Downloaden
als
Word-document op de Downloadpagina 
Over Franz
Fanon
Met Franz
Fanon kwam
in de gekoloniseerde Derde Wereld een generatie aan het woord die de,
waarden
van de Europese overheersers niet langer als een echo overnam of ze
schuchter
aanpassend tot de hare maakte. Hier werden de situatie van de
kolonisator,
de strategie en tactiek van de Westerse moederlanden in het opkomend
getij
van de dekolonisatie en vanuit de werkelijk eigen optiek van de
onderworpen
volkeren geanalyseerd.
De
verworpenen der
aarde verscheen in 1961, tegen het einde van de Algerijnse
onafhankelijkheidsstrijd.
Het is een boek dat zijn inspiratie vindt in de Afrikaanse strijd om
bevrijding
van het Europese koloniale juk, maar dat zich niet tevreden stelt met
nationale
onafhankelijkheid. En zelfs niet met economische
onafhankelijkheid.
Het gaat Fanon om een totale zelfstandigheid, om een integraal
herontwaken,
ook in intellectueel en cultureel opzicht. Zijn boek heeft dat
zó
indringend verwoord dat het voor vrijheidsstrijders in de hele Derde
Wereld
een fundamenteel, klassiek boek geworden is.
Frantz Fanon
werd
in 1925 op het Franse West-Indische eiland Martinique geboren.
Tijdens
de Tweede Wereldoorlog diende hij in het Franse leger en daarna
studeerde
hij in Frankrijk medicijnen. Hij werkte van 1952 tot 1956 als
psychiater
in een Algerijns hospitaal, sloot zich aan bij het Front de
Libération
Nationale en werkte vervolgens als arts in het Algerijnse leger.
Fanon was
redacteur
van Al-Moejahid, het in Tunesië uitgegeven blad van het FLN, en
maakte
in 1958 deel uit van de Algerijnse delegatie op de Conferentie van
Afrikaanse
Volkeren te Acera. In december 1961 stierf hij aan leukemie.
De
verworpenen
der aarde
(Les
damnés
de la terre)
Uitgegeven door
de Kritiese
Bibliotheek, Van Gennep, 1978
Inleiding
door
Jean Paul Sartre
Nog niet
zo erg lang
geleden telde de aarde twee miljard bewoners, en wel vijfhonderd
miljoen
mensen en één miljard vijfhonderd miljoen
inlanders.
De eersten beschikten over het Woord, de anderen konden het
lenen.
Corrupte vorstjes, feodale heersers en een willekeurig samengeflanste
namaak-bourgeoisie
fungeerden als bemiddelaar tussen de eersten en de laatsten. In
de
koloniën ging de waarheid naakt; in het 'moederland' zag men haar
liever gekleed; de inlander moest het moederland liefhebben.
Zoals
men een moeder liefheeft. De Europese elite begon een
inlanders-elite
te fabriceren; men selecteerde jonge mensen, men brandmerkte hun
voorhoofd
met de principes van de westerse cultuur, men stopte hun een
geluidsprop
in de mond, grote kleffe woorden die aan de tanden kleefden; na een
kort
verblijf in het moederland werden ze, vervalst, terug naar huis
gestuurd.
Deze levende leugens hadden hun broeders niets meer te zeggen; vanuit
Parijs,
Londen, Amsterdam slingerden wij woorden: 'Parthenon!
Broederschap!'
en, ergens in Afrika, in Azië, gingen monden open: '... thenon!
...
schap!'. Dat waren gouden tijden.
Daar kwam
een eind
aan: de monden gingen vanzelf open; de gele en zwarte stemmen spraken
nog
over ons humanisme, maar het was om ons onze onmenselijkheid te
verwijten.
Zonder misnoegen hoorden we de hoffelijke uitingen van verbittering
aan.
Eerst was er opgetogenheid en trots: Wat? Ze praten helemaal
alleen?
Dat hebben wij toch maar van ze gemaakt! Wij hoefden er niet aan
te twijfelen of ze ons ideaal aanvaard hadden, aangezien ze ons immers
verweten dat we het verloochenden; nu geloofde Europa eerst recht aan
zijn
opdracht: het had de Aziaten gehelleniseerd, het had een nieuw soort
gecreëerd:
grieks-latijnse negers. En praktisch als we zijn voegden we er,
als
we onder elkaar waren, aan toe: laat ze maar schreeuwen, dat lucht op;
blaffende honden bijten niet.
Er kwam
een andere
generatie en die pakte de kwestie anders aan. Zijn schrijvers en
dichters probeerden ons met een ongelooflijk geduid uit te leggen dat
onze
waarden slecht strookten met de werkelijkheid van hun leven, dat zij ze
niet helemaal konden verwerpen, maar ook niet helemaal konden
aanvaarden.
Grof gezegd bedoelden ze: jullie maken monsters van ons, jullie
humanisme
geeft ons een universele waarde en jullie racistische praktijken
verbijzonderen
ons. We horen ze aan, geheel ontspannen: de koloniale bestuurders
worden niet betaald om Hegel te lezen (en die lezen ze dan ook weinig),
maar ook zonder deze filosoof weten ze wel, dat een ongelukkig
bewustzijn
vastraakt in zijn tegenstrijdigheden. Effect nul komma nul.
We laten dus hun ongeluk voortduren, wat er uit komt is niet meer dan
wind.
En, vertelden de deskundigen ons, als er in hun geweeklaag ook maar de
schaduw van een eis te bespeuren was, dan was het die van
integratie.
Er was, uiteraard, geen sprake van om die in te willigen: daarmee zou
men
het hele systeem vernietigen dat, zoals u weet, berust op totale
uitbuiting.
Maar men zou er mee kunnen volstaan deze worst voor hun ogen te hangen
en ze zouden voort galopperen. Over een eventueel oproer maakten
we ons niet ongerust: welke toerekeningsvatbare inlander zou Europa's
schone
zonen gaan uitmoorden, alleen maar om Europeaan te worden als
zij?
Kortom, wij moedigden deze uitingen van melancholie aan en wé
zagen
er geen been in om een keer de Prix Goncourt toe te wijzen aan een
neger:
dat was voor 1939. 1961. Luister: 'Laten we onze tijd niet
verliezen
met steriele litanieën en - walgingwekkende pogingen tot
nabootsing.
Laten we ons afwenden van het Europa dat niet ophoudt te praten over de
mens, en hem onderwijl uitmoordt waar het hem tegenkomt, op alle hoeken
van haar eigen straten, op alle hoeken van de wereld. Eeuwenlang
nu al verstikt Europa bijna de gehele mensheid, in naam van een
zogeheten
"geestelijk avontuur.' Die toon is nieuw. Wie durft zo te
spreken?
Een Afrikaan, een man uit de Derde Wereld, een vroegere
gekoloniseerde.
Hij voegt er aan toe: 'Europa heeft een zo woeste, krankzinnige
snelheid
ontwikkeld ... dat ze naar afgronden gaat waar je beter bij uit de
buurt
kunt blijven.' Anders gezegd: het is gedaan met Europa. Een
waarheid
die eigenlijk maar niet uitgesproken moet worden, maar waar we tussen
vel
en vlees allemaal van overtuigd zijn, nietwaar, mijn waarde
werelddeel-genoten?
Maar men
moet hier
toch een voorbehoud bij maken. Wanneer een Fransman bijvoorbeeld
tegen andere Fransen zegt: 'Het is gedaan met ons!' - hetgeen zich,
voor
zover ik weet, sinds 1930 ongeveer elke dag voordoet - dan gaat het om
een hartstochtelijk betoog; de spreker, razend van woede en liefde, zit
met al zijn landgenoten in hetzelfde schuitje. En dan voegt hij
er
in het algemeen aan toe: 'Als we niet. . .' Men ziet het: er kan geen
fout
meer begaan worden; als zijn aanbevelingen niet letterlijk opgevolgd
worden,
dan en alleen dan zal het land ineenstorten. Kortom, het is een
dreigement,
gevolgd door een raad en het schokeffect van deze woorden is nog
minder,
als gevolg van het feit dat ze ontspringen uit de nationale
intersubjectiviteit.
Wanneer Fanon daarentegen zegt dat Europa zijn ondergang tegemoet gaat,
dan is dat geen alarmkreet; integendeel, hij stelt een diagnose.
Deze medicus wil Europa niet onvoorwaardelijk veroordelen - er zijn
meer
wonderen gebeurd -, en ook wil bij geen middelen ter genezing geven:
hij
constateert de doodsstrijd. Van buitenaf, zich baserend op de
symptomen
die hij heeft kunnen opvangen. Wat betreft de genezing, nee: hij
heeft andere dingen aan zijn hoofd; of de patiënt crepeert of in
leven
blijft laat hem koud. Om die reden is zijn boek schandalig,
aanstootgevend.
