Downloaden
als
Word-document op de Downloadpagina
Étienne de La Boétie
Sarlat 1 november 1530 – Germignan 18 augustus
1563
Manuscript van Claude Mesme,
Graaf van Avaux,
die na de dood van de schrijver in 1563, in het bezit van een exemplaar
kwam
Het
VERTOOG OVER DE VRIJWILLIGE ONDERDANIGHEID
of
TEGEN ÉÉN
Oorspronkelijk
manuscript
uit
1546
overgezet
in
eigentijds Frans
door CHARLES
TESTE
in 1836
Geschreven
tussen 1546 en
1555
Eerste,
gedeeltelijke,
publicatie in 1574
In zijn
geheel gepubliceerd
in 1576
Met een
voorwoord door
Adolphe Rechastelet
VOORWOORD
Ik wil,
broeder en lezer,
een paar woorden tot u richten, wie gij ook zijt, wat verder uw plaats
in deze
wereld is en wat uw persoonlijke mening ook moge zijn; want ofschoon
men
gewoonlijk en spreekwoordelijk zegt dat alle neven geen broeders
zijn moet men ondanks het feit dat in deze wereld recht en onrecht,
onderscheidingen en
gevangenisstraffen, voorrechten en verboden, rijkdom en armoede, zo
zonderling
zijn verdeeld, ondanks alles goed begrijpen, dat wij over het
geheel
genomen (in globo) in wezen allemaal broeders in Christus zijn.
Lamennais heeft dat met zo’n welsprekende woorden gezegd en aangetoond,
dat die
de vervloekte machinerie, die men de pers noemt, dat nooit en
te nimmer
kan evenaren.
Denk nu
niet dat ik, door u
aan te spreken met broeder, op deze manier met dit voorwoord begin om u
te
vleien. Vleien is niet mijn sterkste kant en ik heb door mijn
openhartigheid,
in deze huichelachtige en leugenachtige tijd, mijn handen al vaker
gebrand. Ik
maak het misschien nog erger door daar een boek aan toe te voegen, dat
niet van
mij is, en wat ik, ongetwijfeld veel te roekeloos, doe om het weer een
jeugdig
aanschijn te geven en om lucht te geven aan de oude, maar
onverwoestbare
waarheden, die het bevat.
Ik zou
willen dat ik u mijn
grote verrassing zou kunnen duidelijk maken, die ik heb ervaren bij het
uitvoeren dit voornemen, waar ik lang over heb nagedacht, voor ik het
heb
durven uitvoeren. Ik ben al oude man en heb zelf nooit iets geschreven.
Ben ik
daarom dommer dan al die anderen die dikke boeken hebben geschreven,
waar men
geen enkele verbeelding in aantreft? Ik denk het niet. Maar ik heb op
geen
enkele school onderricht ontvangen, noch op het gymnasium, maar ik heb
mijzelf
door te lezen ontwikkeld. Gelukkig heb ik mij nooit tot slechte boeken
aangetrokken gevoeld maar het lot is mij gunstig geweest, zodat mij
alleen maar
goede boeken in handen zijn gevallen. Wat ik daarin heb gevonden, heeft
ervoor
gezorgd dat al de flauwiteiten, beuzelarijen en schandelijkheden, waar
die
slechte boeken vol mee staan, onverdraaglijk voor mij zijn geworden. Ik
heb die
oude moralisten leren waarderen, die op een zo ongekunstelde, zo
openhartige en
zo meeslepende manier, zoveel mooie en goede dingen hebben geschreven,
dat het
verbazingwekkend is, dat hun boeken, die toch hun uitwerking niet
hebben
gemist, niet eerder zijn geschreven. Het nieuwe, in de geschriften van
tegenwoordig, heeft mij nooit aangestaan, omdat het volgens mij niet
nieuw is,
en er eigenlijk niets in staat, dat door onze goede voorgangers niet al
eerder
en veel mooier is gezegd. Waarom dan iets nieuws schrijven, als het
oude al zo
goed, zo duidelijk en zo zuiver is, vraag ik me steeds af? Waarom zou
ik die
dan niet lezen; zij bevallen mij zo goed, maar hoe kan het dan dat niet
bij iedereen
het geval is? Een paar keer heb ik, alleen bij wijze van proef, een
aantal
stukken voorgelezen aan mensen, die het ongeluk hadden dat zij zelf
niet konden
lezen. Ik was daar opgetogen over. Je had eens moeten zien hoe verbaasd
ze
waren tijdens het luisteren. Die lectuur was voor hen echt een
feestmaal. Zij
namen het zo goed mogelijk in zich op. Weliswaar kon ik het niet
nalaten het
hen zo goed mogelijk uit te leggen, omdat de echte betekenis soms
verborgen is
onder de oude taal, die helaas niet meer van deze tijd is. Zo ben ik op
het
idee gekomen, dat mij thans bezighoudt.
Maar hoe
vaak heb ik, hoe
vastbesloten ik ook was met mijn onderneming, het werk terzijde moeten
leggen,
omdat ik namelijk merkte, dat ik elke keer het werk weer verknoeide, en
het,
alsof ik de muren van het huis sausde, geweld aandeed. Je zult mij dan
ook,
beste lezer, nooit dankbaar genoeg kunnen zijn voor de moeite bij de
uitvoering
van een zo ondankbaar werk, dat ik alleen maar door zelfopoffering heb
kunnen
doorzetten, want ik ben er innerlijk van overtuigd, dat het gerecht dat
ik u opdien,
nogal ondermaats is, alleen al omdat ik het aan uw smaak heb aangepast.
Dat
heeft mij echt verdriet gedaan, net als een kleermaker moet ervaren,
die vol
geestdrift voor de fraaie Griekse en Romeinse kleding, die de grote
Talma zo in
zwang heeft gebracht in onze theaters, toch verplicht is, omdat hij aan
de
grillen van de mode moet voldoen, om de armzalige kledingstukken te
vervaardigen, waar wij ons mee toetakelen. Hij geeft ons tenminste waar
voor
ons geld; hij oefent zijn beroep uit om te leven, en ik heb alleen in
uw belang
deze vermoeiende en hachelijke bewerking op mij genomen. Ik zal geen
spijt
hebben van mijn tijd en moeite, als ik het enige doel bereik, dat
steeds voor
ogen heb en zal houden.
In
plaats van lang uit te
wijden over een onderwerp, waar een goede bedoeling toereikend voor is,
lijkt
het mij, dat ik het, zoals u mij misschien zult zeggen, om deze
vermetele euveldaad
te rechtvaardigen, met u moet hebben, over de verdienste van de
schrijver,
waarvan ik u de oude spruit in een nieuwe omhulling ga aanbieden: hem
verdedigen, zijn talent prijzen, zijn belang ophemelen, zijn roem
opschroeven,
zijn voorbeeld bewieroken, dat doen onze geleerde mensen dagelijks op
de
Academies, niet tegenover hun huidige medebroeders, want die verslinden
elkaar
uit afgunst, maar tegenover hun overleden medebroeders. Dat is de taak
waartoe
elk nieuw lid van de Academie ten opzichte van de overleden leden is
verplicht,
bij zijn toelating tot die zogenaamde tempel der wetenschappen, waar
allerlei
talenten eerder worden begraven, dan dat zij zich aan elkaar laven, en
dat men
zeer terecht met de naam het campo santo van onze litteraire
glorie zou
kunnen betitelen. Maar is het aan mij, armzalige, om die schrijvers van
holle
frasen na te doen, die producenten van lofreden op bestelling, die zij
zo
hoogdravend opdissen? Het komt niet omdat ik een beter onderwerp heb
dan zij
hebben, want ik zou u in een paar woorden een portret van mijn
schrijver kunnen
schetsen en het u op een niet-academische, maar kort en bondige manier
kunnen
vertellen: “Hij leefde als een Cato, en stierf als een Socrates.” Maar
ik kan
verder niet op andere bijzonderheden ingaan en op welke manier ik ook
over die
goede Etienne de la
Boétie zou spreken, ik
zou hem altijd vreselijk tekort
doen. Ik laat u dus liever met hem kennismaken door heel eenvoudig te
wijzen op
wat zijn goede vriend Montaigne in een van de hoofdstukken van zijn
boek, Over
de vriendschap, heeft gezegd, door daar enkele passages uit zijn
brieven te
weer te geven, waarin deze grote geest, deze diepzinnige moralist, deze
wijze
filosoof ons verhaalt over het deugdzame leven en vredige sterven van
de La Boétie. Ik hoop dat u
mij, na het lezen van die passages, dankbaar zult zijn voor het feit
dat ik mij
heb bezig gehouden met het actualiseren van het werk van de La Boétie, en dat u zelfs
toegeeflijk zult zijn voor de onvolmaaktheden, van wat ik u van harte
aanbied.
Geef het een goed onthaal, meer voor uzelf, dan voor mij.
1836
Uw
broeder in Christus en
Rousseau,
ADOLPHE
RECHASTELET
Homerus
vertelt dat Odysseus
ooit in het openbaar tegen de Grieken zei:
Had hij
maar alleen maar
gezegd: “Het is niet goed om meerdere meesters te hebben”, dat
was meer
dan genoeg geweest. En terwijl het meer terecht was geweest als hij had
gezegd,
dat de overheersing door meerdere personen niet goed kan zijn, omdat de
macht
van een enkeling, vanaf het moment dat hij de titel van meester grijpt,
streng
en weerzinwekkend is, voegt hij daar het tegenovergestelde aan toe:
“We
kunnen maar beter één
meester hebben…”
Misschien
moeten wij het
Odysseus vergeven, dat hij die woorden aanpaste, die hij destijds
gebruikte om
de opstand van het leger tot bedaren te brengen: ik denk, dat hij zijn
uitspraak eerder op de omstandigheden afstemde dan op de waarheid. Maar
is het
in wezen niet uiterst beroerd om onderworpen te zijn aan een meester,
van wie
men nooit zeker weet of hij goed is, en die altijd slecht kan zijn, als
hij dat
wil? En is het niet zo, dat gehoorzamen aan meerdere meesters,
evenzoveel maal
uiterst ongelukkig zijn betekent?
Ik wil
het nu niet hebben
over de vraag, die al zovaak is opgeworpen, namelijk “of de republiek
al dan
niet is te verkiezen boven de monarchie”. Als ik die vraag ter
discussie wil stellen,
moet ik eerst weten, zelfs voordat ik zelf heb uitgezocht welke positie
de
monarchie moet innemen onder de verschillende manieren om
gemeenschappelijke
zaak te dienen, of die eigenlijk wel een plaats verdient. Want het is
moeilijk
te geloven, dat er iets gemeenschappelijks is aan een regering, waarin alles
maar aan één persoon toebehoort. Maar laten wij
die vraag, die een
aparte behandeling verdient, en die allerlei politieke ruzies uitlokt,
tot een
andere keer bewaren.
Op dit
moment wil ik alleen
begrijpen, hoe het komt dat zoveel mensen, zoveel steden en zoveel
volkeren
soms een enkele tiran volkomen steunen, die niet meer macht heeft, dan
zij hem
hebben toebedeeld, die hen niet meer schade kan berokkenen, dan zij
willen
verdragen, en die hen geen enkel kwaad kan berokkenen, als zij dat niet
liever
door hem willen ondergaan, dan dat zij hem tegenspreken. Eigenlijk een
verbazingwekkende
zaak – en toch zo normaal, dat het eerder bedroevend is, dan
verbazingwekkend
-, als men miljoenen en miljoenen erbarmelijk onderdrukte mensen ziet,
blindelings
gebogen onder een beklagenswaardig juk, zonder dat zij door een
overmacht
worden gedwongen, maar omdat zij verrukt en als het ware zijn betoverd
alleen
al door de naam van die ene, waarvan zij niets hebben te duchten –
omdat hij
alleen is – en waar zij niet van hoeven te houden – omdat hij ten
opzichte van
hen onmenselijk en wreed is. Dat is echter de zwakheid van de mensen:
gedwongen
om te gehoorzamen, verplicht om besluiteloos te zijn en onderling
verdeeld, kunnen
zij niet altijd de sterksten zijn. Dus als een volk, geketend door
wapengeweld,
is onderworpen aan de macht van een enkeling – zoals de stad Athene aan
de
overheersing door dertig tirannen -, is het niet verwonderlijk dat het
onderdanig is, maar die onderdanigheid is wel deerniswekkend. Het is
dus beter
om daar niet verbaasd over te zijn, en dat niet te betreuren, maar om
die ellende
geduldig te dragen en zijn krachten te sparen voor toekomstige
gelegenheid.
