Het
EVANGELIE
van THOMAS
De verklaring
van de
geheime woorden
De TAO TE CHING
van LAO TZU
|
Geen
copyright. Mag
vrij en onbeperkt, gekopiëerd en zoveel mogelijk
geciteerd worden. Het staat iedereen vrij om alles wat hier staat
zonder
toestemming te verspreiden, maar wees zo attent wel te verwijzen naar
www.evangelievanthomas.net
|
|
DE DOOD
VAN IWAN ILJITSJ
Uit het
Russisch vertaald door
Louise en Aylmer Maude
I
Tijdens een onderbreking van het gerechtelijk onderzoek in de zaak
Mjelwinski in het grote gebouw van de rechtbank, kwamen de leden en de
officier van justitie bij elkaar in de kamer van Iwan Egorowitsj
Sjebek, waar het gesprek op de beruchte zaak Krasowski kwam. Fjodor
Wasilijevitsj beweerde vol vuur dat de zaak niet onder hun bevoegdheid
viel, Iwan Egorovitsj hield het tegenovergestelde vol, terwijl Peter
Iwanowitsj, die het begin niet had meegemaakt, geen deel aan de
discussie nam, maar de Gazette doorkeek, die hem net was aangereikt.
“Heren,” zei hij, “Iwan Iljitsj is overleden!”
“Dat meen je niet!”
“Hier, lees zelf maar,” antwoordde Peter Iwanowitsj, en gaf de krant,
nog nat van de inkt, aan Fjodor Wasilijevitsj door. Omlijnd door een
zwarte rand stonden de woorden: “Met groot verdriet geeft Praskowja
Fjodorowna Golowina kennis van het overlijden van haar geliefde
echtgenoot Iwan Iljitsj Golowin, Lid van de Rechtbank, op 4 februari
1882. De ter aarde bestelling zal plaatsvinden op vrijdag, om een uur
‘s middags.”
Iwan Iljitsj was een collega van de aanwezige heren geweest en zij
waren allemaal op hem gesteld. Hij was een paar weken ziek geweest en,
naar men zei, was de ziekte ongeneeslijk. Ze hadden zijn plek voor hem
opengehouden, maar er waren geruchten geweest dat, als hij dood zou
gaan, in zijn plaats Alexejew zou worden benoemd, en dat óf
Winnikow óf Sjtabel dan Alexejew zou opvolgen. Dus toen ze het
nieuws van het overlijden van Iwan Iljitsj hoorden, was de eerste
gedachte van de, in die kamer aanwezige heren, aan de veranderingen en
promoties die het voor henzelf en hun kennissen zou inhouden. “Ik krijg
vast de plaats van Sjtabel of Winnikow,” dacht Fjodor Wasilijewitsj.
“Dat is me al lang geleden beloofd, en die promotie betekent voor mij
achthonderd roebel per jaar extra, en dan nog de toeslag.”
“Nu moet ik een verzoek indienen voor overplaatsing van mijn zwager uit
Kaloega,” dacht Peter Iwanowitsj. “Mijn vrouw zal wel erg blij zijn, en
dan kan ze nooit meer zeggen dat ik niets voor haar familie doe.”
“Ik wist wel dat hij zijn bed niet meer uit zou komen,” zei Peter
Iwanowitsj hardop. “Het is heel verdrietig.”
“Maar wat mankeerde hij eigenlijk?”
“De dokters konden het niet zeggen – ten minste ze konden het wel, maar
ze zeiden allemaal wat anders. De laatste keer dat ik hem zag, ging het
beter met hem.”
“En ik ben sinds de vakantie niet meer bij hem geweest. Ik wilde nog
altijd een keer gaan.” “Bezat hij veel?”
“Volgens mij had zijn vrouw wel wat – maar dat stelt niets voor.”
“We moeten wel naar haar toe, maar ze wonen zo’n vreselijk eind weg.”
“Ver weg van u, bedoelt u. Voor u is alles ver weg.”
“Weet u, hij kon me niet vergeven dat ik aan de overkant van de rivier
woon,” zei Peter Iwanowitsj glimlachend naar Sjebek. En, terwijl ze het
nog steeds over de afstanden tussen de verschillende delen van de stad
hadden, keerden ze naar de rechtbank terug.
Behalve de mogelijke overplaatsingen en promoties die het gevolg van de
dood van Iwan Iljitsj schenen te zijn, riep alleen al het feit van de
dood van een naaste kennis, zoals gewoonlijk, bij allen die het hoorden
het voldane gevoel op van “hij is dood en ik niet.” Iedereen dacht of
voelde,”Nou goed, hij is dood maar ik leef nog!”
Maar de meer nabije kennissen van Iwan Iljitsj, zijn zogenaamde
vrienden, konden ook niet nalaten te bedenken, dat ze nu die vreselijk
vervelende fatsoensplichten moesten vervullen, door de rouwdienst bij
te wonen en een condoleancebezoek aan de weduwe te brengen.
Fjodor Wasilijewitsj en Peter Iwanowitsj waren zijn naaste kennissen
geweest. Peter Iwanowitsj had samen met Iwan Iljitsj rechten gestudeerd
en voelde zich jegens hem verplicht.
Nadat hij zijn vrouw tijdens het eten over het overlijden van Iwan
Iljitsj had verteld, en over de mogelijkheid om haar broer naar hun
district over te laten plaatsen, offerde Peter Iwanowitsj zijn
gebruikelijke middagdutje op, trok zijn jacquet aan en reed naar het
huis van Iwan Iljitsj.
Bij de voordeur stonden een rijtuig en twee huurkoetsen. Beneden in de
hal stond, vlakbij de garderobe, schuin tegen de muur een deksel van
een doodskist, bedekt met een goudkleurige, en met gouden koorden en
kwasten versierde doek, die met metaalpoeder was gepolijst. Twee dames
in het zwart hielpen hem met het uitdoen van zijn bontjas. In een van
hen herkende Peter Iwanowitsj de zuster van Iwan Iljitsj, maar de
andere was een vreemde voor hem. Zijn collega Schwartz kwam net de trap
af, maar toen hij Peter Iwanowitsj zag bleef hij staan en wenkte hem,
alsof hij wilde zeggen: “Iwan Iljitsj heeft er een puinhoop van
gemaakt, wij niet.”
Het gezicht van Schwartz, met zijn Piccadilly bakkebaarden, en zijn
slanke gestalte in jacquet, vertoonden zoals gewoonlijk een
ogenschijnlijk elegante plechtstatigheid, die afstak bij de speelsheid
van zijn karakter, die hier bijzonder pikant stonden, tenminste in de
ogen van Peter Iwanowitsj.
Peter Iwanowitsj liet de dames voorgaan en volgde hen langzaam de trap
op. Schwartz kwam niet naar beneden, maar bleef waar hij was, en Peter
Iwanowitsj begreep dat hij wilde afspreken waar zij die avond zouden
gaan bridgen. De dames liepen naar boven, naar de kamer van de weduwe,
en Schwartz wees met gesloten lippen, maar met een speelse blik in zijn
ogen, en een frons van zijn wenkbrauwen naar rechts, waar de dode was
opgebaard.
Zoals ieder ander bij dit soort gelegenheden, ging Peter Iwanowitsj,
niet goed wetend wat hij moest doen, de kamer binnen. Hij wist in ieder
geval dat het bij dergelijke gelegenheden nooit kwaad kan een
kruisteken te slaan. Maar hij wist niet zeker of je daarbij een buiging
moet maken. Daarom koos hij een middenweg. Bij het binnengaan van de
kamer sloeg hij een kruisteken en maakte een lichte beweging, die op
een buiging leek. Tegelijkertijd keek hij, voor zover de beweging van
zijn hoofd en arm hem dat toeliet, de kamer rond. Twee jongemannen –
kennelijk neven, en een van hen een middelbare scholier – kwamen, een
kruisteken makend, de kamer uit. Er stond een bewegingloze oude vrouw,
en een dame met zonderling gebogen wenkbrauwen, die haar iets
toefluisterde. Een energieke en vastberaden voorlezer van de kerk, in
een lange jas, las met luide stem iets voor, dat elke tegenspraak
uitsloot. Gerasim, het hulpje van de hoofdbediende, liep vlak voor
Peter Iwanowitsj langs, en strooide iets op de vloer. Terwijl hij dat
zag, merkte Peter Iwanowitsj meteen een lichte geur op van een, in
ontbinding verkerend, lijk.
De laatste keer dat hij bij Iwan Iljitsj op bezoek was geweest, had
Peter Iwanowitsj Gerasim in de studeerkamer gezien. Iwan Iljitsj was
bijzonder op hem gesteld geweest en hij speelde toen de rol van een
ziekenverpleger. Peter Iwanowitsj ging verder met het maken van een
kruisteken en boog zijn hoofd lichtelijk in de richting tussen de kist,
de voorlezer, en de iconen op de tafel, in een hoek van de kamer. Toen
hij zich realiseerde dat die kruistekens makende beweging van zijn arm
al te lang had geduurd, bleef hij staan en ging naar de overledene
kijken.
De dode man lag, zoals doden altijd liggen, op een bijzondere
nadrukkelijke manier, zijn stijve ledematen in de zachte bekleding van
de doodskist weggezonken, met zijn hoofd voor altijd voorovergebogen op
het kussen. Zijn gele wasachtige voorhoofd, met kale plekken op zijn
ingezonken slapen drong, op de voor doden zo eigen manier, naar voren
en zijn vooruitstekende neus leek op zijn bovenlip te drukken. Hij was
erg veranderd en nog magerder geworden, sinds Peter Iwanowitsj hem het
laatst had gezien, maar, zoals altijd bij doden het geval is, was zijn
gezicht knapper en vooral waardiger geworden, dan toen hij nog in leven
was. De uitdrukking op het gezicht vertelde dat wat gedaan had moeten
worden, was gedaan en dat het goed was gedaan. Daarnaast lag in die
uitdrukking een verwijt en waarschuwing voor de levenden. Die
waarschuwing leek Peter Iwanowitsj niet op zijn plaats, of in ieder
geval niet op hem van toepassing. Hij voelde een zeker onbehagen en
ging de deur uit – net te haastig en net te weinig gepast, zoals hij
zichzelf realiseerde.
Schwartz stond wijdbeens in de aangrenzende kamer op hem te wachten, en
speelde met beide handen, achter zijn rug, met zijn hoge hoed. Alleen
al het zien van die speelse, opgewekte en elegante gestalte, monterde
Peter Iwanowitsj op. Hij voelde dat Schwartz boven dit hele gebeuren
stond en zich niet door iets deprimerends zou laten beïnvloeden.
Alleen al zijn blik verraadde dat dit gebeuren van een kerkdienst, voor
Iwan Iljitsj geen voldoende reden kon zijn om inbreuk op de gang van
zaken te maken – dat het met andere woorden vast niet verhinderd kon
worden, dat hij die avond een nieuw pak kaarten uit zou pakken en
schudden, terwijl een knecht verse kaarsen op tafel zou zetten:
eigenlijk was er dus geen reden om te veronderstellen, dat dit voorval
zou verhinderen, dat zij de avond aangenaam zouden doorbrengen.
Hij zei dat inderdaad fluisterend, toen Peter Iwanowitsj hem
voorbijliep en stelde voor dat ze voor een spelletje kaart bij Fjodor
Wasilijewitsj bij elkaar zouden komen.
Maar kennelijk was het Peter Iwanowitsj niet gegeven die avond bridge
te spelen. Praskowja Fjodorowna (een kleine, dikke vrouw die, ondanks
alle pogingen om het tegenovergestelde te laten lijken, vanaf haar
schouders naar beneden steeds verder uitdijde en die diezelfde
merkwaardig gebogen wenkbrauwen had als de dame die bij de doodskist
had gestaan) helemaal in het zwart en haar hele hoofd bedekt met kant,
kwam met een paar andere dames haar kamer uit, ging hen voor naar de
kamer waar de overledene lag en zei: “De dienst begint zo meteen. Gaat
u alstublieft naar binnen.”
Schwartz, die een vage buiging maakte, bleef staan, en wist duidelijk
niet of hij de uitnodiging moest aanvaarden of afwijzen. Praskowja
Fjodorowna herkende Peter Iwanowitsj, zuchtte, liep naar hem toe, pakte
zijn hand en zei: “Ik weet dat u een echte vriend van Iwan Iljitsj...”
en keek hem aan, in afwachting van een passend antwoord.
En Peter Iwanowitsj besefte dus, net zoals in die kamer een kruisteken
slaan juist was geweest, dat hij nu haar hand moest drukken, moest
zuchten en zeggen, “Geloof me … Dus deed hij dat allemaal en toen hij
het deed, voelde hij dat hij het gewenste resultaat had bereikt: dat
zowel hijzelf als zij aangedaan waren.
“Komt u even mee. Ik wil u wat zeggen, voor het begint,” sprak de
weduwe. “Geef mij uw arm.”
Peter Iwanowitsj gaf haar zijn arm en ze liepen naar de
binnenvertrekken, waarbij ze langs Schwartz kwamen, die meewarig naar
Peter Iwanowitsj wenkte.
“Daar gaat ons bridgen! Neem het ons niet kwalijk als we een andere
speler vinden. Misschien kun je nog invallen als je ontsnapt,” zei zijn
speelse blik.
Peter Iwanowitsj zuchtte nog dieper en mistroostiger, en Praskowja
Fjodorowna drukte dankbaar zijn arm. Toen ze bij de salon waren
aangekomen, behangen met roze cretonne en verlicht door een
schemerlamp, gingen ze aan de tafel zitten – zij op een sofa en Peter
Iwanowitsj op een lage poef met veren, die krampachtig onder zijn
gewicht meegaven. Praskowja Fjodorowna had op het punt gestaan hem te
waarschuwen om een andere stoel te nemen, maar voelde dat zo’n
waarschuwing niet in overeenstemming met haar huidige toestand was en
dus veranderde ze van gedachte. Terwijl hij op de poef ging zitten
herinnerde Peter Iwanowitsj zich hoe Iwan Iljitsj deze kamer had
ingericht en dat hij hem over deze roze cretonne met groene bladeren
advies had gevraagd. De hele kamer stond vol meubels en spulletjes en
toen ze naar de sofa liep, bleef de weduwe, met het kant van haar
zwarte omslagdoek, aan de hoek van de tafel hangen. Peter Iwanowitsj
stond op om het los te maken, en tegelijkertijd kwamen de springveren
van de poef, die van hun gewicht werden bevrijd, ook omhoog en gaven
hem een zetje. De weduwe begon zelf haar omslagdoek los te maken en
Peter Iwanowitsj ging weer zitten, waarbij hij de opstandige
springveren van de poef onder hem, weer indrukte. Maar de weduwe had
zichzelf nog niet helemaal bevrijd, of Peter Iwanowitsj stond alweer
op, en opnieuw rebelleerde de poef en kraakte zelfs. Toen dat allemaal
voorbij was haalde ze een schone, batisten zakdoek tevoorschijn en
begon te huilen. Het gebeuren met de omslagdoek en het gevecht met de
poef had de onrust van Peter Iwanowitsj bekoeld en daar zat hij dan,
met een stuurse blik op zijn gezicht. Deze ongemakkelijke toestand werd
doorbroken door Sokolow, Iwan Iljitsj’s hoofdbediende, die kwam melden
dat de plek op de begraafplaats, die Praskowja Fjodorowna had
uitgekozen, tweehonderd roebel zou kosten. Ze hield op met huilen en
terwijl ze, met de houding van een slachtoffer, naar Peter Iwanowitsj
keek, merkte ze in het Frans op, dat het haar allemaal heel zwaar viel.
Peter Iwanowitsj maakte een stilzwijgend gebaar, waarmee hij aangaf,
dat hij het er inderdaad helemaal mee eens was, dat het zo moest
gebeuren.
“Rookt u toch alstublieft,” zei ze met een grootmoedige, maar
vernietigende stem, en wendde zich naar Sokolow om het over de prijs
voor de plek van het graf te hebben.
Peter Iwanowitsj hoorde, terwijl hij sigaret aanstak, haar zeer
uitgebreid vragen naar de prijs van verschillende plekken op de
begraafplaats en hoe ze uiteindelijk de beslissing nam over welke ze
uit zou kiezen. Toen ze daarmee klaar was, gaf ze orders over het
bespreken van het koor. Vervolgens verliet Sokolow de kamer.
“Ik regel het allemaal zelf,” vertelde ze Peter Iwanowitsj, terwijl ze
de albums die op de tafel lagen verschoof; en toen ze zag dat door zijn
sigarettenas de tafel in gevaar werd gebracht, gaf ze hem meteen een
asbak aan, en terwijl ze dat deed zei ze: “Ik vind het niet eerlijk als
ik zeg dat ik mij, door mijn verdriet, niet met praktische zaken zou
kunnen bemoeien. Integendeel, als iets me – ik zal niet zeggen, kan
troosten – af kan leiden, dan is het de zorg voor alles wat hem
aangaat.”
Opnieuw pakte ze haar zakdoek tevoorschijn, alsof ze wilde gaan huilen,
maar opeens leek het alsof ze zich beheerste, ze beefde even en begon
rustig te spreken. “Maar er is iets waar ik met u over wil praten.”
Peter Iwanowitsj boog, terwijl hij de springveren van de poef, die
meteen onder hem begonnen te trillen, in de gaten hield.
“Hij heeft afgelopen dagen vreselijk geleden.”
“Ja?” zei Peter Iwanowitsj.
“O, vreselijk! Hij heeft aan een stuk door geschreeuwd, niet minuten-
maar urenlang. De laatste drie dagen heeft hij aan een stuk door
geschreeuwd. Het was onverdraaglijk. Ik begrijp niet hoe ik het heb
uitgehouden; je kon hem drie kamers verder horen. O, wat heb ik
geleden!”
“Kan het, dat hij al die tijd bij bewustzijn was?” vroeg Peter
Iwanowitsj.
“Ja,” fluisterde ze. “Tot het laatste ogenblik. Een kwartier voor hij
overleed, nam hij afscheid van ons, en vroeg ons nog Wolodja weg te
brengen.”
De gedachte aan het lijden van deze man, die hij zo goed had gekend,
eerst als een vrolijke kleine jongen, daarna als schoolkameraad, en
later als volwassen collega, vervulde Peter Iwanowitsj opeens met
afgrijzen, ondanks een onaangenaam besef van huichelarij, bij zichzelf
en bij deze vrouw. Hij zag opnieuw dat voorhoofd en die neus, die op de
bovenlip drukte en werd zelf bang.
“Drie dagen verschrikkelijk lijden en toen de dood! Nou, dat kan mij
ook opeens, zomaar overkomen,” dacht hij, en even voelde hij zich
doodsbang. Maar plotseling – hij wist zelf niet hoe – dook de
gebruikelijke gedachte in hem op, dat dit Iwan Iljitsj allemaal was
overkomen en dat het met hem niet zou en niet kon gebeuren, en dat die
gedachte, dat het wel eens zou kunnen gebeuren, zou betekenen dat hij
aan een somberheid zou toegeven die, zoals de uitdrukking op het
gezicht van Schwartz duidelijk liet zien, niet nodig was. Na die
overweging voelde Peter Iwanowitsj zich weer gerust, en begon met
belangstelling naar de bijzonderheden van de dood van Iwan Iljitsj te
vragen, alsof de dood iets was, wat bij Iwan Iljitsj hoorde en niet bij
hem.
Na een heleboel bijzonderheden over het werkelijk vreselijke
lichamelijke lijden, dat Iwan Iljitsj had doorstaan (bijzonderheden,
die hij alleen maar te horen kreeg door de uitwerking die dat lijden op
de zenuwen van Praskowja Fjodorowna had gehad) vond de weduwe het
kennelijk nodig om tot zaken te komen.
“O, Peter Iwanowitsj, wat is het toch zwaar! Wat vreselijk, vreselijk
zwaar!” en ze begon weer te huilen.
