antichristen. Ein Ultimatum” in: Pepperle
(H.), Die Hegelsche Linke: Dokumente zu Philosophie und Politik im
deutschen Vormärz. Frankfurt, Röderberg Verlag, 1986, p. 291,
297.
[52] Over de relatie tussen het zelfbewustzijn en de substantie bij
Hegel, zie: Hegel (G.W.F.): Phänomenologie des Geistes.
Suhrkamp Verlag, Frankfurt, 1970, p. 547 en § 436
Enzyklopädie der Philosophischen Wissenschaften im Grundrisse
(1830). Felix Meiner, Hamburg, 1968, pp. 432-433.
[53] Moggach (D.): The Philosophy and Politics of Bruno Bauer,
Cambridge University Press, Cambridge, 1998, pp. 40-46.
[54] Moggach (D.): The Philosophy and Politics of Bruno Bauer, p. 124.
[55] Moggach (D.): The Philosophy and Politics of Bruno Bauer, p. 13.
[56] Moggach (D.): The Philosophy and Politics of Bruno Bauer, pp.
76-77.
[57] Bauer (B.): “Die gute Sache der Freiheit und meine eigene
Angelegenheit” in: Pepperle (H.), Die Hegelsche Linke: Dokumente zu
Philosophie und Politik im deutschen Vormärz. Frankfurt,
Röderberg Verlag, 1986, p. 497-498.
[58] “Diese Philosophie will keinen Gott, keine Götter, wie die
Heiden; sie wil nur Menschen, nur das Selbstbewusstsein, und alles ist
ihr eitel Selbstbewusstsein. Zur Warnung für alle Wohlgesinnte
werden wir nun darstellen, wie jene Auffassung der Religion als des
Substantialitätsverhältnisses von Hegel selbst aufgelöst
wird und das unendliche Selbstbewusstsein das einzig Bleibende ist.”
Bauer (B.): “Die Posaune des jüngsten Gerichts über Hegel,
den Atheïsten und Antichristen. Ein Ultimatum” in: Pepperle (H.):
Die Hegelsche Linke: Dokumente zu Philosophie und Politik im deutschen
Vormärz. Frankfurt, Röderberg Verlag, 1986, p. 274. “Diese
“seligkeit” und “wohligkeit” des Selbstbewusstseins schlägt in der
Komödie jenes “gelächter” auf, in welchem das Subjekt seiner
Triump feiert das es alles durch sich, in sich aufgelöst hat.”
Bauer (B.): Hegels Lehre von der Religion und Kunst von dem Standpunkte
des Glaubens aus beurteilt, Leipzig, Wigand, 1843, p. 226 zoals
geciteerd in: Bauer (B.): Feldzüge der reinen Kritik. Sass (H.M).
(Ed.), 1968, Suhrkamp Verlag, Frankfurt, 278 p.
[59] Moggach (D.): The Philosophy and Politics of Bruno Bauer, p. 158.
[60] Bauer (B.): ‘‘Religion des Alten Testaments I”, p. 183 zoals
geciteerd in: Moggach (D.): The Philosophy and Politics of Bruno Bauer,
pp. 51-52.
[61] Moggach (D.): The Philosophy and Politics of Bruno Bauer, p. 33.
[62] In zijn dissertatie benaderde Karl Marx het verlangen naar
persoonlijke onsterfelijkheid trouwens ook als “Selbstliebe”. Marx
(K.): “Über die Differenz der demokritischen und epikureischen
Naturphilosophie” in: Historisch-kritische Gesamtausgabe: Werke,
Schriften, Briefe. Band I, Detlev Auvermann, Gläshutten im Taunus,
1970, p. 51, pp. 55-56.