Wij
zitten zo in elkaar, dat
de gewone vriendschapsverplichtingen een groot deel van ons leven in
beslag
nemen. De deugd in ere houden, goede daden waarderen, erkentelijk zijn
voor
ontvangen weldaden, en altijd ons eigen welzijn matigen om de achting
en gunst vergroten
van hen die van ons houden, en die het verdienen om lief te hebben, is
allemaal
heel natuurlijk. Dus als de inwoners van een land in hun midden een van
die
zeldzame mensen hebben gevonden, die herhaaldelijk blijk heeft gegeven,
van een
grote vooruitziende blik om hen te beschermen, van een grote dapperheid
om hen
te verdedigen, van een grote zorgvuldigheid om het te regeren; en als
zij er op
den duur aan wennen om hem te gehoorzamen en zelfs zoveel vertrouwen in
hem
schenken, dat zij hem een zekere oppermacht toekennen, weet ik niet of
het wel
verstandig is om hem weg te halen van een positie waarin hij goed werk
verrichtte om hem vervolgens in een positie te plaatsen, waarin hij
kwaad kan
doen; het lijkt inderdaad vanzelfsprekend en redelijk om welwillend te
zijn ten
opzichte van iemand die ons zoveel voorspoed heeft gebracht en geen
kwaad van
hem te vrezen.
Maar
mijn hemel, wat is dat
nou? Hoe moeten wij die slechte eigenschap noemen, die vreselijk
slechte
eigenschap? Is het niet beschamend om talloze mensen te zien, die niet
alleen
gehoorzamen, maar kruipen, die niet worden bestuurd, maar worden
getiranniseerd, die geen bezit hebben, geen ouders, geen kinderen en
zelfs niet
de beschikking over hun eigen leven hebben? Kijk hoe ze lijden onder
plunderingen, roof, wreedheden, en niet van een leger, niet van een
horde
barbaren, waartegen iedereen zijn eigen leven met zijn eigen
bloed moet
verdedigen, maar van een enkeling! Geen Mirmidon, maar een onbeduidend
mannetje, vaak het lafste, het meest nietswaardige en meest verwijfde
van het
volk, dat nooit de kruitdampen van het slagveld heeft geroken, noch het
zand
van het toernooiveld heeft betreden, dat niet alleen onbekwaam is om
mensen te
besturen, maar niet eens in staat is om het geringste ouwe wijf te
bevredigen!
Moeten wij dat nou lafheid noemen? Moeten wij die mensen, die onder een
dergelijk juk buigen, verwerpelijk en laf noemen? Dat twee, drie of
vier mensen
zwichten voor een enkeling, is vreemd, maar wel mogelijk; men zou dan
terecht
kunnen zeggen: dat is gebrek aan moed. Maar dat honderd, duizend mensen
zich
door een enkeling laten onderdrukken, kun je dan nog zeggen, dat zij
hem niet
durven aan te pakken, of dat zij dat niet willen, en dat dat niet van
lafheid
getuigd, maar eerder van verachting of minachting?
Ten
slotte, als men niet
honderd, niet duizend mensen ziet, maar honderd naties, duizend steden,
een
miljoen mensen, die niet de persoon durven aanvallen en vermorzelen,
die hen
allemaal, zonder uitzondering, als lijfeigenen en slaven behandelt, hoe
moeten
we dat dan noemen? Is dat lafheid? Maar aan alle ondeugden zijn
grenzen, die
zij niet kunnen passeren. Twee mensen en zelfs tien, kunnen best voor
een enkele
persoon bang zijn; maar dat duizend, een miljoen mensen en duizend
steden zich
niet tegen een enkele persoon verdedigen! Nou! is dat niet alleen maar
lafheid?
Maar zover gaat lafheid niet, net zomin als dapperheid van een enkele
persoon
bij de bestorming van een fort, bij de aanval van een leger of bij de
verovering van een koninkrijk. Wat is dat dan voor monsterlijke
ondeugd, die
zelfs de naam van lafheid niet meer verdient, die op geen enkele manier
in
woorden is uit te drukken, die de natuur loochent en die de taal
weigert te
benoemen?…
Stel
vijftigduizend
gewapende mannen tegenover elkaar op; stel ze in slagorde op en laat ze
met
elkaar het gevecht aangaan; aan de ene kant, de vrijen, die om hun
vrijheid
vechten, aan de andere kant de mensen, die hen de vrijheid willen
ontnemen. Wie
denk je dat zullen overwinnen? Wie denk je dat de strijd dapperder
aangaan? Zij,
voor wie de beloning het handhaven van hun vrijheid zal zijn, of zij
die als
soldij voor de klappen die ze geven en krijgen, alleen maar
onderdanigheid aan iemand
anders wacht? De mensen aan ene kant hebben steeds het geluk van hun
vroegere
leven voor ogen en de verwachting van eenzelfde vreugde voor de
toekomst. Zij
staan minder stil bij de tijdelijke inspanningen en ellende van het
gevecht,
dan bij de kwellingen die zijzelf, hun kinderen en heel hun nageslacht
zullen
moeten verduren als ze worden overwonnen. De enige prikkel, die de
anderen
hebben, is hebzucht, die bij gevaar meteen verdwijnt, en waarvan de
onechte vurigheid
vrijwel meteen uitdooft in het bloed van hun eerste verwonding. Wat gaf
aan een
zo gering aantal Grieken, bij de zo beroemde veldslagen van Miltiades,
van
Leonidas, en van Themistocles, die tweeduizend jaar geleden
plaatsvonden en die
thans nog zo vers in de boeken en de herinnering van de mensen
voortleven,
alsof ze pas onlangs in Griekenland, voor het welzijn van Griekenland
en als
voorbeeld voor de hele wereld hebben plaatsgevonden, niet de macht,
maar de
moed om tegen die geduchte vloten, waarvan de zee nauwelijks het
gewicht kon
dragen, te strijden en om zoveel volkeren te overwinnen, dat alle
Griekse
soldaten bij elkaar, nog niet eens het aantal aanvoerders, waarover de
vijandelijke legers beschikten, hadden kunnen leveren? Maar in die
roemrijke
dagen ging het dan ook minder om de veldslag van de Grieken tegen de
Perzen,
dan om de overwinning van de vrijheid op de slavernij, om de bevrijding
uit de
slavernij.
De
verhalen over de
dapperheid waarmee de vrijheid de mensen bezielt, die haar verdedigen,
zijn
inderdaad buitengewoon! Maar wat zie je overal en elke dag weer
gebeuren? Dat
een enkel iemand honderdduizend steden met grof geweld onderdrukt en
hen van
hun vrijheid berooft. Wie zou dat nou geloven, als dat alleen maar een
praatje zou
zijn en het niet telkens en onder onze eigen zou gebeuren? En als dat
bovendien
alleen maar in ver verwijderde streken zou gebeuren en men zou ons dat
komen
vertellen, wie van ons zou dan niet denken dat zo’n verhaal alleen maar
uit de
lucht gegrepen en verzonnen was?
En toch
is het niet nodig om
zo’n enkele tiran te bestrijden of neer te slaan. Het is zelfs niet
nodig om je
daar tegen te verdedigen. Hij verslaat zichzelf wel, als het volk niet
meer
instemt met zijn onderdanigheid. Het gaat er niet om, om hem iets te
ontnemen,
maar om hem niets meer te geven. Als een land, als het dat wil, alleen
maar
geen enkele moeite meer voor zijn eigen welzijn doet, als het zelf
alleen maar
niet meer aan zijn eigen ondergang meewerkt. Het zijn dus de volkeren
zelf, die
zich laten, of beter nog, doen knevelen, want als ze alleen zouden
weigeren om
onderdanig te zijn, zouden ze hun ketenen verbreken. Het is het volk
zelf, dat
zich tot slaaf laat maken en dat zijn hoofd in de strop steekt; dat de
vrijheid
opgeeft en het juk opneemt, terwijl het zelf de keuze heeft tussen
onderworpen
of vrij te zijn; dat instemt, dat instemt met zijn ellende, sterker
nog, het
zelf opzoekt. Als het iets zou kosten om de vrijheid te herwinnen, zou
ik er bij
het volk niet op aandringen, hoewel het de mens het meest ter harte zou
moeten
gaan om zijn natuurlijke rechten weer te verkrijgen en, als het ware,
van dier
weer mens te worden. Maar toch verlang ik zo’n grote durf niet van hem;
ik zou
zelfs niet willen, dat hij naar, ik weet niet wat voor, zekerheid zou
streven
om een rustiger leven te leiden. Maar wat dan? Als men om de vrijheid
te willen
hebben, die alleen maar hoeft te verlangen, als er niets anders nodig
is dan
een eenvoudig willen, zou er dan ook maar een volk ter wereld zijn, dat
zou
vinden dat het teveel zou kosten om die vrijheid door een eenvoudig
verlangen
te kunnen verwerven? En wie zal er vrijwillig spijt van hebben als hij
een goed
nastreeft, dat hij ten koste zijn eigen bloed moet vrijkopen, als
louter het
verlies daarvan elk eerzaam mens een bitter leven oplevert en de dood
een oplossing
is? Zoals het vuur uit een klein vonkje groeit en steeds heviger wordt,
en hoe
meer hout het vindt, hoe verwoestender het wordt, toch verteert het
zichzelf en
dooft uiteindelijk uit, als men er geen hout opgooit, zo is het ook
dat, hoe
meer de tirannen plunderen, hoe meer ze eisen; hoe meer ze verwoesten
en
vernietigen en hoe meer men ze geeft, hoe meer men ze overlaadt; zij
nemen
daarmee in kracht toe en zijn steeds meer geneigd om alles te
vernietigen en te
verwoesten. Maar als men hen niets meer geeft, als men hen niet meer
gehoorzaamt, staan zij, zonder slag of stoot, met lege handen en
verslagen. Net
als een boom, die van zijn wortels geen vocht of voedsel meer krijgt,
spoedig
alleen maar uitdroogt en doodgaat.
Een
ondernemend mens vreest
geen enkel gevaar, als hij het goede wil verwerven, een harde werker is
geen
moeite teveel. Alleen de lafaards en afgestompten kunnen noch het kwaad
verdragen, noch het goede terugwinnen, waar zij alleen maar naar
snakken. De
kracht om daarnaar te streven, is hen door hun eigen lafheid ontnomen.
Hen rest
nog slechts het aangeboren verlangen om het te bezitten. Dat verlangen,
dat aangeboren
willen, dat wijzen en dwazen, dapperen en lafaards gemeen hebben, doet
hen al
die dingen wensen die hen gelukkig en tevreden maken. De mensen zijn
echter zelfs
niet bij machte, en ik weet niet waarom, om dat ene te wensen, namelijk
de
vrijheid, dat grote en kostbare goed! Als dat is verloren, volgt alleen
maar
ellende, en zonder vrijheid verliest al het andere goede, smaak en
kraak. Het
lijkt wel alsof de mensen de vrijheid alleen maar verachten, want als
zij het
zouden willen, zouden zij haar bezitten. Het is alsof zij weigeren om
die
kostbare overwinning te behalen, omdat dat te gemakkelijk is.
Armzalige
mensen, dwaze
volkeren en naties, hardnekkig in jullie kwaad en blind voor jullie
welzijn!
Jullie laten je onder je eigen ogen het mooiste en zuiverste van jullie
verdiensten afnemen, jullie laten je akkers plunderen, en jullie huizen
verwoesten
en leegstelen van de oude meubels van jullie voorvaderen! Jullie leven
op een
manier, die niets voor jullie zelf overlaat. Het lijkt wel of jullie
het
voortaan als een groot geluk beschouwen, als men jullie slechts een
deel van
jullie eigen bezittingen, jullie gezinnen en jullie leven overlaat. En
al die
schade, al die ellende en uiteindelijke verwoesting, wordt jullie niet
door
vijanden aangedaan, maar alleen maar door die ene vijand, door die ene
persoon,
die jullie zelf hebben gemaakt tot wat hij is, voor wie jullie zo
dapper ten
strijde trekken, en voor wiens ijdelheid jullie bereid zijn om elk
moment de
dood te tarten. Toch heeft die meester ook maar twee ogen, twee handen
en een
lijf en niets meer dan de minste van de talloze inwoners van jullie
steden. Wat
hij meer heeft, zijn de middelen om jullie te vernietigen, die jullie
hem zelf
hebben verschaft. Waar zou hij die ontelbare spionnen vandaan moeten
halen, die
jullie bespieden, als het niet uit jullie eigen gelederen zou zijn? Hoe
komt
hij aan zoveel handen om jullie te slaan, als hij die niet aan jullie
zou
kunnen ontlenen? Zijn de voeten waarmee hij jullie steden plattrapt,
niet
jullie eigen voeten? Heeft hij een ander macht over jullie, dan jullie
eigen
macht? Hoe zou hij op jullie durven afstormen, als er niet een geheime
verstandhouding met jullie zou bestaan? Wat voor kwaad zou hij jullie
kunnen
berokkenen, als jullie niet zelf de helers zouden zijn van de rover die
jullie
besteelt, de medeplichtigen van de moordenaar, die jullie doodt en de
verraders
van jullie zelf? Jullie zaaien jullie akkers, om ze door hem te laten
verwoesten; jullie meubileren en vullen jullie huizen zodat hij zijn
hebzucht
kan verzadigen; jullie voeden jullie zonen op, zodat hij er soldaten
(wat zijn
ze toch gelukkig!) van kan maken en hen naar de slachtbank kan voeren;
zodat
hij van hen knechten van zijn hebzucht en uitvoerders van zijn wraak
kan maken.
