
|
HET
DAGBOEK VAN EVA
Door
Mark Twain
Illustraties
van
Lester Ralph
|
ZATERDAG.—
Ik
ben
nu
bijna een hele dag oud. Ik ben gisteren aangekomen. Dat denk
ik
tenminste. En dat moet ook wel, want als er een eergisteren is geweest,
toen ik
er nog niet was en het allemaal gebeurde, zou ik mij dat wel kunnen
herinneren.
Het kan natuurlijk, dat het gebeurde en dat ik het niet in de gaten
had. Nou
goed dan, ik zal nu heel goed opletten, en als er iets van eergisteren
gebeurt,
zal ik het noteren. Het is het beste om meteen te beginnen en het
verslag niet
rommelig te maken, want op een of andere manier het heb ik het gevoel,
dat deze
kleinigheden ooit voor de historici belangrijk zullen worden. Want ik
voel mij
een experiment, ik voel me echt een experiment; niemand zou zich meer
een
experiment kunnen voelen dan ik, en daarom raak ik er steeds meer van
overtuigd, dat ik dat BEN — een experiment, gewoon een experiment, en
niets
anders.

En
als ik dan een
experiment ben, ben ik het dan alleen? Nee, ik denk het niet; ik denk
dat de
rest er ook mee heeft te maken. Ben ik zeker van mijn plaats, of moet
ik die in
de gaten houden en er voorzichtig mee zijn? Misschien het laatste.
Intuïtief
voel ik dat de prijs van superioriteit een eeuwige waakzaamheid is.
(Dat is een
goede uitspraak, vind ik, voor iemand die zo jong is.)

Vandaag
ziet
alles er beter uit dan gisteren. In de haast om gisteren alles af te
krijgen, zijn
de bergen nogal rommelig gebleven, en op een aantal vlakten lag nog
zoveel
troep en resten, dat ze er echt triest uitzagen. Grootse en prachtige
kunstwerken zouden niet haastig moeten worden geschapen; en deze
majestueuze
nieuwe wereld is inderdaad een zeer groots en prachtig werk. En echt
bijna
verbazend volmaakt, ondanks de korte tijd. Op sommige plekken zijn
teveel
sterren en op andere niet genoeg, maar dat kan ongetwijfeld nog worden
verholpen. De maan is afgelopen nacht losgeraakt, weggeglipt en uit
zijn baan
gevallen — een heel groot verlies; mijn hart breekt als ik eraan denk.
Geen
enkele versiering en opsmuk is in schoonheid en afwerking daarmee
vergelijkbaar. Zij had beter moeten worden vastgemaakt. Konden we haar
maar
weer terugkrijgen. —
Maar
niemand
weet waar zij naartoe is. En bovendien zal iedereen die haar vindt,
haar
verbergen; dat weet ik, omdat ik het zelf ook zou doen. Ik denk dat ik
in al
het andere eerlijk kan zijn, maar ik begin nu al te merken, dat het
wezen en de
kern van mijn natuur de liefde voor schoonheid is, en dat ik niet echt
zou zijn
te vertrouwen met een maan, die van iemand anders zou zijn, die niet
zou weten,
dat ik haar had. Ik zou een maan, die ik overdag zou vinden wel willen
afstaan,
omdat ik bang zou zijn, dat iemand het zou zien; maar ik weet zeker,
dat als ik
die in het donker zou vinden, ik een of ander excuus zou bedenken om er
niets
van te zeggen. Want ik houd van manen, want ze zijn zo leuk en
romantisch. Ik
zou er wel vijf of zes willen hebben, dan zou ik nooit meer naar bed
gaan en ik
zou er nooit genoeg van krijgen om daar, liggend op het mos, naar te
kijken.

Sterren
zijn ook mooi. Ik zou er wel een paar willen hebben om in mijn haar te
steken.
Maar ik denk dat ik dat nooit zal kunnen. Je zou verbaasd zijn als je
zou weten
hoe ver ze zijn, want het lijkt niet zo. Toen zij afgelopen nacht voor
het
eerst verschenen, heb ik geprobeerd om er een paar met een stok naar
beneden te
slaan, maar tot mijn verbazing kwam die niet hoog genoeg; toen heb ik
het met aardkluiten
geprobeerd, tot ik doodmoe was, maar ik kon er geen enkele krijgen. Dat
kwam
omdat ik links ben en niet goed kan gooien. Zelfs als ik op een ster
richtte,
die ik niet raakte, raakte ik ook geen andere, hoewel het een paar keer
bijna
lukte, want ik zag hoe de zwarte stip van de kluit veertig of vijftig
keer
midden in de gouden groepjes terechtkwam, en ze maar net miste, en als
ik het
langer had kunnen volhouden, had ik er misschien wel een gekregen.

Dus
moest ik een beetje huilen, wat volgens mij heel normaal is, voor
iemand van
mijn leeftijd, en toen ik was uitgerust, pakte ik een mand en zocht ik
een
plekje helemaal aan de rand van de cirkel, waar de sterren vlak bij de
grond
waren en ik ze met mijn handen zou kunnen pakken, wat in ieder geval
beter zou
zijn, omdat ik ze dan voorzichtig zou kunnen pakken, zodat ze niet
zouden
breken. Maar het was verder dan ik dacht, en uiteindelijk moest ik het
opgeven;
ik was zo moe, dat ik geen stap meer kon verzetten; en bovendien waren
ze rauw
en deden erg veel pijn.
Ik
kon niet terug
naar huis; het was te ver en het werd koud; maar ik vond een paar
tijgers en
vlijde mij tegen hen aan en het was uiterst behaaglijk, en hun adem was
lekker
en prettig, omdat zij zich met aardbeien voedden. Ik had nog nooit een
tijger
gezien, maar ik herkende ze meteen aan hun strepen. Als ik een van die
huiden
zou hebben, zou ik een prachtige jurk maken.