En wanneer u lacherig en gegeneerd mompelt: 'Wat die ons flikt!' gaat
de
essentie van het schandaal langs u heen: want Fanon 'flikt' ons
helemaal
niets; zijn werk, dat voor anderen brandend belangrijk is, blijft voor
ons koud als ijs; men praat er vaak over u, nooit tegen u. Het is uit
met
de zwarte Goncourt-winnaars en de gele Nobelprijzen: de tijd van de
gekoloniseerde
laureaten komt niet meer terug. Een Franstalige ex-inlander
modelleert
die taal naar nieuwe behoeften, gebruikt haar en richt zich uitsluitend
tot de gekoloniseerden: 'Inlanders van alle onderontwikkelde landen,
verenigt
u!' Wat een verval: voor de vaders waren wij de enig mogelijke
gesprekspartners;
voor de zonen hebben we zelfs als zodanig geen enkele waarde meer: wij
zijn het voorwerp van het betoog. Natuurlijk, Fanon noemt als het
te pas komt onze befaamde misdaden, Sétif, Hanoi, Madagascar,
maar
hij neemt niet de moeite om een oordeel uit te spreken: hij gebruikt
ze.
Wanneer hij de tactieken van het kolonialisme ontleedt, het
ingewikkelde
samenstel van banden die die kolonisten en het moederland verenigen en
tegen elkaar opstellen, dan doet hij dat voor zijn broeders; zijn doel
is ze te leren onze plannen te verijdelen.
Kortom,
de Derde
Wereld ontdekt zichzelf, spreekt tot zichzelf door deze stem. Men
weet dat deze wereld niet homogeen is en dat men er nog tot slaaf
gemaakte
volkeren vindt, anderen die zich een schijn-onafhankelijkheid hebben
verworven,
anderen die vechten om hun soevereiniteit te veroveren, anderen ten
slotte
die de volle vrijheid gewonnen hebben, maar die onder een voortdurende
dreiging van een imperialistische agressie leven. Deze
verschillen
zijn geboren uit de koloniale geschiedenis, dat wil zeggen uit de
onderdrukking.
Hier achtte het moederland het voldoende een paar feodale heersers te
betalen:
dáár - 'verdeel en heers' - heeft het snel een
bourgeoisie
van gekoloniseerden in elkaar getimmerd; elders heeft het moederland
een
dubbele slag geslagen: de kolonie wordt tegelijkertijd bevolkt en
geëxploiteerd.
Zo heeft
Europa de
scheidslijnen, de tegenstellingen vermenigvuldigd, heeft het klassen
gefabriceerd
en soms racismen, heeft het met alle mogelijke middelen geprobeerd de
gelaagde
structuur van de gekoloniseerde samenlevingen te stimuleren en uit te
breiden.
Fanon verbloemt niets: om tegen ons te strijden, moet de vroegere
kolonie
tegen zichzelf strijden. Of liever gezegd, de twee zaken zijn
één.
In het vuur van de strijd moeten alle binnenlandse barrières
smelten,
de machteloze bourgeoisie van zakenmannetjes en compradores, het
stedelijke
proletariaat, dat altijd bevoorrecht is, het lompenproletariaat van de
krottenwijken, allen zullen zich moeten stellen achter de lijn van de
massa's
van het platteland, het werkelijke reservoir van het nationale en
revolutionaire
leger; in deze streken, waar de ontwikkeling willens en wetens tot
staan
is gebracht door het kolonialisme, ontpopt de boerenstand zich, wanneer
hij in opstand komt, zeer snel als de radicale klasse: hij kent de
naakte
onderdrukking, hij lijdt er veel meer onder dan de arbeiders uit de
steden
en om te voorkomen dat hij sterft van honger, is het nodig alle
structuren
op te blazen en niets minder. Wanneer hij triomfeert, wordt de
nationale
Revolutie socialistisch; wanneer men zijn clan breekt, wanneer de
gekoloniseerde
bourgeoisie de macht neemt, blijft de nieuwe staat, ondanks een formele
soevereiniteit, in handen van de imperialisten. Katanga is daar
een
goed voorbeeld van. Zodoende is de eenheid van de Derde Wereld
geen
feit: het is een proces dat gaande is en dat zich ontwikkelt via de
eenwording,
in elk land, zowel na als voor de onafhankelijkheid, van alle
gekoloniseerden,
onder het bevel van de boerenklasse. Dat is de les die Fanon
geeft
aan zijn broeders in Afrika, Azië en Latijns-Amerika: ofwel we
brengen
met zijn allen en overal het revolutionaire socialisme tot stand, of we
worden een voor een door onze vroegere tirannen verslagen. Hij
verbloemt
niets; noch de zwakheden, noch de tweedracht, noch de
mystificaties.
Hier neemt de beweging een slechte start; dáar verliest ze, na
sensationele
resultaten aan snelheid; elders is ze tot staan gebracht: als men wil
dat
ze weer op gang komt, moeten de boeren hun bourgeoisie de zee in
gooien.
De lezer wordt streng gewaarschuwd voor de gevaarlijkste
vervreemdingsprocessen:
de leider, de persoonsverheerlijking, de westerse cultuur en evengoed
voor
de terugkeer van de voorbije verten van de Afrikaanse cultuur: de
Revolutie
is de werkelijke cultuur; dat betekent dat ze gesmeed wordt als ze heet
is. Fanon spreekt luid; wij Europeanen kunnen hem horen: het boek
dat u in handen houdt is er het bewijs van; is hij niet bang dat de
koloniale
machten voordeel putten uit zijn eerlijkheid?
Nee.
Hij is
nergens bang voor. Onze methodes zijn verouderd: ze kunnen soms
de
emancipatie vertragen, 'ze kunnen haar niet tegenhouden. En denk
niet dat we onze handelwijze aan kunnen
passen: het
neokolonialisme,
deze luie droom van de koloniale metropolen, is niet meer dan wind; de
'Derde Krachten' bestaan niet of het zijn de
surrogaat-bourgeoisieën
die al door het kolonialisme aan de macht gebracht zijn. Ons
machiavellisme
heeft weinig vat op deze wereld die voorgoed ontwaakt is en die onze
leugens
de één na de ander ontmaskerd heeft. De kolonist
blijft
slechts één middel: bruut geweld, als hij daar nog toe in
staat is; de inlander heeft slechts één keus:
onderwerping
of zelfbeschikking. Wat kan het Fanon schelen of u zijn boek al
dan
niet leest? Hij stelt onze oude streken voor zijn broeders aan de
kaak, want bij is er zeker van dat wij er geen nieuwe inhoud aan kunnen
geven. Hij zegt het tegen hén: Europa heeft zijn klauwen
op
onze continenten gelegd, we moeten er net zo lang in kerven tot het ze
terugtrekt; het ogenblik is gunstig voor ons: er gebeurt niets in
Elisabethville,
in Bizerta, in een Algerijns dorp, zonder dat de hele wereld er van op
de hoogte is; de blokken kiezen tegen elkaar partij, ze zorgen dat de
ander
respect voor ze heeft; laten wij van die verlamming profiteren, laten
we
de geschiedenis binnengaan en er voor de eerste keer een universeel
karakter
aan geven; laten we vechten: bij gebrek aan andere wapens zal het
geduld
van het mes voldoende zijn.
Europeanen,
open
dit boek en ga er binnen. Na enkele stappen in de nacht zult u
vreemdelingen
vinden die om een vuur zitten; ga er naar toe en luister: ze
discussieren
over het lot dat ze in petto hebben voor uw handelshuizen, voor de
huurlingen
die ze verdedigen. Misschien zien ze u, maar ze zullen doorgaan
met
hun gesprek, niet eens zachter. Die onverschilligheid treft u in
het hart: de vaders, geschapen uit het duister, door u geschapen, waren
dode zielen, u verschafte hun het licht, ze richtten zich uitsluitend
tot
u en u nam niet de moeite om die zombies te antwoorden. De zonen
negeren u: een vuur, niet het uwe, verlicht ze en verwarmt ze. En
u voelt uzelf, op eerbiedige afstand, een heimelijke, nachtelijke
binnensluipen:
ieder zijn beurt; in dat duister waaruit een andere dageraad zal
gloren,
bent u de zombie.