Jullie sloven je uit, zodat hij kan baden in genot en zich kan wentelen
in zijn
smerige geneugten. Jullie verzwakken jezelf, zodat hij sterker en
harder wordt
en jullie teugel steeds strakker trekt. En toch zouden jullie van al
die
schande, die zelfs de beesten niet zouden pikken, als ze die zouden
voelen,
kunnen bevrijden, zelfs zonder dat jullie het zouden proberen, als
jullie het maar
zouden proberen te willen.
Wees dus
vastbesloten om
niet meer onderdanig te zijn en jullie zullen vrij zijn. Ik vraag
jullie niet
om tegen hem in te gaan of zijn gezag te ondermijnen, maar alleen om
hem niet
meer te steunen, en jullie zullen zien, hoe zo’n grote kolos, waarvan
men het
voetstuk heeft verbrijzeld, onder zijn eigen gewicht ineenstort en in
stukken
breekt.
De
artsen zeggen dat het
tevergeefs is om ongeneeslijke wonden te proberen te genezen, en
misschien
vergis ik mij, als ik adviezen zou willen geven aan een volk, dat lang
geleden
elk besef van de ellende, die het wordt aangedaan, lijkt te hebben
verloren en
niet eens zijn pijn meer voelt – wat eigenlijk aangeeft dat het
doodziek is.
Laten wij dus proberen te ontdekken, hoe dat mogelijk is, hoe die
hardnekkige
wil om onderdanig te zijn, zo diep is geworteld, dat men zou kunnen
denken dat
zelfs de vrijheidsliefde iets onnatuurlijks zou zijn.
Op de
eerste plaats staat
het volgens mij buiten kijf, dat als wij volgens de rechten, die wij
van nature
bezitten, en volgens de voorschriften die de natuur ons heeft
ingeprent, zouden
leven, wij vanzelfsprekend gehoorzaam zouden zijn aan onze ouders en
gebonden
aan de rede, maar zonder ook van maar iemand slaaf te zijn. Ieder van
ons
herkent bij zichzelf vanzelfsprekend de geheel instinctmatige drang om
zijn
vader en moeder te gehoorzamen. Ik geloof niet dat ik mij vergis, als
ik zeg over
de vraag of de rede bij ons al dan niet is aangeboren – een vraag, waar
op de
universiteiten uitgebreid over is geredetwist en die uitvoerig door
alle
filosofische scholen is behandeld - dat er in onze ziel een kiem van de
rede
aanwezig is. Die kiem, die door goede raadgevingen en goede voorbeelden
wordt
verwarmd, doet in ons de deugd ontstaan, terwijl aan de andere kant die
kiem
juist door ondeugden, die maar al te vaak opdagen, de mist ingaat. Maar
als er voor
iedereen iets helder en duidelijk is, en dat niemand kan ontkennen, dan
is dat het
de natuur, de dienares van God, de weldoenster van de mensen, ons
allemaal gelijk
heeft geschapen en ons als het ware in dezelfde gietvorm heeft gegoten,
om ons
te laten zien dat wij allemaal gelijk zijn, of liever, broeders. En als
de
natuur, bij de verdeling van haar gaven, bij sommigen meer kwistig is
geweest
met lichamelijke of geestelijke gaven, dan bij anderen, heeft zij in
ieder
geval nooit kunnen willen, dat wij in deze wereld, als in een slagveld
terecht
zouden komen, en heeft zij niet de sterkeren en slimmeren, als
gewapende struikrovers
het bos ingestuurd, om de zwakkeren op te jagen. Laten wij liever
aannemen, dat
zij, door aan de een, een groter deel en aan de ander een kleiner deel
toe te
bedelen, dat heeft bedoeld om bij hen onderling een broederlijke
genegenheid te
laten ontstaan en hen in staat te stellen om die te beoefenen, omdat de
ene
groep het vermogen heeft om te helpen en de andere de behoefte heeft om
hulp te
ontvangen. Maar omdat die goede moeder aan ons allemaal de hele
aarde
heeft gegeven om op te verblijven; omdat zij ons allemaal onder
hetzelfde dak heeft gehuisvest; omdat wij allemaal uit
hetzelfde deeg
zijn gekneed, opdat iedereen zichzelf in zijn buurman, als in een
spiegel, kan herkennen;
omdat zij ons allemaal heeft begiftigd met de prachtige gave
van de stem
en het woord, zodat wij dichter tot elkaar kunnen komen en kunnen
verbroederen,
en wij door het onderlinge contact en het uitwisselen van onze
gedachten, tot
een overeenstemming van gedachten en een gemeenschappelijke wil kunnen
komen; omdat
zij met alle middelen heeft geprobeerd om de banden van ons verbond,
van onze
gemeenschap, te vormen en te versterken; omdat zij in alles heeft laten
zien,
dat zij niet alleen wilde dat wij ons verenigden en niet alleen dat wij
als het
ware één geheel zouden zijn: hoe zouden wij er dan dus
ook maar één moment aan
kunnen twijfelen, dat wij allemaal van nature vrij zijn, omdat
wij
immers allemaal gelijk zijn? Het kan toch in niemands hoofd
opkomen, dat
de natuur, die ons eerst allemaal in hetzelfde gezelschap
heeft
geplaatst, heeft gewild dat sommigen in slavernij zouden verkeren.
Het is,
om de waarheid te
zeggen, echter vrij zinloos om je af te vragen of de vrijheid wel
natuurlijk
is, want geen enkel schepsel kan onderworpen worden gehouden, zonder
hem groot onrecht
aan te doen: het is volstrekt juist, dat niets ter wereld meer strijdig
is met
de natuur, dan onrechtvaardigheid. Wat valt daar verder over te zeggen?
Dat de
vrijheid natuurlijk is, en dat wij, volgens mij, niet alleen met onze
vrijheid
zijn geboren, maar dat wij ook zijn geboren met een hartstocht om haar
te
verdedigen.
En als
er toevallig nog
mensen zijn die daar nog aan twijfelen en die zo ontaard zijn, dat zij
hun
gaven en hun aangeboren hartstochten niet als eigen erkennen, dan moet
ik hen
de eer geven die zij verdienen en moet ik, als het ware, de wilde
dieren de
preekstoel ophijsen, om die mensen over hun eigen natuur en toestand te
laten
onderrichten. De dieren, zo helpe mij God, zullen dan, als de mensen
willen
luisteren, hen toeroepen: “Leve de vrijheid!” Sommige van die dieren
gaan dood als
ze gevangen worden genomen. Zoals een vis die uit het water wordt
gehaald
meteen doodgaat, laten zij zich doodgaan omdat zij niet zonder hun
natuurlijke
vrijheid kunnen leven. Als de dieren onderling standen en macht zouden
kennen,
zouden zij, volgens mij, van de vrijheid een erezaak maken. Andere
dieren, van
de grootste tot de kleinste, spartelen met hun klauwen, hoorns, bekken
en poten
zo tegen, als je ze vangt, dat zij daarmee laten zien wat voor waarde
zij
hechten, aan hetgeen men hen ontneemt. Eenmaal gevangen, geven zij ons
vervolgens
zoveel opmerkelijke tekenen van het feit dat zij zich van hun ellende
bewust
zijn, dat je goed kunt zien, dat zij dan eerder wegkwijnen dan leven,
omdat ze nooit
genoegen scheppen in onderdanigheid en onophoudelijk treuren over het
verlies
van hun vrijheid. Wat zou je anders van de olifant moeten denken, die,
als hij
zich tot het uiterste heeft verdedigd, op het moment waarop hij wordt
gevangen,
met zijn kop beukt en met zijn slagtanden bomen vernielt, als niet zijn
grote
verlangen om vrij te blijven, zoals hij van nature is, hem de geest en
de
slimheid geeft, om met zijn jagers te onderhandelen: om te zien of hij
zich
voor ten koste van zijn tanden kan bevrijden en of hij zijn ivoor als
losgeld kan
betalen, om weer vrij te komen?
En dan
het paard! Dat koesteren
wij vanaf zijn geboorte om het aan gedienstig zijn te wennen. En toch
verhinderen
onze liefkozingen niet dat het op zijn bit bijt en onder zijn sporen
steigert,
als wij het willen temmen. Volgens mij wil het daarmee natuurlijk laten
zien,
dat het niet goedschiks onderdanig is, maar omdat wij het dwingen. Wat
moet ik
daar nog meer van zeggen? “Zelfs de ossen kreunen onder het juk, en de
vogels wenen
in de kooi.” Ik heb dat vroeger, in mijn vrije ogenblikken, wel eens in
rijm
gezegd.
Dus als
elk schepsel, dat
beseft dat het bestaat, de ellende van de onderwerping ondervindt en
naar
vrijheid streeft; als de dieren, zelfs die dienstig aan de mens zijn
gemaakt,
zich niet kunnen onderwerpen, zonder dat zij vanuit een tegengesteld
verlangen
hebben tegengestribbeld, door wat voor ongeluk heeft de mens – die echt
slechts
is geboren voor een vrij leven - dan zo kunnen ontaarden, dat hij de
herinnering aan zijn oorspronkelijke toestand en het verlangen om dat
te
hervatten, heeft verloren?
Er
bestaan drie soorten
tirannen. Ik bedoel slechte vorsten. De eerste zijn in bezit van het
koninkrijk
gekomen, doordat ze door het volk zijn gekozen, de tweede door
wapengeweld, de
laatste door erfopvolging. Zij die de macht door het oorlogsrecht
hebben
verworven, gedragen zich zodanig, dat men goed merkt, dat zij, zoals
men zegt,
in een veroverd land huizen. Zij die als koning worden geboren, zijn
over het
algemeen geen haar beter. Geboren en gevoed aan de boezem van de
tirannie,
zuigen ze met de moedermelk de tirannenaard in en zij beschouwen de
volkeren
die aan hen zijn onderworpen, als hun overgeërfde lijfeigenen.
Volgens hun
overheersende neiging – gierig of verkwistend – gebruiken zij het
koninkrijk als
hun eigen erfgoed. Het lijkt mij, dat iemand die zijn macht van het
volk
krijgt, acceptabeler zou zijn; ik geloof dat hij dat ook zou zijn, als
hij,
zodra hij merkt, dat hij zo hoog boven de anderen wordt verheven,
gevlijd door
iets, waar ik niet van begrijp waarom men dat hoogheid noemt,
niet het
ferme besluit neemt, om niet meer af te dalen. Hij beschouwt de macht,
die hij
van het volk heeft gekregen, bijna altijd als iets dat aan zijn
kinderen
overdraagbaar is. Maar het is inderdaad merkwaardig als je ziet,
hoezeer zij,
vanaf het moment dat zij van dat rampzalige idee overtuigd zijn, de
andere
tirannen in allerlei ondeugden en wreedheden, overtreffen. Zij zien
geen andere
manier om hun pas verworden tirannie te bevestigen, dan door het
verhevigen van
de slavernij en door hun onderdanen zó van hun ideeën over
vrijheid, al is die
nog vers in hun herinnering, te vervreemden, dat die herinnering al
snel volledig
uit hun geheugen is gewist. Eerlijk gezegd, zie ik wel een aantal
verschillen
tussen de tirannen, maar voor mij is het lood om oud ijzer: want al
bereiken zij
op verschillende manieren de troon, hun manier van regeren is altijd
vrijwel
hetzelfde. Zij, die door het volk zijn gekozen, behandelen het als een
stier
die getemd moet worden, de veroveraars als een prooi waarop zij alle
recht
hebben, de opvolgers als iets geheel natuurlijks.
Naar
aanleiding hiervan zou
ik de volgende vraag willen opwerpen. Stel, dat er vandaag zomaar een
aantal
volstrekt nieuwe mensen zouden worden geboren, die niet aan
onderwerping waren
gewend, noch belust op vrijheid, en die behalve de naam van het ene en
het
andere, niets zouden weten. En stel dan dat men hen de keuze zou bieden
om
onderdaan te zijn of in vrijheid te leven, wat zouden zij dan kiezen?