Ik
heb inmiddels
een beter zicht op afstanden. Ik wilde zo graag alle leuke dingen zien,
dat ik
er zonder na te denken naar greep, soms als het te ver weg was en soms
als het
maar een hand ver lag en het wel een stap leek — helaas, met vallen en
opstaan
leerde ik; en ik maakte een stelling, helemaal uit mijn eigen hoofd —
mijn
allereerste; EEN TOEVALLIG EXPERIMENT VERMIJDT DOORNEN. Ik denk dat dat
een
hele goede is voor iemand die zo jong is.
Ik
heb
gisteravond het andere Experiment op een afstand overal gevolgd, om zo
mogelijk
te zien waar het voor dient. Ik kon er niet achter komen. Ik denk dat
het een
man is. Ik had nog nooit een man gezien, maar daar leek hij op, en ik
weet
bijna zeker dat hij dat is. Ik besef dat ik er veel nieuwsgieriger naar
ben,
dan naar al die andere reptielen. Als het een reptiel is, en ik denk
dat het
dat is; want het heeft vieze haren en blauwe ogen, en ziet eruit als
een
reptiel. Het heeft geen heupen, loopt taps toe als een wortel; en als
het
rechtop staat lijkt hij wel een boortoren; ik denk dus dat het een
reptiel is,
hoewel het wel een staaltje van bouwkunst is.
Ik was er in het begin
bang voor, en stond
elke keer
als het zich omdraaide op het punt om weg te rennen, want ik dacht dat
het me
wilde pakken; maar na enige tijd merkte ik dat het alleen maar weg
probeerde te
komen, zodat ik daarna niet meer verlegen was, maar een aantal uur,
ongeveer
twintig meter achter hem, in zijn spoor volgde, wat hem zenuwachtig en
onbehaaglijk maakte. Uiteindelijk was het nogal ongerust en klom in een
boom.
Ik wachtte een tijdje, en toen gaf ik het op en ging naar huis.
Vandaag
weer hetzelfde. Ik zag het weer boven in de boom zitten.
ZONDAG.— Het zit er nog. Kennelijk te
rusten. Maar dat is een smoesje.
Zondag
is niet de rustdag; daar is de zaterdag voor bedoeld. Het lijkt mij een
schepsel, dat meer belang in rusten stelt, dan in wat anders. Ik zou
het zat
worden om zoveel te rusten. Ik ben het beu om maar wat te zitten en
naar de
boom te kijken. Ik vraag me af waar dat toe dient; ik zie het nooit
iets doen.
Ze
hebben
afgelopen nacht de maan teruggestuurd en ik was ZO gelukkig! Ik vind
dat heel
eerlijk van hen. Zij gleed naar beneden en viel weer weg, maar ik was
niet van
streek; je hoeft je geen zorgen te maken, als je zulke buren hebt; ze
zullen
haar toch terugbrengen. Ik zou wel iets willen doen om hen mijn
dankbaarheid te
tonen. Ik zou hen graag een paar sterren sturen, want daar hebben wij
meer van
dan wij kunnen gebruiken. Ik bedoel ik, niet wij, want ik kan merken,
dat het
reptiel niets om zulke dingen geeft.
Het
heeft een
ordinaire smaak en is niet aardig. Toen ik daar gisteravond in de
avondschemering naartoe ging, was het naar beneden gekropen en
probeerde het de
kleine gespikkelde visjes te vangen, die in de vijver zwemmen, en ik
moest er
een kluit naar gooien, zodat hij weer in de boom klom en ze met rust
liet. Ik
vraag me af of het DAARVOOR bestaat. Heeft het geen hart? Heeft het
geen enkel
medelijden met die kleine schepseltjes? Zou het voor zo’n grof werk
zijn
ontworpen en gemaakt? Het lijkt er wel op. Een van de kluiten trof hem
achter
het oor, en het gebruikte taal. Het gaf mij een golf van opwinding,
want het
was de allereerste keer dat ik woorden hoorde, behalve mijn eigen. Ik
verstond
de woorden niet, maar zij leken iets uit te drukken.

Toe
ik merkte dat
het kon praten, kreeg ik er opnieuw belangstelling voor, want ik hou
van praten;
ik praat de hele dag door en zelfs in mijn slaap, en ik ben heel
interessant,
maar als ik iemand zou hebben om mee te praten, zou ik nog twee keer zo
interessant zijn, en zou ik, indien wenselijk, nooit ophouden.

Als
dit reptiel
een man is, is het geen HET, toch? Dat zou grammaticaal niet juist
zijn, toch? Ik
denk dat het dan een HIJ is. Volgens mij. In dat geval moet je het zo
vervoegen: eerste naamval, HIJ, derde naamval ZIJN; bezittelijk
voornaamwoord:
ZIJNS. Nou, ik zal het als een man beschouwen en het hij noemen, totdat
blijkt
dat het iets anders is. Dat is handiger dan dat je zoveel onzekerheden
hebt.
ZONDAG,
DE WEEK
DAAROP — De hele week heb ik hem achternagelopen en geprobeerd contact
met hem
te maken. Ik moest praten, omdat hij verlegen was, maar dat maakte mij
niets
uit. Hij leek het prettig te vinden om mij om zich heen te hebben, en
ik
gebruikte heel vaak het vriendelijke “wij”, omdat het hem leek te
strelen om
erbij te horen.

WOENSDAG
— We kunnen inderdaad heel goed met elkaar opschieten, en leren elkaar
steeds
beter kennen. Hij probeert niet meer om mij uit de weg te gaan, wat een
goed
teken is, en laat zien dat hij het prettig vindt als ik bij hem ben.
Dat doet
mij een genoegen, en ik doe mijn best om hem waar ik ook kan,
behulpzaam te
zijn, zodat hij mij meer gaat waarderen.

