Downloaden
als
Word-document op de Downloadpagina 
Aldous Huxley
DE DEUREN DER WAARNEMING
DE
DEUREN IN DE MUUR
Inleiding:
Het is alweer bijna vijftig
jaar geleden
dat Aldous Huxley dit verslag van zijn ervaringen met de Andere Wereld
schreef. Hoe zijn woorden ook tekort mogen schieten, toch geeft hij een
beeld van die Wereld vanuit de onze en, wat nog onthullender is, van de
onze vanuit die Wereld. Het fascinerende en geniale is dat hij begrepen
heeft dat die Andere Wereld de Wereld van de mystici is, de wereld van
de heldere momenten, die wij mystieke ervaringen noemen. Het is het
aanschouwen
van de onverdeelde Werkelijkheid en het ervaren van de samenhang van
alles
met alles en het besef daar zelf een onlosmakelijk deel van te zijn.
Eigenlijk,
en dat heeft Huxley niet begrepen, is het de wereld zoals de onbevangen
kleine kinderen die ervaren, de wereld vol wonderen en betovering,
waarin
zij nog net zo zijn als alles is. De Wereld waarin geen afzonderlijke
dingen
zijn, niets een naam heeft, de woordeloze Wereld, de Wereld van het
Zijn
en niet de wereld van het worden en doen, de Wereld zoals die eigenlijk
is en waar grote mensen blind en doof voor geworden zijn. Zij leven in
hun eigen gecreëerde wereld van hun gedachten, hun wensen en
verwachtingen,
hun angsten en zorgen en kunnen de uitgang, de deur in de muur, niet
meer
vinden. Zij zoeken in hun eigen tranendal een kunstmatige vergetelheid
in alkohol, drugs en orgasmen. Anderen zijn op zoek naar de uitgang,
hoewel
ze altijd gehoord hebben dat er geen uitgang is en dat ze er maar beter
het beste van kunnen maken.
Elke goede trip, of dat nu met
paddo's
is of met marihuana, laat ons een kortstondige ego-loze blik in die
andere
Wereld werpen, ontsluit voor de tijd dat het duurt de Deur in de Muur,
waarna wij weer in onze eigen wereld van het "bij het volle verstand
zijn"
terugvallen en overgaan tot de orde van de dag. De orde van het moeten,
het willen, het voldoen aan verwachtingen van onszelf en van anderen,
het
in stand houden van onze eigen kunstmatige wereld en het aanpassen van
die kleine kinderen die niet van deze wereld zijn aan onze eigen
creatie.
Is het nu allemaal waar wat Aldous
Huxley
schrijft? Het antwoord is: nee. Zelfs in zijn extatische bewoordingen
waarmee
hij die Andere Wereld beschrijft, schiet hij tekort, omdat het ervaren
nu eenmaal niet in woorden is uit te drukken. In de absurditeit, de
arrogantie
en de krankzinnigheid van onze wereld is hij overduidelijk. Maar waar
hij
helemaal de plank misslaat is in de uitwerking van zijn inzichten. In
het
boek staan nogal wat tegenstrijdigheden en vooroordelen maar daartussen
schitteren parels van helderheid en inzicht.
Voor de duidelijkheid zijn die parels
vet, tegenstrijdigheden en vooroordelen rood
en
is het commentaar blauw.
De Deuren der Waarneming
Aldous Huxley
De
Deuren der
Waarneming werd
voor het eerst in Engeland uitgegeven door Chatto & Windus Ltd
1954.
©Mrs. Laura Huxley 1954
Opmerking: De
Deuren der
Waarneming verschijnt in deze bibliotheek onder de "Eerlijk
gebruik"
regels volgens de 1976 Copyright Wet voor NON-profit academische,
onderzoeks-,
en algemene informatiedoeleinden. Lezers die een eigen kopie van de Deuren
der
Waarneming
voor hun boekenkast willen hebben, wordt verzocht
een
boek bij hun boekhandel te kopen.