Zonder
enige twijfel zouden zij veel liever alleen hun eigen verstand
gehoorzamen, dan
aan iemand onderdanig zijn, tenminste als zij niet zo zouden zijn als
de joden
in Israël, die zonder reden of dwang, zelf een tiran hebben
gemaakt. Ik lees
hun geschiedenis nooit zonder dat ik zo’n grote afschuw krijg, dat ik
er bijna
onpasselijk van wordt, en mij bijna verkneukel over alle rampen die hen
daardoor
hebben getroffen. Want om te zorgen dat mensen, voor zover er in hen
nog een
spoortje mens is overgebleven, zich laten onderwerpen, bestaan er twee
mogelijkheden: óf ze worden gedwongen, óf ze worden
bedrogen. Gedwongen door
vreemde legers zoals Sparta en Athene door de legers van Alexander, of
bedrogen
door partijen, zoals de regering van Athene, voordat die handen van
Pisistratus
viel. Vaak verliezen zij ook hun vrijheid doordat ze worden bedrogen,
maar daartoe
worden zij minder vaak door een ander, dan door hun eigen verblinding
verleid. Zo
koos het volk van Syracuse, destijds de hoofdstad van Sicilië,
toen het aan
alle kanten door vijanden werd aangevallen en alleen maar aan het
onmiddellijke
gevaar dacht, zonder in de toekomst te kijken, Dionysus tot leider en
gaf hem
het opperbevel over het leger. Het volk had niet in de gaten, dat het
hem zo
machtig had gemaakt, zodat deze slimme bedrieger, toen hij als
overwinnaar naar
de stad terugkeerde, alsof hij niet zijn vijanden maar zijn medeburgers
had
overwonnen, zich eerst tot bevelhebber, vervolgens tot koning en
uiteindelijk
van koning tot tiran uitriep. Het is onvoorstelbaar als je ziet hoe het
volk, dat
op zo’n manier door het bedrog van een verrader wordt onderworpen,
ineens in
zo’n volstrekt vergeten van zijn vrijheid vervalt, dat het uit die
verdoving onmogelijk
weer kan ontwaken om die vrijheid te heroveren: het is zo onderdanig,
en is dat
zo graag, dat men, als men het ziet, zou denken, dat het niet alleen
zijn
vrijheid heeft verloren, maar bovendien zijn eigen onderdanigheid, om
vervolgens
af te stompen tot de meest geestdodende onderdanigheid.
Het is
waar, dat de mensen
aanvankelijk met geweld werden bedwongen en overwonnen; maar hun
opvolgers, die
de vrijheid nooit hadden gekend, en zelfs niet wisten wat dat was,
waren zonder
spijt onderdanig en deden vrijwillig wat hun vaderen slechts onder
dwang deden.
Mensen die dus onder het juk zijn geboren, die in onderdanigheid zijn
gevoed en
opgegroeid en niet vooruit keken, stellen zich tevreden met te leven
zoals zij
nu eenmaal zijn geboren en denken dat zij geen andere rechten hebben,
noch
andere vermogens, dan zij bij hun intrede in het leven hebben
aangetroffen; zij
beschouwen de toestand waarin zij zijn geboren zelfs als hun echte
natuur.
Toch is
er geen erfgenaam,
hoe verkwistend of onverschillig hij ook moge zijn, die niet op zekere
dag bij
zichzelf stil blijft staan, om te zien of hij wel in het genot is van
alle
rechten van zijn opvolging en of men geen inbreuk op zijn rechten of de
rechten
van zijn voorganger heeft gemaakt. Maar de gewoonte, die in alles zo’n
grote
invloed op heel ons handelen heeft, heeft vooral het vermogen om ons te
leren onderdanig
te zijn en om, net als Mithridates, waarover men vertelt, dat hij
uiteindelijk
aan vergif gewend raakte, op den duur zonder afkeer het bittere vergif
van de
onderdanigheid te laten slikken. Het staat buiten kijf, dat de natuur
ons aanvankelijk
leidt volgens de goed en slechte neigingen waarmee zij ons geeft
begiftigd, maar
we moeten toegeven, dat zij nog altijd minder macht over ons heeft dan
de
gewoonte. Want hoe goed onze aard ook is, hij gaat verloren, als wij
hem niet
onderhouden, terwijl de gewoonte ons steeds op zijn eigen manier vormt,
ten
koste van onze oorspronkelijke neigingen. De zaadjes van het goede, die
de
natuur in ons zaait, zijn zo klein en broos, dat zij niet tegen de
minste schok
van de hartstochten bestand zijn, noch tegen de invloed van een
opvoeding die
ze tegenwerkt. Zo blijven ze niet goed, verbasteren dan ook
gemakkelijk, en
ontaarden zelfs, zoals bij fruitbomen die allemaal hun eigen karakter
hebben en
dat bewaren naarmate men ze maar natuurlijk laat groeien, maar die,
vanaf het
moment waarop men ze ent, die aanleg verliezen, en volmaakt andere dan
hun
eigen vruchten gaan dragen.
Kruiden
hebben ook ieder hun
eigen karakter, hun eigenheid en hun bijzonderheden; maar toch
verslechteren of
verbeteren de kou, weer en wind, de bodem of de hand van de tuinman
altijd hun
goede eigenschappen. Een plant, die men in het ene land heeft gezien,
is in een
ander land vaak onherkenbaar. Wie bij de Venetianen heeft gezien, hoe
een
handvol mensen, dat zo vrij leefde, dat niet eens de minste onder hen
koning
wilde zijn, allemaal dan ook geboren en opgevoed op zo’n manier, dat
zij geen
ander streven kenden, dan om hun vrijheid zo goed mogelijk te bewaren,
en die vanaf
de wieg op zo’n manier zijn onderricht en gevormd, dat zij geen
greintje van
hun vrijheid zouden willen ruilen voor alle andere menselijke
geneugten. Wie
dus die mensen had gezien en vervolgens het grondgebied van iemand, die
wij
“grote heer” noemen, had betreden, waar hij mensen zou aantreffen, die
slechts
zijn geboren om onderdanig te zijn, en die hun hele leven opgeven om
zijn macht
in stand te houden, zou niet geloven, dat die twee volkeren eenzelfde
aangeboren aanleg hebben. Zou hij niet eerder geneigd zijn om te denken
dat hij
vanuit een mensenstad in een dierentuin is beland?
Men
vertelt dat Lycurgus, de
wetgever van Sparta, twee honden uit hetzelfde nest had opgevoed, die
dezelfde
melk hadden gedronken. De een werd aan de huiselijke haard had gewend
en de
andere aan het rennen door de velden, bij het geluid van de hoorn en
klaroen.
Omdat hij de inwoners van Lacaedamon wilde laten zien, wat de invloed
van de
opvoeding op de oorspronkelijke natuur is, zette hij beide honden
midden op het
marktplein en plaatste een schotel soep en een haas tussen hen in. De
ene rende
naar de schotel, de andere naar de haas. Kijk, zei hij, en toch zijn
het
broers!
Die
wetgever wist de
Lacedaemoniërs zo’n goede opvoeding te geven, dat ieder van hen
liever duizend
doden stierf, dan dat zij zich aan een meester onderwierpen, of andere
dan de
Spartaanse wetten erkenden.
Ik vind
het leuk om hier een
verhaal op te halen over de gunstelingen van Xerxes, de grote koning
der
Perzen, naar aanleiding van de Spartanen. Toen Xerxes voorbereidingen
trof om
heel Griekenland te onderwerpen, zond hij zijn gezanten naar een aantal
steden
van dat land, om te vragen om grond en water – een symbolische manie,
die de
Perzen gebruikten om steden te manen om zich over te geven. Maar hij
hoedde
zich ervoor om er geen naar Sparta of Athene te sturen, omdat de
Spartanen en
Atheners, waar zijn vader Darius eerder al gezanten met dezelfde vraag
naartoe
had gestuurd, hen hadden gegrepen en de een in de gracht en de andere
in de put
hadden gegooid met de woorden: “Vooruit, pak daar maar grond en water
en breng
het naar jullie vorst.” Die trotse republikeinen tolereerden in wezen
niet, dat
men, zelfs met het minste woord, hun vrijheid aanviel. Intussen
begrepen de
Spartanen, dat zij, omdat zij zo hadden gehandeld, hun goden hadden
beledigd,
en met name Talthybios, de god van de herauten. Om zich met de goden te
verzoenen, besloten zij om twee van hun medeburgers naar Xerxes te
sturen,
zodat hij zich, naar eigen goeddunken, op hen zou kunnen wreken voor de
moord
van de gezanten van zijn vader.
Twee
Spartanen, Sperthies en
Bulis, boden zich vrijwillig als slachtoffer aan, gingen op weg en
kwamen aan
bij het paleis van de Pers Hydarnes, stadhouder van de koning van alle
steden,
die aan de kust lagen. Hij ontving hen zeer waardig, en na een aantal
gesprekken vroeg hij hen waarom zij de vriendschap van de grote koning
zozeer
afsloegen. “Neem een voorbeeld aan mij”, voegde hij hen toe, “om te
zien hoe de
koning mensen die het verdienen weet te belonen. Neem aan, dat jullie,
als
jullie in zijn dienst waren geweest en hij jullie had gekend, allebei
stadhouder
van een Griekse stad waren geweest.” De Lacedaemoniërs
antwoordden: “Daar kunt
u ons, Hydarnes, geen goede raad in geven, want als u het geluk had
gesmaakt,
dat u ons belooft, gaat u helemaal voorbij aan het geluk, dat wij
smaken. U
hebt de gunst van een koning ondervonden, maar u weet niet hoe heerlijk
de
vrijheid is, en u weet niets van het geluk dat de vrijheid verschaft.
Ach, al
had u daar alleen maar een idee van gehad, dan had u ons aangeraden
haar niet
alleen met lans en schild te verdedigen, maar zelfs met hand en tand”.
Ook de
Spartanen spraken de waarheid, want zij spraken beiden zoals zij waren
opgevoed. Het was voor de Pers immers onmogelijk om een vrijheid te
betreuren,
die hij nooit had ervaren, zoals de Spartanen, die de vrijheid hadden
ervaren, zelfs
niet konden begrijpen dat men in slavernij zou kunnen leven.
Cato van
Utica ging toen hij
nog een kind was en onder de plak van zijn meester zat, vaak op bezoek
bij de
dictator Scylla, waar hij vrije toegang bij had, meer dankzij de
positie van
zijn familie dan zijn bloedverwantschap, dat hen met elkaar verbond.
Tijdens
die bezoeken was hij altijd vergezeld van zijn leermeester, zoals het
in Rome in
die tijd gebruikelijk was voor kinderen van goede huize. Op een dag
merkte hij
dat men in het huis van Scylla, in zijn aanwezigheid of op zijn bevel,
sommige
mensen gevangen nam en andere veroordeelde; de een werd verbannen, de
andere
gewurgd. De een vroeg om verbeurdverklaring van de bezittingen van een
medeburger, de ander eiste zijn hoofd. Kortom, het ging er allemaal
niet aan
toe zoals bij een rechter, maar zoals bij een tiran; het was eerder een
hol van
tirannie, dan een heiligdom van gerechtigheid. Die edele jongeman zei
tegen
zijn leermeester: “Waarom geeft u mij geen dolk? Ik zal hem onder mijn
mantel
verbergen. Ik kom vaak in de kamer van Scylla, voor hij wakker is…Mijn
arm is
sterk genoeg om de republiek van hem te bevrijden.” Dat is een
uitspraak, die
een Cato waardig is. Dat is nou een eerste optreden in een leven, dat
in
overeenstemming met zijn eervolle dood was. En toch, als je alleen maar
dat
feit, zoals het is, vertelt, hoef je niet eens naam en land te noemen,
want het
spreekt voor zich. Men zal meteen zeggen: “dat was een Romeins kind,
toen het
nog vrij was.” Waarom ik dat vertel? Ik beweer echt niet dat het land
en de
landstreek er niets mee hebben te maken, want overal en op alle plekken
is de
slavernij verfoeilijk voor de mensen en is de vrijheid hen dierbaar.