[63] “Der christliche Seligkeitsegoismus schlägt in seiner
vollendeten Praxis notwendig um in den Leibesegoismus des Juden, das
himmlische Bedürfnis das in irdische, der Subjektivismus in den
Eigennutz. Wir erklären die Zähigkeit des Juden nicht aus
seiner Religion, sondern vielmehr aus dem menschlichen Grund seiner
Religion, dem praktischen Bedürfnis, dem Egoismus.” Marx (K.):
“Zur Judenfrage” in: Historisch-kritische Gesamtausgabe: Werke,
Schriften, Briefe. Band I, Detlev Auvermann, Gläshutten im Taunus,
1970, p. 605. Marx (K.): “Zur Judenfrage” in: Historisch-kritische
Gesamtausgabe: Werke, Schriften, Briefe. Band I, Detlev Auvermann,
Gläshutten im Taunus, 1970, p. 587.
[64] Hegel (G.W.F.): Vorlesungen über die Philosophie der
geschichte. Suhrkamp Verlag, Frankfurt, 1986, p. 534.
[65] Feuerbach (L.): Das Wesen des Christentums. Akademie Verlag,
Berlin, 1973, pp. 208-211.
[66] Hegel (G.W.F.): “Der Geist des Christentums und sein Schicksal
(1798-1800)” in: Hegel (G.W.F.): Frühe Schriften. Suhrkamp Verlag,
Frankfurt, 1970, pp. 276-311. Deze tekst bleef ongepubliceerd tot het
begin van de 20ste eeuw, maar de bekendste passages die kenschetsend
zijn voor Hegels visie op het jodendom zijn te vinden in: Hegel
(G.W.F.): Vorlesungen über die Philosophie der Religion. Suhrkamp
Verlag, Frankfurt, 1970, pp. 61–63.
[67] Feuerbach (L.): Das Wesen des Christentums. Akademie Verlag,
Berlin, 1973, p. 215-216.
[68] Feuerbach (L.): Das Wesen des Christentums. Akademie Verlag,
Berlin, 1973, p. 219.
[69] Bauer (B.): “Die Fähigkeit des heutigen Juden und Christen,
frei zu werden”, pp. 178-180 in: Bauer (B.): Feldzüge der reinen
Kritik. Sass (H.M). (Ed.), 1968, Suhrkamp Verlag, Frankfurt, 278 p.
[70] Marx (K.): “Zur Judenfrage” in: Historisch-kritische
Gesamtausgabe: Werke, Schriften, Briefe. Band I, Detlev Auvermann,
Gläshutten im Taunus, 1970, p. 599.
[71] Marx (K.): “Zur Judenfrage” in: Historisch-kritische
Gesamtausgabe: Werke, Schriften, Briefe. Band I, Detlev Auvermann,
Gläshutten im Taunus, 1970, pp. 600-603.
[72] De kritiek van het “egoïsme” als “moraal” komt ook terug
in: Marx (K.): Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie.
Einleitung. Historisch-kritische Gesamtausgabe: Werke, Schriften,
Briefe. Band I, Detlev Auvermann, Gläshutten im Taunus, 1970, p.
618. In Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie. Kritik des
Hegelschen Staatsrechts wordt de term “egoïsme” vervangen door
“individualisme”, maar draagt ze ook daar dezelfde morele connotaties.
[73] Voor een biografie (of hagiografie) van Max Stirner kan men
terecht bij Mackay (J.H.): Max Stirner. Sein Leben und sein Werk.
Freiburg , Mackay-Gesellschaft, 1977, 272 p. Komische anekdotes uit het
privéleven van Stirner en Bauer zijn trouwens ook te vinden in:
Bauer (B.), Bauer (E.): Briefwechsel zwischen Bruno Bauer und Edgar
Bauer während der Jahre 1839-1842 aus Bonn und Berlin.
Charlottenburg, Egbert Bauer, 1844, pp. 25-26, 53-54, 121-123.
[74] We verwijzen daarvoor onder meer naar de recensie die Stirner
schreef over Bauers Posaune. Stirner (M.): Parerga, Kritiken, Repliken.