Peter Iwanowitsj zuchtte en wachtte tot zij haar neus had gesnoten.
Toen ze dat had gedaan, zei hij, “Gelooft u me....” en ze begon weer te
praten en ze vertelde, wat kennelijk voor haar de belangrijkste reden
was, dat ze hem wilde vragen hoe zij bij de regering, ter gelegenheid
van het overlijden van haar echtgenoot, een toelage kon loskrijgen. Ze
deed alsof ze Peter Iwanowitsj advies over haar pensioen vroeg, maar al
gauw merkte hij dat ze daar al tot in de kleinste bijzonderheden van op
de hoogte was, zelfs beter dan hijzelf. Ze wist hoeveel er, als gevolg
van het overlijden van haar echtgenoot, bij de regering viel te halen,
maar wilde alleen maar weten of ze er mogelijk nog meer uit zou kunnen
peuren. Peter Iwanowitsj probeerde nog wat mogelijkheden te bedenken,
maar na een tijdje nadenken, en nadat hij uit fatsoen de regering om
haar gierigheid had veroordeeld, zei hij dat er niet meer uitgehaald
kon worden. Daarop zuchtte ze en begon duidelijk een reden te bedenken
om van haar bezoeker af te komen. Hij zag dat, drukte zijn sigaret uit,
gaf haar een hand, liep de kamer uit, en begaf zich naar de voorkamer.
In de eetkamer, waar de klok stond waar Iwan Iljitsj zo op gesteld was
en die hij in een antiekwinkel had gekocht, kwam Peter Iwanowitsj een
priester en een paar kennissen tegen, die waren gekomen om de dienst
bij te wonen, en hij herkende de dochter van Iwan Iljitsj, een knappe
jonge vrouw. Ze was in het zwart en haar slanke figuurtje leek slanker
dan ooit. Ze keek somber, zelfbewust, en bijna boos, en boog naar Peter
Iwanowitsj, alsof hem op een of ander manier iets viel te verwijten.
Achter haar stond, met diezelfde krenkende blik, een rijke jongeman,
rechter van instructie, die Peter Iwanowitsj ook kende en die, zoals
hij had vernomen, haar verloofde was. Hij boog droevig naar hen en
wilde net de lijkkamer binnengaan, toen onder aan de trap de gestalte
van de schooljongen, de zoon van Iwan Iljitsj, verscheen, die
ongelofelijk veel op hem leek. Hij leek een beetje op de jonge Iwan
Iljitsj, zoals Peter zich Iwanowitsj herinnerde, toen ze samen rechten
studeerden. Zijn behuilde ogen toonden een blik die je wel vaker ziet
bij dertien- of veertienjarige jongens, die niet zuiver op de graat
zijn. Toen hij Peter Iwanowitsj zag, fronste hij misnoegd en beschaamd
zijn wenkbrauwen. Peter Iwanowitsj knikte hem toe en ging de lijkkamer
binnen. De dienst begon: kaarsen, gezucht, wierook, tranen en gesnik.
Peter Iwanowitsj stond droefgeestig naar zijn voeten te kijken. Hij
keek niet één keer naar de dode man, gaf aan geen enkele
neerslachtig makende invloed toe, en was een van de eersten, die de
kamer weer verliet. Er was niemand in de voorkamer, maar Gerasim glipte
uit de kamer van de overledene, haalde met zijn sterke handen de
bontjassen overhoop, om de jas van Peter Iwanowitsj te vinden en hielp
hem erin.
“Nou, vriend Gerasim,” zei Peter Iwanowitsj, om iets te zeggen,
“Het is een droevige zaak, nietwaar?”
“Het is Gods wil. Eens zullen wij daar allemaal voor staan,” zei
Gerasim, en liet zijn tanden zien – de egaal witte tanden van een
gezonde boer – en als iemand die vreselijk druk bezig is, maakte hij
snel de voordeur open, riep de koetsier, hielp Peter Iwanowitsj in de
koets, en sprong terug in het portiek, alsof hij klaar moest staan voor
het volgende, dat hij moest doen.
Peter Iwanowitsj vond, na de geur van wierook, het dode lichaam en het
carbolzuur, de frisse lucht bijzonder aangenaam.
“Waarheen, mijnheer?” vroeg de koetsier.
“Het is nog niet te laat….Rij maar naar Fjodor Wasilijewitsj.”
Zo reed hij erheen en trof ze aan terwijl ze net hun eerste robber
afmaakten, zodat hij heel gemakkelijk in kon vallen.
II
Het leven van Iwan Iljitsj was het allereenvoudigste en allergewoonste,
dat men zich in kon denken en daarom het meest afschuwelijke.
Hij was lid van de rechtbank geweest en stierf op de leeftijd van
vijfenveertig jaar. Zijn vader was een ambtenaar geweest die, nadat hij
een baan bij verschillende ministeries en departementen in Sint
Petersburg had gehad, dat soort carrière had gemaakt dat mensen
in posities brengt waaruit zij, ten gevolge van hun vele dienstjaren,
niet ontslagen kunnen worden, hoewel ze overduidelijk ongeschikt zijn
om welke verantwoordelijke positie dan ook te bekleden, en voor wie
daarom speciale baantjes in het leven worden geroepen, die hoewel
denkbeeldig, niet denkbeeldige salarissen van zes tot tienduizend
roebel opleveren, waarmee ze tot op hoge leeftijd kunnen doorleven.
Ilja Epimowitsj Golowin was zo iemand. Hij was geheimraad en overbodig
lid van verschillende overbodige instellingen.
Hij had drie zonen, waar Iwan Iljitsj de tweede van was. De oudste zoon
trad in de voetstappen van zijn vader, alleen bij een ander
departement, en naderde in zijn dienst al het stadium, waarbij zo’n
bezoldiging zonder bezigheden zou worden bereikt. De derde zoon was een
mislukkeling. Hij had in een aantal betrekkingen zijn vooruitzichten
verpest en diende nu op de afdeling spoorwegen. Zijn vader en broers,
en hun vrouwen nog meer, hielden er niet alleen niet van om hem te
ontmoeten, maar vermeden, tenzij ze niet anders konden, zich zelfs ook
maar te herinneren dat hij bestond. Zijn zuster was met Baron Greff
getrouwd, net zo’n Petersburgse ambtenaar als haar vader. Iwan Iljitsj
was le phenix de la famille, zoals men zei. Hij was noch zo kil
en
formeel als zijn oudere broer, noch zo onstuimig als de jongere, maar
vergeleken met hen was hij de gulden middenweg – een intelligente,
beschaafde, levendige en aangename man. Hij had samen met zijn jongere
broer aan de rechtenacademie gestudeerd, maar de laatste had zijn
studie niet afgemaakt en werd uit de vijfde klas weggestuurd. Iwan
Iljitsj maakte de studie wel af. Zelfs toen hij op de rechtenacademie
zat, was hij al precies zoals hij de rest van zijn leven zou blijven:
een bekwame, opgewekte, gemoedelijke man, prettig in de omgang, maar
streng in het vervullen van wat hij als zijn plicht beschouwde: en hij
beschouwde als zijn plicht, wat de autoriteiten als zijn plicht
beschouwden. Noch als jongen, noch als volwassen man was hij kruiperig
geweest, maar vanaf zijn jongensjaren voelde hij zich van nature tot
hooggeplaatste personen aangetrokken, zoals een vlieg door het licht,
maakte zich hun levenswijzen en opvattingen eigen en knoopte
vriendschappelijke betrekkingen met hen aan. Alle bevlogenheden van
kindertijd en jeugd gingen aan hem voorbij, zonder veel sporen na te
laten; hij bezweek voor zinnelijkheid en ijdelheid, en tegen het eind
van zijn leven, toen hij in de hoogste kringen verkeerde, voor het
liberalisme, maar altijd binnen de grenzen die zijn instinct hem
onfeilbaar als juist aanwees.
Op school had hij dingen gedaan, die hij aanvankelijk afschuwelijk had
gevonden en die hem, als hij ze deed, met afkeer voor zichzelf
vervulden; maar toen hij later zag dat die dingen ook door
hooggeplaatsten werden gedaan en dat zij dat niet als slecht
bestempelden, was hij weliswaar niet helemaal in staat ze als goed te
beschouwen, maar hij kon ze volmaakt vergeten en ze zonder enig
probleem weer in zijn herinnering terughalen.
Nadat hij het diploma van de rechtenacademie had behaald, voor de
tiende rang van de civiele dienst bevoegd was verklaard, en van zijn
vader geld had gekregen voor de aanschaf van benodigdheden, bestelde
Iwan Iljitsj voor zichzelf kleren bij Scharmer, de chique kleermaker,
hing een medaillon met de inscriptie respice finem aan zijn
horlogeketting, nam afscheid van zijn professor en de prins, die
beschermheer van de school was, hield met zijn vrienden een
afscheidsdiner bij het eersteklas restaurant Donon, en met zijn nieuwe
en deftige valies, linnengoed, kleren, scheer- en ander toiletgerei, en
een reisdeken, allemaal in de beste winkels aangeschaft, vertrok hij
naar een van de provincies, waar hij door voorspraak van zijn vader,
als ambtenaar voor speciale diensten, aan de gouverneur was toegevoegd.
In de provincie richtte Iwan Iljitsj al gauw zijn leven net zo
behaaglijk en aangenaam in als het op de rechtenacademie was geweest.
Hij verrichtte zijn werk als ambtenaar, maakte carrière, en
tegelijkertijd vermaakte hij zich prettig en fatsoenlijk. Af en toe
legde hij werkbezoeken aan de plattelandsdistricten af, waar hij zich,
zowel naar zijn hoger- als zijn lagergeplaatsten, waardig gedroeg, en
waar hij de plichten vervulde die hem waren toevertrouwd, en die
voornamelijk sektariërs betroffen, met een stiptheid en
onomkoopbare eerlijkheid, waar hij alleen maar trots op kon zijn.
In ambtelijke zaken was hij, ondanks zijn jeugd en neiging tot
lichtzinnig vermaak, uitermate terughoudend, punctueel, en zelfs
streng; maar in gezelschap was hij vaak onderhoudend en geestig, altijd
gemoedelijk en voorkomend in zijn manieren, en een bon enfant,
zoals de
gouverneur en zijn vrouw – voor wie hij als een lid van de familie was
– over hem plachten te praten.
In de provincie had hij iets met een dame, die de elegante jonge jurist
avances had gemaakt, en er was ook iets met een modiste; en er waren
drinkgelagen met adjudanten die het district bezochten, en avondlijke
bezoekjes aan een afgelegen straat met een twijfelachtige reputatie; en
er was natuurlijk ook wat kruiperigheid ten opzichte van zijn baas en
zelfs de vrouw van de baas, maar dat gebeurde allemaal met zo’n zweem
van beschaafde manieren, dat niemand er iets verkeerds van kon zeggen.
Het viel allemaal onder het motto van het Franse gezegde: “Il faut
que
jeunesse se passe.” Alles gebeurde met schone handen, in schone
kleren,
met Franse bewoordingen, en bij voorkeur in de hoogste kringen en dus
met goedkeuring van de gewone man.
Zo diende Iwan Iljitsj vijf jaar lang en toen trad in zijn ambtelijke
leven een verandering op. Er werden nieuwe en verbeterde juridische
instellingen ingevoerd, en er waren nieuwe mensen nodig. Iwan Iljitsj
werd zo’n nieuwe man. Hem werd de baan van rechter van instructie
aangeboden, maar de standplaats bevond zich in een andere provincie en
dat noodzaakte hem de vriendschappen, die hij had gesloten, te
verbreken en nieuwe te sluiten. Zijn vrienden kwamen bijeen om hem een
afscheidscadeau te overhandigen; ze hadden een groepsfoto laten maken
en gaven hem dat, samen met een zilveren sigarettenkoker, en zo vertrok
hij naar zijn nieuwe standplaats.
Als rechter van instructie was Iwan Iljitsj even comme il faut
en
fatsoenlijk, wist algemeen achting af te dwingen en was in staat zijn
werk van zijn privé-leven te scheiden, zoals hij ook had gedaan
toen hij ambtenaar in speciale functie was. Zijn werk als rechter van
instructie was veel belangrijker en aantrekkelijker dan zijn vorige
baan. In zijn vorige baan was het prettig geweest om een klein tenue,
gemaakt door Scharmer, te dragen en de menigte mensen met
verzoekschriften en ambtenaren voorbij te lopen, die bedeesd op een
audiëntie bij de gouverneur stonden te wachten en die hem
benijdden als hij met ongedwongen en soepele pas rechtstreeks de kamer
van zijn baas inliep om met hem een kopje thee te drinken en een
sigaret te roken. Maar toen waren er maar weinig mensen, die direct van
hem afhankelijk waren – alleen de ambtenaren van de politie en als hij
op speciale missie ging, de sektariërs – en hij hield ervan om hen
netjes te behandelen, bijna als vrienden, alsof hij hen wilde laten
voelen dat hij, die het vermogen had hen te verpletteren, hen op deze
eenvoudige en vriendelijke manier behandelde. Destijds waren er maar
weinig van zulke mensen.
Maar nu hij rechter van instructie was, voelde Iwan Iljitsj dat hij
zonder uitzondering iedereen, zelfs de meeste belangrijke en
zelfverzekerde persoon, in zijn macht had, en dat hij alleen maar een
paar woorden op een vel papier met een bepaald briefhoofd hoefde te
schrijven en deze of gene belangrijke en zelfverzekerde persoon zou in
de rol van beklaagde of getuige aan hem voorgeleid worden, en als hij
hem niet zou toestaan te gaan zitten, zou hij voor hem moeten blijven
staan en antwoorden op zijn vragen moeten geven. Iwan Iljitsj maakte
nooit misbruik van zijn macht; integendeel, hij probeerde de uitwerking
van die macht zoveel mogelijk te verzachten, maar het besef van macht
en van de mogelijkheid die te verzachten, vormden voor hem het
belangrijkste en aantrekkelijkste deel van zijn baan. In het werk zelf,
en met name bij zijn onderzoek, maakte hij zich al gauw de manier eigen
om alle overwegingen die voor het juridische aspect van de zaak niet
relevant waren buiten beschouwing te laten, en zelfs de meest
ingewikkelde zaak terug te brengen tot een vorm, waarin het alleen maar
in zijn uiterlijkheden op papier zou verschijnen, met volledige
uitsluiting van zijn persoonlijke mening over de zaak, met bovenal
inachtneming van de voorgeschreven formaliteiten. Het werk was nieuw en
Iwan Iljitsj was een van de eersten die het nieuwe Wetboek van 1864 in
praktijk moest brengen.
Door het aanvaarden van de baan van rechter van instructie in een
nieuwe stad, maakte hij nieuwe kennissen en relaties, veroverde een
nieuwe positie en nam een ietwat andere manier van doen aan. Hij mat
zich een vrij waardige afstandelijkheid ten opzichte provinciale
gezagdragers aan, maar koos voor de beste kringen van juristen en rijke
adel die in de stad woonden en sloeg een toon van lichtelijke
ontevredenheid met de regering aan, omarmde een gematigd liberalisme en
gedroeg zich als een verlichte burger. Zonder ook maar enigszins de
sierlijkheid van zijn uiterlijk te veranderen, stopte hij
tegelijkertijd met het scheren van zijn kin en liet zijn baard vrijuit
groeien.
Het leven van Iwan Iljitsj in deze nieuwe stad werd zeer aangenaam. Het
maatschappelijke leven, dat daar naar verzet tegen de gouverneur
neigde, was vriendelijk, zijn salaris was hoger, en hij ging whist
spelen, dat in zijn ogen niet weinig bijdroeg aan de geneugten des
levens, want hij was een goede speler, speelde graag en dacht snel en
slim na, zodat hij meestal won.
Nadat hij daar twee jaar had doorgebracht ontmoette hij zijn
toekomstige echtgenote, Praskowja Fjodorowna Michel, het meest
aantrekkelijke, intelligente en talentvolle meisje uit de kring waar
hij zich in bewoog, en als een van de vermaken en ontspanningen van
zijn werkzaamheden als rechter van instructie, knoopte Iwan Iljitsj een
lichtvoetige en speelse verhouding met haar aan.
Toen hij nog ambtenaar voor speciale zaken was danste hij vaak, maar
nu, als rechter van instructie, deed hij het nog bij uitzondering. Als
hij nu danste, deed hij het alsof hij wilde laten zien dat hij, hoewel
zijn omstandigheden waren veranderd en hij de vijfde klasse van zijn
ambt had bereikt, als het op dansen aankwam, het beter dan de meeste
anderen kon. Zo danste hij soms aan het eind van de avond met Praskowja
Fjodorowna, en het was voornamelijk tijdens deze dansen, dat hij haar
veroverde. Ze werd verliefd op hem. Iwan Iljitsj had niet bepaald de
bedoeling om te trouwen, maar toen het meisje verliefd op hem werd, zei
hij bij zichzelf: “Kom, waarom zou ik niet trouwen?”
Praskowja Fjodorowna kwam uit een goede familie, zag er niet slecht
uit, en bezat een klein vermogen. Iwan Iljitsj had dan wellicht een
meer glansrijke partij voor ogen gehad, maar dit was ook goed. Hij had
zijn salaris, en zij, hoopte hij, zou ongeveer evenveel inbrengen. Ze
had een aardige kennissenkring, en was een lieve, aardige en door en
door nette jonge vrouw. Om nou te zeggen dat Iwan Iljitsj trouwde omdat
hij verliefd op Praskowja Fjodorowna was en dat hij vond dat zij zijn
levensopvatting deelde, zou even onjuist zijn als te zeggen dat hij
haar huwde omdat de mensen uit zijn eigen kring de partij goedkeurden.
Hij liet zich door de volgende overwegingen leiden: het huwelijk gaf
hem persoonlijk voldoening, en tegelijkertijd werd het door zijn
hoogstgeplaatste collega’s goed bevonden.
Dus trouwde Iwan Iljitsj.
De voorbereidingen voor het huwelijk en de eerste tijd van zijn
echtelijk leven, met de huwelijkse liefkozingen, het nieuwe meubilair,
nieuwe servies, en nieuwe linnengoed, waren zeer aangenaam, - zodat
Iwan Iljitsj was gaan denken dat het huwelijk geen nadelige invloed op
zijn rustige, aangename, vrolijke en altijd fatsoenlijke manier van
leven zou hebben, wat door zijn omgeving werd bevestigd en door hem
zelf als normaal werd beschouwd, maar dat het huwelijk zijn leven zelfs
zou verbeteren. Totdat zijn echtgenote zwanger werd. En vanaf de eerste
maanden van de zwangerschap van zijn echtgenote verscheen onverwacht
iets nieuws, onaangenaams, drukkends en onbetamelijks, waar geen
ontsnappen aan was.
Zijn echtgenote begon zonder enige aanleiding – uit een gaieté
de
coeur zoals Iwan Iljitsj het bij zichzelf noemde – het aangename
en
fatsoenlijke van hun leven te verstoren. Ze begon zonder enige reden
jaloers te worden, verwachtte dat hij al zijn aandacht aan haar zou
besteden, vitte overal op, en maakte hevige en onverkwikkelijke
scènes.