Maar
volgens mij moet men met mensen, die al bij hun geboorte onder het juk
terechtkomen, medelijden hebben en moet men het hen niet kwalijk nemen
en het
hen vergeven, dat zij, omdat zij zelfs nu eenmaal geen zweem van de
vrijheid
hebben ervaren en er nooit over hebben horen praten, de ellende van het
feit
dat zij slaaf zijn, niet ervaren. Als er een landstreek bestaat, zoals
Homerus
vertelt over het land van de Kimeriërs, waar de zon heel anders
schijnt dan bij
ons, en waar die, nadat hij de mensen zes maanden achter elkaar licht
heeft
geschonken, hen de andere zes maanden in duisternis laat vertoeven, is
het dan
verwonderlijk, dat de mensen die gedurende die lange nacht worden
geboren en
die nooit over het licht hebben horen spreken en die de dag nooit
hebben
aanschouwd, aan de duisternis, waarin zij zijn geboren, zijn gewend en
niet
naar het licht verlangen?
Men
betreurt nooit wat men
nooit heeft gehad. Verdriet komt slechts na blijdschap en de
herinnering aan het
geluk is altijd verbonden aan voorbije vreugde. Het is de mens eigen om
vrij te
zijn en vrij te willen zijn, maar hij plooit zich heel gemakkelijk naar
de
opvoeding die hem wordt gegeven.
Wij
kunnen dus zeggen, dat al
raakt de mens aan allerlei dingen gewend en al worden die voor hem
normaal, er
toch diep in zijn hart alleen datgene overblijft, wat slechts naar
eenvoud en
oorspronkelijkheid verlangt. Dus de gewoonte is de belangrijkste reden
van zijn vrijwillige onderdanigheid. Dat is dus wat er gebeurt
met die dappere
paarden, die aanvankelijk op hun bit bijten en het later prettig
vinden; de
paarden, die nog niet zolang geleden steigerden onder het prachtige
zadel, en
die nu in het tuig lopen en trots als een pauw onder de wapenrusting,
die hen
bedekt, rondstappen.
Zo maken
zij zich wijs dat
zij altijd onderdanig zijn geweest en dat ook hun vaderen zo hebben
geleefd.
Zij denken, dat zij zich het bit moeten laten welgevallen, zij
overtuigen
zichzelf met allerlei voorbeelden en ondersteunen dat met het feit dat
er al
zolang mensen zijn die over hen heersen.
Maar
geeft de tijd het recht
om kwaad te berokkenen? En is een langdurig onrecht juist niet een
groter
onrecht? Er zijn altijd bepaalde mensen, moediger en meer bezield dan
andere,
die de last van het juk ervaren en het niet kunnen nalaten om dat van
zich af
proberen te schudden, die nooit aan de onderdrukking wennen en die,
zoals
Odysseus land en zee afzocht om de rook van zijn huis weer te zien,
steeds en
onophoudelijk hun aangeboren rechten nooit zijn vergeten en die hun
best doen
om die hoe dan ook weer te heroveren. Het zijn mensen met een scherp
verstand
en een vooruitziende blik, die zich niet, zoals de afgestompte
onwetenden,
tevreden stellen met wat zij aan hun voeten zien liggen, zonder naar
het
verleden of de toekomst te kijken. Zij denken daarentegen juist wel
terug aan
voorbije zaken, om verstandiger over het heden te oordelen en de
toekomst te
voorzien. Het zijn mensen die van huis uit een goed verstand hebben en
dat door
studie en wetenschap nog hebben verbeterd. Het zijn mensen, die als de
vrijheid
volledig teloorgegaan is en uit deze wereld is verbannen, zich daar
toch een
beeld van kunnen vormen, want omdat zij die vrijheid levendig ervaren,
en in
hun geest de kiem ervan hebben gesmaakt en bewaard, kunnen zij nooit
tot
onderdanigheid worden verleid, hoezeer men die ook opsiert.
De grote
sultan heeft heel
goed begrepen, dat boeken en de juiste leer, meer dan wat dan ook, de
mensen een
gevoel van eigenwaarde geven en hen leren de onderdrukking te haten. Ik
heb dan
ook gelezen, dat in het land dat hij regeert, nauwelijks meer geleerden
zijn, dan
hij toestaat. En overal elders blijven, hoe groot het aantal mensen ook
is dat
de vrijheid trouw is, de ijver en de toewijding die zij aan de dag
leggen, zonder
uitwerking, omdat zij het niet met elkaar eens kunnen worden. De
alleenheersers
hebben hen elke vrijheid ontnomen om te handelen, te spreken en zo goed
als om
te denken, en daarom blijven zij in hun streven naar het goede volledig
geïsoleerd. Momus had dus echt gelijk, toen hij vond dat hij een
aanmerking
moest maken op de mens die Vulcanus had vervaardigd, en hem vroeg
waarom hij
geen venstertje in het hart had gemaakt, zodat je zijn meest geheime
gedachten
kon zien.
Er wordt
verteld, dat toen
Brutus en Cassius het plan hadden opgevat om Rome te bevrijden (dat wil
zeggen,
de hele wereld), zij niet wilden dat Cicero, de grote en bekwame
redenaar, zoals
er nooit meer een is geweest, mee zou doen, omdat zij vonden, dat zijn
moed
veel te gering was voor zo’n belangrijke onderneming. Zij geloofden wel
in zijn
bereidheid, maar niet in zijn moed. Maar wie de geschiedenis van het
verleden
nagaat en de oude annalen doorbladert, zal toch zien, dat bijna
iedereen, die
heeft gezien dat zijn land slecht werd bestuurd en in verkeerde handen
was, en
met goede bedoelingen, het plan opvatten om het te bevrijden, daar
uiteindelijk
gemakkelijk geheel en al in slaagden en dat de vrijheid hen, voor haar
eigen
rekening, daarbij te hulp schoot. Harmodius, en Dion, die aan een zo
grootse
onderneming hun bijdrage leverden, brachten het tot een goed einde. Bij
dergelijke heldendaden staat een sterke wil bijna altijd in voor een
goede
afloop. Cassius en Marcus Brutus slaagden erin door Caesar te verslaan,
om hun
land van de slavernij te bevrijden. Zij stierven weliswaar toen zij
probeerden om
de vrijheid terug te brengen, maar roemrijk, want wie zou in hun leven
en in
hun dood iets laakbaars durven aanwijzen? Hun dood was echter een zeer
ongelukkige zaak en oorzaak van de volledige ondergang van de
republiek, die
volgens mij, samen met hen werd begraven. De andere pogingen, die
sindsdien
tegen de Romeinse keizers zijn ondernomen, waren slechts samenzweringen
van wat
eerzuchtige mensen, waar je helemaal geen medelijden mee hoeft te
hebben omdat
hun pogingen zijn mislukt en zij tragisch aan hun eind zijn gekomen,
omdat het
duidelijk is, dat zij niet de troon omver wilden werpen, maar alleen
kroon
wilden onteren, alleen maar de alleenheerser wilden verjagen en de
alleenheerschappij wilden behouden. Want hen betreft, zou ik helemaal
niet
willen, dat hun poging was geslaagd, en ik ben blij dat zij door hun
voorbeeld
hebben laten zien, dat je voor een kwalijke onderneming, niet de
heilige naam
van de vrijheid moet misbruiken.
Maar om
op mijn onderwerp
terug te komen, dat ik als het ware uit het oog heb verloren: de
belangrijkste
reden waarom de mensen vrijwillig onderdanig zijn, is omdat zij onvrij
worden
geboren en in onderdanigheid worden opgevoed. Hieruit volgt
vanzelfsprekend een
tweede reden, namelijk dat mensen onder de heerschappij van
alleenheersers noodzakelijkerwijs
laf en zwak worden. Zoals volgens mij, Hippocrates, de vader van de
geneeskunst, dat zo juist in een van zijn boeken met de titel ‘Over de
ziekten’
heeft opgemerkt. Bij die rechtschapen man zat het hart op de juiste
plaats en
dat liet hij duidelijk zien, toen de koning der Perzen hem met beloften
en
grote geschenken voor zich wilde winnen; want hij antwoordde hem
vrijmoedig dat
hij het niet met zijn geweten kon verenigen, om zich bezig te houden
met het
genezen van barbaren, die de Grieken wilden vernietigen, en dat hij hen
op geen
enkele manier van dienst wilde zijn. Wat hij daarover heeft geschreven,
bevindt
zich thans nog steeds tussen zijn andere werken en zal altijd van zijn
rechtschapenheid
en zijn goede karakter blijven getuigen.
Het
staat dus vast dat men
met de vrijheid ook meteen de dapperheid verliest. Slaven missen het
vuur en de
volharding in het gevecht. Het lijkt wel of zij geketend en volkomen
afgestompt
zijn en dat zij hun taak als een soort verplichting volbrengen. Zij
voelen in
hun aderen niet het heilige vuur van de vrijheid koken, dat ons het
alle gevaar
doet verachten en ons doet verlangen naar een schone en roemrijke dood,
die ons
voor altijd temidden van onze medemensen tot eer strekt. Vrije mensen
daarentegen, wedijveren steeds meer onder elkaar, allen voor iedereen
en iedereen
voor allen: zij weten dat zij van de ellende van de nederlaag en het
geluk van
de overwinning, een even groot deel zullen krijgen. Maar de
onderworpenen, geheel
verstoken van moed en levenslust, zijn laf- en weekhartig en tot geen
enkele
grote daad in staat. Dat weten de tirannen heel goed en zij doen dan
ook al het
mogelijke om hen steeds meer te verzwakken en laffer te maken.
De
geschiedschrijver
Xenophon, een van de meest belangrijke en bewonderde van de Grieken,
heeft een
klein boekje geschreven, waarin een dialoog staat tussen Simonides en
Hieron, koning
van Syracuse, over de ellende van een tiran. Dat boekje staat vol
leerzame en
diepzinnige lessen die, volgens mij, een tijdloze bekoring hebben. Had
het God
maar behaagd, dat alle tirannen, die er ooit zijn geweest, dat boekje
bij wijze
van spiegel vóór zich hadden gehad. Zij hadden dan
ongetwijfeld hun eigen
gebreken gezien en hadden dan van schaamte gebloosd. Die verhandeling
heeft het
over de kommer en kwel, die de tirannen ondervinden, die, omdat ze
iedereen
kwaad berokkenen, de hele wereld moeten vrezen. Hij zegt onder andere
dat
slechte vorsten buitenlandse troepen in dienst nemen, omdat zij hun
eigen
onderdanen, die zij op duizend manieren slecht hebben behandeld, geen
wapens
meer durven geven. Zelfs in Frankrijk zijn er, vroeger vaker dan
tegenwoordig,
een aantal goede vorsten geweest, die buitenlandse troepen hebben
ingeschakeld,
maar dat was meer om hun eigen onderdanen te beschermen; zij keken
niet, om dat
doel te bereiken, op het geld dat die onderneming vereiste. Dat was,
naar men
zegt, ook de mening van Scipio, de Afrikaan, die het belangrijker vond
om het
leven van één burger te sparen, dan dat hij honderd
vijanden versloeg. Maar wat
vast is, dat de tiran pas zeker van zijn macht kan zijn, als het zover
is
gekomen, dat hij alleen maar waardeloze mensen als onderdaan heeft. Men
kan hem
terecht toevoegen wat volgens Terentius, Thrason tegen de
olifantenoppasser
zei:
“Denk
jij dat je dapper
bent,
Omdat je
dieren hebt getemd?”
Maar dat
foefje om hun
onderdanen dom te houden, is nergens duidelijker geweest dan in het
gedrag van
Cyrus ten opzicht van de Lydiërs, nadat hij zich van Sardes, de
hoofdstad van
Lydië, meester had gemaakt en de stinkrijke Croesus,
krijgsgevangen had genomen,
die zich had overgegeven en zich aan hem had overgeleverd. Men bracht
hem de
tijding, dat de inwoners van Sardes in opstand waren gekomen. Hij zou
ze weer
snel hebben kunnen onderwerpen, maar omdat hij hun prachtige stad niet
wilde
plunderen en ook geen altijd leger bij de hand wilde houden om hen in
toom te
houden, bedacht hij een prachtige oplossing om de stad weer in bezit te
krijgen. Hij vestigde er huizen van plezier, bordelen en kroegen, liet
er
spelen houden, en kondigde een verordening af, die behelsde dat de
mensen
verplicht waren zich aan al die ondeugden over te geven. Met die
bezetting lukt
het zo goed, dat hij het zwaard daarna niet meer tegen de Lydiërs
hoefde op te
nemen. Die armoedzaaiers vermaakten zich met het bedenken van allerlei
spelen
zo goed, dat de Latijnen zelfs van hun naam het woord afleidden,
waarmee zij
bedoelden wat bij ons tijdverdrijf heet. Zij noemden dat ludi
als
verbastering van Lydi.