De
afgelopen een
of twee dagen heb ik hem alle gedoe om de dingen te benoemen uit handen
genomen, en dat is een grote opluchting voor hem, want hij heeft daar
geen
talent voor, en het is echt erg dankbaar werk. Hij kan met zijn
verstand geen
naam bedenken, die hij kan onthouden, maar ik laat hem niet merken, dat
ik mij
van zijn gebrek bewust ben. Elke keer als er een nieuw schepsel voorbij
komt,
geef het een naam, voordat hij de tijd heeft om zichzelf door een
vervelende
stilte te verraden. Zo heb ik hem veel moeilijkheden bespaard. Ik heb
zo’n
gebrek niet. Zogauw ik een dier in het oog krijg, weet ik wat het is.
Ik hoef
geen moment na te denken; de juiste naam komt er meteen uit, alsof het
een
ingeving is, wat het ongetwijfeld ook is, want ik weet zeker, dat het
een halve
minuut eerder niet in mij was. Het lijkt alsof ik, alleen aan de vorm
en de
manier waarop het zich beweegt, weet wat voor dier het is.

Toen
er een dodo voorbij kwam, dacht hij dat het een boskat was — ik zag het
aan
zijn ogen. Maar ik redde hem eruit. En ik was zo voorzichtig om het zo
te doen,
dat zijn trots niet werd gekwetst. Ik zei het gewoon op een hele
duidelijke en
innemend manier, alsof ik zelf was verrast, en niet alsof ik mij
verbeelde dat
ik kennis moest overdragen, en zei dus niet: “Nou zeg, ik stel vast,
dat dit geen
dodo is!” Ik legde uit — zonder dat het op uitleggen leek — hoe ik dat
voor de
dodo wist, en hoewel ik dacht dat hij misschien wat gepikeerd was,
omdat ik het
schepsel kende, dat hij niet kende, was het overduidelijk dat hij mij
bewonderde. Dat was heel prettig, en ik dacht daar meer dan eens met
dankbaarheid aan terug. Wat kan iets kleins ons toch gelukkig maken,
als wij
voelen dat we het hebben verdiend.

DONDERDAG
— mijn
eerste verdriet. Gisteren ontweek hij mij en het leek alsof hij niet
wilde, dat
ik tegen hem praatte. Ik kon het niet geloven, en dacht dat er een
vergissing
in het spel was, want ik was heel graag bij hem, en hield ervan om hem
te horen
praten, en hoe kon het dan, dat hij onaardig tegen mij was, als ik
niets had
gedaan? Maar het bleek uiteindelijk toch waar, en ik ging dus weg en
ging
eenzaam op de plek zitten, waar ik hem voor het eerst had gezien, op de
ochtend, dat wij waren gemaakt en ik niet wist wat hij was en hij mij
koud
liet; maar nu was het een treurige plek, en elk klein dingetje deed mij
aan hem
denken, en mijn hart was erg bedroefd. Ik wist niet waarom het
duidelijk was,
want het was een nieuw gevoel; ik had het nog niet eerder meegemaakt,
het was
mij een volledig raadsel en ik kon er geen hoogte van krijgen.
Maar
toen de
nacht aanbrak kon ik de eenzaamheid niet meer aan, en ik liep naar de
nieuwe
schuilplaats die hij had gebouwd, om hem te vragen, wat ik verkeerd had
gedaan
en hoe ik het weer goed kon maken, zodat hij weer aardig tegen mij zou
zijn;
maar hij stuurde mij naar buiten in de regen en dat was mijn eerste
verdriet.

ZONDAG
.— Het is
nu weer goed, en ik ben gelukkig; maar het waren zware dagen; als ik
kan, denk
ik er niet aan.

Ik probeerde een
paar van die appels voor hem te bemachtigen, maar het lukt me niet om
goed te
leren gooien. Ik miste, maar ik denk dat hij de goede bedoeling prettig
vond. Ze
zijn verboden; maar als ik kwaad doe door hem een plezier te doen,
waarom zou
ik me dan over dat kwaad zorgen maken?
MAANDAG.—
Vanmorgen heb ik hem mijn naam verteld, in de hoop dat het hem zou
interesseren.
Maar het maakte hem niets uit. Als hij mij zijn naam zou vertellen, zou
het mij
wel wat uitmaken. Ik denk dat het mij aangenamer in de oren zou
klinken, dan
welk geluid ook.

Hij
praat heel
weinig. Misschien komt dat omdat hij niet snugger is, en daar gevoelig
voor is
en het wil verbergen. Het is zo jammer als hij daar zo over denkt, want
intelligentie betekent niets; wat van waarde is zit in het hart. Ik zou
willen
dat ik hem duidelijk kon maken, dat een liefhebbend hart kostbaar is en
kostbaar genoeg, en dat zonder dat het intellect maar armoe is.
Hoewel
hij maar
zo weinig praat, heeft hij een behoorlijke woordenschat. Vanmorgen
gebruikte
hij een verrassend goed woord. Het was duidelijk dat hij zelf merkte,
dat het
een goed woord was, want hij gebruikte het later terloops nog twee
keer. Hij
deed het echt onopzettelijk, en het liet dus zien, dat hij over een
bepaald
waarnemingsvermogen beschikt. Die kiem kan ongetwijfeld uitgroeien, als
hij tot
ontwikkeling wordt gebracht.