In dat
geval kunnen
we het boek beter het raam uit gooien, zult u zeggen. Waarom
zouden
we het lezen als het niet voor ons geschreven is? Om twee
redenen,
waarvan de eerste is dat Fanon zijn broeders uitlegt wie en wat u bent,
voor hen het mechanisme van onze vervreemding ontleedt: profiteer er
van
om u zelf te ontdekken, uw objectieve werkelijkheid. Onze
slachtoffers
kennen ons van hun wonden en hun boeien: daarmee is hun getuigenis
onweerlegbaar.
Om te weten wat we van onszelf gemaakt hebben, is het voldoende dat zij
ons laten zien wat we van hen gemaakt hebben. Is ' het
nuttig?
Ja, het gevaar is immers groot dat Europa crepeert. 'Maar', zegt
u dan, 'wij leven in de Metropool en wij keuren de excessen af.' Het is
waar: u bent geen kolonisten, maar u bent niet beter dan zij. Het
zijn uw pioniers, u heeft ze, over zee, weggestuurd, zij hebben u
verrijkt;
u had ze gewaarschuwd: als ze te veel bloed lieten vloeien zou u ze,
formeel,
veroordelen; op dezelfde manier houdt elke willekeurige staat in het
buitenland
een samenraapsel van agitators, provocateurs en spionnen in stand, die
zij verloochent wanneer ze gegrepen worden. U, die zo liberaal
bent,
zo humaan, u, met uw uiterst verfijnde liefde voor de cultuur, u doet
net
of u vergeten bent dat u koloniën heeft en dat men er moordt in uw
naam. Fanon onthult aan zijn kameraden - aan sommigen van hen
vooral,
aan degenen die een beetje te veel verwesterd zijn de solidariteit
tussen
de mensen in het moederland en hun koloniale zaakwaarnemers. Heb
de moed om het te lezen: in de eerste plaats omdat u zich zult schamen
en omdat de schaamte een revolutionair gevoel is, zoals Marx gezegd
heeft.
U ziet het: ook ik kan me niet losmaken van een subjectieve
illusie.
Ik zeg ook tegen u: 'Alles is verloren, als we niet. ..' Als Europeaan
steel ik het boek van een vijand en maak er een middel van om Europa te
genezen. Profiteer er van.
De tweede
reden is
deze: wanneer men de fascistische babbels van Sorel buiten beschouwing
laat, zult u merken dat Fanon de eerste is sinds Engels die het licht
laat
vallen op de vroedvrouw van de geschiedenis. En denkt u nou niet
dat een te onstuimig temperament of 'een ongelukkige jeugd bij hem de
oorzaak
is van een of andere vreemde voorkeur voor het geweld: hij vertolkt de
situatie, verder niets. Maar dat stelt hem reeds in staat stap
voor
stap de dialectiek vast te stellen, die de liberale hypocrisie voor u
verborgen
houdt en waarvan wij, evengoed als hijzelf, het product zijn.
In de vorige
eeuw
hield de bourgeoisie de arbeiders voor afgunstigen, los-geslagen door
grove
begeerten; maar ze zorgt er voor deze grote woestelingen in onze soort
op te nemen: hoe zouden ze vrijelijk hun arbeidskracht kunnen verkopen,
wanneer ze geen mensen en niet vrij zouden zijn? In Frankrijk en
in Engeland pretendeert het humanisme universeel te zijn.
Met
dwangarbeid
ligt de zaak totaal anders: geen contract; daar komt bij dat er
intimidatie
nodig is; de onderdrukking laat haar gezicht zien. Onze soldaten
die over zee, het universalisme van het moederland verwerpen, passen de
numerus clausus toe op het menselijk geslacht: aangezien niemand de
misdaad
kan omzeilen wanneer hij zijn gelijke berooft, tot slaaf brengt of
doodt,
stellen ze in principe dat de gekoloniseerde niet de gelijke is van de
mens. Onze gewapende macht heeft de taak gekregen van deze
abstracte
zekerheid een realiteit te maken: het bevel luidt de bewoners van het
geannexeerde
gebied terug te brengen tot het niveau van de hogere aapsoorten, opdat
de kolonist gerechtvaardigd is ze als lastdieren te gebruiken.
Het
doel van het koloniale geweld is niet alleen deze tot slaaf gebrachte
mensen
in bedwang te houden, maar het probeert ze te ontmenselijken.
Niets
zal gespaard worden om hun tradities te breken, om hun talen te
vervangen
door de onze, om hun cultuur te vernietigen, zonder hen onze cultuur te
geven; men zal hen afstompen door vermoeidheid. Als ze, ondervoed
en ziek, nog weerstand bieden, doet de angst de rest: geweerlopen
volgen
de boer; dan komen de burgers zich in het gebied vestigen en dwingen
hem
met de karwats de aarde voor hen te bewerken. Als hij verzet
biedt,
schieten de soldaten en hij is een dode mens; als hij buigt, zich
verlaagt,
is hij geen mens meer; schaamte en angst kerven zijn karakter,
desintegreren
zijn persoonlijkheid.
De zaak
wordt in
alle openlijkheid geregeld, door deskundigen: de 'psychologische
diensten'
zijn niet van vandaag of gisteren. Noch de hersenspoeling.
En toch is het doel, ondanks zoveel moeite, nergens bereikt: niet in de
Kongo, waar men de negers de hand afhakte en niet in Angola, waar men,
kortgeleden nog, de lippen van ontevredenen doorboorde om er een
hangslot
aan te bevestigen. En ik beweer niet dat het onmogelijk is om een
mens te veranderen in een dier: ik zeg dat het niet lukt zonder hem
aanzienlijk
te verzwakken; slagen zijn niet voldoende, ondervoeding moet met kracht
bevorderd worden. Dat is het vervelende met de slavernij: wanneer
men een vertegenwoordiger van onze soort onderwerpt, vermindert men
zijn
rendement en hoe weinig men hem ook geeft, een stalknecht kost altijd
meer
dan hij opbrengt. Dat is de reden waarom de kolonisten het
africhten
halverwege moeten staken: het resultaat, geen mens en geen dier, is de
inlander. Hij is geslagen, ondervoed, ziek, angstig, maar slechts
tot op een zeker punt, en hij heeft, geel, zwart of blank, altijd
dezelfde
karaktertrekken: het is een gluiperige, diefachtige luiaard, die van
niets
leeft en alleen ontzag heeft voor brute kracht.
Arme
kolonist: dat
is de naakte tegenstrijdigheid, waar hij onder gebukt gaat. Hij
zou,
net als, naar men zegt, de geesten dat doen, degene die hij berooft
moeten
doden. Maar dat is niet mogelijk: hij moet ze immers ook
uitbuiten.
Omdat hij het bloedbad niet uitbreidt tot een genocide en de
onderwerping
niet doordrijft tot een volslagen verdierlijking, raakt hij de macht
over
het stuur kwijt, het proces draait 'zich om en leidt volgens een
onverbiddelijke
logica naar de dekolonisatie.
Niet
onmiddellijk.
Eerst heerst de Europeaan: hij heeft het al verloren maar merkt het
niet;
hij weet nog niet dat de inlanders schijn-inlanders zijn: hij doet hen,
naar eigen zeggen, kwaad, om het kwaad dat ze in zich hebben te
vernietigen
of terug te drijven; na drie generaties zullen hun verderfelijke
instincten
de kop niet meer opsteken. Welke instincten? Die welke de
slaven
er toe drijven de meester te vermoorden? Hoe zou hij daar niet
zijn
eigen wreedheid in herkennen die zich tegen hem heeft gekeerd?
Hoe
zou hij in de beestachtigheid van die onderdrukte boeren niet zijn
eigen
kolonisten-beestachtigheid terugvinden, die ze door. alle poriën
opgezogen
hebben en waarvan ze niet zullen genezen? De reden is simpel: dit
heerszuchtige personage, dol door zijn almacht en zijn angst die te
verliezen,
herinnert zich niet zo goed meer, dat bij een mens geweest is: hij
denkt
dat hij een karwats of een geweer is; hij is uiteindelijk gaan geloven
dat de onderwerpingen van de 'minderwaardige rassen' verkregen kan
worden
door het conditioneren van hun reflexen. Hij verwaarloost het
menselijke
geheugen, de onuitwisbare herinneringen; en dan is er vooral nog dit,
wat
hij misschien nooit geweten heeft: wij worden alleen maar wat we zijn,
door een radicale ontkenning, diep in ons zelf, van wat men van ons
gemaakt
heeft. Drie generaties? Van de tweede generatie af hebben
de
zonen al gezien hoe hun vaders geslagen werden. Om met de
psychiatrie
te spreken: ze zijn 'getraumatiseerd'. Voor het leven. Maar
deze onophoudelijk vernieuwde daden van agressie brengen hen er niet
toe
zich te onderwerpen, verre van dat: ze brengen hen in een
onverdraaglijke
tegenstrijdigheid, waar de Europeaan, vroeger of later voor op zal
moeten
draaien. Naderhand kan men hen op hun beurt dresseren, leren wat
schaamte is, pijn en honger: men wekt slechts in hun lichaam een
vulkanische
woede op, van gelijke kracht als de druk die op hen wordt
uitgeoefend.