In het begin hoopte Iwan Iljitsj dat hij, door dezelfde rustige en
fatsoenlijke levenshouding die hem vroeger altijd had geholpen, aan die
onaangename toestanden kon ontsnappen: hij probeerde de onaangename
buien van zijn vrouw te negeren, leefde op zijn gewoonlijk rustige en
aangename manier verder, nodigde vrienden bij hem thuis uit voor een
spel kaart, en probeerde ook naar zijn club te gaan of zijn avonden met
vrienden door te brengen. Maar op zekere dag ging zijn echtgenote hevig
tegen hem te keer, met zeer grove taal, en ze ging daarmee door, elke
keer dat hij niet aan haar wensen voldeed, zo vastberaden en duidelijk
zo vastbesloten daar niet mee op te houden, tot hij zou toegeven – dat
wil zeggen, dat hij thuis zou blijven en zich net zo zou vervelen als
zij – dat hij ongerust werd. Nu besefte hij dat het getrouwd zijn – in
ieder geval met Praskowja Fjodorowna – niet altijd bevorderlijk voor de
geneugten en aangenaamheden van het leven was, maar dat het integendeel
vaak inbreuk op zowel het gemak als de welvoeglijkheid maakt, en dat
hij zich dus tegen zo’n verstoring moest wapenen. En Iwan Iljitsj begon
daar manieren voor te zoeken. Zijn ambtelijke zaken, was het enige dat
indruk op Praskowja Fjodorowna maakte, en door middel van zijn werk en
de plichten die daaraan vast zaten, ging hij met zijn echtgenote het
gevecht aan, om zijn eigen onafhankelijkheid veilig te stellen.
Met de geboorte van het kind, de pogingen het te voeden en de diverse
mislukkingen daarbij, en met de echte en ingebeelde ziekten van moeder
en kind, waarbij het medeleven van Iwan Iljitsj werd gevraagd, maar
waar hij niets van begreep, werd de noodzaak om zich van een bestaan
buiten het gezinsleven te verzekeren, nog dwingender. Naarmate zijn
echtgenote prikkelbaarder en veeleisender werd en Iwan Iljitsj het
zwaartepunt van zijn leven meer en meer naar zijn werk verlegde, ging
hij steeds meer van zijn werk houden en werd meer eerzuchtig dan
vóór die tijd.
Al heel gauw, binnen een jaar na zijn trouwen, had Iwan Iljitsj
begrepen, dat het huwelijk, hoewel het mogelijk enige gemakken aan het
leven toevoegt, in wezen een zeer ingewikkelde en problematische zaak
is, waar tegenover men, om zijn plicht te vervullen, dat wil zeggen,
een door de gemeenschap goedgekeurd fatsoenlijk leven te leiden, net
zoals tegenover de ambtelijke plichten, een bepaalde houding aan moet
nemen.
En Iwan Iljitsj ontwikkelde zo’n houding tegenover het huwelijkse
leven.
Hij verlangde er alleen de gemakken van – het eten thuis, een huisvrouw
en een bed – die het hem kon verschaffen, en bovenal die uiterlijke
fatsoensvormen, die de publieke opinie eiste. Voor het overige zocht
hij naar luchtig en fatsoenlijk vermaak en hij was heel dankbaar als
hij dat vond, maar ontmoette hij verzet en geklaag, dan trok hij zich
meteen terug in zijn afgescheiden en afgeschermde wereld van zijn werk,
waar hij bevrediging in vond.
Iwan Iljitsj werd als een goede ambtenaar beschouwd, en hij werd na
drie jaar tot assistent officier van justitie bevorderd. Zijn nieuwe
taken, hun belangrijkheid, de mogelijkheid om wie hij maar wilde aan te
klagen en in hechtenis te laten nemen, de openbaarheid van zijn
toespraken, en het succes dat hij met dat alles boekte, maakte zijn
werk nog aantrekkelijker. Er kwamen meer kinderen. Zijn echtgenote werd
hoe langer hoe meer klagerig en opvliegend, maar de houding die Iwan
Iljitsj ten opzichte van zijn huiselijk leven had aangenomen, maakte
hem vrijwel ontoegankelijk voor haar gemopper.
Nadat hij zeven jaar in die stad had gediend, werd hij als officier van
justitie naar een andere provincie overgeplaatst. Ze verhuisden, maar
kwamen geld tekort en zijn echtgenote hield niet van de stad, waar ze
naartoe verhuisd waren. Hoewel het salaris hoger was, waren de kosten
van levensonderhoud hoger, waar nog bij kwam dat twee van hun kinderen
stierven en het huiselijke leven nog onaangenamer voor hem werd.
Praskowja Fjodorowna verweet haar echtgenoot elk ongemak, dat hen in
hun nieuwe woonplaats overkwam. De meeste gesprekken tussen man en
vrouw, met name als het over de opvoeding van de kinderen ging, leidden
tot onderwerpen die aan eerdere discussies herinnerden, en die
discussies hadden de neiging om elk moment weer op te laaien. Alleen
die zeldzame ogenblikken van verliefdheid, die hen af en toe
overkwamen, bleven over, maar die duurden niet lang. Dat waren
eilandjes, waar zij een tijdje aanlegden, om vervolgens weer die oceaan
van verhulde vijandigheid op te varen, die zich uitte in hun beider
afstandelijkheid. Die afstandelijkheid zou Iwan Iljitsj hebben
betreurd, als hij van mening was geweest dat die niet nodig zou zijn,
maar nu beschouwde hij die toestand als normaal, en hij maakte het
zelfs tot het doel, dat hij in het gezinsleven nastreefde. Zijn doel
was om zich steeds meer van die onaangenaamheden te bevrijden en ze een
schijn van onschuld en fatsoen te geven. Hij bereikte dat door steeds
minder tijd met zijn gezin door te brengen, en als hij er niet onderuit
kwam om thuis te zijn, probeerde hij zijn positie veilig te stellen
door de aanwezigheid van buitenstaanders. De hoofdzaak was echter dat
hij zijn werk had. Zijn hele belangstelling concentreerde zich nu op de
ambtelijke wereld en die belangstelling nam hem helemaal in beslag. Het
besef van zijn macht, het weten dat hij in staat was iedereen die hij
maar wilde te ruïneren, zijn gewichtigheid, zelfs de uiterlijke
waardigheid waarmee hij de rechtszaal binnentrad, of waarmee hij zijn
ondergeschikten bejegende, zijn succes bij hoger- en lagergeplaatsten,
en bovenal zijn meesterlijke behandeling van rechtszaken, waar hij zich
bewust van was – dat alles deed hem genoegen en vulde, samen met
gesprekken met zijn collega’s, diners en whist, zijn leven. Zodat over
het geheel genomen het leven van Iwan Iljitsj voortkabbelde zoals hij
vond dat het moest gaan – aangenaam en fatsoenlijk.
Zo ging het nog zeven jaar verder. Zijn oudste dochter was al
zeventien, er was nog een kind overleden, en er was maar
één zoon overgebleven, een schooljongen en een onderwerp
van menige onenigheid. Iwan Iljitsj wilde hem op de rechtenacademie
hebben, maar uit wrok deed Praskowja Fjodorowna hem op de hogeschool.
De dochter kreeg thuisonderwijs en deed het goed: de jongen leerde ook
niet slecht.
III
Zo leefde Iwan Iljitsj na zijn huwelijk nog zeventien jaar lang.
Hij was al een hele tijd officier van justitie en had al verschillende
overplaatsingen van de hand gewezen in afwachting van een meer gewenste
post, toen een onvoorziene en onaangename gebeurtenis zijn vreedzaam
verlopende leven helemaal op zijn kop zette. Hij verwachtte dat hem de
stansplaats van voorzitter van de rechtbank in een universiteitsstad
zou worden aangeboden, maar op een of andere manier trad Happe op de
voorgrond en werd in plaats van hem benoemd. Iwan Iljitsj wondt zich
op, maakte Happe verwijten en maakte ruzie, zowel met hem als met zijn
directe meerderen – die hem koeler begonnen te bejegenen en hem
vervolgens bij andere benoemingen weer oversloegen.
Dit gebeurde in 1880, het zwaarste jaar in het leven van Iwan Iljitsj.
Toen werd aan de ene kant ook duidelijk dat zijn salaris voor hen
ontoereikend was om zo verder te leven, en aan de andere kant dat ze
hem vergeten hadden, en dat niet alleen, maar dat datgene, wat voor hem
de grootste en meest wrede onrechtvaardigheid was, voor anderen de
gewoonste zaak van de wereld scheen te zijn. Zelfs zijn vader
beschouwde het niet als zijn plicht om hem te helpen. Iwan Iljitsj
voelde zich door iedereen in de steek gelaten en zag dat zij zijn
positie, met een salaris van 3.500 roebel, als volkomen normaal en
zelfs als een geluk beschouwden. Alleen hijzelf, zich bewust van het
hem aangedane onrecht, met een voortdurend zanikende echtgenote, en met
schulden die hij was aangegaan omdat hij boven zijn inkomen leefde,
wist dat zijn toestand allesbehalve normaal was.
Om geld te besparen nam hij die zomer verlof en ging met zijn
echtgenote, bij haar broer op het platteland, zijn tijd doorbrengen.
Daar, zonder zijn werk, voelde hij voor het eerst in zijn leven
verveling, en niet alleen verveling maar een ondraaglijke
zwaarmoedigheid, en hij kwam tot de conclusie dat hij zo onmogelijk
verder kon leven, en dat hij drieste maatregelen moest treffen.
Nadat hij een slapeloze nacht had doorgebracht, waarin hij op de
veranda op en neer had gelopen, besloot hij naar Petersburg te gaan en
zijn best te doen om de mensen die hem niet naar waarde hadden geschat
te straffen en om een overplaatsing naar een ander ministerie te
bewerkstelligen.
De volgende dag vertrok hij, ondanks veel protest van zijn echtgenoten
en haar broer, naar Petersburg met maar één doel voor
ogen, namelijk een post met een salaris van vijfduizend roebel per
jaar. Hij was niet langer uit op een bepaald departement, noch op een
bepaald soort werk. Het enige wat hij nu wilde was een benoeming op een
andere post met een salaris van vijfduizend roebel, of het nu bij de
rijksadministratie, op een bank, bij de spoorwegen, in een van de
Keizerin Maria stichtingen of zelfs bij de douane was – als het maar
een salaris van vijfduizend roebel opleverde en bij een ander
ministerie was, dan dat waar ze hem niet naar waarde hadden geschat.
En deze zoektocht van Iwan Iljitsj werd met een opmerkelijk en
onverwacht succes bekroond. In Koersk stapte een kennis van hem, F. I.
Iljin, in de eersteklas coupé, ging naast Iwan Iljitsj zitten,
en vertelde hem over een telegram dat hij net van de gouverneur van
Koersk had ontvangen, waarin stond dat er een verandering op het
ministerie zou plaatsvinden: Peter Iwanowitsj zou door Iwan Semonovitsj
worden opgevolgd.
De voorgestelde verandering had, afgezien van de betekenis die het voor
Rusland had, een bijzondere betekenis voor Iwan Iljitsj, want door een
nieuwe man, Peter Petrovitsj, naar voren te schuiven en dus ook zijn
vriend Zachar Iwanowitsj, was het uitermate gunstig voor Iwan Iljitsj,
aangezien Zachar Iwanowitsj een vriend en collega van hem was.
In Moskou werd dit nieuws bevestigd, en in Sint Petersburg aangekomen,
zocht Iwan Iljitsj Zachar Iwanowitsj op en kreeg de duidelijke belofte
van een benoeming aan zijn vroegere departement van justitie.
Een week later stuurde hij zijn vrouw een telegram: “Zachar op plaats
van Miller. Krijg benoeming op voordracht.”
Dankzij deze personeelswisseling had Iwan Iljitsj onverwacht een
benoeming aan zijn vroegere ministerie gekregen, waardoor hij twee
rangen boven zijn voormalige collega’s uitsteeg, naast een salaris van
vijfduizend roebel en drieduizendvijfhonderd roebel voor uitgaven die
met zijn verhuizing samenhingen. Zijn hele stemming ten opzichte van
zijn vroegere vijanden en het hele departement verdween, en Iwan
Iljitsj was volmaakt gelukkig.
Hij keerde opgewekter en meer tevreden, dan hij in tijden was geweest,
naar het platteland terug. Praskowja Fjodorowna monterde ook op en er
werd een onderlinge wapenstilstand getekend. Iwan Iljitsj vertelde hoe
hij door iedereen in Petersburg feestelijk was onthaald, hoe al zijn
vijanden zich schaamden en nu voor hem kropen, hoe jaloers ze op zijn
benoeming waren en hoezeer iedereen in Petersburg op hem gesteld was.
Praskowja Fjodorowna hoorde dat allemaal aan en scheen het te geloven.
Ze sprak hem nergens in tegen, maar maakte alleen maar plannen voor hun
leven in de stad, waar ze naar toe zouden gaan. Iwan Iljitsj zag
verheugd dat haar plannen zijn plannen waren, dat hij en zijn
echtgenote het met elkaar eens waren, en dat zijn leven, na wat
geharrewar, zijn rechtmatige en oorspronkelijke karakter van
luchthartigheid en welvoeglijkheid zou herwinnen.
Iwan Iljitsj was maar voor even teruggekomen, want hij moest zijn
nieuwe baan op 10 september aanvaarden. Bovendien had hij tijd nodig om
zich op zijn nieuwe plek in te richten, om zijn hele hebben en houden
uit de provincie over te brengen, en een heleboel extra dingen te kopen
en te bestellen: kortom, om de hele boel zo in te richten als hij voor
zichzelf had besloten, en wat vrijwel precies hetzelfde was wat ook
Praskowja Fjodorowna in haar hoofd had.
Nu alles zo voorspoedig was verlopen en hij en zijn echtgenote
hetzelfde doel voor ogen hadden en elkaar bovendien zo weinig zagen,
konden zij het beter met elkaar vinden, dan ze sinds de eerste jaren
van hun huwelijk hadden gedaan. Iwan Iljitsj had bedacht om meteen zijn
gezin mee te nemen, maar op aandrang van de broer van zijn echtgenote
en haar schoonzuster, die zich opeens bijzonder hartelijk en
vriendelijk ten opzichte van hem en zijn gezin gedroegen, vertrok hij
alleen.
Zo vertrok hij dus, en de opgewekte stemming, veroorzaakt door zijn
welslagen en de eensgezindheid tussen zijn echtgenote en zichzelf,
verliet hem niet meer. Hij vond een verrukkelijk huis, precies het huis
waar zowel zijn echtgenote als hijzelf van hadden gedroomd.
Ruime, voorname ontvangkamers in oude stijl, een geriefelijke en
waardige studeerkamer, kamers voor zijn vrouw en dochter, een
studeerkamer voor zijn zoon – het leek alsof het speciaal voor hen was
gebouwd. Iwan Iljitsj hield zelf toezicht op de inrichting, koos het
behang uit, vulde het meubilair aan (bij voorkeur antiek, dat hij
bijzonder comme il faut vond), en zag toe op de stoffering. Het
schoot
allemaal steeds verder op en benaderde het ideaal dat hij zichzelf had
gesteld: zelfs als dingen pas half af waren, overtroffen ze zijn
verwachtingen. Hij zag wat voor verfijnd en smaakvol karakter, zonder
alledaagsheid, het allemaal zou hebben als het klaar zou zijn. Tijdens
het inslapen stelde hij zich voor hoe de ontvangstkamer er uit zou
komen te zien. Als hij naar de nog niet voltooide huiskamer keek kon
hij de open haard al zien, het vuurscherm, en wat al niet, de kleine
stoeltjes hier en daar, de borden en schotels aan de muur, en de
bronzen beelden, kortom, zoals het eruit zou zien als alles op zijn
plaats stond. Hij verheugde zich al bij de gedachte hoe zijn echtgenote
en dochter, die wat dat betreft dezelfde smaak hadden, ervan onder de
indruk zouden zijn. Zoveel verwachtten ze vast niet. Hij was vooral
geslaagd in het vinden en goedkoop aanschaffen van antiek, dat aan het
geheel een bijzonder aristocratisch karakter gaf. Maar in zijn brieven
maakte hij het opzettelijk allemaal minder, om hen te kunnen verrassen.
Dit nam hem allemaal zo in beslag, dat hij voor zijn nieuwe
werkzaamheden – hoewel hij van zijn ambtelijke werk hield – minder
belangstelling had dan hij had verwacht. Soms had hij tijdens de
zittingen van de rechtbank zelfs momenten van afwezigheid en bedacht
dan of hij rechte of gebogen kroonlijsten voor zijn gordijnen wilde.
Hij was overal zo mee bezig, dat hij vaak dingen zelf deed, verzette de
meubels of hing de gordijnen weer op. Op een keer, toen hij op de
ladder klom om de stoffeerder, die niet begreep hoe hij wilde dat de
sierdoeken werden gedrapeerd, maakte hij een verkeerde stap en gleed
uit, maar aangezien hij een sterke en handige man was, kon hij zich
vastgrijpen en stootte alleen zijn zij tegen de vensterknop. De
gekneusde plek was pijnlijk, maar de pijn verdween al snel, en hij
voelde zich toen juist bijzonder opgewekt en gezond. Hij schreef: “Ik
voel me vijftien jaar jonger.”
Hij dacht dat hij tegen september alles klaar zou hebben, maar het liep
uit tot midden oktober. Maar het resultaat was alleraardigst, niet
alleen in zijn eigen ogen, maar voor iedereen die het zag.
In werkelijkheid was het precies wat men gewoonlijk in huizen van
mensen uit de middenklasse ziet, die rijk willen lijken, en er daarom
alleen maar in slagen anderen op henzelf te laten lijken: je ziet er
damasten kleden, donker hout, planten, tapijten en saaie en gepolijste
bronzen beelden – allemaal dingen die mensen van een bepaalde stand
bezitten om op andere mensen van diezelfde stand te lijken. Zijn huis
leek zo op de andere, dat het nooit zou zijn opgevallen, maar voor hem
leek het allemaal buitgewoon. Hij was heel gelukkig toen hij zijn gezin
van het station afhaalde en hen naar het pas ingerichte en geheel
verlichte huis bracht, waar een bediende in rokkostuum de deur naar de
met planten versierde hal opende, en toen ze verder de huiskamer en
studeerkamer inliepen en kreten van verrukking slaagden. Hij leidde hen
overal rond, dronk gretig hun lof in, en straalde van genoegen. Die
avond, bij de thee, toen Praskowja Fjodorowna hem onder andere naar
zijn val vroeg, lachte hij, en liet hen zien hoe hij had gevlogen en de
stoffeerder de stuipen op het lijf had gejaagd. “Gelukkig ben ik een
beetje een atleet. Voor iemand anders zou het misschien zijn dood zijn
geweest, maar ik heb me alleen maar gestoten; het doet pijn als je
eraan komt, maar het gaat al weer over – het is alleen gekneusd.”
Zo begon het leven in hun nieuwe woning – waarin zij, zoals altijd,
toen zij alles op orde hadden, vonden dat ze net één
kamer tekort kwamen – met het gestegen inkomen, dat zoals altijd net
een beetje (ongeveer vijfhonderd roebel) te weinig was, maar het was
allemaal heel prettig.
In het begin liep het allemaal bijzonder goed, voordat alles definitief
op orde was en er nog iets gedaan moest worden: het ene gekocht, het
andere besteld, weer iets anders verplaatst en nog iets anders erbij.
Ofschoon er af en toe een woordenwisseling tussen man en vrouw was,
waren ze beiden zo tevreden en hadden zoveel te doen, dat alles zonder
ernstige ruzies voorbijging. Toen er niets meer te regelen viel, werd
het nogal saai en het leek alsof er iets ontbrak, maar toen kregen ze
kennissen, namen nieuwe gewoonten aan, en het leven werd voller.
Iwan Iljitsj bracht zijn ochtenden op de rechtbank door en kwam tussen
de middag thuis eten, en aanvankelijk was hij over het algemeen
goedgehumeurd, hoewel hij af en toe juist door zijn huis prikkelbaar
werd. (Elke vlek op het tafelkleed of de stoelbekleding, en elk
gebroken koordje van het vensterscherm, ergerde hem. Hij had zich
zoveel moeite getroost om het allemaal zo in te richten, dat elke
verstoring ervan hem kwelde) Maar over het geheel genomen verliep zijn
leven, zoals hij geloofde dat het moest verlopen: rustig, aangenaam en
fatsoenlijk.