Waar
had hij dat
woord vandaan? Volgens mij heb ik dat nooit gebruikt.
Nee,
hij toonde
geen belangstelling voor mijn naam. Ik probeerde mijn teleurstelling te
verbergen, maar ik denk dat mij dat niet lukte. Ik liep weg en ging op
het mos
zitten, met mijn voeten in het water. Daar ga ik altijd naartoe, als ik
smacht
naar gezelschap, iemand om naar te kijken, iemand om mee te praten. Het
is niet
genoeg — dat mooie blanke lijf, afgebeeld in het water — maar het is
tenminste iets,
en iets is beter dan volslagen eenzaamheid. Het spreekt als ik spreek;
het is
verdrietig als ik verdrietig ben; het troost mij met zijn medelijden;
het zegt:
“Zit niet in de put, arm kind zonder vrienden; ik zal je vriend zijn.”
Het IS
een goede vriend voor me, en mijn enige; het is mijn zuster.

Die
eerste keer dat zij mij in de steek liet! o, dat zal ik nooit vergeten
— nooit,
nooit. Mijn hart voelde als lood in mijn lichaam! Ik zei, “Zij was
alles wat ik
had, en nu is ze weg!” In mijn wanhoop zei ik, “Breek, mijn hart, ik
kan mijn
leven niet langer dragen!” en ik verborg mijn gezicht in mijn handen,
en er was
geen troost voor mij. En toen ik mijn handen na een tijdje weer
wegdeed, was ze
daar weer, wit, stralend en prachtig, en ik wierp mij in haar armen!

Dit
was het
volmaakte geluk; ik was wel eerder gelukkig geweest, maar dat was niet
zo als
dit, dit was extase. Later heb ik nooit meer aan haar getwijfeld. Soms
bleef ze
weg — soms een uur, soms bijna de hele dag, maar ik bleef wachten en
twijfelde
niet; ik zei dan, “ze is druk, of ze is op reis, maar ze zal
terugkomen.” En
dat was zo: ze kwam altijd terug. 's Nachts, als het donker was, kwam
ze niet,
want ze was een verlegen klein ding; maar als er een maan was kwam ze.
Ik ben
niet bang voor het donker, maar zij is jonger dan ik; ze werd na mij
geboren.
Ik heb haar heel, heel vaak een bezoek gebracht; zij is mijn troost en
mijn
toevlucht, als mijn leven zwaar is — en dat is het meestal.
DINSDAG.—
Ik was
de hele ochtend bezig met het opknappen van het verblijf; en ik bleef
met opzet
uit zijn buurt, in de hoop dat hij zich eenzaam zou voelen en zou
komen. Maar
dat deed hij niet.
’s
Avonds stopte
ik voor die dag en zocht ontspanning door achter de bijen en de
vlinders aan te
fladderen en van de bloemen te genieten, die prachtige schepsels, die
de
glimlach van God uit de lucht vangen en bewaren, en ik maakte daar
bloemenkransen en slingers van en ik hulde mij daarin, terwijl ik mijn
lunch
gebruikte — appels natuurlijk; dan ging ik in de schaduw zitten, en
verlangde
en wachtte. Maar hij kwam niet.
Maar
het maakt
niet uit. Er zou toch niets gebeuren, want hij geeft niet om bloemen.
Hij
noemde ze troep, en kan de een niet van de ander onderscheiden, en
vindt het buitengewoon,
dat hij dat zo voelt. Hij geeft niet om mij, hij geeft niet om bloemen,
hij
geeft ’s avonds niet om de gepenseelde lucht — is er eigenlijk iets
waar hij om
geeft, behalve om het bouwen van een hut, om zich in op te sluiten voor
de
lekkere zuivere regen, en vruchten uit de bomen te pikken, om te kijken
wat
voor eigenschappen ze hebben?

Ik
legde een droge tak op de grond en probeerde daar met een andere tak
een gat in
te maken, omdat ik een plannetje had, en als gauw schrok ik vreselijk.
Een
iele, doorzichtige blauwachtige waas kwam uit het gat naar boven, en ik
liet
alles vallen en rende weg! Ik dacht dat het een geest was, en ik WAS zo
bang!
Maar ik keek om, en hij kwam niet; dus vlijde ik mij tegen een
rotsblok, rustte
en hijgde uit, en liet mijn ledematen uitrillen tot ze weer in
evenwicht waren;
toen kroop ik voorzichtig terug, op mijn hoede, en klaar om te vluchten
als het
nodig was; en toen ik naderbij was gekomen, boog ik de takken van een
rozenstruik uit elkaar en gluurde er doorheen — in de hoop, dat de man
in de
buurt was, keek ik heel lief en bekoorlijk — maar de geest was weg. Ik
liep
ernaar toe en zag ietsjes heel fijn roze stof in het gat. Ik stopte
mijn vinger
erin, om het aan te raken, en zei AU! en trok hem er weer uit. Het deed
vreselijk pijn. Ik stak mijn vinger in mijn mond; en door eerst op mijn
ene
been en dan op mijn andere te staan, en te grommen, verlichtte ik eerst
mijn
pijn; daarna was ik vol belangstelling en begon te onderzoeken.

Ik was
nieuwsgierig naar dat roze stof. Opeens kwam de naam ervan in mij op,
hoewel ik
er nog nooit van had gehoord. Het was VUUR! Ik was er net zo zeker van
als wie
dan ook ter wereld over iets kan zijn. Dus zonder aarzeling noemde ik
dat —
vuur.