Ze kennen alleen de taal van het geweld, zei u? Natuurlijk; eerst zal
dat
alleen het geweld van de kolonist zijn en, weldra, alleen dat van hen,
hetgeen wil zeggen: hetzelfde geweld springt terug op ons, zoals ons
beeld
uit de diepte van een spiegel op ons af komt. U moet zich niet
vergissen;
dit dolle gezwel, deze gal, hun voortdurende verlangen om ons te doden,
de voortdurende contractie van machtige spieren die bang zijn zich vrij
te maken, dat alles maakt hen tot mensen, door de kolonist, die hen als
dienstbare mensen wenst, en tegen hem. De haat, die nog blind is
en abstract, is hun enige schat; een haat die opgewekt wordt door de
meester
die hen wil verdierlijken, die hij niet helemaal kan breken, omdat zijn
belangen hem halverwege een halt toeroepen zodoende zijn de
schijn-inlanders
nog menselijk dank zij de macht en de onmacht van de onderdrukker, die
zich bij hen omzetten in een koppige weigering van de dierlijke
staat.
Voor de rest heeft men het begrepen; ze zijn lui, natuurlijk: dat is
sabotage.
Geniepig en diefachtig: nou en of; hun kruimeldiefstalletjes vormen het
begin van een nog ongeorganiseerd verzet. Dat is niet voldoende:
er zijn er die zich doen gelden door zich met blote handen op mensen
met
geweren te werpen; dat zijn hun helden; en anderen maken zich tot mens
door Europeanen te vermoorden. Ze worden afgemaakt: de straf van
deze boeven en martelaren brengt de met angst geslagen massa's in
vervoering.
Met angst
geslagen,
ja: op dit nieuwe moment verinnerlijkt de koloniale agressie zich als
angst
bij de gekoloniseerden. Daarmee bedoel ik niet alleen de angst
die
ze voelen tegenover onze onuitputtelijke onderdrukkingsmiddelen, maar
ook
de angst die hun eigen woede bij hen opwekt. Ze zijn ingeklemd
tussen
onze wapens die op hem gericht zijn en deze angstwekkende driften, dit
verlangen om te moorden, dat uit de diepte van hun hart naar boven komt
en dat ze niet altijd herkennen: want het is in eerste instantie niet
hun
geweld, het is het onze, dat omgedraaid is, groter wordt en hen
verscheurt;
en de eerste neiging van deze onderdrukten is om deze woede, waar ze
niet
voor uit kunnen komen, diep weg te stoppen; deze woede die hun moraal
en
onze moraal afwijst, maar die niettemin de laatste schuilhoek is van
hun
menselijkheid. Lees Fanon: u zult leren dat, in de periode van
onmacht,
dolle moorddrift het collectieve onbewuste van de gekoloniseerden vormt.
Deze
beheerste razernij
draait,' bij gebrek aan een uitlaatklep in het rond en teistert de
verdrukten
zelf. Om zich er van te bevrijden komen ze er toe elkaar uit te
moorden:
de stammen vechten tegen elkaar, omdat ze de werkelijke vijand niet aan
kunnen vallen - en u kunt het gerust aan de koloniale politie overlaten
om hun rivaliteit wakker te houden; de broeder die het mes opheft tegen
zijn broeder, denkt eens voor altijd het verafschuwde beeld van hun
gemeenschappelijke
vernedering te vernietigen.
Maar deze
zoenoffers
kunnen hun dorst naar bloed niet lessen; alleen door onze
medeplichtigen
te worden, kunnen ze zichzelf er van weerhouden op de mitrailleurs in
te
lopen: zij zelf versnellen de voortgang van de ontmenselijking die zij
afwijzen. Terwijl de kolonist geamuseerd toekijkt, zullen ze zich
tegen zichzelf wapenen met bovennatuurlijke vestingwerken, soms door
oude,
verschrikkelijke mythen nieuw leven in te blazen; soms door zichzelf te
knevelen met pietluttige mythen: zo ontvlucht de geobsedeerde zijn
diepste
aandrift, door zichzelf manies op te leggen die hem ieder moment
opeisen.
Ze dansen: dat houdt ze bezig; dat geeft hun pijnlijk samengetrokken
spieren
de kans zich te ontspannen en dan is de dans ook nog, in het geheim,
vaak
zonder dat ze het weten, een nabootsing van het Nee dat ze niet kunnen
zeggen, van de moorden die ze niet durven begaan. In sommige
streken
doen ze een beroep op het laatste redmiddel: de magische
bezetenheid.
Van wat vroeger simpelweg de godsdienst was, een bepaalde communicatie
van de gelovige met het heilige, maken ze een wapen tegen wanhoop en
vernedering:
de zars en de loas, de Heiligen dalen in hen af, besturen hun
gewelddrift
en verspillen die in extases tot aan de volledige uitputting.
Tegelijkertijd
beschermen deze hoge personages hen: met andere woorden, de
gekoloniseerden
beschermen zich tegen de koloniale vervreemding door diep in de
religieuze
vervreemding te duiken. Met als enig resultaat dat ze twee
soorten
vervreemding verenigen die elkaar versterken. Op dezelfde manier
komt het bij sommige psychoses voor, dat de patiënt die aan
hallucinaties
lijdt, wanneer hij er genoeg van heeft elke dag beledigd te worden, op
een goede dag op het idee komt om de stem van een engel te horen die
hem
complimentjes geeft; de plagerijen houden daarmee niet op, maar
voortaan
worden ze afgewisseld met felicitaties. Het is een verdediging en
het -is het einde van hun avontuur: de persoonlijkheid is uit elkaar
gevallen,
de patiënt is op weg naar de krankzinnigheid. Voeg daar,
voor
enkele nauwkeurig uitgeselecteerde wezens, een andere bezetenheid, waar
ik het eerder over had, aan toe: de westerse cultuur.'
In hun
plaats, zult
u zeggen, zou ik mijn zars boven de Acropolis verkiezen. Goed: u
hebt het begrepen. Maar biet helemaal, want u bent niet in hun
plaats.
Nog niet. Anders zou u weten dat ze niet kunnen kiezen: ze
stapelen
op. Twee werelden, dat betekent twee soorten bezetenheid: je
danst
's nachts, als de zon opgaat haast je je naar de kerken om de mis te
horen;
van dag tot dag breidt de spleet zich uit. Onze vijand verraadt
zijn
broeders en wordt onze medeplichtige; zijn broeders doen
hetzelfde.
Het inlander-zijn is een neurose die door de kolonist bij de
gekoloniseerden
is ingevoerd en door hem in stand wordt gehouden, met de instemming van
de gekoloniseerden.
De
menselijke staat
tegelijkertijd opeisen en ontkennen: de tegenstrijdigheid is explosies
Ze explodeert dan ook, dat weten we allemaal. En wij leven in de
tijd waarin de lont ontstoken wordt: wanneer de geboortetoename het
gebrek
doet toenemen, wanneer de nieuwkomers iets meer te duchten hebben van
het
leven dan van de dood, dan zal de wilde stroom van het geweld door alle
dijken heen breken. In Algerije en in Angola, worden de
Europeanen
bij open doek vermoord. Het is het ogenblik van de boemerang, de
derde periode van het geweld: het komt naar ons terug, het treft ons,
en
evenmin als de andere keren begrijpen we dat het ons eigen geweld
is.
De 'liberalen' zijn met stomheid geslagen: ze geven toe dat we de
inlanders
niet beleefd genoeg behandeld hebben, dat het juister en voorzichtiger
was geweest als we ze bepaalde rechten hadden gegeven, voor zover het
mogelijk
was; ze wilden niets liever dan hen in drommen en zonder introductie
toelaten
in de zeer besloten club van onze soort: en ziedaar, de barbaarse,
dolle
uitbarsting maakt geen onderscheid tussen hen en de slechte
kolonist.
De linkse beweging in het moederland weet niet goed raad: ze weet van
het
werkelijke lot van inlanders, van de genadeloze onderdrukking waar ze
het
slachtoffer van zijn, ze veroordeelt hun opstand niet, omdat ze weet
dat
wij alles gedaan hebben om die te provoceren. Maar toch, denkt
ze,
zijn er grenzen.