Hij stond om negen uur op, dronk zijn koffie, las de krant, trok
vervolgens zijn klein tenue aan en ging naar de rechtbank. Daar lag het
gareel, waarin hij moest werken, al klaar en gedwee legde hij zich
erbij neer: mensen met verzoeken, onderzoeken bij het hooggerechtshof,
het hooggerechtshof zelf, en de openbare en bestuurszittingen. In dat
alles was het zaak al het frisse en levendige uit te schakelen, dat
altijd de normale gang van ambtelijke zaken verstoort, en uitsluitend
ambtelijke betrekkingen met mensen toe te staan, en dan alleen op
ambtelijke gronden. Stel bijvoorbeeld dat er iemand komt, die wat
informatie wil hebben. Iwan Iljitsj zou, omdat die zaak niet op zijn
terrein ligt, niets met hem van doen willen hebben: maar als die
persoon van hem op zijn eigen ambtelijk terrein iets zou willen, iets
dat op een officieel gestempeld vel papier gezet zou kunnen worden, zou
hij alles doen, ongetwijfeld alles wat hij binnen de grenzen van
dergelijke betrekkingen zou kunnen, en daarmee zou hij de schijn van
een vriendelijke betrekking kunnen ophouden, dat wil zeggen, dat hij de
hoffelijkheden van het leven zou hooghouden. Zo gauw als de ambtelijke
relatie eindigde, hield al het andere ook op. Iwan Iljitsj had een
buitengewoon vermogen zijn echte leven van de ambtelijke kant van de
zaken te scheiden en die twee niet door elkaar te laten lopen, en door
zijn lange ervaring en zijn natuurlijke aanleg had hij dat tot zo’n
hoogtepunt opgevoerd, dat hij, op een virtuoze wijze, zichzelf zelfs
toestond het menselijke en ambtelijke met elkaar te vermengen. Hij
stond zich dat zelf toe, juist omdat hij voelde dat hij op elk moment
er weer voor kon kiezen de louter ambtelijke houding weer te hervatten
en hij de menselijke betrekking weer kon laten vallen. En hij deed het
allemaal even soepel, aangenaam, voorkomend en zelfs artistiek.
Tussen de zittingen in rookte hij, dronk zijn kopje thee, babbelde wat
over politiek, wat over algemene onderwerpen, een beetje over kaarten,
maar bovenal over benoemingen. Vermoeid, maar met het gevoel van een
virtuoos – dat van een van de eerste violisten, die in het orkest zijn
partij zorgvuldig had gespeeld – zou hij dan weer naar huis terugkeren
en merken dat zijn echtgenote en dochter ergens op visite waren, of
zelf bezoek hadden, en dat zijn zoon naar school was geweest, met zijn
huisonderwijzer zijn huiswerk had gemaakt en vast bezig was iets te
leren wat op hogescholen werd onderwezen.
Alles was zoals het moest zijn. Na het eten las Iwan Iljitsj soms, als
er geen bezoek was, een boek dat in die tijd veel besproken werd en ‘s
avonds zette hij zich aan het werk, dat wil zeggen, las zijn ambtelijke
stukken, vergeleek de getuigenverklaringen, en noteerde er de
desbetreffende paragrafen van het wetboek bij. Dat was saai noch
prettig. Het was saai als hij whist had kunnen spelen, maar als hij
toch niet kon spelen was het in iedere geval beter dan bij zijn
echtgenote zitten.
Het belangrijkste vermaak van Iwan Iljitsj was het geven van eenvoudige
etentjes, waar hij mannen en vrouwen uit betere kringen voor
uitnodigde, en zoals zijn huiskamer op alle andere huiskamers leek,
leken zijn gezellige etentje op alle andere etentjes.
Ze gaven zelfs een keer een bal. Iwan Iljitsj genoot ervan en alles
verliep goed, behalve dat het op een hevige ruzie met zijn echtgenote
over de taarten en het gebak uitliep. Praskowja Fjodorowna had haar
eigen plannen gemaakt, maar Iwan Iljitsj stond erop om alles van een
dure banketbakker te betrekken en bestelde teveel gebakjes, en de ruzie
ontstond omdat er een aantal gebakjes overbleef en de rekening van de
banketbakker vijfenveertig roebel bedroeg. Het was een hevige en
onaangename ruzie. Praskowja Fjodorowna noemde hem “een dwaas en een
idioot,” en hij greep naar zijn hoofd en maakte boos toespelingen op
een echtscheiding.
Maar het bal zelf was plezierig geweest. De beste mensen waren aanwezig
en Iwan Iljitsj had met Prinses Trufonowa gedanst, een zuster van de
bekende oprichter van de stichting “Draag elkanders lasten”.
De genoegens die met zijn werk hadden te maken, waren genoegens die uit
zijn eerzucht voortkwamen; zijn sociale genoegens kwamen uit ijdelheid
voort; maar het grootste genot van Iwan Iljitsj was het spelen van
whist. Hij erkende dat, wat er ook voor onaangenaams in zijn leven
gebeurde, het genoegen, dat al het andere in de schaduw zette, was om
met een aantal goede spelers - geen luidruchtige heren - een partij
whist te spelen, en vanzelfsprekend met zijn vieren (met vijf spelers
was het vervelend om te moeten wisselen, hoewel men deed alsof men het
niet erg vond), en een slim en ernstig spel te spelen (als de kaarten
het toelieten) en daarna het avondmaal te gebruiken en een glas wijn te
drinken. Na een partij whist, en met name als hij wat had gewonnen
(veel winnen was onaangenaam) ging Iwan Iljitsj in een uitstekend
humeur naar bed.
Zo leefden ze. Ze vormden een uitgelezen kennissenkring en werden door
belangrijke mensen en jongelui bezocht. Ten overstaan van hun kennissen
waren man, vrouw en dochter het volmaakt met elkaar eens, en
stilzwijgend en eensgezind werden sjofele vrienden en verwanten, die
met veel blijk van genegenheid de salon instroomden, op afstand
gehouden en verstoten. Al gauw drongen die sjofele vrienden zich niet
meer op en bleven in de kliek van de Golowins alleen mensen uit de
hoogste kringen over.
Jongemannen maakt Lisa het hof, en Petristjsjew en Dimitri Iwanowitsj,
een rechter van instructie, de zoon en enige erfgenaam van
Petristjsjew, begonnen zich zo voorkomend ten opzichte van haar te
gedragen, dat Iwan Iljitsj er al met Praskowja Fjodorowna over had
gesproken, en zij hadden overwogen of zij niet een feestje of een eigen
toneelvoorstelling voor hen zouden regelen. Zo leefden ze en alles liep
onveranderd voorspoedig, het leven verliep aangenaam.
IV
Ze waren allemaal gezond. Men kon het niet ongezond noemen als Iwan
Iljitsj af en toe vertelde dat hij een vreemde smaak in zijn mond en
een vervelend gevoel in zijn linkerzij had.
Maar dat vervelende gevoel nam toe en ontwikkelde zich, hoewel niet
echt pijnlijk, tot een drukkend gevoel in zijn zij, en ging gepaard met
een slecht humeur. En zijn prikkelbaarheid werd erger en erger en begon
het aangename, rustige en keurige leven, dat zij binnen de familie
Golowin leidden, te bederven. Ruzies tussen man en vrouw kwamen steeds
vaker voor en al gauw verdween de rust en de bekoring en zelfs het
fatsoen bleef maar nauwelijks gehandhaafd. Er werden weer vaak
scènes gemaakt en er bleven nog maar weinig eilandjes over,
waarop man en vrouw elkaar zonder uitbarsting tegen konden komen.
Praskowja Fjodorowna kon nu met recht zeggen dat haar man een moeilijk
karakter had. Met de haar eigen overdrijving, zei ze dat hij altijd al
een vreselijk karakter had gehad, en dat ze alle geduld nodig had gehad
om het daar twintig jaar lang mee uit te houden. Het was juist, dat de
ruzies nu door hem begonnen. Zijn driftbuien kwamen altijd net voor het
eten, vaak net als hij met zijn soep begon.
Soms zag hij dat er een stukje van een schaal of bord af was, dat het
eten niet deugde, dat zijn zoon zijn elleboog op tafel had, of dat het
haar van zijn dochter niet was opgemaakt zoals hij wilde, en van alles
gaf hij Praskowja Fjodorowna de schuld. In het begin ging ze ertegen in
en zei ze onaangename dingen tegen hem, maar een of twee keer werd hij
aan het begin van het eten zo razend, dat ze begreep dat het door een
of andere lichamelijke ontregeling, door het nuttigen van voedsel,
teweeg werd gebracht, en dus hield ze zichzelf in en gaf geen antwoord
meer, maar haastte zich alleen maar om zo snel mogelijk klaar te zijn
met het eten. Ze beschouwde deze zelfbeheersing als zeer lovenswaard.
Toen ze eenmaal tot de conclusie was gekomen, dat haar echtgenoot een
vreselijk karakter had en dat hij haar leven ellendig had gemaakt,
begon ze medelijden met zichzelf te krijgen, en hoe zieliger ze
zichzelf vond, hoe meer ze haar echtgenoot haatte. Ze begon hem dood te
wensen; en toch wilde ze niet dat hij dood zou gaan, omdat zijn salaris
dan op zou houden. En dat maakte haar jegens hem nog bitterder. Ze vond
zichzelf vreselijk ongelukkig, met name omdat zelfs zijn dood haar niet
zou kunnen redden, en hoewel ze haar ergernis verborgen hield, deed die
verborgen ergernis zijn prikkelbaarheid alleen maar toenemen.
Na een scène, waarin Iwan Iljitsj bijzonder onredelijk was en
waarna hij als verklaring had gegeven, dat hij inderdaad prikkelbaar
was, maar dat dat kwam omdat hij zich niet lekker voelde, zei ze, dat
als hij ziek was, dat daar dan naar gekeken moest worden en ze stond
erop dat hij naar een beroemde arts zou gaan.
Hij ging. Alles gebeurde zoals hij had verwacht en zoals het altijd
gaat. Eerst het gebruikelijke wachten en de gewichtigdoenerij, die de
dokter over zich had, en die hij zo goed kende (die leek namelijk op
zijn eigen houding op de rechtbank), het bekloppen en luisteren, en de
vragen die om antwoorden, die vanzelfsprekend en duidelijk overbodig
waren, vroegen en de veelbetekenende blik die te kennen gaf dat “als u
zich alleen maar aan ons overgeeft, dan zullen wij alles regelen – wij
weten precies hoe het moet, altijd voor iedereen op dezelfde manier.”
Het ging allemaal precies hetzelfde als bij de rechtbank. De dokter
gedroeg zich tegenover hem op dezelfde manier waarop hij zich tegenover
een beklaagde gedroeg.
De dokter zei dat zus en zo erop wees dat het zus en zo binnenin de
patiënt was, maar als het onderzoek van zus en zo dat niet
bevestigde, hij dan dit en dat moest veronderstellen. Als hij dit en
dat veronderstelde, dan….enzovoort. Voor Iwan Iljitsj was maar
één vraag belangrijk: was het ernstig of niet? Maar de
dokter negeerde die ongepaste vraag. Vanuit zijn standpunt ging het
daar niet om, want de echte vraag was of het ging om een wandelende
nier, een chronische slijmvliesontsteking of een blindedarmontsteking.
Volgens Iwan Iljitsj loste de dokter het probleem niet briljant op ten
gunste van de blinde darm, en hij hield het voorbehoud dat, als het
onderzoek van de urine nieuwe aanwijzingen zou geven, de zaak opnieuw
zou worden bekeken. Dat was allemaal precies hetzelfde, wat Iwan
Iljitsj zelf duizend keer even briljant had gedaan bij mensen die
terecht stonden. Even briljant vatte de dokter het samen, terwijl hij
triomfantelijk en zelfs guitig de beklaagde over zijn bril aankeek. Uit
de samenvatting van de dokter maakte Iwan Iljitsj op, dat het er niet
goed uitzag, maar dat dat voor de dokter, en misschien voor ieder
ander, niets uitmaakte, en dat het er voor hem niet goed uitzag.
En die conclusie trof hem pijnlijk, wekte in hem een groot
zelfmedelijden op en verbittering over de onverschilligheid van de
dokter, in zo’n belangrijke zaak.
Hij zei er niets over, maar stond op, legde het geld voor de dokter op
tafel, en merkte zuchtend op: “Wij zieken, stellen waarschijnlijk vaak
ongepaste vragen. Maar zeg me gewoon of deze ziekte gevaarlijk is of
niet….”
De dokter keek hem over zijn bril heen streng met één oog
aan, alsof hij wilde zeggen: “Gevangene, als u zich niet aan de aan u
gestelde vragen houdt, zal ik genoodzaakt zijn u uit de rechtbank te
laten verwijderen.”
“Ik heb u al verteld wat ik nodig en wenselijk acht. Het onderzoek kan
ons wellicht meer vertellen.” En de dokter boog.
Iwan Iljitsj ging langzaam naar buiten, nam troosteloos plaats in zijn
slee, en reed naar huis. De hele weg naar huis overdacht hij wat de
dokter had gezegd, en probeerde die ingewikkelde en duistere
wetenschappelijke termen in duidelijke taal te vertalen en er een
antwoord in te vinden op de vraag: “Sta ik er slecht voor? Sta ik er
erg slecht voor? Of is er vooralsnog niet veel aan de hand?” En het
scheen hem toe dat wat de dokter had gezegd, er op neerkwam, dat het er
heel beroerd uitzag.
Alles op straat leek somber. De koetsier, de huizen, de voorbijgangers
en de winkels waren naargeestig. Zijn pijn, die doffe, knagende pijn,
die geen moment ophield, leek door de onduidelijke opmerkingen van de
dokter een nieuwe en ernstigere betekenis te hebben gekregen. Iwan
Iljitsj keek er nu met een nieuw en benauwend gevoel naar.
Hij kwam thuis en begon zijn vrouw over het bezoek te vertellen. Ze
luisterde, maar midden in het verhaal kwam zijn dochter binnen, met een
hoed op, klaar om met haar moeder uit te gaan. Ze ging met tegenzin
zitten om naar dit vervelende verhaal te luisteren, maar ze hield het
niet lang uit, en ook haar moeder liet hem niet uitpraten.
“Nou, ik ben er heel blij om,” zei ze. Denk er nu aan om je medicijnen
op tijd in te nemen. Geef me het recept maar, dan zal ik Gerasim naar
de apotheek sturen.” En ze ging zich verder klaarmaken om uit te gaan.
Toen ze nog in de kamer was had Iwan Iljitsj nauwelijks tijd genomen om
adem te halen, maar toen ze was vertrokken zuchtte hij diep.
“Nou,” dacht hij, “misschien is het helemaal niet zo beroerd.”
Hij begon zijn medicijnen te slikken en volgde de voorschriften van de
dokter op, die na het urineonderzoek waren veranderd. Maar toen bleek
dat er een tegenstrijdigheid was tussen de aanwijzingen, die uit het
onderzoek van de urine waren getrokken, en de klachten die hij had. Het
bleek dat wat er gebeurde afweek van wat de dokter hem had verteld en
dat hij dus iets had vergeten, zich had vergist of iets voor hem
verborgen hield.
Dat kon hem echter niet verweten worden en Iwan Iljitsj bleef zijn
voorschriften onvoorwaardelijk opvolgen en aanvankelijk gaf hem dat een
zekere bemoediging.
Sinds zijn bezoek aan de dokter, was de voornaamste bezigheid van Iwan
Iljitsj het opvolgen van de voorschriften van de dokter betreffende de
hygiëne en het innemen van de medicijnen, en het letten op zijn
pijn en zijn uitscheidingsproducten. Zijn voornaamste belangstelling
richtte zich op de menselijke voeding en gezondheid. Als ze het in zijn
aanwezigheid over ziekten, overledenen, of genezingen hadden, met name
als de ziekte op de zijne leek, luisterde hij met een opwinding, die
hij probeerde te verbergen, stelde vragen, en betrok wat hij hoorde op
zijn eigen geval.
De pijn werd niet minder, maar Iwan Iljitsj deed pogingen om zichzelf
te dwingen te denken dat het beter met hem ging. En hij kon dat, zolang
hem niets opwond. Maar zo gauw hij iets onaangenaams met zijn
echtgenote had, een tegenslag op zijn werk ondervond, of slechte
kaarten met whisten kreeg, werd hij zich meteen weer van zijn ziekte
bewust. Vroeger had hij goed tegen zo’n tegenslagen gekund, in de hoop
dat hij wat er mis was gegaan meteen weer zou kunnen rechtzetten, dat
hij het weer te boven zou komen en zou slagen, of een groot slem zou
behalen. Maar nu bracht elke tegenslag hem van slag en maakte hem
wanhopig. Dan zei hij tegen zichzelf: “Zie je wel, net nu ik beter
begin te worden en het medicijn gaat werken, overkomt me zo’n vervloekt
ongeluk of zoiets vervelends….“ En dan werd hij razend op de
tegenvaller of op de mensen die de narigheid hadden veroorzaakt en die
hem wilden afmaken, want hij voelde dat juist die razernij hem de dood
injoeg, maar hij kon die niet bedwingen. Men zou denken dat het hem
duidelijk was dat zijn verbittering over de omstandigheden en de mensen
zijn ziekte verergerde, en dat hij daarom op onaangename gebeurtenissen
geen acht zou slaan. Maar hij trok juist de tegenovergestelde
conclusie: hij zei dat hij rust nodig had, hield alles wat die rust zou
kunnen verstoren in de gaten en werd boos bij de geringste verstoring
ervan. Zijn toestand verslechterde door het feit dat hij medische
boeken las en dokters raadpleegde. De verergering van zijn ziekte
verliep zo geleidelijk, dat hij zichzelf voor de gek kon houden door de
ene dag met de andere te vergelijken – zo gering was het verschil. Maar
als hij de dokters raadpleegde leek het hem alsof hij achteruitging, en
zelfs heel snel. En desondanks ging hij steeds maar door met het
raadplegen van dokters.
Die maand ging hij bij weer een andere beroemdheid op bezoek, die hem
vrijwel hetzelfde als de eerste vertelde, maar zijn vragen op een wat
andere manier formuleerde, en het onderhoud met deze beroemdheid
vergrootte alleen de twijfels en angsten van Iwan Iljitsj. Een vriend
van een van zijn vrienden, een hele goede dokter, stelde voor zijn
ziekte een heel andere diagnose dan de anderen, en hoewel hij genezing
voorspelde, brachten zijn vragen en vermoedens Iwan Iljitsj nog meer
van slag en vergrootte hij zijn twijfels. Een homeopaat stelde weer een
andere diagnose en schreef een medicijn voor dat Iwan Iljitsj een week
lang stiekem innam.
Maar na een week, zonder dat hij enige verbetering voelde en hij zijn
vertrouwen zowel in de behandeling van de vorige als die van deze had
verloren, werd hij nog moedelozer. Op zekere dag had een vrouwelijke
kennis het over een wonderen verrichtende icoon. Iwan Iljitsj betrapte
zich erop dat hij aandachtig luisterde en dat hij begon te geloven dat
het echt was gebeurd. Dit voorval verontruste hem. “Ben ik dan
geestelijk dermate zwak geworden?” vroeg hij zichzelf af. “Onzin! Het
is allemaal flauwekul. Ik moet niet toegeven aan zenuwen en angsten, ik
heb nu eenmaal een dokter gekozen en dan moet ik me strikt aan zijn
behandeling houden. Dat zal ik doen. Het staat nu allemaal vast. Ik zal
er niet meer over nadenken, maar zal tot de zomer de behandeling strikt
opvolgen, en dan zullen we wel zien. Vanaf nu moet het maar uit zijn
met dat getwijfel!” Dat was gemakkelijk gezegd, maar onmogelijk
uitvoerbaar. De pijn in zijn zij maakte hem neerslachtig, leek erger te
worden en was er nu bijna altijd, terwijl de smaak in zijn mond
vreemder en vreemder werd. Hij vond dat zijn adem walgelijk rook en hij
merkte dat zijn eetlust en kracht afnamen. Zelfbedrog was er niet meer
bij: iets verschrikkelijks, nieuws, en belangrijkers dan wat dan ook in
zijn leven tot dan toe, voltrok zich binnen in hem en alleen hij was
zich daarvan bewust. Zijn omgeving begreep het niet of wilde het niet
begrijpen, maar dacht dat alles in de wereld gewoon doorging. Dat
kwelde Iwan Iljitsj meer dan wat dan ook. Hij zag dat zijn huisgenoten,
met name zijn echtgenote en dochter, die in een volmaakte roes van
uitgaan verkeerden, er niets van begrepen en zich ergerden aan het feit
dat hij zo somber en veeleisend was, alsof ze hem dat kwalijk namen.
