Downloaden
als
Word-document op de Downloadpagina
Johann Caspar Schmidt alias
Max Stirner
25 oktober 1806 – 26 juni 1856
der Einzige und sein Eigentum
1844
De eenling en zijn
eigendom
First published in
Belgium in 2008
Archief en Bibliotheekwezen in België / Archives et
Bibliothèques de Belgique
Keizerslaan 4 / Boulevard de l’Empereur, 4, B-1000 Brussel / Bruxelles
A catalogue
record of this book is available from the
Royal Library of Belgium
Eerste druk, 2008
Oorspronkelijke titel: Der Einzige und sein Eigentum (1844)
Realisatie: Frank Daelemans
Vormgeving: Antonia Warsito
© 2008
Voorwoord en nawoord: Widukind De Ridder
© 2008 Nederlandse vertaling: Thomas Eden en Widukind De Ridder
© 2008 Afbeeldingen: Helmut Stallaerts
Omslagafbeeldingen en
afbeeldingen op de tussenpagina’s:
“Models” (2007) Helmut Stallaerts
Tekening op de titelpagina: Max Stirner getekend door Friedrich Engels
(1892)
Wettelijk
Depot/Dépôt Légal 2008/1080/2
ISSN: 0775-0722
©Archief en Bibliotheekwezen in België / Archives et
Bibliothèques de Belgique
Keizerslaan 4 / Boulevard de l’Empereur, 4, B-1000 Brussel / Bruxelles
All rights
reserved. No part of this publication may
be reproduced, stored in a revival system, or transmitted in
any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying,
recording or
otherwise, without the prior permission of ABB
Voorwoord door Thomas
Eden:
In 1844 publiceerde
Johann Caspar Schmidt, door zijn
vrienden vanwege zijn hoge voorhoofd “Stirner” genoemd, Der Einzige
und sein
Eigentum, wat uiteindelijk het meest radicale boek van de 19e
eeuw bleek, met alle consequenties van dien. Stirner bewoog zich in de
kringen
van de Links- of Jong-Hegelianen, waaronder Karl Marx, Bruno Bauer,
Arnold
Ruge, David Strauss en Ludwig Feuerbach. Karl Marx beschrijft het
verschil van
standpunt tussen de Rechts- en Links-Hegelianen als volgt: “De oud-hegelianen hadden
alles
begrepen, zodra het tot een hegeliaanse logische categorie was herleid.
De
jong-hegelianen kritiseerden allen door aan alles godsdienstige
voorstellingen
toe te dichten of het als theologisch te bestempelen. Wat de
jong-hegelianen
met de oud-hegelianen gemeen hebben, is hun geloof aan de heerschappij
van de
godsdienst, de begrippen, het algemene in de bestaande wereld. Alleen
bestrijden de eersten deze heerschappij als usurpatie, terwijl de
anderen haar
juist verheerlijken als legitiem.” (in “Die Deutsche Ideologie”)
Stirner hoorde dat
theoretische geouwehoer van die elitaire
systeemdenkers en theoretische revolutionairen aan en schreef daarop
zijn boek,
waarin hij laat zien dat alle revolutionaire pogingen tot
wereldverbetering,
alle revoluties, onherroepelijk gedoemd zijn te mislukken en de
Links-Hegelianen beschouwden dat terecht als een frontale aanval op hun
systeem. De aangevallen Feuerbach - in een brief noemde hij Stirner de
"meest vrije en geniale schrijver die ik heb leren kennen" - schreef
een verdedigingsgeschrift. Stirners soevereine repliek bracht de jonge
aanhanger van Feuerbach, Karl Marx, in een situatie die men met recht
als zijn
"initiële crisis" kan aanduiden. Hij maakte zich van Feuerbach
los,
sloot zich echter niet bij Stirner aan, maar schreef koortsachtig -
door de
»Enige« zin voor zin af te werken - een furieuze
"anti-Stirner". In
dit proces concipieerde hij zijn originele idee van het "historische
materialisme", het kader dat hij zijn leven lang met economische
studies
probeerde in te vullen. Maar Marx was wel bang, dat het hem met zijn
"anti-Stirner" net zou kunnen vergaan als Feuerbach en liet het
manuscript ongedrukt. Het hele systeem van Marx is dus gewoon gebaseerd
op een
zich afzetten van Stirner en in Die Deutsche Ideologie ruimt hij 65
pagina’s
in, De Anti-Stirner, om Stirner belachelijk te maken. Hij noemt hem
daarin
consequent denigrerend Sankt Max, gaat nauwelijks inhoudelijk in op het
boek en
doet verwoede pogingen om Stirner op woorden te pakken. Het is de tot
nu toe
onverzoenlijke strijd geweest tussen de “Yogi en de Commissaris” zoals
Arthur
Koestler dat beschrijft. De Yogi die zegt dat de wereld verandert als
de mens verandert
en de commissaris die beweert dat als de wereld verandert de mens
verandert. En
tot nu toe hebben de Commissarissen, de systeemdenkers, de
wereldverbeteraars,
degenen die over lijken gaan om een betere wereld te creëren, het
nog altijd
gewonnen.
Het werk van Friedrich
Nietzsche is pas te begrijpen in het
licht van Der Einzige, omdat dan blijkt dat Nietzsche niet meer dan een
banale
plagiator van Stirner is, die al zijn ideeën aan Der Einzige heeft
ontleent en
dat vervolgens slechts met zijn hysterische coloriet heeft overgoten.
Nietzsche
die in zijn werken honderden andere schrijvers noemt en citeert, zwijgt
zorgvuldig over het feit dat hij Der Einzige heeft gelezen. Alleen de
vrouw van
Franz Overbeck, een vriend van Nietzsche, Ida herinnerde zich in 1899,
dat zij
rond twintig jaar daarvoor een gesprek met Nietzsche had gehad, in het
verloop
waarvan hem de woorden waren ontglipt, dat hij zich geestelijk verwant
voelde
aan Stirner. "Daarbij ging een plechtige trek over zijn gezicht.
Terwijl
ik met spanning naar zijn trekken keek, veranderden deze weer, hij
maakte iets
van een wegjagende, afwerende beweging met zijn hand en zei
fluisterend:
"Nu heb ik het u toch gezegd en ik wilde er niet over praten. Vergeet u
het weer. Men zal van plagiaat spreken, maar u zult dat niet doen, dat
weet
ik."
Nietzsche
heeft
van
“Der
Mensch”
van Stirner, “Der Übermensch” gemaakt en het is duidelijk
hoe die
aberratie van de tovenaarsleerling Nietzsche, via Heidegger geleid
heeft tot
Hitlers Herrenvolk. Verder moge duidelijk zijn hoe noodlottig het
afzetten van
Karl Marx tegen Stirner is geweest.
Hoewel
hij
kritiek op Stirner
heeft, is Albert Camus een van de weinigen geweest, die in zijn
“L’Homme
Révolté” heeft begrepen wat Stirner eigenlijk bedoelde,
hoewel noch hij, noch
Stirner zelf, duidelijk begrepen wat de uiteindelijke consequenties van
het
weer-mens-worden zouden zijn, als dat massaal zou gebeuren. Maar voor
beiden
was het ontegenzeggelijk duidelijk dat welke revolutie dan ook,
helemaal niets
zou oplossen omdat revoluties alleen maar de bordjes verhangen en
knechten
meesters en meesters knecht worden.
Der
Einzige,
L’Homme Révolté,
de voorbijganger uit het Thomasevangelie, Marsmans jongeling die groots
en
meeslepend wil leven, Lao Tzu’s wijze, verwijzen allemaal naar de weg
om weer
de oorspronkelijke mens te worden, de unieke, der Einzige, die zich
losbreekt
uit de ketens waarin hij zich vastgehouden voelt:
Ik
leef gekerkerd: ik aanvaard het niet,
sleep
rinkelend de ketens langs de muren
om
nog als tranen door mijn dromen schuren
Orpheus
te zijn in een meeslepend lied. (Quevedo)
In
opstand
komen, zoals
Stirner dat bedoelt, is niet meer meedoen, je niet meer laten
beïnvloeden, niet
meer achter leiders aanlopen, niet meer geloven in de holle praatjes
van
wetenschappers en deskundigen, je ontdoen van alles waardoor je tot een
kritiekloze consument bent geworden, je losmaken uit de ketenen van
afhankelijkheid, je bevrijden van alle denkbeelden die je je zogenaamd
“eigen”
hebt gemaakt, van alle loze tradities, van alle gehechtheden aan bezit.
Zoals
Emil Cioran dat zo prachtig verwoordt:
“Laten
wij,
na de
belachelijke kanten van utopieën aan de kaak gesteld te hebben, op
hun
verdiensten overstappen en laten wij, gezien het feit dat de mensen
zich zo
makkelijk in de maatschappelijke toestand schikken en het immanente
kwaad ervan
nauwelijks zien, hun voorbeeld volgen en in hun onbedachtzaamheid
delen. De
utopieën kunnen nooit genoeg geprezen worden voor het aan de kaak
stellen van
de kwalijke gevolgen van bezit, van de gruwel die het inhoudt en de
rampen
waarvan het de oorzaak is. De bezitter, klein of groot, is in essentie
bezoedeld en corrupt: zijn verdorvenheid straalt af op ieder voorwerp
dat hij
aanraakt of zich toeeigent. Wanneer zijn ‘fortuin’ bedreigd wordt of
men hem ervan
berooft, wordt hij gedwongen tot een bewustwordingsproces waartoe hij
normaal
gesproken nauwelijks in staat is. Om weer een menselijk voorkomen te
krijgen,
om zijn ‘ziel’ te herwinnen, moet hij geruïneerd raken en met het
verlies van
zijn vermogen instemmen. De revolutie zal hem daarbij helpen. Door hem
zijn
oorspronkelijke naaktheid terug te geven, vernietigt zij hem op de
korte
termijn, maar redt hem in absolute zin, want zij bevrijdt, innerlijk
wel te
verstaan, juist diegenen die als eerste door haar getroffen worden: de
bezitters; zij reclasseert hen, geeft hun hun vroegere dimensie terug
en voert
hen terug naar de waarden die ze verraden hebben. Maar zelfs voordat
zij in
staat is of de kans krijgt hen te treffen, houdt zij een heilzame angst
bij hen
in stand: zij verstoort hun slaap en geeft voedsel aan hun
nachtmerries, en
nachtmerries zijn het begin van metafysisch ontwaken. De revolutie
blijkt dus
als destructieve kracht nuttig te zijn; ook al zou zij rampzalig zijn,
dan zou
één ding haar altijd rehabiliteren: alleen zij weet wat
voor terreur je moet
gebruiken om die wereld van bezitters, de afgrijselijkste van alle
mogelijke
werelden, door elkaar te schudden. Iedere vorm van bezit, laten we niet
bang
zijn dat te benadrukken, onteert en verlaagt, en vleit het monster dat
in ieder
van ons sluimert. Over al is het maar zo iets als een bezem beschikken,
wat dan
ook als jouw bezit beschouwen, betekent deel hebben aan de algemene
onwaardigheid. Met wat een trots ontdek je dat niets je toebehoort, wat
een
openbaring Je beschouwde jezelf als de minste van alle mensen, en
plotseling,
verrast en als het ware verlicht door je armoede, lijd je er niet meer
onder;
integendeel, je bent er trots op. En het enige wat je nog wenst, is
even
berooid te zijn als een heilige of een krankzinnige.”( uit:
Geschiedenis en
Utopie, Arbeiderspers 2002, ISBN 90 295 0973 2)
Laten
we
eindigen met een
Litanie van die Einzigen, de eenlingen, de voorbijgangers en met name
van de
kinderen:
LITANIE
voor
alle mensen
die
denken
dat ze iets anders
moeten en kunnen worden dan mens, heb mededogen met hen
die zo hun
best doen om
aardig gevonden te worden, heb mededogen met hen
die denken
dat ze zijn wat ze
denken, heb mededogen met hen
die geloven
dat de kleren de
mens maken, heb mededogen met hen
die met drank
en drugs hun
geweten sussen, heb mededogen met hen
die geloven
dat andere
mensen, die geloven dat andere mensen etc., weten hoe ze moeten leven,
heb
mededogen met hen
die een
kunstje hebben
geleerd waar ze hun brood mee moeten verdienen, heb mededogen met hen
die
kritiekloos geloven in de
theorieën en andere hersenspinsels van de wetenschappen, heb
mededogen met hen
die zich
willoos overgeven
aan de “hulp”verleners, heb mededogen met hen
die hebben
afgeleerd om zelf
te kijken en te luisteren, heb mededogen met hen
die geloven
dat als hun
lichaam maar gezond is, hun geest dat ook zal worden, heb mededogen met
hen
die zich
moeten ontspannen
omdat ze zo gespannen zijn, heb mededogen met hen
die de tijd
doden en daarmee
de eeuwigheid verkrachten, heb mededogen met hen
die vinden
dat ze zich op
moeten sieren, omdat ze niet van zichzelf houden, heb mededogen met hen
die pillen
slikken om een
beter mens te worden, heb mededogen met hen
die leuke
dingen moeten doen
omdat ze hun manier van leven niet leuk vinden, heb mededogen met hen
die anderen
en omstandigheden
de schuld geven van hun ongeluk, heb mededogen met hen
die niet
weten waarom ze
leven en waarom ze dood gaan, heb mededogen met hen
die zich als
makke schapen
overgeven aan hun dokters, heb mededogen met hen
die hun heden
door hun
verleden laten bepalen, heb mededogen met hen
die trots
zijn als ze het
gemaakt hebben in deze maatschappij, heb mededogen met hen
die in de
illusie verkeren
dat ze uit boeken kunnen leren, hoe ze gelukkig kunnen worden, heb
mededogen
met hen
die gedwee
achter
deskundigen, geleerden en leiders aanlopen, heb mededogen met hen
die niet zijn
wat ze
eigenlijk zijn, heb mededogen met hen
die zichzelf,
de wereld en
dus de anderen ook niet begrijpen, heb mededogen met hen
die denken
dat ze nu eenmaal
zo zijn en dus niet kunnen veranderen, heb mededogen met hen
die denken
dat ze in de
toekomst kunnen kijken, heb mededogen met hen
die zo
kortzichtig zijn dat
ze in toeval geloven, heb mededogen met hen
die alles
willen horen,
behalve dat ze zelf medeverantwoordelijk zijn voor hun ongeluk, heb
mededogen
met hen
die ziende
blind en horende
doof zijn, heb mededogen met hen
die voor wat
hoort wat liefde
noemen, heb mededogen met hen
die tot hun
god bidden om hen
uit hun zelfgecreëerde en in stand gehouden tranendal te
verlossen, heb
mededogen met hen
die oorlog
vrede noemen,
slavernij vrijheid en onwetendheid kracht, heb mededogen met hen
die zich
koest laten houden
met brood en spelen, heb mededogen met hen
die denken
dat ze over de
ruggen van anderen hun geluk kunnen grijpen, heb mededogen met hen
die
schaamteloos hun
ijdelheid etaleren, heb mededogen met hen
die niet
tevreden zijn met
zichzelf, dus nooit tevreden met de anderen, heb mededogen met hen
die zich
verschuilen achter
hun maskers en dat niet eens meer beseffen, heb mededogen met hen
die zich
hedonistisch
overgeven aan genot en schijt hebben aan de wereld, heb mededogen met
hen
die met hun
eigen
onvolmaaktheden een oordeel over anderen vellen, heb mededogen met hen
die zichzelf
voor de gek
houden en zich voor de gek laten houden, heb mededogen met hen
die allemaal
vuile handen
hebben en ze in onschuld wassen, heb mededogen met hen
die zich
afsluiten voor de
ellende van hun medemensen, omdat dat in hun kraam niet te pas komt,
heb
mededogen met hen
die
bevrediging in hun werk
vinden, heb mededogen met hen
die vinden
dat de mensheid
vooruitgaat en niet zien dat ze de wereld naar de kloten helpen, heb
mededogen
met hen
die wijzen
met hun vingertje
en vergeten naar zichzelf te kijken, heb mededogen met hen
die zich niet
realiseren dat
voor hun luxe anderen zich afgesloofd hebben, heb mededogen met hen
die hun
kinderen aan deze
gedrochtelijke maatschappij offeren, heb mededogen met hen
die zeggen
dat het nou
eenmaal altijd zo geweest is en dus zo zal blijven, heb mededogen met
hen
die hun
onzekerheid achter
hun zekere masker verbergen, heb mededogen met hen
die zich over
de ruggen van
anderen naar boven werken, heb mededogen met hen
die slaaf
zijn van hun
hartstochten, verslavingen en willen, heb mededogen met hen
die niet
weten waarom ze doen
wat ze doen, heb mededogen met hen
die denken
dat ze iets anders
kunnen zijn dan mens, heb mededogen met hen
die van alles
en iedereen
afhankelijk zijn en dat vrijheid noemen, heb mededogen met hen
die zich door
hun gevulde
hoofden en niet door hun geweten laten leiden, heb mededogen met hen
die allemaal
hun “eigen”
waarheid hebben, heb mededogen met hen
die
publiekelijk schaamteloos
over hun afwijkingen praten, heb mededogen met hen
die zelf niet
horen wat ze
zeggen, laat staan wat anderen zeggen, heb mededogen met hen
die de pot
verwijten dat de
kachel zwart ziet, heb mededogen met hen
die allemaal
weten wat
normaal is, heb mededogen met hen
die denken
dat ze de natuur
kunnen verbeteren, heb mededogen met hen
die denken
dat hun eigen
mening hun eigen mening is, heb mededogen met hen
die
eigenmachtig bepalen wat
goed en fout is, heb mededogen met hen
die denken
dat ze van hun
kinderen iets moeten maken, heb mededogen met hen
die zoveel
hebben en dus niet
kunnen zijn, heb mededogen met hen
die hun recht
zoeken in een
onrechtvaardige wereld, heb mededogen met hen
die trots
zijn op hun
verworvenheden, heb mededogen met hen
die blind
zijn en zich door
blinden laten leiden, heb mededogen met hen
Vergeef
het
hen want ze weten
niet wat ze doen.
Het
hoopvolle
is dat zogauw
iemand wel beseft wat hij nou eigenlijk doet en daarmee ophoudt, hij
een
Einzige zal zijn, een unieke, een waarachtig mens.
De enige
Nederlandse
vertaling tot nu was de vertaling van Jaak Lansen, uit 1906, die als
fotoreproductie nog steeds verkrijgbaar is bij de uitgeverij
Cagliostro. Maar
het is een ongelofelijk beroerde vertaling, niet vanwege het
taalgebruik, want
Stirner is door zijn vele woordspelingen en neologismen niet eenvoudig
te
vertalen, maar door het feit dat Lansen buitengewoon slordig met de
oorspronkelijke tekst is omgegaan. Hij laat zinnen weg, voegt
eigenhandig van
alles toe, schrijft “wel” als er “niet” staat, en de vraag is of hij er
een
woordenboek bij geraadpleegd heeft. Deze nieuwe vertaling van de
oorspronkelijke Duitse tekst, is in ieder geval betrouwbaar, wellicht
geen
parel van een vertaling, maar volgt wel Stirners tekst op de voet. Rest
mij nog
wat te verduidelijken over “Het egoïsme” van Stirner, waarmee hij
iets totaal
anders bedoelt dan wat er nu voor doorgaat. Zijn egoïsme is
wellicht een wat
ongelukkig gekozen woord, maar hij bedoelt daar eigenlijk de
onafhankelijkheid
mee, het je losmaken van de bemoeizucht van anderen, anderen niet
lastig vallen,
iedereen laten zijn zoals die is en dat geldt met name voor de
kinderen. En tot
slot, waar het bij Stirner eigenlijk allemaal om draait is dat hij laat
zien
dat je geen twee dingen tegelijk kunt zijn, niet én jood
én mens, niet én
christen én mens en je kunt daar verder alles voor invullen,
bakker,
wetenschapper, marxist, kunstenaar, vader, student, homofiel, moslim,
patiënt,
Nederlander, of welk ander masker dan ook.
Thomas Eden
Voorwoord door Widukind de Ridder
Max
Stirner
werd op 25
oktober 1806 geboren te Bayreuth als Johann Caspar Schmidt en studeerde
aan de
universiteiten van Berlijn, Erlangen en Königsberg. In Berlijn
volgde Stirner
o.a. de “Vorlesungen” (hoorcolleges) van G.W.F. Hegel (1770-1831) en
Friedrich
Schleiermacher (1768-1834). Tussen 1839 en 1844 was hij leraar Duits,
literatuur en geschiedenis en maakte deel uit van "die Freien", vaak
omschreven als de Berlijnse jonghegelianen, die elkaar ontmoetten in
een
wijnbar aan de Friedrichstrasse.
In 1844 verscheen zijn magnum opus:
Der Einzige und sein Eigentum. Dit werk genoot niet alleen een enorme weerklank onder “die
Freien”,
maar werd ook druk becommentarieerd door de jonge Karl Marx
(1818-1883). Der
Einzige und sein Eigentum werd echter geen commercieel succes.
Nadat eerder
zijn eerste vrouw gestorven was in het kraambed, verliet zijn tweede
vrouw
Marie Dänhardt hem en beweerde later dat ze noch van Stirner
gehouden, noch hem
gerespecteerd had. Vanaf 1847 leidde Stirner een armtierig bestaan en
sloot
zich af van de gebeurtenissen en ontwikkelingen van zijn tijd. Zo
schijnt de
revolutie van 1848 aan hem voorbij te zijn gegaan. Wel vertaalde
Stirner nog
een aantal economische werken in het Duits, zoals de geschriften van
Adam Smith
(1723-1790) en Jean-Baptiste Say (1767-1832). Na enkele jaren op de
loop te
zijn geweest voor zijn schuldeisers stierf Stirner op 25 juni 1856 in
volslagen
anonimiteit.
Max
Stirner dankt zijn relatieve naambekendheid aan het radicale en
provocatieve Der
Einzige und sein Eigentum. Volgens sommige commentatoren speelde
hij een
niet te onderschatten rol in de intellectuele ontwikkeling van Karl
Marx en
Friedrich Nietzsche. Stirner vond nadien echter vooral weerklank in
literaire
en artistieke milieus (Marcel Duchamp, Max Ernst, enz.). Desondanks
kende Der
Einzige und sein Eigentum maar één Nederlandse
vertaling, die inmiddels al van 1907 dateert. Daarom leek het ons
aangewezen om vandaag -honderd jaar later- een
nieuwe Nederlandse vertaling te publiceren die de oorspronkelijke
Duitse tekst
op de voet volgt en bijzondere aandacht besteedt aan de specifieke
hegeliaanse terminologie die Stirner hanteerde.
Tot
nu toe hebben de meeste commentatoren zich beperkt tot de nogal voor de
hand
liggende vergelijking tussen Stirner en het negentiende eeuwse
anarchisme en
nihilisme. Daardoor wordt weinig ruimte gelaten voor de veelzijdigheid
en de
complexiteit van Der Einzige und sein Eigentum en de
jonghegeliaanse
context waarbinnen het ontstond. Alleen tegen die achtergrond kan men
Stirners
ironie ten volle begrijpen en vermijden dat talloze impliciete en
expliciete
verwijzingen naar Hegel letterlijk worden genomen. Het leek ons
aangewezen om
daar in het nawoord op in te gaan, waar we een meer algemene poging
zullen
ondernemen om Stirners denken inzichtelijk te maken.
Het
boek kan moeilijk herleid worden tot eender welk “-isme”. Mede daarom
blijft
het verbazend actueel. Het bevat stof om de bestaande ideologie en
uiteenlopende denksystemen te bevragen, maar zonder een alternatief in
de
plaats te stellen.
De
lezer
blijft achter met
een weggevaagde horizon, maar ook met het besef dat de lach het meest
geschikte
middel is om met alle bestaande ideeën en instanties om te gaan
aangezien het
onmogelijk is om zich er volledig aan te onttrekken.
Al
is Der Einzige und sein Eigentum ontstaan binnen een specifieke
historische context, toch blijft Stirners algemene kritiek op de
filosofie en
op de bestaande mens- en wereldbeelden opvallend actueel. Bovendien
maakt de
frivole en ironiserende stijl de lectuur van dit werk tot een boeiende
en intrigerende
ervaring. De lezer die van begin tot einde een fijne glimlach om zijn
lippen
voelt spelen, is zeker niet immuun geworden voor uiteenlopende
denksystemen,
maar kan toch zeggen: Ik heb mijn zaak op niets gesteld.
Brussel,
november
2007
Widukind
De
Ridder
I
Een Mensenleven
Vanaf het ogenblik dat
hij het licht van de wereld
aanschouwt, probeert een mens uit de warboel van de wereld, waarin ook
hij met
al het andere heen en weer geworpen wordt, zichzelf te
ontdekken en vat
op zichzelf te krijgen.
Toch verdedigt zich
opnieuw alles
wat met het kind in aanraking komt tegen zijn ingrijpen en houdt zijn
eigen
bestaan in stand.
Omdat iedereen een
gevoel van
eigenwaarde heeft en tegelijkertijd steeds met anderen in botsing
komt, is
het gevecht om het zelfbehoud onvermijdelijk.
Zegevieren of het onderspit
delven, tussen die twee
alternatieven schommelt de strijd heen en weer. De overwinnaar wordt meester,
de
overwonnene
de
onderdaan: de één oefent zijn
superioriteit en “de
rechten van de superieure” uit, de ander vervult in eerbied en respect
zijn
“plichten van de onderdaan”.
Maar vijanden van elkaar
blijven
beiden en liggen altijd op de loer: ze loeren op de zwakheden van de
ander:
kinderen op die van hun ouders en ouders op die van hun kinderen (bv.
hun
angst), of de stok overwint de mens of de mens overwint de stok.
In de kindertijd neemt de
bevrijding
een zodanig verloop dat we achter het wezen van de dingen of ”achter de
dingen”
proberen te komen: daarom luisteren we al hun zwakheden af, waar zoals
bekend
is kinderen een zeker instinct voor hebben, daarvoor breken en ontleden
we
graag, snuffelen zo graag in verborgen hoeken, spieden naar het
verhulde en
verborgene en beproeven alles.
Pas als we daarachter
gekomen zijn,
voelen we ons zeker; zijn we er bv. achtergekomen dat de roede
tegenover onze
trots te zwak is, dan vrezen we haar niet meer, “we zijn haar
ontgroeid”.
Achter de roede staat
machtiger dan
zij, onze trots, onze trotse moed. Wij komen geleidelijk achter alles
wat voor
ons eng en niet pluis was, de enge gevreesde macht van de roede, het
strenge
gezicht van de vader, enz. en achter alles vinden we onze ataraxie dat
wil
zeggen: onze onverstoorbaarheid, onverschrokkenheid, onze tegenkracht,
overmacht en onbedwingbaarheid. Wat ons eerst vrees en respect
inboezemde daar
trekken we ons niet schuw meer voor terug, maar vatten moed.
Achter
alles vinden we onze moed, onze superioriteit; achter het barse
bevel
van de meerderen en ouders, staat immers onze moedige instemming of
onze
verschalkende slimheid. En hoe méér we ons voelen, des te
minder schijnt het,
wat tevoren onoverwinnelijk leek. En wat is onze list, slimheid, moed,
trots? Wat
anders dan geest! Een geruime tijd blijven we van
één gevecht dat ons
later zo de adem beneemt, verschoond nl. van het gevecht tegen de rede.
De
mooiste kindertijd gaat voorbij zonder dat het nodig was met de rede te
worstelen. We bekommeren ons in het geheel niet om haar, laten ons met
haar
niet in en nemen geen rede aan. Door overtuiging brengt men ons
tot niets
en voor goede redenen, principes, enz., zijn we doof; tegen
liefkozingen,
straffen en dergelijke kunnen we echter heel slecht.
Dit bittere gevecht op
leven en dood
met de rede treedt pas later op en dan begint een nieuwe fase: tijdens
de
kindertijd dartelen we rond, zonder veel te piekeren.
Geest heet onze eerste
vondst, de eerste ontgoddelijking
van het goddelijke, d.w.z. van het enge, de spoken, de ”hogere
machten”. Ons fris,
jeugdig gevoel, het gevoel van eigenwaarde, wordt door niets meer
geïmponeerd:
de wereld is minderwaardig verklaard, we staan daarboven, we zijn geest.
Nu pas zien we dat we de
wereld tot dan toe helemaal
niet met geest aanschouwd, maar gewoon aangestaard hebben.
Op het natuurgeweld
oefenen
we onze eerste krachten. Ouders imponeren ons als natuurgeweld; later
heet het:
dat je vader en moeder moet verlaten en alle natuurgeweld als
vernietigd moet
beschouwen. Ze zijn overwonnen. Voor de redelijken, d.w.z. “geestelijke
mensen”, bestaat de familie niet als natuurgeweld; er treedt een breuk
met ouders,
zusters, broeders, enz. op. Wanneer deze als geestelijke, redelijke
machten “wedergeboren”
worden, dan zijn ze helemaal niet meer wat ze voor die tijd waren.
En niet alleen de ouders, maar vooral de
mensen worden
door de jonge mens overwonnen: ze zijn voor hem geen hinderpaal meer en
er
wordt door hem geen rekening meer mee gehouden; want nu heet het: God
moet men
meer dan de mensen gehoorzamen.
Al het “aardse”
wijkt voor dit hoge standpunt in een
verachtelijk verschiet terug: want dit standpunt is het hemelse.
De houding is nu helemaal
omgedraaid, de jongeling neemt een geestelijke houding aan terwijl de
knaap,
die zich nog geen geest voelde, in een geestloos leren opgroeide. De
één
probeert niet de dingen machtig te worden, bv. de geschiedenisfeiten
in zijn hoofd te stampen, maar de gedachten die in de dingen
verborgen
liggen dus de geest van de geschiedenis; de knaap daarentegen
begrijpt
wel de verbanden, maar niet de ideeën, niet de geest;
daarom rijgt hij
het ene leerbare aan het andere zonder apriorisch en theoretisch te
werk te
gaan, d.w.z. zonder naar ideeën te zoeken. Moest men in de
kindertijd de
weerstand van de wereldwetten overwinnen, nu stoot men bij
alles wat men
van plan is op een influistering van de geest, van de rede, van het eigen
geweten:
“Dat is onverstandig, onchristelijk, onpatriottisch” en dergelijke meer
roept het
geweten ons toe en doet ons ervoor terugschrikken. Niet de macht van de
wrekende Eumeniden, niet de toorn van Poseidon, niet God, in zoverre
deze ook al
het verborgene ziet, niet de strafroede van de vader vrezen we, maar
het geweten.
We “zitten nu aan onze
gedachten
vast” en volgen hun geboden net zo op, als we voor die tijd de
ouderlijke en
menselijke geboden opvolgden. Onze daden richten zich op dezelfde
manier naar
onze gedachten (ideeën, voorstellingen, ons geloof) zoals in de
kindertijd naar
de bevelen van onze ouders.
Als kind hebben we ook gedacht, maar onze
gedachten
waren geen onwerkelijke, abstracte, absolute, d.w.z. niet slechts
gedachten, een hemel op zich, een zuivere gedachtewereld, logische
gedachten.
Het zijn integendeel
alleen maar
gedachten geweest die we over een zaak maakten: we stelden ons
een ding
zus of zo
voor. We
dachten wel: de wereld die we daar zien, heeft God geschapen; maar
bedachten (“onderzochten”)
niet de “diepte van de Godheid zelve”. Wij dachten wel: “Dat is het
ware aan de
zaak”, maar wij dachten zelf niet het ware of de waarheid en maakten
het niet
tot de ene zin: “God is de waarheid”. De “diepte van de Godheid, die de
Waarheid is” raakten we niet. Bij zulke zuiver logische, d.w.z.
theologische vragen
als “wat is waarheid” blijft Pilatus niet stil staan, alhoewel hij er
in
afzonderlijke gevallen niet aan twijfelt te kunnen opsporen “wat het
ware aan
de zaak” is, dat wil zeggen of de zaak waar is.
Elke aan een zaak
verbonden gedachte is nog niet slechts
een gedachte, een absolute gedachte.
De zuivere gedachten
te
voorschijn roepen of je daaraan overgeven, is het verlangen van de
jeugd en
alle lichtgestalten van de gedachtewereld zoals waarheid, vrijheid,
mensheid, de
mens, enz. verlichten en bezielen de jeugdige ziel.
Is echter de geest als
het wezenlijke onderkend, dan maakt
het toch uit of de geest arm of rijk is en daarom probeert men rijk aan
geest
te worden: de geest wil zich uitbreiden, zijn rijk vestigen, een rijk
dat niet
van deze wereld is, de zojuist overwonnene. Zo hunkert hij er dan naar
om alles
in alles te worden, d.w.z. hoewel ik geest ben, ben ik toch niet een volmaakte
geest en moet daarom eerst de volmaakte geest zoeken.
Daardoor echter verlies
ik, die me
net als geest gevonden had, mezelf meteen weer omdat ik me voor de
volmaakte
geest als een mij niet eigen, maar een volmaakt andere buig en
mijn
leegheid voel.
Op geest komt nu vrijwel
alles aan,
maar is ook elke geest de “juiste” geest? De juiste en ware geest is
het ideaal
van de geest, de “heilige geest”.
Hij is niet mijn of
jullie geest,
maar juist een ideale, een volmaakt andere, hij is “God”, “God
is
geest”. En deze volmaakt andere “Vader in de hemel geeft hen, die hem
vragen”.[2]
De man onderscheidt zich
van de
jongeling doordat hij de wereld neemt zoals zij is in plaats van haar
slecht te
wanen en haar te willen verbeteren d.w.z. naar zijn idealen te
modelleren; in
hem vestigt zich de mening dat men met de wereld in zijn eigen belang
moet omspringen en niet volgens zijn idealen.
Zolang men zich enkel als
geest
weet en al zijn waarde erin legt geest te zijn (het valt de jongeling
licht zijn
leven, het “lijfelijke” voor een niets op te geven, voor de
allerdwaaste
krenking van de eer) zolang heeft men ook alleen maar gedachten,
ideeën
die
men
eenmaal,
zodra men er een werkkring voor gevonden heeft, hoopt
te
kunnen verwezenlijken; men heeft voorlopig dus alleen maar idealen,
niet
verwezenlijkte
ideeën
of
gedachten.
Pas als men zichzelf lijfelijk
bemint en zichzelf in
levende lijve prettig vindt, dan bevindt men zich echter op rijpere
leeftijd,
bij de man, pas dan heeft men een persoonlijk of egoïstisch
belang dat
wil zeggen niet alleen een belang van onze geest, maar integendeel
totale
bevrediging, een bevrediging van de hele kerel, een zelfzuchtig
belang.
Vergelijk toch eens een man met een jongeling of hij jullie niet
harder, minder
grootmoedig, zelfzuchtiger lijkt? Is hij daarom slechter? Jullie zeggen
nee,
hij is alleen duidelijker of zoals jullie het ook wel noemen
“praktischer”
geworden. Hoofdzaak is evenwel dat hij zichzelf meer tot
middelpunt
maakt dan de jongeling die met iets anders bv. God, vaderland en
dergelijke
“dweept”.
Daarom vertoont de man
een tweede
zichzelf-vinden.
De jongeling vond
zichzelf als geest
en verloor zich weer in de algemene geest, de volmaakte,
heilige geest, de
mens, de mensheid, kortom in allerlei idealen: de man vindt zichzelf
als geest
in levende lijve.
Knapen hebben alleen maar
ongeestelijke
d.w.z. gedachteloze en ideeënloze belangen, jongelingen enkel geestelijke,
de
man
werkelijke,
persoonlijke, egoïstische belangen.
Wanneer het kind geen voorwerp
heeft waarmee het zich kan bezig houden, dan verveelt het zich: want
met zichzelf
kan het zich nog niet bezig houden. Omgekeerd gooit de jongeling het
voorwerp
aan de kant omdat voor hem uit het voorwerp gedachten
voortkwamen: hij
houdt zich met zijn gedachten bezig, zijn dromen, is geestelijk bezig
of liever
“zijn geest is bezig”.
Al het niet geestelijke
vat de jongeling samen onder de
verachtelijke benaming “uiterlijkheden”.
Wanneer hij zich
desalniettemin aan
de meest kleingeestige uiterlijkheden vastklampt (bv. studentenmanieren
en
andere formaliteiten) dan gebeurt dat omdat en wanneer hij daarin iets geestelijks
ontdekt, d.w.z. als ze voor hem symbolen zijn.
Zoals ik mijzelf achter
de dingen
vind en wel als geest moet ik mijzelf later ook achter de gedachten
vinden nl. als hun schepper en eigenaar. In de tijd van de
geest
groeiden de gedachten mij, wiens voortbrengselen ze toch waren, boven
het
hoofd: als koortsfantasieën zweefden ze om mij heen en
beangstigden ze mij, een
huiveringwekkende macht. De gedachten waren voor zichzelf in
levende lijve
geworden, waren spoken zoals God, Keizer, Paus, Vaderland, enz. Als ik
hun
levend lijf verstoor, dan neem ik het in het mijne terug en zeg: Ik
alleen ben
in levende lijve. En nu neem ik de wereld voor wat ze voor mijzelf is
namelijk
als de mijne, als mijn eigendom: Ik betrek alles op mijzelf.
Zou ik als geest de
wereld in de
diepste wereldverachting terugstoten, dan stoot ik als eigenaar nu de
geesten
of ideeën in hun ”ijdelheid” terug. Ze hebben geen macht meer over
mij zoals
over de geest geen “aards geweld” macht heeft.
Het kind was realistisch,
in de
dingen van deze wereld gevangen totdat het hem langzamerhand lukte zelf
achter
deze dingen te komen; de jongeling was idealistisch, door gedachten
bezield,
tot hij zich tot een man opwerkte, de egoïstische, die met de
dingen en
gedachten naar hartelust omspringt en zijn persoonlijke belang boven
alles
plaatst. Tot slot de grijsaard? Als ik er een word, is er nog tijd
genoeg om
daarover te spreken.
II
Mensen van de Oude en de
Nieuwe Tijd
Zoals ieder van ons zich
ontwikkelde, wat hij nastreefde,
bereikte of miste, welk doel hij ooit nastreefde en aan welke plannen
en wensen
zijn hart een ogenblik hing, welke veranderingen zijn meningen, welke
schokken
zijn principes ervaarden, kortom hoe hij vandaag geworden is wat hij
gisteren of jaren geleden nog niet was: dat haalt hij meer of
minder
gemakkelijk uit
zijn geheugen weer te voorschijn en ondervindt pas dan echt levendig
welke
veranderingen in hemzelf plaats hebben gehad, wanneer het leven van
iemand
anders zich voor zijn ogen afrolt.
Laten we daarom eens naar
het gedoe kijken dat onze
voorouders misleid heeft.
1. De Ouden
Omdat men nu eenmaal
gewend is om onze voorchristelijke
voorouders de naam van ”ouden” te geven, willen wij hen niet voor de
voeten
werpen dat zij vergeleken met ons, ervaren mensen, eigenlijk kinderen
genoemd
zouden moeten worden en hen liever maar zoals altijd als onze goede
ouden eren.
Hoe zijn ze er echter toe gekomen te verouderen en wie heeft hen door
zijn
voorgewende nieuwigheid kunnen verdringen?
We kennen de
revolutionaire
nieuweling en respectloze erfgenaam wel die de Sabbat van de Vaderen
ontheiligde om zijn zondag te kunnen heiligen en de tijd in zijn loop
onderbrak
om voor zichzelf met een nieuwe tijdrekening te beginnen. We kennen hem
en
weten dat het de christen is. Blijft hij echter eeuwig jong en is hij
nu nog de
nieuwe of zal ook hij ouderwets gemaakt worden zoals hij de “ouden”
ouderwets
gemaakt heeft?
De ouden zullen de jonge
die hen
verdrong zelf wel voortgebracht hebben. Laten we deze voortbrenging dan
eens
bespieden.
“Voor de ouden was de
wereld een
waarheid” zegt Feuerbach, maar hij vergeet de belangrijke toevoeging te
maken:
een waarheid, achter de onwaarheid waarvan zij probeerden te komen en
uiteindelijk ook werkelijk kwamen. Wat er uit de woorden van Feuerbach
begrepen
moet worden, is gemakkelijk te begrijpen wanneer men ze met de
christelijke
stelling over de “ijdelheid en vergankelijkheid van de wereld”
vergelijkt.
Zoals de christen zich namelijk nooit van de ijdelheid van Gods woord
kan
overtuigen, maar aan de eeuwige en onwrikbare waarheid daarvan gelooft,
die hoe
dieper men die onderzoekt alleen maar glansrijker voor de dag moet
komen en
moet triomferen: zo leefden de ouden van hun kant in de mening dat de
wereld en
wereldse verhoudingen (bv. de natuurlijke bloedband) het ware was
waarvoor hun
onmachtig ik zich moest buigen. Uitgerekend datgene waaraan de ouden de
grootste waarde toekenden, wordt door de christenen als waardeloos
verworpen en
wat de één als waarheid erkende, brandmerkte de ander als
een ijdele leugen. De
belangrijke betekenis van het vaderland verdwijnt en de christen moet
zich als
een “vreemdeling op aarde” beschouwen[3],
het
heilige begraven van de doden, waaruit een kunstwerk als de Antigone
van
Sofokles ontstond, wordt als meelijwekkend bestempeld (“laat de doden
hun doden
begraven”) de onverbrekelijke waarheid van de onschendbaarheid van de
familiebanden wordt als een onwaarheid voorgesteld waarvan men zich
niet tijdig
genoeg kan losmaken
en zo gaat het met alles.
Ziet men nu in dat voor
beide
partijen het omgekeerde als waarheid geldt, voor de één
het natuurlijke, voor
de ander het geestelijke, voor de één de aardse dingen en
verhoudingen, voor de
ander het hemelse (het hemelse vaderland, het “Jeruzalem dat daar boven
is”,
enz.) dan valt nog altijd te zien hoe uit de oudheid de nieuwe tijd en
deze
onloochenbare omkering tevoorschijn kon komen. De ouden hebben er
echter zelf
naartoe gewerkt door hun waarheid in leugen te veranderen.
Vallen we meteen binnen
in de
glansrijke jaren van de ouden, de eeuw van Perikles. Toen greep het
sofistische
tijdsbeeld om zich heen en Griekenland dreef de spot met wat hen heel
lang
bittere ernst was geweest.
Te lang waren de Vaderen
door het
geweld van het onaantastbare bestaan geknecht dan dat de nakomelingen
uit die
bittere ervaringen niet hadden kunnen leren zichzelf te voelen.
Met
moedige vrijpostigheid spreken de sofisten daarom het vermanende woord
uit:
“Laat je niet overbluffen!” en verbreiden de verlichte leerstelling:
“Gebruik
tegen alles je verstand, je vernuft, je geest; met een goed en geoefend
verstand komt men het best de wereld door, bezorgt men zich het beste,
het
meest aangename leven.” Ze erkennen dus in de geest het echte wapen
tegen de
wereld. Daarom slaan ze de dialectische behendigheid, bekwaamheid in
het
spreken, de disputeerkunst, enz. zo hoog aan. Ze verkondigen dat de
geest tegen
alles te gebruiken is; maar van de heiligheid van de geest zijn ze nog
ver
verwijderd want hij gold voor hen als middel, als wapen, zoals
bij
kinderen list en trots daartoe dient: hun geest is het onomkoopbare verstand.
Heden ten dage zou men
zoiets een
eenzijdige vorming van het verstand noemen en de volgende vermaning
daaraan
toevoegen: ontwikkel niet alleen maar je verstand, maar ook je hart.
Datzelfde
deed Sokrates. Zou namelijk het hart niet van zijn natuurlijke
driften
verlost worden, maar met de meest toevallige inhoud gevuld blijven en
iets
vanzelfsprekend begerenswaardigs volledig in de macht van de dingen dat
wil
zeggen: slechts als een vat gevuld met allerlei lusten,
blijven, dan zou
het niet kunnen missen dat het vrije verstand het “slechte hart” zou
moeten
dienen en bereid zou zijn alles te rechtvaardigen wat het kwade hart
begeerde.
Daarom zegt Sokrates, het
volstaat
niet dat men bij alle zaken zijn verstand gebruikt, maar het komt er op
aan
voor welke zaken men zich inspant. We zouden tegenwoordig
zeggen: men
moet de “goede zaak” dienen. Maar de goede zaak dienen wil zeggen
zedelijk
zijn. Daarom is Sokrates de grondlegger van de ethiek.
Ongetwijfeld moest het
principe van
de sofisten ertoe leiden dat de meest onzelfstandige en blinde slaaf
van zijn
begeerten toch een voortreffelijk sofist kon zijn en met
scherpzinnigheid alles
ten gunste van zijn rauwe hart kon uitleggen en onderbouwen. Waar ter
wereld is
er eigenlijk iets waar niet een “goede reden” voor te vinden zou zijn
en wat
niet te verdedigen zou vallen?
Daarom zegt Sokrates: je
moet
”zuiver van hart zijn” zodat men rekening houdt met je schranderheid.
Van
hieraf begint de tweede periode van de Griekse bevrijding van de geest,
de
periode van de zuiverheid van het hart. De eerste kwam nl. door de
sofisten ten
einde omdat ze de almacht van het verstand proclameerden. Maar het hart
bleef wereldsgezind,
bleef een knecht van de wereld, steeds door wereldse wensen geprikkeld.
Dit
ruwe hart zal van nu af aan beschaafd worden: dus hebben we nu de tijd
van de beschaving
van het hart. Op welke manier moet het hart echter beschaafd worden?
Wat
het verstand, deze ene kant van de geest bereikt heeft nl. de
bekwaamheid met
en over de hele inhoud vrij spel te hebben, daar staat ook het hart
voor: al
het wereldse moet voor het hart een schande worden zodat ten
slotte
familie, gemeenschap, vaderland en dergelijke omwille van het hart
d.w.z. ter
wille van de zaligheid, ter wille van de zaligheid van
het hart
worden opgegeven.
De dagelijkse ervaring
leert ons dat
het verstand reeds lang de zaak vaarwel kan gezegd hebben terwijl het
hart daar
nog vele jaren voor klopt. Zo was ook het sofistisch verstand zozeer
meester
geworden over de heersende oude machten dat deze alleen nog maar uit
het hart,
waarin ze zo ongestoord huisden, verjaagd moesten worden om
uiteindelijk in het
geheel geen deel meer aan de mens te hebben.
Deze strijd werd door
Sokrates
aangeprezen en bereikte zijn vredesverdrag pas in de stervensdagen van
de oude
wereld.
Met Sokrates begint het
onderzoeken
van het hart en alle inhoud van het hart wordt gezift. In hun laatste
en
uiterste inspanningen wierpen de ouden alle inhoud uit hun hart en
lieten het
nergens meer voor kloppen: dit was de daad van de sceptici. Diezelfde
reinheid
van het hart, die het verstand in de sofistische tijd tot stand
gebracht had,
werd nu in de sceptische ook door het hart bereikt.
De sofistische beschaving
heeft
ervoor gezorgd dat het verstand nergens meer voor stil staat en
de
sceptische dat het hart nergens meer door bewogen wordt.
Zolang de mens in
wereldse zaken is
verwikkeld en door zijn betrekkingen tot de wereld bevangen wordt — en
dit is
tot het einde van de oudheid zo omdat zijn hart nog altijd voor de
onafhankelijkheid van het wereldse moet worstelen — zolang is hij nog
geen
geest; want de geest is niet lijfelijk en heeft geen relatie met de
wereld en
het lijfelijke: voor hem bestaat de wereld niet, bestaan geen
natuurlijke
banden, alleen maar het geestelijke en geestelijke banden. Daarom moest
de mens
eerst zo volkomen onverbiddelijk en onbezorgd, zo volledig zonder
relaties
worden als de sceptische beschaving hem voorstelt, zo volledig
onverschillig
tegenover de wereld dat hem haar instorting zelfs niet zou raken,
voordat hij
zich als wereldvrij d.w.z. als geest zou kunnen voelen. En dit is het
resultaat
van het reuzenwerk van de ouden, nl. dat de mens zich als een relatie-
en
wereldloos wezen, als geest zou kunnen beschouwen.