Als de deuren der waarneming
gereinigd
zouden worden, zou alles aan de mens verschijnen zoals het is, oneindig.
— William Blake
HET WAS IN
1886
dat de Duitse farmacoloog, Louis
Lewin,
de eerste systematische studie over de cactus, waar vervolgens zijn
eigen
naam aan gegeven werd, publiceerde. De Anhalonium lewinii
(tegenwoordig Lophophora
Williamsii var.lewinii) was nieuw voor de wetenschap.Voor de
primitieve
godsdienst en de indianen van Mexico was het sinds onheuglijke tijden
een
oude vriend. Het was eigenlijk meer dan een vriend. In de woorden van
een
van de vroege Spaanse bezoekers aan de Nieuwe Wereld, "zij eten een
wortel
die zij peyote noemen, en die zij als een godheid vereren."
Waarom zij het
als
een godheid vereerd zouden hebben werd duidelijk toen uitnemende
psychologen
als Jaensch, Havelock Ellis en Weir Mitchell hun experimenten met
mescaline,
de actieve stof van peyote, begonnen. Zij stopten weliswaar lang voor
ze
aan verafgoding toe waren; maar alles gebeurde met het oogmerk om
mescaline
een plaats onder de kruiden van een uitzonderlijk aanzien te geven.
Toegediend
in geschikte dosering, verandert het de kwaliteit van het bewustzijn
grondiger
en toch is het minder toxisch dan enig andere substantie in het
repertoire
van de farmacologen.
Mescaline-onderzoek
is sinds de dagen van Lewin en Havelock Ellis slechts sporadisch
voortgezet.
Chemici hebben niet alleen het alkaloïed geïsoleerd; zij
hebben
ook geleerd hoe ze het konden synthetiseren, zodat de beschikbaarheid
niet
langer van de schaarse en afwisselende oogst van de woestijncactus
afhangt.
Psychiaters hebben zichzelf mescaline toegediend in de hoop daardoor,
uit
de eerste hand, tot een beter begrip van de mentale processen van hun
patiënten
te komen. Psychologen, die jammer genoeg met te weinig proefpersonen
binnen
een te nauw bereik van omstandigheden gewerkt hebben, hebben een aantal
van de meest opvallende effecten van de drug geobserveerd en
gecatalogiseerd.
Neurologen en fysiologen hebben het een en ander over het
werkingsmechanisme
op het centraal zenuwstelsel ontdekt. En minstens één
Beroeps-
filosoof heeft mescaline ingenomen terwille van het licht dat het op
die
oeroude, onopgeloste raadsels zoals de plaats van de geest in de natuur
en het verband tussen hersenen en bewustzijn, zou kunnen werpen.
Er bleven zaken liggen totdat,
twee of
drie jaar geleden, een nieuw en misschien zeer veelbetekenend feit werd
waargenomen. Eigenlijk had het feit een aantal decennia lang iedereen
aangestaard;
maar het geval wilde dat niemand het had opgemerkt, totdat een Jonge
Engelse
psychiater, die nu in Canada werkt, getroffen werd door de nauwe
overeenkomst
in chemische samenstelling tussen mescaline en adrenaline. Verder
onderzoek
onthulde dat lyserginezuur, een uiterst krachtig hallucinogeen afgeleid
van moederkoorn, een structurele biochemische overeenkomst met de
andere
bezit. Vervolgens kwam de ontdekking dat adrenochroom, dat een
afbraakprodukt
van adrenaline is, veel van de symptomen kan veroorzaken, die bij een
mescaline-intoxicatie
worden waargenomen. Maar adenochroom komt waarschijnlijk van nature in
het menselijk lichaam voor. Met andere woorden zou ieder van ons in
staat
kunnen zijn om een chemische stof, waarvan bekend is dat zeer kleine
hoeveelheden
Diepgaande veranderingen in het bewustzijn kunnen veroorzaken, te
produceren.
Bepaalde van die veranderingen zijn vergelijkbaar met diegene, die
voorkomen
in die zeer karakteristieke plaag van de twintigste eeuw, de
schizofrenie.