Deze
guerrillero's
zouden er voor alles op gebrand moeten zijn zich ridderlijk te
gedragen;
dat zou de beste manier zijn om te tonen dat ze mensen zijn. Soms
beknort ze hen: 'Jullie lopen te hard van stapel, we steunen jullie
niet
meer'. Het kan ze geen bliksem schelen: voor hun part stopt ze
die
hulp in haar reet, zoveel hebben ze er aan gehad. Vanaf het begin
van hun oorlog hebben ze deze onweerlegbare waarheid ontdekt: wij
hebben
allemaal, stuk voor stuk, van ze geprofiteerd, ze hoeven geen
bewijsgrond
aan te voeren, ze zullen voor niemand een uitzondering maken.
Eén
enkele plicht, één enkel doel: het kolonialisme met
gebruik
van alle middelen verjagen. En degenen van ons die de zaak het
best
doorzien, zouden uiteindelijk bereid zijn om het toe te geven, maar ook
zij zien toch in die krachtmeting het absoluut onmenselijke middel,
waarvan
ondermensen zich bedienen om zich een certificaat van menselijkheid te
verwerven: laat men ze dat laatste zo snel mogelijk geven en laten ze
dan,
door vreedzame activiteiten proberen het te verdienen. Onze mooie
zielen zijn racistisch.
Ze zullen
er baat
bij hebben Fanon te lezen; hij toont zonder meer aan, dat deze niet te
bedwingen gewelduitbarsting een absurde storm is, noch de wederopleving
van wilde instincten, zelfs geen gevolg van wrok: het is de mens die
zichzelf
opnieuw samenstelt. Die waarheid hebben we, geloof ik, gekend en
we zijn haar vergeten: de tekens van het geweld worden door geen enkele
zachtheid uitgewist: het geweld alleen kan ze doen verdwijnen. En
de gekoloniseerde geneest zichzelf van de koloniale neurose door de
kolonist
met de wapens te verjagen. Wanneer zijn woede losbarst, vindt hij
zijn verloren doorzichtigheid terug; hij kent zichzelf voor zover hij
zich
zelf maakt; vanuit de verte is zijn oorlog voor ons de triomf van de
barbarij;
maar in de strijd en door de strijd vindt de geleidelijke emancipatie
van
de strijder plaats, de strijd ruimt geleidelijk in hem en buiten hem
het
koloniale duister op. Wanneer ze eenmaal begonnen is, kent ze
geen
pardon. Er zijn twee mogelijkheden: met angst geslagen blijven of
angstaanjagend worden; dat wil zeggen: zich overgeven aan het
ontbindingsproces
van een vervalst leven, of de oorspronkelijke eenheid veroveren.
Wanneer de boeren een geweer aanraken, verbleken de oude mythen, de
taboes
vallen één voor één om: het menselijke van
een strijder zit in zijn wapen. Want in de eerste periode van de
opstand moet er gedood worden: met het uit de weg ruimen van een
Europeaan
sla je twee vliegen in één klap, je rekent af met een
onderdrukker
en met een onderdrukte: blijven over een dode mens en een vrije mens;
de
overlevende voelt voor de eerste keer nationale bodem onder zijn
voeten.
Op dat ogenblik verwijdert de natie zich niet van hem: men vindt haar
waar
hij gaat, waar bij is - nooit verder weg, ze is niet te onderscheiden
van
zijn vrijheid. Maar na de eerste verrassing reageert het
koloniale
leger: het parool is nu eenheid of ondergang. De ruzies tussen de
stammen raken op de achtergrond, hebben de neiging te verdwijnen.
In de eerste plaats, omdat ze de Revolutie in gevaar brengen en,
wezenlijker,
omdat de enige functie van die twisten was het geweld af te leiden en
te
richten naar valse vijanden. Wanneer ze wel blijven bestaan -
zoals
in de Kongo dan is dat, omdat ze door agenten van het kolonialisme in
stand
worden gehouden. De natie zet zich in beweging. Voor iedere
broeder is ze overal waar andere broeders strijden. Hun
broederliefde
is de keerzijde van de haat die ze tegen u voelen: broeders hierin, dat
ieder van hen heeft gedood, van het ene moment op het andere kan hebben
gedood. Fanon wijst zijn lezers op de grenzen van de
'spontaniteit',
op de noodzaak en de gevaren van de 'organisatie'. Maar hoe
immens
de taak ook is, met iedere ontwikkeling van de onderneming verdiept het
revolutionaire bewustzijn zich. De laatste complexen smelten weg:
niemand hoeft meer aan te komen met het 'afhankelijkheidscomplex' van
de
soldaat uit het Nationale Bevrijdingsleger. Bevrijd van zijn
oogkleppen,
ontdekt de boer zijn behoeften: hij bezweek er onder, maar probeerde ze
niet te zien; hij ontdekt dat het oneindige eisen zijn. Binnen
dit
geweld van een heel volk kan - wil men het vijf, acht jaar volhouden
zoals
de Algerijnen deden, geen onderscheid gemaakt worden tussen militaire,
sociale en politieke noodzaken. De oorlog stelt een nieuwe
ordening
in - al was het alleen maar, omdat de kwestie van het commando en van
de
verantwoordelijkheden aan de orde komt - en dat is de basis voor de
instellingen
van de vrede. Daarmee is de mens geïnstalleerd, compleet
zelfs
met nieuwe tradities, toekomstige dochters van een afschuwelijk heden,
daarmee is hij als wettig erkend door een recht dat gaat ontstaan, dat
iedere dag uit het vuur ontstaat: wanneer de laatste kolonist dood,
gerepatrieerd
of geassimileerd is, verdwijnt de minderheidssoort en maakt plaats voor
een socialistische broederschap. En dat is nog niet genoeg: deze
strijder is niet te stuiten; u kunt rustig aannemen dat hij zijn leven
niet waagt om het niveau te veroveren van de vroegere inwoner uit het
'moederland'.
Zie hoe geduldig hij is. Misschien droomt hij soms van een nieuw
Dien Bien Phoe; maar denk niet dat hij er echt op rekent: het is een
bedelaar
die, met zijn armoede, vecht tegen machtig bewapende rijken. In
afwachting
van de uiteindelijke overwinning en vaak zonder enige verwachting
bewerkt
hij zijn tegenstanders tot het uiterste. Verschrikkelijke
verliezen
zijn daarbij onvermijdelijk; het koloniale leger wordt woest: gebieden
worden omsingeld, uitgekamd, de bevolking wordt 'hergroepeerd',
strafexpedities
worden uitgevoerd; men vermoordt vrouwen en kinderen. Hij weet
het:
deze nieuwe mens begint zijn mensenleven bij het einde; hij weet dat
hij
een potentieel lijk is. Hij zal gedood worden: hij accepteert het
niet alleen als een risico, het is een zekerheid voor hem; dit
potentiële
lijk heeft zijn vrouw verloren en zijn zonen; hij heeft zoveel
doodsstrijd
gezien dat hij liever wil overwinnen dan overleven; anderen zullen
profiteren
van de overwinning, hij niet: hij is op, hij kan niet meer. Maar
deze vermoeidheid van het hart is de basis voor een ongelooflijke
moed.
Wij vinden onze menselijkheid aan deze zijde van de dood en de wanhoop,
hij vindt haar aan gene zijde van martelingen en dood. Wij zijn
degenen
die wind gezaaid hebben; de storm, dat is hij. Als zoon van het
geweld
put hij dáár ieder moment zijn menselijkheid uit: wij
waren
mensen ten koste van hem, hij wordt mens ten koste van ons. Een
andere
mens: van betere kwaliteit.
Hier
houdt Fanon
op. Hij heeft de weg aangegeven: als woordvoerder van de
strijders
heeft hij opgeroepen tot eenwording, tot de eenheid van het Afrikaanse
continent tegen alle tweedracht en streven naar plaatselijke autonomie
in. Hij heeft zijn doel bereikt. Als hij een integrale
beschrijving
had willen geven van het historische feit van de dekolonisatie, had hij
het over ons moeten hebben: maar dat is zeker niet zijn
bedoeling.
Maar wanneer we het boek dichtgeslagen hebben, heeft het, ondanks de
auteur,
in ons een vervolg: want wij ondervinden de kracht van volkeren die in
revolutie zijn en we antwoorden er op met geweld. Er is dus
sprake
van een nieuw moment in het geweld en deze ' keer moeten we op onszelf
terugkomen, want het geweld is bezig ons te veranderen in de mate
waarin
de schijn-inlander erin verandert. Laat ieder zijn gedachten
richten
waarheen hij wil. Als men maar nadenkt: in het Europa van
vandaag,
dat duizelig is van de slagen die het heeft moeten incasseren, in
Frankrijk,
in België, in Engeland, betekent de minste afdwaling van de
gedachten
een misdadige medeplichtigheid met het kolonialisme. Dit boek had
absoluut geen voorwoord nodig. Zeker niet gezien het feit dat het
zich niet tot ons richt. Toch heb ik er een gemaakt, om de
dialectiek
tot het eind toe door te voeren: ook wij Europeanen, worden
gedekoloniseerd.