Nu pas, nu hem alle
wereldse zorgen
verlaten hebben, is hij voor zichzelf alles in alles, bestaat alleen
voor
zichzelf d.w.z. is geest voor de geest of duidelijker: bekommert zich
alleen om
het geestelijke.
In het christelijke
slangenvernuft
en duivenonschuld zijn de beide zijden van de antieke bevrijding van de
geest,
zijn verstand en hart, zo volmaakt dat ze weer jong en nieuw lijken,
zich noch
door het ene, noch door het andere meer door het wereldse, natuurlijke
laten
overbluffen.
Tot geest werkten
de ouden zich op en ze streefden
ernaar geestelijk te worden. Maar een mens die als geest
werkzaam wil
zijn, wordt tot heel andere vraagstukken aangetrokken, dan hij voor die
tijd
aan zichzelf kon stellen, tot vraagstukken die echt de geest en niet
het naakte
verstand of scherpzinnigheid bezigheid verschaffen, het
verstand dat
zich alleen maar inspant om macht over de dingen te verwerven. Alleen
met het
geestelijke bemoeit zich de geest en in alles zoekt hij de “sporen van
de
geest” op: voor de gelovige geest ”komt alles van God” en het
interesseert hem maar in zoverre dat het deze afkomst duidelijk maakt;
voor de filosofische
geest verschijnt alles met de stempel van de rede en interesseert hem
maar voor
zover hij er rede d.w.z. geestelijke inhoud in kan ontdekken.
Dus niet de geest die
zich eenvoudigweg niet met iets
ongeestelijks, niet met dingen, maar alleen met het wezen dat
achter en
boven de dingen aanwezig is, met de gedachten te maken heeft,
niet die
geest vermoeide de ouden, want ze bezaten die nog niet; neen, voor hem
vochten
ze en naar hem hunkerden ze pas en scherpten hem tegenover hun
overmachtige
vijand, de zinnelijke wereld (wat was voor hen echter allemaal niet
zinnelijk,
omdat Jehova of de Goden van de heidenen nog ver van het begrip “God is
geest”
verwijderd waren, omdat in plaats van het zinnelijke vaderland het
“hemelse”
nog niet gekomen was, enz?) ze scherpten hun zintuigen tegen de
zinnelijke
wereld, de scherpzinnigheid.
Heden nog zijn de joden,
deze
waanwijze kinderen van de oudheid, niet verder gekomen en kunnen met al
hun
subtiliteit en kracht van hun scherpzinnigheid en vernuft die de dingen
met
weinig moeite meester kan worden en hen kan dwingen hem te dienen, de
geest die van de dingen helemaal niets maakt, niet vinden.
De christen heeft
geestelijke
belangen omdat hij zichzelf toestaat een geestelijk mens te
zijn; de
jood begrijpt deze belangen en de zuiverheid ervan helemaal niet omdat
hij het
zichzelf niet toestaat de dingen geen waarde toe te kennen. Het lukt
hem niet
de zuivere geestelijkheid te bereiken, een geestelijkheid zoals
ze
religieus bv. in het alleen, d.w.z. zonder werken rechtvaardigend geloof
van de christenen uitgedrukt wordt. Hun geesteloosheid
verwijdert de
joden voor altijd van de christenen; want voor de geestloze is de
geestelijke
onbegrijpelijk, net zoals de geestloze voor de geestelijke verachtelijk
is. De
joden bezitten alleen maar de “geest van deze wereld”.
De oude scherpzinnigheid
en diepzinnigheid ligt zo ver van
de geest en de geestelijke wereld van de christenen verwijderd als de
aarde van
de hemel.
Hij die zich een vrije
geest voelt, wordt voor de dingen van
deze wereld niet somber en bang omdat hij er niet op let; ondervindt
men toch
nog hun druk, dan is dit een bewijs dat men nog bekrompen genoeg is om
daar waarde
aan te hechten, waar blijkbaar ook toe behoort dat het zo iemand nog om
het
“lieve leven” gaat. Voor wie het er alleen maar op aankomt om zich een
vrije
geest te voelen en te bewegen, is het van geen belang hoe armzalig het
hem
daarbij gaat en hij denkt er helemaal niet over na wat hij moet doen om
werkelijk vrij en genoeglijk te leven. De ongemakken van het van de
dingen
afhankelijke leven storen hem niet omdat hij alleen maar geestelijk en
van
geestelijk voedsel leeft, dat hij overigens zonder het nauwelijks te
weten
alleen maar vreet en verslindt en wanneer de vraatzucht ophoudt, sterft
hij
weliswaar lichamelijk, maar als geest is hij zich ervan bewust
onsterfelijk te zijn
en onder een vrome aandacht of gedachte sluit hij de ogen. Zijn leven
bestaat
uit een zich bezig houden met het geestelijke, is denken, het
overige hindert
hem niet; al houdt hij zich aandachtig in beschouwing of filosofisch
bewust met
het geestelijke bezig zoals hij altijd kan en wil, altijd bestaat zijn
werk uit
het denken en daarom kon Cartesius voor wie dit uiteindelijk helemaal
duidelijk
geworden was zeggen: “Ik denk, wil zeggen: Ik ben.” Mijn denken, heet
het daar,
vormt Mijn Bestaan of Mijn Leven; alleen wanneer ik geestelijk leef,
leef ik;
alleen als geest ben ik werkelijk of: ik ben door en door geest en
niets dan geest.
De ongelukkige Peter Schlemiehl die zijn schaduw verloren heeft, is het
portret
van de tot geest geworden mens; want het geestelijk lichaam heeft geen
schaduw.
Hoe anders was het daarentegen bij de ouden! Hoe sterk en mannelijk ze
zich ook
tegenover het geweld van de dingen mochten gedragen, het geweld zelf
moesten ze
toch erkennen en verder brachten ze het niet, dan dat ze hun leven
zo
goed mogelijk daartegen beschermden. Pas later erkenden ze dat hun
“waarachtige
leven” niet het tegen de dingen van de wereld vechtende leven was, maar
het
“geestelijke”, het van deze dingen “afgewende” en toen ze dit inzagen,
werden
ze christenen d.w.z. de “nieuwen” en nieuweren vergeleken met de ouden;
het van
de dingen afgewende, het geestelijke leven haalt echter geen voedsel
meer uit
de natuur, maar “leeft alleen maar van gedachten” en is daardoor geen
“leven”
meer, maar denken.
Nu moet men echter niet
geloven dat de
ouden gedachteloos waren net zomin als men zich de geestelijke
mens mag
voorstellen alsof die levenloos zou kunnen zijn. Veeleer hadden ze over
alles
nl. de wereld, de mensen, de goden, enz. hun gedachten en lieten zien
dat ze
heel ijverig waren met dat in hun bewustzijn te brengen. Alleen de
gedachten kenden ze niet, alhoewel ze ook aan van allerlei dachten en
“zich met
hun gedachten plaagden”. Vergelijk hen maar met de christelijke spreuk:
“Mijn
gedachten zijn niet uw gedachten en net zoveel als de hemel hoger is
dan de
aarde, zijn mijn gedachten ook hoger dan de uwe” en herinner je wat
boven over
onze kindergedachten gezegd werd.
Wat zoekt de oudheid dus?
Het ware levensgenot, de
genietingen van het leven! Uiteindelijk zal dat op het “ware
leven” uitdraaien.
De Griekse dichter
Simonides zingt:
“Gezondheid is het meest edele voor de sterfelijke mens, het daarop
volgende is
schoonheid, het derde: rijkdom verkregen zonder valsheid, het vierde:
gezellige
vriendschap, het genot in gezelschap van vrolijke vrienden.” Dat zijn
allemaal levensdeugden,
levensvreugden.
Waarnaar verlangde
Diogenes van
Sinope anders naar dan het werkelijke levensgenot dat hij in het hebben
van de
kleinst mogelijke behoefte ontdekte? Waarnaar Aristippus, die haar in
een onder
alle omstandigheden vrolijke stemming terugvond? Ze wilden vrolijke,
zuivere levensmoed,
de vrolijkheid, ze wilden “goede dingen te zijn”.
De stoïcijnen willen
de wijze verwezenlijken,
de man van de levenswijsheid, de man die weet te leven
dus een
wijs leven; ze vinden dit in de verachting van de wereld, in een leven
zonder
levensontwikkeling, zonder uitbreiding, zonder vriendelijke
verstandhouding met
de wereld d.w.z. een geïsoleerd leven, in het leven als
leven, niet in
het meeleven: alleen de stoïcijn leeft, al het andere is
dood voor hem.
Omgekeerd verlangen de epicuristen naar een veelbewogen leven.
De ouden
verlangden, omdat ze
goede dingen wilden zijn, naar welzijn (de joden met name naar
een lang,
met kinderen en goederen gezegend leven) naar de Eudaemonie, het
welzijn in de
meest verscheidene vormen. Democritus bv. roemt als zodanig de
“gemoedsrust”
waarin het “zacht is te leven”, zonder vrees en zonder
opwinding.
Hij denkt dat men met
haar het beste
af is, men zich het aangenaamste leven bezorgt en het beste door de
wereld
komt. Wie echter niet van de wereld kan loskomen, dit juist niet kan
omdat zijn
hele bezigheid opgaat aan het aanwenden van zijn krachten om van de
wereld
verlost te raken dus in het verzaken van de wereld
(waartoe toch
noodzakelijkerwijs het verzaakbare en het verzaakte moet blijven
bestaan,
tenzij er niets meer af te stoten valt) die bereikt zo hoogstens een
uiterste
graad van bevrijding en onderscheidt zich dan van de minder bevrijde
alleen
maar gradueel. Zou hij zelfs tot het doden van de aardse zinnen kunnen
komen
dat alleen nog het eenvoudige prevelen van het woord “Brahma” toelaat,
dan zou
hij zich nog niet wezenlijk van de zinnelijke mensen onderscheiden.
Zelfs de stoïcijnse
houding en mannendeugd komt er ten
slotte ook maar op neer dat de wijze zich tegenover de wereld moet
handhaven en
verdedigen en de ethiek van de stoïcijnen (hun énige
wetenschap, omdat ze niets
over de geest konden zeggen, dan hoe hij zich tegenover de wereld moest
verhouden en van de natuur (fysica) alleen dit, nl. dat de wijze zich
tegenover
haar moest handhaven) is geen leer van de geest, maar enkel een leer
van de
wereldverzaking en zelfbehoud tegenover haar. En deze bestaat in
“onverstoorbaarheid en gelijkmoedigheid van het leven” dus in de meest
uitdrukkelijke
deugd van de Romeinen. Verder dan deze levenswijsheid brachten
ook de
Romeinen het niet (Horatius, Cicero, enz.).
De welvaart (Hedonia) van
de
epicuristen is dezelfde levenswijsheid als die van de
stoïcijnen, maar
listiger, bedrieglijker. Ze leren slechts een andere houding
tegenover
de wereld, sporen alleen maar aan om een verstandige houding tegenover
de
wereld aan te nemen: de wereld moet bedrogen worden want ze is mijn
vijand.
Volledig echter wordt de
breuk met
de wereld door de sceptici volbracht. Mijn hele relatie tot de
wereld is
”waarde- en waarheidloos”. Timon zegt, “de gevoelens en gedachten die
wij uit
de wereld scheppen, bevatten geen waarheid”. “Wat is de waarheid!”
roept
Pilatus uit. De wereld is volgens de leer van Pyrrhon noch goed, noch
slecht,
noch mooi, noch lelijk, enz., dit zijn predikaten die ik haar
geef.
Timon zegt: “Op zichzelf is iets noch goed, noch slecht, maar de mens denkt
het zus of zo”, tegenover de wereld blijft alleen maar de ataraxie (de
onverstoorbaarheid) en afasie (de verstomming — of in andere woorden:
het
geïsoleerde innerlijke) over. In de wereld is “geen
waarheid meer te
vinden”, de dingen spreken zichzelf tegen, de gedachten over de dingen
zijn
zonder onderscheid (goed en slecht zijn van hetzelfde soort, zodat wat
de één
goed noemt, de ander slecht vindt): hierdoor is het met de erkenning
van de
“waarheid” voorbij en alleen maar de kennisloze mens, de mens
die
niets van de wereld kan weten, blijft over en deze mens rekent met de
waarheidloze wereld af en kan er niets van maken.
Zo rekende de oudheid met
de wereld van de dingen, de
wereldorde, het heelal, af; tot de wereldorde of de dingen van deze
wereld
behoort niet alleen de natuur, maar alle verhoudingen waarin de mens
zich door
de natuur geplaatst ziet bv. de familie, de gemeenschap, kortom de
zogenaamde
“natuurlijke banden”. Met de wereld van de geest begint dan het
christendom.
De mens die nog gewapend
tegenover de wereld staat, is een oude, de heiden (waartoe ook
de jood
als niet-christen behoort); de mens die door niets anders geleid wordt,
dan
door zijn “hartelust”, zijn deelname, medegevoel, zijn geest,
is de
nieuwe, de christen.
Omdat de ouden hun best
deden om de wereld te overwinnen
er naar streefden de mensen van de knellende banden van de samenhang
met het
andere te verlossen, gingen ze op het laatst ook over tot de
oplossing van
de staten en bevoorrechting van alle privé-zaken. Gemeenschap,
familie, enz.
zijn als natuurlijke verhoudingen lastige belemmeringen die
mijn
geestelijke vrijheid in de weg staan.
2. De Nieuwen
“Is iemand in Christus,
dan is hij een nieuw schepsel;
het oude is vergaan, zie het is allemaal nieuw geworden.”
Wordt boven gezegd: “Voor
de ouden
was de wereld een waarheid”, dan moeten we nu zeggen: “Voor de nieuwen
is de
geest een waarheid”, maar mogen zoals hierboven ook hier de toevoeging
niet
weglaten: een waarheid achter de onwaarheid waarvan ze probeerden te
komen en
uiteindelijk ook kwamen.
Eenzelfde verloop als de
oudheid
nam, laat ons ook het christendom zien omdat tot in de op de Reformatie
voorbereidende tijd het verstand onder de heerschappij van de
christelijke dogma’s gevangen gehouden werd, zich echter in de
voor-reformistische eeuw sofistisch verhief en met de
geloofspunten een
ketters spel speelde. Daarbij heette het dan met name in Italië en
aan het Roomse
hof: als het hart maar christelijk gezind blijft, mag het verstand vrij
genieten.
Men was al lang
vóór de Reformatie
zozeer aan spitsvondig “gekijf” gewend dat de paus en de meeste ook het
optreden
van Luther aanvankelijk alleen maar voor “monnikenkrakeel” aanzagen.
Het
humanisme komt overeen met het sofisme en net als ten tijde van de
sofisten het
Griekse leven in de hoogste bloei was (de periode van Pericles) bracht
men ook het
meest glansrijke tot stand ten tijde van het humanisme of, zoals men
misschien
ook kan zeggen, ten tijde van het Machiavellisme (boekdrukkunst, nieuwe
wereld,
enz.). Het hart was in deze tijd nog ver verwijderd van het zich
ontdoen van
haar christelijke inhoud.
Maar de Reformatie nam
uiteindelijk,
net als Sokrates, het hart
ernstig en sindsdien zijn de harten merkbaar onchristelijker geworden.
Terwijl
men met Luther de zaak ter harte begon te nemen, moest deze stap van de
hervorming ertoe leiden dat ook het hart van de zware last van de
christelijkheid
werd verlicht. Het hart, van dag tot dag onchristelijker, verliest alle
inhoud
waarmee het zich bezig houdt tot er ten slotte niets meer overblijft
dan de
lege hartelijkheid, die volledig algemene mensenliefde, de
liefde van
de mens, het vrijheidsbewustzijn, het ”zelfbewustzijn”.
Zo is het christendom pas
geëindigd als het kaal,
afgestorven en inhoudsloos is geworden. Er bestaat nu niets meer waar
het hart
zich niet tegen verzet behalve wanneer het er onbewust of zonder
“zelfbewustzijn”
door wordt beslopen. Het hart bekritiseert alles wat
binnendringen wil met
een niets ontziende onbarmhartigheid en is niet tot
vriendschap, tot
liefde (behalve onbewust of overrompeld) in staat. Wat valt er ook aan
de mensen
te beminnen, omdat ze toch allemaal “egoïsten” zijn, niemand de
mens als
zodanig is, d.w.z. uitsluitend geest. De christen bemint alleen
maar de
geest; maar waar bestond er ooit iemand die werkelijk niets anders dan
geest
was?
De werkelijke mens met
huid en haar
liefhebben dat zou geen “geestelijke” hartelijkheid meer zijn, dat zou
een
verraad zijn aan de “zuivere” hartelijkheid, aan de “theoretische
interesse”.
Want stel je die zuivere hartelijkheid niet voor als een
gemoedelijkheid die
iedereen vriendelijk de hand drukt; integendeel, de zuivere
hartelijkheid is
tegen niemand hartelijk, ze is alleen maar een theoretische interesse;
interesse voor de mens als mens, niet als persoon. De persoon is voor
haar
weerzinwekkend aangezien deze “egoïstisch”, omdat die niet de
mens, de idee is.
Alleen voor de idee bestaat er een theoretische interesse. Voor de
zuivere
hartelijkheid bestaan de mensen alleen maar om bekritiseerd, gehoond en
ten
diepste veracht te worden; ze zijn voor haar niet minder dan voor de
fanatieke
priesters, alleen maar “drek” of iets anders dergelijk moois. Op deze
uiterste
spits van de belangeloze hartelijkheid gedreven, moeten we uiteindelijk
vaststellen dat de geest, die door de christen alleen bemind wordt,
niets is,
of dat de geest een leugen is.
Wat tot hiertoe beknopt
en misschien
onbegrijpelijk is geschetst, zal in het volgende hopelijk duidelijk
gemaakt
worden.
Laten we dan de door de
ouden nagelaten erfenis opnemen en
er als bekwame arbeiders van maken wat er van gemaakt kan worden! De
wereld
ligt veracht aan onze voeten, diep onder ons en onze hemel waarin haar
machtige
armen niet meer ingrijpen en haar bedwelmende adem niet meer
binnendringt; hoe
bekoorlijk ze zich ook voordoet, ze kan niets anders dan onze zinnen
bekoren, de geest - en geest zijn wij toch alleen maar echt - stoort ze
niet.
Eenmaal achter de dingen gekomen, is de geest ook boven hen
verheven
en
vrij
geworden van hun banden, een ontknechte, tegenover en
buiten
deze wereld staande, vrije geest. Zo spreekt de “geestelijke vrijheid”.
Voor de geest die na
lange
inspanning van de wereld is losgekomen, de wereldloze geest, blijft na
het
verlies van de wereld en het wereldse niets meer over dan de geest en
het
geestelijke.
Omdat hij zich echter
alleen maar
van de wereld verwijdert en zich tot een van deze wereld bevrijd
wezen
heeft gemaakt, zonder haar werkelijk te kunnen vernietigen, blijft ze
voor hem
een niet te verwijderen hinderpaal, een in een kwalijk daglicht gesteld
wezen
en omdat hij anders niets dan de geest en het geestelijke kent en
erkent, kwelt
hem voortdurend de onvoldaanheid van zijn hunkering om de wereld te
vergeestelijken, d.w.z. haar uit de “ban” te verlossen. Daarom houdt
hij zich
als jongeling bezig met plannen ter verlossing of verbetering van de
wereld. De
ouden dienden zoals we zagen het natuurlijke, het wereldse, de
natuurlijke
wereldorde, maar vroegen zich onophoudelijk af of ze zich niet van deze
dienst
zouden kunnen ontslaan en wanneer ze zich doodmoe gewerkt hadden, door
steeds
vernieuwde pogingen tot opstand, werd opeens onder hun laatste zuchten
de God
geboren, de “overwinnaar van de wereld”. Al hun verrichtingen hadden
geen ander
oogmerk dan wereldse wijsheid, een streven om boven de wereld
uit te
stijgen. En wat was de wijsheid van de vele daarop volgende eeuwen?
Waar probeerden
de nieuwen achter te komen? Niet meer achter de wereld want dat hadden
de ouden
al bereikt, maar achter de God, de door de ouden nagelaten god, de god
“die
geest is”, achter alles wat over de geest gaat, het geestelijke. De
activiteit
van de geest die “zelfs de diepten van de godheid nagaat” is de godgeleerdheid.
Hadden
de
ouden
niets anders te berde te brengen dan hun wereldse
wijsheid, de
nieuwen brachten en schoppen het nooit verder dan tot godgeleerdheid.
Wij
zullen later zien dat zelfs de jongste opstanden tegen God niets anders
dan de
uiterste inspanningen van de godgeleerdheid d.w.z. theologische
opstanden zijn.
§ 1. De Geest
Het geestenrijk is
buitengewoon groot, van het geestelijke
is er oneindig veel; laten we dan eens onderzoeken wat de geest, deze
nalatenschap van de ouden eigenlijk is.
Hij ontstond uit hun
barensweeën,
maar zijzelf konden zich niet als geest uitspreken; ze konden hem
baren, maar
hij moest zelf spreken. De “geboren god”, de “mensenzoon” spreekt pas
het woord
uit als hij zegt: dat de geest d.w.z. hij, de god, met niets aards en
met
aardse betrekkingen te maken heeft, maar alleen met de geest en de
geestelijke
verhoudingen.
Is mijn onder alle slagen
van de
wereld onverdelgbare moed, mijn onbuigzaamheid en trots, omdat de
wereld daar
niets aan heeft, soms al geest in de volle betekenis van het woord? Dan
zou hij
nog in vijandschap met de wereld verkeren en al zijn doen en laten zou
zich er
alleen maar toe beperken, niet voor haar onder te doen! Nee, voordat
hij zich niet
alleen met zich bezig houdt, voordat hij niet alleen met zijn wereld,
de
geestelijke
te
maken
heeft, is hij geen vrije geest, maar
alleen maar de
“geest van deze wereld”, de wereld die aan haar gebonden is. De geest
is pas
een vrije geest d.w.z. werkelijk geest in een aan hem eigen
wereld. In
“deze”, de aardse wereld, is hij een vreemdeling. Alleen door middel
van een
geestelijke wereld is de geest werkelijk geest, want “deze” wereld
begrijpt hem
niet en kan “het meisje uit de vreemde” niet bij zich houden.
Waar echter komt deze
geestelijke
wereld voor hem vandaan? Waar anders dan uit hemzelf? Hij moet zich
openbaren
en de woorden die hij spreekt, de openbaringen waarin hij zich onthult,
zijn zijn
wereld. Zoals een fantast alleen maar in de fantasieën die hij
zelf schept
leeft en daaraan zijn wereld ontleent, zoals een dwaas zich een
eigen
droomwereld schept, zonder welke hij geen dwaas zou kunnen zijn, moet
de geest
voor zichzelf een geestenwereld scheppen en is voordat ze haar
geschapen heeft
geen geest.
Zo maken zijn scheppingen
hem tot
geest en aan het schepsel kent men de schepper: daarin leeft hij, dat
is zijn
wereld.
Wat is nu die geest? Hij
is de
schepper van een geestelijke wereld! Ook aan jou en mij ontwaart men
pas geest
als we ons het geestelijke toegeëigend hebben d.w.z. gedachten, al
zouden die
ons ook aangeleerd zijn, maar tot leven in ons gekomen zouden zijn:
want zolang
we kinderen waren heeft men ons de meest stichtende gedachten voor
kunnen
houden zonder dat we gewild of in staat geweest hadden kunnen zijn ze
in ons te
doen herleven. Zo bestaat de geest ook alleen als hij het geestelijke
schept:
hij is alleen maar samen met zijn schepsel, het geestelijke, werkelijk.
Omdat wij hem dus aan
zijn werken kennen, doet zich vanzelf
de vraag voor wat deze werken zijn. De werken of kinderen van de geest
zijn
niets anders dan geesten.
Zou ik joden, joden van
de oude
stempel voor me hebben, dan zou ik hier moeten ophouden en hen voor
deze
mysteriën laten staan net zoals ze daar ongeveer bijna tweeduizend
jaar
ongelovig en onbegrijpend voor zijn blijven staan, omdat jij echter,
mijn lieve
lezer in elk geval geen volbloed jood bent (want zo iemand zal niet tot
hiertoe
verdwalen) willen we nog een eindweegs met elkaar afleggen tot ook jij
me
misschien de rug toekeert, terwijl ik jou in je gezicht uitlach.
Wanneer iemand je zegt
dat je
volkomen geest bent, dan zul jij je lichaam betasten en hem niet
geloven, maar
antwoorden: ik heb wel een geest, besta echter niet alleen als
geest,
maar ben een lijfelijk mens. Je zult jezelf nog altijd van “je
geest”
onderscheiden. Maar antwoordt de ander dat het je bestemming is, al
beweeg jij je
ook nu nog moeilijk in de boeien van het lichaam daarheen, te zijner
tijd een
“zalige geest” te worden en hoe jij je het toekomstige voorkomen van
deze geest
ook mag voorstellen, dan is het toch zeker dat je bij je dood dit
lichaam
uittrekken kunt en toch, d.w.z. je geest, voor de eeuwigheid behouden
blijft;
daardoor is je geest het eeuwige en ware aan je, het lichaam alleen
maar een
tegenwoordige woning, die je verlaten en misschien voor een andere
verruilen
kunt.
Nu geloof je hem! Voor
het ogenblik
ben jij weliswaar niet alleen maar geest, maar wanneer je eens
het
sterfelijk lichaam moet verlaten, dan zul jij je zonder lichaam moeten
behelpen
en daarom is het nodig dat je vooruit kijkt en bijtijds voor je
eigenlijke ik
zorgt. “Wat helpe het de mensen wanneer ze de gehele wereld overwinnen
en
nemen, maar daardoor schade aan hun ziel toebrengen!”
Gesteld echter dat ook de
“twijfel”,
die in de loop van de tijd tegen de christelijke geloofsstellingen is
opgeworpen, je al lang het geloof aan de onsterfelijkheid van je geest
beroofd
heeft: één stelregel heb je vooralsnog onaangeroerd
gelaten en die ene waarheid
hang je nog altijd aan nl. dat de geest je betere deel is en dat het
geestelijke meer aanspraak op jou maakt dan al het andere. Je stemt
ondanks al
je atheïsme, met de aan de onsterfelijkheid gelovigen, in ijver
tegen het egoïsme
overeen.
Wie zie je voor
egoïsten aan? Een
mens die in plaats van een idee, d.w.z. als een geestelijke te leven en
daaraan
zijn persoonlijk voordeel op te offeren, dit laatste dient. Een goede
patriot
bv. brengt een offer op het altaar van het vaderland; dat echter het
vaderland
een idee is, valt niet te bestrijden omdat er voor, wat betreft
geestelijkheid
onbekwame, dieren of geestloze kinderen geen vaderland en geen
patriottisme
bestaat. Gedraagt iemand zich niet als een goede patriot, dan verraadt
hij met
betrekking tot het vaderland zijn egoïsme. En zo gebeurt het in
ontelbare
andere gevallen: wie zich in de menselijke maatschappij een voorrecht
ten nutte
maakt, zondigt egoïstisch tegen de idee van de gelijkheid; wie
heerschappij wil
uitoefenen, maakt men voor een egoïst uit omdat het in tegenspraak
met de idee
van de vrijheid is, enz.
Daarom veracht jij de
egoïst omdat
hij het geestelijke aan het persoonlijke ondergeschikt maakt en om
zichzelf
bezorgd is terwijl jij hem een idee zou willen zien beminnen. Je
onderscheidt
je daarin dat jij de geest, maar híj zichzelf tot middelpunt
maakt of dat jij
je ik vernielt en je “eigenlijke” ik, de geest tot gebieder van de
waardeloze
rest verheft terwijl hij van deze tweedracht niets wil weten en
geestelijke en
materiele belangen nu net volgens zijn behoefte najaagt. Jij
denkt
weliswaar alleen maar op diegenen af te geven die helemaal geen
geestelijke
interesse hebben, maar jij vervloekt inderdaad allen die de geestelijke
belangen niet als hun “ware en hoogste” beschouwen. Jij drijft de
ridderdienst
voor dit schone zover dat jij beweert dat het de enige schoonheid van
de wereld
is. Jij leeft niet jezelf, maar je geest en al datgene wat van
de geest
is d.w.z. ideeën, leven.
Omdat de geest alleen
maar bestaat als hij het geestelijke
schept, moeten we naar zijn eerste schepping uitzien. Heeft hij deze
volbracht,
dan volgt voortaan een natuurlijke voortplanting van scheppingen zoals
volgens
de mythe alleen maar de eerste mensen geschapen moesten worden en het
overige
geslacht zich vanzelf voortplantte. De eerste schepping echter moest
“uit het
niets” te voorschijn komen, d.w.z. de geest had als middel tot zijn
verwezenlijking niets dan zichzelf, of liever hij had zichzelf nog niet
eens,
maar moest zich eerst nog zelf scheppen: zijn eerste schepping is hij
daarom zelf, de geest. Hoe mystiek dit ook moge klinken toch
beleven we
dit als een
alledaagse ervaring. Ben je een denker voordat je denkt? Terwijl je de
eerste
gedachte schept, schep je jezelf de denker; want je denkt niet voordat
je een
gedachte denkt, d.w.z. hebt. Maakt niet pas je zingen je tot zanger, je
spreken
je tot een sprekend mens? Welnu, zo maakt ook het voortbrengen van het
geestelijke je pas tot geest.
Evenals je intussen toch jezelf
van de denker, zanger en spreker onderscheidt, onderscheid jij je niet
minder
van de geest en voelt je er heel goed bij dat je nog iets anders bent
dan
geest. Alleen zoals het denkende ik in het enthousiasme van het denken
gemakkelijk horen en zien vergaat, heeft ook het geestelijke
enthousiasme jou
aangegrepen en je verlangt er nu met alle geweld naar volkomen geest te
worden
en in de geest op te gaan. De geest is jouw ideaal, het
onbereikte, het
totaal andere; de geest is jouw God. “God is Geest”.
Je ijvert tegen alles wat
niet
geestelijk is en daarom ijver je tegen jezelf omdat je van een
rest van
het niet-geestelijke niet los komt. In plaats van te zeggen: “Ik
ben meer
dan geest”, zeg je verslagen: “Ik ben minder dan geest en de geest, de
zuivere
geest of de geest die niets dan geest is, kan ik me maar alleen
voorstellen,
maar ik ben het niet; en omdat ik het niet ben, is het iets anders,
bestaat als
iets anders dat ik “god” noem”.
Het ligt in de natuur van
de zaak
dat de geest, die als zuivere geest wil bestaan, een totaal andere dan
ik moet
zijn want omdat ik het niet ben, kan hij alleen buiten mijzelf
bestaan
en omdat een mens niet volkomen in het begrip “geest” opgaat, kan de
zuivere geest,
een geest als zodanig alleen maar buiten de mens bestaan, alleen
voorbij de
mensenwereld, niet aards, maar hemels.
Alleen uit deze tweespalt
waarin ik
en de geest liggen, alleen omdat ik en geest geen namen voor
één en hetzelfde zijn,
maar verschillende namen voor iets volkomen verschillends zijn omdat ik
niet
geest en geest niet ik ben: daaruit alleen is heel tautologisch de
noodzakelijkheid
te verklaren dat de geest in het totaal andere huist, d.w.z. God is.
Daaruit valt echter ook
af te leiden hoe volkomen
theologisch d.w.z. godgeleerd de bevrijding is die Feuerbach
ons probeert te geven. Hij zegt namelijk: we hebben ons eigen wezen
miskend en
het daarom in het hiernamaals gezocht, maar nu, nu we inzien dat God
alleen
maar ons menselijk wezen is, moeten wij het weer als het onze erkennen
en het
uit het hiernamaals weer terugzetten. De God die geest is, noemt
Feuerbach “ons
wezen”. Kunnen we toestaan dat “ons wezen” tegenover onszelf geplaatst
wordt
dat wij in een wezenlijk en een onwezenlijk ik gespleten worden? Keren
we
daardoor weer niet naar die treurige ellendigheid terug ons uit onszelf
verbannen te zien?
Wat winnen we dan wanneer
we het goddelijke
van buiten voor de afwisseling weer eens in ons verplaatsen?
Zijn wij datgene, wat in ons is?
Net zomin
als we datgene zijn wat buiten ons is. Ik ben net zomin mijn hart als
ik mijn
teergeliefde ben en zij mijn “andere ik” is. Juist omdat wij niet de
geest zijn
die in ons woont, juist daarom moesten we hem buiten ons plaatsen: hij
was niet
wij, viel niet met ons samen en daarom konden we hem niet anders
bestaanbaar
denken dan buiten ons, tegenover ons, in het hiernamaals.
Met de kracht van de vertwijfeling
grijpt Feuerbach naar de gezamenlijke inhoud van het christendom, niet
om hem
weg te werpen, nee, om hem naar zich toe te trekken, om hem, de lang
vurig
verlangde, altijd verre geblevene met een laatste inspanning uit zijn
hemel te
trekken en voor eeuwig bij zich te houden. Is dat niet een greep van de
laatste
vertwijfeling, een greep op leven en dood en is dit niet tevens het
christelijke vurige verlangen en begeren naar het hiernamaals? De held
wil het
hiernamaals niet binnengaan, maar het naar zich toetrekken en het
dwingen dat
het het hier wordt! En schreeuwt sindsdien niet de hele wereld meer of
minder
bewust dat het op het “hier en nu” aankomt en dat de hemel op aarde
moet komen
en al hier beleefd moet worden?
Laten we in het kort de
theologische
zienswijze van Feuerbach en ons protest tegenover elkaar stellen! “Het
menselijke wezen is het hoogste wezen van de mens: het hoogste
wezen wordt
nu weliswaar door de religie god genoemd en als een concreet
wezen
beschouwd, in werkelijkheid echter is het alleen maar het eigen wezen
van de
mens en daarom is het het keerpunt van de wereldgeschiedenis dat
voortaan voor de
mensen niet meer god als god, maar de mens als god zal
verschijnen.”
We antwoorden hier op:
“Het hoogste
wezen is in elk geval het wezen van de mens, maar juist omdat het zijn wezen
en niet hij
zelf is,
maakt het niets uit of wij het buiten hem zien en als “god” beschouwen
of in hemzelf
vinden en het het “wezen van de mens” of “de mens” noemen. Ik
ben noch
god, noch de mens, noch het hoogste wezen, noch mijn wezen en
daarom is
het hoofdzakelijk hetzelfde of ik dat wezen buiten of binnen mijzelf
denk. Ja,
we denken ook werkelijk voortdurend het hoogste wezen in tweeërlei
hiernamaalsen, tegelijkertijd in het innerlijke en uiterlijke: want de
“geest
van god” is volgens de christelijke beschouwing ook “onze geest” en
“woont in
ons”.
Hij woont in de hemel en hij woont in ons; wij arme dingen zijn slechts
zijn
“woning” en wanneer Feuerbach zijn hemelse woning vernielt, hem daarbij
uitnodigt gepakt en gezakt tot ons te komen, dan zullen wij, zijn
aardse
logies, in grote mate overvol raken.
Maar na deze uitwijding
die we ons, al dachten we over het
algemeen zo aardig de juiste draad vast te hebben, om herhaling te
vermijden
voor later moeten besparen, keren we tot de eerste schepping van de
geest
terug, nl.: de geest zelf.
De geest is iets anders
dan ik. Dit andere echter, wat is
dat?
§ 2. De Bezetenen
Heb je al eens een geest
gezien? “Nee, ik niet, maar mijn
grootmoeder wel.” Zie
je, zo gaat het bij mij ook: ik heb er zelf geen gezien, maar mijn
grootmoeder
liepen ze overal tussen de benen en uit vertrouwen in de eerlijkheid
van onze
grootmoeders geloven we in het bestaan van geesten.
Maar hadden we dan geen
grootvaders
en trokken die niet even vaak de schouders op als de grootmoeders over
hun
spoken vertelden? Ja, het waren ongelovige mannen, deze verlichte
geesten en
die onze goede godsdienst veel schade toegebracht hebben! We zullen dat
merken!
Welke basis zou dat warme geloof in spoken kunnen hebben als het niet
het
geloof in het “bestaan van geestelijke wezens over het algemeen” was en
wordt
dit laatste niet op een onzalige manier aan het wankelen gebracht
wanneer men het
toelaat dat brutale verstandsmensen hieraan durven te morrelen? Wat
voor slag
het geloof in God zelf door het verwerpen van het geloof in geesten en
spoken
onderging dat voelden de Romantici heel goed. Zij probeerden de
onzalige
gevolgen hiervan niet alleen door hun wederopwekking van de fabelwereld
te verhelpen,
maar met name uiteindelijk door het “oprichten van een hogere wereld”,
door hun
hypnotiseurs, helderzienden van Prevorst, enz. De goede gelovigen en
kerkvaders
vermoedden niet dat met het geloof in spoken de bodem onder de
godsdienst
gehaald werd en dat ze sindsdien in de lucht zweeft. Wie niet meer in
spoken
gelooft, hoeft alleen maar in zijn ongeloof consequent verder te gaan
om in te
zien dat achter de dingen helemaal geen afzonderlijk wezen zit, geen
spook of,
wat naïeverwijze ook volgens het woord hetzelfde betekent, geen
“geest”.
“Geesten bestaan!” Kijk in
de wereld om u heen en zeg zelf
of niet uit alles u een geest aanschouwt. Uit de bloemen, die kleine,
lieflijke
bloemetjes spreekt de geest van de schepper tot jou die hen zo
wonderbaar gevormd
heeft; de sterren verkondigen de geest die hen geordend heeft, van de
bergtoppen
waait de geest van de grootsheid naar beneden, uit de wateren ruist een
geest
van hunkering naar boven en uit de mensen spreken miljoenen geesten tot
jou. Al
zouden de bergen verzinken, de bloemen verwelken, de sterrenwereld
instorten,
de mensen sterven — wat maakt die ondergang van deze zichtbare lichamen
uit? De
geest, de “onzichtbare” blijft eeuwig!
Ja, het spookt in de hele
wereld! Alleen in haar?
Neen, zij spookt zelf, ze is door en door griezelig,
ze is het wandelende schijnlichaam van een
geest, ze is een spook. Wat zou een spook dan anders dan een
schijnlichaam,
maar werkelijk geest moeten zijn? Welnu, de wereld is “ijdel”,
“nietig”, is
alleen maar verblindende “schijn”; haar waarheid is alleen de geest; ze
is het
schijnlichaam van een geest.
Kijk in de nabijheid of
in de verte overal
omringt
je
een
spookachtige
wereld: je hebt altijd “verschijningen” of visioenen. Alles wat aan
jouw oog
verschijnt, is alleen maar de schijn van een inwonende geest, is een
spookachtige “verschijning”, de wereld is voor jou niets meer dan een
“wereld
van verschijningen”, waarachter de geest zijn wezen drijft. Je “ziet
geesten”.
Denk jij je soms te
kunnen
vergelijken met de ouden, die overal goden zagen? Goden, mijn lieve
nieuweling,
zijn geen geesten; Goden brachten de wereld niet tot schijn terug,
spiritualiseerden haar niet.
Voor jou echter is de
hele wereld
vergeest en een raadselachtig spook geworden; verwonder jij je daarom
niet als
jij in jezelf ook niets anders dan een spook vindt. Spookt uw geest
niet in uw
lichaam en is het een niet alleen ware en werkelijke en het ander
alleen maar
het “vergankelijke”, “nietige” of een “schijn”? Zijn we niet allemaal
spoken,
griezelige wezens die op “verlossing” wachten, namelijk “geesten”?
Sinds de geest in de
wereld is
verschenen, sinds het “woord vlees geworden” is, is de wereld vergeest,
betoverd, is ze een spook.
Jij hebt geest want je
hebt
gedachten. Wat zijn jouw gedachten? Geestelijke wezens. Dus geen
dingen? Nee,
maar de geest van de dingen, het belangrijkste aan alle dingen, hun
binnenste,
hun idee. Wat jij denkt, is dat dus niet alleen maar jouw gedachte?
Integendeel, het is het meest werkelijke, het eigenlijk ware aan de
wereld, het
is de waarheid zelf: wanneer ik maar waarachtig denk, dan denk ik de
waarheid.
Ik kan mijzelf wel wat betreft de waarheid bedriegen en haar miskennen,
maar
wanneer
ik
eenmaal waarachtig beken, dan is het onderwerp
van mijn
bekentenis de waarheid. Probeer jij dan altijd de waarheid te erkennen?
De
waarheid is mij heilig. Het kan wel gebeuren dat ik een waarheid
onvolmaakt
vind en door een betere vervang, maar de waarheid kan ik niet
afschaffen. In de waarheid geloof ik, daarom onderzoek ik haar;
boven haar
bestaat niets, ze is eeuwig.
Heilig, eeuwig is de
waarheid, ze is
het heilige, het eeuwige. Jij echter, die je door deze heilige laat
vullen en
leiden, wordt zelf geheiligd. Ook is het heilige niet voor jouw zinnen
en nooit
ontdek je als zinnelijke zijn spoor, maar voor jouw geloof of meer
bepaald nog,
voor jouw geest: want het is zelf een geest en een geest is
alleen maar
geest voor de geest.
Het heilige laat zich in
geen geval
zo gemakkelijk uit de weg ruimen zoals tegenwoordig menigeen beweert
die dit
“ongehoorde” woord niet meer in de mond neemt. Al word ik ook maar in
één enkel
opzicht voor “egoïst” uitgescholden, dan blijft nog de
gedachte aan iets
anders over dat ik meer moet dienen dan mezelf en dat voor mij
belangrijker
moet zijn dan alles, kortom iets waarin ik mijn waarachtig heil te
zoeken heb,
iets “heiligs”.
Dit heilige mag er ook
nog zo
menselijk uitzien, ja het mag het menselijke zelf zijn, dat neemt de
heiligheid
daarvan niet weg, maar verandert deze hoogstens van een bovenaardse in
een aardse
heiligheid, van een goddelijke in een menselijke.
Het heilige bestaat
alleen maar voor
de egoïst die zichzelf niet erkent, de onvrijwillige
egoïst, voor hem,
die altijd op het zijne uit is en toch zichzelf niet voor het hoogste
wezen
houdt, die alleen maar zichzelf dient en tegelijkertijd steeds een
hoger wezen
denkt te dienen, die niets hogers kent dan zichzelf en toch met iets
hogers
dweept, kortom voor de egoïst, die geen egoïst kan zijn en
zichzelf vernedert
d.w.z. zijn egoïsme bestrijdt, maar tegelijkertijd zich alleen
maar vernedert
“om verhoogd te worden” dus om zo zijn egoïsme tevreden te
stellen. Omdat hij
zou moeten ophouden egoïst te zijn, zoekt hij in hemel en aarde
rond naar
hogere wezens die hij kan dienen en waaraan hij zich kan opofferen:
maar hoe
hij ook huivert en zich afbeult, uiteindelijk doet hij het toch
allemaal voor
zichzelf en het verbannen egoïsme wijkt niet van hem. Ik noem hem
daarom de
onvrijwillige egoïst.
Zijn moeite en zorgen om
van
zichzelf los te komen, is niets anders dan de verkeerd opgevatte
neiging tot
zelf-oplossing. Ben jij aan je verleden gebonden, moet je vandaag
babbelen
omdat je gisteren gebabbeld hebt
kun je niet elk ogenblik veranderen: dan voel jij je als in
slavenketenen
geklonken en verstijfd. Daarom wenkt over elke minuut van je bestaan
heen jou
een nieuwe minuut van de toekomst toe en jezelf ontwikkelend, kom jij
“van
jezelf” d.w.z. het telkens huidige ik, los. Als jij in het nu bent, ben
jij je
eigen schepsel en juist aan dit “schepsel” mag jij, de schepper, je
niet
verliezen. Jij bent zelf een hoger wezen dan jij bent en overtreft
jezelf.
Alleen dat jij degene bent, die hoger is dan jou d.w.z. dat jij niet
alleen
maar schepsel, maar tegelijkertijd jouw schepper bent dat ontken je
juist als
onvrijwillige egoïst en daarom is het “hoger wezen” je vreemd. Elk
hoger wezen
zoals waarheid, menselijkheid, enz. is een wezen boven ons.
Vreemdheid is het kenmerk
van het “heilige”.
In al het heilige ligt iets “griezeligs” d.w.z. vreemds, waar we ons
niet
helemaal in thuis voelen. Wat voor mij heilig is dat is mij niet
eigen
en zou voor mij bv. het eigendom van anderen niet heilig zijn, dan zou
ik het als
het mijne beschouwen dat ik me bij een goede gelegenheid zou
aanschaffen
of is voor mij omgekeerd het gezicht van de Chinese keizer heilig dan
blijft dit
vreemd voor mijn ogen en ik sluit ze bij zijn verschijnen.
Waarom is een
onomstotelijke
mathematische waarheid die naar de gewone letterlijke betekenis zelfs
een
eeuwige genoemd
zou
kunnen
worden,
geen
heilige? Omdat het geen geopenbaarde of niet de
openbaring
van een hoger wezen is. Wanneer men onder geopenbaarde waarheden alleen
maar de
zogenaamde godsdienstige waarheden verstaat, dan vergist men zich
schromelijk
en miskent men de draagwijdte van het begrip “hoger wezen”. Met het
hogere
wezen dat ook onder de naam van “hoogste” of être suprème
vereerd wordt,
drijven de atheïsten de spot en stampen het ene “bewijs van zijn
bestaan” na
het ander in het stof zonder te merken dat zijzelf uit behoefte aan een
hoger wezen
het oude vernietigen om voor een nieuw hoger wezen plaats te kunnen
maken. Is
“de mens” soms niet als afzonderlijk mens een hoger wezen en zullen de
waarheden, rechten en ideeën die uit dat begrip voortvloeien niet
juist als
openbaringen van dit begrip vereerd en heilig gehouden moeten worden?
Want al
zou men ook menige waarheid die door dit begrip gemanifesteerd leek te
zijn
weer afschaffen, dan zou dit toch alleen maar van een misverstand van
onze kant
getuigen zonder in de geringste mate aan het begrip zelf, dit heilige,
afbreuk
te doen of zulke waarheden, die “terecht” als openbaringen ervan
beschouwd
worden, hun heiligheid te moeten ontnemen. De mens gaat boven
iedere
afzonderlijke mens uit en is ofschoon “zijn wezen” inderdaad toch niet zijn
wezen
dat eerder zo enig als hijzelf, de enige zelf, maar een algemeen en
“hoger”, ja
voor de atheïsten het “hogere wezen” zou zijn. En net als de
goddelijke
openbaringen niet door God eigenhandig neergeschreven zijn, maar door
de
“werktuigen van de Heer” bekend gemaakt werden, schrijft ook dat nieuwe
hoogste
wezen zijn openbaringen niet zelf neer, maar laat ze door “ware mensen”
aan ons
verkondigen. Alleen verraadt het nieuwe wezen inderdaad een meer
geestelijke
opvatting dan de oude god omdat deze nog in een soort lichaam of
gestalte werd
voorgesteld; de nieuwe echter krijgt de zuivere geestelijkheid en hem
wordt een
bijzonder stoffelijk bestaan niet aangewreven. Echter ook hieraan
ontbreekt de
lijfelijkheid niet, die zich zelfs nog verleidelijker voordoet, omdat
hij er
natuurlijker en wereldlijker uitziet en in niets minder bestaat dan in
elke
lijfelijke mens of kortweg: in de “mensheid” of “alle mensen”. Daardoor
is de
spookachtigheid van de geest in een schijnlichaam weer opnieuw compact
en
populair geworden.