Ik
had
iets geschapen, dat nog niet bestond; ik had iets nieuws toegevoegd aan
de
ontelbare eigenschappen van de wereld; Ik beseft dat, en ik was trots
op mijn
prestatie, en ik wilde wegrennen, hem zoeken en hem erover vertellen,
omdat ik
dacht dat ik dan in zijn achting zou stijgen — maar ik dacht na, en
deed het
niet. Nee — hij zou er niets om geven. Hij zou vragen waar het goed
voor was,
en wat moest ik dan antwoorden? Want als het nergens GOED voor was,
maar alleen
maar prachtig, alleen maar prachtig —

Dus
ik zuchtte en
ging niet. Want het was nergens goed voor; het kon geen hut bouwen, het
kon
geen meloenen verbeteren, het kon niet het rijpen van het fruit
bespoedigen;
het was nutteloos, het was onzin en ijdelheid; hij zou het verfoeien en
bittere
woorden spreken. Maar voor mij was het niet verachtelijk; ik zei, “O
vuur, ik
hou van je, jij sierlijk roze schepsel, want jij bent PRACHTIG — en dat
is
genoeg!” en ik wilde het aan mijn borst drukken. Maar daar zag ik
vanaf. Toen
maakte ik uit mijn hoofd een nieuwe stelling, hoewel die zo erg op mijn
eerste
leek, dat ik bang was dat het alleen maar plagiaat was: “HET
BRAND-EXPERIMENT MIJDT
HET VUUR.”

Ik
ging weer aan het werk; en toen ik aardig wat vuurstof had gemaakt,
gooide ik
het gat leeg op een handvol droog bruin gras, omdat ik van plan was het
mee
naar huis te nemen, het altijd te houden en ermee te spelen; maar de
wind kreeg
er vat op en het stoof op en sloeg vurig tegen mij aan, en ik liet het
vallen
en rende weg. Toen ik omkeek, rees de blauwe geest hoog op, rekt zich
uit en
rolde verder als een wolk, en meteen bedacht ik er een naam voor —
ROOK! —
hoewel ik, op mijn erewoord, nooit eerder van rook had gehoord.
Al
gauw schoten
er fonkelende gele en rode vlammen door de rook omhoog, en ik noemde ze
meteen
— VLAMMEN — en ik had weer gelijk, hoewel dit de allereerste vlammen
waren, die
er in deze wereld ooit waren geweest. Ze klommen in de bomen, flitsten
vervolgens in en uit de grote en groeiende hoeveelheid rondtollend rook
en ik
moest wel verrukt in mijn handen klappen, lachen en dansen, want het
was zo
nieuw en vreemd, en zo wonderbaarlijk en zo prachtig.

Hij
kwam aanrennen, stopte en staarde mij aan, en zei een paar minuten geen
woord.
Toen vroeg hij wat het was. O, het was vreselijk, dat hij zo’n directe
vraag
stelde. Ik moest natuurlijk antwoorden, en dat deed ik. Ik zei dat het
vuur
was. Als het hem stoorde dat ik het wist en hij moest vragen, was dat
niet mijn
fout; ik wilde hem niet ergeren. Na een poosje vroeg hij:
“Hoe
is dit
gekomen?”
Alweer
een
directe vraag, en daar moest dus een direct antwoord op volgen
"Dat
heb ik
gedaan."
Het
vuur ging
steeds verder weg. Hij liep naar de rand van de verbrande plek, keek
naar
beneden en zei:
"Wat
zijn
dat?"
"Kooltjes."
Hij
raapte er een
op om het te onderzoeken, maar veranderde van gedachten en gooide het
weer
neer. Toen liep hij weg. NIETS interesseert hem.

Maar
ik vond het
interessant. Er was as, grijs en zacht en fijn en mooi — ik wist meteen
wat het
was. En de kooltjes; ik kende de kooltjes ook. Ik vond mijn appels en
verzamelde
ze, en ik was blij; want ik ben erg jong en mijn eetlust is goed. Maar
ik werd
teleurgesteld, want ze waren allemaal opengebarsten en verknoeid.
Duidelijk
verknoeid; maar dat was niet zo; ze smaakten beter dan rauwe. Vuur is
prachtig;
volgens mij zal het ooit nuttig zijn.

VRIJDAG.—
Ik heb
hem weer gezien, maar eventjes, afgelopen maandag tegen de avond, maar
weer alleen
maar eventjes. Ik hoopte dat hij mij zou prijzen, omdat ik de
verblijfplaats
had geprobeerd op te knappen, want ik had het goed bedoeld en ik had
hard
gewerkt. Maar hij was niet tevreden, draaide zich om en liet mij alleen
achter.
Hij was ook niet ingenomen met een ander verhaal: ik probeerde weer een
keer om
hem over te halen, om niet meer over de waterval heen te gaan. Dat
kwam
omdat het vuur mij een nieuwe emotie had onthuld — splinternieuw en
duidelijk
anders dan liefde, verdriet en al die andere, die ik al had ontdekt —
ANGST. En
dat is vreselijk — ik wou dat ik het nooit had ontdekt; het geeft me
duistere
momenten, het bederft mijn geluk, het doet mij huiveren, beven en
sidderen.
Maar ik kon hem niet overhalen, want hij heeft de angst nog niet
ontdekt, en
dus kon hij mij niet begrijpen.
Fragmenten uit
het dagboek van
Adam

Misschien
zou
ik niet moeten vergeten, dat ze nog heel jong is, eigenlijk nog maar
een
meisje, en daar rekening mee houden. Ze is een en al belangstelling,
enthousiasme, en levendigheid, de wereld is een bekoring voor haar, een
wonder,
een mysterie, een bron van vreugde; ze kan niet praten van verrukking,
als ze
een nieuwe bloem vindt, ze moet haar vertroetelen en liefkozen, eraan
ruiken en
er tegen praten, en haar vertederende namen geven. En ze is kleurengek:
bruine
rotsen, geel zand, grijs mos, groen gebladerte, blauwe lucht; de parel
van de
dageraad, de purperen schaduw op de bergen, de gouden eilanden, die bij
zonsondergang in karmozijnrode zeeën drijven, de bleke maan, die
door
het aan
flarden gescheurde zwerk zeilt, de sterrenjuwelen, die in de woestenij
van de
ruimte flonkeren — niets van dat alles heeft enige praktische waarde,
voor
zover ik kan zien, maar omdat zij kleur en pracht bezitten, is dat voor
haar
genoeg, en zij verliest zich daarin. Als zij tot rust zou kunnen komen
en
tegelijkertijd een paar minuten stil zou kunnen zijn, zou het een
rustig schouwspel
bieden. Ik denk dat ik dan zou kunnen genieten van haar aanblik; ik ben
er
inderdaad zeker van dat ik dat zou kunnen, want ik begin te beseffen,
dat zij
een heel bijzonder en aantrekkelijk schepsel is — elegant, slank,
keurig,
volmaakt, knap, behendig, en gracieus; ik zag meteen dat ze prachtig
was, toen
zij marmerwit en zonovergoten op een rots stond, met haar jeugdige
hoofd schuin
en met haar hand haar ogen beschermend, en naar een vliegende vogel in
de lucht
keek..