Geen
enkele tiran heeft
expliciet verklaard, dat hij zijn onderdanen wilde verwijven, maar in
werkelijkheid heeft het merendeel van hen, wat Cyrus openlijk
verordende, in
het geniep gedaan. Om eerlijk te zeggen is dat de normale neiging van
het
onwetende deel van de mensen die, zoals gewoonlijk, in de steden het
meest
talrijk zijn: zij zijn achterdochtig tegenover degene die om hen geeft
en hen
toegewijd is, en vol vertrouwen tegenover degene die hen bedriegt en
verraadt. Denk
maar niet dat er ook maar één vogel is, die gemakkelijker
aan de lijmstok
blijft hangen, dat er ook maar één vis is, die voor het
lekkere hapje van de
worm, eerder bijt en aan de haak blijft hangen, dan dat al die volkeren
zich,
met de geringste zoetigheid die men hen aanbiedt en laat proeven,
meteen laten verleiden
en tot onderworpenheid laten voeren. Het is echt wonderlijk, dat zij
zich
meteen zo laten gaan, als men ze maar een beetje kietelt. Het theater,
de
spelen, de kluchten, de voorstellingen, de gladiatoren, de exotische
dieren, medailles,
schilderijen en meer van dat soort bedwelmende middelen, waren voor de
volkeren
uit de oudheid de lokazen van de slavernij, de prijs voor hun ontnomen
vrijheid,
het gereedschap van de tirannie. Dat systeem, deze manier van handelen
en deze
verleidingen zijn de middelen die de tirannen uit de oudheid
gebruikten, om hun
onderdanen in hun onderdanigheid in te laten slapen. Zo raakten de
afgestompte
volkeren, die al dat tijdverdrijf prachtig vonden en zich vermaakten
met ijdel
plezier, dat hen verblindde, onnozel gewend aan het onderdanig zijn,
maar nog
veel onnozeler dan kleine kinderen, die leren lezen met behulp van
kleurplaatjes.
De
Romeinse tirannen gingen
daarmee nog verder, doordat zij vaak feesten organiseerden, waar zij de
afgestompte mensen zich lieten volproppen en hen streelden met hetgeen,
waardoor
zij zich het meest gemakkelijk lieten inpalmen: het genot van de maag.
Zelfs de
meest snuggere onder hen, had dan ook zijn bord met soep niet in de
steek
willen laten om de vrijheid van de republiek van Plato te
verkrijgen. De
tirannen waren royaal met het uitdelen van graan, wijn en geld en het
was
meelijwekkend om die mensen dan te horen roepen: “Leve de koning!” Die
onnozele
halzen hadden niet in de gaten, dat zij door al die dingen te krijgen,
alleen
maar een gedeelte van hun eigen bezit terugkregen en dat de tiran,
zelfs dat
gedeelte dat zij terugkregen, alleen maar kon teruggeven, omdat hij hen
zelf het
eerst had afgepakt. De man die vandaag zijn geld bijeensprokkelt en de
man die
zich tijdens een openbaar feest volpropt en Tiberius en Nero prijst
voor hun vrijgevigheid,
en die morgen wordt gedwongen om zijn bezittingen aan de hebzucht, zijn
kinderen aan de wellust, en zelfs zijn bloed aan de wreedheid van die
schitterende keizers af te staan, zweeg dan als een steen, sprak geen
woord, en
stond dan net zo roerloos als een boomstronk. Zo is het onwetende en
afgestompte volk altijd geweest: opgewekt en losbandig bij geneugten,
waar het
niet fatsoenlijk aan kan komen en volledig ongevoelig voor onrecht en
leed, dat
het redelijkerwijs niet kan dulden.
Ik ken
tegenwoordig niemand
die, als hij alleen al over Nero hoort praten, niet beeft bij alleen al
het
horen van de naam van dat afschuwelijke monster, dat gemene en gore,
wilde
beest. Maar toch moet worden gezegd, dat het befaamde Romeinse volk,
hoe
weerzinwekkend het leven van Nero ook moge zijn geweest, na zijn dood,
als het
terugdacht aan de spelen en feesten, zo verdrietig was, dat het bijna
op rouwen
leek. Dat is tenminste wat Cornelius Tacitus ons verzekert, de zeer
waarheidsgetrouwe schrijver, die alle geloof verdient. En men zal zich
daarover
niet verbazen, als men bedenkt, wat datzelfde volk al eerder bij de
dood van
Julius Ceasar had gedaan, die alle wetten met voeten had overtreden en
de
vrijheid van de Romeinen had beteugeld. Men prees, volgens mij, in die
man
vooral zijn menselijkheid, maar die was, hoezeer men die ook heeft
geprezen,
voor zijn land rampzaliger dan de grootste wreedheden van de meest
barbaarse
tiran, die ooit heeft geleefd, want in werkelijkheid was het die valse
goedheid, die giftige zachtaardigheid, die voor het Romeinse volk de
pil van de
onderdanigheid verguldde. Daarom stapelde dat volk, dat nog steeds de
smaak van
zijn feestmalen in de mond en de herinnering aan zijn overdadigheden in
het
hoofd had, na zijn dood, op het forum dan ook de banken op elkaar om
ter ere
van hem een grote erebrandstapel te bouwen, en om zijn stoffelijk
overschot tot
as te laten vergaan; daarna richtte het voor hem, als Vader des
vaderlands, een
zuil op (die inscriptie staat dus ook op het kapiteel); en uiteindelijk
bewees
het volk hem bij zijn dood meer eer, dan het ooit aan iemand anders
tijdens
zijn leven had bewezen, behalve aan degenen die hem hadden vermoord.
De
Romeinse keizers vergaten
vooral niet om de titel Volkstribuun aan te nemen, omdat dat ambt als
heilig en
gewijd werd beschouwd. Het was immers ingesteld voor de verdediging en
bescherming van het volk, en speelde een grote rol in de Staat. Hiermee
verzekerden zij zich ervan, dat het volk het volk meer vertrouwen in
hen had,
alsof zij aan die naam genoeg hadden, zonder dat zij zich om nadelige
gevolgen
daarvan bekommerden. Maar zij handelen nauwelijks beter, dan die mensen
die
tegenwoordig, voordat ze hun misdrijven, zelfs de meest
weerzinwekkende,
begaan, dat altijd vooraf laten gaan door wat loze praatjes over
algemeen
welzijn, de openbare orde en hulp aan de misdeelden. Je kent die aanpak
wel,
waar zij zo vaak en verraderlijk gebruik van maken; maar bovendien is
er bij
een aantal van hen zelfs geen plaats voor slimheid, zo schaamteloos
zijn ze.
De
Assyrische koningen, en
na hen de koningen van de Meden, verschenen zo weinig mogelijk in het
openbaar,
om het volk in de waan te laten, dat zij iets bovenmenselijks hadden en
om de
mensen, die zich opwinden over hun hersenspinsels over de dingen, die
zij niet
met hun eigen ogen hebben zien, in die waan te laten. Vandaar dat
zoveel
volkeren, die lang onder het bewind van die geheimzinnige koningen
verkeerden,
gewend raakten aan het onderdanig zijn aan hen, en hen des te
bereidwilliger
dienden, naarmate zij in het ongewisse verkeerden over hun meester, of
zelfs
niet wisten of ze er wel een hadden; zo leefden zij dus, in de vrees
voor
iemand, die niemand ooit had gezien.
De
eerste koningen van
Egypte vertoonden zich nauwelijks zonder dat ze de ene keer een tak en
de
andere keer een vlam op het hoofd droegen: zij vermomden zich en
veranderden
zichzelf in kunstenmakers, en dwongen met die zonderlinge gedaanten
respect en
bewondering af bij hun onderdanen die, als zij niet zo stom en
onderdanig waren
geweest, daar de draak mee hadden gestoken en hen hadden uitgelachen.
Het is
echt tragisch om te horen, wat de tirannen uit het verleden allemaal
hebben
uitgehaald om hun tirannie te grondvesten, om te zien van wat voor
geringe
hulpmiddelen zij zich bedienden, waarbij zij altijd een onwetende
bevolking
aantroffen, die zo aan hun willekeur blootstond, dat zij alleen maar
een strik
hoefden te spannen om hen te vangen. Zij zouden het volk nooit zo
gemakkelijk
hebben kunnen bedriegen en hadden het nooit kunnen onderwerpen, als de
mensen
zich minder van hen hadden aangetrokken.
Wat moet
ik nog zeggen over
dat andere praatje, dat de antieke volkeren voor zoete koek aannamen?
Zij
geloofden echt dat de grote teen van Pyrrhus, de koning van Epirus,
wonderen
verrichtte en ziekten van de milt genas. Zij poetsten dat verhaal nog
verder
op, door te vertellen dat, toen men het lijk van de koning verbrandde,
men de
teen, gespaard door het vuur, ongeschonden in de as terugvond. Altijd
is het
volk zo onnozel geweest om zelf leugenachtige verhalen te verzinnen, om
daar
vervolgens een krankzinnig geloof aan op te hangen. Talrijke schrijvers
hebben herhaaldelijk
van die leugens melding gemaakt, maar op zo’n manier, dat het eenvoudig
is te
zien, dat ze op straat en op de straathoeken zijn verzameld. Men
vertelt dat Vespasianus,
toen hij uit Assyrië terugkeerde en Alexandrië aandeed,
voordat hij naar Rome
trok om zich van het keizerrijk meester te maken (zie Suetonius, Het
leven van
Vespasianus, hfdst. 7) wonderbaarlijke zaken verrichtte. Hij liet
kreupelen
weer lopen, gaf blinden het zicht weer terug, en duizend andere dingen,
die volgens
mij ongeloofwaardig zijn, behalve voor dwazen die nog blinder zijn, dan
de
blinden, waarvan men beweert dat hij die genas.
Zelfs de
tirannen vonden het
heel vreemd, dat de mensen iemand gedoogden, die hen slecht behandelde.
Zij
gebruikten graag de godsdienst als dekmantel en dirkten zichzelf nu en
dan op
met de attributen van de goddelijkheid, om meer gezag aan hun kwalijke
daden te
geven. Zo bevindt zich onder andere Salmoneus, omdat hij het volk in de
maling
had genomen, dat hij wilde laten geloven dat hij Jupiter was, volgens
de
Sybille van Vergilius, die hem daar heeft gezien, nu in het diepst van
de hel,
waar hij nu boet voor zijn brutale heiligschennis:
'k Zag
er ook Salmoneüs,
Aeols zoon, vervaarlijk pijnigen, die, als een allernoodste,
Gods
weerlicht, donderkloot
en bliksemstraal nabootste.
Dees
liet in Griekenland, en
midden door de stad
Van
Elis, daar hij trots op
zijnen wagen zat,
Zich met
vier paarden door
de drang der Grieken voeren,
En,
zwaaiende Ene toorts,
braveerde met rumoeren
De Goden
in de lucht, en
stak ze naar hun kroon.
Dees
zinnelooze durft de
kopren brug uit hoon
Oprennen
met zijn paard', en
weet met razen, ruischen
En
storm, de bliksem en de
donder na te kuischen,
Dat
niemand ooit vermocht.
Maar Gods almogendheid,
Om
fakkel, rook'rig licht
noch zulk een onbescheid
Verlegen,
schoot met kracht,
en uit de dikke wolken
Dreef
met een dwarrelwind,
ten spiegel aller volken.
Hem
neder, dat hij plofte.
(Vertaling
van Vondel,
uitgave Van Lennep)
Als
iemand die alleen maar
een godslasterlijke dwaas is geweest, daar beneden al zo goed wordt
behandeld, zullen
de ellendelingen die de godsdienst hebben misbruikt, door daar kwaad
mee aan te
richten, daar nog meer terecht worden gestraft voor hun daden.
Onze
eigen alleenheersers
hebben in Frankrijk voor ons ook iets dergelijks rondgestrooid: padden,
leliën
(de drie leliën in het wapen van de Bourbons), het heilige
olieflesje
(waar de Franse koningen mee werden gezalfd) en de oriflamme
(de banier
van de Franse koningen). Allemaal zaken waar ik, wat mij betreft en hoe
het ook
zij, nog niet van kan geloven dat het alleen maar flauwekul is, omdat
onze
voorouders daarin geloofden en wij, in onze tijd, geen enkele reden
hebben hen
van iets dergelijks te verdenken. Want wij hebben een aantal vorsten
gehad die
zo kundig in vrede waren en zo dapper in de oorlog, dat het, hoewel zij
als
koning zijn geboren, wel lijkt of de natuur hen niet zo als de andere
koningen
heeft gemaakt en dat God hen zelfs al vóór hun geboorte
heeft uitgekozen om hen
het bestuur en de zorg voor dit koninkrijk toe te vertrouwen. En zelfs
als uitzonderingen
niet zouden bestaan, zou ik nog niet met een polemiek de strijd willen
aanbinden
over de waarheid van onze geschiedenis, noch zou ik te vrijmoedig die
geschiedenis willen uitpluizen, om daar niet al het moois van af te
willen
doen. Daar sloven zich onze schrijvers wel over uit, die zich met onze
Franse
dichtkunst bezig houden, en die niet alleen wordt verfraaid, maar als
het ware wordt
vernieuwd door onze dichters, Ronsard, Baïf en du Bellay, die
daarmee onze taal
zo ontwikkelen, dat wij weldra, naar ik hoop, bij de Grieken en
Latijnen niets
meer vinden, waar wij jaloers op moeten zijn, behalve het
eerstgeboorterecht.