Het hoogste wezen is dus heilig en
alles waarin
dit wezen zich openbaart of openbaren zal; geheiligd zijn echter
diegenen die
dit hoogste wezen naast het hunne d.w.z. naast de openbaringen daarvan
erkennen.
Het heilige heiligt op
zijn beurt
zijn vereerder, die door de eredienst zelf een heilige wordt, zoals
eveneens
alles wat hij doet ook heilig is: een heilige leefwijze, een heilig
denken en
doen, streven en trachten, enz.
Wat als het hoogste wezen
vereerd wordt, daarover kan
begrijpelijkerwijze de strijd maar zolang iets betekenen als zelfs de
meest
verbitterde tegenstanders elkaar in het hoofdthema toegeven dat er toch
een
hoogste wezen moet zijn waaraan men eredienst verschuldigd is. Lacht
iemand
meewarig om het hele gevecht voor een hoogste wezen zoals soms een
christen bij
de woordentwist van een Sjiiet met een Soenniet of een Brahmaan met een
Boeddhist, dan geldt dat voor hem dat de hypothese van een hoogste
wezen
ongeldig is en hij de strijd op deze grondslag voor een ijdel spel
aanziet. Of
dan de ene of de drievuldige god of de Lutherse god of het être
suprème of
helemaal geen god, maar “de mens” als hoogste wezen wordt voorgesteld
dat maakt
voor hem, die het hoogste wezen zelf negeert, helemaal niets uit want
in zijn
ogen zijn de dienaren van een hoogste wezen allemaal samen vrome lui:
de
woedendste atheïst niet minder dan de meest gelovige christen.
Boven alles staat in het
heilige het hoogste wezen en het
geloof in dit wezen, ons “heilige geloof”.
Het Spook
Met de spoken raken we in het
geestenrijk. In het rijk van de wezens.
Wat in het heelal spookt
en zijn
mysterieuze, “onbegrijpelijke”
wezen
aandrijft
is
juist het geheimzinnige spook dat we het hoogste
wezen
noemen. En dit spook te doorgronden, het te begrijpen, daarin werkelijkheid
te ontdekken (het “bestaan van god” te bewijzen) hebben de mensen zich
duizenden jaren lang tot taak gesteld; met de gruwelijkste
onmogelijkheid, de
eindeloze Danaïdenarbeid van het spook in een niet-spook, het
onwerkelijke in
het werkelijke, de geest in een hele en lijfelijke
persoonlijkheid
te veranderen, daarmee hebben zij zich wat afgekweld. Achter de
bestaande wereld
zochten ze het “Ding an sich”, het wezen, ze zochten achter het ding
het onding.
Wanneer men een zaak grondig
onderzoekt, d.w.z. haar wezen nagaat, dan ontdekt men vaak iets
heel
anders dan wat het schijnt te zijn: een honingzoete taal en een
leugenachtig hart, pompeuze woorden en armzalige gedachten, enz. Men
brengt door
de nadruk op het wezen te leggen de tot dusver miskende verschijning
tot niet
meer dan een schijn, tot een vergissing terug. Het wezen van de
zo
aantrekkelijke, heerlijke wereld is voor hem, die haar doorgrondt, de
ijdelheid: ijdelheid is het wezen van de wereld (het bestaan van de
wereld).
Wie nu religieus is bemoeit zich niet met de bedrieglijke schijn, niet
met die
ijdele verschijningen, maar aanschouwt het wezen en vindt in dit wezen
de waarheid.
Die wezens die uit de ene
verschijning naar boven komen, zijn de boze wezens en omgekeerd uit de
andere
de goeden; het wezen van het menselijke gemoed is bv. de liefde, het
wezen van
de menselijke wil is het goede, dat van het denken de waarheid, enz.
Wat eerst voor de existentie
gehouden werd, zoals de
wereld en dergelijke, verschijnt nu als niet meer dan schijn en het waarachtig
existerende is veel meer het wezen wiens rijk zich met goden,
geesten,
demonen, d.w.z. met goede en slechte wezens vult. Alleen deze verkeerde
wereld,
de wereld van de wezens bestaat nu waarachtig. Het menselijke hart kan
liefdeloos zijn, maar zijn wezen existeert, de God, “die liefde is”;
het
menselijke denken kan dwalen, maar zijn wezen, de waarheid existeert:
“God is
de waarheid”, enz.
De wezens, alleen en
niets anders
dan de wezens zien en erkennen dat is religie: haar rijk
is een rijk van wezens, van spoken en
schimmen.
De drang om het spook
tastbaar te
maken of de nonsens te realiseren, heeft een lijfelijk spook
teweeg
gebracht, een spook of een geest met een werkelijk
lichaam, een belichaamd spook. Wat hebben
de meest krachtige en geniale christenen zich afgemarteld om deze
spookachtige
verschijning te begrijpen. Het bleef echter steeds de tegenstelling
tussen twee
naturen, de goddelijke en de menselijke d.w.z. de spookachtige en de
zinnelijke: het bleef het meest wonderbaarlijke spook, een onding. Nog
nooit
was een spook zielenmartelender en geen Sjamaan die zich tot razende
woede en
zenuwverscheurende krampen aanzette om een spook te verbannen, kon een
zielenkwelling verdragen zoals de christenen onder de meest
onbegrijpelijke
spoken geleden hebben.
Maar door Christus was
tegelijkertijd ook de waarheid van de zaak aan het licht gekomen dat
nl. de
mens de eigenlijke geest of het eigenlijke spook is. De lichamelijke
of
belichaamde geest is de mens: hij is zelf het huiveringwekkende wezen
en
tegelijkertijd de verschijning en de existentie van het wezen. Voortaan
huivert
de mens eigenlijk niet meer voor spoken buiten hem, maar voor
zichzelf:
hij is bang voor zichzelf. In de diepte van zijn borst woont de geest
van
de zonde, al de meest onbeduidende gedachte (en
dat
is zelf een geest)
kan een duivel zijn, enz. Het spook heeft een lichaam
aangenomen, de god
is mens geworden, maar de mens is nu zelf het verschrikkelijke spook
dat hij wil
verbannen, doorgronden, tot werkelijkheid en tot rede probeert te
brengen: de
mens is geest. Het lichaam mag verdorren, als de geest maar
gered wordt:
op de geest komt alles aan en het geestes- of “zielenheil” wordt het
enige
doel. De mens is voor zichzelf een schim, een geheimzinnig spook
geworden die
zelfs een bepaalde zetel in het lichaam toegewezen wordt (strijd over
de zetel
van de ziel, in het hart of in het hoofd of elders, enz).
Jij bent voor mij en ik
voor jou
geen hoger wezen. Niettemin kan in elk van ons een hoger wezen aanwezig
zijn en
de wederzijdse verering te voorschijn roepen. Om dadelijk het meest
algemene te
noemen, leeft in jou en mij de mens. Als ik niet de mens in jou zou
zien waarom
zou ik jou dan achten? Jij bent weliswaar niet de mens in zijn ware en
adequate
gestalte, maar alleen maar een sterfelijk omhulsel waar hij uit kan
treden
zonder zelf op te houden te bestaan; maar voor het ogenblik huist dit
algemene
en hogere wezen toch in jou en jij vertegenwoordigt mij omdat een
onvergankelijke geest in jou een vergankelijk lichaam heeft aangenomen
waardoor
jouw gestalte werkelijk een “aangenomen” is, een geest die verschijnt,
in jou verschijnt,
zonder aan jouw lichaam en deze bepaalde verschijningswijze gebonden te
zijn,
dus een spook. Daarom beschouw ik jou niet als een hoger wezen, maar
respecteer
alleen het hoger wezen dat in jou “rondwaart”. “Ik respecteer de mens
in jou.” Zoiets
zagen de ouden niet in hun slaven en het hoogste wezen “de mens” kreeg
nog maar
weinig bijval. Zij zagen echter in elkaar spoken van geheel andere
aard. Het
volk is een hoger wezen dan een enkeling en net als de mens of
mensengeest een
in de enkeling spokende geest, de volksgeest. Daarom vereerden ze deze
geest en
alleen voor zover hij deze of ook een aan hem verwante geest bv. de
familiegeest, enz. diende, kon het individu belangrijk lijken; alleen
maar
omwille van dit hogere wezen, het volk, kende men het “volkslid” een
waarde
toe. Net zoals jij voor ons door “de mens” die in jou spookt, geheiligd
bent,
was men te allen tijde door één of ander hoger wezen
zoals volk, familie en dergelijke
geheiligd. Alleen omwille van een hoger wezen wordt men van oudsher
geëerd en
alleen maar als spook voor een geheiligde d.w.z. beschermde en erkende
persoon aanzien.
Wanneer ik jou verzorg en verpleeg omdat ik jou liefheb, omdat mijn
hart in jou
voedsel, mijn behoefte in jou bevrediging vindt, dan geschiedt dit niet
omwille
van een hoger wezen wiens geheiligd lichaam jij bent, niet omdat ik een
spook
d.w.z. een verschijnende geest in jou zie, maar uit egoïstische
lust: jijzelf met jouw wezen bent voor mij van waarde want jouw
wezen is
geen hoger, is
niet hoger en algemener dan jij, maar is even enig als jijzelf omdat
jij het
bent.
Maar niet alleen maar de
mens, maar
alles spookt. Het hogere wezen, de geest die in alles rondspookt is
tegelijkertijd nergens aan gebonden en “verschijnt” daarin alleen.
Spoken in
alle hoeken!
Hier zou nu de plaats zijn om de
spokende geesten eens
voorbij te laten trekken, ware het niet dat ze verderop weer zouden
moeten
voorkomen om voor het egoïsme te vervliegen. Daarom zullen maar
enkele bij wijze
van voorbeeld opgenoemd worden om vervolgens tot onze verhouding tot
hen over
te gaan.
Heilig bv. is voor alles
de “heilige geest”, heilig de waarheid, heilig het recht, de wet, de
goede zaak,
de majesteit, het huwelijk, het algemeen welzijn, de orde, het
vaderland, enz.
enz.
De Schroeven
Mens, het spookt in je
kop; er zitten schroeven los! Je
beeldt je grote dingen in en kneedt daar een hele godenwereld van die
voor jou bestaat,
een geestenrijk waartoe jij geroepen bent, een ideaal dat jou wenkt.
Jij hebt
een idée fixe!
Denk niet dat ik scherts of figuurlijk
spreek wanneer
ik de mensen die iets hogers aanhangen, en omdat de grote meerderheid
hiertoe
behoort, bijna de hele mensenwereld voor echte dwazen, dwazen in een
gekkenhuis
aanzie. Wat noemt men dan een idée fixe? Een idee dat de mensen
aan haar onderworpen
heeft. Onderken jij zo’n idee als een dwaasheid, dan word je door haar
slaven
in een krankzinnigengesticht opgesloten. En is soms de waarheid van het
geloof
waaraan men niet twijfelen mag, de majesteit bv. van het volk, waar men
niet
aan mag morrelen (wie het doet, is een majesteitsschenner), de deugd,
waartegen
de censuur geen woordje zal laten doorglippen opdat de zedelijkheid
zuiver
gehouden wordt, enz., zijn dat geen “idée fixen”? Is niet alles
domme praat bv.
de meeste van onze kranten het geleuter van dwazen die aan het
idée fixe van de
zedelijkheid, wetsgetrouwheid, christelijkheid, enz. lijden en zich
alleen vrij
schijnen te bewegen omdat het gekkenhuis waarin ze vertoeven zo’n grote
ruimte
inneemt? Pak eens zo’n nar in zijn idée fixe aan en je zult
weldra voor de
geniepigheid van deze gek op je hoede moeten zijn. Want ook daarin
lijken deze
grote gekken op de kleine zogenaamde gekken dat ze in het geniep over
degene
heen vallen die aan hun idée fixe komt. Ze stelen hem eerst zijn
wapens, stelen
hem het vrije woord en dan storten ze zich met hun klauwen op hem neer.
Tegenwoordig komt elke dag de lafhartigheid en wraakzucht van deze
waanzinnigen
aan het licht en het domme volk juicht hun krankzinnige maatregelen
toe. Men moet
de bladen van deze periode maar eens lezen en de filister horen spreken
om tot
de gruwelijke overtuiging te komen dat men met gekken in
één en hetzelfde huis
opgesloten zit. “U zult uw broeder niet voor nar uitschelden, anders,
enz.” Ik vrees
deze vloek echter niet en zeg: mijn broeders zijn aartsnarren. Of een
arme
dwaas uit een krankzinnigengesticht van de waan bezeten is dat hij God
de Vader,
keizer van Japan, de Christus, een gelovige protestant, een loyale
burger, een
aangepaste mens, enz. is, is allemaal een “idée fixe”. Wie het
nooit beproefd
en gewaagd heeft geen goed christen, geen gelovig protestant, geen
deugdzaam
mens, enz. te zijn, is in de gelovigheid, deugdzaamheid, enz. gevangen
en
bevangen. Net als de scholastici alleen maar filosofeerden binnen
de
grenzen van het geloof van de kerk, paus Benediktus XIV lijvige boeken binnen
de paapse bijgelovigheid schreef, zonder dat geloof in twijfel te
trekken, schrijvers
hele folianten vulden over de staat zonder de idée fixe van de
staat zelf ter
discussie te stellen, onze kranten propvol politiek staan omdat ze in
de waan verkeren
dat de mens er toe geschapen is een “zoon politikon” te worden,
vegeteren ook
onderdanen in het onderdanendom, deugdzame mensen in deugd, liberalen
in het
“mensendom”, enz. zonder ooit in hun “idée fixe-en” het
snijdende mes van de
kritiek te zetten. Onwrikbaar als de waanzin van een gek staan hun
gedachten op
vaste voet en wie ze in twijfel trekt, vergrijpt zich aan het heilige!
Ja,
de
“idée
fixe”,
dat is het waarachtig heilige!
Ontmoeten we soms alleen
maar van de
duivel bezetenen of treffen we even vaak tegenovergestelde bezetenen
aan
die van het goede, van de deugd, de zedelijkheid, de wet, of wat voor
“principe”
dan ook bezeten zijn? De bezittingen van de duivel zijn niet de enige.
God
werkt op ons in en de duivel doet dat: de eerste door “genadewerken”,
de
laatste door “duivelse werken”. Bezetenen zijn de op hun mening verzotten.
Bevalt het woord
“bezetenheid” je
niet, noem het dan ingenomenheid, ja noem het, omdat de geest jou bezit
en alle
“ingevingen” van hem komen, bezieling en enthousiasme. Ik voeg daarbij
dat het
volmaakte enthousiasme, want bij de luiaards en halven kan men niet
blijven
stilstaan, fanatisme heet.
Het fanatisme
behoort juist
bij de beschaafden thuis; want beschaafd is een mens voor zover hij in
het
geestelijke belang stelt en interesse in het geestelijke is juist
wanneer het
levendig is, fanatisme en dat moet het zijn; het is een
fanatieke
interesse voor het heilige (fanum). Kijk maar eens naar onze liberalen,
sla
maar eens een blik in de vaderlandse bladen, luister maar wat Schlosser
zegt:
“De Holbachse vereniging vormde een formeel complot tegen de
overgeleverde leer
en het bestaande systeem en de leden ervan waren even fanatiek voor hun
ongeloof als monniken en priesters, jezuïeten en piëtisten,
methodisten,
missie- en bijbelgezelschappen voor een mechanische godsdienst en het
“geloof
in het woord” plegen te zijn.”
Men moet toekijken hoe
een
“zedelijke” zich gedraagt die tegenwoordig vaak denkt met God afgedaan
te
hebben en het christendom als een afgeleefd iets wegwerpt. Wanneer men
hem
vraagt of hij er ooit aan getwijfeld heeft dat het paren van zusters en
broeders een bloedschande is, dat de monogamie de waarheid van het
huwelijk is,
dat de piëteit een heilige plicht is, enz. dan zal een zedelijke
afschuw hem
overvallen bij de gedachte dat men zijn zuster ook als vrouw zou mogen
aanraken, enz. En vanwaar deze afschuw? Omdat hij in dat morele gebod gelooft.
Dit
morele
geloof wortelt diep in zijn borst. Hoezeer hij ook
tegen de vrome
christenen zijn best doet, is hij toch zelf christen gebleven nl.: een zedelijke
christen. In de vorm van de zedelijkheid houdt het christendom hem
gevangen en
wel gevangen in het geloof. De monogamie moet iets heiligs zijn
en wie
in bigamie leeft, wordt als misdadiger gestraft; wie
bloedschande
pleegt, moet als misdadiger boeten. Hiermee zijn diegenen het
volkomen
eens die altijd schreeuwen dat in de staat niet naar de godsdienst
gekeken mag
worden en dat de joodse staatsburgers gelijk aan de christenen zijn. Is
de
bloedschande geen geloofsprincipe? Als men daar aan komt, zal
men
ervaren dat deze zedelijke juist ook een geloofsheld is ondanks
een
Krummacher, ondanks een Philip II. Deze vechten voor het kerkgeloof, of
het
staatsgeloof, of voor de zedelijke staatswetten; voor geloofsartikelen
verdoemen zij beiden degene die anders handelt dan hun geloof
het
toestaat. Het brandmerk van de “misdaad” wordt hem opgedrukt en hij mag
smachten in zedenverbeteringshuizen, in gevangenissen. Het zedelijk
geloof is
net zo fanatiek als het religieuze. Dat noemt men dan “geloofsvrijheid”
wanneer
zusters en broeders ter wille van een relatie, waarover ze aan hun
“geweten”
verantwoording verschuldigd zijn, in de gevangenis geworpen worden.
“Maar ze
gaven een verderfelijk voorbeeld!” Ja werkelijk, de anderen zouden ook
op de
gedachte kunnen komen dat de staat niets met hun relatie te maken heeft
en
daardoor zou de “zuiverheid” van zeden ten gronde kunnen gaan. Zo
beijveren
zich dus de godsdienstige geloofshelden voor de “heilige God”, de
zedelijken
voor het “heilige Goede”.
De strijders voor
één of ander hoger wezen lijken vaak heel
weinig op elkaar. Hoe moeten we de strenge orthodoxen of rechtzinnigen
van de
strijders voor “Waarheid, Licht en Recht” met de Philalethen, vrienden
van het
licht, verlichten, enz. onderscheiden? En toch bestaat er helemaal geen
wezenlijk verschil. Morrelt men aan afzonderlijke van oudsher
overgeleverde waarheden
(zoals bv. wonderen, de onbeperkte vorstenmacht, enz.) dan doen de
verlichten mee
en alleen de orthodoxen jammeren. Komt men echter aan de waarheid zelf,
dan
heeft men dadelijk beiden als gelovigen als tegenstanders. Zo
ook wanneer
het de zedelijkheid betreft: de strenggelovigen zijn ontoegeeflijk, de
verlichte koppen zijn toleranter. Maar wie aan de zedelijkheid zelf
komt, heeft
met beiden te maken. “Waarheid, Zedelijkheid, Recht, Licht”, enz.
moeten
“heilig” zijn en blijven. Wat men aan het christendom afkeurenswaardig
vindt,
is volgens de mening van deze verlichten juist onchristelijk; het
christendom
zelf echter moet het “vaste” blijven en daaraan morrelen is misdadig.
Is een “misdaad!”
De ketter staat voor het zuivere geloof in ieder geval niet meer bloot
aan de
vroegere vervolgingswoede; maar des te meer geldt dat nu voor de ketter
tegen
de zuivere zeden.
De vroomheid heeft in de
loop van deze eeuw zoveel
slagen opgelopen en haar bovenmenselijk wezen heeft zo vaak een
“onmenselijk” schelden
moeten aanhoren dat men zich niet geneigd kan voelen dit nogmaals te
herhalen. En
toch zijn er altijd alleen maar zedelijke tegenstanders in het
strijdperk getreden
om het hoogste wezen aan te vechten ten gunste van een ander hoogste
wezen. Zo
zegt Proudhon onbeschroomd: “De mens is geroepen zonder godsdienst te
leven,
maar de zedelijke wet (la loi morale) is eeuwig en absoluut. Wie zal
het
vandaag nog wagen, de moraal aan te tasten?”
De zedelijken schepten
het beste vet van
de
godsdienst
af,
genoten
er
zelf van en hebben er nu heel wat mee te stellen om van de
daaruit
ontstane klierziekte af te komen. Wanneer we daarom erop wijzen dat de
religie
nog bij lange na niet in haar binnenste gekwetst wordt zolang men haar
alleen
maar haar bovenmenselijk wezen tot verwijt maakt en dat ze in laatste
instantie
alleen een beroep op de “geest” doet (want God is Geest) dan hebben we
haar
uiteindelijke overeenkomst met de zedelijkheid voldoende aangetoond en
kunnen
haar hardnekkige strijd daarmee achter ons laten. Bij beiden gaat het
om een
hoger wezen en of dat nu een bovenmenselijk of een menselijk wezen is,
kan mij
omdat het in elk geval een wezen boven mij, als het ware een wezen
boven mij
bestaand is, maar weinig schelen. Uiteindelijk ten opzichte van het
menselijk wezen
of “de mens” heeft het slechts eerst de slangenhuid van de oude religie
afgestroopt om toch gewoon weer een nieuwe religieuze slangenhuid aan
te
trekken.
Zo leert Feuerbach ons
dat wanneer men
alleen
maar
de
speculatieve
filosofie omkeert d.w.z. altijd het predikaat tot subject en
dus het subject
tot object en principe maakt, men “de onverhulde, zuivere, naakte
waarheid overhoudt”.
Daardoor verlaten we in
ieder geval
het beperkte religieuze standpunt, verliezen daarbij de god die
vanuit
dit standpunt subject is; maar we ruilen voor de andere zijde van het
religieuze
standpunt het zedelijke in. We zeggen bv. niet meer: “God is de
Liefde”;
maar “de Liefde is Goddelijk”. Zetten we nu in de plaats van het
predikaat
“goddelijk” het daarmee overeenkomende “heilig”, dan keert de zaak weer
tot het
oude terug. De liefde moet dienovereenkomstig het goede aan de
mens
zijn, zijn goddelijkheid en wat hem tot eer strekt, zijn ware menselijkheid
(ze “maakt hem pas tot mens”, maakt eerst een mens van hem).
Nauwkeuriger zou
het als volgt gezegd kunnen worden: de liefde is het menselijke
aan de
mens en het onmenselijke is de liefdeloze egoïst. Echter juist al
datgene wat het
christendom en de speculatieve filosofie ervan d.w.z. de theologie als
het goede,
het absolute aanbiedt, is eigenlijk niet het goede (of, wat op
hetzelfde neerkomt,
het is niets dan het goede) daarom wordt door die verandering
van het predikaat
in het subject het christelijke wezen (en het predikaat bevat
juist dat wezen)
alleen maar nog pregnanter gefixeerd. God en het goddelijke zouden zich
nog
onoplosbaarder met mij samen vlechten. God uit zijn hemel verdrijven en
hem van
de “transcendentie” beroven, wil nog niet zeggen dat men aanspraak kan
maken op
een volkomen overwinning wanneer hij daarbij alleen maar de borst van
de mens
ingejaagd wordt en met een onverdelgbare immanentie bedeeld
wordt. Van
nu af aan zegt men: het Goddelijke is het waarachtig menselijke!
Dezelfde lieden die het
christendom als de grondlegging van
de staat d.w.z. de zogenaamde christelijke staat tegenstreven, worden
niet moe te
herhalen dat de zedelijkheid de “steunpilaar van het maatschappelijk
leven en
de staat is”. Alsof niet de heerschappij van de zedelijkheid een
volkomen
heerschappij van het heilige, een “hiërarchie” zou zijn.
Zo kan men hier terloops aan die verlichte
richting
denken die, nadat de theologen voortdurend beweerd hadden dat alleen de
gelovige in staat zou zijn de waarheden van de religie te vatten, dat
God zich
alleen aan de gelovigen zou openbaren, enz. dat alleen maar het hart,
het
gevoel, de gelovige fantasie religieus zou zijn, met de bewering dat
ook het
“natuurlijke verstand”, de menselijke rede bekwaam zou zijn God te
begrijpen.
Wat zegt dit anders dan dat ook de rede er aanspraak op kan maken
dezelfde
fantast als de fantasie te zijn. In die zin schreef Reimarus zijn:
“Voornaamste
waarheden van de natuurlijke religie.” Het moest zover komen dat de hele
mens met al zijn bekwaamheden religieus bleek; hart en gemoed, verstand
en
rede, voelen, weten en willen, kortom dat alles aan de mens leek
religieus.
Hegel betoogde dat zelfs de filosofie religieus zou zijn. En wat noemt
men
tegenwoordig niet religieus? De “religie van de liefde”, de “religie
van de
vrijheid”, “de politieke religie”, kortom elk enthousiasme. En zo is
het ook
inderdaad.
Nog vandaag gebruiken we
dat vreemde woord “religie” dat het
begrip gebondenheid uitdrukt.
Gebonden blijven wij
hoe dan
ook, in zoverre de religie ons innerlijke in beslag neemt; maar is ook
de geest
gebonden? Integendeel, die is vrij, is alleenheerser, is niet onze
geest, maar
is absoluut. Daarom zou de juiste bevestigende vertaling van het woord
religie
zijn: “vrijheid van de geest”! Bij wie de geest vrij is die is op
precies
dezelfde manier religieus als degene die een zinnelijk mens genoemd
wordt en
die zijn zinnen de vrije loop laat. De één is gebonden
door de geest, de ander
door de zinnelijke lusten. Gebondenheid of religie wil dus zeggen: de
religie
in verband met mij; ik ben gebonden; vrijheid in verband met de geest:
de geest
is vrij of heeft geestelijke vrijheid. Hoe slecht het ons
bekomt wanneer
de begeerten vrij en teugelloos met ons aan de haal gaan dat zal
menigeen
ervaren hebben; dat echter de vrije geest, die heerlijke
geestelijkheid, het
enthousiasme voor geestelijke belangen of hoe dit juweel met de meest
verschillende
zinswendingen ook getooid mag worden, ons nog erger in de klem brengt
dan zelfs
de ruwste vlegelachtigheid dat wil men niet merken en kan men ook niet
merken,
zonder een bewuste egoïst te zijn.
Reimarus en allen die
aangetoond
hebben dat ook ons verstand, ons hart, enz. ons tot God voeren, hebben
daardoor
juist aangetoond dat we door en door bezeten zijn. Wel ergerden ze de
theologen
die ze daardoor het privilege van de religieuze verheffing ontnamen,
maar voor
de religie, de geestelijke vrijheid, veroverden ze hierdoor nog meer
terrein.
Want als de geest niet langer meer tot het gevoel of het geloof beperkt
is,
maar ook als verstand, rede en denken eigenlijk de geest toebehoort dus
ook in
de vorm van het verstand, enz. aan de geestelijke en hemelse waarheden
mag
deelnemen, dan houdt de gehele geest zich alleen maar met het
geestelijke
d.w.z. met zichzelf bezig en is dus vrij. Op dit ogenblik zijn we zo
door en
door religieus dat “gezworenen” ons doodvloeken en elke politiedienaar
als een
goede christen door “zijn ambtseed” ons in het cachot brengt.
De zedelijkheid kon pas
als
tegenovergestelde van de vroomheid optreden, daar waar eigenlijk een
briesende
haat tegen alles wat op een “bevel” (order, gebod, enz.) leek zich
muitend
ruimte schiep en de “absolute meester” gehoond en vervolgd werd: zij
kon daarom
pas tot zelfstandigheid komen door het liberalisme, wier eerste vorm
zich als
“burgerdom” een betekenis in de wereldgeschiedenis verschafte en het
eigenlijke
religieuze geweld verzwakte (zie verder onder “liberalisme”). Want het
principe
van de met vroomheid niet alleen maar gelijke tred houdende, maar op
eigen
voeten staande zedelijkheid, ligt niet meer in de goddelijke geboden,
maar in
de wetten van het verstand waarvan die geboden, voor zover ze nog
geldig moeten
blijven, hiertoe eerst een machtiging moeten afwachten. In de wetten
van de
rede wordt de bestemming van de mens door de mens zelf bepaald want “de
mens”
is redelijk en uit het “wezen van de mens” ontstaan deze wetten
noodzakelijkerwijs. Vroomheid en zedelijkheid onderscheiden zich van
elkaar
doordat de eerste God, de laatste de mens tot wetgever maakt.
Vanuit een bepaald
standpunt van de zedelijkheid redeneert
men ongeveer als volgt: of de mens wordt gedreven door zijn
zinnelijkheid en is onzedelijk omdat hij haar volgt, of het
goede drijft hem
dat in het
willen opgenomen, zedelijke gezindheid (gezindheid en ingenomenheid
voor het
goede) heet: en dan is hij zedelijk. Hoe kan men bv. vanuit dit
standpunt de daad van Sand tegen Kotzebue onzedelijk noemen? Wat men
onder
belangeloosheid verstaat dat was zij toch zeker in dezelfde mate als
onder
andere de diefstallen van de heilige Crispin ten gunste van de armen.
“Hij had
niet moeten doden, want er staat geschreven: gij zult niet doden!” Dus
het goede
dienen, het welzijn van het volk zoals Sand dat op zijn minst bedoeld
had, of
net als Crispin het welzijn van de armen dat is zedelijk; maar diefstal
en
moord zijn onzedelijk: het doel is zedelijk, het middel onzedelijk.
Waarom?
“Omdat de moord, de sluipmoord iets absoluut onzedelijks en kwaads is.”
Wanneer
de guerrilla’s de vijanden van het land ravijnen in lokten en ze
ongezien
vanuit de struiken neerschoten, was dat dan geen sluipmoord? Jij zou
overeenkomstig het principe van de zedelijkheid dat beveelt het goede
te dienen
toch alleen maar kunnen vragen of de moord nooit of nimmer een
verwezenlijking
van het goed zou kunnen zijn en zou elke moord die het goede
realiseerde,
moeten goedkeuren. Jij zou de daad van Sand helemaal niet kunnen
verdoemen: die
was zedelijk omdat ze in dienst van het goede stond, omdat ze
belangeloos was;
het was een strafactie die deze enkeling voltrok, een met gevaar voor
eigen
leven voltrokken terechtstelling. Wat zou ten slotte zijn
onderneming
anders blijken te zijn, dan het met bruut geweld onderdrukken van
geschriften?
Onderken je zo’n handelwijze niet als “wettelijk” en gesanctioneerd? En
wat is
daar vanwege jouw zedelijkheidsprincipes tegen in te brengen? “Maar het
was een
onwettige terechtstelling.” Dus het onzedelijke daaraan was de
niet-wetsgetrouwheid, de ongehoorzaamheid aan de wet? Dus geef je toe
dat het
goede niets anders is dan de wet, de zedelijkheid niets anders
dan loyaliteit.
Jouw zedelijkheid moet kennelijk ook tot deze uiterlijkheid van de
“loyaliteit”
zinken, tot de schijnheiligheid van de vervulling van de wet, alleen
dat deze
laatste tegelijkertijd tirannieker is en meer tot opstand aanzet dan de
eerste
schijnheiligheid. Want daarvoor heb jij alleen maar de daad nodig,
maar
hier
is
ook
nog de gezindheid nodig: men moet het voorschrift,
de
verordening in zich meedragen en wie het meest wetsgetrouw is,
is het
meest zedelijk. Ook de laatste opgeruimdheid van het katholieke leven
moet aan
deze protestantse wetsgetrouwheid ten gronde gaan. Hier pas is de
heerschappij
van de wet volkomen. Niet “ik leef, maar de wet leeft in mij”. Aldus
ben ik in
werkelijkheid zover gekomen om alleen maar “het vat van zijn (de wet)
heerlijkheid” te zijn. “Elke Pruis draagt een gendarme in de borst”,
zei een hoge
Pruisische officier.
Waarom wil een bepaalde oppositie
niet gedijen? Eenvoudigweg omdat ze de baan van de zedelijkheid of
wetsgetrouwheid niet wil verlaten. Vandaar die mateloze huichelarij van
onderworpenheid, liefde, enz. wier walgelijkheid ons dagelijks met de
meest
grondige afkeer voor deze verdorven en huichelachtige houding van een
“wettelijke oppositie” vervult. In de zedelijke verhouding van
de liefde
en trouw kan een gespleten en tegenovergestelde wil geen plaats vinden;
de
fraaie verhouding is verstoord als de één dit en de
andere het omgekeerde wil.
Nu moet echter volgens de tegenwoordige praktijk en het oude
vooroordeel van de
oppositie voor alles de zedelijke verhouding bewaard blijven. Wat
blijft nu nog
voor de oppositie over? Een vrijheid te willen wanneer de geliefde ze
denkt te
moeten weigeren? Met nietsen! Willen mag ze de vrijheid niet,
ze kan die
alleen maar wensen en er daarom “een verzoekschrift voor
indienen”, een “asjeblieft,
asjeblieft!” stamelen. Wat zou er van moeten komen als de oppositie
werkelijk
zou willen, met volle energie van de wil zou willen? Nee, ze
moet van
haar willen afstand doen om de liefde te leven, van de
vrijheid
van de zedelijkheid naar liefde. Ze mag nooit “als een recht in
aanspraak
nemen” wat haar alleen “als gunst af te smeken” toegestaan is. De
liefde, dienstvaardigheid,
enz. eist met onafwendbare stelligheid dat er maar één
wil is, waar de anderen
zich aan moeten onderwerpen, die zij moeten dienen, volgen en beminnen.
Of deze
wil voor verstandig of onverstandig kan doorgaan, men handelt in beide
gevallen
zedelijk wanneer men hem volgt en onzedelijk wanneer men zich daaraan
onttrekt.
De wil, die de censuur voorschrijft, lijkt voor velen onverstandig;
maar wie
zijn boek in het land van de censuur achterhoudt, handelt onzedelijk en
wie het
haar voorlegt handelt zedelijk. Verlaat iemand zijn zedelijk standpunt
en richt
hij bv. een geheime drukkerij op, dan moet men hem onzedelijk noemen en
dom nog
ook, als hij zich zou laten betrappen; maar kan zo iemand er aanspraak
op maken
iets waard te zijn in de ogen van de “zedelijken”? Misschien! Wanneer
hij zich
namelijk inbeeldt een nog “hogere zedelijkheid” te dienen.
Het weefsel van de
tegenwoordige
huichelarij heeft tweeërlei kenmerken waartussen onze tijd heen en
weer zweeft
en waaraan het zijn draden van bedrog en zelfbedrog vasthecht. Niet
meer
krachtig genoeg om zonder twijfel en onomwonden de zedelijkheid
te
dienen, nog niet meedogenloos genoeg om volkomen egoïstisch te
leven, siddert
zij in het spinnenweb van de huichelarij, de ene keer naar de ene en
vervolgens
naar de andere kant en vangt, verlamd door de vloek van de halfheid,
alleen maar domme, ellendige muggen. Heeft men het eenmaal gewaagd om
een
“vrij” voorstel te doen dan verwatert men het meteen weer met
liefdesverklaringen en men huichelt berusting; heeft men
anderzijds het
lef het vrije voorstel met zedelijke verwijzigingen naar
vertrouwen,
enz. af te weren, dan zinkt dadelijk ook de zedelijke moed en men
benadrukt hoe
men de vrije woorden met een bijzonder welgevallen aanhoord heeft: men huichelt
instemming. Kortom, men zou het ene willen hebben en
het
andere niet
ontberen: men zou een vrije wil willen hebben, maar de zedelijke
wil niet missen. Kom maar eens bij een kruiper,
jullie
liberalen.
Jullie zullen
elk woord van de vrijheid met een blik van het meest loyale vertrouwen
verzachten en hij zal zijn kruiperigheid in de meest vleiende frasen
van de
vrijheid kleden. Vervolgens gaan jullie uiteen en hij zowel als jij
denkt: ik
ken je, vos! Hij bespeurt in jou net zo goed de duivel, als jij in hem
de oude
dreigende heer God.
Een Nero is alleen maar
in de ogen
van de “goeden” een “kwade” mens, in de mijne is hij niet meer dan een bezetene,
net
als
de
goeden. De goeden zien in hem een aartsbooswicht en
delegeren hem
naar de hel. Waarom hinderde hem niets in zijn willekeur?
Waarom liet men zich zoveel
welgevallen? Waren dan die tamme Romeinen die zich allemaal door zo’n
tiran de
wil lieten binden een haar beter? In het oude Rome zou hij
ogenblikkelijk
terechtgesteld zijn, men zou nooit zijn slaaf geworden zijn. Maar de
“goeden”
onder de Romeinen van deze tijd stelden daar alleen maar hun zedelijke
eis
tegenover en niet hun wil: ze jammerden erover dat hun keizer
niet de zedelijkheid
huldigde zoals zij; zijzelf bleven “zedelijke onderdanen” tot
uiteindelijk
iemand de moed vond die “zedelijke, gehoorzame onderdanigheid” op te
geven. En
toen juichten diezelfde “goede Romeinen”, die als “gehoorzame
onderdanen” alle
smaad van de willoosheid verdragen hadden, over die boosaardige,
onzedelijke
daad van de opstandeling. Waar was dan bij de goeden de moed
vóór de revolutie
die ze nu prezen, nadat een ander hem gepakt had? De goeden konden deze
moed
niet hebben want een revolutie en helemaal een opstand is altijd iets
“onzedelijks” waartoe men alleen maar kan besluiten als men ophoudt
“goed” te
zijn en hetzij “slecht” of geen van beiden wordt. Nero was niet erger
dan zijn
tijd waarin men alleen maar één van beiden kon zijn, goed
of slecht. Zijn tijd
moest over hem oordelen: hij was slecht en wel in de hoogste mate, niet
een
slappeling, maar een aartsbooswicht. Alle zedelijken konden alleen maar
dit
oordeel over hem vellen. Schurken zoals hij leven vandaag soms nog
steeds (zie
bv. memoires van de Ritters von Lang) temidden van de zedelijken. Het
leven is
voor hen werkelijk niet gemakkelijk omdat men geen ogenblik van zijn
leven
zeker is, maar leeft men dan onder de zedelijken gemakkelijker? Van
zijn leven
is men daar evenmin zeker, alleen met dit verschil dat men “van
rechtswege”
gehangen wordt; van zijn eer is men het minst zeker en de nationale
kokarde
vliegt er in een handomdraai vanaf. De harde vuist van de zedelijkheid
gaat
heel onbarmhartig om met het edele wezen van het egoïsme.
“Maar men kan toch een
schurk niet
met een eerlijk man gelijk stellen!” Nu, geen mens doet dit vaker dan
u,
zedenmeesters; ja nog meer dan dat, een eerlijk man die openlijk tegen
de
bestaande staatsinstelling, tegen de geheiligde institutie, enz.
opkomt, sluit
u als misdadiger op en aan een doortrapte schurk staat u een
portefeuille en
nog gewichtiger zaken af. Dus in de praktijk hebt u mij niets te
verwijten.
“Maar in theorie!” Nu, daar stel ik beiden op één lijn
als tegenovergestelde
polen: namelijk allebei op de lijn van de zedenwet. Ze hebben beiden
alleen
maar betekenis in de “zedelijke wereld”, juist zoals in de
voorchristelijke
tijd een wetgetrouwe en een nietwetgetrouwe jood alleen maar zin en
betekenis
hadden met betrekking tot de Joodse wet, terwijl echter voor Christus
de
farizeeërs niet meer dan “zondaars en tollenaars” waren. Dat gaat
dus voor de
eigenheid der zedelijke farizeeërs net zozeer op als voor de
onzedelijke
zondaars.
Nero werd door zijn
bezetenheid zeer
lastig. Maar geen eigenmens zou zo onnozel zijn om hem het “heilige”
voor te
houden om dan te jammeren wanneer de tiran dat heilige niet acht, maar
alleen
zijn wil. Hoe vaak wordt de vijanden de heiligheid van de
onvervreemdbare
mensenrechten niet zelf voorgehouden en een zekere vrijheid als een
“heilig
mensenrecht” bewezen en gedemonstreerd? Die dat doen verdienen
uitgelachen te
worden, zoals dat ook echt met hen gebeurt wanneer ze eigenlijk toch,
zij het
onbewust, de tot het doel voerende weg niet insloegen. Ze vermoeden dat
als de
meerderheid eerst maar eenmaal voor die vrijheid gewonnen is ze dat dan
ook
zelf willen en zullen nemen wat ze willen hebben. De heiligheid
van de
vrijheid en alle mogelijke bewijzen van deze heiligheid zullen nooit
verschaffen: dat lamenteren en petitioneren laat alleen maar bedelaars
zien.
De zedelijke is
noodzakelijkerwijs
bekrompen omdat hij geen andere vijand kent dan de “onzedelijke”. “Wie
niet
zedelijk is, is onzedelijk!”, daarom laag, verachtelijk, enz. Daarom
kan de
zedelijke de egoïst nooit begrijpen. Is een ongehuwde bijslaap
niet een
onzedelijkheid? De zedelijke mag het draaien en keren zoals hij wil,
hij zal
bij deze uitspraak moeten blijven. Emilia Galotti liet voor deze
zedelijke
waarheid haar leven. En het is waar, het is een onzedelijkheid. Een
deugdzaam
meisje mag een oude vrijster worden; een deugdzaam man de tijd
doorbrengen met
tegen zijn natuurlijke neigingen te vechten tot hij ze misschien
volkomen afgestompt
heeft, hij wil zich omwille van de deugd laten besnijden net als de
heilige
Origenes om des hemels wil: hij eert het heilige huwelijk, de heilige
kuisheid
daardoor onkwetsbaar, hij is zedelijk. Onkuisheid kan nooit een
zedelijke daad
worden. Nu mag de zedelijke iemand die een onkuisheid beging nog zo
toegevend
beoordelen en verontschuldigen, maar een vergrijp, een zonde tegen een
zedelijk
gebod blijft het. Er kleeft een onuitwisbare smet aan. Zoals de
kuisheid in de
eerste plaats tot de gelofte aan een orde behoort, behoort ze ook tot
de
zedelijke leefwijze. Kuisheid is een deugd. Voor de egoïsten is
echter ook de
kuisheid geen deugd waar hij niet zonder kan: hij heeft er geen
boodschap aan.
Wat volgt hier nu voor het oordeel van de zedelijke uit? Dit nl. dat
hij de
egoïst in de enige klasse van mensen plaatst die hij buiten de
zedelijke kent, in
die van de onzedelijken. Hij kan niet anders, hij moet de egoïst
in alles
waarin hij geen acht op de zedelijkheid slaat, onzedelijk vinden. Zou
hij dit
niet doen dan zou hij ook ten opzichte van de zedelijkheid een
afvallige zijn
geworden, zonder toe te geven dat hij dan geen waarachtig zedelijk mens
meer
zou zijn. Men moet zich niet door zulke verschijnselen die tegenwoordig
echt
niet tot de zeldzaamheid behoren op een dwaalspoor later zetten en
bedenken dat
wie de zedelijkheid iets vergeeft net zo min bij de waarachtig
zedelijken hoort
als Lessing, die in de bekende parabel de christelijke godsdienst net
als de
Mohammedaanse en Joodse met een “onechte ring” vergelijkt, een vrome
christen
was. Vaak zijn die lieden al verder dan ze zelf durven te bekennen.
Voor
Sokrates was het, terwijl hij op die zedelijke beschavingtrap stond,
een
onzedelijkheid geweest als hij de verleidelijke aanmaning van Kriton
opgevolgd
had en de kerker zou hebben willen ontvluchten; blijven was het enig
zedelijke.
En dat was gewoon omdat Sokrates een zedelijk mens was. De “zedeloze,
roekeloze” revolutionairen daarentegen hadden Lodewijk XVI trouw
gezworen en
decreteerden zijn afzetting, ja zijn dood. Die daad was dus een
onzedelijke
waar de zedelijken zich in alle eeuwen over zullen verbijsteren.
Min of meer betreft dit
alles echter
alleen maar de “burgerlijke zedelijkheid” waar de vrijeren met
verachting op
neerzien. Zij is namelijk zoals eigenlijk de hele burgerlijkheid haar
thuisbasis, die nog zo weinig verwijderd en vrij is, om niet de wetten
ervan
zonder kritiek en zonder meer op haar gebied over te planten, in plaats
van een
eigen zelfstandige leer te produceren. Helemaal anders doet zich de
zedelijkheid voor wanneer ze tot het bewustzijn van haar waarde komt en
haar
principe, het wezen van de mens of “de mens” tot enige maatstaf
verheft.
Diegenen die zich tot zo’n stellig bewustzijn hebben opgewerkt, breken
volkomen
met de religie wier God, naast hun “mens” geen plaats meer vindt en als
ze (zie
beneden) het schip der staat aantasten, dan verbrokkelen ze ook de in
de staat
alleen gedijende “zedelijkheid” en mogen zelfs haar naam logischerwijs
niet
langer gebruiken. Want wat zij een “kritische” zedelijkheid noemen,
verschilt
zeer overtuigend van de zogenaamde “burgerlijke of politieke moraal” en
moet de
staatsburger een “zin- en teugelloze vrijheid” lijken. In wezen echter
heeft ze
daar alleen de “principiële zuiverheid” op voor die bevrijd van
zijn
verontreiniging door het religieuze nu in zijn gelouterde bepaaldheid
“menselijkheid”
tot almacht gekomen is. Daarom is het niet verwonderlijk dat ook de
naam
zedelijkheid naast anderen zoals vrijheid, menselijkheid,
zelfbewustheid, enz.
gehandhaafd blijft en misschien alleen maar met de toevoeging “vrij”
voorzien
wordt juist zoals ook, ofschoon de burgerlijke staat geschandvlekt
wordt, toch
de staat als “vrije staat”, zo niet als “vrije maatschappij” weer zal
verrijzen.
Hoewel deze tot
menselijkheid
vervolmaakte zedelijkheid met de religie, waaruit ze historisch
ontstaan is,
volkomen gebroken heeft, verhindert haar niets zelf religie te worden.
Want
tussen religie en zedelijkheid heerst alleen maar zolang verschil als
onze
betrekkingen met de mensenwereld door onze verhouding met een
bovenmenselijk
wezen geregeld en geheiligd worden of zolang handelen een handelen “om
godswil”
is. Komt het daarentegen zover dat “de mens voor de mens het hoogste
wezen is”,
dan verdwijnt dat verschil en de zedelijkheid neemt een einde omdat ze
aan haar
ondergeschikte plaats ontrukt wordt, in religie. Dan heeft namelijk het
tot dan
toe aan het hoogste ondergeschikte hoger wezen, de mens, de absolute
hoogte
bestegen en gedragen wij ons tot hem als tot het hoogste wezen d.w.z.
religieus. Zedelijkheid en vroomheid zijn nu even synoniem als aan het
begin
van het christendom en alleen omdat het hoogste wezen een ander
geworden is,
noemt men een heilige leefwijze niet meer “heilig”, maar “menselijk”.
Heeft de
zedelijkheid gezegevierd, dan heeft een volkomen verwisseling van
meester
plaats gevonden.
Na de vernietiging van
het geloof
denkt Feuerbach de vermoedelijk zekere baai van de liefde
binnen te
kunnen lopen. “De hoogste en eerste wet moet de liefde van de mensen
tot de
mens zijn. Homo homini, deus est, is de hoogste praktische
grondstelling van
dit keerpunt in de wereld-geschiedenis.”
Eigenlijk is alleen maar de God veranderd, de deus, de liefde is
gebleven; daar
liefde voor de bovenmenselijke God, hier liefde voor de menselijke God,
voor de
homo als deus. Dus de mens is heilig voor mij. En al het “waarachtig
menselijke” is heilig voor mij! “Het huwelijk is door zichzelf heilig.