Hoewel ze het probeerden te verbergen, zag hij dat hij een blok aan hun
been was en dat zijn echtgenote tegenover zijn ziekte duidelijk een
houding had aangenomen waar ze, wat hij ook zei of deed, op geen enkele
manier van afweek.
Haar houding was als volgt: “Weet je.” placht zij tegen haar vrienden
te zeggen, “Iwan Iljitsj kan zich niet zoals andere mensen aan de
voorgeschreven behandeling houden. De ene dag neemt hij zijn druppels,
houdt hij zich strikt aan het dieet en gaat hij op tijd naar bed, maar
de volgende dag vergeet hij, tenzij ik erop let, opeens zijn
medicijnen, eet steur – wat verboden is – en blijft tot
één uur ‘s nachts kaart zitten spelen.”
“Kom nou, wanneer dan?” vroeg Iwan Iljitsj dan geërgerd.
“Dat was maar één keer bij Peter Iwanowitsj.”
“En gisteren dan bij Sjebek?”
“Nou, als ik niet was opgebleven, zou de pijn me toch wakker hebben
gehouden.”
“Dat kan wel waar zijn, maar zo wordt je nooit beter, maar maak je ons
alleen maar doodongelukkig.”
De houding van Praskowja Fjodorowna tegenover de ziekte van Iwan
Iljitsj, zoals ze die zowel bij anderen als bij hem toonde, drukte uit
dat het zijn eigen schuld was en dat het weer een pesterij was die hij
haar aandeed. Iwan Iljitsj voelde wel dat ze het niet zo bedoelde –
maar dat maakte het niet eenvoudiger voor hem.
Ook op de rechtbank merkte Iwan Iljitsj eenzelfde merkwaardige houding
tegenover hem op, of hij dacht dat hij het opmerkte. Het leek hem, dat
mensen soms vragend naar hem keken, als naar iemand wiens plek spoedig
vrij zou komen. Dan begonnen zijn vrienden opeens weer vriendelijk
gekheid met hem te maken over zijn neerslachtigheid, alsof dat
verschrikkelijke, afschuwelijke, en ongehoorde dat binnen in hem
plaatsvond, dat onophoudelijk aan hem knaagde en hem onweerstaanbaar
meetrok, een heel geschikt onderwerp voor grapjes was. Vooral die
geestige Schwartz met zijn levendigheid en savoir vivre, wat
hem aan
zichzelf tien jaar geleden herinnerde, ergerde hem.
Vrienden kwamen voor een partijtje en speelden whist met hem.
Ze bogen de nieuwe kaarten om ze soepel te maken, deelden, hij schikte
de ruiten in zijn hand en zag dat hij er zeven had. Zijn medespeler zei
“Geen troef” en steunde hem met twee kaarten ruiten. Wat kon hij nog
meer wensen? Eigenlijk zou het vrolijk en levendig moeten zijn. Ze
zouden groot slem halen. Maar opeens voelde Iwan Iljitsj die knagende
pijn, proefde die smaak in zijn mond, en het leek belachelijk dat hij
onder dergelijke omstandigheden blij zou zijn om groot slem te maken.
Hij keek naar zijn medespeler Michail Michajlowitsj, die met zijn
stevige hand op de tafel tikte en in plaats van de slagen op te pakken,
de kaarten netjes en overdreven naar Iwan Iljitsj toeschoof, zodat hij
het genoegen had ze bijeen te kunnen rapen, zonder moeite hoeven te
doen om zijn hand uit te strekken om ze te pakken. “Zou hij denken dat
ik te zwak ben om mijn arm uit te strekken?” dacht Iwan Iljitsj, en
terwijl hij vergat wat hij aan het doen was, overtroefde hij zijn
partner, waardoor hij het groot slem met drie slagen miste. Maar wat
het meest afschuwelijke van alles was, was dat hij zag hoe ontdaan
Michail Michajlowitsj daarover was en dat het hem zelf koud liet. Ze
zagen allemaal dat hij pijn had en zeiden: “We kunnen ophouden als je
moe bent. Ga even liggen.” Liggen? Nee, hij was helemaal niet moe, en
hij maakte de robber af. Iedereen was somber en zweeg.
Iwan Iljitsj voelde dat hij hen met zijn neerslachtigheid had
aangestoken, maar kon die niet verdrijven. Ze gingen eten en daarna
naar huis, en lieten Iwan Iljitsj achter, die besefte dat zijn leven
was vergiftigd, dat hij het leven van anderen aan het vergiftigen was,
en dat dit vergif niet zwakker werd, maar steeds dieper in zijn hele
bestaan doordrong. Met dat besef en behalve de angst ook nog de
lichamelijke pijn, moest hij naar bed, om vaak het grootste deel van de
nacht wakker te liggen. De volgende morgen moest hij dan weer op, zich
aankleden, naar de rechtbank gaan en praten en schrijven; of als hij
niet naar buiten ging moest hij die vierentwintig uur per dag, waarvan
ieder uur een kwelling was, thuis doorbrengen.
Zo moest hij dus helemaal alleen zijn leven aan de rand van de afgrond
doorbrengen, zonder iemand die hem begreep of medelijden met hem had.
V
Zo ging er een maand voorbij en nog een maand. Net voor nieuwjaar kwam
zijn zwager naar de stad en bleef bij hen logeren.
Iwan Iljitsj was naar de rechtbank en Praskowja Fjodorowna was gaan
winkelen. Toen Iwan Iljitsj thuiskwam en zijn studeerkamer binnenging
vond hij daar zijn zwager – een gezonde en opzichtige man – die zelf
zijn valies aan het uitpakken was. Hij hief zijn hoofd op toen hij de
voetstappen van Iwan Iljitsj hoorde en keek hem een ogenblik zwijgend
aan. Dat staren zei Iwan Iljitsj genoeg. Zijn zwager opende zijn mond
om een kreet van verrassing te slaken maar hield zich in, en dat
bevestigde alles.
“Ik ben veranderd, hè?”
“Ja, je bent veranderd.”
En daarna, hoe hij ook zijn best deed om het gesprek met zijn zwager
weer op zijn uiterlijk terug te brengen, had de laatste het er niet
meer over. Praskowja Fjodorowna kwam thuis en ging samen met haar broer
weer weg. Iwan Iljitsj deed de deur op slot en ging zichzelf in de
spiegel bekijken, eerst van voren en daarna van opzij. Hij pakte een
foto van zichzelf samen met zijn echtgenote en vergeleek het met wat
hij in de spiegel zag. De verandering was enorm. Vervolgens ontblootte
hij zijn arm tot de elleboog, keek ernaar, trok zijn mouw weeg omlaag,
ging op de rustbank zitten, en werd mateloos somber.
“Nee, nee, dit kan niet!” sprak hij tot zichzelf, en sprong op, liep
naar de tafel, pakte wat dossiers op en begon ze te lezen, maar kon het
niet. Hij maakte de deur weer open en liep naar de salon. De deur naar
de huiskamer was op slot. Op zijn tenen liep hij er naar toe en
luisterde.
“Nee, je overdrijft!” zei Praskowja Fjodorowna net.
“Overdrijven! Zie je het dan niet? Hoe zo, hij is ten dode
opgeschreven! Kijk maar naar zijn ogen – daar zit geen leven meer in.
Maar wat mankeert hij eigenlijk?”
“Niemand weet het. Nikolajewitsj [dat was een ander dokter] heeft iets
gezegd, maar ik weet niet wat. En Lesjketitskij [dat was een beroemde
specialist] zei helemaal het tegenovergestelde…..”
Iwan Iljitsj liep weg, ging naar zijn kamer, ging liggen en begon te
piekeren; “De nier, een wandelende nier.” Hij dacht opnieuw aan alles
wat de dokters hem hadden verteld, over hoe die nier losraakte en ging
wandelen. En hij probeerde zich voor te stellen hoe hij die nier kon
pakken en tegenhouden en hem weer kon vastmaken. Het leek hem dat daar
maar weinig voor nodig was. “Nee, ik ga weer naar Peter Iwanowitsj.”
[Dat was de vriend, die een vriend had die dokter was.] Hij belde,
bestelde een rijtuig, en maakte zich klaar om te vertrekken. “Waar ga
je heen, Jean?” vroeg zijn echtgenote met een bijzonder trieste en
buitengewoon vriendelijke blik.
Die buitengewone blik ergerde hem. Hij keek haar nors aan.
“Ik moet naar Peter Iwanowitsj.”
Hij reed naar Peter Iwanowitsj, en samen gingen ze naar zijn vriend die
dokter was. Hij was thuis en Iwan Iljitsj had een lang gesprek met hem.
Toen hij de anatomische en fysiologische bijzonderheden van wat er,
volgens de dokter, binnen in hem aan de hand was overzag, begreep hij
het helemaal.
Er zat iets, iets heel kleins, in de blindedarm.
Het zou allemaal weer goed komen. Alleen maar de energie van het ene
orgaan stimuleren en de werking van een ander remmen, en dan zou er een
resorptie plaats vinden en zou alles weer goed komen. Hij kwam vrij
laat voor het eten weer thuis, hij at, en praatte opgewekt, maar kon
zichzelf er een hele tijd niet toe zetten om naar zijn eigen kamer
terug te gaan om te werken, maar het besef dat hij iets verdrongen had
– iets belangrijks en persoonlijks dat weer zou opduiken als hij met
zijn werk klaar was – liet hem niet los. Toen hij met zijn werk klaar
was, herinnerde hij zich weer dat dat heel persoonlijke de gedachte aan
zijn blindedarm was.
Maar hij gaf zich er niet aan over, en liep naar de huiskamer om thee
te drinken. Er waren gasten, ook de onderzoeksrechter die een goede
partij voor zijn dochter was, en ze zaten te praten, speelde op de
piano, en zongen. Iwan Iljitsj bracht, zoals Praskowja Fjodorowna
opmerkte, die avond vrolijker dan normaal door, maar hij vergat geen
moment dat hij die belangrijke zaak van zijn blindedarm voor zich uit
had geschoven. Om elf uur wenste hij hen een goedenacht en ging naar
zijn slaapkamer. Sinds zijn ziekte had hij in een kleine kamer, naast
zijn studeerkamer geslapen. Hij kleedde zich uit en pakte een roman van
Zola, maar in plaats van dat hij ging lezen, begon hij na te denken, en
in zijn verbeelding vond die gewenste genezing van zijn blindedarm
plaats. Er voltrok zich een resorptie en een reiniging en een herstel
van de normale werking. “Ja, dat is het!” zei hij tegen zichzelf. “Je
hoeft alleen maar de natuur te helpen, dat is alles.” Hij dacht aan
zijn medicijn, stond op, nam het in, en ging weer op zijn rug liggen in
afwachting van de weldadige werking van het medicijn en hoe het de pijn
verminderde. “Ik hoef het alleen maar regelmatig in te nemen en moet
alle schadelijke invloeden vermijden. Ik voel me al beter, veel beter.”
Hij begon zijn zij te betasten: het aanraken was niet pijnlijk. “Zie je
wel, ik voel het echt niet. Het is al veel beter.” Hij deed het licht
uit en ging op zijn zij liggen…”De blindedarm is aan het genezen, er
lost iets op.” Opeens voelde hij de oude, bekende, doffe en knagende
pijn, hardnekkig en hevig. Daar was ook die bekende walgelijke smaak in
zijn mond. Zijn hart kromp ineen en hij voelde zich duizelig. “Mijn
God! Mijn God!” mompelde hij. “Alweer, alweer! Houdt het dan nooit op?”
En opeens zag hij de zaak in een heel ander licht. “Blindedarm! Nier!”
zei hij tegen zichzelf. “Het gaat niet om de blindedarm of de nier,
maar om leven en…dood! Ja, het leven was er en nu verdwijnt het,
verdwijnt en ik kan het niet stoppen. Ja. Waarom zou ik mezelf voor de
gek houden? Het is toch voor iedereen behalve voor mijzelf duidelijk
dat ik dood ben aan het gaan, en dat het slechts een kwestie van weken
is, dagen…het kan elk moment gebeuren. Eerst was het licht, maar nu is
het donker. Nu ben ik nog hier, straks ben ik daar! Waar?” Hij
huiverde, zijn adem stokte, en hij voelde alleen nog maar het bonzen
van zijn hart.
“Als ik er niet meer ben, wat zal er dan wel zijn? Er zal niets meer
zijn.
Waar zal ik dan zijn, als ik er niet meer ben? Is dat nou doodgaan?
Nee, ik wil het niet!” Hij sprong overeind en probeerde de kaars aan te
steken, viel er met trillende handen voor neer, liet de kaars en de
kandelaar op de grond vallen, en viel terug op zijn kussen.
“Wat heeft het voor zin? Het maakt allemaal niets uit,” zei hij tegen
zichzelf, terwijl hij met wijdopen ogen de duisternis in staarde.
“Dood. Ja, dood. En niemand weet het of wil het weten, en zij hebben
geen medelijden met me. Ze zitten nu te spelen.” (Hij hoorde door deur
heen het verre geluid van gezang en van de begeleiding.) “Het kan hen
allemaal niets schelen, maar zij zullen ook doodgaan! Dwazen! Ik eerst,
en zij later, maar bij hen zal het net zo gaan. En nu zijn ze
vrolijk…de mispunten!”
Hij stikte van woede, stond doodsangsten uit en voelde zich ondragelijk
ellendig.
“Het kan toch niet dat iedereen is gedoemd om deze gruwelijke
verschrikking door te maken!” Hij stond op.
“Er klopt iets niet. Ik moet rustig worden – ik moet alles vanaf het
begin nog een keer overdenken.” En opnieuw begon hij na te denken. “Ja,
het begin van mijn ziekte: ik stootte mijn zij, maar het ging die dag
verder heel goed en de volgende ook. Het deed een beetje pijn, daarna
wat meer. Ik bezocht de dokters, toen werd ik moedeloos en bang, meer
dokters, en ik gleed steeds dichter naar de afgrond. Mijn kracht nam af
en ik gleed er dichter en dichter naar toe, en nu ben ik uitgeteerd en
is er geen licht meer in mijn ogen. Ik denk aan de blindedarm – maar
dit is de dood! Ik denk aan het genezen van de blindedarm, en de hele
tijd ligt de dood op de loer! Kan het echt de dood zijn! Opnieuw werd
hij door ontzetting bevangen en hij snakte naar adem. Hij boog omlaag
en begon de lucifers te zoeken, waarbij hij met zijn elleboog tegen het
kastje naast het bed duwde.
Zo deed hij dat en het deed hem pijn, hij werd er razend om, duwde er
nog harder tegen en duwde het om. Buiten adem en wanhopig viel hij
terug op zijn rug, en verwachtte dat de dood meteen zou intreden.
Intussen stapten de bezoekers op. Praskowja Fjodorowna deed hen
uitgeleide. Ze hoorde iets vallen en kwam binnen.
“Wat is er gebeurd?”
“Niets. Ik heb het per ongeluk omgestoten.”
Ze liep naar buiten en kwam met een kaars terug. Hij lag daar hevig
hijgend, als iemand die de duizend meter heeft gelopen, en keek haar
met grote ogen en een starre blik aan.
“Wat is er, Jean?”
“Nie….ts. Ik heb het omgestoten.” (“Wat moet ik zeggen? Ze begrijpt het
toch niet,” dacht hij.)
Ze begreep hem inderdaad niet. Ze zette het nachtkastje weer overeind,
stak zijn kaars aan, en rende weg om nog een gast uit te zwaaien. Toen
ze terugkwam lag hij nog op zijn rug, en keek naar boven.
“Wat is er? Voel je je beroerder?”
“Ja.”
Ze schudde haar hoofd en ging zitten.
“Weet je, Jean, ik denk dat we moeten vragen of Lesjketitskij komt en
hier naar je wil kijken.” Dat wil zeggen, een beroemde dokter laten
komen, zonder op de kosten te letten. Hij glimlachte kwaadaardig en
zei: “Nee.” Zij bleef nog even, boog zich naar hem toe en kuste zijn
voorhoofd.
Terwijl ze hem kuste, haatte hij haar uit de grond van zijn hart en hij
moest moeite doen om haar niet weg te duwen.
“Welterusten. God geve je dat je slaapt.”
“Ja.”
VI
Iwan Iljitsj begreep dat hij dood aan het gaan was, en hij verkeerde in
een voortdurende wanhoop. Diep in zijn hart wist hij dat hij stervende
was, maar het was niet alleen dat hij niet aan de gedachte was gewend,
maar hij dacht er gewoon niet aan en kon het niet vatten.
Het syllogisme dat hij uit de logica van Kiesewetter had geleerd:
“Gaius is een mens, mensen zijn sterfelijk, dus Gaius is sterfelijk,”
had hem altijd juist geleken als het over Gaius ging, maar zeker niet
als het hem zelf betrof. Dat Gaius – een abstracte mens – sterfelijk
was, was volstrekt juist, maar hij was Gaius niet, hij was geen
abstracte mens, maar een schepsel dat volstrekt, volstrekt apart van
alle andere stond.
Hij was die kleine Wanja geweest, met een mamma en een papa, met Mitja
en Wolodja, met zijn speelgoed, een koetsier en een kindermeisje, later
met Katinka en met alle vreugden, verdriet en genoegens van de
kindertijd, de jongensjaren en de jeugd. Wat wist Gaius van de geur van
die gestreepte leren bal, waar Wanja zo dol op was geweest? Had Gaius
de hand van zijn moeder op zo’n manier gekust, en had het zijden van
haar jurk net zo voor Gaius geruist? Was hij net zo in opstand gekomen
op school als het gebak niet goed was? Was Gaius net zo verliefd
geweest? Kon Gaius net zo een zitting leiden als hij?” Gaius was echt
sterfelijk, en het was juist dat hij dood zou gaan; maar voor mij,
kleine Wanja, Iwan Iljitsj, met al mijn gedachten en gevoelens, is het
heel wat anders. Het kan niet waar zijn dat ik dood moet gaan. Dat zou
te gruwelijk zijn.”
Zo voelde hij het.
“Als ik net zo als Gaius dood zou moeten gaan, zou ik geweten hebben
dat het zo was. Dan zou een innerlijke stem me dat hebben verteld, maar
er was in mij, niets wat daar op leek en ik en al mijn vrienden
voelden, dat ons geval heel anders was dan dat van Gaius, en nu is het
er toch!” zei hij tegen zichzelf. “Het kan niet waar zijn. Het is
onmogelijk! Maar hier is het toch. Hoe kan dat? Hoe kan iemand dat nou
begrijpen?
Hij kon het niet begrijpen, en probeerde zijn onware, onjuiste en
ziekelijke gedachten te verdrijven en ze te vervangen door juiste en
gezonde gedachten. Maar die gedachte, en niet die gedachte alleen, maar
de werkelijkheid zelf, leek zich onontkoombaar aan hem op te dringen.