Ik zou
zeker groot onrecht
doen aan ons rijm (ik gebruik dat woord, dat mij zo bevalt, graag) want
ofschoon er een aantal mensen zijn, die het rijm zuiver werktuiglijk
hebben
gemaakt, zie ik echter voldoende anderen, die in staat zijn om het te
veredelen
en het zijn oorspronkelijke luister terug te geven. Ik zou dus, zoals
ik al
zei, het rijm groot onrecht aandoen, als ik het de mooie verhalen over
koning
Clavis zou ontnemen, waarin volgens mij, met zoveel bekoring en zoveel
gemak,
de geestdrift van onze Ronsard, en zijn Franciade, tot uitdrukking
komt. Ik
begrijp zijn strekking, ik ken zijn fijngevoelige geest en de charme
van die
man. Hij rekent af met de oriflamme, net als de Romeinen met hun
dienstmaagden
deden en met die wapenschilden, die uit de hemel naar beneden
werden gegooid,
waar Vergilius het over heeft. Hij zal uit ons heilige olieflesje net
zoveel
goeds halen, als de Atheners uit het mandje van Erisichton. Men zal dan
straks ook
over onze wapenschilden net zo spreken als over Minerva. Het zou echt
lichtvaardig zijn als ik onze beroemde boeken zou willen tegenspreken
en zo het
gras voor de voeten van onze dichters zou wegmaaien.
Maar om
op mijn onderwerp
terug te komen, waar ik, ik weet niet hoever, van ben afgedwaald: is
het niet
duidelijk, dat de tirannen, om hun positie te versterken, zich
doorlopend hebben
ingespannen om het volk niet alleen te laten wennen aan gehoorzaamheid
en
onderdanigheid, maar ook aan een soort persoonsverheerlijking? Alles
wat ik tot
hiertoe heb gezegd over de middelen die door de tirannen worden
gebruikt om
mensen onderdanig te maken, wordt door hen alleen maar gebruikt voor
het
onwetende en onbeschaafde deel van het volk.
Ik kom
nu bij een punt dat,
volgens mij de drijfveer en het geheim van de overheersing is, de steun
en
basis van elke tirannie. Wie denkt dat het de hellebaarden van de
bewakers en het
instellen van de nachtwacht zijn, die de tirannen beschermen, maakt een
ernstige vergissing. Zij dienen, volgens mij, meer voor de vorm en als
vogelverschrikkers, dan dat zij erop vertrouwen. De boogschutters
kunnen wel de
ingang van het paleis versperren voor meer onhandige lieden, die over
geen
enkel middel beschikken om schade aan te richten, maar niet voor de
dappere en
goed bewapende mensen, die iets willen ondernemen. Het is ongetwijfeld
duidelijk
dat er van Romeinse keizers minder aan het gevaar zijn ontsnapt,
dankzij de
hulp van hun boogschutters, dan er door hun eigen bewakers zijn gedood.
Het
zijn niet de groepen te paard, de compagnieën voetvolk, kortom,
het zijn niet
de wapenen die een tiran beschermen, maar altijd (het is eigenlijk
ongelofelijk, maar het is echt waar) vier of vijf mensen, die hem
steunen en
voor hem het hele land onder de duim houden. Het is altijd zo geweest,
dat de
tiran vijf of zes mensen heeft vertrouwd, die hem uit zichzelf hebben
benaderd,
of die door hem zijn benoemd, om medeplichtig te zijn aan zijn
wreedheden, zijn
metgezellen bij zijn pleziertjes, de souteneurs van zijn wellust en de
deelnemers
aan zijn plunderingen. Dat zestal richt zijn baas zo goed af, dat hij
kwaadaardig ten opzichte van de maatschappij wordt, niet alleen meer
door zijn
eigen kwaadaardigheid, maar ook nog eens door die van hen. Dat zestal
heeft
zeshonderd anderen onder zich, die zij net zo bederven, als zij de
tiran hebben
bedorven. Die zeshonderd hebben weer zesduizend ondergeschikten, die
zij een
hogere positie hebben toegekend. Zij hebben het bestuur over een
provincie
gekregen of het beheer over de openbare penningen, zodat zij bij hen
hebzucht
of hun wreedheid in de hand werken, dat zij in de praktijk brengen en
verder
zoveel kwaad aanrichten, dat zij zich alleen dankzij hun bescherming
kunnen
handhaven en dat zij alleen maar dankzij hun bescherming boven de wet
en
strafvervolging staan. En zij worden door een hele grote groep gevolgd.
En wie
dat web zou willen ontwarren, zal merken dat de tiran niet slechts
zesduizend,
maar honderdduizend en miljoenen mensen in zijn macht heeft, door
middel van
die ononderbroken keten, die uiteindelijk bij hem uitkomt. Zoals
Homerus door
Jupiter laat zeggen, dat hij er prat op gaat, dat hij door aan zo’n
keten te
trekken, alle goden naar zich toe kan halen. De reden waarom onder
Julius
Caesar de macht van de Senaat zo toenam was omdat men nieuwe functies
creëerde
en nieuwe instanties in het leven riep, en echt niet om de rechtspraak
te
reorganiseren, maar om de tirannie een nieuwe steun te verschaffen.
Kortom,
door het profijt en de gunsten die men bij de tirannen bereikt, komt
men op het
punt waarop er bijna evenveel mensen zijn, voor wie de tirannie nuttig
is, als
mensen voor wie de vrijheid nuttig is.
Volgens
de artsen lijkt er
vrijwel niets in ons lichaam te veranderen, tot het moment dat zich op
een
enkele plek een gezwel openbaart, en dat alle sappen zich dan naar die
verdachte plek begeven. Op dezelfde manier verzamelen zich, vanaf het
moment
dat een koning zich tot alleenheerser uitroept, al het kwaad, het hele
droesem
van het koninkrijk – ik heb het niet over een groep kleine beruchte
boeven en
schurken, die in een land kwaad noch goed kunnen doen, maar de mensen
die door
een brandende eerzucht en een buitengewone hebzucht zijn bezeten – rond
de
alleenheerser en zij steunen hem om in de buit te kunnen delen en om,
onder de
grote tiran, zelf kleine tirannetjes te zijn.
Zo is
het ook met de grote
dieven en de befaamde rovers; de ene groep struint het land af, de
andere maakt
jacht op de reizigers; de ene groep ligt in de hinderlaag, de andere
ligt op de
loer; de ene groep moordt, de andere plundert, en hoewel er onder hen
een
hiërarchie bestaat, namelijk dat de een slechts knecht en de
andere leider van
de bende is, is er uiteindelijk niet één, die er geen
voordeel bij heeft, is
het niet van de hoofdbuit, dan is het wel van de restjes. Er wordt
verteld dat
de Siciliaanse piraten zich niet alleen in zo grote getale verzamelden,
dat men
de grote Pompejus op hen af moest sturen, maar dat zij bovendien een
aantal
mooie en grote steden tot bondgenoot maakten, in de havens waarvan zij
zich,
als zij van hun strooptochten terugkeerden, in veiligheid brachten. In
ruil
daarvoor gaven zij die steden een deel van de geroofde spullen.
Zo ook
laat de tiran de ene
onderdaan door de andere onderdaan onder de duim houden. Hij wordt
bewaakt door
mensen, waar hij voor op zijn hoede zou moeten zijn, als ze zich niet
zo hadden
vernederd. Maar men zegt heel terecht dat men, om hout te kloven,
wiggen van
hetzelfde hout moet maken; zo is het ook met zijn boogschutters, zijn
bewakers
en zijn hellebaardiers. Niet dat die mensen niet zelf vaak onder zijn
onderdrukking lijden, maar die ellendige, door God en mens vervloekten,
nemen
genoegen met het verdragen van die ellende en met het aanrichten van
ellende,
niet bij hem die het hen aandoet, maar bij de mensen, die het net als
zij, verdragen,
tot ze niet meer kunnen. En elke keer, als ik denk aan die mensen, die
de hielen
van de tiran likken om tegelijkertijd munt te slaan uit zijn tirannie
en de
onderdanigheid van het volk, ben ik vaak net zo verbijsterd over hun
onnozelheid,
als over hun kwaadaardigheid.
Want om
de waarheid te
zeggen: is de nabijheid zoeken van een tiran iets anders dan zichzelf
van de
vrijheid verwijderen en bij wijze van spreken, met twee handen de
onderdanigheid naar zichzelf toehalen en omarmen? Zouden zij maar ook
maar één
moment hun eerzucht naast zich neer willen leggen, zouden zij maar een
beetje
van hun schraperige hebzucht willen laten varen, en zouden zij dan maar
eens
naar zichzelf willen kijken en zich willen bedenken. Dan zouden ze
duidelijk
zien dat die dorpelingen, die boeren, die zij met voeten treden en die
ze als
dwangarbeiders en slaven behandelen, dan zouden ze, zeg ik, duidelijk
zien, dat
zij, hoe slecht ze ook worden behandeld, gelukkiger zijn dan zij en op
een of
andere manier ook vrijer. De handwerker en de kunstenaar, hoezeer ze
ook zijn
onderworpen, hoeven alleen maar te gehoorzamen. Maar de tiran ziet hoe
de
mensen die hem omringen streken uithalen en om zijn gunsten bedelen.
Het is
niet alleen dat zij moeten doen wat hij beveelt, maar zij moeten ook
denken wat
hij wil en vaak zelfs ook nog zijn eigen wensen vóór
zijn. En hem gehoorzamen
is nog niet alles, ze moeten hem ook nog ter wille zijn. Zij moeten
zich
uitsloven, zich aftobben, zich voor hem doodwerken, en bovendien alleen
maar
genoegen scheppen in zijn genoegens, zij moeten hun eigen smaak
opofferen voor
de zijne, zij moeten hun eigen aard geweld aandoen en hun
oorspronkelijke aard
opgeven. Zij moeten doorlopend zorgvuldig op zijn woorden letten, op
zijn stem,
op zijn blik, op zijn geringste gebaren, zodat hun ogen, hun voeten en
hun
handen doorlopend bezig zijn met het loeren naar wat hij wil en het
raden van
zijn meest geheime gedachten.
Is dat
nou een gelukkig
leven? Is dat wel leven? Is er ter wereld iets onverdraaglijkers dan
die
toestand? Ik zeg dat dus niet voor al die rechtschapen mensen, maar
alleen maar
voor die mensen die alleen maar een eenvoudig gezond verstand hebben,
of zelfs nog
de gedaante van een mens hebben. Welke toestand is ellendiger dan die
manier van
leven, als je niets voor jezelf hebt en als je voor je welzijn, je
vrijheid, je
lichaam en je leven van iemand anders afhankelijk bent?
Maar zij
willen onderdanig
zijn om bezit te verwerven. Maar wat als ze alleen maar iets kunnen
verdienen,
wat henzelf toebehoort, en ze zelfs niet kunnen zeggen, dat zij
zichzelf
toebehoren? En wat als iemand onder een tiran iets voor zichzelf zou
willen
hebben en zich bezitter zou willen noemen, waarbij hij vergeet dat
hijzelf de
tiran de macht heeft verschaft om allen alles te ontnemen en niets over
te
laten, waarvan men kan zeggen dat het iemand toebehoort? Zij weten
toch, dat
het de bezittingen zijn die mensen afhankelijk maken van zijn
wreedheid; dat
volgens hem geen enkele misdaad tegen hem en volgens hem de dood meer
waard is,
dan de onafhankelijkheid, of het bezit van iets. Dat hij
alleen maar van
rijkdom houdt en bij voorkeur alleen maar rijken aanpakt, die zich
toch, als
schapen bij de slager, bij hem komen aanbieden, volgepakt en verzadigd,
alsof
ze zijn gulzigheid willen prikkelen.