En zo is
het met alle zedelijke verhoudingen. Heilig zij en is voor jou
de
vriendschap, heilig het eigendom, heilig het huwelijk, heilig het
welzijn van
ieder mens en heilig aan en voor zichzelf.”
Heeft men dan hier weer niet de priester? Wie is zijn God? De mens!
Wat
is
het
goddelijke?
Het menselijke! Zo heeft zich werkelijk het
predikaat alleen
maar in het subject veranderd en in plaats van de zin “God is liefde”
heet het
nu “de liefde is goddelijk”, in plaats van “God is mens geworden”, “de
mens is
god geworden”, enz. Het is niet meer dan een nieuwe religie.
“Alle
zedelijke betrekkingen zijn alleen dan moreel, zij worden alleen maar
dan in
zedelijke zin beoefend als ze door zichzelf (zonder religieuze wijding
door de
zegen van de priesters) als religieus gelden.” De stelling van
Feuerbach: de religie is antropologie, wil alleen maar zeggen: “De
religie moet
ethiek zijn, alleen de ethiek is religie.”
Eigenlijk brengt
Feuerbach alleen
maar een verplaatsing van subject en predikaat tot stand, met
bevoorrechting
van het laatste. Omdat hij echter zelf zegt: “De liefde is niet daarom
heilig
(en heeft voor de mensen nooit daarom als heilig gegolden) omdat ze een
predikaat van god is, maar het is een predikaat van god omdat ze door
en voor
zichzelf goddelijk is”, begreep hij dat de strijd tegen de predikaten
zelf
heropend moest worden, tegen de liefde en alle heiligheden. Hoe had hij
het
recht te hopen de mensen van God af te kunnen keren wanneer hij hen het
goddelijke zelf zou overlaten? En is voor hen zoals Feuerbach zegt, God
zelf
nooit de hoofdzaak geweest, maar alleen zijn predikaten, dan kon hij
hen in
alle geval het klatergoud ook wel overlaten omdat de pop, de eigenlijke
kern
toch overbleef. Hij erkent ook dat het hem “alleen maar om de
vernietiging van
een illusie gaat”,
maar
hij
denkt
dat dat “verderfelijk op de mensen werkt, omdat zelfs de
liefde
op zich de meest innerlijke, meest oprechte bedoeling, door de
religiositeit
tot een ogenschijnlijke en illusoire bedoeling gemaakt zou worden omdat
de
religieuze liefde de mensen alleen maar om godswil dus alleen
ogenschijnlijk de
mens, maar “in werkelijkheid alleen God lief heeft”. Is dit met de
zedelijke
liefde anders? Heeft zij de mens lief, deze mens ter wille van deze
mens of ter wille van de zedelijkheid, ter wille van de mens
dus de
“homini deus” om godswil?
De schroeven hebben nog
een heel stel formele kanten waar
nuttig van zou zijn er enige van aan te stippen.
Zo komt de zelfverloochening
van de heilige overeen
met die van de onheilige, de reine met de onreine. De onreine verloochent
al het “betere gevoel”, alle schaamte, ja zelfs de natuurlijke angst en
volgt
alleen maar de hem beheersende begeerten. De zuivere verloochent zijn
natuurlijke betrekking tot de wereld (“verloochent de wereld”) en volgt
alleen
maar het hem beheersende “verlangen”. Door de gelddorst gedreven
verloochent de
hebzuchtige alle vermaningen van het geweten, alle eergevoel, alle
mildheid en
medelijden: hij houdt nergens meer rekening mee: hij wordt door de
begeerte
meegesleept. De heilige wil hetzelfde. Hij maakt zich tot “bespotting
voor de
wereld”, is hardvochtig en “streng” want hij wordt door het verlangen
meegesleept. Zoals de onheilige zichzelf voor de mammon
verloochent,
verloochent de heilige zichzelf voor God en de goddelijke
wetten. Wij leven
tegenwoordig in een tijd waarin de schaamteloosheid van het
heilige
dagelijks meer en meer gevoeld en onthuld wordt, maar waardoor ze
tegelijkertijd gedwongen wordt zichzelf ook dagelijks meer en meer te
onthullen
en bloot te stellen. Gaat niet de onbeschaamdheid en domheid van de
beweegredenen waarvoor men de “vooruitgang van de tijd” tegenwerkt alle
maat en
verwachting te boven? Maar zo moet het gaan. De zelfverloochenaars
moeten net
als de heiligen dezelfde kant opgaan en als de enen steeds verder in de
grootste
mate van zelfverloochenende gemeenheid en nederigheid
wegzinken, moeten
de anderen wel tot de meest onterende verhevenheid opstijgen.
De mammon
van de aarde en de God van de hemel eisen beiden precies
dezelfde mate
van zelfverloochening. De nederige zowel als de verhevene verlangt naar
het
“goede”, de een naar het materiële, de ander naar het ideële,
het zogenaamde
“hoogste goed” en beiden vullen ten slotte ook elkaar weer aan omdat de
“materieelgezinde” aan alles een ideële schim offert nl. zijn ijdelheid,
de
“geestelijk-gezinde”
aan
een materieel genot nl. het welzijn.
Buitengewoon veel geloven
diegenen
te zeggen, die de mens “belangeloosheid” aanraden. Wat verstaan ze
daaronder? Wel,
ongeveer
hetzelfde
als
onder
“zelfverloochening”. Wie is echter dat zelf dat verloochend moet worden
en
nutteloos moet zijn? Jij schijnt het zelf te moeten zijn. En
tot wiens
nut beveelt men jou die belangeloze zelfverloochening aan? Opnieuw ten
bate van jezelf en in jouw eigen belang, alleen omdat jij je
door
belangeloosheid
het “waarachtig voordeel” verschaft.
Voor jezelf moet jij
nuttig zijn
en toch mag jij jouw
eigen voordeel niet zoeken.
Men beschouwt de weldoeners
van
de mensen als belangeloos, een Francke, die een weeshuis
stichtte, een O’Connell, die onvermoeibaar voor
zijn dwalende volk werkte, maar ook de fanatiekeling, die zoals
de
heilige Bonifacius zijn leven voor de bekering van de heidenen waagde,
of als
Robespierre die alles aan de deugd opofferde, of zoals Körner die
voor God, Koning
en Vaderland stierf. Daarom proberen onder anderen de tegenstanders van
O’Connell hem eigenbelang of winzucht aan te wrijven waartoe hen de
rente van
O’Connell reden scheen te geven; zou het hen lukken zijn “belangeloosheid”
verdacht
te
maken,
dan zouden ze hem gemakkelijk kunnen scheiden van
zijn
aanhangers.
Wat konden ze intussen
anders
bewijzen, dan dat O’Connell een ander dan het voorgewende doel
voor ogen
had! Of hij nu geldgewin of volksbevrijding op het oog heeft, dat hij
een doel
en wel zijn doel nastreeft, blijft toch in het ene zowel als in
het
andere geval zeker: eigenbelang hier zowel als daar, alleen dat zijn
nationaal
eigenbelang ook anderen ten goede zou komen en daarom van algemeen
nut zou zijn.
Is de belangeloosheid nu
misschien onwerkelijk en nergens
voorhanden? Integendeel, niets is gewoner! Men kan haar zelfs een
modeartikel
van de geciviliseerde wereld noemen dat men voor zo onmisbaar houdt dat
men,
als dit in vaste stof te veel kost, zich minstens met klatergoud
opsiert en
doet alsof. Waar begint de belangeloosheid? Juist daar waar een doel
eindigt ons
doel en ons eigendom te zijn waarmee we als eigenaar naar
believen en
willekeur kunnen handelen; waar het een vast doel of een idée
fixe wordt, waar
het ons begint te bezielen, ons enthousiasme en fanatisme aan te vuren,
kortom
waar het onze eigenwijsheid uitdooft en onze meester wordt. Men
is niet
belangeloos zolang men het doel in eigen hand houdt; men wordt dit pas
bij het
“hier sta ik, ik kan niet anders”, de kernspreuk van alle bezetenen die
men bij
een heilig doel wordt door daarbij horende heilige
gedrevenheid.
Ik ben niet belangeloos
zolang het doel
mijn
eigen doel blijft
en ik, in plaats van me als een blind middel ter verwezenlijking
daarvoor leen,
het liever altijd ter discussie houd. Mijn ijver hoeft daarom niet
geringer te
zijn dan die van de meest fanatieke, maar ik blijf tegenover hem
tegelijkertijd
ijskoud, ongelovig en zijn meest onverzoenlijke vijand. Ik blijf zijn rechter
omdat ik zijn eigenaar ben.
De belangeloosheid
woekert welig
zover de bezetenheid reikt, zowel op duivelse
bezittingen als op die van een goede geest: daar laster,
dwaasheid, enz.; hier deemoed, berusting, enz.
Waarheen kan men de
blikken richten zonder
offers van zelfverloochening te bespeuren? Daar zit een meisje
tegenover me dat
misschien al een jaar of tien haar ziel bloedige offers brengt. Boven
die welige
gestalte neigt zich een doodmoe hoofd en bleke wangen verraden de
langzame
verbloeding van haar jeugd. Arm kind, hoe vaak zullen hartstochten met
uw hart
gestreden hebben en de rijke krachten van de jeugd hun recht
opgeëist hebben!
Wanneer je hoofd in de weke kussens rond woelde, hoe schoot dan de
ontwakende
natuur door je leden, spande het bloed je aderen en goten vurige
fantasieën de glans
van de wellust in je ogen. Daar verscheen het spook van de ziel en haar
zaligheid. Je schrok, je handen vouwden zich samen, je gekwelde oog
richtte de
blik naar boven, je bad. De stormen van de natuur verstomden en de
stilte van
de zee gleed over de oceaan van je begeerten. Langzaam zonken je matte
oogleden
over het onder hen uitdovende leven, uit de gezwollen ledematen sloop
ongemerkt
de spanning weg, in het hart verdroogden de loeiende golven, zelfs je
gevouwen handen
verzwaarden krachteloos de weerloze boezem, een zacht, laatste ach kwam
nog
kermend na en de ziel was rustig. Je sliep in, om in de morgen
te
ontwaken voor een nieuwe strijd en nieuwe gebeden. Op het ogenblik
koelt de gewoonte
van de onthouding de hitte van je verlangens en de rozen van je jeugd
verbleken
in de bleekzucht van je zaligheid. De ziel is gered, het lichaam mag
verderven!
O Lais, o Ninon, hoe goed deden jullie eraan om deze bleke deugd te
versmaden.
Eén vrije grisette tegenover duizend in de jeugd grijs geworden
oude vrijsters!
Ook als “grondstelling,
principe, standpunt” en dergelijke
dingen komt de idée fixe voor. Archimedes wilde om de aarde te
bewegen een
standpunt buiten de aarde. Naar dit standpunt hebben de mensen
voortdurend gezocht en iedereen nam het in zo goed hij kon. Dit vreemde
standpunt is de wereld van de geest, van de ideeën,
gedachten,
begrippen, het wezen, enz; het is de hemel. De hemel is het
“standpunt”
van waaruit de aarde bewogen en het aardse gedoe overzien en veracht
wordt. Zich
van de hemel te verzekeren, het hemelse standpunt vast en voor eeuwig
in te
nemen, wat heeft de mensheid daar smartelijk en onvermoeibaar voor
gestreden.
Het christendom had tot
doel ons van
natuurlijke bestemming (bestemming
door de natuur), van de begeerten als aandrift te verlossen en dus
wilde het dat
de mens zich niet door zijn begeerten zou laten bepalen. Dit wil niet
zeggen
dat hij geen begeerten zou moeten hebben, maar dat de
begeerten
hem niet zouden moeten hebben, dat ze niet fix, onbedwingbaar
en
onoplosbaar zouden moeten zijn. Wat nu het christendom (de religie)
tegen de
begeerten machineerde, kunnen we dat niet op haar eigen voorschrift dat
de geest
(gedachten, voorstellingen, ideeën, geloof, enz.) onszelf zou
moeten bepalen,
toepassen en zouden we kunnen verlangen dat ook de geest of de
voorstelling, de
idee ons niet zou moeten bepalen, niet fix en onaantastbaar of
“heilig”
zou moeten worden? Dan zou het op het oplossen van de geest, de
oplossing van de gedachten en alle voorstellingen moeten uitlopen.
Zoals het
daar zou moeten heten: wij kunnen weliswaar begeerten hebben, maar de
begeerten
moeten ons niet hebben, zeggen we nu: we kunnen dan wel geest
hebben,
maar de geest moet ons niet hebben. Lijkt aan dit laatste soms een
juiste
betekenis te ontbreken dan denke men er bv. aan dat bij zovele een
gedachte tot
een “maxime” wordt waardoor men zelf gevangene wordt, zodat niet hij de
maxime,
maar eerder de maxime hem in de macht heeft. En met de maxime heeft men
weer
een “vast standpunt”. De leer van de catechismus wordt zo onvoorzien
onze grondstelling
en verdraagt geen verwerping meer. De gedachte daarvan of de geest
heeft de
alleenheerschappij en geen tegenspraak des “vlezes” wordt verder meer
gehoord. Nochtans
kan ik alleen maar door het “lichaam” de tirannie van de geest breken
want
alleen als een mens ook zijn lijfelijkheid ervaart, ervaart hij
zichzelf
helemaal en pas wanneer hij zichzelf volkomen ervaart, is hij ervarend
of
verstandig. De christen merkt de ellende van zijn geknechte natuur
niet, maar
leeft in “deemoed” en daarom mort hij niet tegen het onrecht dat zijn persoon
ervaart: met de “geestelijke vrijheid” gelooft hij zichzelf tevreden te
kunnen
stellen. Komt echter eenmaal het lichaam aan het woord en is de toon
daarvan niet
anders dan die kan zijn: ”hartstochtelijk”, “onfatsoenlijk”,
“niet-welgemeend”,
“boosaardig”, enz., dan gelooft hij de stem van de duivel te vernemen,
hoort
stemmen tegen de geest (want welvoeglijkheid, begeerteloosheid,
welgemeendheid en dergelijke zijn ook geest) en hij verzet zich daar
terecht
tegen. Hij zou geen christen moeten zijn om ze te verdragen. Hij
gehoorzaamt
alleen aan de zedelijkheid en slaat de zedeloosheid op de bek, hij
gehoorzaamt
alleen aan de wettelijkheid en knevelt het wetteloze woord: de geest
van
de zedelijkheid en wetsgetrouwheid, een koppige en onbuigzame meester
houdt hem gevangen. Dat noemen ze “de heerschappij van de geest” en het
is
tegelijkertijd het standpunt van de geest.
En wie willen die gewone
liberale
heren nu vrij maken? Naar welke vrijheid verlangen ze zo vurig en om
welke
vrijheid schreeuwen ze? Naar die van geest! De geest van de
zedelijkheid, wetsgetrouwheid, vroomheid, godsvrucht, enz. Maar dat
willen de
anti-liberale heren ook en de hele strijd tussen beiden draait om het
voordeel,
of de laatste het woord alleen hebben of dat de eersten een “medegenot
van
dit
voordeel” zullen krijgen. De geest blijft voor beiden
de
absolute meester en ze twisten alleen maar over het feit wie
van hen de
hiërarchische troon, die de “stadhouder van de meesters”
toekomt, zal
innemen. Het beste aan de zaak is dat men dit gedoe rustig kan bekijken
in de
zekerheid dat de wilde dieren van de geschiedenis elkaar op dezelfde
wijze
zullen verscheuren als die van de natuur; hun verrotte kadavers
bemesten de
bodem voor onze vruchten.
Op menig andere schroeven
zoals die
van een roeping, van de waarachtigheid, de liefde, enz., komen we later
terug.
Wanneer het aan ons
eigene tegenover
het ons ingegevene geplaatst wordt, dan wordt daardoor niet
ontkend dat
we niet iets geïsoleerds zouden kunnen hebben, maar dat we alles
in het
wereldverband dus door de indruk van het om ons heen waarneembare
ontvangen en
daarom het als iets “ingegevens” beschouwen; toch is er een groot
verschil
tussen gevoel en denken, dat door iets anders in mij opgewekt worden
en
dat, dat me gegeven worden. God, onsterfelijkheid, vrijheid,
menselijkheid,
enz., worden ons van kindsbeen af als gedachten en gevoelens ingeprent
die ons
innerlijk krachtiger of zwakker bewegen en ons hetzij onbewust
beheersen of
zich in rijkere naturen als systemen of kunstwerken kunnen tonen, maar
die
nooit opgewekte maar ingegeven gevoelens zijn omdat we in hen geloven
en ons
eraan moeten vasthouden. Dat dit iets absoluuts is en dit absolute door
ons
opgenomen, gevoeld en gedacht zou moeten worden, stond als geloof vast
bij
diegenen die alle kracht van hun geest gebruikten om dit te erkennen en
te
vertolken. Het gevoel voor het absolute bestaat als iets
ingegevens en komt
voortaan alleen maar tot de meest overvloedige openbaringen van
zichzelf. Zo
was in Klopstock het religieuze gevoel een ingegeven gevoel dat zich in
de
Messiade alleen maar kunstzinnig liet kennen. Zou daarentegen de
godsdienst die
hij voorstond voor hem alleen maar een aansporing tot gevoel en denken
geweest
zijn en had hij zich helemaal zelfstandig daartegen weten op te
stellen, dan
zou in plaats van een godsdienstige bezieling, een oplossing en
vertering van
het object, het gevolg daarvan geweest zijn. Daarom zette hij op
rijpere leeftijd
alleen maar zijn kinderlijke, de in zijn jeugd ontvangen gevoelens
voort en
verkwistte de krachten van zijn mannelijkheid met het opsieren van zijn
kinderachtigheden.
Het verschil is dus dit:
dat mij
gevoelens ingegeven of alleen maar in me opgewekt zijn. De laatste zijn
eigen,
egoïstische gevoelens omdat ze mij niet als gevoelens
ingeprent,
voorgezegd en opgedrongen zijn; maar bij de eerste zet ik een hoge
borst op,
koester ze als mijn erfdeel, cultiveer ze en ik ben door hen bezeten.
Wie heeft
het nooit bewust of onbewust gemerkt dat onze hele opvoeding erop
neerkomt gevoelens
in ons te produceren d.w.z. ze ons in te geven in plaats van dit
allemaal aan ons
zelf over te laten, hoe het ook mocht uitvallen. Horen we de naam van
God, dan
moeten we godvruchtige gevoelens ervaren, horen we die van de
vorstelijke
majesteit, dan moet hij met eerbied, ontzag en onderdanigheid opgenomen
worden,
horen we die van de moraal, dan moeten we denken iets onkwetsbaars te
horen, horen
we die van het kwaad, dan moeten we huiveren, enz. Op deze gevoelens
komt het aan en wie bv. de daden van het “kwaad” met welgevallen
verneemt, moet
door de tuchtroede “getuchtigd en beschaafd” worden. En zo verschijnen
we met ingegeven
gevoelens volgepropt voor de balie van de mondigheid en worden
“mondig
verklaard”. Onze uitrusting bestaat uit “verheffende gevoelens,
verheven
gedachten, bezielde grondstellingen, eeuwige principes”, enz. Mondig
zijn de
jongeren pas wanneer ze piepen zoals de ouden; men hitst ze door middel
van de
scholen op waar ze oude deuntjes leren en zodra ze die kennen,
verklaart men
hen mondig.
Wij mogen niet
bij elke zaak
en elke naam die in ons opkomt, voelen wat we daarbij willen en kunnen
voelen,
we mogen bv. bij de naam van God ons niets belachelijks indenken, niets
oneerbiedigs voelen, maar het is ons voorgeschreven en ingegeven wat en
hoe we
ons daarbij moeten voelen en denken.
Dat is de betekenis van
de zielzorg zodat mijn ziel of geest
gestemd is
zoals anderen het juist vinden, niet zoals ik het zelf zou willen.
Hoeveel
moeite kost het iemand niet zich minstens bij deze of gene naam
eindelijk van
een eigen gevoel te verzekeren en menigeen in het gezicht uit
te lachen
die van ons bij zijn woorden een heilig gezicht en een onvertrokken
gelaat
verwacht. Het ingegevene is ons vreemd, is ons niet eigen en
daarom is
het “heilig” en is het niet eenvoudig de “heilige schroom daarvoor” af
te leggen.
Heden ten dage hoort men
ook weer de “ernst” aanprijzen, de
“ernst bij hoogst gewichtige onderwerpen en verhandelingen”, “de Duitse
ernst”,
enz. Dit soort ernst laat duidelijk zien hoe oud en ernstig de
dwaasheid en
bezetenheid al is geworden. Want er bestaat niets ernstiger dan de
dwaas, als
hij het toppunt van zijn dwaasheid bereikt heeft: dan begrijpt hij door
zijn grote
gedrevenheid geen scherts meer. (Zie krankzinnigengestichten.)
§ 3. De
Hiërarchie
De historische
beschouwing over ons Mongolendom, die ik in
dit gedeelte episodisch wil invoegen, geef ik niet met aanspraak op
degelijkheid
en betrouwbaarheid, maar alleen omdat ik denk dat het ter
verduidelijking van
het overige kan bijdragen.
De wereldgeschiedenis,
wier vorming
eigenlijk helemaal aan de Kaukasische mensenstam toebehoort, schijnt
tot op
vandaag twee Kaukasische tijdperken doorlopen te hebben, in het eerste
waarvan
wij onze aangeboren negerachtigheid moesten uit- en verwerken,
waarop in
het tweede de Mongoolachtigheid (het Chinezendom) volgde,
waaraan op
dezelfde manier met verschrikking uiteindelijk een eind gemaakt moet
worden. De
negerachtigheid stelt de oudheid voor, de tijd van de
afhankelijkheid
van de dingen (van kippenvoer, de vlucht van een vogel, niezen,
van
donder en bliksem, het ruisen van de heilige bomen, enz.); de
Mongoolachtigheid
is de tijd van de afhankelijkheid van gedachten, de christelijke.
Voor
de
toekomst,
de
woorden voorbehouden: ik ben eigenaar van de wereld van
de
dingen en ik ben eigenaar van de wereld van de geesten.
In het negerachtige
tijdperk vindt
men de trek van Ramses II en eigenlijk de belangrijkheid van Egypte en
Noord-Afrika. Het Mongoolachtige tijdperk behoort aan de trek van de
Hunnen en
Mongolen tot aan de Russen toe.
De waarde van het mijne
kan
onmogelijk hoog aangeslagen worden zolang de harde diamant van het niet-
ik
zo geweldig hoog staat aangeschreven, net als dit met God en de wereld
het
geval was. Het niet-ik, is nog te korrelig en te
onbedwingbaar om
door mij verteerd en geabsorbeerd te worden; veel meer kruipen de
mensen alleen
maar op dit onbewegelijke d.w.z. op deze substantie met
buitengewone bedrijvigheid rond zoals parasietjes op een
lichaam waarvan
de sappen hen tot voedsel dienen zonder het daarmee te verteren. Het is
de
bedrijvigheid van het ongedierte, die bedrijvigheid van de Mongolen.
Bij de
Chinezen blijft alles bij het oude en niets “wezenlijks” of
“substantieels”
ondergaat een verandering; des te levendiger echter werken zij aan
het
blijvende dat de naam van “oudheid” of “de voorvaderen” draagt.
Daarom is in ons
Mongoolse tijdperk
elke verandering alleen maar een reformatorische of herstellende, geen
destructieve of
verterende
en
vernietigende
geweest.
De substantie, het object blijft. Al
onze
bedrijvigheid was alleen maar mierenbedrijvigheid en vlooiensprong,
jongleurkunsten op het onbewegelijke touw van de objectiviteit,
herendienst
onder de heerschappij van het onveranderlijke of “eeuwige”. De Chinezen
zijn
wel het meest positieve volk omdat het helemaal onder
verordeningen
begraven ligt; aan het positieve is echter het christelijke
tijdperk
niet kunnen ontkomen d.w.z. aan de “beperkte vrijheid”, de “vrijheid
binnen
bepaalde grenzen”. Op de meest gevorderde trap van beschaving verdient
deze
werkzaamheid de naam van wetenschappelijk, het werken op basis
van
onbewegelijke vooronderstellingen, een onomstotelijke hypothese.
In haar eerste en meest
onverstaanbare vorm komt de zedelijkheid als gewoonte voor.
Naar de
zeden en gewoonten van zijn land handelen noemt men zedelijk zijn.
Daarom wordt
een zuiver zedelijk handelen, een loutere, onvervalste zedelijkheid het
meest
eenvoudig in China uitgeoefend: men blijft daar bij de oude gewoonten
en zeden
en men haat elke vernieuwing als een halsmisdaad. Want de vernieuwing
is
de doodsvijand van de gewoonte, van het oude, van de standvastigheid.
Het
is
ook
inderdaad aan geen twijfel onderhevig dat de mens zich uit
gewoonte
tegen het indringen van de dingen, de wereld verzekert en een eigen
wereld
grondvest waarin hij alleen zich behaaglijk en thuis voelt d.w.z. zich
een hemel
bouwt. De “hemel” heeft toch geen andere betekenis, dan de eigenlijke
woonplaats van de mensen te zijn waarin niets vreemds hen meer bepaalt
en
beheerst, waarin zelfs geen aardse invloed hen meer van zichzelf
vervreemdt,
kortom waarin de ballast van het aardse afgeworpen is en de strijd
tegen de
wereld een einde genomen heeft en waarin hen dus niets meer ontzegd
wordt. De hemel is het einde van de ontzegging, het is het vrije
genieten. Daar ontzegt zich de mens niets meer omdat hem niets
vreemd en
vijandig meer is. De gewoonte is echter een “andere natuur” die de mens
van
zijn eerste en oorspronkelijke natuurlijkheid verlost en bevrijdt omdat
zij hem
tegen alle toevalligheden daarvan verzekert. De beschaafde gewoonte van
de
Chinezen heeft voor alle gebeurtenissen gezorgd en alles wat er ook
gebeuren
moge is voorzien; de Chinees weet altijd hoe hij zich moet
gedragen en
hij hoeft zich niet eerst aan de omstandigheden aan te passen: uit de
hemel van
zijn rust stort geen onvoorzien geval op hem neer. De zedelijk
ingeslepen en
gewende Chinees wordt niet verrast of overrompeld: hij gedraagt zich
tegenover
alles gelijkmoedig d.w.z. even moedig of met een gelijk gemoed omdat
zijn
gemoed, door de voorzichtigheid van zijn van oudsher bestaande zeden
beschut,
niet van slag raakt. Langs de ladder van de beschaving of cultuur
bestijgt de
mensheid zo door gewoonte de eerste sport en omdat ze zich voorstelt in
het
beklimmen van de cultuur tegelijkertijd de hemel, het rijk van de
cultuur of
tweede natuur te beklimmen, bestijgt ze werkelijk de eerste sport van
de
hemelladder.
Heeft het Mongolendom het
bestaan
van geestelijke wezens vastgesteld, een geestenwereld, een hemel
geschapen,
hebben de Kaukasiërs dan duizenden jaren met deze geestelijke
wezens geworsteld
om ze te doorgronden? Wat deden ze dan anders dan dat ze op Mongoolse
grond
bouwden? Ze hebben niet op het zand maar in de lucht gebouwd, hebben
met het
Mongoolse geworsteld, de Mongoolse hemel, de Thiän bestormd.
Wanneer zullen ze
deze hemel eindelijk vernietigen? Wanneer zullen ze eindelijk echte
Kaukasiërs
worden en zichzelf vinden? Wanneer zal de “onsterfelijkheid van de
ziel” die in
de laatste tijd haar bestaan nog meer geloofde zeker te stellen als die
zich in
de vorm van “onsterfelijkheid van de geest” zou aanbieden, eindelijk in
de sterfelijkheid
van de geest veranderen?
In het industriële
geworstel van het Mongoolse ras hadden de
mensen zich een hemel gebouwd zoals die van de Kaukasische
mensenstam,
zolang ze in hun Mongoolse kleuring met de hemel te doen hadden, de
tegenovergestelde taak, de taak die hemel van de zeden te bestormen, de
hemelbestormende
werkzaamheid overnamen. Alle menselijke instellingen ondermijnen om op
de
opgeruimde bouwplaats een nieuwe en betere te scheppen, alle zeden
verderven om
steeds nieuwe en betere in de plaats ervan te stellen, enz. daartoe
beperkte
zich hun bezigheid. Is zij echter al zo zuiver en werkelijk datgene wat
ze
probeert te zijn en bereikt ze zo haar laatste bedoeling? Nee, ze is in
dit
herscheppen van iets “beters” nog met het Mongolendom behept. Ze
bestormt de hemel alleen om weer een hemel te maken, ze stort een oude
macht
neer om een nieuwe macht te wettigen, ze verbetert alleen maar.
Toch is
het beoogde doel, hoe vaak dit bij elke nieuwe aanpak ook uit het oog
verloren
kan worden, het werkelijk voltooide instorten van de hemel, van de
zeden, enz.,
kortom van de alleen maar tegen de wereld verzekerde mens, van de isolering
of innerlijkheid van de mens. Door de hemel van de cultuur
probeert de
mens zich van de wereld af te zonderen, haar vijandelijke macht te
breken. Dit
isoleren van de hemel moet echter ook gebroken worden en het ware einde
van de
hemelbestorming is de ineenstorting van de hemel, de vernietiging van
de hemel.
Dat verbeteren en reformeren is het Mongolendom van de
Kaukasiër
omdat hij daardoor opnieuw weer vertolkt wat voorheen al bestond nl.
een reglement,
een algemeenheid, een hemel. Hij voelt een onverzoenlijke vijandschap
tegenover
de hemel en bouwt toch dagelijks nieuwe hemelen: hemel op hemel
stapelend,
verdrukt hij alleen maar de ene door de andere, de hemel van de joden
verwoest
de hemel van de Grieken, die van de christenen de joodse, de
protestantse de
katholieke, enz. Stropen deze hemelbestormers van Kaukasische
bloed hun
mongolenhuid af, dan zullen ze de gevoelsmens onder de puinen van zijn
afgrijselijke
gevoelswereld begraven, de geïsoleerde mens onder zijn
geïsoleerde wereld, de
opgehemelde onder zijn hemel. En de hemel is het geestenrijk,
het rijk
van de geestelijke vrijheid.
Dat hemelrijk, dat rijk
van de
geesten en spoken heeft in de speculatieve filosofie zijn juiste
ordening
gevonden. Hier wordt het het rijk van de gedachten, begrippen en
ideeën
genoemd: de hemel is bevolkt door gedachten en ideeën en dit
“geestenrijk” is
dan de ware werkelijkheid.
Voor de geest
vrijheid te
willen verwerven, is Mongolendom, geestelijke vrijheid is Mongoolse
vrijheid,
gemoedsvrijheid, morele, zedelijke vrijheid, enz.
Men beschouwt het woord
“zedelijkheid” ook synoniem aan zelfhandelend, zelfbeschikking. Maar
dit ligt
er niet in en de Kaukasiërs hebben alleen maar bewezen dat ze
zelfhandelend
zijn ondanks hun Mongoolse zedelijkheid. De Mongoolse hemel of
zeden
bleef de vaste burcht en alleen doordat de Kaukasiër onophoudelijk
tegen deze
burcht aanstormde, bewees hij zedelijk te zijn; had hij helemaal niets
meer met
de zeden te maken gehad, dan had hij daaraan niet zijn onbedwingbare,
onophoudelijke vijand gehad, dan had zijn betrekking tot de zeden
opgehouden te
bestaan en als gevolg ook de zedelijkheid. Dat dus zijn zelfhandelen
nog
zedelijk is dat is juist het Mongoolachtige eraan en een bewijs dat hij
hierin
nog niet tot zichzelf gekomen is. Het “zedelijke zelfhandelen” komt
volkomen
overeen met de “religieuze en orthodoxe filosofie”, de “constitutionele
monarchie”, de “christelijke staat”, de “vrijheid binnen zekere
grenzen”, de
”beperkte drukpersvrijheid” of in één beeld: de aan het
ziekbed gekluisterde
held.
Pas dan heeft de mens het
Shamanendom en zijn spook werkelijk overwonnen als hij niet alleen het
geloof
in spoken, maar ook de kracht bezit het geloof in de geest te
verwerpen, niet
alleen het geloof in geesten, maar ook het geloof in de geest.
Hij die in een spook
gelooft, neemt
niet meer het “ontstaan van een hogere wereld” aan dan hij die aan de
geest
gelooft en beiden zoeken achter de zinnelijke wereld een
bovenzinnelijke;
kortom ze maken en geloven in een andere wereld en deze andere wereld,
het
voortbrengsel van hun geest is een geestelijke
wereld: hun
zinnen
begrijpen en weten niets van een andere, onzinnelijke wereld alleen hun
geest
leeft daarin. De voortgang van dit Mongools geloof in het bestaan
van
geestelijke wezens tot aan het geloof dat ook het eigenlijke
wezen
van de mens zijn geest is en dat alleen hierop, op zijn
“zielenheil”
alle zorgzaamheid gericht zou moeten worden, is niet moeilijk. Daardoor
wordt
de inwerking op de geest, de zogenaamde “morele invloed”, verzekerd.
Vandaar dat het zo in het
oog springt dat het mongolendom de volkomen
rechteloosheid
van de zinnelijkheid, de onzinnelijkheid en onnatuur vertegenwoordigt
en dat de
zonde en het zondebewustzijn duizenden jaren lang onze Mongoolse plaag
geweest
is.
Wie echter zal ook de geest in zijn niets
oplossen? Hij, die door middel van de geest de natuur als het nietige,
eindige,
vergankelijke
vertolkte,
kan alleen ook de geest tot een
gelijke
nietigheid terugbrengen. Ik kan het en dit kan elk van u die
als
onbeperkt ik heerst en schept, dit kan in één woord de egoïst.
Voor het heilige verliest
men alle
machtsgevoel en moed: men gedraagt zich daar machteloos en deemoedig
tegenover.
En toch is er geen ding op
zichzelf heilig, maar door
mijn heiligverklaring, doordat ik het zo noem, mijn oordeel,
mijn kniebuigen,
kortom door mijn geweten.
Heilig is alles wat voor de
egoïst ongenaakbaar moet zijn, onaantastbaar, buiten zijn macht
d.w.z. boven hem: heilig in een woord elke gewetenszaak
want “dit is voor mij een gewetenszaak” wil zoveel zeggen als: “Dit
houd ik
voor heilig.”
Voor kleine kinderen, net
als voor
dieren, bestaat niets heiligs omdat men, om zich dit te kunnen
voorstellen, al zo ver tot verstand
moet gekomen zijn dat men kan onderscheiden hoe: “goed en kwaad”,
“recht en
onrecht”, enz. een rol speelt; alleen maar bij zo’n graad van reflexie
of
verstandigheid van het eigenlijke standpunt van de religie kan in
plaats van de
natuurlijke vrees de onnatuurlijke (d.w.z. de eerst door denken
te
voorschijn geroepen) eerbied optreden, de “heilige schroom”.
Hiertoe behoort
dat men iets buiten zichzelf voor machtiger, groter, meer gerechtigd,
beter
enz. houdt d.w.z. dat men de macht van een vreemde erkent dus niet
alleen
voelt, maar ook uitdrukkelijk erkent d.w.z. er plaats voor maakt,
uitwijkt,
zich gevangen geeft, zich binden laat. (overgave, deemoed,
onderworpenheid,
onderdanigheid, enz.) Hier spookt de hele spokenschaar van de
“christelijke deugden”.
Alles, waar jij respect
of eerbied voor voelt, verdient de
naam van het heilige; je zegt ook zelf dat je er een “heilige
schroom” voor hebt dit aan te
raken. En zelfs het onheilige geeft kou deze kleur (galgen, misdaad,
enz.). Jij
huivert voor de aanraking ervan. Er ligt iets geheimzinnigs d.w.z. iets
vreemds
of oneigens in.
“Hadden de mensen niets dat hun
heilig was, dan
zou de willekeur, die teugelloze subjectiviteit de vrije loop hebben!”
De vrees
neemt een aanvang, maar men kan ook de ruwste mens bang maken; dus een
dam
tegen zijn brutaliteit. Alleen in de vrees ligt altijd nog de poging
zich van
het gevreesde te bevrijden door list, bedrog, kunstgrepen, enz.
Daarentegen is
het met de eerbied heel anders. Hier wordt niet alleen gevreesd, maar
ook geëerd:
het gevreesde is een innerlijke macht geworden waar ik me niet meer aan
kan
onttrekken; ik eer het zelf, ben daardoor bevangen, het toegedaan en
onderdanig: door de eer die ik daaraan betuig ben ik volkomen in zijn
macht en probeer
de bevrijding niet eens meer. Nu hang ik daar met de hele kracht van
het geloof
aan, ik geloof. Ik en het gevreesde zijn één:
“Niet ik leef, maar het gerespecteerde
leeft in mij!” Omdat de geest, dit oneindige niet eindigt, is hij
stationair: hij
is bang om te sterven, hij kan van zijn kindeke Jezus geen
afstand doen,
de grootheid van de eindigheid wordt door zijn verblinde ogen niet meer
onderkend: het ter verering gestegen gevreesde mag niet meer aangetast
worden:
de eerbied wordt vereeuwigd. Het gerespecteerde wordt vergoddelijkt. De
mens is
nu niet meer scheppend, maar lerend (wetend, onderzoekend,
enz.) d.w.z.
houdt zich bezig met vaste voorwerpen, zich daarin verdiepend
zonder
terugkeer naar zichzelf. De verhouding tot dit voorwerp is die van het
weten,
het doorgronden en bevestigen, enz. niet van het oplossende
(afschaffen,
enz). “Religieus moet de mens zijn” dat staat vast; daarom houdt men
zich
alleen bezig met de vraag hoe dit te bereiken, welke de juiste
betekenis van de
religiositeit is, enz. Heel anders is het wanneer men een axioma zelf
ter
discussie stelt en in twijfel trekt al zou het ook met je aan de haal
gaan.
Zedelijkheid is ook zo’n heilige idee: zedelijk moet men zijn en we
hoeven
alleen maar het juiste hoe, de juiste wijze van dit te zijn, op te
zoeken. Aan
de zedelijkheid zelf waagt men zich niet met de vraag of het niet zelf
een
hersenschim is: ze blijft boven alle twijfel verheven, onveranderbaar.
En zo gaat
het verder met het heilige, trap voor trap, van het “heilige” tot in
het
“hoogheilige”.
Men verdeelt
de mensen soms in twee klassen, in beschaafden en onbeschaafden.
De
eersten
hielden
zich voor zover ze hun naam waardig zijn, bezig met
gedachten, met de geest en eisten omdat ze in de na-christelijke tijd,
waar het
principe ook de gedachte van is, de heersenden waren, voor de door hen
geaccepteerde denkbeelden een onderworpen respect. Staat, keizer, kerk,
God,
zedelijkheid, ordening, enz. zijn zulke gedachten of geesten, die
alleen voor
de geest bestaan. Een alleen maar levend wezen, een dier, bekommert
zich daar
net zomin om als een kind. Alleen de onbeschaafden zijn echt niets
anders dan
kinderen en wie uitsluitend zijn levensbehoeften aanhangt, is volkomen
onverschillig
ten opzichte van die geesten; maar omdat hij ook zwak tegenover hen is,
doet
hij onder voor hun macht en wordt beheerst door gedachten. Dat is de
betekenis
van de hiërarchie.
Hiërarchie is de heerschappij van de
gedachten, de heerschappij van de geest!
Hiërarchisch zijn we
tot op de dag
van
vandaag,
onderdrukt
door diegenen
die op gedachten steunen. De gedachten zijn het heilige.
Altijd echter is er een botsing tussen de
beschaafde en
de onbeschaafde en omgekeerd en niet alleen door het op elkaar botsen
van twee
mensen, maar in één en dezelfde mens. Want geen
beschaafde is zo beschaafd dat
hij ook niet nog vreugde zou vinden in de dingen en daarom onbeschaafd
zou zijn
en geen onbeschaafde is helemaal zonder gedachten. Bij Hegel komt
uiteindelijk voor
de dag wat voor verlangen juist de beschaafde naar de dingen
heeft en
wat een afkeer hij voor elke “holle theorie” koestert. Daar moet de
gedachte
met heel de werkelijkheid overeenkomen dus de wereld van de dingen en
geen
begrip mag zonder realiteit zijn. Dit verschafte het Hegeliaanse
systeem de
naam van meest objectieve alsof daarin gedachte en ding hun vereniging
vierden.
Maar het was integendeel juist alleen de uiterste gewelddadigheid van
het denken,
de hoogste dwingelandij en alleenheerschappij ervan, de triomf van de
geesten
en daarmee de triomf van de filosofie. Iets hogers kan de
filosofie niet
meer bereiken want het hoogste is de oppermacht van de geest,
de almacht
van de geest.
De geestelijke mensen
hebben zich
iets in het hoofd gehaald dat gerealiseerd zou moeten worden.
Ze hebben begrippen
over liefde, het goede en dergelijke, die ze verwezenlijkt
zouden willen
zien; daarom willen ze een rijk van liefde op aarde stichten waar
niemand meer
uit eigenbelang, maar iedereen “uit liefde” handelt. De liefde moet heersen.
Wat
ze
zich
in het hoofd hebben gehaald, hoe kan men dat anders noemen
dan een
idée fixe? Het “spookt hen in hun kop”. Het meest
beklemmende spook is de mens. Denk maar aan het spreekwoord:
“De weg tot het verderf
is geplaveid
met goede bedoelingen.” Het voornemen, de menselijkheid volkomen in
zich te
verwezenlijken, een heel mens te worden, is van een verderfelijke aard;
daar behoren
de voornemens, goed, edel, liefdevol, enz., ook naar verwezen te
worden.
In de zesde aflevering
van de
Denkwürdigkeiten p. 7, zegt Bruno Bauer: “De burgerklasse, die
voor de nieuwe
geschiedenis zo enorm belangrijk
zou moeten zijn, is tot geen enkele opofferende handeling, geen
bezieling voor
een idee, geen verheffing in staat: ze wijdt zich nergens anders aan
dan aan
het belang van haar middelmatigheid, d.w.z. ze blijft altijd tot
zichzelf
beperkt en overwint ten slotte alleen door haar massaliteit waarmee ze
de
inspanningen van de hartstocht, van de bezieling, van de consequentie
weet te
verlammen door haar oppervlakkigheid waar ze een deel van de nieuwe
ideeën
inzuigt.” En blz. 8: “Ze heeft de revolutionaire ideeën waarvoor
niet zij, maar
belangeloze of hartstochtelijke mannen zich opofferden, zichzelf alleen
ten goede
laten komen, de geest in geld omgezet. Vrijwel nadat ze die ideeën
de spits, de
consequentie, de verstorende en tegen alle egoïsme fanatieke ernst
afgebeten
had.” Deze lieden zijn dus niet opofferend, niet bezield, niet
ideëel, niet
consequent, geen enthousiastelingen; ze zijn volgens het gewoon begrip
egoïsten, op eigenbelang uit, op hun voordeel bedacht, nuchter,
berekend, enz.
Wie is dan “opofferend”?
Volkomen toch
in
ieder
geval
degene die aan
een iets, een doel, een wil, een hartstocht, enz. al het andere
ondergeschikt
maakt. Is de beminnende, die vader en moeder verlaat, die alle gevaren
en
ontberingen doorstaat om tot zijn doel te komen niet opofferend? Of de
eerzuchtige die alle begeerten, wensen en bevredigingen aan die ene
hartstocht
ten offer brengt, of de gierigaard die zichzelf alles ontzegt om
schatten te
verzamelen, of hij die verzot is op vermaak, enz? Hem beheerst
één hartstocht,
waaraan hij de overigen opoffert.
En zijn deze opofferenden dan
niet
zelfzuchtig, geen egoïsten? Omdat ze alleen maar één
heersende hartstocht
hebben, zorgen ze ook maar voor één bevrediging, maar
voor deze des te ijveriger,
ze gaan in haar op. Hun hele doen en laten is egoïstisch, maar het
is een
eenzijdig, niet openlijk, bekrompen egoïsme, het is bezetenheid.
“Ja, dat zijn maar kleingeestige
hartstochten waardoor de mens zich integendeel
niet moet laten knechten. Voor een groot idee, een goede zaak, moet de
mens een
offer brengen!” Een “groot idee”, een “goede zaak” is zoiets als de ere
Gods
waarvoor ontelbaren de dood vonden, het christendom dat zijn
bereidwillige
martelaren gevonden heeft, de alleenzaligmakende kerk, die begerig naar
ketteroffers was; de vrijheid en gelijkheid waaraan de bloedige
guillotine ten
dienste stond.
Wie voor een groot idee, een goede zaak, een
leer, een
systeem, een verheven roeping leeft, mag geen wereldse lusten, geen
zelfzuchtig
belang in zich laten opkomen. Hier hebben we het begrip van priesterdom
of zoals het volgens zijn pedagogische werkzaamheid ook genoemd kan
worden, de
schoolmeesterachtigheid; want de idealen schoolmeesteren ons. De
geestelijke is
eigenlijk juist geroepen de idee uit te leven en voor de idee, de
waarachtig
goede zaak, te werken. Daarom voelt het volk, hoe weinig het er voor
voelt, een
wereldse hoogmoed te tonen, een welzijn te begeren, vergenoegens, zoals
dans en
spel mee te maken, kortom iets anders dan een “heilig belang” te
hebben. Daar
is ook vast wel de geringe bezoldiging van die heren aan toe te
schrijven, die zich
alleen door de heiligheid van hun beroep beloond voelen en zich andere
genoegens moeten “ontzeggen”.
Ook aan een ranglijst van
heilige
ideeën waarvan de mens er
één of meer als zijn roeping moet beschouwen, ontbreekt
het niet. Familie, vaderland,
wetenschap en dergelijke kunnen in mij een trouwe dienaar vinden.
Daar stoten wij op de
aloude waan
van de wereld die het priesterdom nog niet heeft leren
ontberen. Voor een idee leven en
werken dat zou de roeping van de mensen moeten zijn en naar de trouw
van de
vervulling ervan zou men de menselijke waarde moeten afmeten.
Dit is de heerschappij
van de idee
of het priesterdom. Robespierre
bv., Saint Just, enz., waren door en door priesters bezield door het
idee, enthousiaste,
consequente gereedschappen van deze idee, ideale mensen; zo roept bv.
Saint-Just in een rede uit: “Er ligt iets verschrikkelijks in de
heilige liefde
tot het vaderland; ze is zo buitensluitend dat ze alles zonder
erbarmen, zonder
vrees, zonder menselijk aanzicht, aan het publiek belang opoffert. Ze
stort
Manlius in de afgrond; ze offert haar privé-neigingen; ze voert
Regulus naar
Karthago, werpt een Romein in de afgrond en zet Marrat, als offer voor
zijn toewijding
in het Pantheon.”
Tegenover deze
vertegenwoordigers
van idealen of heilige belangen staat een wereld van talloze
“persoonlijke”
profane belangen. Geen idee, geen systeem, geen heilige zaak is zo
groot dat ze
niet door deze persoonlijke belangen overtroffen en gewijzigd zou
moeten worden.
Hoewel ze ook meteen en in tijden van opwinding en fanatisme zwijgen,
komen ze
toch door “het gezonde volksgevoel” er weldra weer bovenop. Die
ideeën
overwinnen dan pas volkomen als ze niet meer vijandig aan het
persoonlijk
belang zijn, d.w.z. als ze het egoïsme bevredigen.