Laska (B.A.): LSR-Verlag, Nürnberg, 1986, pp. 59-74 en naar het
sterk op Bauer geïnspireerde Kunst und Religion Stirner (M.):
Parerga, Kritiken, Repliken. LASKA (B.A.): LSR-Verlag, Nürnberg,
1986, pp. 99-110.
[75] Stirner (M.): Parerga, Kritiken, Repliken. pp. 93-97.
[76] Stirner (M.): Parerga, Kritiken, Repliken. p. 12.
[77] Hegel maakte wat dat betreft een onderscheid tussen een wil die
vrij is “in zichzelf” en “voor zichzelf”. Hegel (G.W.F.): Philosophie
des Rechts. § 7-20.
[78] Stirner (M.): Parerga, Kritiken, Repliken. pp. 123-126.
[79] Stirner (M.): Parerga, Kritiken, Repliken. pp. 139-145.
[80] Bepaalde auteurs lezen die relatie echter als een consequente
verderzetting van Hegel: Stepelevich (L.S.): “Max Stirner As Hegelian”
in: Journal of The History of Ideas, Vol. 46, nr. 4, pp. 597-614. Zelfs
in uiterst recente publicities wordt die relatie ernstig genomen:
Stepelevich (L.S.): “Ein Menschenleben: Hegel and Stirner” in: Moggach
(D.) (Ed.): The New Hegelians: philosophy and politics in the Hegelian
School. Cambridge, Cambridge University Press, 2006, pp. 166-176.
[81] Der Orient (Kindesalter) - die Griechische Welt
(Jünglingsalter) - das Römische Reich (Mannesalte) - das
Germanische Reich (Greisenalter). Hegel (G.W.F.): Vorlesungen über
die Philosophie der Geschichte. Suhrkamp Verlag, Frankfurt, 1970, pp.
135-141. In de rechtsfilosofie heeft Hegel het echter enkel over de
historische vierdeling: § 354-360.
[82] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. Stuttgart, Reclam,
2000, p. 15, Stirner (M.): De enige en zijn eigendom. Brussel, ABB,
2008, p. 17.
[83] Stirner verwees waarschijnlijk naar Cieszkowksi en Hess, die de
hegeliaanse vierdeling hadden herleid tot de triade
verleden-heden-toekomst. Daarmee beklemtoonden ze het progressieve
karakter van het jonghegelianisme. Beiden bedienden zich trouwens ook,
weliswaar zonder enige vorm van ironie, van de hegeliaanse koppeling
tussen de kennis van de historisch-culturele ontwikkelingen en de
zelfkennis van het zelfbewustzijn. August Cieszkowski, Die Prologomena
zur Historiosophie, 1838 en Moses Hess, Die europäische Triarchie,
1841.
[84] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. pp. 71-72 (40-42).
[85] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. pp. 52-53 (33).
[86] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. pp. 158-159 (75). Het
is in die zin interessant om in herinnering te brengen hoe Hegel de
relatie tussen “individu” en “vrijheid” benaderde: “Denn das
Individuum ist eine Einzelheit und die Freiheit ist ein Vernichten der
Einzelheit” Hegel (G.W.F.): “Über die wissenschaftlichen
Behandlungsarten des Naturrechts” in: Jenaer Schriften 1801-1807.
Suhrkamp Verlag, Frankfurt, 1970, p. 478.
[87] De verhouding tussen wil – vrijheid - recht komt uitgebreid aan
bod in §4 van de Philosophie des Rechts.
[88] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 77 (42).
[89] “Die Eigenheit hat aber auch keinen fremden Massstab, wie sie denn
überhaupt keine Idee ist, gleich der Freiheit, Sittlichkeit,
Menschlichkeit u. dgl.: sie ist nur eine Beschriebung des – Eigners.”
Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 188. De eigenheid heeft
echter ook geen vreemde maatstaf omdat ze ook eigenlijk geen idee is
zoals de vrijheid, zedelijkheid, menselijkheid en dergelijke, ze is
alleen maar een omschrijving van de eigenaar. (95).