MAANDAGMIDDAG
—
Als er ook maar iets is op deze planeet, waar ze geen belangstelling
voor
heeft, staat het niet op mijn lijstje. Er zijn dieren, die mij niets
doen, maar
zo is het niet bij haar. Zij maakt geen onderscheid, zij mag ze
allemaal, zij
vindt het allemaal schatjes, ieder nieuw dier is welkom.

Toen
de machtige brontosaurus ons plekje binnenbeende, beschouwde zij dat
als een
aanwinst, terwijl ik het een ramp vond; dat is een goed voorbeeld van
het
gebrek aan eensgezindheid, dat in onze kijk op de dingen overheerst.
Zij wilde
hem temmen, ik wilde hem van onze plek weg hebben. Zij dacht dat hij
met een
vriendelijke behandeling zou kunnen worden getemd en een leuk
knuffeldier zou
worden; ik zei dat een knuffeldier van eenentwintig voet hoog en
vierentachtig
voet lang, niet geschikt was voor onze plek, omdat hij, zelfs met de
beste
bedoelingen en zonder enig kwaad in petto, op het huis zou kunnen gaan
zitten
en het kunnen vernielen, want iedereen kon aan zijn oogopslag zien dat
hij verstrooid
was.
Toch
wilde zij
dat monster hoe dan ook hebben, en ze kon daar geen afstand van doen.
Ze dacht
dat wij er een melkerij mee konden beginnen, en wilde dat ik haar zou
helpen
met het melken; maar ik wilde dat niet; het was te gevaarlijk. Het was
bovendien een mannetje en wij hadden ook geen ladder. Toen wilde ze
erop rijden
en de omgeving bekijken. Dertig of veertig voet van zijn staart lag op
de
grond, als een omgevallen boom, en zij dacht dat zij daarop zou kunnen
klimmen,
maar dat was een vergissing; toen zij de steile helling wilde
beklimmen, was
die te glibberig en ze viel naar beneden, en zij zou zich hebben
bezeerd, als
ik er niet was geweest.

Was
ze nu
tevreden? Nee. Er is niets wat haar ooit tevreden stelt, behalve een
bewijs;
onbeproefde theorieën zijn niets voor haar, en zij wil daar niet
aan.
Ik geef
toe, dat het de juiste instelling is; het boeit mij; ik voel hoe het
mij
beïnvloedt; als ik meer net zo als zij zou zijn, zou ik het
accepteren.
Nou ja,
zij had nog een theorie over deze kolos over: ze dacht dat als wij hem
konden
temmen en hem eigen konden maken, dat wij hem dan als een brug konden
gebruiken
om de rivier over te steken. Het bleek dat hij al tam genoeg was —
tenminste
ten opzichte van haar — dus probeerde ze haar theorie uit, maar het
mislukte:
elke keer als het haar lukte om hem op de juiste plek in de rivier neer
te
zetten en naar de oever liep om over hem heen te gaan lopen, kwam hij
er weer
uit en liep achter haar aan als een speelgoedberg. Net als de andere
dieren. Ze
doen dat allemaal.

Dinsdag — Woensdag — Donderdag
en
vandaag:
hem
geen enkele dag gezien. Dat
is lang
om
alleen te zijn; het is beter om alleen dan ongewenst te zijn.
VRIJDAG
— ik
moest gezelschap hebben — ik was daarvoor gemaakt, denk ik —
dus
sloot ik vriendschap met de dieren. Ze zijn echt alleraardigst, en
hebben een
allervriendelijkst karakter en heel elegante manieren; zij kijken nooit
zuur,
zij laten je nooit merken, dat je een indringer bent, zij lachen je toe
en
kwispelen met hun staart, als zij er een hebben, en zij zijn altijd in
voor een
stoeipartijtje of een uitstapje, of wat je ook maar voorstelt. Ik vind
het
echte heren. Wij hebben al deze dagen zo’n prettige tijd gehad, en het
is geen
moment eenzaam voor mij geweest.

Eenzaam!
Nee, dat kan ik niet zeggen. Nou, er is altijd een zwerm dieren in de
omgeving — soms wel verspreid over vier tot vijf morgens —
je
kunt ze
niet
tellen; en als je er middenin op een rots staat, en uitkijkt over de
harige
oppervlakte, is die zo geschakeerd en zo met kleuren gevlekt en
uitbundig, en
zo schitterend dartelend en zonovergoten, zo golvend van de strepen,
dat je zou
kunnen denken dat het een meer was, maar je weet dat het niet zo is; en
er is
het tumult van gezellige vogels, en orkanen van klapwiekende vleugels;
en als
de zon die hele bevederde drukte raakt, heb je een oplaaien van alle
kleuren,
die je maar kunt bedenken, genoeg om je ogen uit te kijken.