De man die daar net voor
mijn venster
bokking te koop roept, heeft een persoonlijk belang bij een goede afzet
en
wanneer zijn vrouw of wie dan ook hem het zelfde toewenst, dan blijft
dit toch
een persoonlijk belang. Zou daarentegen een dief zijn mand stelen, dan
zou er
tegelijkertijd een belang voor velen ontstaan, de hele stad, het hele
land of
in één woord voor allen die de diefstal verafschuwen: een
belang waarbij de persoon
van de bokkinghandelaar onbelangrijk zou worden en in diens plaats de
categorie
van de “bestolenen” op de voorgrond zou treden. Maar ook hier zou nog
alles op
een persoonlijk belang kunnen uitdraaien als elke deelnemer er over zou
nadenken
dat hij aan de bestraffing van de dief zou moeten bijdragen omdat
anders het
straffeloos stelen algemeen zou kunnen worden en het zijne ook gestolen
zou
kunnen worden. Zo’n berekening kan men zich echter nauwelijks bij velen
voorstellen en men zal eerder de uitroep horen: de dief is een
“misdadiger”.
Daar hebben we een oordeel over omdat de handeling van de dief haar
uitdrukking
vindt in het begrip “misdaad”. Nu doet zich de zaak als volgt voor:
wanneer een
misdaad noch mij, noch iemand met wie ik te maken heb, nauwelijks
schade
toebrengt, zou ik mij daar toch tegen verzetten. Waarom? Omdat
ik met de zedelijkheid bezield, met de idee van
de
zedelijkheid
vervuld ben; wat haar vijandig is dat vervolg ik. Omdat voor hem de
diefstal
zonder meer als afkeurenswaardig geldt, gelooft bv. Proudhon met de
stelling:
“Eigendom is diefstal”, dit al gebrandmerkt te hebben. In de zin van de
paapsen
is het altijd een misdaad of tenminste een vergrijp.
Hier neemt het persoonlijke belang een
einde. Deze
bepaalde persoon die de mand gestolen heeft, is mij volkomen
onverschillig;
alleen in de dief, dit begrip waarvan die persoon een exemplaar
voorstelt, stel
ik belang. Dief en mens zijn voor mijn geest onverzoenlijke
tegenstellingen;
want men is niet waarachtig mens wanneer men dief is; men vernedert de
mens in zich of de “mensheid” als men steelt. Wanneer men het
persoonlijke
belang buiten beschouwing laat, raakt men op het gebied van de filantropie,
die
menslievendheid
die
gewoonlijk zo wordt misverstaan als zou ze een
liefde
voor de mens zijn, voor elke enkeling terwijl ze niets dan een liefde van
de mens voor het onwerkelijk begrip, voor het spook is. Niet de mensen,
maar de
mens sluit de filantroop in zijn hart. Natuurlijk bekommert hij zich om
elke
enkeling, maar alleen omdat hij zijn geliefd ideaal overal
verwezenlijkt zou
willen zien.
Dus van de zorg om mij, u en ons is hier
geen sprake:
dat zou een persoonlijk belang inhouden en dat hoort in het hoofdstuk
van de “wereldse
liefde” thuis. De filantropische liefde is een hemelse, geestelijke,
een
priesterlijke liefde. De mens moet in ons tot stand gebracht
worden al
zouden wij arme duivels daar ook aan ten gronde gaan. Het is dezelfde
paapse
grondstelling als dat beroemde “fiat justitia, pereat mundus”: mens en
gerechtigheid zijn ideeën, hersenschimmen, waaraan uit liefde
alles opgeofferd
wordt: daarom zijn de paapse geesten de “opofferenden”.
Wie met de mens
dweept, laat
voor zover deze dweperij zich
uitstrekt, de personen buiten beschouwing en zweeft in een ideaal,
heilig
belang rond. De mens is geen persoon, maar een ideaal, een
spook.
Tot de mens nu
kan het meest
verscheidene behoren en worden gerekend. Vindt men het hoofdvereiste
daarvoor in de vroomheid, dan
ontstaat het religieuze priesterdom; ziet men het in de zedelijkheid,
dan
verheft het zedelijke priesterdom het hoofd. De priesterlijke geesten
van onze
tijd zouden daarom uit alles een “religie” willen maken; een “religie
van de
vrijheid”, “religie van de gelijkheid”, enz. en alle ideeën worden
voor hen een
“heilige zaak”, zelfs het staatsburgerschap, de politiek, de
openbaarheid, de persvrijheid,
de jury, enz.
Wat betekent nu in deze
zin
“onbaatzuchtigheid”? Alleen een ideaal belang hebben, waarvoor geen
aanzien des
persoons geldt!
Hiertegen verzet zich de
stijve kop
van de wereldse mens, maar die heeft duizenden jaren lang zover in
ieder geval
het onderspit gedolven dat hij de weerspannige nek moest buigen en de
hogere macht
moest dienen: het priesterdom onderdrukte hem. Als de wereldlijke
egoïst dan
een hogere macht afgeschud zou hebben bv. de wet van het oude
testament, de
roomse paus, enz. dan zou dadelijk een zevenmaal hogere weer op hem
neergedaald
zijn bv. het geloof in wat door de wet is vastgesteld, de verandering
van alle
leken in geestelijken, in plaats van de beperkte clerus, enz. Het zou
hem als de
bezetene vergaan in wie zeven duivels binnenvoeren als hij zich van
één verlost
dacht te hebben.
Op de boven aangevoerde
plaats wordt
de burgerklasse alle idealiteit ontzegd. Ze machineerde in ieder geval
tegen de
ideële consequentie, waarmee Robespierre het principe wilde
uitvoeren. Het
instinct van haar belangen, zei haar dat deze consequentie met datgene
waar haar
zin naar stond te weinig zou harmoniëren en dat het tegen zichzelf
handelen zou
zijn wanneer men deze principiële bezieling hulp zou willen
verlenen. Zou men zich
misschien zo onbaatzuchtig moeten gedragen dat ze al haar doeleinden
liet varen
om een wrange theorie ten triomf te voeren? De paus verwoordde dat heel
treffend toen de mensen aan de oproep gehoor gaven: “Verkoop alles wat
u hebt en
geef het de armen, zo zult u een schat in de hemel hebben; kom en volg
me.”
Enige vastberaden idealisten gaven gehoor aan deze oproep; de meesten
handelden
echter als Ananias en Sapphira omdat ze zich half priesterlijk of
religieus en
half wereldlijk gedroegen, God en de Mammon dienen.
Ik verwijt de burgerij
niet dat ze
zich door Robespierre niet van haar stuk wilde laten brengen, d.w.z.
dat ze
haar egoïsme raadpleegde, in hoeverre ze de revolutionaire idee
ruimte zou
moeten geven. Maar hen zou men wel iets kunnen verwijten (als hier
eigenlijk
van een verwijt sprake kan zijn) die zich door de belangen van de
burgerklasse
van hun eigen belangen hadden laten afbrengen. Zullen ze inmiddels niet
vroeg
of laat op dezelfde manier hun eigen voordeel leren begrijpen? August
Becker
zegt: “Om de producenten (proletariërs) te winnen, is een negatie
van de
ingevoerde rechtsbegrippen allesbehalve voldoende. Deze lieden
bekommeren zich
helaas weinig om de theoretische zegepraal van de idee. Men moet hen
“ad
oculos” demonstreren hoe deze zegepraal praktisch voor het leven benut
kan
worden.”
En blz. 32: “U moet deze lieden bij hun werkelijke belangen aanpakken
als u op
hen wil inwerken.” Dadelijk daarop toont hij hoe er onder onze boeren
al een echt
soort zedeloosheid om zich heen grijpt, omdat ze hun werkelijke
belangen liever
volgen dan de geboden van de zedelijkheid.
Terwijl de revolutionaire
priesters of schoolmeesters de
mens dienden, sneden ze de mens de hals af. De revolutionaire
leken of
profanen hadden weliswaar geen grotere afschuw voor het halsafsnijden,
maar
waren minder om de mensenrechten d.w.z. de rechten van de mens
bezorgd
dan om de hunne.
Hoe komt het nu dat het
egoïsme van
hen, die het persoonlijk belang handhaven en dit altijd raadplegen,
toch weer
telkens onder een priesterachtig of schoolmeesterachtig d.w.z.
ideëel belang
bezwijkt? Hun persoon komt hen zelf te klein, te onbeduidend voor en is
dit inderdaad
ook om alles in acht te nemen en alles te handhaven. Een zeker teken
daarvan
ligt in het feit dat zij zichzelf in twee personen, een eeuwige en een
tijdelijke verdelen en telkens alleen hetzij voor de ene of voor de
andere
zorgen, zondags voor de eeuwige, op werkdagen voor de tijdelijke, in
gebed voor
de ene; in de arbeid voor de andere. Ze hebben de priester in zich
daarom raken
zij niet van hem los en ze horen hem zondags innerlijk tegen hen
uitvaren.
Wat hebben de mensen
geworsteld en
gerekend om dat
dualistisch
wezen
te
verzoenen? Idee volgde op idee, principe
op
principe, systeem op systeem en niemand van hen wist de
tegenstrijdigheid, de
“wereldlijke mens”, de zogenaamde “egoïst” op den duur er onder te
houden. Bewijst
dat niet dat al die ideeën te machteloos waren om mijn hele wil in
zich op te
nemen en hem genoegdoening te geven? Ze waren en bleven me vijandig,
alhoewel
de vijandschap lange tijd verborgen bleef. Zal het met de eigenheid
ook
zo zijn? Is ook zij alleen maar een poging ter bemiddeling? Tot welk
principe
ik me ook wend zoals bv. tot dat van de rede, ik moet me daar
altijd
weer van afwenden. Of kan ik altijd redelijk zijn en heel mijn leven
overeenkomstig het verstand inrichten? Naar redelijkheid streven
kan ik
wel, ik kan het liefhebben net als God en welk andere idee ook:
ik kan
filosoof zijn, een liefhebber van de wijsheid, zoals ik God bemin. Maar
wat ik
liefheb, waar ik naar streef, is alleen maar mijn idee, mijn
voorstelling, mijn
gedachte: het zit in mijn hart, mijn hoofd, het is in mij zoals mijn
hart, maar
het is niet een ik, ik ben het niet.
Tot de werkzaamheid van
de
priesterlijke geesten behoort met name datgene wat men vaak “morele
invloed” hoort
noemen.
De morele invloed begint
daar waar
de vernedering begint,
ja het is niets anders dan de vernedering zelf, het breken en buigen
van de moed
tot vernedering. Wanneer ik iemand toeroep, bij het tot
springen brengen
van een rots, uit haar nabijheid te gaan, dan oefen ik geen morele
invloed uit
over dit onredelijk gedrag; wanneer ik tot een kind zeg, je zult honger
lijden
als je niet wilt eten wat opgedist wordt, dan oefen ik geen morele
invloed uit.
Zeg ik echter: je moet bidden, je ouders eren, het kruis respecteren,
de waarheid
spreken, enz., want dit hoort de mens te doen en dat is de roeping van
de mens,
of zelfs dit is Gods wil, dan is de morele invloed duidelijk: een mens
moet
zich daar buigen voor de roeping van de mens, moet volgzaam
zijn,
nederig worden en moet de mens zijn wil opgeven voor een vreemde, die
als regel
en wet opgesteld wordt; hij moet zich vernederen voor iets hogers:
zelfvernedering.
“Wie
zichzelf
vernedert, zal verhoogd worden.” Ja, ja,
de
kinderen moeten bijtijds tot vroomheid, godzaligheid en eerbaarheid
aangespoord
worden; een mens met een goede opvoeding is iemand die “goede
grondstellingen” toegediend
en ingeprent, ingepompt, ingeranseld en ingepredikt is.
Haalt men daar de
schouders voor op,
dan wringen de goeden dadelijk vertwijfelend de handen en roepen: “Maar
om des
hemels wil, als men de kinderen geen goede lessen geeft, lopen ze
loodrecht de
zonde in de muil en worden zeker nietsnuttige deugnieten!” Bedaar,
jullie
onheilsprofeten. Nietsnuttig in uw zin zullen ze zeker worden; maar uw
zin is
juist volmaakt nietsnuttig. Zo’n brutale knapen zullen zich door u
niets meer
laten inpraten en voor laten wauwelen en geen gevoel voor al die
dwaasheden
hebben waarmee u sinds mensenheugenis dweept en leutert: ze zullen dit
erfrecht
opheffen d.w.z. ze zullen uw stommiteiten niet willen erven,
zoals u ze
van uw voorvaderen geërfd hebt, ze verdelgen de erfzonde.
Wanneer u hen
beveelt: buig je voor de allerhoogste, dan zullen ze antwoorden: als
hij ons
wil buigen, dan moet hij dat zelf maar komen doen; wij willen ons
tenminste
niet uit vrije beweging buigen. En als u hen met zijn toorn en zijn
straffen
dreigt, zullen ze het als een dreigen met de boeman beschouwen. Lukt
het u niet
meer hen angst voor uw hersenschimmen in te boezemen, dan is de
heerschappij
van de spoken geëindigd en vinden de bakkersprookjes geen geloof
meer.
En zijn het niet juist
weer de
liberalen die op een goede opvoeding en verbetering van het
opvoedingswezen
aandringen? Want hoe zou ook hun liberalisme, hun “vrijheid binnen de
grenzen
van de wet”, zonder tucht tot stand kunnen komen? Al kweken ze ook nu
juist
niet de vrees voor God aan, ze eisen toch des te strenger van u de mensenvrees
d.w.z. vrees voor de mens en wekken door tucht de “bezieling
voor de
waarachtig menselijke roeping” op.
Een lange tijd vervloog,
waarin men
zich met de waan tevredenstelde de waarheid te bezitten zonder
dat men
er ernstig aan dacht of men misschien niet zelf waar moest zijn om de
waarheid
te bezitten. Deze tijd was die van de Middeleeuwen. Met het
gewone
d.w.z. concrete bewustzijn, dit bewustzijn dat maar alleen voor dingen
of het
zinnelijke en het concrete bevattelijk is, dacht men het ondingelijke,
onzinnelijke te vatten. Zoals men echter ook vrijelijk zijn ogen
inspant om het
verwijderde te zien of de hand moeitevol oefent tot ze vaardigheid
genoeg heeft
verkregen om de toetsen volgens de regels van de kunst te grijpen: zo
kastijdde
men zichzelf op vele wijzen zodat men in staat zou zijn het
bovenzinnelijke
helemaal in zich op te nemen. Maar alles wat men kastijdde was alleen
maar de
zinnelijke mens, het gewone bewustzijn, het zogenaamde eindige of
concrete
denken. Omdat dit denken echter, dit verstand, waaraan Luther ook wel
de naam
van de rede “anpfuit”, niet tot het bevatten van het Goddelijke in
staat is,
droeg zijn kastijding daarvan juist zoveel daartoe bij om de waarheid
te begrijpen,
als wanneer men de voeten jaar in jaar uit in het dansen zou oefenen en
zou hopen
dat ze op die wijze uiteindelijk fluit zouden leren blazen. Pas Luther,
met wie
de zogenaamde middeleeuwen eindigen, begreep dat de mens zelf een
andere zou
moeten worden als hij de waarheid zou willen begrijpen en wel net zo
waar, als
de waarheid zelf. Alleen wie de waarheid al in zijn geloof ingebed
heeft, wie
in de waarheid gelooft, kan haar deelachtig worden d.w.z.
alleen voor de
gelovige is ze toegankelijk en alleen hij doorgrondt er de diepte van.
Alleen
dat orgaan van de mens dat eigenlijk door middel van de longen in staat
is te
blazen, kan ook het fluitblazen leren en alleen die mens kan de
waarheid
deelachtig worden, die daarvoor het juiste orgaan bezit. Wie alleen
maar
zinnelijk, rationeel en subjectief kan denken stelt zich ook de
waarheid als
een ding voor. Maar de waarheid is geest, volkomen onzinnelijk en
bestaat
daardoor alleen maar voor het “hogere bewustzijn”, niet voor het
“aardsgezinde”.
Daarom komt met Luther
het begrip
boven dat de waarheid, omdat ze gedachte is, alleen voor denkende
mensen bestaat. En dat wil zeggen dat de mens voortaan eenvoudigweg een
ander
standpunt moet innemen nl. het hemelse, gelovige, wetenschappelijke of
het
standpunt van het denken tegenover het voorwerp daarvan, de gedachte,
het
standpunt
van
de geest tegenover de geest. Dus: alleen de gelijke
kent
zijns gelijke! “U lijkt op de geest dus u begrijpt de geest.”
Omdat het protestantisme de middeleeuwse
hiërarchie knakte kon
de mening dat de hiërarchie eigenlijk door haar gebroken was,
postvatten en helemaal
over het hoofd worden gezien dat het juist een “reformatie” was dus een
opfrissing van de verouderde hiërarchie. De middeleeuwse is maar
een zwakke
hiërarchie geweest omdat ze alle mogelijke barbaarsheid van het
profane ongedeerd
naast zich moest dulden en pas de hervorming staalde de kracht van de
hiërarchie. Wanneer Bruno Bauer denkt: “Dat de hervorming
hoofdzakelijk de
abstracte afscheuring van de godsdienstige principes van kunst, staat
en
wetenschap dus de bevrijding daarvan van die machten was, waarmee ze
zich
tijdens het bestaan van de kerk en met de hiërarchie van de
middeleeuwen verbonden
hadden en dat ook de theologie en kerkelijke richtingen die uit de
reformatie
te voorschijn kwamen alleen maar de consequente doorvoering van deze
abstractie
van de mensheid waren”:
dan
zie
ik
daar juist het omgekeerde in en denk dat de heerschappij van
de geest
of geestelijke vrijheid — wat op hetzelfde neerkomt — nooit te voren zo
omvattend en almachtig is geweest omdat de huidige heerschappij in
plaats van
het godsdienstige principe van kunst, staat en wetenschap los te
rukken, deze
veelmeer helemaal uit de waardigheid tot het “rijk van de geest”
verhief en
religieus maakte.
Men plaatste terecht
Luther en
Cartesius bij elkaar in het “wie gelooft is een God”
en “ik denk dus ik ben” (cogito ergo sum). De
hemel van de mensen is het denken, de geest. Alles kan hem
ontrukt
worden, het denken niet, niet het geloof. Een bepaald geloof
zoals het
geloof in Zeus, Astarte, Jehova, Allah, enz., kan vernietigd worden,
het geloof
zelf echter is onvernietigbaar. In het denken is vrijheid. Wat ik nodig
heb en
waarnaar ik honger dat wordt me door geen genade meer verleend,
niet
door de maagd Maria, niet door voorspraak van de heiligen of door de
verlossende
en bindende kerk, maar ik verschaf het mezelf. Kortom mijn zijn (het
sum) is
een leven in de hemel van het denken, van de geest, een cogitare.
Ikzelf ben niets
anders dan geest, als denkende (volgens Cartesius), als gelovige
(volgens
Luther). Mijn lichaam dat ben ik niet; mijn lichaam kan lijden
door
lusten of kwellingen. Ik ben niet mijn lichaam, maar ik ben geest,
uitsluitend
geest.
Deze gedachte doordringt
de reformatiegeschiedenis tot
vandaag.
Pas de nieuwere filosofie
ten tijde
van Cartesius nam het ernstig om het christendom tot volkomen
werkzaamheid te brengen
doordat ze het “wetenschappelijk bewustzijn” tot alleen waar en geldend
verhief. Daarom begint ze met de absolute twijfel, het
dubitare, met de
“verplettering” van het gewone bewustzijn, met het afwijzen van alles
wat niet
door de “geest”, het “denken” gewettigd wordt. Ze heeft geen enkele
boodschap
aan de natuur, ook niet aan de mening van de mensen, hun
“menselijke
instellingen” en ze rust niet voor ze in alles de rede gebracht heeft
en kan
zeggen: “Het werkelijke is het redelijke en alleen het redelijke is het
werkelijke.”
Zo heeft ze uiteindelijk de geest, de rede tot de overwinning geleid en
alles
is geest omdat alles redelijk is, de hele natuur net zo goed als zelfs
de meest
verkeerde meningen van de mensen rede bevatten: want “alles moet tot
het beste
dienen” d.w.z. tot de zegepraal van de rede leiden.
Het “dubitare” van Cartesius bevat de
besliste
uitspraak dat alleen het cogitare, het denken de geest is. Een
volkomen
breuk met het “gewone” bewustzijn dat aan de redeloze dingen
werkelijkheid toeschrijft! Maar alleen maar het redelijke is, alleen de
geest
is! Dit is het principe van de nieuwste filosofie, de echt
christelijke. Scherp
scheidde al Cartesius het lichaam van de geest en “het is de geest, die
voor
zich een lichaam bouwt”, zegt Goethe.
Maar deze filosofie zelf,
de
christelijke, komt toch
niet van het redelijke los en ijvert daarom tegen het “alleen maar
subjectieve”,
tegen de “invallen”, “toevalligheden”, “willekeur”, enz. Ze wil dat het
Goddelijke
in alles zichtbaar zal worden en dat alle bewustzijn een Goddelijk
weten wordt
en dat de mens God overal aanschouwt; maar God bestaat juist niet
zonder de duivel.
Een filosoof kan men
juist daarom
hem niet noemen, die weliswaar open ogen heeft voor de dingen van de
wereld,
een heldere en onverblinde blik, een juist oordeel over de wereld
heeft, maar
in de wereld alleen maar de wereld, in het voorwerp alleen maar het
voorwerp,
kortom alles prozaïsch, zoals het is, ziet, maar een filosoof is
alleen hij die
in de wereld de hemel, in het aardse het bovenaardse, in het wereldse
het Goddelijke
ziet en aantoont of bewijst. De één kan nog zo verstandig
zijn, het blijft toch:
wat het verstand van de verstandigen niet ziet dat doet de eenvoud in
het kinderlijk
gemoed. Dit kinderlijk gemoed maakt pas de filosoof, dit oog voor het
Goddelijke. De ander heeft alleen maar een “gewoon” bewustzijn, maar
wie het Goddelijke
kent en weet te vertellen, heeft een “wetenschappelijk” bewustzijn. Op
grond hiervan
wees men Bacon uit het rijk van de filosofen. En verder schijnt
werkelijk dat
wat men Engelse filosofie noemt, het niet verder gebracht te hebben,
dan tot de
ontdekking van de zogenaamde “heldere koppen”, zoals Bacon en Hume. De
eenvoud
van het kinderlijk gemoed konden die Engelsen niet tot een filosofische
betekenis verheffen, konden niet uit kinderlijke gemoederen filosofen
maken.
Dit betekent zoveel als: hun filosofie was niet in staat theologisch
of theologie
te worden en toch kan ze zich alleen maar als theologie echt
uitleven,
zich vervolmaken. In de theologie ligt het slagveld voor haar
doodstrijd. Bacon
bekommerde zich niet om de theologische vraagstukken en kardinale
punten.
Het voorwerp van de
kennis is het
leven. Het Duitse denken probeert meer dan het overige tot het begin en
de bron
van het leven te geraken en ziet in het kennen zelf pas het leven. Het
Cogito
ergo sum, van Cartesius heeft de betekenis: men leeft alleen, wanneer
men
denkt. Denkend leven wil zeggen: “Geestelijk leven!” Alleen de geest
leeft,
zijn leven is het ware leven. Ook heersen in de natuur alleen maar de
“eeuwige
wetten”, de geest of de rede van de natuur is het ware leven daarvan.
Alleen de
gedachte in de mens, net als in de natuur, leeft; al het andere is
dood! Tot deze
abstractie, tot het leven van algemeenheden of het levenloze
moet het
met de geschiedenis van de geest komen. God, die geest is, leeft
alleen. Er
leeft niets anders dan het spook.
Hoe kan men van de nieuwe
filosofie
of tijd willen beweren dat ze de vrijheid bereikt heeft, terwijl ze ons
niet
van de macht van de realiteit bevrijd heeft? Of ben ik soms “vrij van
dwingelandij” wanneer ik weliswaar niet voor de persoonlijke
machthebber bang
ben, maar voor elke krenking van de piëteit die ik hem denk
verschuldigd te
moeten zijn? Niet anders is het met de nieuwe tijd. Ze veranderde
alleen de existerende objecten, de werkelijke machthebber,
enz. in een ingebeelde
d.w.z.
in het begrip waarvoor het oude respect niet alleen niet
verloren ging,
maar in intensiteit nog toenam. Knipte men voor God en de Duivel in hun
voormalige krasse werkelijkheid met de vingers, zo wijdt men zich nu
met
grotere aandacht aan hun begrippen. ”Aan de boze bent u ontkomen, maar
het boze
is gebleven.” Om tegen de bestaande staat te revolteren, de wetten om
te
werpen, liet men zich door weinig bedenkingen weerhouden, omdat men
eenmaal
vastbesloten was zich door het bestaande en tastbare niet langer te
laten
imponeren: maar tegen het begrip staat te zondigen, zich aan
het begrip
wet niet te onderwerpen. Wie zou dat gewaagd hebben? Zo bleef men
“staatsburger” en een “wetsgetrouw”, loyaal mens; ja, men dacht zich
des te
wetgetrouwerer voor te doen, naarmate men rationeler de vorige
gebrekkige wet
afschafte om de “geest van de wet” te huldigen. In dit alles hebben
alleen de
objecten een vormverandering ondergaan, maar zijn in hun overmacht en
soevereiniteit behouden; kortom, men was nog gevangen in gehoorzaamheid
en
bezetenheid, men leefde in reflexie en men had een onderwerp
waarover
men reflecteerde, dat men respecteerde en waarvoor men eerbied en vrees
voelde.
Men had niets anders gedaan dan de dingen in voorstellingen
van
de dingen, in gedachten en begrippen veranderd waardoor de afhankelijkheid
des te inniger en onoplosbaar werd. Zo kostte het bv. niet veel moeite
om zich
van de ouderlijke bevelen te emanciperen, zich aan de vermaningen van
oom en
tante, het smeken van zusters en broeders te onttrekken; maar deze
opgelegde
gehoorzaamheid verplaatste zich gemakkelijk naar het geweten en hoe
minder men
ook aan de persoonlijke verlangens toegeeft, omdat men ze rationeel
volgens
eigen verstand als onredelijk beschouwt, des te gewetensvoller houdt
men aan de
piëteit, de liefde voor de familie vast en vergeeft zich des te
minder een
vergrijp tegen de voorstelling die men van de familieliefde en
de
piëteitsplicht heeft gemaakt. Van de afhankelijkheid aan de
existerende familie
verlost, valt men in de nog meer bindende afhankelijkheid van het
familiebegrip:
men wordt door de familiegeest beheerst. De uit Hans en Grietje, enz.,
bestaande familie wier heerschappij machteloos is geworden, is nu
verinnerlijkt
omdat ze eigenlijk als “familie” overblijft waarop men juist weer de
oude
spreuk kan toepassen: men moet God meer gehoorzamen dan de mensen, wat
hier wil
zeggen: ik kan weliswaar geen genoegen nemen met uw onzinnige eisen,
maar als
mijn ”familie” blijft u toch het voorwerp van mijn liefde en zorgen;
want de
“familie” is een heilig begrip dat door de enkeling niet beledigd mag
worden.
En deze tot een gedachte, een voorstelling verinnerlijkte en
ontzinnelijkte
familie beschouwt men nu als het “heilige” wier dwingelandij nog
tienmaal erger
is, omdat ze in mijn geweten rumoert. Deze dwingelandij wordt alleen
maar
gebroken doordat ook de ingebeelde familie voor mij een niets
wordt. Het
christelijke gezegde: “Vrouw wat heb ik met u te maken?”
“Ik ben gekomen, om de mensen op te hitsen, de zoon tegen de vader en
de
dochter tegen de moeder”
en andere, gaan van de verwijzing naar de hemelse of eigenlijke familie
vergezeld
en betekenen niet meer dan de eis van de staat, bij een botsing tussen
hem en
de familie, zijn geboden te gehoorzamen.
Op dezelfde manier als
met de
familie gaat het met de zedelijkheid. Van de zeden maakt menigeen zich
los,
maar van de voorstelling “zedelijkheid” zeer moeilijk. De zedelijkheid
is de
“idee” van de zeden, hun geestelijke macht, hun macht over het geweten;
daarentegen is de zede te materieel om de geest te beheersen en een
“geestelijk” mens, een zogenaamd onafhankelijke, een “vrijgeest” kan ze
niet
kluisteren.
De protestant mag het
aanleggen
zoals hij wil, heilig blijft voor hem toch de “Heilige schrift”. Het
“woord
Gods”. Voor wie dit niet meer heilig is, is opgehouden een protestant
te zijn.
Hierbij blijft voor hem ook alles heilig wat daarin “verordend” is, de
door God
ingestelde overheid, enz. Deze dingen blijven voor hem onoplosbaar,
ongenaakbaar, “boven alle twijfel verheven” en omdat de twijfel,
die
in
de
praktijk
een rommelen wordt wat de mens het meest eigen is,
blijven
deze dingen boven hem zelf “verheven”. Wie daar niet van kan loskomen,
moet
geloven; want daaraan geloven wil zeggen,
daaraan gebonden
zijn. Doordat in het protestantisme het geloof innerlijk
geworden is, is
ook de slavernij een innerlijke geworden: men heeft de heiligheden in
zich
opgenomen, ze met zijn hele hebben en houden samengevlochten, hen tot “gewetenszaak”
gemaakt,
zich
uit
hen een “heilige plicht” bereid. Daarom is voor de
protestant
datgene heilig waarvan zijn geweten niet kan loskomen; en de gewetensvolheid
toont zeer duidelijk zijn karakter.
Het protestantisme heeft
van de mens
eigenlijk een “geheime politiestaat” gemaakt. De spion en bespieder
“geweten”
bewaakt elke beweging van de geest en alle doen en denken is voor hem
een
“gewetenszaak”, d.w.z politiezaak. Uit deze verscheurdheid van de mens
in
“natuurdrift” en “geweten” (innerlijk gepeupel en innerlijke politie)
bestaat
de protestant. De rede van de bijbel (bij de katholieken in plaats
daarvan de
“rede van de kerk”) geldt als heilig en dit gevoel en bewustzijn dat
het
bijbelwoord heilig is, heet geweten. Daarmee is dan de heiligheid
iemand “in
het geweten geschoven”. Bevrijdt men zich niet van het geweten, het
bewustzijn
van het heilige, dan kan men weliswaar niet gewetensvol zijn, maar
nooit gewetenloos
handelen.
De katholiek voelt zich
tevreden
wanneer hij het bevel uitvoert; de protestant handelt volgens
“zijn
beste weten en geweten”. De katholiek is alleen maar leek, de
protestant
is zelf geestelijke. Dat is juist de vooruitgang boven de
Middeleeuwen
en tegelijk ook de vloek van de reformatieperiode omdat het
geestelijke
volmaakt wordt.
Wat was nu de
jezuïtische moraal
anders dan een voortzetting van de aflatenkraam, alleen met dit
verschil dat
hij die men zijn zonden ontnam voortaan ook een inzicht kreeg
van de
kwijtschelding van de zonden en zich er van overtuigen kon hoe
werkelijk zijn
zonden van hem afgenomen werden, ja dat het in het één of
ander geval
(Casuisten) helemaal geen zonde was, die hij beging. De aflatenverkoop
heeft
alle zonden en overtredingen toelaatbaar gemaakt en elke
gewetensaandoening tot
zwijgen gebracht. De zinnelijkheid mocht volkomen heersen als ze maar
bij de
kerk afgekocht werd. Deze begunstiging van de zinnelijkheid wordt door
de
jezuïet voortgezet terwijl de strengzedelijke, duistere,
fanatieke,
boetvaardige, verslagen, biddende protestant zich werkelijk als de ware
vervolmaker van het christendom, de geest en geestelijke mens alleen,
liet
gelden.
Het katholicisme, met
name de
jezuïeten, begunstigden op deze manier het egoïsme, vonden
binnen het
protestantisme zelf een onvrijwillige en onbewuste aanhang en redden
ons voor
het wegkwijnen en de ondergang van de zinnelijkheid. De
protestantse
geest breidt zijn geest echter steeds verder uit en omdat het
Jezuïtische naast
hem, het “Goddelijke”, alleen het van alle Goddelijke onafscheidbare
“Duivelse”
vertolkt, kan het zich nergens alleen handhaven, maar moet het toezien
dat,
zoals bv. in Frankrijk, uiteindelijk het filisterdom van het
protestantisme
zegeviert en de geest er boven op is.
Aan het protestantisme
pleegt het
compliment gemaakt te worden dat het het wereldse weer in ere hersteld
heeft,
bv. het huwelijk, de staat, enz. Hem echter is juist het wereldse als
wereldse,
het profane, nog veel onverschilliger dan voor het katholicisme, die de
profane
wereld doorstaan, ja zich haar genot laat smaken, terwijl de
verstandige,
consequente protestant zich de vernietiging van heel het wereldse ten
doel
stelt en wel eenvoudigweg alleen doordat hij het heiligt. Op
die wijze is
het huwelijk van de natuurlijkheid beroofd omdat het heilig werd, niet
volgens
de betekenis van het katholieke sacrament, waarbij het alleen van de
kerk de
wijding ontvangt en dus in de grond van de zaak onheilig is, maar in
die zin
dat het voortaan iets heiligs door zichzelf is, een heilige verhouding.
De
staat net zo, enz. Vroeger gaf de Paus hem en zijn vorsten de wijding
en de
zegen; nu is de staat van huis uit heilig, de majesteit is het al
zonder de
priesterlijke zegen te hoeven. Eigenlijk wordt de ordening van de
natuur of het
natuurrecht als “Goddelijke orde” geheiligd. Daarom luidt het bv. in de
Augstburgischen Konfession art. 11: “Zo houden wij ons redelijk bij de
uitspraak zoals deze door de Juriskonsulti wijselijk en met recht
gedaan is,
nl. dat man en vrouw samen zijn, is een natuurlijk recht, omdat het nu natuurlijk
recht
is,
zo
is het een Goddelijke instelling dus in de natuur
geplant en
als zodanig ook Goddelijk recht.” En is het soms iets meer dan
verlicht
protestantisme als Feuerbach de zedelijke verhoudingen weliswaar niet
als
Goddelijke orde, maar ter wille van de daarin wonende geest heilig wil
verklaren? “Maar het huwelijk, natuurlijk als vrije verbinding van de
liefde,
is door zichzelf, door de natuur van de verbinding die
hier
gesloten wordt heilig. Alleen dat huwelijk is een religieus
huwelijk,
dat een waar huwelijk is, dat aan het wezen van het
huwelijk, de
liefde beantwoordt. En zo is het met alle zedelijke verhoudingen. Het
zijn
alleen dan morele, ze worden alleen daar met de zedelijke zin
onderhouden als ze op zichzelf als religieus gelden.
Waarachtige
vriendschap bestaat alleen waar de grenzen van de vriendschap
met
religieuze gewetensvolheid bewaard worden, met dezelfde gewetensvolheid
waarmee
de gelovige de waardigheid van zijn God bewaart. Heilig is en
zij voor u
de vriendschap, heilig het eigendom, heilig het huwelijk, heilig het
welzijn
van elk mens, maar heilig op aan en voor zichzelf!”
Dat is een zeer wezenlijk
moment. In
het katholicisme kan het wereldse wel gewijd worden of geheiligd,
maar
is
zonder
deze priesterlijke zegen niet heilig: echter in het
protestantisme zijn de wereldlijke verhoudingen op zichzelf
heilig,
heilig door hun naakte bestaan. Met de wijding waardoor de heiligheid
verleend
wordt, is de jezuïtische maxime: “Het doel heiligt de middelen”,
nauw
verbonden. Geen middel is op zichzelf heilig of onheilig, maar zijn
betrekking
tot de kerk, zijn nut voor de kerk heiligt het middel. Koningsmoord
wordt als
zodanig voorgesteld; wordt deze ten bate van de kerk gepleegd, dan kan
dit
alhoewel niet openlijk uitgesproken, zeker haar heiliging zijn. Voor de
protestant geldt de majesteit zelf als heilig, voor de katholiek kan
alleen de
door de opperpriester gewijde daarvoor doorgaan en is dit voor hem ook
alleen
maar daarom omdat de Paus deze heiligheid, al is het ook zonder
bijzondere
daad, eens en voor iedereen verleent. Trekt hij zijn wijding terug, dan
blijft
de koning voor de katholieken alleen maar een “werelds mens of leek”,
een “niet
ingewijde”.
Probeert de protestant in
het
zinnelijke zelf een heiligheid te ontdekken om dan alleen aan dit
heilige te
hangen, de katholiek streeft er veel meer naar het zinnelijke van zich
af naar
een apart gebied te verwijzen, waar het dan net als de rest van de
natuur zijn
waarde behoudt. De katholieke kerk verwijderde het wereldse huwelijk
uit haar
gewijde stand en onttrok de hare aan de wereldse familie; de
protestantse
verklaarde het huwelijk en de familieband daarom niet onpassend voor
haar
geestelijken.
Een jezuïet mag als
goede katholiek
alles heiligen. Hij hoeft alleen maar te zeggen bv.: Ik als priester
ben voor
de kerk noodzakelijk, dien haar des te ijverig naarmate ik mijn
begeerten
behoorlijk stil; daarom zal ik hier een meisje verleiden, daar mijn
vijand
laten vergeven, enz., mijn doel is heilig, omdat het van een priester
is,
dientengevolge heiligt dit het middel. Het gebeurt uiteindelijk toch
tot nut
van de kerk. Waarom zou de katholieke priester ervoor terugschrikken om
keizer
Hendrik VII de vergiftigde hostie uit te reiken tot heil van de kerk?
De echte kerkelijke
protestanten
ijverden tegen elk “onschuldig genoegen” omdat alleen het heilige en
geestelijke onschuldig konden zijn. Waar ze de heilige geest niet
konden
aanwijzen dat moesten de protestanten verwerpen: dans, theater, pronk
(bv. in
de kerk) en dergelijke. Tegen dit puriteinse calvinisme is het
lutheranisme
weer meer op de religieuze d.w.z. geestelijke weg en is dus radicaler.
De één
namelijk sluit fluks een menigte dingen als zinnelijk en werelds uit en
purificeert de kerk: het lutherdom echter probeert
zo
mogelijk in alle
dingen geest
te brengen, de heilige geest in alles als wezen te erkennen en op die
wijze al
het wereldse te heiligen. (“Een kus in ere, kan niemand weren”.
De geest
van de eerbaarheid heiligt hem.) Daarom bereikte ook de lutheraan Hegel
(hij
verklaart zich ergens op een plaats voor het feit: “Dat hij lutheraan
wilde
blijven”) het volkomen doorvoeren van het begrip door alles. In alles
is rede
d.w.z. heilige geest of “het werkelijke is redelijk”. Het werkelijke is
namelijk inderdaad alles omdat in alles bv. in elke leugen de waarheid
ontdekt
kan worden: er bestaat geen absolute leugen, geen absolute boosheid,
enz.
Grote “geestwerken”
werden bijna
alleen door protestanten geschapen omdat zij alleen de ware discipelen
en
voltooiers van de geest waren.
Hoe weinig kan de mens
bedwingen!
Hij moet de zon haar loop laten trekken, de zee haar golven laten
opwerpen; de
bergen ten hemel laten rijzen. Zo staat hij machteloos tegenover het onbedwingbare.
Kan
hem
dan
de indruk ontgaan dat hij tegenover deze reusachtige wereld machteloos
staat? Het is een vaste wet waaraan hij zich moet onderwerpen,
het
bepaalt zijn lot. Waaraan werkte de voorchristelijke mensheid
nu? Aan
het binnenstormen van de verlossing van het noodlot, om zich daardoor
niet meer
te laten veranderen. De stoïcijnen bereikten dit in de
apathie omdat ze
de aanvallen van de natuur voor onverschillig verklaarden en
zich
daardoor niet lieten bepalen. Horatius spreekt het beroemde “nil
admirari” uit
waardoor hij ook de onverschilligheid voor het andere,
de wereld,
verkondigt: ze mag op ons niet inwerken, onze bewondering niet
opwekken. En
elke “impavidum ferient ruinae” drukt dezelfde onverstoorbaarheid
uit
als in psalm 46,3: “Wij maken ons niet bevreesd, al zou ook de wereld
vergaan
op dit ogenblik.” Bij dit alles heeft de christelijke stelling dat de
wereld ijdel
is voor de christelijke wereldverachting plaats gemaakt.
De onwankelbare geest van “de wijze”
waarmee de oude
wereld haar einde voorbereidde, onderging nu een innerlijke beroering
waar hem geen ataraxie, geen stoïcijnse moed tegen kon beschutten.
De geest,
tegen alle invloed van de wereld verzekerd, ongevoelig voor haar slagen
en boven
haar aanvallen verheven, niets bewonderend, door geen
ineenstorting van
de wereld uit zijn evenwicht te brengen, dreef onophoudelijk weer boven
omdat
zich in zijn eigen binnenste geesten ontwikkelden en nadat de mechanische
stoot
die van buiten komt onwerkzaam geworden was, chemische spanningen,
die
van
binnen
opgewekt
werden hun wonderbaarlijke spel begonnen uit te
voeren.
Inderdaad sluit de oude
geschiedenis met het feit dat ik aan de
wereld mijn
eigendom ontworsteld heb. “Alle dingen zijn me gegeven door mijn
vader.”
(Matth. 11:27.) Ze heeft opgehouden voor mij overmachtig, ongenaakbaar,
heilig,
goddelijk, enz. te zijn, ze is “ontgoddelijkt” en ik behandel
haar nu
zozeer naar mijn welgevallen dat als het aan mij zou liggen ik alle
wonderkracht d.w.z. macht van de geest op haar zou kunnen uitoefenen,
bergen
verzetten, moerbeibomen bevelen dat ze zichzelf uittrekken en in de zee
moeten
verplaatsen (Luk. 17, 6.) en al het mogelijke d.w.z. denkbare zou
kunnen:
“Alle
dingen
zijn mogelijk, voor hem die daaraan gelooft.”
Ik ben de meester van de wereld, aan mij is de “heerlijkheid”.
De wereld
is prozaïsch geworden want het Goddelijke is uit haar
verdwenen: ze is mijn
eigendom waarmee ik kan doen en laten zoals het mij (namelijk de geest)
belieft.
Nu ik me tot eigenaar
van de
wereld verheven heb,
heeft het egoïsme pas zijn eerste volkomen overwinning behaald,
heeft de wereld
overwonnen, is wereldloos geworden en legt het verworvene van
een lang
tijdperk achter slot en grendel.
Het eerste eigendom, de
eerste “heerlijkheid” is
verworven!
Maar de meester van de
wereld is nog
geen meester van zijn gedachten, zijn gevoelens, van zijn wil: hij is
geen heer
en meester van de geest want de geest is nog heilig, is de “heilige
geest” en
de “wereldloze” christen is niet in staat “goddeloos” te worden. Was de
oude
strijd een strijd tegen de wereld, zo is de middeleeuwse
(christelijke)
een strijd tegen zichzelf, de geest, de één tegen
de buitenwereld, de
ander tegen de innerlijke wereld. De middeleeuwer is de “in zichzelf
gekeerde”,
de nadenkende, de doordachte.
Alle wijsheid van de
ouden is wereldwijsheid,
alle wijsheid van de nieuwen is godgeleerdheid.
Met de wereld rekenden de heidenen (ook hieronder de Joden
gerekend) af;
maar nu kwam het erop aan ook met zichzelf, met de geest af te
rekenen
d.w.z. geesteloos of goddeloos te worden.
Al bijna tweeduizend
jaren werken
wij eraan de heilige geest aan ons te onderwerpen en menig stuk
heiligheid hebben
we heel gemakkelijk losgerukt en onder de voeten getreden; maar de
reusachtige
tegenstander verheft zich altijd opnieuw onder een veranderde naam en
gestalte.
De geest is nog niet ontgoddelijkt, ontheiligd, ontwijd. Wel fladdert
hij al
lang niet meer als een duif over onze hoofden, wel maakt hij niet meer
alleen
zijn heiligen gelukkig, maar laat zich ook door de leken vangen, enz.,
maar als
geest van de mensheid, als mensengeest d.w.z. geest van de
mensen,
blijft hij voor mij en jou nog altijd een vreemde geest, nog
ver
verwijderd om ons onbeperkt eigendom te worden, waarmee we
kunnen doen
en laten wat we willen. Intussen gebeurde er iets en leidde zichtbaar
de loop
van de nachristelijke geschiedenis: dit ene was het streven naar het menselijker
maken van de heilige geest en hem de mens of de mensen
te
doen naderen.
Daardoor kwam het dat hij ten slotte als de “geest van de mensheid”
opgevat kon
worden en onder verschillende uitdrukkingen zoals “idee van de
mensheid”, mensdom,
humaniteit, algemene mensenliefde”, enz., uitdrukkelijker, vertrouwder
en
toegankelijker verscheen.
Zou men nu niet denken dat op
dit ogenblik iedereen de heilige
geest zou kunnen bezitten, de idee van de mensheid in zich zou kunnen
opnemen,
het mensdom in zichzelf existentie zou kunnen brengen?
Nee, de geest is niet van zijn heiligheid
ontdaan en zijn
ongenaakbaarheid beroofd, is voor ons niet bereikbaar, is niet ons
eigendom;
want de geest van de mensheid is niet mijn geest. Mijn ideaal
kan
hij zijn en als gedachte noem ik hem de mijne: de gedachte van
de
mensheid is mijn eigendom en dit bewijs ik genoeg doordat ik mij haar
volkomen
voorstel zoals het mij belieft en haar me vandaag zus en morgen zo
voorstel:
Wij stellen haar ons op de meeste talrijke manieren voor. Maar het is
tegelijkertijd
een onvervreemdbaar erfgoed dat ik niet kan veruiterlijken, waarvan ik
niet kan
loskomen.
Onder allerlei
veranderingen ontstond
uit de heilige geest na verloop van tijd de “absolute idee” die
weer in
veelvuldige breuken tot de verschillende ideeën zoals
mensenliefde,
redelijkheid, burgerdeugd, enz. uit elkaar brak.
Kan ik echter de idee
mijn eigendom
noemen wanneer ze de idee van de mensheid is en kan ik de geest als
overwonnen
beschouwen als ik hem moet dienen, “mij aan hem opofferen” moet? De
eindigende
oudheid heeft aan de wereld pas toen haar eigendom onttrokken, toen ze
met deze
overmacht en “Goddelijkheid” gebroken en deze “machteloosheid” en
“ijdelheid”
erkend had.
Op gelijke wijze gaat het
met de geest.
Wanneer ik hem tot een spook en in macht over mij tot schroeven
heb herleid, dan is hij te beschouwen als ontwijd en ontheiligd,
ontgoddelijkt,
enz. en dan gebruik ik hem zoals men de natuur zonder
twijfel
naar welgevallen gebruikt.
De “natuur van de zaak”,
het “begrip van de verhoudingen”,
moet bij de behandeling of de conclusie daarvan leiden. Alsof een
begrip van de
zaak op zichzelf bestaat en niet veeleer het begrip zou zijn dat men
van de zaak
maakt! Alsof een verhouding die wij aangaan en die wij aanknopen niet
door de
enigheid van degene die hem aangaat al niet enig zou zijn! Alsof
daarvan af zou
hangen hoe de anderen het rubriceren! Maar net als men het “wezen van
de mens”
van de werkelijke mens zou afscheiden en hem dan daarnaar zou
beoordelen, dan
zondert men ook zijn doen van hemzelf af en beoordeelt dat naar zijn
“menselijke waarde”. Begrippen moeten overal beslissen,
begrippen moeten
het leven regelen, begrippen moeten heersen. Dat is de
religieuze wereld
waaraan Hegel een systematische uitdrukking gaf omdat hij systeem in de
onzin
bracht en de begrippen tot een ronde, vastgeankerde dogmatiek
voltooide. Naar
begrippen wordt alles afgemeten en de werkelijke mens, d.w.z. ik, wordt
gedwongen naar deze begripsbepalingen te leven. Kan er een ergere
heerschappij
van wetten bestaan en heeft het christendom in het begin niet dadelijk
bekend
dat het de heerschappij van de Joodse wet zelfs scherper wilde maken?