Dat wil zeggen dat de kolonist die in ieder van ons huist, door een
bloedige
operatie wordt uitgesneden. Laten we elkaar eens bekijken, als we
daar de moed toe hebben en zien wat er van ons terechtkomt.
Eerst
moeten we het
onverwachte schouwspel van de striptease van ons humanisme onder ogen
zien.
Daar staat het, helemaal naakt; mooi is het niet: het was niet meer dan
een leugenachtige ideologie, de geraffineerde rechtvaardiging voor
plundering;
de tederheden, de verfijning er van, waren een vrijbrief voor onze
agressies.
Ze slaan een fraai figuur, de geweldlozen: slachtoffer, noch
beul!
Kom nou! Als u geen slachtoffer bent, wanneer de regering die u
gekozen
hebt, wanneer het leger waar uw jongere broeders in hebben gediend,
zonder
aarzeling of spijt een volkerenmoord hebben begaan, behoort u zonder
enige
twijfel tot de beulen. En wanneer u de rol van slachtoffer kiest
en een of twee dagen gevangenis riskeert, dan kiest u voor een poging
om
u er uit te redden. Het zal u niet lukken: u zit in het schuitje
tot het einde toe. Begrijp dit nu eindelijk eens: als het geweld
van avond begonnen is, als onderdrukking en uitbuiting nooit op aarde
zijn
voortgekomen, dan kan de ruzie misschien gesmoord worden door het
prediken
van geweldloosheid. Maar wanneer het hele bestel, tot en met uw
geweldloze
gedachten, geconditioneerd is door een duizendjarige onderdrukking, dan
brengt uw passiviteit u slechts aan de zijde van de
onderdrukkers.
U weet heel goed dat wij uitbuiters zijn. U weet heel goed dat
wij
het goud genomen hebben en de metalen en vervolgens de olie van de
'nieuwe
continenten' en dat we het meegenomen hebben naai het moederland.
En niet zonder schitterende resultaten: paleizen, kathedralen,
geweldige
industriesteden; en toen vervolgens de crisis dreigde, kon die afgewend
of verzacht worden, dank zij de koloniale markten. Het met
rijkdommen
zat gevreten Europa kende al zijn inwoners de jure de status van mens
toe:
een mens, dat betekent bij ons een medeplichtige, omdat we allemaal
geprofiteerd
hebben van de koloniale uitbuiting. Dit vette en bleke continent
vervalt uiteindelijk in wat Fanon terecht 'narcisme' noemt.
Cocteau
wond zich op over Parijs, 'de stad die het altijd over zichzelf
heeft'.
En doet Europa iets anders? Of dat super-Europese monster,
Noord-Amerika?
Eindeloos gebabbel: vrijheid, gelijkheid, broederschap, liefde, eer,
vaderland,
wat u maar wilt. Dat heeft ons niet verhinderd om tegelijkertijd
racistische praat te verkondigen, smerige nikker, smerige jood, smerige
blauwe. Verlichte geesten, liberaal en teder - kortom
neokolonialisten
- deden of ze geschokt waren door deze inconsequentie; vergissing of
blijk
van kwade trouw: niets is logischer bij ons dan een racistisch
humanisme,
aangezien de Europeaan alleen mens is kunnen worden door slaven en
monsters
te scheppen. Zolang er inlanders bestonden, werd dit bedrog niet
ontmaskerd. In de menselijke soort vond men als abstract gegeven
een universaliteitsprincipe dat moest dienen om meer realistische
praktijken
te bedekken: er bestond, aan de overkant van de zeeën, een ras van
onder-mensen die, dank zij ons, onze staat zouden bereiken, in duizend
jaar misschien. Kortom, men haalde de soort en de elite door
elkaar.
Vandaag onthult de inlander zijn waarheid; meteen blijkt de zwakte van
onze zo besloten club: het was niet meer en niet minder dan een
minderheid.
Er is nog iets ergers: omdat de anderen mens worden in hun verzet tegen
ons, blijkt dat wij de vijanden zijn van het menselijk geslacht; de
elite
onthult zijn ware natuur: een gang. Onze dierbare waarden
verliezen
hun vleugels. Wanneer je ze nauwkeurig bekijkt blijkt er niet
één
te zijn waar geen bloed aan kleeft. Als u een voorbeeld nodig
hebt,
denk dan aan de grote woorden: hoe edelmoedig is Frankrijk! Wij
edelmoedig?
En Sétif? En die achtjarige wrede oorlog die aan meer dan
een miljoen Algerijnen het leven heeft gekost? En het
martelen?
Maar begrijp goed dat men ons niet verwijt dat we weet ik wat voor
missie
verraden hebben: om de eenvoudige reden dat we die nooit gehad
hebben.
Het gaat om de edelmoedigheid zelf; dat mooie klankrijke woord betekent
slechts één ding: een vastgelegd statuut. Voor de
mensen
aan de overkant, de nieuwe, bevrijde mensen, heeft niemand het recht
iets
aan iemand te geven. leder heeft alle rechten. Over allen; en
wanneer
onze soort op een dag definitief vorm zal hebben, zal ze niet
gedefinieerd
kunnen worden als de som van de bewoners van de aarde, maar als de
Oneindige
eenheid van hun wederzijdse betrekkingen. Ik houd op; u kunt het
zelf zonder moeite afmaken; daarvoor hoeft u alleen, voor de eerste en
de laatste keer, onze aristocratische deugden recht in het gezicht te
kijken:
ze creperen. Hoe zouden ze hun verwekker, de aristocratie van
onder-mensen,
ook kunnen overleven? Enkele jaren geleden kon een burgerlijke -
en kolonialistische - commentator niets beters vinden om het Westen te
verdedigen dan dit: 'Wij zijn geen engelen. Maar wij hebben
tenminste
berouw.' Wat een bekentenis! Vroeger hielden andere zaken ons
continent
drijvende: het Parthenon, Chartres, de Rechten van de Mens, het
hakenkruis.
Nu weet men wat ze waard zijn: en men wil ons alleen nog maar redden
van
de schipbreuk met het zeer christelijke besef van onze schuld.
Dat
is, zoals u ziet, het einde: Europa maakt aan alle kanten water.
Wat is er dan gebeurd? Heel eenvoudig dit: we waren het onderwerp
van de geschiedenis en nu zijn we er het lijdend voorwerp van. De
krachtsverhouding is omgekeerd, de' dekolonisatie is in beweging; het
enige
wat onze huurlingen kunnen proberen is de voltooiing er van te
vertragen.
En dan
moeten de
oude 'Metropolen' nog alles op alles zetten, dan moeten ze nog al hun
krachten
inzetten in een strijd die bij voorbaat verloren is. De oude
koloniale
wreedheid, waar de twijfelachtige roem van mensen als Bugeaud op
berust,
vinden we tegen het eind van het avontuur terug, vertienvoudigd, maar
ontoereikend.
Men stuurt de dienstplichtigen naar Algerije, ze zijn er sinds zeven
jaar,
zonder resultaat. Het geweld is van richting veranderd; als
overwinnaars
gebruikten we het zonder dat het ons leek aan te tasten: de anderen
gingen
er kapot aan en wij, mensen, haalden ons humanisme ongeschonden uit de
strijd; verenigd door het profijt, doopten de mensen in het moederland
de gemeenschap van hun misdaden' met namen als 'broederschap' en
'liefde'.
Nu komt hetzelfde geweld, dat overal tot staan is gebracht, via onze
soldaten
naar ons terug, het slaat naar binnen en neemt bezit van ons.
De
ontwikkeling is
omgedraaid: de gekoloniseerde hervindt zijn eenheid en wij,
ultrareactionairen
en liberalen, kolonisten en mensen in het 'moederland', wij raken in
ontbinding.
De razernij en de angst worden al niet meer verhuld: ze stellen zich
openlijk
ten toon in de wilde arabierenjacht in Algiers. Waar vindt men de
wilden vandaag de dag? Waar wordt barbaars opgetreden? Het
is helemaal compleet, zelfs de tam-tam ontbreekt niet: de claxons
scanderen
'Algérie Frangaise' terwijl de Europeanen moslems levend
verbranden.