En om die gedachte te verjagen riep hij telkens weer andere gedachten
op, in de hoop er enige troost in te vinden. Hij probeerde terug te
grijpen naar vroegere gedachtestromen, die ooit de gedachte aan de dood
voor hem hadden afgeschermd. Maar het is raar om te zeggen, dat alles
wat voorheen zijn besef van de dood afgesloten, verborgen en vernietigd
had, die uitwerking niet langer had. Iwan Iljitsj bracht nu zijn meeste
tijd door met het pogen die oude gedachtestroom weer te herstellen. Hij
placht tegen zichzelf te zeggen: “Ik zal mijn werk weer oppakken – per
slot van rekening was dat mijn leven.” Hij zou alle twijfels uitbannen
en weer naar de rechtbank gaan, het gesprek met zijn collega’s weer
hervatten, en gaan zitten zoals hij gewend was. Hij zou weer een
bedachtzame blik over de menigte laten gaan en met zijn beide
vermagerde armen op de armleuningen van zijn eikenhouten stoel leunen;
en zoals gewoonlijk zou hij voorovergebogen naar een collega en zijn
papieren naar zich toeschuivend, fluisterend gegevens met hem
uitwisselen, en met een plotselinge oogopslag zou hij rechtop bepaalde
woorden uitspreken en de zitting openen. Maar de pijn in zijn zij zou,
zonder rekening te houden met het stadium dat de zitting zou hebben
bereikt, zijn eigen knagende werk weer beginnen. Iwan Iljitsj zou zijn
aandacht erop richten en zou vruchteloos proberen de gedachte eraan te
verdrijven. De pijn zou komen, zou voor hem komen staan en zou hem
aankijken en hij zou verstijven en het licht in zijn ogen zou doven, en
hij zou zich opnieuw gaan afvragen of alleen Het waar was. En zijn
collega’s en ondergeschikten zouden met verbazing en droefheid
toekijken hoe hij, de briljante en scherpzinnige rechter in verwarring
raakte en fouten maakte. Hij zou het van zich afschudden, zou zich
proberen te vermannen, er hoe dan ook in slagen de zitting tot een goed
einde te brengen, en hij zou naar huis terugkeren met het droevige
besef dat zijn juridische arbeid niet, zoals voorheen voor hem konden
verbergen, wat hij wilde dat het verborg, en dat het hem niet van Het
kon verlossen. En het ergste van alles was dat Het de aandacht naar
zichzelf toe trok, niet om hem iets te laten doen, maar alleen om hem
naar Het te laten kijken, zodat hij Het recht in de ogen zou kijken:
kijk ernaar, zonder iets te doen, en lijdt onuitsprekelijk.
En om zich zulke toestanden te besparen zocht Iwan Iljitsj naar nieuwe
troost – nieuwe schermen – en hij vond nieuwe schermen, die hem een
tijd lang leken te behoeden, maar dan vielen ze opeens in stukken of
liever, ze werden doorzichtig, alsof Het ze doorboorden en er was niets
dat Het kon verhullen.
Deze laatste dagen placht hij naar de door hem zelf ingerichte salon te
gaan – die salon waarin hij was gevallen en waarvoor hij (hoe wrang en
belachelijk) zijn leven had opgeofferd – want hij wist dat zijn ziekte
door die kneuzing was ontstaan.
Hij ging dan naar binnen en zag dat iets de gepolijste tafel had
bekrast. Hij zou dan naar de oorzaak van die kras zoeken en vinden dat
het de verbogen koperen versiering van een album was. Hij zou het
kostbare album, dat hij met liefde had samengesteld, oppakken en zou
zich geërgerd voelen over de slordigheid van zijn dochter en haar
vrienden – want hier en daar zat een scheur en een paar foto’s zaten
ondersteboven. Hij zou het zorgvuldig in orde brengen en de versiering
weer rechtbuigen. Dan zou de gedachte in hem opkomen om al die dingen
in een andere hoek van de kamer, bij de planten, neer te zetten. Hij
zou de bediende roepen, maar zijn dochter of zijn echtgenote zou hem
helpen. Ze zouden het niet met elkaar eens zijn en zijn echtgenote zou
hem tegenspreken, en hij zou ruzie maken en boos worden. Maar dat was
goed, want dan zou hij niet aan het denken. Het was
onzichtbaar.
Maar als hij dan zelf iets zou verplaatsen, zou zijn echtgenote zeggen:
“Laat de bedienden dat nou doen. Je zult jezelf weer pijn doen.” En dan
zou Het door het scherm heen flitsen en hij zou Het zien.
Het was maar een flits, en hij hoopte dat het zou verdwijnen,
maar
onwillekeurig zou hij aandacht aan zijn zij besteden. “Het zit
er als
tevoren, en knaagt precies hetzelfde!” En hij kon het niet
langer
vergeten, maar kon het stiekem vanachter de bloemen naar hem zien
kijken.
“Waar dient dit allemaal toe?”
“Het is echt zo! Ik heb mijn leven verloren door dat gordijn, alsof het
bij de bestorming van een vesting was. Is dat mogelijk? Wat vreselijk
en wat stom. Het kan niet waar zijn! Het kan niet, maar het is zo.”
Hij zou dan weer naar zijn studeervertrek gaan, zich neerleggen en weer
alleen met het zijn: oog in oog met het. Hij kon niets
meer doen zonder het, behalve ernaar kijken en huiveren.
VII
Het is onmogelijk te zeggen hoe het gebeurde, omdat het ongemerkt
stapje voor stapje kwam, maar in de derde maand van de ziekte van Iwan
Iljitsj, merkten zijn echtgenote, zijn dochter, zijn zoon, zijn
kennissen, de dokters, de bedienden, en vooral hijzelf, dat het enige
waar andere personen belang in stelden was of hij spoedig zijn functie
zou neerleggen, en of hij uiteindelijk de levenden zou verlossen van
het ongemak vanwege zijn aanwezigheid en wanneer hijzelf uit zijn
lijden verlost zou worden.
Hij sliep steeds minder. Ze gaven hem opium en morfine-injecties, maar
dat gaf hem geen verlichting. De doffe zwaarmoedigheid, die hij dan in
een slaapdronken toestand ondervond, gaf hem aanvankelijk enige
verlichting, maar alleen als iets nieuws, maar later werd dat net zo
kwellend als de pijn zelf, of zelfs nog erger. Er werd speciaal eten
voor hem klaargemaakt, volgens voorschrift van de dokters, maar al dat
eten werd voor hem steeds onsmakelijker en walgelijker.
Voor zijn stoelgang moesten ook speciale voorzieningen worden
getroffen, en het was elke keer een kwelling voor hem – een kwelling
door de viezigheid, de onbetamelijkheid, en de geur, en door het besef
dat er iemand anders voor nodig was.
Maar juist door deze onaangename bedoening, vond Iwan Iljitsj troost.
Gerasim, de jonge hulp van de hoofdbediende, kwam altijd binnen om
dingen weg te ruimen. Gerasim was een heldere, frisse boerenjongen,
stevig geworden door het stadse voedsel en altijd opgewekt en stralend.
In het begin was Iwan Iljitsj verrast als hij hem zag, in zijn schone
Russische boerenkleding, bezig met die weerzinwekkende taak. Op een
keer toen hij van de po opstond en te zwak was om zijn broek op te
hijsen, plofte hij in een zachte leunstoel neer en keek met afgrijzen
naar zijn blote, krachteloze dijen, waar de spieren zo scherp
afgetekend op lagen.
Gerasim kwam met lichte tred binnen, terwijl zijn zware laarzen een
aangename geur van teer en frisse winterlucht verspreidden, met een
schone Hessisch voorschoot aan en de mouwen van zijn bedrukte hes
opgerold over zijn sterke blote jonge armen. Hij keek, uit respect voor
zijn gevoelens, niet naar zijn zieke meester, hield de levensvreugde
die van zijn gezicht afstraalde in, en liep naar de po.
“Gerasim!” zei Iwan Iljitsj met een zwakke stem.
“Gerasim schrok, duidelijk bang dat hij iets verkeerd had gedaan, en
draaide met een snelle beweging zijn frisse, aardige, eenvoudige
gezicht, dat net de eerste tekenen van baardgroei vertoonde, naar de
zieke toe.
“Ja, meneer?”
“Dat moet wel heel onaangenaam voor je zijn. Je moet het me vergeven.
Ik kan niet anders.”
“O, waarom, meneer,” en de ogen van Gerasim straalden en hij liet zijn
glinsterende witte tanden zien, “het is maar een kleine moeite. U bent
ziek, meneer.”
En zijn vaardige en sterke handen verrichtten hun normale taak en met
lichte tred verliet hij de kamer. Vijf minuten later kwam hij even
lichtvoetig weer terug.
Iwan Iljitsj zat nog steeds in dezelfde houding in de leunstoel.
“Gerasim,” zei hij, toen de laatste de omgespoelde po weer had
neergezet. “Kom alsjeblieft hier en help me.” Gerasim liep naar hem
toe. “Til me op. Het is moeilijk voor me om overeind te komen en ik heb
Dimitri weggestuurd.”
Gerasim liep op hem toe, greep zijn meester stevig maar voorzichtig met
zijn sterke armen vast, op dezelfde manier als hij liep – tilde hem op,
ondersteunde hem met één hand, trok met de andere zijn
broek omhoog en wilde hem weer neerzetten, maar Iwan Iljitsj vroeg of
hij hem op de sofa wilde leggen. Gerasim leidde hem, zonder enige
inspanning en zonder duidelijke druk – hij tilde hem bijna op – naar de
sofa en liet hem erop plaats nemen.
“Dank je wel. Wat doe je dat allemaal gemakkelijk en goed!”
Gerasim glimlachte opnieuw en draaide zich om, om de kamer te verlaten.
Maar Iwan Iljitsj vond zo’n troost in zijn aanwezigheid, dat hij hem
niet wilde laten gaan.
“Nog één ding, schuif alsjeblieft die stoel eens bij.
Nee, die andere, onder mijn voeten. Het is prettiger voor me als mijn
benen omhoog liggen.”
Gerasim bracht de stoel, zette hem voorzichtig neer, en legde de benen
van Iwan Iljitsj erop neer. Het leek dat Iwan Iljitsj zich beter voelde
toen Gerasim zijn benen optilde.
“Het is beter als mijn benen nog wat hoger liggen,” zei hij. “Leg dat
kussen er maar onder.” Gerasim deed het. Hij tilde de benen weer op en
legde ze op het kussen, en weer voelde Iwan Iljitsj zich beter toen
Gerasim zijn benen vasthield. Toen hij ze neerlegde, verbeeldde Iwan
Iljitsj zich dat hij zich weer slechter voelde.
“Gerasim,” zei hij, “Ben je nu druk?”
“Helemaal niet, meneer,” zei Gerasim, die van het stadsvolk had geleerd
hoe hij netjes moest praten.
“Wat moet je dan nog doen?”
“Wat ik nog moet doen? Ik heb alles al gedaan behalve de houtblokken
hakken voor morgen.”
“Houdt mijn benen dan een beetje hoger, als je kunt.”
“Natuurlijk kan ik dat. Waarom niet?” en Gerasim tilde de benen van
zijn meester wat hoger en Iwan Iljitsj dacht dat hij in die houding
helemaal geen pijn meer voelde.
“En hoe moet dat nou met die houtblokken?”
“Maakt u zich daar geen zorgen over, meneer. Ik heb tijd genoeg.”
Iwan Iljitsj zei tegen Gerasim dat hij moest gaan zitten en zijn benen
omhoog moest houden en begon tegen hem te praten. En hoe vreemd het ook
was, het leek hem alsof hij zich beter voelde zolang Gerasim zijn benen
omhoog hield. Daarna riep Iwan Iljitsj af en toe Gerasim bij zich om
zijn benen op zijn schouders te mogen leggen en hij hield ervan om dan
wat met hem te praten.
Gerasim deed het allemaal even gemakkelijk, graag, eenvoudig, en met
een opgewektheid die Iwan Iljitsj ontroerde. Gezondheid, kracht en
levensvreugde bij andere mensen ondervond hij als beledigend, maar de
kracht en levensvreugde van Gerasim vernederden hem niet, maar
kalmeerden hem.
Wat Iwan Iljitsj het meest kwelde was het bedrog, de leugen, die zij om
een of andere reden allemaal aanvaardden, dat hij niet stervende maar
gewoon ziek was, en dat hij zich alleen maar rustig hoefde te houden en
de behandeling moest ondergaan en dan zou er iets goeds uit voortkomen.
Hij wist echter dat al dat doen, dat zij wilden, niets zou opleveren,
alleen maar een nog meer kwellend lijden en de dood. Dat bedrog
martelde hem – dat niet willen toegeven wat zij allemaal wisten en wat
hij wist, dat tegen hem willen liegen over zijn vreselijke toestand, en
hem aan die leugen willen en dwingen deel te laten nemen. Die leugens -
leugens die op de vooravond van zijn dood voor hem opgevoerd werden en
die bestemd waren om deze ontzagwekkende en plechtige daad terug te
brengen naar het niveau van hun bezoekjes, hun gordijnen en hun steur
bij het diner – waren een gruwelijke foltering voor Iwan Iljitsj. En
vreemd genoeg had het vaak, als zij bij hem met hun kluchten bezig
bleven, maar een haarbreed gescheeld of hij had tegen ze geroepen: “Hou
op met liegen! Jullie weten en ik weet dat ik dood ga. Hou er dan op
zijn minst mee op met erover te liegen!” Maar hij had nooit het lef
gehad om dat te doen. Het vreselijke en afschrikwekkende gebeuren van
zijn doodgaan was, dat kon hij zien, door zijn omgeving tot het niveau
van een toevallig, onaangenaam en onwelvoeglijk voorval teruggebracht
(alsof iemand, die een onaangename lucht verspreidt, een salon
binnenkomt) en dat werd juist uit dat fatsoen, dat hij zijn leven lang
had hooggehouden, allemaal gedaan.
Hij zag dat niemand met hem had te doen, omdat niemand zijn toestand
zelfs maar wilde begrijpen. Alleen Gerasim merkte dat en voelde met hem
mee.
En dus voelde Iwan Iljitsj zich alleen bij hem op zijn gemak. Hij vond
het prettig als Gerasim zijn benen vasthield (soms de hele nacht) en
weigerde naar bed te gaan, en zei: “Maakt u zich geen zorgen, Iwan
Iljitsj. Ik kan straks nog genoeg slapen,” of als hij opeens
vertrouwelijk werd, riep hij uit: “Als je niet ziek zou zijn, was er
wel wat anders, maar omdat het nu eenmaal zo is, waarom zou ik dan niet
een beetje mijn best doen?” Alleen Gerasim loog niet; uit alles bleek
dat alleen hij begreep wat er aan de hand was en dat hij het niet nodig
vond het te verbloemen, maar gewoon met zijn uitgeteerde en verzwakte
meester te doen had. Op een keer toen Iwan Iljitsj hem wegstuurde, zei
hij zelfs onomwonden: “We moeten allemaal doodgaan, dus waarom zou ik
niet een beetje mijn best doen?” waarmee hij wilde zeggen dat hij zijn
werk niet bezwaarlijk vond, omdat hij het voor een stervende man deed
en hoopte dat als zijn tijd zou komen iemand dat voor hem zou doen.
Afgezien van dat liegen, of juist door het liegen, was wat Iwan Iljitsj
het meest kwelde, het feit dat niemand medelijden met hem had, zoals
hij zou willen dat ze medelijden met hem hadden.
Op bepaalde ogenblikken, als zijn lijden lang doorgegaan was, was het
liefste wat hij wilde (hoewel hij zich zou schamen om het toe te geven)
dat iemand medelijden met hem zou hebben zoals men medelijden met een
ziek kind heeft. Hij verlangde ernaar vertroeteld en getroost te
worden. Hij wist dat hij een belangrijk ambtenaar was, dat hij een
grijzende baard had, en dat wat hij graag zou willen daarom onmogelijk
was, maar toch verlangde hij ernaar. En in de houding van Gerasim ten
opzichte van hem, zat iets dat leek op wat hij wilde, en dus troostte
die houding hem. Iwan Iljitsj wilde huilen, wilde vertroeteld worden en
wilde dat er om hem gehuild zou worden, en toen kwam zijn collega
Sjebek op bezoek, en in plaats van dat hij huilde en werd vertroeteld,
nam Iwan Iljitsj een ernstige, strenge en diepzinnige houding aan, gaf
uit macht der gewoonte zijn mening over een besluit van het hof van
cassatie en hield koppig vast aan die mening. Deze onoprechtheid rondom
en in hem zelf vergiftigde zijn laatste dagen meer dan wat dan ook.
VIII
Het was ochtend. Hij wist dat het ochtend was omdat Gerasim weg was
gegaan en Peter, de bediende, die was gekomen om de kaarsen te doven,
schoof een van de gordijnen open, en begon rustig op te ruimen. Of het
nu ochtend of avond, vrijdag of zondag was, het maakte geen verschil,
het was allemaal precies hetzelfde: de knagende, onverminderde,
folterende pijn, die geen moment ophield, het besef dat het leven
onverbiddelijk ten einde liep, maar nog niet was uitgedoofd, de
nadering van die altijd gevreesde en gehate Dood, wat de enige
werkelijkheid was, en altijd dezelfde leugen. Wat betekenen in zo’n
geval nog dagen, weken en uren?
“Wilt u een kopje thee, meneer?”
“Hij wil dat het allemaal gewoon doorgaat, en hij denkt dat de hoge
heren ‘s morgens thee drinken,” dacht Iwan Iljitsj, en zei alleen maar
“Nee.”
“Wilt u niet liever op de sofa liggen, meneer?”
“Hij wil de kamer opruimen en ik zit in de weg. Ik ben een
verontreiniging en verstoring,” dacht hij en zei alleen maar: “Nee,
laat me alleen.”
De bediende bleef druk in de weer. Iwan Iljitsj strekte zijn hand uit.
Peter kwam en wilde hem helpen.
“Wat is er, meneer?”
“Mijn horloge.”
Peter pakte het horloge dat vlakbij lag en gaf het aan zijn meester.
“Half negen. Zijn ze al op?”
“Nee meneer, alleen Wladimir Iwanowitsj” (de zoon) “die is al naar
school. Praskowja Fjodorowna heeft me verzocht haar te wekken, als u om
haar zou vragen. Zal ik dat doen?”
“Nee, het hoeft niet.” “Misschien kan ik beter een kopje thee nemen,”
dacht hij, en voegde er luid aan toe: “Ja, breng maar wat thee.”
Peter liep naar de deur, maar Iwan Iljitsj was bang om alleen gelaten
te worden. “Hoe kan ik hem hier houden? O ja, mijn medicijn.” “Peter,
geef me mijn medicijn.” “Waarom niet? Misschien doet het toch nog
iets.” Hij nam een lepel vol en slikte het in. “Nee, het helpt toch
niet. Het is allemaal flauwekul, allemaal bedrog,” besloot hij zodra
hij de bekende, walgelijke, en hopeloze smaak proefde. “Nee, ik kan er
niet langer in geloven. Maar de pijn, waarom die pijn? Als die maar
voor even op zou houden!” En hij kermde. Peter draaide zich naar hem
toe. “Het is goed. Ga maar en haal wat thee voor me.”
Peter liep de kamer uit. Alleen gelaten kermde Iwan Iljitsj niet zozeer
van de pijn, hoe vreselijk die ook was, maar van angst.
Eeuwig en altijd hetzelfde, altijd die eindeloze dagen en nachten.
Kwam het maar wat sneller! Maar wat moet er dan sneller komen?
Dood, duisternis?...Nee, nee! alles liever dan dood!
Toen Peter met de thee op een blad terugkwam, staarde Iwan Iljitsj hem
even verbijsterd aan, niet begrijpend wie en wat hij was.
Peter raakte in verwarring bij die blik en zijn verwarring bracht Iwan
Iljitsj weer tot zichzelf.
“O, thee! Goed, zet maar neer. Help me alleen even met wassen en doe me
een schoon hemd aan.”