(“Niet
één woord van de wet zal verloren gaan!”)
Door het liberalisme
worden alleen
maar andere begrippen op tafel gebracht namelijk in plaats van het
Goddelijke,
het menselijke, in plaats van de kerkelijke staats, in plaats van
gelovige
“wetenschappelijke” of meer algemener gezegd in plaats van “ruwe
leerstellingen” en uitgewerkte leerstellingen, werkelijke begrippen en
eeuwige
wetten.
Voor het ogenblik heerst
in de
wereld niets dan de geest. Een ontelbare menigte van begrippen
dwarrelen
in de hoofden rond en wat doen de vooruitstrevenden? Ze negeren deze
begrippen
om er nieuwe voor in de plaats te stellen! Ze zeggen: u maakt een vals
begrip
van het recht, van de staat, van de mens, van de vrijheid, van de
waarheid, van
de eer, enz; het juiste begrip over recht is eerder wat wij nu
vooropstellen en
zo schrijdt de begripsverwarring voorwaarts.
De wereldgeschiedenis is
gruwelijk
met ons omgegaan en de geest heeft een almachtige macht verworven. Je
moet eens
op mijn slechte schoenen letten, die jouw naakte voeten zouden kunnen
bedekken,
mijn zout waardoor jouw aardappelen genietbaar zouden zijn en mijn
pronkkaros,
waarvan het bezit jouw hele nood in een keer zou kunnen lenigen. Je mag
daar
niet naar grijpen. Van al deze en ontelbare andere zaken moet de mens
de zelfstandigheid
erkennen, het moet voor hem als onaantastbaar en ongenaakbaar gelden,
hij moet
zich daarvan onthouden. Hij moet die achten, respecteren; wee hem die
zijn
vingers begerig uitsteekt; wij noemen dat “een lange vinger maken!”
Zo armzalig weinig is ons
overgebleven, ja zowat helemaal niets! Alles is ons ontrukt, aan niets
mogen we
ons wagen als het ons niet gegeven wordt. We leven nog alleen maar van
de genade
van de gevers. Geen enkele naald mag je oppakken behalve wanneer je
verlof
gekregen hebt dat je dit mag doen. En gekregen van wie? Van de gerespecteerde!
Alleen
wanneer
zij
ze jou als eigendom laat, alleen wanneer jij ze als
eigendom
kan respecteren, alleen dan mag jij ze nemen. En op dezelfde
wijze mag
je geen gedachte opvatten, geen lettergreep uitspreken, geen daad
begaan, die
haar gezag alleen van jou heeft, in plaats van ze van de zedelijkheid,
de rede
of de menselijkheid te hebben ontvangen. Gelukkige onbevangenheid
van de
gretige mensen, hoe onbarmhartig heeft men jou op het altaar van de bevangenheid
proberen te slachten!
Rond het altaar echter
welft zich
een kerk en haar muren breiden zich meer en meer uit. Wat ze omsluiten
is heilig.
Jij kunt daar niet meer bijkomen, kunt het niet meer aanraken. Het
uitgillend
van de verterende honger zwerf je rond deze muren om het weinige
profane op te
zoeken en meer en meer uitgebreider worden de kringen van jouw lopen.
Spoedig
omvat deze kerk de hele aarde en jij bent bijna tot aan de uiterste
rand naar
buiten gedreven; nog één enkele stap en de wereld van
het heilige heeft
overwonnen: jij verzinkt in de afgrond. Daarom verman je omdat er nog
tijd is,
dwaal niet langer rond op het afgegraasde profane, waag de sprong en
storm
binnen door de poorten in het heiligdom zelf. Wanneer je het heilige
verteerd hebt, heb jij het je eigen gemaakt! Verteer de
hostie en je
bent van haar vrij!
3. De Vrijen
Zoals hierboven de Ouden
en Nieuwen in twee hoofdstukken
voorgesteld zijn, zou het kunnen lijken alsof hier in een derde
hoofdstuk de
vrijen als zelfstandig en afzonderlijk weergegeven zouden worden. Dit
is niet
zo. De vrijen zijn alleen maar de nieuweren en nieuwsten onder de
“nieuwen” en
worden alleen daarom in een apart hoofdstuk behandeld omdat ze tot de
tegenwoordige tijd behoren en het tegenwoordige voor alles onze
opmerkzaamheid
verdient. Ik geef de vrije alleen maar als een vertaling van de
liberale, maar
ik moet ten opzichte van het vrijheidsbegrip zoals eigenlijk van zo
menig
ander, wiens aanmatigend optreden niet vermeden kan worden, naar een
latere verhandeling
verwijzen.
§ 1. Het Politieke
Liberalisme
Nadat men de kelk van het
zogenaamde absolute koningschap
vrijwel tot op de bodem geledigd had, werd het men in de achttiende
eeuw maar
al te duidelijk dat zijn drank niet menselijk smaakte, om niet op een
andere
beker belust te worden. Als “mensen”, wat onze voorvaderen toch waren,
verlangden zij uiteindelijk ook zo gezien te worden.
Wie in ons iets anders
ziet dan een mens
willen wij van onze kant ook niet als een mens, maar als een onmens
beschouwen
en hem als een onmens bejegenen; wie ons echter als mensen beschouwt en
tegen
het gevaar beschut onmenselijk behandeld te worden, die willen wij als
onze
ware beschutter en beschermheer eren.
Laten wij samenhouden en
de mens in
elkaar beschermen; dan vinden wij in onze samenhang de nodige
bescherming en in ons, de samenhoudenden, een gemeenschap van
hen die
zich van hun menselijke waarde bewust zijn en als “mensen” samenhouden.
Onze
samenhang is de staat, wij de samenhoudenden zijn de natie.
In onze samenhang als
natie of staat
zijn we uitsluitend mensen. Hoe we ons voor de rest als enkeling
gedragen en
voor welke zelfzuchtige neigingen wij op dat gebied ook mogen bezwijken
dat
behoort alleen tot ons privé-leven; ons openbaar
of staatsleven
is een zuiver menselijk. Wat onmenselijk of “egoïstisch”
aan ons is, is
tot “privé-zaak” vernederd en we scheiden nauwkeurig de staat
van de
“burgerlijke maatschappij” waarin het “egoïsme” zijn bestaan
uitoefent.
De ware mens is de natie,
de
enkeling is steeds een egoïst. Daarom, ontdoe je van jouw
bijzonderheid en
afzondering waarin die egoïstische ongelijkheid en onvrede huist
en wijd je
helemaal aan de ware mens, de natie of de staat. Dan zul je als mens
beschouwd
worden en alles hebben wat van de mensen is; de staat, de ware mens zal
je als
de zijne berechtigen en jou de “rechten van de mens” geven: de mens
geeft jou
zijn rechten!
Zo luidt de redenering
van het burgerdom.
Het burgerdom is niets
anders dan de
gedachte dat de staat alles in alles is, de ware mens is en dat de
enige
menselijke waarde erin bestaat een staatsburger te zijn. Een goede
burger te
zijn, daarin zoekt hij zijn hoogste eer, daarboven kent hij niets
hogers dan
hoogstens het verouderde, een goede christen te zijn.
Het burgerdom ontwikkelde
zich in de
strijd tegen de geprivilegieerde standen door wie het als “derde stand”
ridderlijk behandeld en met het “canaille” op een hoop geworpen werd.
Men had
tot nu toe in de staat “de ongelijke persoon in aanmerking genomen”. De
zoon
van een edelman werd voor een erepost uitgekozen, iets waarnaar de
meest
aanzienlijke burgermannen tevergeefs uitkeken, enz. Daartegen kwam het
burgerlijk gevoel in opstand. Geen onderscheiding meer, geen
bevoorrechting van
personen, geen standsverschil! Allen zijn gelijk. Geen bijzondere
belangen
mogen meer gevolgd worden, maar het algemeen belang van allen.
De staat
moet een gemeenschap van vrije en gelijke mensen zijn en iedereen moet
zich aan
“het geluk van het geheel” wijden, in de staat opgaan, de staat
tot zijn
doel en ideaal maken. Staat! Staat! Zo luidde de algemene uitroep en
voortaan
zocht men de “juiste staatsinrichting”, de beste constitutie dus
de
staat op de beste manier opgevat. De staatsgedachte nam alle harten in
beslag
en wekte bezieling: hem te dienen, deze wereldse God was de nieuwe
godsdienst
en eredienst. Het eigenlijke politieke tijdperk was aangebroken. De
staat of de
natie te dienen was nu het hoogste ideaal, staatsbelangen de hoogste
belangen,
staatsdienst (waarvoor men in geen geval beambte hoeft te zijn) de
hoogste eer.
Op die wijze waren dan de
bijzondere
belangen en persoonlijkheden uitgebannen en was de opoffering voor de
staat tot
sjibbolet geworden. Zichzelf moest men opofferen om alleen maar
voor de
staat te leven. Men moest “belangeloos” handelen, moest niet
zichzelf
tot nut willen strekken, maar de staat. Deze is daardoor de
eigenlijke
persoon geworden waarvoor de enkele persoonlijkheid verdwijnt: niet ik
leef,
maar hij leeft in mij. Daarom was men verplicht in plaats van de
vroegere
zelfzucht, de belangeloosheid en onpersoonlijkheid zelf te
zijn. Voor
deze God — de staat — verdween alle egoïsme en voor hem waren
allen gelijk: ze
waren zonder onderscheid mensen. Niets dan mensen.
Aan de ontvlambare stof eigendom
ontbrandde de revolutie. De regering had geld nodig. Op dat ogenblik
moest ze
de stelling waarin ze absoluut heette en daarom meesteres van
al het
eigendom, alleenbezitster was, handhaven; ze moest haar geld
dat zich
alleen in bezit en niet in eigendom van de onderdanen bevond, voor zich
terugnemen.
In plaats daarvan roept ze de Generale Staten bijeen om haar dit geld
te laten toekennen.
De vrees voor de uiterste consequentie vernietigde de illusie van een absolute
regering; een regering die zich iets moest laten “toekennen”, kan niet
voor absoluut
worden aanzien. De onderdanen erkenden dat ze de werkelijke
eigenaren
waren en dat het hun geld was dat men vorderde. De tot nu toe
onderdanigen kregen het bewustzijn dat ze eigendommen waren. In
weinig
woorden schildert Bailly dat: “Wanneer u niet zonder mijn instemming
over mijn
eigendom kunt beschikken, des te minder kunt u dit over mijn persoon,
over
alles wat mijn geestelijke en maatschappelijke plaats aangaat! Alles is
mijn
eigendom, zoals het stuk land dat ik bewerk: en ik heb het recht en het
belang
erbij de wet zelf te maken.” Bailly’s woorden klinken alsof iedereen
eigenaar
was. Intussen werd nu in plaats van de regering, in de plaats van de
vorsten,
de natie eigenares en meesteres. Van nu af aan is het ideaal
“volksvrijheid”,
“een vrij volk”, enz.
Al op de 8ste Juli 1789
vernietigde de verklaring van de
bisschoppen van Autum en Barrières de schijn als zou elke enkeling
van
betekenis zijn bij de wetgeving: zij toonden de volkomen machteloosheid
van de lastgevers aan: de meerderheid van de representanten is
de meesteres
geworden. Als op de 9de Juli het plan over de indeling van de
wetgevende arbeid
voorgedragen wordt, merkt Mirabeau op: “De regering heeft alleen maar
macht,
geen recht, alleen in het volk is de bron van alle rechten te
vinden.”
De 16e Juli roept dezelfde Mirabeau uit: “is niet het volk de bron van
alle macht?”
Dus de bron van alle rechten en de bron van alle macht! Terloops
gezegd, komt
hier de inhoud van het “recht” tevoorschijn: het is de macht.
“Wie de
macht heeft, heeft het recht.”
Het burgerdom is de
erfgenaam van de
geprivilegieerde standen. Inderdaad gingen alleen de rechten van de
baronnen,
die hen als “wederrechtelijk toegeëigend” werden ontnomen, over op
het
burgerdom. Want het burgerdom was nu de “natie”. “In de handen van de
natie”
werden alle voorrechten teruggelegd. Daardoor hielden ze op
“voorrechten” te zijn: ze werden “rechten”. De natie eist van nu af aan
tienden
en herendiensten, ze heeft het herenrecht geërfd, ook de
jachtrechten en de
lijfeigenen. De nacht van de 4de Augustus was de doodsnacht van de
privilegiën
of “voorrechten” (ook de steden, gemeenten, magistraten waren
geprivilegieerd,
van voorrechten en herenrechten voorzien) en eindigde in de nieuwe
morgen van
het “recht”, van de “staatsrechten”, van de “rechten van de natie”.
De monarch in de persoon
van de
“koninklijke heer” zou vergeleken bij deze nieuwe monarch nl. het
“soevereine
volk” een armzalige monarch geweest zijn. Deze monarchie was
duizendmaal
scherper, strenger en consequenter. Tegenover de nieuwe monarch bestond
helemaal geen recht of privilege meer; hoe beperkt is “de absolute
koning” van
het Ancien Regime daar tegenover! De revolutie bewerkte de omzetting
van de beperkte
monarchie in de absolute monarchie. Van nu af is elk recht
dat niet
door deze monarch verleend wordt een “aanmatiging”, maar elk voorrecht
dat hij
geeft een “recht”. De tijd verlangde naar het absolute koningschap,
de
absolute
monarchie,
daarom
viel het zogenaamde absolute koningschap dat
zo
weinig absoluut had kunnen worden dat het tot duizenden kleine meesters
beperkt
bleef.
Waar men duizenden jaren
vurig naar
verlangd had en nagestreefd werd nl. de absolute meester te vinden
waarnaast
geen andere meesters of heersers meer machtsverkortend bestonden, heeft
de
bourgeoisie tot stand gebracht. Ze heeft de meester geopenbaard die
alleen
“rechtstitels” verleent en zonder wiens toestemming niets bevoegd
is.
“Zo weten we nu dat een afgod niets betekent in de wereld en dat er
geen andere
God bestaat buiten de enige.”
Tegen het recht
kan men niet
meer, zoals tegen een recht, met de bewering opkomen dat het
een “onrecht”
is. Men kan alleen nog maar zeggen, het is onzin, het is een illusie.
Zou men het
onrecht noemen, dan zou men daar een ander recht tegenover
moeten
stellen en het hieraan moeten meten. Verwerpt men echter het recht als
zodanig,
het recht aan en voor zich volkomen, dan verwerpt men ook het begrip
onrecht en
lost het gehele rechtsbegrip (waartoe ook het begrip onrecht behoort)
op.
Wat betekent
nu dat wij allemaal “de gelijkheid in politieke rechten” genieten?
Alleen dit:
dat de staat geen rekening met mijn persoon houdt, dat ik voor hem, net
als elk
ander, alleen maar een mens ben zonder een andere hem imponerende
betekenis te
hebben. Ik imponeer hem niet als een adellijke, een zoon van een
edelman of als
erfgenaam van een beambte wiens ambt mij erfelijk toebehoort (zoals in
de
middeleeuwen de graafschappen, enz. en later onder het absolute
koningschap,
waar ook erfelijke ambten voorkwamen). Nu heeft de staat een ontelbare
menigte rechten
uit te delen bv. het recht om een bataljon, compagnie, enz. aan te
voeren, het
recht om aan een universiteit les te geven, enz., hij kan ze geven
omdat ze de
zijne d.w.z. staatsrechten of “politieke” rechten zijn. Daarbij is het
hem om
het even aan wie hij ze geeft, als de ontvanger maar zijn plichten
vervult die
aan het gegeven recht verbonden zijn. Wij zijn voor hem allemaal
hetzelfde en gelijk,
de één is niet meer waard dan de ander. Wie het bevel
over het leger ontvangt,
is mij om het even zegt de soevereine staat op voorwaarde dat de
bedoelde de
zaak behoorlijk verstaat. “Gelijkheid van de politieke rechten”
betekent dat
iedereen elk recht dat de staat te geven heeft, kan verwerven als hij
alleen
maar aan de daaraan verbonden voorwaarden voldoet, voorwaarden die
alleen maar
in de natuur van die rechten, niet in een voorliefde voor de persoon
(persona
grata) gezocht moeten worden: de natuur van het recht officier te
kunnen
worden, brengt bv. mee dat men gezonde ledematen en een daarmee
overeenkomende
mate van kennis bezit, maar heeft geen adellijke geboorte tot
voorwaarde: zou
echter zelfs de verdienstelijke burger deze erepost niet kunnen
krijgen, dan
zou er een ongelijkheid in politieke rechten bestaan. Onder de
tegenwoordige staten
heeft de één meer, de andere minder deze
gelijkheidsgrondwet doorgevoerd.
De standenmonarchie (zo
wil ik het
absolute koningschap in de tijd van de koningen vóór
de revolutie
noemen) hield de enkeling in afhankelijkheid van louter kleine
monarchieën. Dit
waren genootschappen (maatschappijen) zoals de gilden, de adelstand,
priesterstand, burgerstand, steden, gemeenten, enz. Overal moest de
enkeling
zich in de eerste plaats als een lid van deze kleine
maatschappijen
beschouwen en de geest daarvan, ( de Esprit de corps), als zijn monarch
onvoorwaardelijk en gehoorzaam dienen. Meer dan de afzonderlijke
adellijke zelf
moest zijn familie, de eer van zijn stam gelden. Alleen door
bemiddeling van
zijn corporatie, zijn stand, kwam de enkeling in contact met de
grotere
corporatie, de staat; zoals in het katholicisme de enkeling pas door
bemiddeling van de priester het contact met God tot stand kan brengen.
Hieraan
maakte nu de derde stand omdat die de moed bezat zichzelf als stand
te
negeren, een einde. Hij besloot niet meer een stand naast
andere standen
te willen zijn en genoemd te worden, maar zich alleen tot “natie”
te
verklaren
en
te
veralgemenen. Daardoor schiep hij een veel volmaaktere
en
absolutere monarchie en het hele vroegere heersende standenprincipe,
het
principe
van
de
kleinere monarchieën binnen de grenzen van de
grotere, ging ten
gronde. Men kan daarom niet zeggen dat de revolutie alleen de beide
eerste
geprivilegieerde standen gegolden heeft, maar het gold de
kleine-standen
monarchieën in het algemeen. Nu de standen en hun dwingelandij
gebroken waren
(ook de koning was alleen maar een standenkoning en geen burgerkoning)
bleven
de van de standsongelijkheid bevrijdde individuen over. Zouden ze nu
werkelijk
zonder stand en buiten zichzelf zijn, door geen stand (status) meer
gebonden,
zonder algemene band zijn? Nee, de derde stand heeft zich alleen tot
natie
verklaard om niet een stand naast andere te blijven, maar de enige
stand te worden. Deze enige stand is de natie, de “staat” (status).
Wat was
er nu van de enkeling geworden? Een politieke protestant want hij was
met zijn
god, de staat in onmiddellijk contact getreden. Hij was niet meer als
edelman
in de noblesse-monarchie, als handwerker in de gildenmonarchie, maar
hij
erkende zoals alle anderen alleen maar één meester
nl. de staat, waarvan
ze als dienaar gezamenlijk dezelfde eretitel “burger” ontvingen.
De bourgeoisie is de adel
van
de verdienste,
“van het verdienen van zijn kroon”, haar kernspreuk. Ze streed tegen de
“luie
adel” want volgens haar, volgens de vlijtigen, de door vlijt en
verdienste
verworven adel, is niet de “geborene” vrij, maar ook ik ben niet vrij,
maar
alleen de “verdienstelijke”, de trouwe dienaar (van zijn
koning, van de
staat; van het volk in de constitutionele staat). Door dienen
verwerft
men vrijheid d.w.z. verwerft men “verdienste” en dient men ook de
Mammon.
Verdienstelijk maken moet men zich ter wille van de staat d.w.z. ter
wille van
het principe van de staat, ter wille van de zedelijke geest zelf. Wie
deze
geest van de staat dient, welke rechtmatige tak van nijverheid
hij ook
kiest, leeft als een goede burger. In hun ogen beoefenen de “nieuweren”
een
“brodeloze kunst”. Alleen de “kruidenier” is “praktisch” en
kruideniersgeest
bezit degene net zo goed die naar een ambt jaagt, als hij die in de
handel zijn
schaapjes probeert te scheren of wie dan ook die zich voor zichzelf en
anderen
nuttig probeert te maken.
Beschouwt men de
verdienstelijken
als de vrijen (want wat ontbreekt de behaaglijke burger, de trouwe
beambte, aan
die vrijheid waarnaar zijn hart verlangt?) dan zijn de “dienaren” de
vrijen. De
gehoorzame dienaar is de vrije mens! Wat een opeenstapeling
ongerijmdheden!
Toch is dit de betekenis van de bourgeoisie en haar dichter Goethe, net
als
haar filosoof Hegel, heeft de afhankelijkheid van het subject aan het
object,
de gehoorzaamheid aan de objectieve wereld, enz., weten te
verheerlijken. Wie
alleen de zaak dient, “zich helemaal aan haar geeft”, bezit de ware
vrijheid.
En de zaak was voor de denkende de rede, zij die zoals staat en
kerk
algemene wetten uitvaardigt en door de gedachten van de mensheid
de
afzonderlijke mens in de boeien slaat. Zij bepaalt wat “waar” is en
waarnaar
men zich dan te richten heeft. Geen “redelijker” mensen dan de trouwe
dienaren
die in de eerste plaats als dienaren van de staat goede burgers genoemd
worden.
Of je schatrijk of
doodarm bent,
laat de burgerlijke staat aan jou over; als jij maar een “goede
gezindheid”
hebt. Deze verlangt hij van jou en beschouwt het als zijn belangrijkste
taak dat
bij iedereen tot stand te brengen. Daarom zal hij jou voor “boze
influisteringen” bewaren, terwijl hij de vijandige of slechtgezinden in
toom
houdt en hun opwindende redeneringen onder censuurstreken en
drukpersstraffen
en ook achter kerkermuren laat verstommen, maar ze zal anderzijds
lieden van “goede
gezindheid” tot censoren aanstellen en op alle manieren door
“welgezinde en
welmenende” lui een morele invloed op u laten uitoefenen. Heeft
hij u
voor de kwade influisteringen doof gemaakt, dan opent hij u des te
beter weer
de oren voor de goede influisteringen.
Met de tijd van de
bourgeoisie
begint die van het liberalisme. Men wil overal het “redelijke”,
het
“moderne”, enz. tot stand gebracht zien. De volgende definitie van het
liberalisme, die ter ere van hem aangehaald wordt, schetst dit
volkomen. “Het
liberalisme is niets anders dan de erkenning van de rede, toegepast op
onze
bestaande verhoudingen.”
De bedoeling van het liberalisme is een “redelijke orde”, een
“zedelijke
verhouding”, een “beperkte vrijheid”, niet de anarchie, de
wetteloosheid, de
eigenheid. Heerst de rede, dan delft de persoon het onderspit. De kunst
heeft
al lang niet alleen het lelijke laten gelden, maar het als voor haar
bestaan
noodzakelijk geacht en in zich opgenomen: ze heeft de booswicht nodig,
enz. Ook
op godsdienstig gebied gaan de meest extreme liberalen zover dat ze ook
de
meest religieuze mens voor een staatsburger aanzien willen hebben,
d.w.z. de
godsdienstige booswicht; ze willen niets meer van kettergerichten
weten. Maar tegen
de “redelijke wet” mag niemand zich verzetten, anders dreigt hem de
zwaarste
straf. Men wil niet een vrije beweging en waardering van de persoon of
van mij,
maar van de rede d.w.z. een heerschappij van de rede dus een
heerschappij. De
liberalen zijn dwepers dan wel niet voor het geloof, voor God,
enz.,
maar wel voor de rede, hun meesteres. Ze verdragen geen
ongebondenheid
en daarom geen zelfontwikkeling en zelfbeschikking: ze betuttelen
ondanks de meest absolute meester.
“Politieke vrijheid” wat
moet men
daaronder verstaan? Soms de vrijheid van de enkeling van de
staat en
zijn wetten? Neen integendeel, de gebondenheid van de enkeling
aan de staat
en zijn wetten. Maar waarom dan “vrijheid”? Omdat men niet meer door
tussenpersonen van de staat gescheiden wordt, maar in directe en
onmiddellijke
betrekking tot hem staat omdat men staatsburger is, geen onderdaan van
een
ander persoon, zelfs niet van de koning als persoon, maar alleen maar
in zijn
hoedanigheid als “opperhoofd van de staat”. De politieke vrijheid, de
basisleer
van het liberalisme is niets anders dan een tweede fase van het
protestantisme
en loopt helemaal parallel met de “religieuze vrijheid”.
Of zou men onder het laatste een vrijheid van religie kunnen
verstaan?
Niets minder dan dat. Alleen het vrij-zijn van tussenpersonen moet
daaronder
verstaan worden, het vrij-zijn van bemiddelende priesters, de opheffing
van het
“lekenschap” dus de directe en onmiddellijke betrekking tot de religie
of tot God.
Alleen onder voorwaarde dat men een religie heeft, kan men
godsdienstvrijheid
genieten, vrijheid van religie wil niet zeggen religieloos, maar
geloofsgezindheid, onmiddellijk verkeer met God. Voor wie “religieus
vrij” is,
is de godsdienst een zaak van groot belang, zijn eigen zaak,
het is hem
“heilige ernst”. En zo is het voor de “politieke vrije” ook een heilige
ernst
met de staat, deze is voor hem het belangrijkste, zijn hoofdzaak, zijn
eigen
zaak.
Politieke vrijheid zegt
dat de polis, de
staat,
vrij
is,
godsdienstvrijheid
wil zeggen dat de religie vrij is; net zoals gewetensvrijheid betekent
dat het
geweten vrij is; dus niet dat ik van de staat, van de religie, van het
geweten
vrij, of ik er los van ben. Ze betekent niet mijn vrijheid;
maar het
vrij zijn van een mij beheersende en bedwingende macht; het wil zeggen
dat één
van mijn dwingelanden, zoals staat, religie, geweten, enz. vrij
is.
Staat, religie, geweten, al deze dwingelanden maken mij tot slaaf en hun
vrijheid is mijn slavernij. Dat zij noodzakelijkerwijze de
grondstelling
“het doel heiligt de middelen” volgen, is vanzelfsprekend. Is het
welzijn van
de staat het doel, dan is de oorlog een geheiligd middel; is de
gerechtigheid
het staatsdoel, dan is de doodslag een geheiligd middel en de heilige
benaming
hiervoor is “terechtstelling”, enz; de heilige staat heiligt
alles wat
hem behaagt.
De “individuele vrijheid”
waarover
de burgerlijke liberaal jaloers waakt, betekent in geen geval een
volkomen
vrije zelfbeschikking waardoor mijn handelingen volkomen de mijne
worden, maar
een onafhankelijkheid van personen. Individueel vrij is hij die
geen mens
verantwoording verschuldigd is. In deze zin — en men kan dat niet
anders
opvatten — is niet alleen de heerser individueel vrij d.w.z. zonder
verantwoording tegenover mensen (“aan God erkent hij verantwoording
verschuldigd te zijn”), maar tegenover allen, die “alleen maar voor de
wet
verantwoordelijk zijn”. Dit soort vrijheid werd door de revolutionaire
beweging
van deze eeuw verworven, de onafhankelijkheid namelijk naar believen
van het
“tel est notre plaisir”. Daarom moest de constitutionele vorst zelf van
alle
persoonlijkheid ontdaan, van alle individuele besluiten beroofd worden
om niet
als persoon, als individueel mens, de “individuele vrijheid”
van anderen
te kwetsen. De persoonlijke heerserswil is met de
constitutionele
vorsten verdwenen; met een juist gevoel weren de absolutisten zich
daartegen.
Toch willen juist deze in de waarachtige zin van het woord
“christelijke
vorsten” zijn. Maar daarvoor moeten ze een zuiver geestelijke
macht
worden, omdat de christen alleen aan de geest onderdanig is
(“God is
geest”). Consequent genomen stelt de constitutionele vorst alleen de
zuiver
geestelijke macht voor, hij die zonder alle persoonlijke betekenis in
zo’n mate
vergeestelijkt is dat hij voor een volkomen geheimzinnige “geest” kan
doorgaan,
voor een idee. De constitutionele koning is de waarachtig christelijke
koning, de zuivere consequentie van het christelijke principe. Met de
constitutionele monarchie heeft de individuele heerschappij d.w.z. een
werkelijk willende heerser zijn einde gevonden; daarom heerst
hier de individuele
vrijheid, die onafhankelijkheid van elke individuele gebieder, van
iedereen
die mij met het “tel est notre plaisir” zou kunnen gebieden. Dit is het
voltooide christelijke staatsleven, een vergeestelijkt leven.
Het burgerdom doet zich
door en door liberaal voor. Elk persoonlijk ingrijpen
in de
sfeer van een
ander brengt de burgerzin in opstand: ziet de burger dat men van de
gril, het
goeddunken, de wil van een mens als enkeling (d.w.z. van een niet door
een
“hogere macht” geautoriseerde) afhankelijk is, dan komt dadelijk zijn
liberalisme te voorschijn en hij schreeuwt: “Willekeur!” Genoeg, de
burger
verdedigt zijn vrijheid tegen datgene wat men bevel
(ordonnance) noemt:
“Mij heeft niemand iets te bevelen!” Bevel wil zeggen dat wat ik
moet de wil van een ander mens is waartegenover de wet geen
persoonlijke
macht van een ander uitdrukt. De burgerlijke vrijheid is de vrijheid of
onafhankelijkheid van de wil van een ander persoon, de zogenaamde
persoonlijke
of individuele vrijheid; want persoonlijk vrij zijn betekent hier
alleen maar
zo vrij zijn dat geen ander persoon over de mijne beschikken kan, dat
wat ik
mag of niet mag, niet van de persoonlijke wil van een ander afhangt. De
vrijheid van drukpers is onder andere zo’n vrijheid van het liberalisme
die
alleen de dwang van de censuur als die van de persoonlijke willekeur
bestrijdt,
maar die overigens ten zeerste geneigd en bereidwillig lijkt te zijn
door
middel van “perswetten” die vrijheid te tiranniseren, d.w.z. de
burgerlijke
liberalen willen vrijheid van schrijven voor zich; want omdat
ze wetsgezind
zijn, zullen ze in hun geschriften de wet niet aanvallen. Alleen maar
iets
liberaals d.w.z. wettelijks, mag er gedrukt worden; anders dreigen de
“drukperswetten” met “drukpersstraffen”. Wanneer nu dat soort
persoonlijke
vrijheid verzekerd is, dan bemerkt men helemaal niet dat als men iets
verder
gaat de scherpste onvrijheid zal heersen. Want van het bevel is
men
weliswaar verlost en “niemand heeft ons iets te bevelen”, maar des te
onderworpener is men daardoor aan de wet geworden. Men wordt nu in alle
vormen
van rechtswege geknecht.
In de burgerlijke staat
bestaan
alleen maar “vrije lieden” die tot duizenderlei dingen (bv. tot
eerbied, tot
een geloofsbekentenis, enz), gedwongen worden. Wat maakt dat
nu uit? Het
is toch immers maar alleen de staat, de wet, die hen dwingt, niet een
mens!
Wat wil het burgerdom
ermee dat het tegen
ieder persoonlijk d.w.z. niet door de “zaak”, “de rede”, enz.
onderbouwd bevel
ijvert? Het strijdt juist alleen in het belang van de “zaak” tegen de
heerschappij van de “personen”! Het redelijke, goede, wetsgetrouwe,
enz. is
echter de zaak van de geest: het is de “goede zaak”. Het burgerdom wil
een onpersoonlijke
heerser.
Neemt men verder als
principe dat
alleen maar een zaak de mensen moet beheersen namelijk de zaak van de
zedelijkheid, de zaak van de wetsgetrouwheid, enz., dan mag ook geen
enkele
persoonlijke inperking van de ene door de andere geautoriseerd worden
(zoals bv.
vroeger de burgerlijke zaak om een adelsambt ingeperkt werd, de
adellijke dito
omtrent het burgerlijke handwerk, enz.), d.w.z. er moet vrije
concurrentie
bestaan. Alleen door middel van een zaak kan de één de
ander beperken (de rijke
bv. de onbemiddelde door middel van het geld, een zaak) als persoon
niet. Er
bestaat voortaan maar één heerschappij, de heerschappij
van de staat;
persoonlijk is niemand meer meester over een ander. Bij de geboorte al
behoren
de kinderen de staat toe en de ouders slechts in naam van de staat die
bv. de
kindermoord niet duldt, de doop daarvan eist, enz.
Maar voor de staat zijn
ook alle
kinderen helemaal gelijk (“burgerlijke of politieke gelijkheid”) en ze
mogen
zelf uitmaken hoe ze onder elkaar omgaan: ze mogen concurreren.
Vrije concurrentie
betekent niets
anders dan dat iedereen tegen een ander kan optreden, zich kan doen
gelden, kan
vechten. Daar kwam natuurlijk de feodale partij tegen op omdat haar
bestaan van
het niet concurreren afhing. De strijd tijdens het restauratietijdperk
in
Frankrijk had geen andere bedoeling dan dat de bourgeoisie naar vrije
concurrentie dong en de feodalen de gilden weer trachtten in te voeren.
Welnu, de vrije
concurrentie heeft
overwonnen en moest de gilden overwinnen (zie onder het verdere
verloop).
Doordat de revolutie op
een reactie
uitliep, kwam juist te voorschijn wat de revolutie nu eigenlijk was.
Dat streven raakt dan op
het terrein van de reactie als het
tot bezinning komt en stormt net zolang in zijn oorspronkelijke
actie
voorwaarts alsof het een roes, een “onbezonnenheid” is.
“Bezonnenheid”
zal steeds het wachtwoord van de reactie zijn omdat de bezonnenheid
grenzen
stelt en het eigenlijk gewilde d.w.z. het principe van de aanvankelijke
“teugelloosheid” en “grenzeloosheid” bevrijdt. Wilde knapen, bluffende
studenten die alle consideratie uit het oog verliezen zijn eigenlijk
filisters omdat bij hen, net zoals bij deze, de overwegingen de inhoud
van hun
daden vormen, alleen dat ze zich als Bramarbassen (grootsprekers) tegen
die
overwegingen verzetten en zich negatief gedragen, maar als filisters
daar later
in berusten en ze zich daar positief tegenover gedragen. Om de
“overwegingen”
draait in beide gevallen hun gezamenlijk doen en denken, maar de
filister is
vergeleken bij de jongeling reactionair, de tot bezinning
gekomen wilde
knaap, precies zoals de onbezonnen filister dat is. De dagelijkse
ervaring
bevestigt de waarheid van deze ommekeer en toont aan hoe de bluffers
tot
filisters vergrijzen.
Zo bewijst ook de
zogenaamde reactie
in Duitsland dat ze alleen maar de bezonnen voortzetting van
de
strijdlustige vrijheidskreten was.
De revolutie was niet
tegen het
bestaande gericht, maar tegen dit bestaande, tegen een bepaald
bestaande. Ze schafte deze heerser af, niet de heerser,
de
Fransen werden integendeel op de meest onverbiddelijke manier
overheerst; ze
doodden de oude verdorvenen, maar wilden de deugdzamen een zeker
bestaan
verschaffen d.w.z. ze plaatsten in de plaats van de ondeugd alleen maar
de
deugd (ondeugd en deugd onderscheiden zich op hun manier weer juist,
als een
wilde knaap van een filister), enz.
Tot op de dag van vandaag
is het
principe van de revolutie daarbij gebleven, namelijk alleen tegen deze
of gene bestaande toestand te strijden d.w.z. reformerend
te
zijn. Hoeveel er ook mocht worden verbeterd, hoe krachtig ook
de
“bezonnen vooruitgang” mocht worden tegengewerkt, altijd stelde men een
nieuwe meester in de plaats van de oude en
de
omwenteling is
dus een
wederopbouw. Hetzelfde verschil bestaat tussen de jonge en oude
filister.
Kleinburgerlijk begon de revolutie met de verheffing van de derde
stand, de
middenstand; kleinburgerlijk verliep ze. Niet de enkele mens —
en alleen
deze is de mens — was vrij geworden, maar de burger, de
citoyen,
de politieke mens die juist daarom niet de
mens, maar een
exemplaar van de mensensoort en in het bijzonder een exemplaar van de
burgerklasse, een vrije burger is.
Tijdens de revolutie was
het niet de enkeling die een
rol speelde in de wereldgeschiedenis, maar een volk; de natie,
deze
soeverein
wilde
alles tot stand brengen. Een ingebeeld ik, een
idee zoals
de natie is, trad handelend op d.w.z. de enkelingen lieten zich
gebruiken als
werktuigen van deze idee en handelen als “burgers”.
Zijn macht en
tegelijkertijd zijn grenzen heeft het
burgerdom in
de staatsgrondwet, in een charta, in een rechtelijke of
“gerechtigde”
vorst die zelf naar “redelijke wetten” richt en heerst, kortom in de wettelijkheid.
De periode van de bourgeoisie wordt door de Britse
geest van
de
wettelijkheid beheerst; een vergadering van landstanden herinnerde er
zich bv.
dat haar bevoegdheid maar zo en zo ver gaan en dat deze eigenlijk
alleen maar
op genade berust en door ongenade weer zou kunnen worden verworpen. Ze
herinnerde zich steeds aan haar roeping. Het valt weliswaar
niet te
loochenen dat mijn vader mij heeft doen ontstaan; maar nu ik er eenmaal
ben,
gaan mij zijn bedoelingen bij het ontstaan van mij helemaal niets aan
en welke roeping
hij ook voor mij bedacht heeft, ik doe wat ik zelf wil. Daarom stelden
de
Fransen tijdens een bijeengeroepen standenvergadering in het begin van
de
Franse revolutie vast, en helemaal juist, dat ze van de geroepene
onafhankelijk
wilden zijn. Die existeerde en ze zouden dom geweest zijn als
ze hun
recht van bestaan niet hadden doen gelden, maar als van een vader
afhankelijk
dachten te zijn. De geroepene hoeft niets meer te vragen: wat wilde de
geroepene toen hij mij schiep? Maar: wat wil ik nadat ik eenmaal de
roeping
gevolgd heb? Noch de geroepene, noch de lastgever, noch de charta,
tengevolge
waarvan hun samenkomen te voorschijn geroepen was, niets zal voor hem
een
heilige en onaantastbare macht zijn. Hij is tot alles bevoegd
wat in
zijn macht ligt; hij zal geen beperkende “bevoegdheid” erkennen, zal
niet loyaal
willen zijn. Hierdoor zou, als men van de parlementen in het algemeen
zoiets
zou kunnen verwachten, een volkomen egoïstisch parlement
ontstaan,
losgemaakt van elke navelstreng en meedogenloos. Maar parlementen zijn
steeds
toegewijd en daarom kan het ons niet bevreemden dat er zoveel halfheid
en
besluiteloosheid d.w.z. huichelachtig “egoïsme” zich binnen haar
muren
opblaast.
De leden van een stand
moeten binnen
de perken blijven welke hen door de charta, door de wil van de
koning en
dergelijke voorgeschreven zijn. Willen of kunnen ze dat niet, dan
moeten ze
“uittreden”. Welke plichtgetrouwe zou anders kunnen handelen, zou zijn
overtuiging en zijn wil als het voornaamste voorop kunnen
stellen, wie
zou zo onzedelijk kunnen zijn zichzelf te doen gelden wanneer
daardoor
het bestuurslichaam en al het andere ten gronde zou kunnen gaan? Men
blijft
zorgvuldig binnen de grenzen van zijn bevoegdheid; binnen de
grenzen van
zijn macht moet men zeker blijven omdat niemand meer kan dan
hij kan.
“Mijn macht of respectievelijke machteloosheid zou mijn enige grens
moeten
zijn, bevoegdheden slechts bindende grondstellingen! Moet ik met deze
alles
omverwerpende opvatting instemmen? Nee, ik ben een wettelijke burger!”
Het burgerdom belijdt een
moraal die ten zeerste met het
wezen ervan verbonden is. Haar eerste eis komt er nl. op neer dat men
een solide
zaak, een eerlijk bedrijf uitoefent, een morele leefwijze volgt.
Onzedelijk is
volgens haar de industrieridder, de hoerenmadam, de dief, rover en
moordenaar,
de speler, de man zonder vermogen, man zonder vaste betrekking, de
lichtzinnige. Door zijn afkeer voor deze “immorelen” toont de wakkere
burger
zijn “diepste verontwaardiging”. Zij missen allemaal een vaste woon- en
verblijfplaats, het solide van de zaak, een solide, eerzaam
leven, een
vast inkomen, enz., kortom ze behoren, omdat hun bestaan niet op een vaste
basis berust, tot de gevaarlijke “enkelingen of geïsoleerden”,
tot het gevaarlijke proletariaat: ze zijn “afzonderlijke
schreeuwers” die geen
“garanties” kunnen
bieden en “niets te verliezen” dus, niets te riskeren hebben. Het
sluiten van
een familieband bv. bindt de mensen, de gebondenen verlenen een
burgerschap,
zijn tastbaar; echter het meisje van plezier niet. De speler zet alles
op het spel,
ruïneert zichzelf en anderen; dus geen garantie. Men zou allen die
de burger
verdacht, vijandelijk en gevaarlijk voorkomen, onder de naam “vagebond”
kunnen
samenvatten; hem mishaagt elke vagebonderende levenswijze. Maar er zijn
ook
geestelijke vagebonden voor wie de geërfde woonstede van hun
vaderen te eng en
te drukkend schijnt om nog langer met deze beperkte ruimte genoegen te
nemen:
in plaats van zich binnen de grenzen van een gematigde zienswijze te
houden en voor
onaantastbare waarheid aan te nemen wat duizenden troost en
geruststelt, gaan
ze alle grenzen van het van oudsher te berde gebrachte te buiten en
extravageren met hun brutale kritiek en ongetemde twijfelzucht. Deze
extravagante vagebonden vormen de klasse van de ongedurigen,
rustelozen, veranderlijken
d.w.z. proletariërs en heten, omdat ze hun niet-honkvaste wezen
luidkeels
bekend maken, “rumoerige koppen”. Zo’n verstrekkende betekenis heeft
het
zogenaamde proletariaat of pauperisme. Hoezeer zou men afdwalen als men
het
burgerdom het verlangen zou toevertrouwen dat het de armoede
(pauperisme) met zijn
beste krachten zou bestrijden. De goede burger behelpt zich integendeel
met de
onvergelijkbare troostende overtuiging dat “de middelen van geluk nu
eenmaal
ongelijk verdeeld zijn en het altijd zo zal blijven, volgens Gods wijze
raadsbesluit”. De armoede, welke hem in alle stegen omringt, stoort de
ware
burger niet langer dan dat hij zich er hoogstens met het werpen van een
aalmoes
of een “eerlijk en bruikbaar” jongeling werk of een kostwinning
verschaffen,
van afmaakt. Des te meer echter voelt hij zijn rustig genot somber
worden door
de vernieuwingszuchtige en ontevreden armoede, door die
armen die
zich niet meer stil houden en ongeduldig worden, maar beginnen
te extravageren
en onrustig te worden. Sluit die vagebond op, stop die onruststoker in
het
donkerste onderaardse hol! Hij wil in de staat “ontstemming
teweegbrengen en
tegen de bestaande orde opkomen”, stenig, stenig hem!
Maar juist van deze
ontevredene gaat
de volgende raisonnement uit: de “goede burgers” maakt het niet uit wie
hen en
hun principes beschermt of het een absolute of constitutionele koning,
een
republiek, enz. is, als ze maar beschermd worden. En wat is hun
principe wiens
beschermheer ze steeds “liefhebben”? Niet dat van de arbeid; ook niet
dat van
de geboorte. Maar dat van de middelmatigheid, het schone
midden; een
beetje geboorte en een beetje werk d.w.z. een rentegevend bezit.
Bezit
is
hier
het
vaste, het gegevene, geërfde (geboorte), het opbrengen
van rente
levert daarbij de moeite (arbeid) dus arbeidend kapitaal. Maar
geen
overmaat, geen ultra, geen radicalisme! Maar geboorterecht, alleen maar
aangeboren bezit: maar zeker ook arbeid, maar weinig of in het geheel
geen
eigen, alleen maar arbeid van het kapitaal en van de onderdanige
arbeiders.
Ligt een tijd in
dwaasheid besloten,
dan trok men daar vroeger voordeel uit terwijl de anderen er schade van
hadden.
In de middeleeuwen was de dwaling onder de christenen algemeen dat de
kerk alle
macht of opperheerschappij op aarde zou moeten bezitten; de
hiërarchen
geloofden niet minder in deze “waarheid” dan de leken en beiden waren
in
dezelfde dwaling vastgeroest. Alleen de hiërarchen hadden hierdoor
het voordeel
van de macht, de leken de schade van de onderdanigheid. Maar
zoals het
spreekwoord zegt: “Door schade en schande wordt men wijs” en zo werden
de leken
uiteindelijk wijs en geloofden niet langer in die middeleeuwse
“waarheid”. Een gelijke
verhouding bestaat er tussen het burgerdom en de arbeiders. Burgers en
arbeiders geloven in de “waarheid” van het geld; zij die het
niet
bezitten, geloven er niet minder in dan degenen die het bezitten, net
als de
leken en de priesters.
“Geld regeert de wereld”
is de
grondtoon van het burgerlijke tijdperk. Een bezitloze edelman en een
bezitloze
arbeider zijn als “hongerlijders”, volgens de politieke betekenis
zonder
betekenis: geboorte en adel betekenen niets, alleen het geld
geeft geldigheid.
De bezitters heersen, maar de staat trekt uit de bezitlozen zijn
“dienaren”,
welke hij in de mate dat ze in zijn naam zullen heersen (regeren), geld
(inkomen) geeft.
Ik ontvang alles van de
staat. Heb
ik iets zonder de goedkeuring van de staat? Wat ik zonder deze
bezit, ontneemt
hij me zodra hij de afwezigheid van de “rechtstitel” ontdekt. Heb ik
dan dus
niet alles door zijn genade, zijn goedkeuring?
Daarop alleen, op de rechtstitel,
steunt
het
burgerdom.
De
burger is wat hij is door de bescherming van de staat,
door
de genade van de staat. Hij moet dus vrezen alles te verliezen als
de
macht van de staat gebroken zou worden.
Hoe is het echter met hem
die niets
te verliezen heeft nl. met de proletariër? Omdat hij niets te
verliezen heeft,
heeft hij voor zijn “niets” de bescherming van de staat niet nodig.
Integendeel, hij kan er alleen maar bij winnen als de staatsbescherming
aan de
beschermelingen onttrokken wordt.
Daarom zal de
niet-bezittende de
staat als een macht ter bescherming van de bezittende beschouwen die
deze
privilegieert en hem daarentegen alleen maar uitzuigt. De staat is een burgerlijke
staat, is de status van het burgerdom. Hij beschermt de mens niet
ter wille
van zijn werk, maar ter wille van zijn volgzaamheid (“loyaliteit”) nl.:
omdat
hij de door de staat aan hem toevertrouwde rechten volgens de wil,
d.w.z. de
wetten van de staat, geniet en gebruikt.
Onder het burgerlijk
regime vallen
de arbeiders steeds in handen van de bezitters d.w.z. bij degenen die
een
staatsgoed (en alle bezit is staatsgoed, behoort toe aan de staat en is
enkel
het leengoed van de enkelingen) tot hun beschikking hebben in het
bijzonder
geld en goed, dus de kapitalisten. De arbeider kan zijn werk niet te
gelde
maken, overeenkomstig de waarde die hij voor de verbruiker heeft.