Fanon herinnert er aan dat het nog niet zo lang geleden is dat
psychiaters
op een congres zich het hoofd braken over de criminaliteit onder
inlanders:
die lui doden elkaar maar, dat het niet gewoon meer is, zeiden ze; de
hersenschors
van de Algerijn moet onderontwikkeld zijn. Anderen hebben in
Centraal
Afrika vastgesteld dat 'de Afrikaan zijn voorhoofdskwabben zeer weinig
gebruikt'. Het zou interessant zijn voor deze geleerden om nu hun
onderzoek voort te zetten in Europa en speciaal bij de Fransen.
Want
ook wij moeten sinds enkele jaren het slachtoffer zijn van
voorhoofdsluiheid:
de patriotten zijn aan het moorden geslagen onder hun landgenoten; bij
hun afwezigheid blazen ze hun huis op, met conciërge en al.
Dat is pas het begin: de burgeroorlog wordt deze herfst of komend
voorjaar
verwacht. Toch schijnen onze voorhoofdskwabben in uitstekende
staat
te verkeren: zou het niet eerder zó zijn, dat het geweld op
onszelf
terugkomt, nu we de inlander niet meer kunnen vertrappen, dat het zich
in ons opstapelt en een uitweg zoekt? De eenwording van het
Algerijnse
volk heeft tot gevolg dat de eenheid van het Franse volk verbroken is:
op het hele grondgebied van het oude 'moederland' dansen de stammen en
bereiden zich voor op de strijd. De terreur heeft Afrika verlaten
en installeert zich hier: want er zijn recht op en en neer razende
driftkoppen,
die het feit dat zij verslagen zijn door de inlander, door ons, met ons
bloed, willen laten betalen en dan zijn er de anderen, alle anderen,
die
ook schuldig zijn - want wie is er na Bizerta, na de lynchpartijen van
september, de straat opgegaan om te zeggen 'Genoeg!'? - maar een beetje
bedaarder: de liberalen en de hardste elementen van 'zacht'
Links.
Ook bij hen stijgt de koorts. En de gespannenheid. Maar wat
een angst! Ze verbergen hun razernij achter mythen, achter
gecompliceerde
rites. Om de definitieve afrekening en het uur der waarheid uit
te
stellen, hebben ze bij ons een Grote Tovenaar aan de macht gebracht,
wiens
opdracht het is, ons tot elke prijs in het duister te houden.
Niets
helpt; terwijl sommigen zich er op beroepen en anderen het wegstoppen,
draait het geweld in het rond: de ene dag barst het los in Metz, de
volgende
dag in Bordeaux; hier is het geweest, daar komt het langs, net een
spelletje
slofje-onder. Op onze beurt leggen we stap voor stap de weg naar
het inlanderschap af. Helemaal worden we het niet; daarvoor zou
onze
grond bezet moeten worden door de vroegere gekoloniseerden en zouden we
moeten creperen van de honger. Dat gebeurt niet: nee, we worden
beheerst
door het afgedankt kolonialisme, dat zal ons weldra berijden, groots en
seniel.
Dat is
onze zar,
onze loa. En bij het lezen van het laatste hoofdstuk van Fanon
zult
u er van overtuigd raken, dat je beter een inlander kunt zijn op het
dieptepunt
van de ellende dan een voormalige kolonist. Het is niet goed om
een
politiefunctionaris te verplichten tien uur per dag te martelen: bij
een
dergelijk tempo begeven zijn zenuwen het, tenzij men de beulen, in hun
eigen belang, verbiedt om overuren te maken. Wanneer men, met de
gestrengheid van de wet, de moraal van Natie en Leger wil beschermen,
dan
is het niet goed dat die laatste de eerste systematisch
demoraliseert.
En dan is het ook niet goed dat een land met een republikeinse traditie
zijn jonge mannen bij honderdduizenden aan putschistische officieren
toevertrouwt.
Het is niet goed, waarde landgenoten, gij die weet van alle misdaden
die
in onze naam begaan zijn, het is werkelijk niet goed dat u er geen
woord
over zegt, tegen niemand, zelfs niet tegen uw eigen ziel, uit angst
over
uzelf te moeten oordelen. In het begin, dat wil ik aannemen, was
u niet op de hoogte, vervolgens hebt u getwijfeld en nu bent u volledig
op de hoogte, maar u houdt nog steeds uw mond. Acht jaar zwijgen,
daarmee verlaagt een mens zich. En vergeefs: op het ogenblik
staat
de verblindende zon van het martelen in het zenith, hij verlicht het
hele
land; onder dat licht is er geen lach meer, die niet vals klinkt, geen
gezicht meer dat niet wordt opgemaakt om woede of angst te bedekken,
geen
daad meer die niet onze afkeer en onze medeplichtigheid verraadt.
Twee Fransen hoeven elkaar vandaag maar te ontmoeten of er, ligt een
lijk
tussen hen in. En ik zeg nu 'een lijk'.. . Frankrijk was vroeger
de naam van een land; we moeten oppassen dat het in 1961 niet de naam
van
een neurose wordt.
Zullen we
genezen?
Ja. Het geweld kan, net als de lans van Achilles, de wonden
dichten
die het eerst gemaakt heeft. Op het ogenblik zijn we geketend,
vernederd,
ziek van angst: op het dieptepunt. Gelukkig is dat nog niet
genoeg
voor de kolonialistische aristocratie: ze kan haar vertragingsopdracht
in Algerije pas volbrengen, wanneer ze eerst de kolonisatie van de
Fransen
volbracht heeft. We deinzen iedere dag terug voor de vechtpartij,
maar u kunt er zeker van zijn dat we die niet kunnen ontwijken: de
beroepsmoordenaars
hebben hem nodig; ze gooien ons op een hoop en meppen er dan op.
Zo zal de tijd van tovenaars en fetisjen aflopen: u zult moeten vechten
of u rot weg in een kamp.
Dit is het
laatste
moment van de dialectiek. U veroordeelt de oorlog, maar u durft u
nog niet solidair te verklaren met de Algerijnse strijders; wees niet
bang,
u kunt rekenen op de kolonisten en de huurlingen; die geven u wel een
zetje
in de goede richting. Dan zult u misschien, met de rug tegen de
muur,
eindelijk dat nieuwe geweld de vrije teugel laten, dat door oude,
opgewarmde
euveldaden in u opgewekt wordt. Maar dat is, zoals dat heet, een
ander verhaal. Dat van de mens. De tijd komt nader, daar
ben
ik zeker van, dat wij ons zullen voegen bij de bouwers aan dat verhaal,
aan die geschiedenis.
Jean-PauI
Sartre
September
1961
Conclusie,
door Frantz Fanon
Vooruit
kameraden,
het is beter meteen het roer om te gooien. We moeten de diepe
duisternis
waarin we ondergedoken zitten van ons afschudden, we moeten er uit zien
te komen. Als de nieuwe dag, die al begint, ons vindt moeten we
standvastig
zijn, zeker van onszelf en vastberaden.
We moeten
afscheid
nemen van onze dromen, onze oude ideeën en vriendschappen van
vóor
het leven opgeven. Laten we onze tijd niet verliezen met steriele
litanieën of met misselijk makende nabootsingen. Laten we
ons
afwenden van het Europa dat maar niet uitgepraat raakt over de mens en
hem onderwijl afslacht waar het hem maar vindt, op alle hoeken van zijn
eigen straten, op alle hoeken van de wereld.
Eeuwenlang
nu al
heeft Europa de vooruitgang van de andere mensen tegengehouden, heeft
het
hen tot slaaf gemaakt van zijn eigen plannen en zijn eigen roem;
eeuwenlang
al verstikt Europa bijna de gehele mensheid in naam van een zogeheten
'geestelijk
avontuur'. Ziet, hoe Europa nu wankelt tussen de atomaire en de
geestelijke
desintegratie.
En toch kan
gezegd
worden dat Europa geslaagd is in wat het wilde verwezenlijken.
Onstuimig,
cynisch,
gewelddadig heeft Europa de leiding van de wereld genomen. En
ziet,
hoe de schaduw van zijn monumenten zich uitbreidt en
vermenigvuldigt.
Iedere beweging van Europa heeft de grenzen van de ruimte en die van
het
denken doen kraken. Europa heeft zich iedere nederigheid, iedere
bescheidenheid ontzegd, maar ook ieder mededogen, iedere tederheid.
Alleen
tegenover
de mens heeft Europa zich schriel betoond, kleinzielig, bloeddorstig,
moordzuchtig,
alleen tegenover de mens.