Die
gunstelingen zouden
minder moeten denken aan de mensen die onder de tirannen veel hebben
verworven,
dan aan de mensen die een tijd lang zijn vetgemest en kort daarna zowel
hun
bezittingen als hun leven hebben verloren. Ze zouden minder moeten
denken aan al
die andere mensen, die daar rijkdommen hebben verzameld, dan aan het
kleine
aantal mensen dat die heeft behouden. Men zou alle verhalen uit de
oudheid
moeten doorbladeren, zodat men zou kunnen bedenken en uitstekend zou
kunnen zien,
hoe groot het aantal mensen is dat op een schandelijke manier tot bij
het oor
van de vorsten is gekropen, óf door hun slechte neigingen mooier
te maken, óf
door van hun onnozelheid misbruik te maken, maar ook hoe zij
uiteindelijk zijn
vernietigd door diezelfde vorsten, die het hen net zo gemakkelijk
maakten om
naar boven te kruipen, als zij het hen moeilijk maakten om die positie
te
verdedigen. Onder het grote aantal mensen dat zich in de nabijheid van
slechte
koningen bevond, is er vast geen een, die niet zelf de wreedheden heeft
ondervonden van de tiran, die zij voordien zelf tegen anderen hadden
opgestookt, en die zich zeer vaak in de schaduw van zijn gunst hadden
verrijkt
met wat zij van anderen afpikten, en die anderen alleen maar
verrijkten, met
hun eigen stoffelijk overschot.
En zelfs
eerbare mensen –
het komt af en toe wel eens voor dat de tiran daarvan houdt – zouden
zich, hoezeer
ze ook bij hem in de gunst vallen, hoezeer zij ook uitblinken in deugd
en
onkreukbaarheid (mensen die zelfs bij een kwaadwillende enig ontzag
afdwingen,
als hij hen van dichtbij meemaakt) die eerbare mensen dus, zouden zich
niet in
de nabijheid van de tiran kunnen handhaven. Zij zouden ook de nadelige
gevolgen
ondervinden van het gemeenschappelijke kwaad en de tirannie ten koste
van
zichzelf ervaren. Men kan een aantal van hen noemen: Seneca, Burrhus en
Thraseas, die drie-eenheid van eerbare mannen, waarvan de eerste twee
het
ongeluk hadden om met een tiran in aanraking te komen, die hen het
beheer van
zijn zaken toevertrouwde; beiden werden door hem gewaardeerd en mocht
hij graag
hoewel de eerste hem had opgevoed, en voor de zorg die hij tijdens zijn
kinderjaren aan hem had besteed zijn vriendschap als beloning kreeg.
Zijn die
drie mensen, die zo’n wrede dood ondergingen, niet een voldoende
voorbeeld van
het geringe vertrouwen dat men in de gunst van een slechte meester moet
hebben?
Wat voor vriendschap kan men inderdaad verwachten van iemand, wiens
hart zo is
verhard dat hij een heel koninkrijk, dat hem alleen maar gehoorzaamt,
toch haat
en van iemand die, omdat hij niet weet lief te hebben, zichzelf verarmt
en zijn
eigen rijk vernietigt?
Welnu,
als men zou willen
tegenwerpen dat Seneca, Burrhus en Traseas die ellende alleen maar
hebben
meegemaakt omdat zij te eerzaam zijn geweest, kijk dan maar eens
aandachtig
naar de omgeving van Nero zelf: dan zal men zien dat alle mensen die
bij hem in
de gunst waren gekomen en die zich daar door hun slechtheid konden
handhaven,
geen beter lot is beschoren. Wie heeft ooit over een zo onstuimige
liefde, over
een zo hardnekkige genegenheid, horen praten en wie heeft ooit iemand
gezien
die zo aan een vrouw was gehecht, zoals hij en Popea? Toch heeft hij
haar zelf
vergiftigd. Had niet zijn eigen moeder, Agrippina, haar eigen man
Claudius
gedood, en had zij dat allemaal niet ondernomen, en al die misdaden
begaan, om
hem te begunstigen? En toch nam haar eigen zoon, haar kind, die zij met
haar
eigen handen keizer had gemaakt, haar het leven, nadat hij haar had
vernederd.
Niemand ontkende dat zij die straf, die men doorgaans had toegejuicht,
als hij
aan heel iemand anders was toegediend, zelf had verdiend.
Er is
vast nooit iemand
geweest, die gemakkelijker was te leiden, of liever gezegd, die nog
onnozeler
was dan keizer Claudius. Er is ook vast nooit iemand geweest, die
gekker op een
vrouw was, dan hij op Messalina. Toch leverde hij haar over aan de
beul. Domme
tirannen zijn altijd dom, als het gaat om goed te doen, en ik weet niet
hoe het
komt, maar uiteindelijk ontwaakt in hen het beetje geest dat ze hebben,
zodat
ze zelfs wreed zijn tegen mensen die hen het meest na staan. Je kent
vast de
woorden van Caligula die, toen hij de blote hals van zijn vrouw zag,
die hij
zeer beminde, en zonder wie hij dacht dat hij niet kon leven, haar het
aardige
compliment gaf: “Als ik het bevel geef, zal die fraaie hals meteen
worden
afgesneden.” Dat is nou de reden dat de meeste tirannen uit de oudheid
bijna
allemaal door hun gunstelingen zijn gedood: zij wisten hoe de tirannie
in
elkaar zat en zij waren niet bepaald verzekerd van de gunst van de
tiran en
wantrouwden doorlopend zijn macht. Zo werd Domitianus gedood door
Stephanus,
Commodius door een van zijn maîtressen, Caracalla door de
honderdman Martiales,
die door Macrinus was opgehitst, en bijna alle anderen op dezelfde
manier.
Zonder
enige twijfel kan de
tiran nooit liefhebben, en wordt ook nooit geliefd. Vriendschap is een
gewijd
woord, iets heiligs. Vriendschap kan uitsluitend tussen eerzame mensen
bestaan.
Vriendschap ontstaat uit een wederzijds respect en houdt minder stand
door
weldaden, dan door een juiste levenswandel. Een vriend weet dat hij op
de ander
kan rekenen, omdat hij zijn onkreukbaarheid kent. Als waarborg heeft
hij zijn
goede inborst, zijn betrouwbaarheid en zijn standvastigheid. Waar
wreedheid,
oneerlijkheid, en onrechtvaardigheid heerst, kan geen vriendschap
bestaan. Als
slechte mensen bij elkaar komen, ontstaat er een samenzwering en geen
gemeenschap. Zij gaan niet met elkaar om, maar zij zijn bang voor
elkaar. Het
zijn geen vrienden, maar handlangers.
Zelfs
als die belemmering er
niet zou zijn, zou het toch moeilijk zijn om in een tiran een
betrouwbare
vriend te vinden, want omdat hij boven iedereen staat en dus geen
gelijken
heeft, bevindt hij zich al voorbij de grenzen van de vriendschap. De
basis van vriendschap
bestaat uit een volmaakte gelijkwaardigheid, die altijd hetzelfde tempo
heeft
en waarbij niets mank loopt. Daarom bestaat er ook, naar men zegt, een
soort
eerlijkheid onder dieven bij het verdelen van de buit, want dan zijn
zij
allemaal gelijk en metgezellen. Als zij niet van elkaar houden, zijn ze
tenminste bang voor elkaar. Zij willen hun kracht ook niet verminderen,
door
uit elkaar te gaan.
Maar de
gunstelingen van een
tiran kunnen nooit op hem rekenen, omdat zij hem zelf hebben geleerd,
dat hij
alles kan, dat er voor hem rechten noch plichten gelden, dat hij eraan
moet
wennen, dat zijn wil zijn enige leidraad is, dat hij geen gelijke heeft
en dat
hij de baas over iedereen is. Is het niet uiterst tragisch dat, ondanks
al die
overduidelijke voorbeelden en het besef van een zo wezenlijk gevaar,
niemand
een wijze les wil trekken uit die trieste ervaringen en dat nog steeds
zoveel
mensen zo graag naar tirannen toetrekken? En dat er niet een onder hen
is die
zo onbevreesd en moedig is om tegen hen te zeggen, zoals de vos in de
fabel
tegen de leeuw zei, die de zieke uithing: “Ik zou je graag in je hol
willen
opzoeken, maar ik heb zoveel dierensporen gezien die daar naar binnen
gingen;
maar ik heb er geen een naar buiten zien komen.”
Die
ongelukkigen zien de
schatten van de tiran blinken en verbijsterd kijken zij vol bewondering
naar de
pracht van die luister; aangelokt door het schijnsel komen ze naderbij,
zonder
dat ze in de gaten hebben, dat zij zich in een vlammenzee werpen, die
hen wel
moet verslinden. Zo verging het ook met de onvoorzichtige sater, zoals
de fabel
verhaalt, die, toen hij het vuur zag dat Prometheus had geroofd, het zo
mooi
vond dat hij het kuste en zich verbrandde. En de vlinder die zich, in
de
verwachting dat het prettig zou zijn, tegen de lamp aanvloog, omdat zij
die zo prachtig
vond, maar, zoals Lucianus vertelt, meteen merkte dat die ook kon
verbranden.
Maar
laten we aannemen, dat
al die lievelingen alsnog uit de handen van de persoon die zij dienen,
weten te
ontsnappen, dan redden zij zich toch nooit uit de handen van de koning
die hem
opvolgt. Als het een goede koning is, moeten zij verantwoording aan hem
afleggen en zich onderwerpen aan de rede; als het een slechte koning
is, zoals
zijn voorganger, moet hij ook wel zijn gunstelingen hebben die, zoals
gewoonlijk, niet tevreden met het innemen van hun plaats, hen ook nog
maar al
te vaak hun bezittingen en leven ontnemen. Hoe is het mogelijk dat
iemand die
oog in oog staat met zo’n gevaar en met zo weinig zekerheid, zo’n
moeilijke en betreurenswaardige
positie wil bekleden en met zoveel gevaren een zo gevaarlijke meester
wil
dienen?
Mijn
God, wat een moeite,
wat een lijdensweg! Dag en nacht bezig zijn met het behagen van iemand
en toch
voor hem meer op zijn hoede zijn dan voor wie ook ter wereld. Altijd
het oog in
het zeil, het oor gespitst, om te zien waar de klap vandaan komt, om de
hinderlagen te ontdekken, om de gelaatsuitdrukking van zijn rivalen af
te
tasten, om de verrader van de meester te ontmaskeren. Tegen iedereen
lachen en voor
iedereen bang zijn, geen openlijke vijand hebben en geen betrouwbare
vriend,
altijd een lachend gezicht tonen, met een kleumend hart; niet vrolijk
kunnen
zijn, niet verdrietig durven zijn!
Maar het
is echt merkwaardig
als je bedenkt wat die vreselijke lijdensweg hen oplevert, en wat voor
goeds
zij voor hun moeite en hun ellendige leven kunnen verwachten. Doorgaans
is het
niet de tiran, die door het volk wordt beschuldigd voor de ellende waar
het
onder lijdt, maar juist de mensen, die de tiran sturen.
Van hen
kennen de volkeren,
de naties, iedereen, tot aan de boeren en arbeiders toe, de namen en
ontdekken
hun fouten; zij overladen hen met duizend beledigingen, duizend
smadelijke
opmerkingen en duizend verwensingen. Alle verwensingen, alle
vervloekingen zijn
tegen hen gericht. Alle onheil, alle plagen, alle hongersnoden worden
hen aangerekend
door degenen, die zij hun onderdanen noemen; en al doen ze
soms alsof ze
hen eer bewijzen, tegelijkertijd vervloeken ze hen in het diepst van
hun hart
en ze verafschuwen hen nog meer dan de wilde dieren.
Dat is
nou de roem, dat is
nou de eer die zij ontvangen voor de dienst die zij bewijzen aan mensen
die, zelfs
al zouden zij allemaal een stukje van hun uiteengerijte lichamen
hebben, nog
niet zouden vinden dat zij tevreden waren gesteld, en volgens mij zelfs
niet
half voor hun ellende waren getroost. En zelfs als de tirannen er niet
meer
zijn, blijven de schrijvers die na hen komen, de herinnering aan die
volksverslinders op duizend manieren zwart maken. Hun reputatie wordt
in
duizenden boeken verscheurd en zelfs hun beenderen worden door het
nageslacht
als het ware door het slijk gehaald, en dat alles om hen ook nog na hun
dood te
straffen voor hun erbarmelijke leven.
Laten
wij daar een les uit
trekken; laten wij leren om goed te doen. Laten wij onze ogen ten hemel
heffen,
en laten wij ons voor onze eigen eer of juist uit liefde voor de deugd,
tot de
almachtige God richten, de getuige van al onze daden en rechter over
onze
fouten. Ik voor mij, denk – en ik denk dat ik mij niet vergis – omdat
voor een absoluut
rechtvaardige en goede God niets meer tegenstrijdig is als de tirannie,
dat hij
ongetwijfeld voor de tirannen en hun medeplichtigen in het diepst van
de hel,
met opzet een vreselijke straf in petto heeft.