“De
arbeid wordt slecht betaald!” De grootste winst daarvan heeft de
kapitalist.
Goed en meer dan goed wordt alleen het werk van diegenen betaald die de
glans
en de heerschappij van de staat vermeerderen, de arbeid van de
hogere
staatsdienaren. De staat betaalt goed waardoor zijn “goede
burgers”, de
bezitters zonder gevaar slecht kunnen betalen; hij verzekert zich van
zijn
dienaren waaruit hij voor de “goede burgers” een beschermingsmacht, een
“politie” (tot de politie behoren soldaten, beambten van alle soort,
bv. die
van de justitie, opvoeding, enz. kortom de gehele “staatsmachine”)
vormt, door
goede betaling en de “goede burgers” betalen graag hoge belasting aan
hem, om
des te minder aan hun arbeiders te geven.
Maar de klasse van de
arbeiders
blijft in haar wezenlijke hoedanigheid onbeschermd (want niet als
arbeiders
genieten ze van de staatsbescherming, maar als zijn onderdanen hebben
ze een
gemeenschappelijk recht op de politie, een zogenaamde bescherming van
rechtswege) tegenover de staat, deze staat van bezitters, dit
“burgerkoningschap”, deze vijandelijke macht. Haar principe, de arbeid
wordt
niet naar waarde geschat: het wordt uitgebuit, een oorlogsbuit
van de bezitters, de vijanden.
De arbeiders hebben een
ontzaglijke macht in handen en als
ze zich er eenmaal van bewust zouden worden en haar zouden gebruiken
dan zou
hen niets kunnen weerhouden: ze hoefden alleen maar het werk te staken
en het voortgebrachte
als het hunne te beschouwen en te genieten.
Dat is de betekenis van de hier en
daar opduikende arbeidersonlusten.
De staat berust op de slavernij van de arbeid. Wordt de arbeid vrij
dan is de
staat verloren.
§ 2. Het Sociale Liberalisme
We zijn vrijgeboren
mensen en waar we onze blik ook heen
mogen richten, we zien ons overal tot dienaren van egoïsten
gemaakt! Moeten
wij
daarom
ook
egoïsten
worden? De hemel beware ons, we willen liever de egoïsten
onmogelijk maken! Wij
willen van allen alleen maar “lompen” maken, we willen allemaal niets
hebben,
waardoor “allen” hebben.
Tot zover de socialisten.
Wie is die persoon die jullie
“allen”
noemen? Het is “de maatschappij!” Maar bestaat die dan in levende
lijve? Wij
zijn haar lichaam! Jullie? Jezelf bent geen lichaam; jij bent wel
lijfelijk, ook
jij en jullie, maar samen zijn jullie alleen maar lichamen, geen
lichaam.
Daarom heeft de enige maatschappij wel lichamen tot haar dienst, maar
heeft
zelf geen enig en eigen lichaam. Ze is net als de “natie” van de
politici niets
dan een “geest” en het lichaam aan haar is louter schijn.
De vrijheid van de mensen
is voor
het politieke liberalisme de vrijheid van personen, van
persoonlijke
heerschappij, van meesters: verzekering van elke afzonderlijke
persoon
tegen andere personen, persoonlijke vrijheid.
Niemand heeft iets te
bevelen, de wet alleen beveelt.
Maar al zijn ook de personen gelijk
geworden, dan toch
nog hun bezit niet. En toch heeft de arme de rijke nodig
en
omgekeerd. De ene het geld van de rijke, de ander het werk van de
armen. Dus niemand
heeft behoefte aan een ander als persoon, maar als gever dus
als iemand
die iets te geven heeft, als eigenaar of als bezitter. Wat hij als
zodanig heeft
dat maakt de man. En in het hebben of “have” zijn de
mensen ongelijk.
Daarom, besluit het
sociale
liberalisme, moet niemand iets hebben zoals volgens het
politieke
liberalisme niemand mag bevelen d.w.z. net als hier de staat
het bevel
kreeg, krijgt nu alleen de maatschappij het bezit.
Daar nu de staat de
persoon en het
eigendom van de ene tegen de andere beschermt, scheidt hij
deze van elkaar:
iedereen is zijn deel voor zich en heeft zijn deel voor
zich. Wie
voldaan is met wat hij is en heeft, vindt bij deze stand van zaken
datgene
waarop hij rekent; wie echter meer wil hebben en zijn, ziet naar dat
meerdere uit
en ziet dit in de macht van andere personen. Hier stoot hij op
een
tegenstrijdigheid: als persoon is de één net zo naast als
de andere en toch heeft
de ene persoon wat de andere niet heeft, maar zou willen hebben. Dus,
besluit hij
daaruit, is toch de ene persoon meer dan de andere, want de ene heeft
wat hij nodig
heeft, de andere heeft het niet, de ene is een rijke, de andere een
arme.
Moeten we, vraagt hij zich verder af, weer
laten herleven wat we terecht begraven
hebben, moeten we deze langs een omweg herstelde ongelijkheid van de
personen
laten voortbestaan? Nee, wij moeten integendeel wat maar half volbracht
was
geheel ten einde voeren. Onze vrijheid van de persoon van een ander
mist nog de
vrijheid van datgene, waarover de persoon van een ander nog bevelen
kan, van
datgene wat hij in zijn persoonlijke macht heeft, kortom van de
“persoonlijke
eigendom”. Laten wij dus de persoonlijke eigendom afschaffen.
Laat
niemand meer iets bezitten, laat iedereen een “lomp” zijn. Het eigendom
is dan onpersoonlijk,
het behoort aan de maatschappij.
Voor de hoogste gebieder,
de
enige
bevelhebber
waren wij
allemaal gelijk
geworden, gelijke personen d.w.z. nullen.
Voor de hoogste eigendommen worden wij allemaal
dezelfde lompen.
Want tot nu toe is de één volgens een ander nog een
“lomp”, een “armoezaaier”; maar
dan houdt dat oordeel op, we zijn dan allemaal lompen en als de totale
massa
van de communistische maatschappij kunnen we ons dan het
”lompengespuis”
noemen.
Wanneer de proletariër zijn
beoogde
“maatschappij”, waarin het verschil van rijk en arm uit de weg zal zijn
geruimd, werkelijk zal hebben gegrondvest, dan is hij een lomp,
want hij
denkt iets te betekenen door een lomp te zijn en zou dan het woord
“lomp” net
zo goed tot een erenaam kunnen verheffen, zoals de revolutie het woord
“burger”
als zodanig verhief. Lomp is zijn ideaal, we moeten allemaal lompen
worden.
Dit is in het belang van
de
“menselijkheid”, de tweede roof van het “persoonlijke”. Men laat dan de
enkeling
noch bevel, noch eigendom over; het ene nam de staat, het andere de
maatschappij.
Omdat men in de
maatschappij de
meest onderdrukkende wantoestanden kan opmerken, denken met name de
onderdrukten, dus de leden van de onderste lagen van de maatschappij,
de schuld
daarvan in de maatschappij te vinden en stellen zich ten doel de juiste
maatschappij te ontdekken. Het is alleen maar weer het oude liedje
dat men
in de eerste plaats de schuld in al het andere, in plaats van in
zichzelf
zoekt; dus in de staat, in de eigenbaat van de rijken, enz., die toch
juist hun
bestaan aan onze eigen schuld te danken hebben.
De overwegingen en
conclusies van
het communisme zien er zeer eenvoudig uit. Zoals de zaken nu staan, dus
onder
de huidige staatsverhoudingen, staat de één vergeleken
bij de ander en wel de
meerderheid ten opzichte van de minderheid ten achter. Bij deze stand
van zaken verkeert de één in welstand, de ander
in nood
(noodsituatie). Daarom moet de huidige stand van zaken d.w.z.
de staat
(status = toestand) afgeschaft worden. En wat moet daarvoor in de
plaats komen?
In plaats van de afzonderlijke welstand, een algemene welstand,
een welstand
van allen.
Door de revolutie werd de
bourgeoisie almachtig en daardoor werd alle ongelijkheid opgeheven,
doordat
iedereen tot de waardigheid van burger werd verhoogd of
verlaagd: de
gewone man verhoogd, de edelman verlaagd; de derde stand werd
de enige
stand namelijk de stand van de staatsburgers.
Nu antwoordt het
communisme: niet
daarin bestaat onze waarde en ons wezen dat we allemaal gelijke
kinderen
van de staat, onze moeder zijn, allemaal geboren met een gelijke
aanspraak op
haar liefde en bescherming, maar in het feit dat we er allemaal voor
elkaar
zijn. Dit is onze gelijkheid of daarin zijn we gelijk dat ik
net zo goed
als u en u allen, voor elkaar werkzaam zijn of “arbeiden” dus door het
feit dat
iedereen van ons een arbeider is. Het gaat er ons niet om wat
wij voor
de staat zijn, namelijk burgers dus niet om ons burgerschap,
maar
wat
we
voor elkaar zijn, namelijk dat iedereen van ons
alleen
maar door
de ander bestaat, die terwijl hij voor mijn behoeften zorgt
tegelijkertijd door
mij de zijne bevredigd ziet. Hij werkt bv. voor mijn kleding
(kleermaker), ik voor
zijn behoeften aan vermaak (toneelschrijver, koorddanser, enz), hij
voor mijn
voeding (landbouwer, enz), ik voor zijn ontwikkeling (geleerde, enz).
Daarom is
het arbeiderdom onze waarde en onze gelijkheid.
Welk voordeel brengt het
burgerdom
ons? Lasten! En hoe hoog slaat men de waarde van onze arbeid aan? Zo
laag
mogelijk! En toch is juist de arbeid onze enige waarde; dat we arbeider
zijn, is het beste aan ons, dat is onze betekenis in de wereld en
daarom moet het
ook onze waarde worden en gewaardeerd worden. Wat kunt u daar
voor ons
tegenoverstellen? Toch ook alleen maar arbeid. Alleen maar voor
arbeid
of prestaties zijn we jou een vergoeding schuldig, niet voor jouw
naakte
existentie; ook niet voor datgene wat jij voor jezelf bent,
maar alleen
maar voor wat jij voor ons bent. Waardoor maak jij aanspraak op
ons? Door
jouw hoge geboorte of zoiets? Nee, alleen maar door wat jij voor ons
als
gewenst of nuttig verricht. Dat wil dan ook zeggen: wij willen voor jou
alleen
maar in zoverre van waarde zijn als wij iets voor jou doen, maar jij
zult
tegenover ons hetzelfde verplicht zijn. De prestaties bepalen
de waarde
dat wil zeggen de prestaties die ons iets waard zijn, dus het arbeiden voor
elkaar, de arbeid voor het algemeen nut. Iedereen is een
arbeider in
de ogen van de ander. Wie iets nuttigs verricht, doet voor niemand
onder of met
andere woorden alle arbeiders (natuurlijk arbeiders die “arbeiden tot
nut van
het algemeen”, d.w.z. communistische arbeiders) zijn gelijk. Omdat de
arbeider
zijn loon waard is, moet ook de beloning gelijk zijn.
Zolang het geloof in de
eer en
waarde van de mensen voldoende was, viel er ook tegen geen enkele nog
zo
inspannende arbeid iets in te brengen als het de mensen maar niet in
hun geloof
hinderde. Daarentegen nu, nu iedereen zich tot mens moet ontwikkelen,
staat het
gedoemd zijn van de mensen tot machinale arbeid gelijk aan slavernij.
Als een
fabriekswerker zich twaalf en meer uren doodmoe moet maken, dan is hij
voor het
mens-worden verloren. Elke arbeid moet tot doel hebben de mens te
bevredigen.
Daarom moet hij daar ook een meester in worden d.w.z. deze in
zijn
totaliteit kunnen scheppen. Wie in een speldenfabriek alleen de kop op
de draad
zet of de draad trekt, enz., werkt machinaal, werkt als een machine,
hij blijft
een stumper en wordt geen meester, zijn arbeid kan hem niet bevredigen,
alleen
maar
vermoeien. Zijn werk is op zichzelf genomen, niets,
heeft
geen doel op zich, is niet iets op zichzelf voltooids: hij
werkt alleen
maar een ander in de hand en wordt door deze andere gebruikt
(geëxploiteerd). Voor deze arbeider in dienst van de ander bestaat
niet het
genot van een ontwikkelde geest, hoogstens grove genoegens: hij is
uitgesloten van de ontwikkeling. Om een goede christen te zijn,
hoeft
men alleen maar te geloven en dit kan onder de meest
onderdrukkende
verhoudingen. Daarom zorgen de christelijk gezindten alleen voor de
vroomheid
van de onderdrukte arbeiders, hun geduld, berusting, enz. Al hun
ellende konden
de onderdrukte klassen maar zolang verdragen als ze christen
waren: want
het christendom laat hen morren en hun woede niet omhoog komen.
Tegenwoordig is
het sussen van de begeerten niet meer toereikend, men eist de bevrediging
ervan. De bourgeoisie heeft het evangelie van het werelds
genot, het
materiële genot verkondigd en verbaast zich er nu over dat deze
leer onder ons
armen aanhangers vindt; ze heeft aangetoond dat niet geloof en armoede,
maar de
ontwikkeling en bezit zalig maakt: dat begrijpen wij proletariërs
ook.
Bevrijding van bevel en
willekeur
van de enkeling bracht het burgerdom tot stand. Alleen die willekeur
bleef
over, die uit de samenloop van de verhoudingen ontstaat en die men de
toevalligheid van de omstandigheden kan noemen; het begunstigende geluk
en de “door het geluk begunstigden” bleven over.
Wanneer bv. een
nijverheidstak ten
gronde gaat en duizenden arbeiders brodeloos worden, dan denkt men
gewoon dat
niet de enkeling de schuld draagt “maar dat het kwaad in de
verhoudingen ligt”.
Laten wij dus die
toestanden
veranderen, maar op een ingrijpende manier zodat hun toevalligheid
machteloos
en een wet wordt! Laten wij niet langer slaven zijn van het
toeval!
Laten we een nieuwe orde scheppen, die aan de schommelingen een
einde
maakt. En laat deze orde dan heilig zijn!
Vroeger moest men het de heren
naar de zin maken om tot iets te komen; na de revolutie heette het:
grijp het geluk!
De jacht op geluk of kansspel daar ging het burgerlijke leven in op.
Daarnaast
eiste men dan dat wie iets verkregen had dit niet lichtzinnig weer op
het spel
moest zetten.
Een zeldzame maar hoogst
natuurlijke
tegenstrijdigheid. De concurrentie waarin het burgerlijke of politieke
leven
zich afspeelt, is door en door een geluksspel, van de beursspeculatie
tot de
verwerving van een baan toe, de jacht naar klanten, het zoeken naar
werk, het
streven naar bevordering en ridderorden, de voddenkramerij van de
sjacheraars,
enz. Lukt het de concurrent te overtroeven en te overbieden dan is de
“gelukkige worp” gemaakt; want voor een geluk moet men al door hebben
dat de
overwinnaar met een, al is het door de meest zorgvuldige vlijt
gevormde, begaafdheid
uitgerust is waartegen de anderen niet op konden dus dat er geen
getalenteerderen bestaan. En zij die midden in deze wisseling van geluk
hun
dagelijks bestaan slijten zonder er erg in te hebben, raken in de meest
zedelijke verontwaardiging wanneer hun eigen principe in naakte vorm
optreedt
en als kansspel “ongeluk aanricht”. Het kansspel is ja, een
overduidelijke, te uitgesproken concurrentie en kwetst net als die
stellige
naaktheid het eerzame schaamtegevoel.
Aan dit heersen van het
toeval
willen de socialisten paal en perk stellen en ze willen een
maatschappij vormen
waarin de mensen niet langer van het geluk afhankelijk, maar
vrij zijn.
Op de meest natuurlijke
wijze uit
dit streven zich pas als haat van de “ongelukkigen” tegen de
“gelukkigen” d.w.z.
van degenen voor wie het geluk weinig of niets gedaan heeft, tegen
diegenen
voor wie het alles gedaan heeft.
Deze wrevel geldt
eigenlijk niet
voor de gelukkigen, maar voor het geluk, deze rotte plek van
het
burgerdom.
Omdat de communisten
eerst de vrije
arbeid tot het wezen van de mens hebben verklaard, hebben ze net zoals
bij elke
bezige mentaliteit een zondag, zoals elk materiël streven een God,
een
verheffing en stichting naast hun geestloze “arbeid” nodig.
Dat de communist in jou
de mens, de
broeder ziet, is alleen maar de Zondagse kant van het communisme. In de
doordeweekse praktijk neemt hij jou helemaal niet gewoon als mens, maar
als
menselijke arbeider of arbeidend mens. De eerste beschouwing bevat het
liberale
principe, de tweede verbergt het illiberalisme. Zou jij een “luiaard”
zijn dan
zou hij zeker de mens in jou ontkennen, maar er naar streven jou als
“lui mens”
van de luiheid te genezen en ernaar streven jou tot het geloof te
bekeren dat
de arbeid de bestemming en roeping van de mens is.
Daarom toont hij twee
gezichten: met
het ene houdt hij in de gaten dat de menselijke geest tevreden gesteld
wordt,
met het andere zoekt hij naar middelen voor het materiele of
lichamelijke.
Hij geeft de mens een
tweevoudige aanstelling,
een functie van de materiele baan en één van de
geestelijke baan.
Het burgerdom heeft de
geestelijke
en materiele dingen vrij ter beschikking gesteld en het aan
iedereen
overgelaten er naar te grijpen wanneer het hem zinde.
Het communisme verschaft
ze echt aan
iedereen, dringt ze hem op en dwingt hen ze te verwerven. Het vat
ernstig op
dat wij, aangezien alleen geestelijke en materiele goederen ons tot
mensen
maken, deze goederen zonder bezwaar moeten verwerven om mens te zijn.
Het
burgerdom maakte het verwerven vrij, het communisme dwingt tot
verwerven
en erkent alleen maar de verwerver, de beroepsuitoefenaar. Het
is niet
genoeg dat het beroep vrij is, u moet het zelf grijpen.
Dus blijft voor de
kritiek enkel nog
over te bewijzen dat het verwerven van deze goederen ons nog op geen
enkele
manier tot mens maakt.
Met het liberaal gebod
dat iedereen
uit zichzelf een mens of iedereen zich tot mens zou moeten vormen, werd
de
noodzaak gesteld dat iedereen voor dit werk van de vermenselijking de
gelegenheid zou moeten hebben d.w.z. dat het voor iedereen mogelijk
moest zijn
om aan zich te werken.
Het burgerdom geloofde
dat het
hierin bemiddeld had, toen het al het menselijke aan de concurrentie
overgaf en
de enkeling het recht gaf tot dat menselijke. “Iedereen mag naar alles
streven.”
Het sociale liberalisme
denkt dat
die zaak met het “mogen” niet afgedaan is aangezien mogen alleen
betekent dat
het niemand verboden is, maar niet dat het voor iedereen mogelijk
gemaakt is.
Het beweert daarom dat het burgerdom alleen met de mond en in woorden
liberaal,
inderdaad echter hoogst illiberaal is. Van de andere kant wil het ons
allemaal
het middel geven om aan onszelf te kunnen werken.
Door het principe van de
arbeid
wordt het principe van het geluk of van de concurrentie werkelijk
overboden.
Tegelijk echter beseft de arbeider dat het wezenlijke aan hem “de
arbeider”
moet zijn; dat ver van egoïsme afstaat en hij onderwerpt zich aan
het
opperhoofd van een arbeidsmaatschappij net zoals de burger berustend
aan de
concurrentiestaat hing. De schone droom van een “sociale plicht” wordt
nog
voortgedroomd. Men denkt opnieuw dat de maatschappij ons geeft
wat we
nodig hebben en dat we daarom haar schatplichtig, haar alles
schuldig
zijn.
Men blijft erbij de “hoogste gever van alle goederen” te willen dienen.
Dat
de
maatschappij
helemaal geen ik is dat geven, verlenen of
verschaffen kan,
maar een instrument of middel waar we profijt uit zouden kunnen halen,
dat we
geen maatschappelijke plichten, maar gewoonweg belangen hebben, dat de
maatschappij ons ten dienste zou moeten staan bij het streven daarnaar,
dat we
de maatschappij geen offer schuldig zijn, maar dat als we iets offeren
dit aan
onszelf offeren: daaraan denken de socialisten niet, omdat ze — net als
liberalen — in het religieuze principe gevangen zitten en ijverig
streven naar
een, zoals de staat tot vandaag toe was, heilige maatschappij!
De maatschappij waar we
alles van
krijgen, is een nieuwe meesteres, een nieuw spook, een nieuw “hoger
wezen” dat
ons “in zijn dienst neemt!”
Een nadere beoordeling
van het
politieke, zowel als van het sociale liberalisme kan men pas hieronder
vinden.
We gaan er voor het ogenblik toe over, het voor de rechterstoel van het
humane
of kritische liberalisme te brengen.
§ 3. Het Humane
Liberalisme
Omdat in het zichzelf
bekritiserende, het “kritische”
liberalisme, waarbij de criticus een liberaal blijft en boven het
liberale principe,
de mens, niet uitstijgt, het liberalisme voltooid wordt, moet het bij
voorkeur
naar de mens genoemd worden en het “humanisme” heten.
De arbeider gaat voor de
meest materiele en egoïstische mens
door. Hij doet voor de mensheid helemaal niets, doet alles voor
zich,
voor zijn eigen welvaart.
Het burgerdom heeft,
omdat het de
mens alleen door zijn geboorte voor vrij hield, hem voor het overige in
de
klauwen van de onmensen, de egoïsten moeten laten. Daarom heeft
het egoïsme in
het regiment van het politieke liberalisme een ontzaglijk terrein om
vrij te
benutten.
Evenals de burger de
staat, zal de
arbeider de maatschappij gebruiken voor zijn egoïstische
doeleinden.
U hebt toch alleen maar een egoïstisch doel, uw welvaart! Verwijt
de humanist
de socialist. Alleen maar wanneer u een zuiver menselijk belang
dient,
wil ik uw metgezel zijn. “Daartoe behoort echter een sterker, een
omvattender
dan een arbeidersbewustzijn.” “De arbeider maakt niets, daarom
heeft hij
niets: hij maakt echter niets omdat zijn werk steeds een enkel
blijvende, een
op eigen behoeften berekende, dagelijkse arbeid is.”
Men kan zich hierbij ongeveer het volgende indenken: het werk van
Gutenberg
bleef niet persoonlijk, maar kweekte talrijke kinderen op en leeft
vandaag nog.
Het was op de behoefte van de mensheid gebaseerd en was een eeuwige,
onvergankelijke.
Het humanistische
bewustzijn veracht
zowel het burger- als het arbeidersbewustzijn: want
de burger is alleen maar “ongerust” over de
vagebonden (over allen die “geen bepaalde bezigheden” hebben) en hun
“immoraliteit”; de arbeider “is verontwaardigd” over de luiaard
(“luilak”)
en diens “onzedelijke” grondbeginselen, op grond van hun uitzuigend en
onmaatschappelijk karakter. Daarop antwoordt de humanist: de
werkloosheid van
zovele is alleen uw product, filister! Maar dat jij, proletariër,
van iedereen geploeter
eist en deze kwelling algemeen wil maken dat kleeft nog aan jou van
jouw vroegere
pakezelachtigheid. Jij wil wel doordat allen zich evenzeer moeten
afbeulen, de
kwelling zelf verlichten, maar alleen omdat daardoor iedereen evenveel vrije
tijd krijgt. Wat moeten zij met hun vrije tijd
beginnen? Wat doet uw
“maatschappij” opdat deze vrije tijd menselijk doorgebracht zou
kunnen
worden? Ze zal wel weer de verkregen vrije tijd aan de egoïstisch
goedkeuring moeten
overlaten en juist dit verkregene dat jouw maatschappij eist,
valt in
handen van de egoïsten, net als het voordeel van het burgerdom, het
voor
de
mens
verlost
zijn van de meester, door de staat niet met een
menselijke
inhoud gevuld kon worden en daarom aan de willekeur overgelaten moest
worden.
Inderdaad is het noodzakelijk dat de
mens zonder
meester is, maar daarom moet ook de egoïst niet weer over de mens,
maar de mens
meester over de egoïst worden. Inderdaad moet de mens vrije tijd
vinden, maar
wanneer de egoïst deze zichzelf ten nutte maakt, dan gaat het aan
de mens
voorbij; daarom moet jij de vrije tijd een menselijke betekenis geven.
Maar ook
jullie arbeid verrichten jullie arbeiders uit egoïstische motieven
omdat jullie
eten, drinken, leven willen; hoe zouden jullie dan in je vrije tijd
minder
egoïstisch kunnen zijn? Jullie arbeiden alleen maar, omdat het na
gedane arbeid
goed rusten (luieren) is en waarmee jullie je vrije tijd doorbrengen,
blijft
aan het toeval overgelaten.
Wil men echter voor het egoïsme iedere
opening
afsluiten, dan moet een volkomen “belangeloos” handelen nagestreefd
worden, de totale
belangeloosheid. Alleen dat is menselijk, omdat alleen de mens
belangeloos is;
de egoïst heeft altijd belangen.
Laten we intussen de belangeloosheid
meetellen, dan vragen we: wil jij dan nergens belang in
stellen, voor niets bezield zijn, niet
voor de vrijheid, mensheid, enz? “O ja, maar dat is geen
egoïstisch belang,
geen interesse, maar een menselijke d.w.z. een theoretische nl.
geen interesse
in de enkeling of enkelingen (allen), maar in de idee, in de
mens.”
En jij merkt niet dat jij
ook
alleen
maar
bezield
bent door jouw idee, jouw vrijheidsidee?
En merk jij verder ook
niet dat jouw ongeïnteresseerdheid, net als de
godsdienstige, weer
een hemelse
interesse is? Het nut van de enkelingen laat jou in ieder geval koud en
jij zou
abstract kunnen uitroepen: fiat libertas, pereat mundus. Jij zorgt ook
niet
voor de dag van morgen en jij hebt eigenlijk geen ernstige zorgen voor
de behoeften
van de enkeling, noch voor jouw eigen welzijn, noch voor die van de
anderen;
maar dat maakt jou allemaal geen fluit uit omdat jij een dweper bent.
Is misschien de humanist
zo liberaal
om al het voor de mens
mogelijke voor menselijk uit te geven? Integendeel! Over de
hoer deelt
hij weliswaar het morele vooroordeel van de filisters niet, maar dat
“deze vrouw
van haar lichaam een geldverschaffende machine maakt”,
maakt haar als “mens” verachtelijk. Hij oordeelt als volgt: De hoer is
geen
mens of: voor zover een vrouw hoer is, voor zover is ze onmenselijk,
ontmenst.
Verder: de jood, de christen, de geprivilegieerde, de theoloog, enz. is
niet mens;
voor zover u jood bent, enz., bent u niet mens. Weer het imperatieve
postulaat:
werp al het bijzondere van je af, bekritiseer het weg! Wees noch jood,
noch christen,
enz., maar wees mens, niets dan mens! Laat jouw menselijkheid
tegen elke
beperkende bepaling meetellen, maak je door middel van haar tot mens en
maak je
van die beperkingen vrij, maak je tot een “vrije mens”,
d.w.z. erken
de menselijkheid als jouw alles bepalend wezen.
Ik zeg: jij bent zeker meer dan jood,
meer dan christen, enz., maar jij bent ook meer
dan mens. Dat zijn allemaal ideeën, jij echter bestaat in levende
lijve. Denk
je dan ooit “mens als zodanig” te kunnen worden? Denk jij dat onze
nakomelingen
geen vooroordelen en bekrompenheden meer uit te roeien zullen hebben
waarvoor
onze krachten niet toereikend zijn? Of geloof jij misschien in jouw 40
of 50
jaren zo ver gekomen te kunnen zijn dat in de volgende dagen niets meer
aan jou
op te lossen is en dat jij mens bent? De mensen van de toekomst zullen
nog
menige vrijheid moeten bevechten die wij niet eens missen. Waartoe wil
jij die latere
vrijheid gebruiken? Wil jij je als niets beschouwen voordat jij
mens geworden
bent, dan moet jij tot aan het “laatste oordeel” wachten, tot de dag
dat de mens
of mensheid de volmaaktheid bereikt zal hebben. Maar omdat jij zeker
voor die tijd
sterft, waar blijft dan jouw overwinningsgeschenk?
Draai de zaak liever om en zeg
tot jezelf: Ik ben
mens! Ik hoef de mens niet eerst in mijzelf tot stand te brengen,
omdat die
al tot mijzelf behoort zoals al mijn eigenschappen.
Hoe kan men toch, vraagt
de
criticus, tegelijk jood en mens zijn? Op de eerste plaats, antwoord ik,
kan men
helemaal noch jood, noch mens zijn, als “men” en jood of mens hetzelfde
zou
betekenen: “men” gaat altijd deze bepalingen te boven en Schmoel mag
nog zo
joods zijn, jood, niets dan jood, kan hij niet zijn, alleen al omdat
hij deze
jood is. Ten tweede kan men zeker als jood geen mens zijn wanneer
mens-zijn
betekent, niets bijzonders zijn. Ten derde echter — en daar komt het
juist op
aan — kan ik als jood helemaal zijn, wat ik nu eenmaal kan zijn. Van
Samuel of
Mozes en anderen had je moeilijk kunnen verwachten dat ze zich boven
het
jodendom zouden hebben kunnen verheffen, hoewel je moet zeggen dat ze
nog geen
“mensen” waren. Ze waren precies wat ze konden zijn. Is het met de
tegenwoordige joden anders? Omdat jij de idee van de mensheid ontdekt
hebt,
volgt daar dan uit dat elke jood zich daartoe zou kunnen bekeren? Als
hij het
kan, laat hij het niet na en laat hij het na, dan kan hij het niet. Wat
gaat
hem jouw verlangen aan, wat de roeping mens te zijn, die jij
voor hem
uitvaardigt?
In de ons door de
humanist voorspelde “menselijke
maatschappij” zal helemaal niets geaccepteerd worden van wat de
één of de ander
“bijzonder” aan zich heeft, geen waarde hebben wat een “privé”-
karakter
draagt. Op deze manier sluit de cirkel van het liberalisme zich dat in
de mens
en de menselijke vrijheid zijn goede principe, in de egoïst en al
het private
zijn kwade principe, in de ene zijn God, in de andere zijn Duivel
heeft. In “de
staat” verloor de bijzondere of private persoon zijn waarde (geen
persoonlijk
voorrecht), in de “arbeiders- of lompenmaatschappij” boette het
bijzondere of
(private) eigendom zijn goedkeuring in. Zo zal in de “menselijke
maatschappij”
al het bijzondere of private buiten beschouwing vallen en wanneer de
“zuivere
kritiek” haar moeilijke werk volbracht zal hebben, zal men weten wat
allemaal
privé is en wat men “in zijn niet te doorboren gevoel” zal
moeten laten staan.
Omdat de staat en de
maatschappij
voor het humane liberalisme niet voldoen, negeert het beide en behoudt
ze
tegelijkertijd. Zo beweert het dat de opdracht van deze tijd “geen
politieke,
maar een sociale” is en dan wordt opnieuw de “vrije staat” voor de
toekomst
beloofd. In werkelijkheid is de “menselijke maatschappij” echter beide,
de
meest algemene staat en de meest algemene maatschappij. Alleen tegen de
beperkte staat wordt stelling genomen, men verwijt hem dat hij te veel
ophef
maakt van geestelijke privé-belangen (bv. van het godsdienstige
geloof van de
leden) en tegen de beperkte maatschappij, die een grote rol speelt bij
de
materiële privé-belangen. Beiden moeten deze
privé-belangen aan de privé-
personen overlaten en zich als menselijke maatschappij alleen om de
algemeen
menselijke belangen bekommeren.
Terwijl de politici de eigen
wil,
de eigenzinnigheid of de willekeur dachten af te schaffen, merkten ze
niet dat
door het eigendom de eigenwilligheid een zeker
toevluchtsoord
overhield.
Terwijl de socialisten
ook het eigendom
wegnemen, merken ze niet dat dit zich in de eigenheid een
voortbestaan
verzekert. Is dan alleen geld en goed een eigendom of is ook elke
mening een
mijne, een eigene?
Dus moet ook elke mening
opgeheven of onpersoonlijk
gemaakt worden. De persoon komt geen eigen mening toe, maar net als de
eigenwilligheid op de staat, het eigendom op de maatschappij
overgedragen werd,
moet ook de mening op een algemene “van de mens” overgedragen
worden en daardoor
een algemeen menselijke mening worden.
Blijft de mening bestaan
dan heb ik mijn
God (God bestaat alleen als “mijn God”, is een mening of mijn “geloof”)
dus mijn
geloof, mijn religie, mijn gedachten, mijn idealen. Daarom moet er een
algemeen
menselijk geloof komen, het “fanatisme van de vrijheid”. Dit zou
namelijk
een geloof zijn dat met het “wezen van de mensen” overeen zou komen en
omdat
alleen “de mens” redelijk is (ik en jij kunnen zeer onredelijk zijn!)
een redelijk
geloof.
Evenals de
eigenwilligheid en het
eigendom machteloos worden, moet de eigenheid of het
egoïsme dit helemaal worden.
In deze hoogste
ontwikkeling “van de vrije mensen” wordt het
egoïsme, de
eigenheid, principieel bestreden en het zo ondergeschikte doel nl. de
sociale
“welvaart” van de socialisten, enz. verdwijnt voor de verheven “idee
van de
mensheid”. Alles, wat niet iets “algemeen menselijk” is, is iets
bijzonders,
stelt alleen enigen of enen tevreden of wanneer het iedereen bevredigt,
dan
doet het hen slechts als enkelingen, niet als mensen en heet daarom een
“egoïstische”.
Voor de socialisten is de
welvaart
nog het
hoogste doel
zoals voor de politieke liberalen de vrije concurrentie het
aangename
was; de welvaart is nu ook vrij en wat zij wil hebben, mag ze zich
aanschaffen zoals
wie zich met de wedstrijd (concurrentie) zou willen inlaten, daarvoor
zou
kunnen kiezen.
Om aan de wedstrijd deel
te nemen,
hoeft u alleen maar burger, om aan de welvaart deel te nemen,
alleen
maar arbeider te zijn. Beiden hebben nog niet dezelfde
betekenis als
“mens”. De mens is pas “waarachtig goed” als hij ook “geestelijk vrij”
is! Want
de mens is geest, daarom moeten alle machten die hem, de geest, vreemd
zijn,
alle bovenmenselijke, hemelse, onmenselijke machten ten val gebracht
worden en
de naam “mens” moet boven alle andere namen verheven zijn.
Zo keert in dit einde van de nieuwe tijd
(tijd van de nieuwen) als hoofdzaak
weer terug, wat in het begin van deze tijd de hoofdzaak geweest was: de
“geestelijke
vrijheid”.
Tot de communist in het
bijzonder zegt de
humane liberaal: wanneer jij de maatschappij jouw bedrijvigheid
voorschrijft,
dan is dat weliswaar vrij van de invloed van de enkelingen, d.w.z. van
de
egoïsten, maar hoeft daardoor nog geen zuivere menselijke
werkzaamheid
te zijn en jij nog geen volmaakt orgaan van de mensheid. Welk soort
werk de
maatschappij van jou eist, blijft nog heel toevallig: ze zou
jou bij de bouw
van een tempel en dergelijke kunnen aanstellen of, als dat niet zo zou
zijn, dan
zou jij toch uit eigen beweging als dwaas, dus voor een onmenselijkheid
bezig
kunnen zijn; ja sterker nog, jij werkt echt alleen om je te voeden om
tenminste
te leven, ter wille van het lieve leven en niet ter verheerlijking van
de
mensheid. Daarom is de vrije bezigheid pas dan bereikt als jij je van
alle domheden
vrijmaakt, je van al het niet-menselijke, d.w.z. egoïstische
(alleen van het
enige, niet van wat bij de mens in de enkeling hoort) bevrijdt, alle de
mens of
de idee van de mensheid verduisterende en onware gedachten oplost,
kortom als
jij niet alleen ongeremd in jouw bezigheden bent, maar ook de inhoud
van jouw
bezigheden uitsluitend menselijk is en jij alleen voor de mensheid
leeft en
werkt. Dit is echter niet het geval zolang het doel van jouw streven
alleen
jouw en de welvaart van iedereen is: wat jij voor de
lompenmaatschappij
doet, heb je voor de “menselijke maatschappij” nog niet gedaan.
Het arbeiden alleen maakt
van jou
geen mens omdat dit iets formeels en iets dat aan het voorwerp toevalt
is, maar
het komt erop aan wie jij, de arbeidende, bent. Arbeiden kun jij
sowieso uit
egoïstische (materiële) motieven doen, alleen om je voedsel,
enz. te
verschaffen: het moet een de mensheid bevorderende, op het welzijn
berekende,
de historische, d.w.z. menselijke ontwikkeling dienende, kortom een humane
arbeid zijn. Dit hoort op twee manieren, ten eerste doordat ze de
mensheid ten
goede komt, ten tweede doordat ze van een “mens” uitgaat. Het eerste
kan alleen
bij elke arbeid het geval zijn omdat ook het werk van de natuur bv. de
dieren
door de mensen ter bevordering van de wetenschap gebruikt kunnen
worden; het
tweede eist dat aan de arbeider het menselijke doel van zijn arbeid
bekend is
en omdat hij dit bewustzijn alleen kan hebben als hij zichzelf als mens
bewust
is, is de beslissende voorwaarde het zelfbewustzijn.
Er is zeker al veel
bereikt wanneer jij ophoudt een
“stukarbeider” te zijn, maar jij overziet daardoor alleen maar aan het
geheel van
jouw arbeid en krijgt daarover een bewustzijn dat van een
zelfbewustzijn, een bewustzijn
over jouw ware “zelf” of “wezen”, de mens, nog ver af staat. Bij de
arbeider blijft
nog het verlangen naar een “hoger bewustzijn” bestaan dat hij, omdat
hij zijn
werkzaamheid als arbeider niet kan stillen, in een vrij uurtje
bevredigt.
Daarom bestaat naast zijn arbeid voor hem de rust en hij ziet zich
gedwongen in
één adem het arbeiden en het luieren voor menselijk uit
te geven, ja de luilak,
de rustende, de ware verheffing toe te kennen. Hij werkt alleen om van
het werk
verlost te zijn: hij wil het werk alleen maar vrij maken, om van het
werk vrij te
worden.
Genoeg, zijn werk heeft
geen bevredigende
inhoud
omdat
het
uitsluitend door de
maatschappij opgelegd, alleen maar een taak, een opgave, een beroep is
en
omgekeerd bevredigt zijn maatschappij hem niet omdat die te werken
geeft.
De arbeid zou hem als mens moeten
bevredigen: in de plaats
daarvan bevredigt het de maatschappij; de maatschappij zou hem als mens
moeten behandelen
en ze behandelt hem als lompenarbeider of arbeidende lomp.
Werk en maatschappij zijn
maar in
zoverre
bruikbaar voor hem,
niet hoe hij die als mens nodig heeft, maar als egoïst.
In zoverre de kritiek op
het arbeiderdom.
Het
verwijst
naar
de “geest”,
voert de strijd van de “geest met de massa”
en verklaart de communistische arbeid tot geesteloze massa-arbeid.
Werkschuw
als ze is, houdt de massa ervan om het werk zo licht mogelijk te maken.
In de
literatuur die heden massaal geleverd wordt, brengt de werkschuwheid de
overbekende oppervlakkigheid voort die “de moeite om te
onderzoeken”
afwijst.
Daarom zegt het humane
liberalisme:
u wilt arbeid; welaan, wij willen dat ook, maar wij willen hem in de
grootste
mate. Wij willen hem niet om vrije tijd te winnen, maar om in het werk
zelf alle
voldoening te vinden. Wij willen de arbeid omdat die onze
zelfontwikkeling is.
Maar het werk moet daar dan ook naar
zijn! Alleen
de menselijke, zelfbewuste arbeid, alleen die arbeid, die geen
“egoïstische” bedoelingen,
maar de mens tot doel heeft en de zelfopenbaring van de mens is, eert
de mens, zodat
er gezegd kan worden: laboro, ergo sum, ik arbeid d.w.z. ik ben mens.
De
humanist wil alle materie verwerkende arbeid van de geest,
de
geest,
die
geen
ding met rust of in zijn bestendigheid laat, die zich
bij niets
neerlegt, alles ontleedt, elk verkregen resultaat opnieuw bekritiseert.
Deze
rusteloze geest is de ware arbeider, hij verdelgt de vooroordelen,
vernietigt
de beperkingen en bekrompenheden en verheft de mens boven alles wat hem
zou
kunnen beheersen terwijl de communist enkel voor zichzelf en niet eens
vrij, maar
uit nood werkt, kortom een dwangarbeider voorstelt.
De arbeider van dit slag
is niet
“egoïstisch” omdat hij niet voor de enkeling, noch voor zichzelf,
noch voor andere
enkelingen dus niet voor private mensen werkt, maar voor de
mensheid en
haar vooruitgang: hij lenigt geen persoonlijke smarten, zorgt niet voor
persoonlijke
behoeften, maar heft beperkingen op waar de mensheid in geperst zit,
verstrooit
vooroordelen die een hele tijd beheersen, overwint belemmeringen die
iedereen de
weg versperren, ruimt vergissingen op waarin de mensen gevangen zaten,
ontdekt
waarheden waarvan hij vindt dat ze voor allemaal en voor alle tijden
gelden,
kortom hij leeft en werkt voor de mensheid.
De ontdekker van een grote waarheid weet als
eerste wel
dat die voor de andere mensen nuttig zou kunnen zijn en omdat een
jaloers voor zich
alleen houden, hem geen genoegen verschaft, deelt hij haar mee; maar al
beseft hij
ook dat zijn mededeling voor de anderen van zeer grote waarde is, dan
heeft hij
zijn waarheid toch in geen geval ter wille van die anderen gezocht en
gevonden,
maar wel voor zichzelf omdat hij er zelf naar verlangde, omdat het
duister en
de waan hem niet met rust liet totdat hij zich naar zijn beste kunnen
licht en verlichting
verschaft had.
Hij werkt aldus ter wille
van
zichzelf en
tot bevrediging
van zijn eigen behoeften. Dat hij daarmee ook voor anderen, ja
voor het hele
nageslacht nuttig is, ontneemt zijn werk niet het egoïstische
karakter.
Aan de andere kant,
wanneer toch ook
hij alleen maar ter wille van zichzelf werkte, waarom zou zijn daad dan
menselijk
zijn en die van de anderen onmenselijk d.w.z. egoïstisch? Soms,
omdat dit boek,
dit schilderij, symfonie, enz. het werk is van heel zijn wezen, omdat
hij
daarbij zijn best gedaan heeft, zich daar helemaal ingelegd en hij daar
helemaal in te herkennen is, terwijl het werk van een handwerker alleen
maar de
handwerker d.w.z. de bekwaamheid van het handwerk, niet “de mens”
weergeeft? In
zijn gedichten hebben we de hele Schiller, in zo of zoveel honderd
kachels
hebben we daarentegen alleen maar de kachelmaker voor ons, niet “de
mens”.
Maar wil dit iets anders zeggen
dan: in het ene
werk ziet u mij zo mogelijk helemaal, in het andere alleen mijn
vaardigheid?
Ben ik het niet weer die deze daad uitdrukt? En is het niet
egoïstischer zichzelf in een werk aan de wereld aan te
bieden, zich uit
te werken en te
ontwikkelen dan achter zijn werk verborgen te blijven? U zegt wel dat u
de mens
openbaart, maar de mens die u openbaart, bent uzelf; u openbaart dus
alleen
maar uzelf, maar met dit verschil met de handwerker dat deze niet in
staat is
zich in één werk samen te persen, maar om als zichzelf
erkend te worden, in
zijn andere levensbetrekkingen opgezocht moet worden en dat zijn
behoefte, die
door de bevrediging ervan het werk tot stand laat komen, een
theoretische was.
Maar jij zult mij
antwoorden dat jij
een heel andere, een waardiger, hogere, grotere mens openbaart, een
mens die
meer mens is dan ieder ander. Ik wil aannemen dat jij het
mens-mogelijke
volbrengt, jij tot stand brengt wat niemand anders lukt. Waarin bestaat
dan
jouw grootheid? Juist daarin dat jij meer bent dan andere mensen (de
“massa”),
meer bent dan mensen gewoonlijk zijn, meer dan “gewone mensen”,
juist in
jouw verhevenheid boven andere mensen. Van andere mensen onderscheid
jij je
niet doordat jij mens bent, maar doordat jij een “enig” mens bent. Jij
toont
wel wat een mens tot stand kan brengen, maar omdat jij, een mens dat
kunt
daarom kunnen anderen, ook mensen, dit nog niet; jij hebt dit alleen
maar als enig
mens verricht en bent daarin enig.
Niet de mens maakt jouw
grootheid
uit, maar jij schept haar omdat jij meer bent dan mens en
machtiger dan
andere mensen.
Men gelooft niet meer te
kunnen zijn dan mens. Meer kan men
niet minder zijn!
Verder gelooft men dat
wat men ook
bereikt, dit altijd de mens ten goede komt. In zoverre ik altijd mens
blijf of
net als Schiller, Zwaab, zoals Kant, Pruis, zoals Gustav Adolf,
kortzichtig
blijf, zo word ik door mijn voortreffelijkheid zeker een buitengewoon
mens, Zwaab,
Pruis, of kortzichtige. Maar
daarmee staat het niet veel beter dan met de wandelstok van Frederik de
Grote,
die ter wille van Frederik zelf beroemd werd.
Het “geef God de eer”
komt overeen
met het moderne “geef de mens de eer”. Ik echter denk ze voor mijzelf
te houden.
Omdat de kritiek de
mensen aanspoort
“menselijk” te zijn, verkondigt ze de noodzakelijke voorwaarde van de
gezelligheid;
want alleen als mens onder mensen is men aangenaam in de omgang.
Hiermee verkondigt ze haar sociale doel
nl. de vestiging van de “menselijke
maatschappij”.
Onder de socialistische
theorieën is
onbetwistbaar de kritiek de meest volmaakte omdat ze alles verwijdert en devalueert
wat de mens
van de mens scheidt: alle voorrechten tot die van het geloof
toe. In
haar komt het liefdesprincipe van het christendom, het ware
socialistische
principe, tot de zuiverste uitvoering en wordt het laatst mogelijke
experiment
verricht, aan de mens de exclusiviteit en het afgezonderd-zijn te
ontnemen: een
strijd tegen het egoïsme in zijn meest eenvoudige en daarom
scherpste vorm, in
de vorm van de enigheid, van de exclusiviteit zelf.
“Hoe kunt u waarachtig
maatschappelijk
leven, zolang ook nog één exclusiviteit tussen u
bestaat?”
Ik vraag het omgekeerde: Hoe kunnen jullie
werkelijk enig
zijn zolang er nog één verband tussen jullie bestaat?
Hangen jullie samen, dan
kunnen jullie niet uit elkaar, worden jullie door een “band” omsloten,
dan zijn
jullie niet bandeloos, zijn jullie met zijn twaalven, dan
vormen jullie
een dozijn, met duizenden een volk, met miljoenen de mensheid.
“Alleen wanneer jullie
menselijk zijn,
kunnen jullie als mensen met elkaar omgaan, zoals jullie alleen maar,
als jullie
patriotten zijn, als patriotten met elkaar overweg kunnen!”
Welaan, antwoord ik dan:
alleen maar
wanneer jullie enig zijn, kunnen jullie als datgene wat jullie zijn met
elkaar
omgaan.