Is het dan
niet
duidelijk, broeders, dat we iets beters te doen hebben dan achter dat
Europa
aan te lopen? Dat Europa, dat nooit ophield te praten over de
mens,
dat nooit anders verklaard heeft dan dat het alleen om de mens bezorgd
was. We weten nu met welk lijden de mensheid elke overwinning van
de geest van dat Europa heeft moeten betalen.
Nu dan,
kameraden,
het Europese spel is definitief uit, we moeten iets anders
vinden.
We kunnen vandaag alles doen, als we Europa maar niet gaan nabootsen,
als
we maar niet bezeten zijn van het verlangen Europa in te halen.
Europa heeft
een
zo buitensporige en waanzinnige snelheid ontwikkeld, dat geen poging
tot
besturing, geen enkele redelijkheid er vat op krijgt, zodat het in een
verschrikkelijke, duizelingwekkende beweging naar afgronden koerst,
waar
men maar beter zo snel mogelijk bij uit de buurt kan proberen te komen.
Maar het is
waar
dat we toch een model, schema's, voorbeelden nodig hebben. Voor
velen
van ons heeft het Europese model de meeste glans. In de
voorgaande
bladzijden hebben we echter gezien tot welke teleurstellingen een
dergelijke
imitatie leidt. We moeten niet meer verleid en uit ons evenwicht
gebracht worden door de Europese verhoudingen, de Europese techniek, de
Europese stijl.
Als ik in
de Europese
techniek en de Europese stijl de mens zoek, vind ik een opeenvolging
van
verloocheningen van de mens, een stortvloed van moorden.
Het
mens-zijn, de
doelstellingen van de mens, de samenwerking tussen mensen in
ondernemingen,
die de mens verrijken, vormen nieuwe problemen die waarlijke
uitvindingen
eisen.
Laten we
besluiten
om Europa niet na te doen en laten we onze spieren en onze hersens
mobiliseren
in een andere richting. Laten we proberen de totale mens uit te
vinden,
nu Europa heeft bewezen niet in staat te zijn die te doen zegevieren.
Twee eeuwen
geleden
heeft een vroegere Europese kolonie het in haar hoofd gezet Europa in
te
halen. Ze is er zo goed in geslaagd dat de Verenigde Staten van
Noord-Amerika
een monster zijn geworden, waarin de gebreken, de ziekten en de
onmenselijkheid
van Europa, afschuwelijke afmetingen hebben aangenomen.
Kameraden,
hebben
we niet iets anders te doen dan te werken aan het tot stand brengen van
een derde Europa? Het Westen heeft een avontuur van de Geest
willen
zijn. In naam van de Geest, van de Europese geest wel te
verstaan,
heeft Europa zijn misdaden gerechtvaardigd en de slavernij goedgepraat,
waarin het viervijfde deel van de mensheid gevangen hield.
Ja, de
Europese
geest heeft merkwaardige grondslagen gehad. Het Europese denken
heeft
zich in steeds meer verlaten, in steeds onbereikbaarder steile streken
voltrokken. Op die manier raakte men er aan gewend de mens steeds
minder tegen te komen.
Een
voortdurende
dialoog met zichzelf, een steeds obscener narcisme, hebben steeds meer
het bed gespreid voor een toestand die grenst aan de waanzin, waarin
het
denkwerk lijden wordt daar de realiteiten niet die van de mens zijn die
leeft, die werkt en zichzelf vervaardigt, maar woorden, verschillende
samenstellen
van woorden, spanningen geboren uit de betekenissen die die woorden
inhouden.
Maar toch zijn er Europeanen geweest die de Europese arbeiders
opgeroepen
hebben dit narcisme te vernietigen en te breken met deze
ontwerkelijking.
Over het
algemeen
kan men stellen dat de Europese werkers niet op deze oproepen
gereageerd
hebben. Want de werkers dachten dat zij ook betrokken waren bij
het
verbazingwekkende avontuur van de Europese Geest.
Alle
elementen die
nodig zijn om een oplossing te vinden voor de grote problemen van de
mensheid
hebben op verschillende momenten in het Europese denken bestaan.
Maar de activiteiten van de Europese mensen hebben geen uitvoering
gegeven
aan de opdracht die hun toeviel en die er in bestond die elementen met
geweld aan te vatten, hun rangschikking, hun wezen om te vormen, ze te
veranderen, teneinde het probleem van de mens op een onvergelijkbaar
hoger
niveau te plaatsen.
Op het
ogenblik
zien we dat Europa tot stilstand is gekomen. Kameraden, we moeten
deze stilstaande beweging ontvluchten, waarin de dialectiek zich beetje
bij beetje veranderd heeft in een logica van het evenwicht. We
moeten
het vraagstuk van de mens weer opnemen. We moeten het vraagstuk
van
de werkelijkheid van de hersens weer opnemen, van de hersenmassa van de
hele mensheid, waarin de verbindingen vermenigvuldigd moeten worden, de
netwerken uitgebreid en waarin de boodschappen weer vermenselijkt
moeten
worden.
Vooruit
broeders,
we hebben veel te veel werk om ons met achterhoedespelletjes te
vermaken.
Europa heeft gedaan wat het moest doen en uiteindelijk heeft het het
goed
gedaan; we moeten ophouden het te beschuldigen, maar we moeten het ook
resoluut zeggen dat het niet door moet gaan zoveel lawaai te
maken.
We hoeven het niet meer te vrezen, laten we het dus ook niet meer
benijden.
De Derde
Wereld
staat vandaag tegenover Europa als een kolossale massa, welks doel het
moet zijn te proberen de problemen op te lossen, waar Europa geen
antwoord
op heeft weten te vinden. Maar dan is het belangrijk dat er niet
over rendement gesproken wordt, niet over intensiveren, niet over
ritme.
Nee, het gaat niet om een terug naar de Natuur. Heel concreet
gaat
het er om de mensen niet in richtingen te sleuren die hen verminken, de
hersens geen ritmen op te leggen die hen doen kwijnen en in de war
brengen.
Men moet de mens niet bruskeren, aan zichzelf, aan zijn binnenste
ontrukken,
breken, doden, onder het voorwendsel dat de achterstand ingehaald moet
worden.
Nee, wij
willen
niemand inhalen. Maar we willen de hele tijd doorlopen, dag en
'nacht,
in gezelschap van de mens, van al de mensen. We moeten er voor
zorgen
dat de karavaan niet uit elkaar getrokken wordt, want dan kan elke rij
nauwelijks meer de voorgaande zien en de mensen die elkaar niet meer
herkennen,
ontmoeten elkaar steeds minder, spreken elkaar steeds minder.
Voor de
Derde Wereld
gaat het er om opnieuw te beginnen met een geschiedenis van de mens,
die
tegelijkertijd rekening houdt met de soms uitzonderlijke stellingen die
door Europa verdedigd worden, maar ook met de misdaden van Europa,
waarvan
op het vlak van het individu de afschuwelijkste geweest zal zijn: het
pathologische
uit elkaar trekken van zijn functies en de versnippering van zijn
eenheid;
in het kader van een gemeenschap: de breuk, de gelaagde structuur, de
door
klassen gevoede bloedige spanningen; en ten slotte op de geweldige
schaal
van de mensheid: de rassenhaat, de slavernij, de uitbuiting en vooral
de
bloedeloze volkerenmoord, in de vorm van het terzijde schuiven van
anderhalf
miljard mensen.
Dus,
kameraden laten
we geen tol betalen aan Europa, door staten, instellingen en
samenlevingen
te scheppen, die geïnspireerd zijn op Europese voorbeelden.
De mensheid
verwacht
iets anders van ons dan deze imitatie, die een karikatuur wordt en in
het
algemeen een obsceniteit.
Als we
Afrika willen
veranderen in een nieuw Europa, als we Amerika willen veranderen in een
nieuw Europa, laten we dan het lot van onze landen maar in handen van
Europeanen
leggen. Ze zullen het beter kunnen dan de meest begaafden onder
ons.
Maar als we
willen
dat de mensheid een stap verder komt, als we haar op een ander niveau
willen
brengen dan waarop Europa haar vorm heeft gegeven, dan moeten we
uitvindingen
doen, ontdekkingen.
Als we een
antwoord
willen geven op de verwachtingen van onze volkeren, moeten we ergens
anders
zoeken dan in Europa.
Meer nog,
als we
een antwoord willen geven op de verwachtingen van de Europeanen, moeten
we hun geen beeld terugsturen, al is het een ideaal beeld, van
hún
samenleving en van hún denken, waarvoor ze van tijd tot tijd een
geweldige walging voelen. Kameraden, voor Europa, voor onszelf,
voor
de mensheid, moeten we het roer totaal omgooien, moeten we een nieuw
denken
ontwikkelen, moeten we aan een nieuwe mens gaan bouwen.