Wij
hebben lange tochten gemaakt, en ik heb een groot deel van de wereld
gezien;
bijna alles, denk ik; en dus ben ik de eerste reiziger, en de enige.
Als wij
onderweg zijn, is het een imposant gezicht — nergens bestaat
zoiets.
Voor mijn gemak rijd ik op een tijger of een luipaard, omdat het zacht
is en
zij een ronde rug hebben, waar ik goed op pas, en omdat het zo’n
aardige dieren
zijn; maar voor lange afstanden of om de omgeving te bekijken rijd ik
op een
olifant. Hij hijst mij met zijn slurf omhoog, maar ik kan er zelf
vanaf, als
wij ons kampement opslaan; dan gaat hij zitten en ik glijdt van zijn
rug af.

De
vogels en de
dieren zijn allemaal vriendelijk tegen elkaar, en er zijn nergens
ruzies over.
Ze praten allemaal, en ze praten allemaal tegen mij, maar het moet wel
een
vreemde taal zijn, want ik versta geen woord van wat zij zeggen; toch
verstaan
zij mij wel, als ik terugpraat, vooral de hond en de olifant. Ik schaam
mij
daarvoor. Het laat zien dat zij schranderder zijn dan ik, want ik wil
zelf het
belangrijkste Experiment zijn — en ik heb mij dat ook
voorgenomen.
Ik
heb een
heleboel geleerd, en nu ben ik ontwikkeld, maar dat was ik eerst niet.
Ik was
eerst onwetend. In het begin bracht het mij meestal van mijn stuk,
omdat ik,
ondanks mijn oplettendheid, nooit slim genoeg was om in de buurt te
zijn als
het water bergopwaarts stroomde; maar nu maakt het mij niet meer uit.
Ik heb geëxperimenteerd
en geëxperimenteerd, zodat ik nu weet dat het nooit bergopwaarts
stroomt,
behalve in het donker. Ik weet dat het dat in het donker doet, omdat de
vijver
nooit uitdroogt, wat natuurlijk wel zou gebeuren, als het water ’s
nachts niet
terug zou komen. Het is het beste om dingen met een echt experiment te
bewijzen; dan WEET je; terwijl je, als je vertrouwt op gissen,
veronderstellen
en vermoeden, nooit ontwikkeld wordt.

Sommige
dingen
KUN je NIET ontdekken; maar je moet weten dat je het nooit door gissen
en
veronderstellen kunt bereiken: nee, je moet geduldig zijn en doorgaan
met
experimenteren, totdat je er achter komt, dat je er niet achter kunt
komen. En
het is heerlijk om het op die manier te doen, want het maakt de wereld
zo
interessant. Als er niets zou vallen te ontdekken, zou het saai zijn.
Zelfs het
proberen uit te zoeken en er niet achter komen, is even interessant als
het
uitzoeken en er wel achter komen, meer weet ik er niet van. Het geheim
van het
water was een schat, tot ik het BEGREEP; toen verdween alle opwinding,
en ik
voelde een soort verlies.

Door
het
experiment weet ik dat hout drijft, en dorre bladeren en veren, en nog
een
heleboel andere dingen; door al die opeengehoopte bewijzen, weet je dat
een
rots kan drijven; maar je moet het er mee doen, dat je het gewoon weet,
want er
is geen manier om het te bewijzen — tot nu toe. Maar ik zal een manier
vinden —
dan zal DIE opwinding ook verdwijnen. Dergelijke dingen maken mij
verdrietig;
want als ik langzamerhand alles heb uitgevogeld, zal er niets
opwindends meer
zijn, in ik hou zo van opwinding! De nacht daarop kon ik niet slapen,
omdat ik
daar zo aan moest denken.
In
het begin kon
ik niet snappen, waarom ik was gemaakt, maar nu denk ik dat het was om
de
geheimen van deze prachtige wereld uit te zoeken en gelukkig te zijn en
om de
Gever van dit allemaal te danken, omdat hij het heeft uitgedacht. Ik
denk dat
er
nog
heel veel valt te leren — dat hoop ik; en door zuinig te zijn en mij
niet te
zeer te haasten, denk ik dat het nog weken en weken kan duren. Dat hoop
ik. Als
je een veer omhoog gooit, zeilt hij weg op de lucht en verdwijnt uit
het zicht;
vervolgens gooi je een kluit omhoog en die doet het niet. Die komt elke
keer
weer naar beneden. Ik heb geprobeerd en geprobeerd, en het gaat elke
keer
hetzelfde. Ik vraag mij af waarom dat zo is. Natuurlijk VALT hij niet
naar
beneden, maar waarom LIJKT het dan zo? Ik veronderstel, dat het een
optische
illusie is. Ik bedoel, een van de twee. Ik weet niet welke. Het kan de
veer
zijn en het kan de kluit zijn; ik kan niet bewijzen welke het is, ik
kan alleen
laten zien, dat de een of de ander nep is, en dan moet iedereen maar
kiezen.

Door
te kijken, weet ik dat de sterren niet blijvend zijn. Ik heb een paar
van de
beste zien smelten en uit de lucht zien vallen. Als er een kan smelten,
kunnen
ze allemaal smelten; als ze allemaal kunnen smelten, kunnen ze allemaal
in dezelfde
nacht smelten. Dat verdriet kan komen — ik weet het. Het is mijn
bedoeling om
elke nacht op te blijven en naar ze te kijken, zolang ik wakker kan
blijven; en
ik zal die fonkelende vlakte in mijn geheugen prenten, zodat ik, als ze
allemaal zijn verdwenen, door mijn verbeeldingskracht die mooie
tienduizendtallen
weer naar de zwarte hemel kan terugbrengen en ze weer kan laten
flonkeren, en
ze door de waas van mijn tranen kan verdubbelen.
Na
de Val
Als
ik terugkijk,
was het Paradijs een droom voor me. Het was prachtig, weergaloos
prachtig,
betoverend prachtig; en nu is het verloren, en zal ik het nooit
weerzien.