[90] “Meine Macht ist mein Eigentum, meine Macht gibt mir eigentum,
meine Macht bin ich selbst und bin durch sie mein Eigentum.” Stirner
(M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 203. Mijn macht is mijn
eigendom. Mijn macht geeft mij eigendom. Mijn macht ben ikzelf en ben
door haar mijn eigendom (101).
[91] Hegel had het wat dat betreft over het “absolutes Zueigenungsrecht
des Menschen auf alle Sachen” Hegel (G.W.F.): Grundlinien der
Philosophie des Rechts. Suhrkamp Verlag, Frankfurt, 1970, §44.
[92] “Recht ‘an und für sich’. Also getrennt von Mir! Ein an und
für sich Seiendes! Ein Absolutes! Ein ewiges Recht, wie eine ewige
Wahrheit!” Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 225. Recht
“aan en voor zichzelf”. Dus niet met betrekking tot mijzelf? “Absoluut
recht”. Dus van mijzelf gescheiden! Een aan een voor zich bestaand! Een
absolute! Een eeuwig recht zoals een eeuwige waarheid! (109).
[93] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 204 (101).
[94] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 284 (132).
[95] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 307 (141-142).
[96] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 203 (101).
[97] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 412 (183).
[98] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 284 (131).
[99] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. pp. 285-288
(133-134), p. 347 (168).
[100] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 51 (32).
[101] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 322 (147), p. 201
(100).
[102] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 311 (143),
p. 157 (74-75).
[103] Hegel (G.W.F.): Phänomenologie des Geistes. Suhrkamp Verlag,
Frankfurt, 1970, pp. 575-586.
[104] Binnen zijn projectietheorie gebruikte Feuerbach de term
“Vergegenständlichen”: Feuerbach (L.): Das Wesen des Christentums.
Akademie Verlag, Berlin, 1973, p. 71.
[105] Marx (K.): “Kritik der Hegelschen Dialektik und Philosophie
überhaupt” in: Historisch-kritische Gesamtausgabe: Werke,
Schriften, Briefe. Die Heilige Familie und Schriften von Marx von
Anfang 1844 bis auf 1845. Detlev Auvermann, Gläshutten im Taunus,
1970, p. 156. Met het oog op zijn kritiek van Hegel in de zogenaamde
Parijse manuscripten heeft Marx een aantal elementen met betrekking tot
de “Vergegenständlichungsdialektik” letterlijk
overgeschreven uit de Phänomenologie des Geistes: Marx (K.):
“Exzerpte aus G.W.F. Hegel: Phänomenologie des Geistes” in: MEGA,
IV, Exzerpte und Notizen, 1843 bis Januar 1845. Dietz Verlag, Berlin,
1981, pp. 493-501.
[106] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 153 (73). De
opheffing van de “Gegenstand” is vrij cruciaal binnen het Duitse
idealisme aangezien het de opheffing van de subject-object dichotomie
impliceert en dus de overgang naar het “absolute” inhoudt. Hegel
(G.W.F.). Enzyklopädie der Philosophischen Wissenschaften im
Grundrisse (1830). Felix Meiner, Hamburg, 1968, p. 22. Hegel (G.W.F.).
Phänomenologie des Geistes. Suhrkamp Verlag, Frankfurt,
1970, pp. 77-79, pp. 103-107, pp. 575-576.
[107] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. pp. 326-328
(148-150).
[108] “Weil Ich gestern ein Narr war, müsste Ich's zeitlebens
bleiben.” Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 215, Omdat ik
gisteren een nar was, zou ik het mijn hele leven lang moeten blijven.
(105).
[109] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. pp. 358-359
(161-162).
[110] “Ich bin [nicht] Nichts im Sinne der Leerheit, sondern das
schöpferische Nichts, das Nichts, aus welchem Ich selbst als
Schöpfer alles schaffe.” Stirner (M.): Der Einzige und sein
Eigentum. p. 5 (12).