Juist de scherpste
criticus zal
het ergste door de vloek van
zijn principes getroffen worden. Terwijl hij de ene exclusiviteit na de
andere van
zich afwerpt, kerkelijkheid, patriottisme, enz., afschudt, maakt hij de
ene
band na de andere los en zondert zich van de kerkelijken, van de
patriotten,
enz. af tot hij ten slotte nadat alle banden verbroken zijn, alleen
staat. Hij
moet juist iedereen uitsluiten die iets exclusiefs of privé’s
heeft en wat kan
ten slotte exclusiever zijn dan de exclusieve, enige persoon zelf?
Of denkt hij misschien dat het
beter zou zijn als allen “mensen” zouden worden
en hun exclusiviteit zouden opgeven? Juist daarom, omdat
“allen” betekent
“elke enkeling”, blijft de scherpste tegenstelling bestaan want de
“enkeling”
is de exclusiviteit zelf. Al laat de humanist aan de enkeling niets
privé’s of
exclusiefs meer over, geen privé-gedachten, geen
privé-dwaasheid, al kritiseert
hij hem alles voor de neus weg omdat zijn haat tegen het private een
absolute en
fanatieke is, kent hij geen verdraagzaamheid tegenover het private
omdat al het
private onmenselijk is: dan kan hij toch de private persoon
zelf niet
wegbekritiseren omdat de hardheid van de afzonderlijke persoon zijn
kritiek weerstaat
en moet hij zich tevreden stellen met deze persoon tot een
“privé persoon” te verklaren
en hem werkelijk weer al het private over te laten.
Wat zal de maatschappij die
zich om niets privé’s meer
bekommert doen? Het private onmogelijk maken? Nee, maar het aan de
“maatschappelijke
belangen” ondergeschikt maken en bv. aan de privé-wil overlaten
rustdagen te maken
zoveel hij wil als ze maar niet met het algemeen belang in botsing
komen.”
Al het private wordt vrijgelaten d.w.z. het is voor de
maatschappij van
geen belang.
“Door het zich afsluiten
van de
wetenschap hebben de kerk en religiositeit uitgesproken dat ze zijn wat
ze
altijd geweest zijn en dat zich maar onder een andere schijn verborg,
toen ze
voor de basis en noodzakelijke vestiging van de staat uitgegeven
werden, een
zuivere privé-aangelegenheid. Ook destijds toen ze met de staat
samenhingen en die
tot een christelijke maakten, waren ze alleen maar het bewijs dat de
staat nog
niet zijn algemeen politieke idee ontwikkeld had, dat hij alleen maar
privé-rechten vertolkte; ze waren alleen maar de hoogste
uitdrukking van het
feit dat de staat een privé-zaak is en uitsluitend met
privé-zaken te maken heeft.
Wanneer de staat eindelijk de moed en de kracht zal hebben zijn
algemene roeping
te vervullen en vrij te zijn, als hij in staat zal zijn de bijzondere
belangen
en privé-aangelegenheden hun juiste plaats te geven, dan zullen
godsdienst en
kerk zo vrij zijn als ze tot nu toe nog niet geweest zijn. Als de meest
zuivere
privé-aangelegenheid en bevrediging van de zuiver persoonlijke
behoefte zullen
ze aan zichzelf overgelaten zijn en elke enkeling, iedere gemeente en
kerkgenootschap,
zal dan voor de zaligheid van de zielen kunnen zorgen zoals ze verkiest
en voor
nodig acht. Voor zijn zielenzaligheid moet dan iedereen zelf zorgen
voor zover dit
zijn persoonlijke behoefte is en als zielenherder diegene aanstellen en
bezoldigen die volgens hem de bevrediging van zijn behoefte het beste
lijkt te
waarborgen. De wetenschap wordt eindelijk geheel buiten spel gezet.”
Wat moet er dan toch
gebeuren? Moet er een eind aan het maatschappelijk
leven komen en alle omgang, alle verbroedering, alles wat door het
liefdes- of
het gezelschapsprincipe geschapen werd, verdwijnen?
Alsof niet altijd de
één de ander
zal zoeken omdat
hij
hem
nodig heeft, alsof de één zich niet
aan de
ander moet aanpassen
wanneer hij hem nodig heeft. Het verschil echter is dat de
enkeling zich
dan werkelijk met een andere enkeling verenigt terwijl hij
vroeger door
een band met hem verbonden was: zoon en vader zijn immers door
de
mondigheid door een band omsloten, daarna kunnen ze zich zelfstandig
verenigen,
tevoren hoorden ze als familieleden samen (waren “horigen” van
de
familie) daarna verenigen ze zich als egoïsten, zoon- en
vaderschap blijven,
maar zoon en vader binden zich daar niet meer aan.
Het laatste privilege is in
werkelijkheid “de mens”
daardoor zijn allen geprivilegieerd of als leen gegeven. Want zoals
Bruno Bauer
zelf zegt: “Het privilege blijft, al wordt dit ook over allen
uitgestrekt.”
Zo doorloopt het
liberalisme de volgende overgangen:
Ten eerste:
de enkeling is niet de mens, daarom geldt voor zijn
afzonderlijke
persoonlijkheid niets: geen persoonlijke wil, geen willekeur, geen
bevel of
order!
Ten tweede: de enkeling heeft
niets menselijks, daarom geldt geen mijn en
dijn of eigendom.
Ten derde: omdat de
enkeling noch
mens
is,
noch
iets menselijks heeft zo moet hij
helemaal niet zijn, moet als een egoïst met al het
egoïstische door de kritiek vernietigd
worden om voor de mens, “de nu pas gevonden mens”, plaats te maken.
Ofschoon echter de enkeling geen mens is,
is toch de
mens in de enkeling aanwezig en ontleent net als elk spook en al het
goddelijke
aan hem zijn bestaan. Daarom kent het politieke liberalisme aan de
enkeling
alles toe wat hem als “mens door geboorte”, als geboren mens toekomt,
waaronder
gewetensvrijheid, bezit, enz. kortom de “mensenrechten” gerekend
worden; het socialisme
vergunt de enkeling wat hem als bezige mens, als “werkende”
mens
toekomt; het humane liberalisme ten slotte geeft de enkeling wat hij
als “mens”
heeft d.w.z. alles wat aan de mensheid toebehoort. Daardoor heeft de
enkeling
helemaal niets, de mensheid alles en wordt de noodzakelijkheid van de
in het
christendom gepredikte “wedergeboorte” ondubbelzinnig en in de meest
volkomen
mate geëist. Word een nieuw schepsel, word “mens!”
Je zou zelfs kunnen
geloven dat het
je herinnert aan het slot van het “Onze Vader”. De mens hoort de
heerschappij toe (de “kracht” of
dunamis); daarom mag de enkeling geen meester zijn, maar de mens is de
meester
van de enkeling; de mens is het rijk d.w.z. de wereld, daarom
moet de
enkeling geen eigendom zijn, maar de mens, “alle mensen” heerst over de
hele
wereld als eigendom; de mens komt van alles de roem toe, de verheerlijking
of “heerlijkheid” (Doxa), want de mens of de mensheid is het doel van
de enkeling
waarvoor hij werkt, denkt, leeft en voor de verheerlijking waarvan hij
“mens” moet
worden.
De mensen hebben er tot dusver
altijd naar gestreefd
een gemeenschap te zoeken waarin hun voormalige ongelijkheden
“onwezenlijk”
zouden worden; ze streefden naar vereffening dus naar gelijkheid
en wilden
allemaal onder één hoed komen wat niets minder betekent,
dan dat ze één meester
zochten, één band, één geloof (“we geloven
allen in één God”). Iets gemeenschappelijkers
of gelijkers kan er voor de mensen niet bestaan dan de mens zelf en in
deze
gemeenschap heeft de liefdesdrang zijn bevrediging gevonden: hij rustte
niet
voor hij deze laatste vereffening volbracht had, alle ongelijkheid
vereffend
had en de mens aan de borst van de mens gelegd had. Juist onder deze
gemeenschap zal het verval en de verdeeldheid des te schreeuwender
zijn. Bij
een meer beperkte gemeenschap stond de Fransman nog tegenover de
Duitser, de
christen tegenover de Mohammedaan, enz. Nu daarentegen, staat de
mens
tegenover de mensen, of omdat de mensen niet mens zijn, staat
de mens
tegenover de onmensen.
Op de stelling: “God is mens
geworden”, volgt nu de andere:
“De mens is ik geworden.” Dit is het menselijke ik. Wij echter
keren de zaak
om en zeggen: ik heb mijzelf niet kunnen vinden zolang ik me als mens
zocht. Nu
echter blijkt dat de mens ernaar streeft ik te worden en probeert in
mij een
belichaming te krijgen, merk ik wel dat alles toch op mij aankomt en
dat de mens
zonder mij verloren is. Toch wil ik niet als schrijn voor dit
allerheiligste
dienen en zal voortaan niet vragen of ik in mijn handelen mens of
onmens ben:
die geest moet mij uit de nek blijven!
Het humane
liberalisme gaat radicaal te werk. Als u ook maar op één
punt iets bijzonders
zijn of hebben wil, als u ook maar één voorrecht buiten
anderen om voor jezelf
wil houden, alleen maar op één recht aanspraak wil maken
dat niet een “algemeen
mensenrecht” is, dan bent u een egoïst.
Goed zo! Ik wil niets
bijzonders
voor anderen hebben of zijn. Ik wil u geen voorrecht betwisten, maar ik
meet
mij ook niet aan anderen en wil helemaal geen recht hebben. Ik
wil alles
zijn en alles hebben wat ik zijn en hebben kan. Of anderen iets
dergelijks
zijn en hebben, wat maakt mij dat uit! Het gelijke, hetzelfde kunnen ze
net zo
min hebben als zijn. Ik doe geen afbreuk aan u, net als ik aan
de rots
geen afbreuk doe, doordat ik de beweging op haar “voor heb”. Indien die
het zou
kunnen hebben, dan had die het.
Aan de andere mensen geen
afbreuk
doen, daarop komt de eis geen voorrecht te bezitten neer; je alle
“streepjes op
anderen vóór” ontzeggen, is de strengste ontzeggingtheorie.
Men
moet
zichzelf
niet
voor “iets bijzonders” houden zoals bv. jood of christen.
Nu, ik
houd me niet voor iets bijzonders, maar voor enig. Ik lijk
wel op
anderen; maar dat geldt alleen als vergelijking of overdenking; ik ben
inderdaad
onvergelijkbaar, enig. Mijn vlees is niet uw vlees, mijn geest is niet
jouw
geest. Schaar jij ze onder de algemeenheden “vlees, geest”, dan zijn
dit jouw gedachten,
die met mijn vlees, mijn geest niets te maken hebben en
hoogstens
tot het mijne een “roeping” richten.
Ik wil aan jou niets
erkennen of
respecteren, noch het eigendom, noch de lomp, noch ook slechts de mens, maar
jou gebruiken.
Aan het zout merk ik dat het de spijzen smakelijker voor me maakt
daarom laat ik
het daarin oplossen; in de vis zie ik een voedingsmiddel daarom eet ik
hem op; in
jou ontdek ik de gave mij het leven te veraangenamen daarom kies ik jou
als
kameraad. Of in het zout bestudeer ik de kristallisatie, in de vis de
animaliteit, in jou de mens, enz. Voor mij ben jij alleen datgene wat
jij voor mij
bent, namelijk mijn object en omdat jij mijn object bent,
daarom mijn eigendom.
In het humane liberalisme
voltooit het lompenschap zich. We moeten eerst tot het
meest lompige, meest armzalige neerdalen, als we tot de eigenheid
willen
raken, want we moeten al het vreemde uittrekken. Niets lijkt echter
lompiger
dan de naakte mens.
Meer dan lomperig is het
intussen als ik ook de mens
wegwerp, als ik voel dat ook hij mij vreemd is en dat ik me daar geen
illusies
over moet maken. Dat is dan niet louter lomperij meer: omdat ook de
laatste lomp
afgevallen is; zo staat daar de werkelijke naaktheid, de ontbloting van
al het
vreemde. De lomp heeft de lomperij zelf uitgetrokken en is daardoor
opgehouden
te zijn, wat hij was nl. een lomp.
Ik ben geen lomp meer,
maar ik ben het
geweest.
Tot op dit moment kon
deze tweedracht niet tot uiting komen
omdat eigenlijk alleen het gevecht tussen nieuwere liberalen en
verouderde
liberalen voorhanden is, een gevecht tussen degenen die de “vrijheid”
maar een
beetje begrijpen en degenen die de “volle maat” van de vrijheid willen,
dus van
de gematigden en matelozen. Alles draait om de vraag: Hoe
vrij
moet de mens zijn? Dat de mens vrij moet zijn daar geloven ze
allemaal
in; daarom zijn ze ook allemaal liberaal. Maar de onmens, die toch in
elke
enkeling huist, hoe damt men die in? Hoe legt men het aan om niet
tegelijk met
de mens ook de onmens vrij te laten?
Het gezamenlijke
liberalisme heeft
een doodsvijand, een onoverwinnelijke tegenstelling, zoals God de
Duivel: naast
de mens staat altijd de onmens, de enkeling, de egoïst. Staat,
maatschappij,
mensheid kunnen deze Duivel niet aan.
Het humane liberalisme
probeert de andere liberalen te laten
zien dat ze nog altijd niet de “vrijheid” willen.
Hadden de andere
liberalen alleen
maar het verenkelde egoïsme voor ogen en waren zij maar voor het
grootste
gedeelte blind, dan zou het radicale liberalisme het egoïsme “en
masse”
tegenover zich hebben en zou iedereen, die niet zoals hij de zaak van
de
vrijheid tot zijn eigen maakt, in de massa gooien zodat op dit ogenblik
mens en
onmens streng gescheiden als vijanden tegenover elkaar staan, namelijk
de “massa”
en de “kritiek”;
en
wel
de
“vrije, menselijke kritiek”, zoals ze tegenover (Judenfrage
p. 144) de
onbeschaafden genoemd wordt, bv. godsdienstige kritiek.
De kritiek drukt de hoop
uit dat ze over
de hele massa zal zegevieren en haar tevens een “algemeen bewijs van
haar
armoede zal kunnen leveren”.
Zo wil zij ten slotte gelijk krijgen en elk gevecht van de “moedelozen
en
lafhartigen” als egoïstische gelijkhebberij voorstellen,
als
kleingeestigheid, armzaligheid. Elke ruzie verliest aan betekenis en de
kleingeestige
twisten worden opgeheven omdat in de kritiek een gemeenschappelijke
vijand in het
strijdperk treedt. “Jullie zijn allemaal egoïsten; de
één niet minder dan de
ander!” Nu staan de egoïsten samen tegenover de kritiek.
Echt de egoïsten?
Nee, zij strijden
juist daarom tegen die kritiek omdat deze hen van egoïsme
beschuldigt; zij komen
er niet voor uit dat ze egoïsten zijn. Daarom staan kritiek en
massa op
dezelfde basis, beiden bestrijden het egoïsme, beiden wijzen het
af en schuiven
het elkaar in de schoenen.
De kritiek en de massa
jagen
hetzelfde doel na: verlost te zijn van het egoïsme en twisten
alleen maar over
de vraag, wie van hen het doel het meest nabij komt, of helemaal
bereikt.
De joden, de christenen,
de
absolutisten, de duister-mannen en de licht-mannen, politici,
communisten, kortom
allen houden het verwijt egoïsten te zijn ver van zich af en omdat
de kritiek
hen dit verwijt onverbloemd en in de meest uitgebreide zin maakt, rechtvaardigen
ze zich allemaal tegen de beschuldiging van egoïsme en bestrijden
het egoïsme,
diezelfde vijand waartegen de kritiek oorlog voert.
Egoïstenvijanden
zijn ze allebei,
kritiek en massa en beiden proberen zich van het egoïsme te
bevrijden zowel
door zichzelf te reinigen of schoon te wassen als doordat zij
het de
tegenpartij toeschrijven.
De criticus is de ware
“woordvoerder
van de massa” die hen van het egoïsme het “eenvoudige begrip en de
manier van spreken”
geeft, waartegen de woordvoerders, die in de Litterarische Zeitung. V.
24 de
overwinning ontzegd wordt, maar stumpers waren. Hij is hun vorst en
veldheer in
de vrijheidsstrijd tegen het egoïsme; waar hij tegen strijdt,
daartegen strijdt
de massa ook. Hij is echter tegelijkertijd ook vijand van de massa,
maar niet
alleen de vijand, maar de bevriende vijand die de knoet achter de
angstigen
zwaait om hen moed af te dwingen.
Daardoor wordt de
tegenstelling
tussen de kritiek en massa gereduceerd tot de volgende
tegenstrijdigheid:
“Jullie zijn egoïsten!”, “Nee, we zijn het niet!”, “Ik zal het
jullie bewijzen.”,
“Dan zullen jullie onze rechtvaardiging merken!” Laten we dan beiden,
waarvoor
ze zich uitgeven, voor niet-egoïsten en waarvoor ze elkaar houden,
als egoïsten
beschouwen. Ze zijn egoïsten en ze zijn het niet.
De kritiek zegt
eigenlijk: jij moet
jouw ik zo volledig van alle beperking bevrijden dat het een menselijk
ik wordt. Ik zeg: bevrijd je zover je kunt, dan heb je het jouwe
gedaan; want
het is niet iedereen gegeven alle beperkingen te doorbreken of
duidelijker:
niet voor iedereen is datgene een beperking wat het voor een ander wel
is.
Vermoei je daarom niet met de beperking van een ander; het is al genoeg
als je
de jouwe neer rukt. Wie is het ooit gelukt ook maar één
beperking voor alle
mensen neer te rukken? Lopen niet vandaag zoals altijd ontelbaren
met alle
“beperkingen van de mensheid” rond? Wie één van
zijn beperkingen
omverwerpt, kan aan anderen weg en middel tonen; het omwerpen van hun
beperkingen blijft hun eigen zaak. Ook al doet niemand iets anders. De
mensen
aandoen dat ze helemaal mens worden, wil zeggen het van hen eisen alle
menselijke beperkingen omver te werpen. Dat is onmogelijk omdat de
mens
geen beperkingen heeft. Ik heb die wel, maar mij gaan ook alleen mijn
beperkingen iets aan en alleen door mijzelf kunnen ze bedwongen worden.
Een menselijk
ik kan ik niet worden omdat ik nu eenmaal ik en niet alleen maar mens
ben.
Maar laten we eens kijken
of de kritiek
ons niets geleerd heeft dat we ter harte kunnen nemen! Ik ben niet vrij
als ik
niet belangeloos ben, niet mens, als ik belangstellend ben? Nu, het kan
mij ook
weinig schelen vrij of mens te zijn, maar ik wil geen enkele
gelegenheid
onbenut laten waar ik mijn wil kan doordrijven of mijzelf kan laten
gelden. De
kritiek biedt me deze gelegenheid door de leer dat, wanneer zich iets
in mij
vastzet en onoplosbaar wordt, ik de gevangene en knecht daarvan ben
d.w.z. een
bezetene word. Een belang, maakt niet uit waarvoor, heeft van mij
wanneer ik er
niet kan van loskomen, een slaaf gemaakt en is niet meer mijn eigendom,
maar ik
ben het zijne. Laten we daarom de waarschuwing van de kritiek aannemen
dat we
niets van ons eigendom stabiel moeten laten worden en ons alleen bij
het oplossen
ervan goed voelen.
Zegt dus de kritiek: jij
bent alleen mens als jij rusteloos
kritiseert en oplost! Dan zeggen wij: mens ben ik toch al, bovendien
ben ik ik;
daarom wil ik er alleen maar zorg voor dragen dat ik mijn eigendom
veilig stel
om het veilig te stellen, neem ik het altijd in mijzelf terug, dan
vernietig ik
daarin elke neiging naar zelfstandigheid en verslind het, vooraleer het
zich
vastzet en tot een: “idée fixe” of “verslaving” kan worden.
Dit doe ik echter niet ter wille van mijn
“menselijke
roeping”, maar omdat ik me daar zelf toe beroep. Ik ga er niet prat op
alles te
kunnen ontleden en oplossen wat voor een mens mogelijk is op te lossen
en
zolang ik bv. nog geen tien jaar oud was, bekritiseerde ik de onzin van
de
geboden niet, maar was toch “mens” en handelde juist daarin menselijk
dat ik
haar nog onbekritiseerd liet.
Kortom, ik heb geen
roeping en volg er geen, zelfs niet die
van mens te zijn.
Wijs ik nu wat het
liberalisme door
allerlei inspanningen verworven heeft af? Laat het allesbehalve
gebeuren dat
iets van het verworvene verloren zou gaan! Alleen wend ik, nadat door
het liberalisme
“de mens” vrij geworden is, de blik weer naar mijzelf terug en beken
het
mijzelf openlijk: wat de mens schijnt gewonnen te hebben, heb ik
alleen
gewonnen.
De mens is vrij als “voor
de mens de
mens het hoogste wezen is”. Dus behoort tot de voltooiing van het
liberalisme
dat elk ander hoogste wezen vernietigd, de theologie door de
antropologie
omvergeworpen, God en zijn genade uitgelachen en het “atheïsme
algemeen wordt”.
Het egoïsme van het
eigendom heeft zijn laatste ingeboet wanneer
ook het “mijn God” zonder betekenis is geworden: want God bestaat
alleen dan
als hem het heil van de enkeling aan het hart ligt, zoals deze in hem
zijn heil
zoekt.
Het politieke liberalisme
hief de ongelijkheid van
meesters en dienaren op, het maakte Heerloos, anarchistisch. De
meester
werd nu van de enkelingen, de “egoïsten” verwijderd om een spook
te worden: de
wet of de staat. Het sociale liberalisme heft de ongelijkheid van
bezit, van de
armen en rijken op en maakt bezit- of eigendomloos. Het
eigendom wordt
aan de enkelingen onttrokken en aan de spookachtige maatschappij
toevertrouwd. Het
humane liberalisme maakt goddeloos, atheïstisch. Daarom
moet de God van
de enkelingen, “mijn God” afgeschaft worden. Nu betekent weliswaar
heerloosheid
tegelijkertijd ook dienaarloosheid, bezitloosheid tevens zorgeloosheid
en
goddeloosheid ook vooroordeelloosheid want met de heer valt de dienaar
weg, met
het bezit de zorg ervoor, met de vastgewortelde God het vooroordeel;
maar omdat
de meester als staat weer tevoorschijn komt, verschijnt de dienaar weer
als
onderdaan, omdat het bezit het eigendom van de maatschappij wordt,
vertoont
zich de zorg opnieuw als arbeid en omdat God als mens een vooroordeel
wordt,
ontstaat een nieuw geloof, het geloof in de mensheid of de vrijheid.
Voor de
God van de enkeling is nu de God van allen, namelijk “de mens”
verhoogd: “Ja, het
is voor ons het allerhoogste mens te zijn.” Omdat echter niemand
helemaal
datgene kan worden wat de idee “mens” aangeeft, blijft de mens voor de
enkeling
een verheven hiernamaals, een onbereikbaar hoogste wezen, een god.
Tegelijkertijd echter is dit de “ware God” omdat hij voor ons geheel
gelijkwaardig, namelijk ons eigen “zelf” is. Wijzelf, maar van
ons
gescheiden en boven onszelf verheven.
Opmerking
Voorgaande beoordeling
van de “vrije
menselijke
kritiek”
is,
net als datgene wat
elders nog betrekking op geschriften van die richting heeft,
onmiddellijk na
het verschijnen van betreffende boeken broksgewijs neergeschreven en ik
deed
weinig meer dan die fragmenten samenvoegen. De kritiek dringt echter
rusteloos voorwaarts
en maakt het daardoor noodzakelijk dat ik nu, nadat dit boek klaar is,
nog een
keer daarop terug moet komen en deze slotopmerking moet inlassen.
Ik heb de nieuwste, de
achtste aflevering van de
Algemeinen Litteraturzeitung van Bruno Bauer voor me liggen.
Bovenaan staan daar weer “de algemene
belangen van
de maatschappij”. Alleen de kritiek heeft zich bezonnen en deze
“maatschappij”
een bestemming gegeven waardoor zij van een tot nu toe daarmee nog
verwisselde
vorm wordt afgezonderd; de “staat” op eerdere plaatsen nog als “vrije
staat”
gehuldigd, wordt volledig opgegeven omdat hij op geen enkele manier de
taak van
de “menselijke maatschappij” kan vervullen. De kritiek heeft zich in
1842
alleen maar “gedwongen gezien voor een ogenblik het menselijke en het
politieke
wezen te identificeren”; nu echter heeft ze gemerkt dat de staat, zelfs
als
“vrije staat” niet de menselijke maatschappij of zoals ze ook zou
kunnen
zeggen, dat het volk, niet de “mens” is. We zagen hoe ze met de
theologie
afrekende en helder bewees dat voor de mens de God in elkaar
schrompelt; we
zien haar nu op dezelfde wijze met de politiek in het reine komen en
aantonen
dat voor de mens ook de volkeren en nationaliteiten wegvallen: we zien
dus hoe
de kritiek met kerk en staat omgaat omdat ze beide voor onmenselijk
verklaart
en we zullen ook zien — want ze verraadt het ons bijna — hoe ze in
staat is het
bewijs te leveren dat voor de mens de “massa”, die zij zelfs een
“geestelijk
wezen” noemt, waardeloos blijkt. Hoe zouden ook die kleinere
“geestelijke
wezens” voor de hoogste geest stand kunnen houden! “De mens” brengt de
valse afgoden
ten val.
Wat de criticus dus voor
het
ogenblik beoogt, is de beschouwing van de “massa” die hij in de plaats van
“de mens”
zal stellen om haar van hieruit te bestrijden. “Wat is op dit ogenblik
het
voorwerp van de kritiek?” “De massa, een geestelijk wezen!” Zij zal de
criticus
“leren kennen” en merken dat ze met de mens in tegenspraak is, hij zal
bewijzen
dat ze onmenselijk is en dit bewijs zal hem evenzeer lukken als het
vroegere
dat het goddelijke en nationale of het kerkelijke en staatkundige het
onmenselijke is.
De massa wordt
gedefinieerd als “het
meest belangrijke voortbrengsel van de revolutie, als de teleurgestelde
menigte
die aan de illusies van de politieke verlichting, eigenlijk de hele
verlichting
van de achttiende eeuw een grenzeloze ontstemming overhandigd heeft”.
De
revolutie stelde met haar resultaat het ene deel tevreden en liet het
andere
deel ontevreden; het tevreden deel is het burgerdom (bourgeoisie,
filisters,
enz) de ontevredene is de massa. Hoort de criticus zogezegd niet zelf
tot de “massa”?
Maar de ontevredenen
bevinden zich nog in een grote
duisternis en hun ontevredenheid uit zich pas in een “grenzeloze
ontstemming”.
De eveneens ontevreden criticus wil deze nu meester worden; hij kan
niet meer
willen en bereiken dan dat “geestelijk wezen”, de massa, uit haar
ontstemming
halen en de slechts ontstemden “verheffen”, d.w.z. hen de juiste
houding tot de
te overwinnen resultaten van de revolutie aangeven, hij kan het hoofd
van de
massa worden, haar besliste woordvoerder. Daarom wil hij ook de “diepe
kloof
die hem van de menigte scheidt, dempen”. Van hen die “de laagste
volksklasse
willen verheffen”, onderscheidt hij zich doordat hij niet alleen deze,
maar ook
zichzelf uit de “ontstemming” wil verlossen.
Maar ongetwijfeld
bedriegt zijn
bewustzijn hem ook niet, als hij de massa voor de “natuurlijke
tegenstander van
de theorie” houdt en voorziet dat “hoe meer zich deze theorie zal
ontwikkelen,
ze de massa ook des temeer tot een compacte zal maken”. Want de
criticus kan
met zijn veronderstelling de mens, de massa niet verlichten,
noch
tevreden stellen. Is zij, tegenover het burgerdom alleen maar de
“laagste
volksklasse”, een menselijke onbeduidende massa, dan moet zij nog meer
tegenover “de mens” een blote massa, een menselijke onbeduidende, ja
een
onmenselijke massa of een menigte van onmensen zijn.
De criticus ruimt al het
menselijke
op en van de vooronderstelling uitgaande dat het menselijke het ware
is, werkt
hij zichzelf tegen terwijl hij datzelfde overal waar het tot hiertoe
gevonden
werd, bestrijdt. Hij bewijst alleen maar dat het menselijke nergens
anders dan
in zijn hoofd, het onmenselijke echter overal te vinden is. Het
onmenselijke is
het werkelijke, het overal voorhandene en de criticus verkondigt door
het
bewijs dat het “niet menselijk” is alleen maar duidelijk de
tautologische
stelling dat het juist het onmenselijke is.
Maar wat als het
onmenselijke, omdat
het met vastberaden moed zichzelf de rug toekeert, zich ook van de
verontruste
criticus afwendt en hem door zijn verweer onberoerd en ongetroffen laat
staan?
“Jij noemt mij het onmenselijke, zou het tot hem kunnen zeggen en ik
ben het
werkelijk voor jou; maar ik ben dat alleen doordat jij mij tegenover
het
menselijke plaatst en ik kon mezelf maar zolang verachten als ik me
naar deze
tegenstelling liet verbannen. Ik was verachtelijk omdat ik mijn “beter
zelf” buiten
mezelf zocht; ik was het onmenselijke omdat ik van het “menselijke”
droomde; ik
leek op de vromen die naar hun “ware ik” hunkeren en toch altijd “arme
zondaars” blijven; ik meende me altijd te moeten vergelijken met de
ander;
genoeg, ik was niet alles in alles, ik was niet enig. Nu echter hou ik
op om mijzelf
als het onmenselijke te beschouwen, hou op iets boven mezelf te
erkennen en
derhalve, vaarwel humanistische criticus! Ik ben het onmenselijke
alleen maar
geweest, maar ik ben het nu niet meer, ik ben het enige, ja tot uw
verontwaardiging het egoïstische, maar niet het egoïstische
zoals dit volgens
het menselijke, humane en belangeloze afgemeten wordt, maar het
egoïstische als
het enige.”
We moeten nog op een
andere zin van
diezelfde aflevering letten. ”De kritiek stelt geen dogma op en wil
niets anders
dan de dingen leren kennen.”
De criticus is bang
“dogmatisch” te worden of een dogma op
te stellen. Natuurlijk, hij zou daardoor het tegenovergestelde van de
criticus,
een dogmaticus worden, hij zou, omdat hij als criticus goed is, nu
slecht
worden of zou van een belangeloze in een egoïst veranderen, enz.
“Vooral geen
dogma!” is zijn dogma. De criticus blijft met de dogmaticus op
één en dezelfde
bodem, die van de gedachten. Zoals de laatste gaat hij steeds
van een
gedachte uit, maar wijkt daarin af doordat hij niet opgeeft de
principiële
gedachten binnen het denkproces te houden en ze zo niet stabiel
laat
worden. Hij laat alleen maar het denkproces tegenover het geloof in het
denken,
de voortgang in het denken tegenover de stilstand ervan, meetellen.
Voor de
kritiek is geen enkele gedachte zeker omdat zij het denken of de
denkende geest
zelf is.
Daarom herhaal ik dat de
religieuze
wereld — en dat is juist de wereld van de gedachten — in de kritiek
haar
voltooiing bereikt omdat het denken boven alle gedachten uitgrijpt
waarvan geen
enkele zich “egoïstisch” mag vastzetten. Waar zou de “zuiverheid
van de
kritiek”, de zuiverheid van het denken blijven als ook maar
één gedachte zich
aan het denkproces zou onttrekken? Daaruit is het verklaarbaar dat de
criticus
zelfs hier en daar met de gedachten van de mensen, over mensheid en
humaniteit,
zachtjes de draak steekt omdat hij vermoedt dat hier een gedachte een
dogmatische vastheid zou kunnen naderen. Maar hij kan deze gedachte
niet eerder
oplossen voor hij een “hogere” gevonden heeft, waarin de andere opgaat;
want
hij leeft alleen maar in gedachten. Deze hogere gedachten zouden als
die van de
beweging van het denken of het denkproces zelf d.w.z. de gedachte over
het
denken, de kritiek, uitgesproken kunnen worden. De vrijheid van denken
is
hierdoor inderdaad volmaakt geworden, de vrijheid van geest viert haar
triomf:
want de enkele, de “egoïstische” gedachten, verloren hun
dogmatische
gewelddadigheid.
Er is niets anders
overgebleven dan het dogma van het vrije
denken of de kritiek.
Tegenover alles wat tot
de wereld van de gedachten behoort,
staat de kritiek in haar recht d.w.z. ze heeft de macht: ze is
overwinnares. De
kritiek en alleen de kritiek “staat op de hoogte van de tijd”. Vanuit
het
standpunt van de gedachte is er geen macht die de hare zou kunnen
overtreffen
en het is een lust om te zien hoe gemakkelijk en spelend deze draak
alle andere
gedachtengewurmte verslindt. Wel kronkelen alle wormen zich, maar hij
maalt ze
in al hun “wendingen fijn”.
Ik ben geen tegenstander
van de
kritiek d.w.z. ik ben geen dogmaticus en voel me door de tanden van de
criticus
waarmee hij de dogmaticus verscheurt, niet getroffen. Zou ik een
“dogmaticus”
zijn geweest, dan zou ik een dogma d.w.z. een gedachte, een idee, een
principe
voorop stellen en zou dit als “systematicus”, doordat ik dit tot een
systeem
d.w.z. een gedachtebouwwerk uit zou spinnen, voltooien. Zou ik
omgekeerd een
criticus, namelijk een tegenstander van de dogmatici zijn, dan zou ik
de strijd
van het vrije denken tegen de knechtende gedachten voeren en zou het
denken
tegen de gedachte verdedigen. Maar ik ben echter noch de kampioen van
een
gedachte, noch van het denken; want “ik”, waarvan ik uitga, ben noch
een
gedachte, noch besta ik in het denken. Aan mij, de onnoembare,
versplintert het
rijk van de gedachten, van het denken en van de geest.
De kritiek is de strijd
van de bezetenen tegen de
bezetenheid als zodanig, tegen alle bezetenheid, een strijd die op het
bewustzijn gegrond is dat overal bezetenheid is, of zoals de criticus
het
noemt, een religieuze en theologische betrekking voorhanden is. Hij
weet dat
men zich niet alleen tegenover God, maar zich ook tegenover andere
ideeën zoals
recht, staat, wet, enz. religieus of gelovig verhoudt d.w.z. hij
onderkent de bezetenheid
alom. Zo wil hij door het denken de gedachten oplossen, maar ik echter
zeg,
alleen de gedachteloosheid redt mij werkelijk van de gedachten. Niet
het
denken, maar mijn gedachteloosheid of ik, de ondenkbare,
onbegrijpelijke,
bevrijd mij van de bezetenheid.
Een ruk doet mij bij het
meest
zorgelijk denken dienst, een rekken van mijn ledematen schudt de
kwelling van
de gedachten af, een opspringen slingert me de nachtmerrie van de
religieuze
wereld van de borst, een juichend hoezee werpt de last van jaren van
mij af. Maar
de kolossale betekenis van het gedachteloze juichen, kon men in de
lange nacht
van het denken en het geloof niet onderkennen.
“Wat een lompheid en
frivoliteit om
door een afbreken de moeilijkste problemen te willen oplossen
en de meest
omvattende vraagstukken af te willen handelen!”
Maar heb jij opgaven als
jij ze
jezelf niet stelt? Zolang jij ze stelt, zullen ze jou niet verlaten en
ik heb
er niets tegen dat jij denkt en al denkende duizenden gedachten schept.
Maar
jij, die jezelf die vragen gesteld hebt, zou jij ze niet weer kunnen
verwerpen?
Moet jij aan die opgaven gebonden blijven en moeten ze tot absolute
opgaven
worden?
Om maar één
feit aan te halen: zo
heeft men de regering afgezet omdat ze door middel van geweld tegen de
gedachten
ingreep, tegen de pers, door middel van politiegeweld, de censuur liet
komen en
van een literaire strijd een persoonlijke maakte. Alsof het alleen maar
om
gedachten zou gaan en alsof men zich tegenover gedachten belangeloos,
zelfverloochenend en opofferend zou moeten gedragen! Pakken de
gedachten niet
zelf de regeringen aan en dagen ze zo het egoïsme niet uit? En
stellen de
denkenden aan de aangevallenen niet de religieuze eis de macht
van het denken,
van de ideeën, te vereren? Ze zouden zich vrijwillig en opofferend
moeten
overgeven terwijl de goddelijke macht van het denken, de Minerva, aan
de zijde
van haar vijand strijdt. Dat zou een daad van de bezetenheid zijn, een
religieus offer. Zeker zijn de regeringen zelf bevangen in een
religieuze
bevangenheid en volgen de leidende macht van een idee of een geloof;
maar ze
zijn tegelijkertijd onstandvastige egoïsten en juist tegen die
vijanden breekt
het ingehouden egoïsme los: bezetenen in hun geloof, zijn ze
tegelijkertijd
onbezeten van het geloof van hun tegenstanders d.w.z. ze zijn tegenover
hen
egoïsten. Wil men hen een verwijt maken, dan zou het alleen het
omgekeerde
kunnen zijn, namelijk dat ze door hun ideeën bezeten zijn.
Tegen de gedachten mag
geen
egoïstische macht optreden, ook geen politiegeweld, enz. Dat
geloven de
gelovers in het denken. Maar het denken en zijn gedachten zijn voor mij
niet
heilig en ik verdedig mijn huid ook tegen hen. Dat mag dan een
onredelijk verweer zijn; maar als ik de rede verplicht ben, dan moet ik
haar,
net zoals Abraham, wat mij het liefste is offeren!
In het rijk van het
denken, dat net als dat van het geloof
het hemelrijk is, heeft in ieder geval iedereen ongelijk die gedachteloze
macht gebruikt, juist zoals iedereen ongelijk heeft, die in het rijk
van de
liefde liefdeloos handelt, of hoewel hij een christen is en dus in het
rijk van
de liefde leeft toch onchristelijk handelt: hij is in deze rijken, waar
hij toe
denkt te behoren en zich toch aan hun voorschriften onttrekt, een
“zondaar” of
“egoïst”. Maar hij kan zich ook alleen maar aan de heerschappij
van deze rijken
onttrekken als hij ten opzichte daarvan een misdadiger wordt.
Het resultaat is ook hier
dat de
strijd van de denkenden tegen de regering weliswaar in zoverre juist
is,
namelijk van kracht is, als hij tegen de gedachten zelf gevoerd wordt
(de
regering verstomt en weet letterlijk niets belangrijks in te brengen)
daarentegen onjuist, namelijk machteloos, is voor zover er niets dan
gedachten
tegen een persoonlijke macht in het strijdperk kunnen worden gebracht
(de
egoïstische macht stopt de mond van de denkende). De theoretische
strijd kan de
overwinning niet voltooien en de heilige macht van de gedachten moet
tegen de
macht van het egoïsme het onderspit delven. Alleen de
egoïstische strijd, de
strijd van egoïsten aan beide zijden, brengt alles in het reine.
Dit laatste nu, het
denken zelf tot
een zaak van het egoïstisch goeddunken, een zaak van de enige,
tegelijkertijd
tot een louter tijdverdrijf of liefhebberij te maken en hem de
betekenis van
“laatste beslissende macht te zijn” te ontnemen, deze vernedering en
ontheiliging van het denken, deze gelijkstelling van de gedachteloze en
gedachtegevulde ikken, deze plompe, maar werkelijke “gelijkheid”, kan
de
kritiek niet herstellen omdat ze zelf alleen maar priesteres van het
denken is
en over het denken heen niets dan de zondvloed ziet.
De kritiek beweert bv.
weliswaar dat
de vrije kritiek de staat zou kunnen overwinnen, maar verdedigt zich
tegelijkertijd tegen het verwijt dat haar door de staatsregering
gemaakt wordt
dat ze “willekeur en brutaliteit” is; ze denkt dus dat “willekeur en
brutaliteit” niet zouden mogen zegevieren, alleen zij mag dit wel. Het
is
eerder omgekeerd: de staat kan alleen door brutale willekeur werkelijk
overwonnen worden.
Het zal nu, om hiermee af
te
sluiten, misschien duidelijk geworden zijn dat de criticus bij zijn
nieuwe
wending zichzelf niet veranderd, maar alleen maar een “vergissing
goedgemaakt”
heeft, “met iets in het reine is gekomen” en teveel zegt als hij
beweert dat
“de kritiek zichzelf bekritiseerde”; zij of liever hij heeft alleen
maar een
“vergissing” bekritiseerd en van “inconsequenties” gezuiverd. Zou hij
de
kritiek willen bekritiseren, dan zou hij moeten onderzoeken of er met
de
vooronderstelling ervan iets aan de hand is.
Ik van mijn kant ga wel
uit van een
vooronderstelling omdat ik mijzelf vooropstel; maar mijn
vooronderstelling streeft niet naar haar voltooiing zoals de “naar zijn
voltooiing worstelende mens”, maar dient mij alleen om haar te genieten
en te
verteren. Ik teer juist alleen op mijn vooronderstelling en ben alleen
omdat ik
haar verteer. Daarom juist is die vooropstelling er helemaal geen; want
omdat
ik de enige ben, weet ik niets van een dubbelheid van een
vooronderstellend en
een voorondersteld ik (een “onvolkomen” en een “volkomen” ik of mens),
maar dat
ik me verteer, betekent alleen maar dat ik ben. Ik laat me er niet op
voorstaan
omdat ik mezelf elk ogenblik helemaal eerst opstel of schep en alleen
daardoor
ben ik, doordat ik niet voorondersteld, maar opgesteld ben en juist op
dat
moment weer opgesteld, waar ik me opstel d.w.z. ik ben schepper en
schepsel
tegelijk.
Zouden
de tot nu toe bestaande vooronderstellingen een volledige oplossing
ondergaan,
dan zouden ze niet opnieuw in een hogere vooronderstelling d.w.z. een
gedachte
of het denken zelf, de kritiek, op mogen gaan. Die oplossing zou mijzelf
ten goede moeten komen anders zou die alleen maar in de rij van de
ontelbare
oplossingen thuishoren die ten gunste van anderen, zoals bv. de mens,
God, de
staat, de zuivere moraal, enz. oude waarheden voor onwaarheden
verklaarden en
lang gekoesterde vooronderstellingen afschaften.
[1] STIRNER (M.), LANSEN (J.). De eenige en z’n
eigendom.
Antwerpen, ’t Kersouwken, 1907, 494 p.
[2] Luk. 11, 13.
[3] Hebr. 11, 13.
[4] Mark. 10, 29.
[5] 2. Kor. 5, 17.
[6] Ludwig Feuerbach: Das Wesen des Christentums. 2., vermehrte Aufl.
Leipzig 1843.
[7] Vgl. bv. Das Wesen des Christentums p. 402.
[8] Bv. Rom. 8, 9; 1. Kor. 3, 16; Joh. 20, 22 en ontelbare andere
plaatsen.
[9] Hoe ze het uitkramen, de geestelijken, hoe gewichtig ze het maken.
Opdat men er toe zou komen alleen maar te babbelen, zoals gisteren, ook
vandaag. Beschimp niet de geestelijken! Zij kennen de behoeften van de
mensen. Want is hij gelukkig, babbelt hij morgen zoals vandaag. (Dit is
een citaat van Goethe, noot van de vertaler.)
[10] Friedrich Christoph Schlosser: Geschichte des achtzehnten
Jahrhunderts und des neunzehnten bis zum Sturz des französischen
Kaiserreichs. Mit besonderer Rücksicht auf geistige Bildung. Bd.
2. Heidelberg 1837. p. 519.
[11] Pierre-Joseph Proudhon: De la Création de l'Ordre dans
l'Humanité ou Principes d'Organisation politique. Paris,
Besançon 1843. p. 38.
[12] Ludwig Feuerbach: Vorläufige Thesen zur Reformation der
Philosophie. In: Anekdota zur neuesten deutschen Philosophie und
Publizistik. Hg. von Arnold Ruge. Bd. 2. Zürich und Winterthur
1843. p. 64.
[13] Das Wesen des Christentums. 2., vermehrte Aufl. Leipzig 1843. p.
402.
[14] p. 403.
[15] p. 408.
[16] Rousseau, de filantropen en anderen waren vijandig aan de
beschaving en intelligentie, maar ze doorzagen dat dit in alle
christenmensen aanwezig was en trokken daarom alleen tegen de geleerde
en verfijnde beschaving op.
[17] August Becker: Die Volksphilosophie unserer Tage. Neumünster
bei Zürich 1843. p. 22.
[18] Bruno Bauer (Rez.): Theodor Kliefoth: Einleitung in die
Dogmengeschichte. Parchim und Ludwigslust 1839. In: Anekdota zur
neuesten deutschen Philosophie und Publizistik. Hg. von Arnold Ruge.
Bd. 2. Zürich und Winterthur 1843. p. 152-3.
[19] Joh. 2, 4.
[20] Matth. 10, 35.
[21] Das Wesen des Christentums. 2., vermehrte Aufl. Leipzig 1843. p.
403.
[22] Mark. 9, 23.
[23] 1. Kor. 8, 4.
[24] Carl Witt (anoniem): Preussen seit der Einsetzung Arndts bis zur
Absetzung Bauers. In: Einundzwanzig Bogen aus der Schweiz. Hg. von
Georg Herwegh. Zürich und Winterthur 1843. p. 12-13.
[25] Louis Blanc zegt (Histoire des dix ans. 1830-1840. T. 1. Paris
1841 P. 138) over de Restauratie: »Le protestantisme devint le
fond des idées et des moeurs.«
[26] Proudhon (De la Création de l'Ordre dans l'Humanité
ou Principes d'Organisation politique. Paris und Besançon 1843.
p. 414) roept bv. uit: “In de industrie zoals in de wetenschap is de
publicatie van een uitvinding de eerste en heiligste plicht!“
[27] Edgar Bauer (anoniem) (Rez.): Flora Tristan: Union
ouvrière. Edition Populaire. Paris 1843. In: Allgemeine
Literatur-Zeitung. Monatsschrift. Hg. von Bruno Bauer. Heft 5,
Charlottenburg April 1844. p. 18-23.
[28] Edgar Bauer (anoniem): Béraud über die
Freudenmädchen (Rez. von F. F. A. Béraud: Les filles
publiques de Paris et la police qui les régit. T. 1-2. Paris et
Leipzig 1839). In: Allgemeine Literatur-Zeitung. Heft 5, p. 25-35.
[29] Bruno Bauer (anoniem) (Rez.): H. F. W. Hinrichs: Politische
Vorlesungen. Bd. 2. Halle 1843. In: Allgemeine Literatur-Zeitung.
Monatsschrift. Hg. von Bruno Bauer. Heft 5, April 1844. p. 23-25.
[30] Allgemeine Literatur-Zeitung, ebd.
[31] Bruno Bauer: Die Judenfrage. Braunschweig 1843. p. 66.
[32] Bruno Bauer: Die gute Sache der Freiheit und meine eigene
Angelegenheit. Zürich und Winterthur 1842. p. 62-63.
[33] Bruno Bauer: Die Judenfrage. p. 60.
[34] Bruno Bauer (anoniem) (Rez.): H. F. W. Hinrichs: Politische
Vorlesungen. Bd. 2. Halle 1843. In: Allgemeine Literatur-Zeitung.
Monatsschrift. Hg. von Bruno Bauer. Heft 5, Charlottenburg April 1844.
p. 23-25. Dazu Konrad Melchior Hirzel: Korrespondenz. aus Zürich.
In: Allgemeine Literatur-Zeitung. Heft 5, p. 11-15.
[35] Konrad Melchior Hirzel: Korrespondenz. aus Zürich. In:
Allgemeine Literatur-Zeitung. Heft 5, p. 15.