Het
Paradijs is
verloren, maar ik heb HEM gevonden, en ik ben tevreden. Hij houdt van
mij zo
goed als hij kan; ik hou van hem met alle kracht van mijn
hartstochtelijke
natuur, en dat is, denk ik, eigen aan mijn jeugd en geslacht. Als ik
mijzelf
afvraag waarom ik van hem houd, merk ik dat ik dat niet weet, en het
maakt mij
ook echt niet uit of ik dat weet; dus ik veronderstel, dat dit soort
liefde
geen product van redeneren of statistieken is, zoals iemand van andere
reptielen en dieren kan houden. Ik denk dat dit zo moet zijn. Ik hou
van
sommige vogels vanwege hun gezang; maar ik hou niet van Adam omdat hij
kan
zingen — nee, dat is het niet; hoe meer hij zingt, hoe minder ik mij
daarbij
neerleg. Toch vraag ik of hij wil zingen, omdat ik van alles wil leren
houden,
waar hij belangstelling voor heeft. Ik weet zeker dat ik dat kan leren,
omdat
ik er in het begin niet tegen kon, maar nu wel. Het verzuurt de melk,
maar dat
maakt niet uit; ik kan aan dat soort melk wennen.

Het is
niet vanwege zijn snuggerheid dat ik van hem houd — nee, dat is het
niet. Ik
kan hem zijn snuggerheid, zoals die is, niet kwalijk nemen, want hij
heeft
zichzelf niet zo gemaakt; hij is zoals God hem heeft gemaakt, en dat
is
genoeg. Er zat een wijze bedoeling achter, DAT weet ik. In de loop van
de tijd
zal die zich ontwikkelen, hoewel ik denk dat het niet opeens gebeurt;
en
bovendien, is er geen haast bij; hij is goed genoeg zoals hij is.
Het
is niet
vanwege zijn gracieuze en vriendelijke manieren en zijn
fijngevoeligheid, dat
ik van hem houd. Nee, wat dat betreft mist hij wel wat, maar zo is hij
goed
genoeg, en hij gaat vooruit.

Het
is
niet vanwege zijn bedrijvigheid, dat ik van hem houd — nee, dat is het
niet. Ik
denk dat hij het in zich heeft, en ik weet niet waarom hij het voor mij
verbergt. Dat is mijn enige pijn. Verder is hij nu oprecht en open
tegen mij.
Ik weet zeker dat hij niets voor mij achterhoudt, behalve dat. Het doet
mij
verdriet, als hij een geheim voor mij zou hebben, en soms kan ik er
niet van
slapen, omdat ik daaraan moet denken, maar ik zal het uit mijn hoofd
zetten;
het zal mijn geluk niet verknoeien, want dat is zo groot, dat het bijna
overloopt.
Het
is niet
vanwege zijn ontwikkeling dat ik van hem houd — nee, dat is het niet.
Hij is
een autodidact, en weet echt een heleboel dingen, maar zo zijn ze niet.
Het
is niet
vanwege zijn ridderlijkheid, dat ik van hem houd — nee, dat is het
niet. Hij
doet een groot beroep op mij, maar dat neem ik hem niet kwalijk; het is
met
name de seks, denk ik, maar hij heeft zijn sekse niet gemaakt. Ik zou
hem
natuurlijk niet willen bezwaren, ik zou liever eerder sterven; maar dat
is ook
een eigenschap van seks, en daar voel ik mij niet verantwoordelijk
voor, want
ik heb mijn sekse niet gemaakt.
Maar
waarom houd
ik dan van hem? LOUTER OMDAT HIJ MANNELIJK IS, denk ik.

In
wezen is hij goed, en daarom houd ik van hem, maar zonder dat zou ik
ook van
hem kunnen houden. Als hij mij zou slaan of mishandelen, zou ik van hem
blijven
houden. Dat weet ik. Het is een kwestie van sekse, denk ik.
Hij
is sterk en
handig, en daarom houd ik van hem, en ik bewonder hem en ben trots op
hem, maar
zonder die eigenschappen zou ik ook van hem houden. Als hij lelijk zou
zijn,
zou ik toch van hem houden; als hij een wrak zou zijn, zou ik van hem
houden;
en zou voor hem werken en mij voor hem uitsloven, en voor hem bidden,
en aan
zijn bed waken, tot hij zou sterven.

Ja, ik
denk dat ik louter van hem houd omdat hij VAN MIJ is en MANNELIJK is.
Ik veronderstel
dat er geen andere reden is. En dus denk ik zoals ik het in het begin
heb
gezegd: dat dit soort liefde geen product van redeneren en statistieken
is. Het
KOMT gewoon — niemand weet waarvandaan — en het kan zich zelf niet
verklaren.
En dat hoeft ook niet.
Dat
is wat ik
denk. Maar ik ben maar een meisje, het eerste dat dit heeft onderzocht,
en het
zou kunnen blijken, dat ik mij, in mijn onwetendheid en onervarenheid,
heb
vergist.
Veertig
jaar later
Het
is mijn
smeekbede en mijn verlangen, dat wij samen van dit leven afscheid nemen
— een
verlangen, dat nooit van deze wereld zal verdwijnen, maar een plaats
inneemt in
het hart van elke liefhebbende vrouw, tot het einde der tijden; en het
zal mijn
naam dragen.

Maar
als een van ons beiden eerst moet gaan, bid ik dat ik dat zal zijn;
want hij is
sterk, ik ben zwak, ik ben voor hem niet zo nodig als hij voor mij —
een leven
zonder hem zou geen leven zijn; hoe zou ik dat kunnen uithouden? Ook
deze bede
is onsterfelijk, en zal, zolang mijn ras bestaat, blijven worden
uitgesproken. Ik
ben de eerste vrouw; en in de laatste vrouw zal ik terugkeren.
Bij
het graf van
Eva
ADAM:
Waar ze ook
was, DAAR was
het
Paradijs