[111] Hegel (G.W.F.): Wissenschaft der Logik. Suhrkamp Verlag,
Frankfurt, 1986, pp. 73–88.
[112] Hegel (G.W.F.): Wissenschaft der Logik. Suhrkamp Verlag,
Frankfurt, 1986, pp. 148-149.
[113] Feuerbach (L.): Das Wesen des Christentums. 210-214.
[114] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. pp. 410-411.
[115] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 403 (179). In De
naam van de roos wordt een gelijkaardige redenering ontwikkeld:
“Misschien heeft hij die de mensen liefheeft tot taak hen te laten
lachen om de waarheid, de waarheid te laten lachen, want de enige
waarheid bestaat in het leren hoe zich van de ongezonde hartstocht voor
de waarheid te bevrijden.” Eco (U.): De naam van de roos. Bert Bakker,
Amsterdam, 1984, pp. 511-512.
[116] Hegel (G.W.F.): Phänomenologie des Geistes. Suhrkamp
Verlag, Frankfurt, 1970, p. 54, pp. 310-311, pp. 318-319, pp.
324-327.
[117] Feuerbach (L.): Das Wesen des Christentums. Akademie Verlag,
Berlin, 1973, pp. 17-18.
[118] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 167 (76).
[119] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 373 (167).
[120] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 157 (74-75).
[121] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. pp. 163-164 (77-78),
p. 167 (78-79).
[122] Stirner (M.): Parerga, Kritiken, Repliken. p. 149. De kritieken
van onder meer Feuerbach, Hess, Szeliga en Bauer zijn te vinden
in: Kast (B.) (Ed.): Recensenten Stirners. Kritik und Anti-Kritik.
Leipzig, Verlag Max-Stirner-Archiv, 2003, 106 p.
[123] Hegel (G.W.F.): Philosophie des Rechts, pp. 277-285.
[124] Stirner (M.): “Kunst und Religion.” In: Parerga, Kritiken,
Repliken, pp. 106-110.
[125] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 328 (150), p. 389
(174).
[126] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 382 (171).
[127] Newman (S.): “Spectres of Stirner: a contemporary critic of
ideology” in: Journal of political ideologies (2001), 6 (3), pp.
309-330. Over Stirner als voorvader van het poststructuralisme: Koch
(A. M.): “Max Stirner: The Last Hegelian or the First
Poststructuralist” in: Anarchist Studies, volume 5 (1997) pp. 95-108.
[128] Andere bekende voorbeelden zijn Arvon en Paterson, die Stirner
als een voorloper van het existentialisme beschouwen. Arvon (H.): Aux
sources de l’existentialisme: Max Stirner, Paris, PUF, 1954, 185 p.
Paterson (R.W.K.): The nihilistic egoist Max Stirner. London, Oxford
University Press, 1971, 322 p. Ironisch genoeg wordt Stirner dus
gerecupereerd binnen debatten omtrent “authenticiteit” waardoor hij
indirect bijdraagt tot de regeneratie van “christelijke” denkbeelden.
[129] In die zin loont het zeker de moeite om hoofdstuk XI: “Die
Bedeutung der Kreation im Judentum” van Das Wesen des Christentums eens
door te nemen: “Die Kreationslehre stammt aus dem Judentum; sie ist
selbst die charakteristische Lehre, die Fundamentallehre der
jüdischen Religion. Das Prinzip, das ihr hier zugrunde liegt, ist
aber nicht sowohl das Prinzip der Subjektivität, als vielmehr des
Egoismus.” Feuerbach (L.): Das Wesen des Christentums. Akademie Verlag,
Berlin, 1973, pp. 210-214.
[130] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 77 (42).
[131] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. pp. 361-362 (163).
[132] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. p. 371 (166-167).
[133] Stirner (M.): Der Einzige und sein Eigentum. pp. 199-200 (96).