En Iwan Iljitsj begon zich te wassen. Met rustpauzes waste hij zijn
handen en toen zijn gezicht, poetste zijn tanden, kamde zijn haren en
keek in de spiegel. Hij was verbijsterd door wat hij zag, met name door
de futloze manier waarop zijn haar aan zijn bleke voorhoofd plakte.
Toen zijn hemd werd verschoond wist hij dat hij nog meer zou schrikken
bij het zien van zijn lijf, dus vermeed hij er naar te kijken.
Eindelijk was hij klaar. Hij trok zijn kamerjas aan, wikkelde zich in
een reisdeken, en ging in de leunstoel zitten om zijn thee te drinken.
Even voelde hij zich opgefrist, maar zodra hij de thee begon te drinken
proefde hij weer diezelfde smaak, en de pijn kwam ook weer terug. Hij
dronk het kopje met moeite leeg, ging met gestrekte benen liggen en
stuurde Peter weg.
Altijd weer hetzelfde. Het ene moment gloeit een sprankje hoop op, dan
woedt er weer een zee van wanhoop, en altijd pijn; altijd pijn, altijd
wanhoop, en altijd hetzelfde. Als hij alleen was, had hij een
vreselijke en kwellende neiging om iemand te roepen, maar hij wist van
tevoren dat de aanwezigheid van anderen het alleen maar erger zou
maken. “Nog maar wat morfine – om niet meer na te hoeven denken. Ik zal
hem, de dokter, vertellen dat hij iets anders moet bedenken. Het is
onmogelijk, onmogelijk om zo door te gaan.”
Uur na uur ging zo voorbij. Maar dan wordt er aan de voordeur gebeld.
Misschien is het de dokter? Hij is het. Hij komt binnen, fris,
hartelijk, dik, en opgewekt, met die uitdrukking op zijn gezicht die
lijkt te zeggen: “Wat nou, u bent kennelijk ergens over in paniek, maar
we zullen het meteen allemaal voor u regelen!” De dokter weet wel dat
deze uitdrukking hier niet op zijn plaats is, maar hij heeft die voor
eens en altijd aangeleerd en kan die niet meer afzetten – net als
iemand die ‘s morgens een rokkostuum heeft aangetrokken om een ronde
visites af te leggen.
De dokter wrijft stevig en geruststellend in zijn handen.
“Brr! Wat is het koud! Er is zo’n felle vorst; mag ik me even warmen?”
zegt hij, alsof het alleen en kwestie van wachten is tot hij is
opgewarmd, en dat hij dan alles in orde zal kunnen brengen.
“Nou dan, hoe is het met u?”
Iwan Iljitsj voelt dat de dokter eigenlijk zou willen zeggen: “Hoe
staan onze zaken?” maar zelfs hij begrijpt dat dat niet kan, en in
plaats daarvan zegt hij: “Wat voor nacht hebt u gehad?” Iwan Iljitsj
kijkt hem aan alsof hij wil zeggen: “Schaamt u zich dan echt nooit als
u liegt?” Maar de dokter wil die vraag niet begrijpen en Iwan Iljitsj
zegt: “Even beroerd als altijd. De pijn is nooit weg en nooit minder.
Als er maar iets…..”
“Ja, zo zijn jullie zieken altijd…Hè, ik denk dat ik nu warm
genoeg ben. Zelfs Praskowja Fjodorowna, die zo precies is, zou niets op
mijn temperatuur kunnen aanmerken. Kijk, nu kan ik goedemorgen zeggen,”
en de dokter drukt zijn patiënt de hand.
Dan werpt hij de speelsheid van zich af, en begint met zijn meest
ernstige gezicht de patiënt te onderzoeken, voelt zijn pols en
neemt zijn temperatuur op, en dan begint het kloppen en luisteren.
Iwan Iljitsj weet heel goed en zeker dat het allemaal onzin en puur
bedrog is, maar als de dokter zich, op zijn knieën, over hem heen
buigt, zijn oor eerst hoger en dan lager op hem plaatst, en boven hem,
met een veelbetekenende blik, een aantal gymnastische toeren uithaalt,
geeft Iwan Iljitsj zich aan alles over, zoals hij zich over placht te
geven aan de redevoeringen van de advocaten, hoewel hij heel goed wist
dat ze allemaal logen en waarom ze logen.
De dokter is, geknield op de sofa, hem nog steeds aan het bekloppen als
de zijden japon van Praskowja Fjodorowna bij de deur ruist en hoorbaar
geeft ze Peter een uitbrander omdat hij haar niet heeft laten weten dat
de dokter is aangekomen.
Iwan Iljitsj kijkt naar haar, neemt aandachtig haar op, en verzet zich
tegen haar blankheid, haar molligheid, het schone van haar handen en
haar nek, de glans van haar haren en de fonkeling in haar levendige
ogen. Hij haat haar tot in de grond van zijn hart. En de golf van haat
voor haar die hem overspoelt, zorgt ervoor dat hij onder haar aanraking
lijdt.
Haar houding tegenover hem en zijn ziekte is nog steeds dezelfde.
Net zoals de dokter een bepaalde houding jegens zijn patiënt had
aangenomen, waar hij niet vanaf kon, had zij een houding jegens hem
aangenomen – dat hij iets niet deed wat hij wel zou moeten doen en dat
het zijn eigen schuld was, en dat ze hem dat liefdevol moest verwijten
– en nu kon ze die houding niet meer veranderen.
“Weet u, hij luistert niet naar me en neemt zijn medicijn niet op tijd
in. En bovendien ligt hij in een houding die ongetwijfeld slecht voor
hem is – met zijn benen omhoog.”
Ze beschreef hoe hij Gerasim zijn benen omhoog liet houden.
De dokter glimlachte met een smalende minzaamheid waarmee hij wilde
zeggen: “Wat nu? Die zieke mensen hebben van die rare hersenschimmen,
maar dat moeten we hen niet kwalijk nemen.”
Toen de dokter met zijn onderzoek klaar was, keek hij op zijn horloge
en toen vertelde Praskowja Fjodorowna aan Iwan Iljitsj dat alles
natuurlijk volgens zijn wens zou gaan, maar dat zij voor vandaag een
beroemde specialist had uitgenodigd die hem zou onderzoeken en overleg
met Michael Danilowitsj (hun huisarts) zou hebben.
“Maak alsjeblieft geen bezwaar. Ik doe dat voor mijzelf,” zei ze
ironisch, waarmee ze het liet lijken alsof ze het allemaal voor hem
deed en dat ze dat alleen maar zei om hem niet het recht te laten om te
weigeren. Hij zweeg, en fronste zijn voorhoofd. Hij voelde dat hij zo
ingesponnen en verwikkeld was in een kluwen van leugens, dat er
nauwelijks iets viel te ontrafelen. Alles wat ze voor hem deed was
helemaal voor haarzelf, en ze vertelde hem dat wat ze voor zichzelf
deed, dat ze dat inderdaad voor zichzelf deed, alsof dat zo
onwaarschijnlijk was, dat hij daaruit wel het tegenovergestelde moest
concluderen.
Om half twaalf arriveerde de beroemde specialist. En weer begon het
kloppen en het veelbetekende overleg in zijn aanwezigheid en in een
andere kamer, over de nieren en de blindedarm, en de vragen en
antwoorden, met diezelfde schijn van gewichtigheid, zodat opnieuw, in
plaats van de echte vraag over leven en dood, die hij nu alleen voor
ogen had, de vraag oprees over de nier en de blindedarm, die zich niet
gedroegen zoals ze zich moesten gedragen en die nu door Michael
Danilovitsj en de specialist vastgemaakt zouden worden en gedwongen
zouden worden zich te beteren.
De beroemde specialist nam met een ernstige maar niet hopeloze blik
afscheid van hem, en als antwoord op de bescheiden vraag die Iwan
Iljitsj hem, met van angst en hoop glinsterende ogen, had gesteld,
namelijk of er een kans op herstel bestond, zei hij dat hij er niet
voor kon instaan, maar dat het mogelijk was. De hoopvolle blik waarmee
Iwan Iljitsj de dokter zag vertrekken was zo deerniswekkend dat
Praskowja Fjodorowna, die dat zag, zelfs huilde toen ze de kamer
uitging om de dokter zijn honorarium te overhandigen.
Het sprankje hoop dat door de bemoediging van de dokter was ontvlamd,
duurde niet lang. Het waren nog steeds dezelfde kamer, dezelfde
schilderijen, gordijnen, behang, medicijnflesjes, en hetzelfde
schrijnende en lijdende lichaam, en Iwan Iljitsj begon te huilen. Ze
gaven hem een injectie en hij zonk weg in vergetelheid.
Het schemerde toen hij weer bij kwam. Ze brachten hem zijn eten en hij
slurpte moeizaam wat bouillon naar binnen, en toen was alles weer
hetzelfde en de nacht viel in.
Om zeven uur, na het eten, kwam Praskowja Fjodorowna in haar
avondtoilet de kamer binnen, met haar volle boezem, die door haar
korset omhoog werd geduwd, en met poeder op haar gezicht. Ze had hem er
‘s morgens aan herinnerd, dat ze naar de schouwburg gingen. Sarah
Bernhardt bezocht de stad en zij hadden een logeplaats, die ze op zijn
aandringen hadden genomen. Hij had het helemaal vergeten en nu krenkte
haar avondtoilet hem, maar hij verborg zijn ergernis want hij
herinnerde zich dat hij er zelf op had aangedrongen dat ze die
logeplaats moesten bemachtigen en dat ze naar de schouwburg moesten
gaan omdat dat voor de kinderen een leerzaam en esthetisch vermaak zou
zijn.
Praskowja Fjodorowna kwam binnen, zelfverzekerd, maar toch met een
ietwat schuldige houding. Ze ging zitten en vroeg hem hoe het met hem
ging, maar zoals hij begreep, alleen maar om iets te vragen en niet om
het antwoord, omdat ze toch wist dat er niets te antwoorden viel – en
toen ging ze verder met wat ze eigenlijk wilde zeggen: dat ze helemaal
niet had willen gaan, maar dat de plaats nu eenmaal was besproken en
dat Helen en haar dochter ook gingen, net als Petrisjtsjew (de
onderzoeksrechter, de verloofde van hun dochter) en dat er geen sprake
van was dat ze hen alleen liet gaan; maar dat ze veel liever een tijdje
bij hem had willen zitten; en dat hij echt de voorschriften van de
dokter op moest volgen, als zij weg was.
“O, en Fjodor Petrowitsj” (de verloofde) “zou graag even willen komen.
Kan het? En Lisa?”
“Goed.”
Hun dochter kwam binnen, in vol ornaat, haar jonge lijf nogal ontbloot
(met veel vertoon van dat lijf, dat in zijn eigen geval juist zoveel
lijden veroorzaakte) krachtig, gezond, duidelijk verliefd, en met een
afkeer van ziekte, lijden en dood, omdat dat haar geluk verstoorde.
Fjodor Petrovitsj kwam ook
binnen, in rok, zijn haar gekruld a la
Capoul, met een strakke, stijve boord rond zijn gespierde nek, een
enorm wit front en een strakke zwarte pantalon over zijn sterke heupen.
Hij had één witte handschoen aan, en droeg zijn klak in
zijn hand. Achter hem glipte ongemerkt de schooljongen binnen, in een
nieuw uniform, een zielig jongetje met handschoenen aan. Onder zijn
ogen lagen vreselijk donkere schaduwen, waar Iwan Iljitsj heel goed van
wist wat het betekende.
Hij had zijn zoon altijd zielig
gevonden, en
nu was het vreselijk om
bij hem een bangelijke blik van medelijden te zien. Het leek Iwan
Iljitsj dat Wasja, naast Gerasim, de enige was die hem begreep en
medelijden met hem had.
Ze gingen allemaal zitten en vroegen weer hoe het met hem was. Er
volgde een stilte, Lisa vroeg haar moeder iets over de toneelkijker, en
er volgde wat gekibbel tussen moeder en dochter over wie hem had gepakt
en waar hij was neergelegd. Dat gaf wat onbehagen.
Fjodor Petrovitsj vroeg Iwan Iljitsj of hij Sarah Bernhardt ooit had
gezien. Iwan Iljitsj begreep de vraag eerst niet, maar antwoordde toen:
“Nee, heb jij haar wel eens gezien?”
“Ja, in Adrienne Lecouvreur.”
Praskowja Fjodorowna noemde een aantal rollen op, waarin Sarah
Bernhardt bijzonder goed was. Haar dochter was het daar niet mee eens.
Er ontspon zich een gesprek over het smaakvolle en realistische van
haar acteren, van dat soort van gesprekken, die steeds worden herhaald
en steeds hetzelfde zijn.
Midden in het gesprek wierp Fjodor Petrovitsj een blik op Iwan Iljitsj
en zweeg. De anderen keken hem ook aan en zwegen. Iwan Iljitsj staarde
met glinsterende ogen strak voor zich uit, en was kennelijk
verontwaardigd. Daar moest iets aan gedaan worden, maar dat was niet
mogelijk. Het zwijgen moest doorbroken worden, maar even durfde niemand
dat, en ze werden allemaal bang dat het afgesproken bedrog doorzichtig
zou worden en dat voor iedereen de waarheid duidelijk zou worden. Lisa
was de eerste die moed verzamelde en het stilzwijgen doorbrak, maar in
haar poging te verbergen wat iedereen voelde, verraadde ze het.
“Goed, als we gaan, dan moeten we nu gaan,” zei ze, terwijl ze op
haar horloge keek, dat ze van haar vader had gekregen, met een flauwe
en veelbetekenende glimlach naar Fjodor Petrovitsj, die op iets wees
dat alleen zij wisten. En ruisend met haar jurk stond ze op.
Ze stonden allemaal op, zeiden welterusten en vertrokken.
Toen ze weg waren leek het Iwan Iljitsj, dat hij zich beter voelde;
samen met hen was de leugen verdwenen. Maar de pijn bleef – diezelfde
pijn en diezelfde angst die alles eentonig hetzelfde maakten, niet
moeilijker en niet gemakkelijker. Alles was erger.
En weer volgde minuut op minuut en uur op uur.
Alles bleef hetzelfde, zonder ophouden. En het onherroepelijke einde
van dit alles werd steeds verschrikkelijker.
“Ja, stuur Gerasim,” antwoordde hij op een vraag van Peter.
IX
Zijn echtgenote kwam laat in de avond weer thuis. Ze kwam op haar tenen
binnen, maar hij hoorde haar, opende zijn ogen, en deed ze weer snel
dicht.
Ze wilde Gerasim wegsturen en zelf bij hem zitten, maar hij opende zijn
ogen en zei: “Nee, ga weg.”
“Heb je veel pijn?”
“Steeds hetzelfde.”
“Neem wat opium.”
Hij stemde toe en nam wat. Ze ging weg.
Tot een uur of drie in de morgen verkeerde hij in een toestand van
verdoofde ellende. Het leek hem alsof hij samen met zijn pijn in een
smalle, diepe zwarte zak werden gestopt, maar hoewel ze er steeds
verder in werden geduwd, konden ze niet tot op de bodem komen. En dat,
op zichzelf al vreselijk genoeg, ging met hevige pijnen gepaard. Hij
was bang, maar wilde toch door de zak heen, hij worstelde maar werkte
toch mee. En opeens brak hij er doorheen, viel, en kwam weer bij.
Gerasim zat aan het voeteneinde van het bed rustig en geduldig te
dutten, terwijl hij zelf met zijn uitgemergelde benen op de schouders
van Gerasim lag; dezelfde verduisterde kaars stond er nog en dezelfde
pijn duurde voort.
“Ga`maar weg, Gerasim,” fluisterde hij.
“Het is in orde, meneer. Ik blijf nog even.”
“Nee. Ga weg.”
Hij haalde zijn benen van de schouders van Gerasim, draaide zich
zijdelings op zijn arm, en had medelijden met zichzelf. Hij wachtte
alleen tot Gerasim in de andere kamer was, hield zich niet langer in en
huilde als een kind. Hij huilde over zijn hulpeloosheid, zijn
vreselijke eenzaamheid, de wreedheid van de mens, de wreedheid van God
en de afwezigheid van God.
“Waarom hebt Gij dit alles gedaan? Waarom hebt Gij mij tot hier
gebracht? Waarom, waarom kwelt Gij mij zo gruwelijk?”
Hij verwachtte geen antwoord en huilde toch omdat er geen antwoord was
en kon zijn. De pijn werd erger, maar hij bewoog zich niet en riep
niet. Hij zei tegen zichzelf: “Toe maar! Sla me maar! Maar waarom? Wat
heb ik U misdaan? Waarom?”
Toen werd hij rustig en hield niet alleen op met huilen, maar hield
zelfs zijn adem in en werd een en al aandacht. Het was alsof hij niet
naar een hoorbare stem luisterde, maar naar de stem van zijn hart, naar
de gedachtestroom die binnen in hem opwelde.
“Wat wil je?” was de eerste duidelijke, in woorden uit te drukken,
gedachte die hij hoorde.
“Wat wil je? Wat wil je?” herhaalde hij bij zichzelf.
“Wat ik wil? Leven en niet lijden,” antwoordde hij.
En opnieuw luisterde hij met zo’n geconcentreerde aandacht, dat zelfs
zijn pijn hem niet af kon leiden.
“Leven? Hoe?” vroeg zijn innerlijke stem.
“Hoezo? Leven zoals ik gewend was – goed en prettig.”
“Zoals je vroeger leefde, goed en prettig?” herhaalde de stem.
En in zijn verbeelding begon hij de beste ogenblikken van zijn prettige
leven terug te roepen. Naar vreemd genoeg leek geen enkele van die
beste ogenblikken van zijn prettige leven op wat ze toen hadden geleken
– geen enkele, behalve de eerste jeugdherinneringen. Toen, in zijn
kindertijd, was er iets echt prettigs geweest, waarmee hij als het zou
terugkeren, mogelijk zou kunnen leven. Maar het kind, dat dat geluk had
ondervonden bestond niet meer, het was als de herinnering van iemand
anders.
Zodra de tijd begon die de huidige Iwan Iljitsj had voortgebracht,
smolt alles, wat toen vreugde had geleken, voor zijn ogen weg en
veranderde in iets onbeduidends en vaak akeligs.
En hoe verder hij van zijn kindertijd afraakte, en hoe dichter hij bij
het heden kwam, hoe waardelozer en twijfelachtiger de vreugden werden.
Het begon met de rechtenacademie. Daar was nog een beetje goeds te
vinden – daar heerste vrolijkheid, vriendschap en hoop. Maar in de
hoogste klassen waren al minder van zulke goede momenten geweest.
Vervolgens, gedurende de eerste jaren van zijn ambtelijke loopbaan,
deden zich opnieuw een aantal prettige momenten voor: dat waren de
herinneringen aan zijn liefdes. Daarna liep het allemaal door elkaar en
was er nog minder goeds; weer later was er nog minder goeds, en hoe
verder hij ging hoe minder er was. Zijn huwelijk, een louter toeval, en
vervolgens de ontgoocheling die erop volgde, de nare adem van zijn
echtgenote, de zinnelijkheid en huichelarij: vervolgens dat doodsaaie
ambtenaarsleven en die vooroordelen over geld, een jaar lang, en twee,
en tien, en altijd maar hetzelfde. En hoe langer het duurde hoe
dodelijker het werd. “Het is alsof ik bergafwaarts ging, terwijl ik
dacht dat ik bergopwaarts ging.” En zo ging het echt. Men vond dat ik
omhoog steeg, maar in dezelfde mate ebde het leven van mij weg. En nu
is het allemaal voorbij en is er nog alleen maar de dood.
“Wat wil dat dan zeggen? Waarom? Het kan niet waar zijn dat het leven
zo zinloos en afschuwelijk is, waarom moet ik doodgaan en dan nog in
zo’n folterende pijn? Er klopt iets niet!
“Misschien heb ik niet geleefd zoals ik had moeten leven,” het kwam
opeens in hem op. “Maar hoe kan dat, als ik alles heb gedaan zoals het
behoorde?“ antwoordde hij, en meteen verjoeg hij, de enige oplossing
van het raadsel van leven en dood, als iets volslagen onmogelijks uit
zijn hoofd.
“Dus wat wil je nou? Leven? Hoe leven? Leven zoals je bij de rechtbank
leefde, wanneer de zaalwachter riep ‘De rechter komt eraan!’? “De
rechter komt eraan, de rechter!” herhaalde hij bij zichzelf.
“Hier is hij dan, de rechter. Maar ik ben onschuldig!” riep hij woedend
uit. “Wat betekent dit?” En hij hield op met huilen, maar draaide zijn
gezicht naar de muur en ging verder met het piekeren over diezelfde
vraag: Waarom, en met welk doel, al die gruwel? Maar hoe hij ook
piekerde, hij vond geen antwoord. En elke keer als de gedachte in hem
opkwam - wat vaak gebeurde - dat het allemaal kwam omdat hij niet had
geleefd zoals hij had moeten leven, haalde hij zich meteen de juistheid
van zijn hele leven voor de geest en verjoeg hij die zo rare gedachte.
X
Er gingen nog twee weken voorbij. Iwan Iljitsj kwam niet meer van de
sofa af. Hij wilde niet in bed liggen maar lag op de sofa, en keek
vrijwel de hele tijd naar de muur. Hij leed nog steeds onder dezelfde
onophoudelijke folterende pijnen en piekerde in zijn eenzaamheid altijd
over dezelfde onoplosbare vraag: “Wat is dit? Is dit nou de dood?” En
de innerlijke stem antwoordde: “Ja, het is de dood.”
“Waarom dit lijden?” En de stem antwoordde, “Er is geen reden – het is
er gewoon.” Er was niets anders.
Vanaf het eerste begin van zijn ziekte, sinds hij voor het eerst naar
de dokter was gegaan, was het leven van Iwan Iljitsj verdeeld in twee
tegenovergestelde en elkaar afwisselende gemoedstoestanden: de ene keer
was er wanhoop en de verwachting van die onbegrijpelijke en vreselijke
dood, en dan weer hoop en een doelbewuste en belangstellende aandacht
voor het functioneren van zijn organen. De ene keer lette hij alleen
maar op een nier of een darm, die tijdelijk dienst weigerde, en dan
weer alleen maar die onbegrijpelijke en angstaanjagende dood, waar hij
onmogelijk aan kon ontsnappen.
Deze twee gemoedstoestanden hadden elkaar vanaf het eerste begin van
zijn ziekte afgewisseld, maar hoe verder de ziekte voortschreed, en hoe
twijfelachtiger en fantastischer zijn beeld van de nier, hoe
werkelijker het besef van de dreigende dood werd. Hij hoefde zich maar
voor de geest te halen, wat hij drie maanden geleden was geweest en wat
hij nu was, en hoe geleidelijk hij bergafwaarts was gegaan, om elke
mogelijke hoop te vergruizelen.
Aan het eind, tijdens de eenzaamheid waar hij zich in bevond en waarin
hij naar de achterkant van de sofa lag te kijken, een eenzaamheid
temidden van een stad vol mensen en omringd door talrijke kennissen en
verwanten, die toch nergens volmaakter had kunnen zijn – noch op de
bodem van de zee, noch onder de aarde – tijdens die vreselijke
eenzaamheid had Iwan Iljitsj slechts in de herinneringen aan het
verleden geleefd. Beelden uit zijn verleden doemden een voor een aan
hem op. Ze begonnen altijd met wat het kortst geleden was en dan gingen
ze terug naar het verste verleden – naar zijn kindertijd – en daar
bleven ze hangen.
Als hij aan de gedroogde pruimen dacht, die hem die dag waren
voorgezet, gingen zijn gedachten terug naar de groene gerimpelde Franse
pruimen uit zijn kindertijd, naar hun aparte smaak en hoe het water hem
in de mond liep, als hij op de pitten zoog, en tegelijk met de
herinnering aan die smaak, kwam een hele reeks herinneringen uit die
tijd boven: zijn kindermeisje, zijn broer, en hun speelgoed. “Nee, daar
moet ik niet aan denken…dat is te pijnlijk,” zei Iwan Iljitsj tegen
zichzelf en bracht zichzelf naar het heden terug – naar de knoop aan de
achterkant van de sofa en de kreukels in het marokijnleer.
“Marokijnleer is duur, maar het gaat niet lang mee: ze hadden er ruzie
over gehad. Het was een ander soort ruzie en een ander soort
marokijnleer in die tijd toen wij vaders portefeuille kapotscheurden en
werden gestraft, en mamma ons wat gebakjes bracht…” En opnieuw bleef
hij lang bij zijn kinderjaren stilstaan, en opnieuw was het pijnlijk en
hij probeerde het te verdrijven en zijn gedachten op iets anders te
richten.
Toen kwamen, samen met die reeks herinneringen, nieuwe reeksen van
herinneringen aan hem voorbij – over hoe zijn ziekte voortgeschreden en
erger geworden was. Ook daarbij was het dat, hoe verder hij terugkeek,
hoe meer leven er was geweest. Er was meer goeds in het leven geweest
en meer van het leven zelf. Die twee smolten samen. “Net zoals de pijn
erger en erger werd, werd mijn leven erger en erger,” dacht hij. “Daar
achter, aan het begin van het leven, is één lichte plek
en daarna wordt alles steeds zwarter en gaat het steeds sneller en
sneller – in omgekeerde verhouding met het kwadraat van de afstand tot
de dood,” dacht Iwan Iljitsj. En in zijn gedachten dook het voorbeeld
op van een steen, die met een steeds grotere snelheid naar beneden valt
. Het leven, een reeks van toenemende kwellingen, vliegt steeds maar
verder en verder naar zijn einde – de meest vreselijke kwelling.
“Ik vlieg....” Hij huiverde, verlegde zich, en probeerde zich te
verzetten, maar wist al dat verzet uitgesloten was, en opnieuw staarde
hij, met ogen die moe van het kijken waren, maar die niet op konden
houden met kijken, naar wat zich vóór hem bevond, naar de
achterkant van de sofa en wachtte – wachtte op die vreselijke val, de
klap en de vernietiging.
“Verzet is uitgesloten!” zei hij tegen zichzelf. “Kon ik maar
begrijpen, waarom het allemaal zo is! Maar ook dat is uitgesloten. Het
zou verklaarbaar zijn als er gezegd zou kunnen worden, dat ik niet zo
heb geleefd als ik had moeten leven. Maar dat valt onmogelijk te
zeggen,” en hij bedacht weer hoe wetgetrouw, juist en fatsoenlijk hij
had geleefd. “Dat is hoe dan ook onacceptabel,” dacht hij, met een
ironisch lachje op zijn lippen, alsof iemand dat lachje kon zien en er
op het verkeerde been door gezet zou worden. “Er is geen verklaring!
Kwelling, dood…Waarom?
XI
Zo gingen er twee weken voorbij en in die twee weken gebeurde er iets
waar Iwan Iljitsj en zijn echtgenote naar uit hadden gekeken.
Petrisjtjew deed een officieel aanzoek. Het gebeurde op een avond. De
volgende dag kwam Praskowja Fjodorowna de kamer van haar echtgenoot
binnen, terwijl ze bedacht hoe ze hem dat het best kon vertellen, maar
juist die nacht was zijn toestand opnieuw verergerd. Ze trof hem wel op
de sofa aan, maar in een andere houding. Hij lag op zijn rug, kreunde
en staarde met een starre blik recht voor zich uit.
Ze begon met hem aan zijn medicijnen te herinneren, maar hij draaide
zijn ogen met zo’n blik naar haar toe, dat ze haar zin niet afmaakte;
zo’n grote vijandigheid, voor haar in het bijzonder, drukte die blik
uit.
“Laat me in godsnaam rustig doodgaan!” zei hij.
Ze wilde weggaan, maar net op dat moment kwam haar dochter binnen en
liep naar haar vader toe, om hem goedemorgen te wensen. Hij keek haar
aan zoals hij naar zijn echtgenote had gekeken, en als antwoord op haar
vraag naar zijn gezondheid zei hij droog, dat hij hen allemaal spoedig
van zichzelf zou verlossen. Ze zwegen beiden, gingen even bij hem
zitten en liepen weg.
“Alsof het onze schuld is,” zei Lisa tegen haar moeder. “Het is alsof
hij het ons verwijt! Ik heb medelijden met papa, maar waarom moet hij
ons kwellen?”
De dokter arriveerde op zijn gewone tijd. Iwan Iljitsj antwoordde “Ja”
en “Nee,” wendde geen moment zijn boze blik van hem af en zei ten
slotte: “U weet dat u niets voor mij kunt doen, dus laat me alleen.”
“Wij kunnen uw lijden verzachten.”
“Zelfs dat kunt u niet. Het zij zo.”
De dokter liep naar de huiskamer, vertelde Praskowja Fjodorowna dat de
toestand heel ernstig was en dat opium het enige redmiddel was dat nog
restte, om het ongetwijfeld vreselijke lijden van haar echtgenoot te
verzachten.
Het was waar dat, zoals de dokter zei, het lichamelijke lijden van Iwan
Iljitsj verschrikkelijk was, maar erger dan het lichamelijke lijden was
zijn geestelijk lijden, dat zijn belangrijkste kwelling was. Zijn
geestelijk lijden was te wijten aan het feit dat hij die nacht, toen
hij naar het slaperige, opgewekte gezicht van Gerasim, met die
uitstekende jukbeenderen keek, die vraag opeens in hem opkwam: “Als
mijn hele leven een vergissing is geweest, wat dan?”
Het kwam in hem op dat wat hem voorheen volmaakt onmogelijk had
geleken, namelijk dat hij zijn leven niet had doorgebracht zoals hij
had moeten doen, uiteindelijk best waar zou kunnen zijn. Het kwam ook
in hem op dat zijn nauwelijks waarneembare pogingen om in opstand te
komen tegen wat door de meest hooggeplaatsten als goed werd beschouwd,
die vrijwel onmerkbare neigingen die hij onmiddellijk had onderdrukt,
misschien wel het enige echte was geweest, en al het andere onecht. En
zijn ambtelijke werk, de hele manier waarop hij zijn leven en zijn
gezin had ingericht, en al zijn maatschappelijke en ambtelijke
belangen, zouden wel eens allemaal onjuist kunnen zijn geweest.
Hij probeerde dat alles voor zichzelf te verdedigen en opeens voelde
hij de zwakheid van wat hij verdedigde. Er viel niets te verdedigen.
“Maar als dat waar is,” zei hij tegen zichzelf, “en ik dit leven ga
verlaten in het besef dat ik, alles wat me was gegeven, heb verloren en
dat het onmogelijk is het weer goed te maken – wat dan?”
Hij ging op zijn rug liggen en begon op een heel andere manier zijn
leven aan zich voorbij te laten gaan. Toen hij ‘s morgens eerst zijn
bediende, toen zijn echtgenote, vervolgens zijn dochter en ten slotte
de dokter zag, bevestigde elk woord en elke beweging van hen voor hem
de gruwelijke waarheid, die hem ’s nachts was geopenbaard. In hen zag
hij zichzelf terug – alles waar hij voor had geleefd – en hij zag
duidelijk dat het allemaal niet echt was, maar een vreselijk en
reusachtig bedrog, dat zowel leven als dood voor hem verborgen had
gehouden. Dat besef verergerde zijn lijden tienvoudig. Hij kreunde,
slingerde heen en weer, en rukte aan zijn kleren die hem smoorden en
deden stikken.
En daarom haatte hij hen.
Ze gaven hem een grote dosis opium en hij verloor het bewustzijn, maar
tegen de middag begon zijn pijn weer. Hij joeg iedereen weg en wierp
zich van de ene op de andere zij. Zijn echtgenote kwam bij hem en zei:
“Jean, lieveling, doe het voor mij. Het kan geen kwaad en helpt vaak
goed. Gezonde mensen doen het ook vaak.”
Hij deed zijn ogen wijd open.
“Wat? De communie? Waarom? Dat hoeft niet! Maar….”
Ze begon te huilen.
“Ja, doe het maar, liefste. Ik laat onze priester wel halen. Het is
zo’n aardige man.”
“Goed, mij best,” mompelde hij.
Toen kwam de priester en nam hem de biecht af, en de houding van Iwan
Iljitsj werd zachter, het leek alsof hij een verlichting van zijn
twijfels en dus van zijn lijden voelde, en voor een ogenblik dook er
een straaltje hoop op. Hij begon weer aan zijn blindedarm te denken en
aan de mogelijkheid om die te genezen. Hij ontving het sacrament met
tranen in zijn ogen.
Toen ze hem daarna weer neerlegden voelde hij zich even rustig, en de
hoop dat hij zou blijven leven ontwaakte weer in hem. Hij begon aan de
operatie te denken, die men hem had voorgesteld. “Leven! Ik wil leven!”
zei hij tegen zichzelf.
Zijn echtgenote kwam binnen om hem na zijn communie geluk te wensen, en
toen ze de gebruikelijke woorden had gezegd voegde ze daar aan toe: “Je
voelt je beter, hè?”
Zonder haar aan te kijken zei hij: “Ja.”
Haar kleding, haar figuur, haar gezichtsuitdrukking, en de toon van
haar stem, zeiden allemaal hetzelfde: ”Dit klopt niet, het is niet
zoals het zou moeten zijn. Alles waar je voor hebt geleefd en nog leeft
is leugen en bedrog, dat leven en dood voor je verborgen houdt.” En
zodra hij die gedachte toeliet, laaide zijn haat en zijn folterende
lichamelijke pijn weer op, en samen met die pijn een besef van het
onvermijdelijke, naderende einde. En daar kwam een nieuwe gewaarwording
bij, een van een knersende stekende pijn en een gevoel alsof hij
stikte.
Zijn gelaatsuitdrukking toen hij dat “Ja” uitsprak, was gruwelijk.
Nadat hij dat had gezegd, keek hij haar recht in de ogen, draaide zijn
hoofd, met een voor zijn zwakke toestand buitengewone snelheid, om en
schreeuwde: “Ga weg! Ga weg en laat me alleen!”
XII
Vanaf dat ogenblik begon het schreeuwen, dat drie dagen lang duurde, en
dat zo vreselijk was, dat men hem door twee dichte deuren heen, niet
zonder afgrijzen kon horen. Op het moment dat hij zijn echtgenote
antwoordde, besefte hij dat hij verloren was, dat er geen terugkeer
mogelijk was, dat het einde was gekomen, het echte einde en dat zijn
twijfels nog steeds niet waren opgeheven en dat het twijfels zouden
blijven.
“O! O! O!” schreeuwde hij in verschillende toonaarden. Hij was begonnen
met het uitschreeuwen van “Ik wil niet!” en ging verder met het
schreeuwen van de letter “O”.
Drie dagen lang, waarin voor hem geen tijd bestond, worstelde hij in
die zwarte zak, waar hij door een onzichtbare en onweerstaanbare kracht
in was geduwd. Hij worstelde zoals een ter dood veroordeelde, die weet
dat hij reddeloos verloren is, in de handen van de beul worstelt. En
elk moment voelde hij dat hij, ondanks al zijn krachtsinspanningen,
steeds dichter naar datgene toegetrokken werd, wat hem zo’n angst
inboezemde. Hij voelde dat zijn doodsangst werd veroorzaakt doordat hij
dat zwarte gat in werd geduwd en nog meer omdat het hem niet lukte er
doorheen te kruipen. Hij werd tegengehouden door zijn overtuiging dat
zijn leven een goed leven was geweest. Dat goedpraten van zijn leven
hield hem vast en verhinderde dat hij vooruit kwam, en leverde hem de
allergrootste marteling op.
Opeens leek het alsof hij door een kracht in zijn borst en zij werd
geraakt, waardoor hij nog moeilijker kon ademhalen, hij viel door het
gat heen en zag ginds op de bodem een licht. Wat hem was overkomen,
leek op de gewaarwording die je in een treinwagon kunt hebben, als je
denkt dat je achteruit gaat, terwijl je in werkelijkheid vooruit gaat
en je opeens bewust wordt welke richting je echt uit rijdt.
“Ja, het was niet goed,” zei hij tegen zichzelf, “maar dat maakt niet
uit. Het kan nog steeds gedaan worden. Maar wat is dat ‘goed’
eigenlijk? vroeg hij zich af en opeens werd hij rustig.
Dit speelde zich af op het eind van de derde dag, twee uur
vóór zijn dood. Net op dat moment was de schooljongen
zachtjes binnengeslopen en naar het bed toe gegaan. De stervende man
schreeuwde nog steeds wanhopig en zwaaide met zijn armen. Zijn hand
viel op het hoofd van de jongen, en de jongen pakte de hand vast,
drukte hem tegen zijn lippen en begon te huilen. Juist op dat moment
viel Iwan Iljitsj door het gat, zag het licht, en werd hem geopenbaard
dat, hoewel zijn leven niet was geweest, wat het had moeten zijn, het
nog steeds goedgemaakt kon worden.
Hij vroeg zich af “Wat is dat ‘goed’ dan?” werd stil, en luisterde.
Toen voelde hij dat iemand zijn hand kuste. Hij opende zijn ogen, keek
zijn zoon aan, en voelde medelijden met hem. Zijn echtgenote kwam naar
hem toe en hij wierp een vluchtige blik op haar. Ze staarde hem aan,
met open mond, onopgedroogde tranen op haar neus en wangen en met een
wanhopige blik op haar gezicht. Ook met haar voelde hij medelijden.
“Ja, ik maak hen ongelukkig,” dacht hij.
“Ze hebben met mij te doen, maar voor hen is het beter als ik doodga.”
Hij wilde dat zeggen, maar had niet de kracht om het uit te spreken.
“Overigens, waarom zou ik wat zeggen? Ik moet wat doen,” dacht hij. Met
een blik op zijn echtgenote wees hij naar zijn zoon en zei: “Breng hem
weg…het spijt me voor hem…en voor jou ook….” Hij wilde eraan toevoegen,
“Vergeef me,” maar het lukte hem niet meer en hij gebaarde met zijn
hand, wetend dat Hij die alles begreep, hem zou begrijpen.
En opeens werd hem duidelijk dat wat hem had benauwd en hem niet wilde
verlaten, tegelijkertijd aan twee kanten, aan tien kanten en toen aan
alle kanten, wegdruppelde. Hij had met hen te doen, maar hij moest iets
doen zonder hen te kwetsen: hij moest hen verlossen en zichzelf van dit
lijden bevrijden. “Wat goed en wat eenvoudig!” dacht hij. “En de pijn?”
vroeg hij zich af. “Wat is ermee gebeurd? Waar ben je, pijn?”
Hij lette er op.
“Ja, daar is het. Goed, nou en? Laat maar.”
“En de dood… waar is die?”
Hij zocht naar zijn gewone, vroegere angst voor de dood en vond die
niet meer terug. “Waar is hij dan? Wat voor dood? Er was geen angst,
omdat er geen dood was.
In plaats van dood was er licht.
“Dus dat is het!” riep hij plotseling hardop uit. “Wat een vreugde!”
Voor hem gebeurde dat allemaal in een enkel ogenblik, en de betekenis
van dat ogenblik veranderde niet. Voor de aanwezigen duurde zijn
doodsstrijd nog twee uur door. Er reutelde wat in zijn keel, zijn
uitgemergelde lijf maakte trekkingen, en toen nam het hijgen en
reutelen langzaam af.
“Het is afgelopen!” zei iemand vlakbij hem.
Hij hoorde die woorden nog en herhaalde ze in zijn ziel.
“De dood is voorbij,” zei hij tegen zichzelf. “Hij is er niet meer!”
Hij haalde nog één keer adem, hield midden in een zucht
op, strekt zich uit en stierf.
|
|