Is die geestesziekte aan een chemische ontregeling te wijten? En is die
psychische ontregeling op zijn beurt aan psychische noden die de
bijnieren
beïnvloeden te wijten? Het zou overhaast en voorbarig zijn dat te
bevestigen. Het enige wat we kunnen zeggen is dat er een soort van prima
facie zaak uit op gemaakt kan worden. Intussen wordt de aanduiding
systematisch gevolgd, de speurneuzen - biochemici, psychiaters en
psychologen
- zitten op het spoor.
Door een reeks
van,
voor mij uiterst gunstige omstandigheden, liep ik, in het voorjaar van
1953, zomaar tegen dat spoor aan. Een van de speurneuzen was voor zaken
naar Californië gekomen. Ondanks zeventig jaar van onderzoek met
mescaline
beschikte men nog maar over belachelijk ondeugdelijk psychologisch
materiaal,
en hij wilde daar dolgraag wat aan toevoegen. Ik was ter plaatse
en wilde inderdaad graag als proefkonijn fungeren. Zo gebeurde het dat
ik, op een stralende morgen in Mei, viertiende gram mescaline, opgelost
in een half glas water, innam en ging zitten om op de uitwerking te
wachten
Wij leven
samen,
wij beïnvloeden elkaar en reageren op elkaar; maar altijd en onder
alle omstandigheden zijn wij op onszelf. De martelaren gaan hand in
hand
de arena in; alleen worden zij gekruisigd. In een omhelzing proberen de
geliefden wanhopig hun extasen in een enkele zelftranscendentie te
versmelten;
tevergeefs. Juist door zijn aard is elke belichaamde ziel gedoemd in
eenzaamheid
te lijden en te genieten. Gewaarwordingen, gevoelens, inzichten,
fantasieën
- zijn allemaal persoonlijk en, behalve door middel van symbolen en uit
de tweede hand, niet meedeelbaar. Wij kunnen informatie over ervaringen
bij elkaar brengen, maar nooit de ervaringen zelf. Van gezin tot natie
is elke menselijke groep een gemeenschap van eiland-universums.
De meeste
eiland-universums
lijken voldoende op elkaar om ons te Veroorloven te begrijpen dat ze op
hetzelfde neerkomen of zelfs tot wederzijdse empathie en "invoelen"
leiden.
Zo kunnen wij dus, als wij ons onze eigen verliezen en vernederingen
herinneren,
met anderen in vergelijkbare omstandigheden ons medeleven betuigen en
onszelf
(natuurlijk altijd op een wat Pickwickiaanse manier) in hun plaats
verplaatsen.
Maar in bepaalde gevallen is de communicatie tussen twee universums
onvolledig
of zelfs niet-bestaand. De geest is zijn eigen plek, en Plekken, die
door
de krankzinnige en buitengewoon begaafde wordt ingenomen verschillen zo
van de plekken waar gewone mannen en vrouwen leven, dat er weinig of
geen
gemeenschappelijke geheugengebied bestaat dat als basis voor begrijpen
of medegevoel kan dienen. Woorden worden geuit, maar slagen er niet in
te verhelderen. De dingen en gebeurtenissen waar de symbolen naar
verwijzen
behoren tot elkaar wederzijds uitsluitende rijken van de ervaring.
Het is een
uiterst
weldadige gave onszelf te zien zoals anderen ons zien. Nauwelijks
minder
belangrijk is het vermogen anderen te zien zoals zij zichzelf zien.
Maar
wat als die anderen tot een ander soort behoren en een radicaal ander
universum
bewonen? Hoe kan bijvoorbeeld de gezonde te weten komen hoe het
werkelijk
voelt om krankzinnig te zijn. Hoe kunnen we ooit, als wij niet als
visionairen,
als medium, of als een muzikaal genie wedergeboren worden de werelden
waar
Blake, Swedenborg en Johan Sebastiaan Bach thuis waren, bezoeken? En
hoe
kan een mens aan de uiterste grenzen van ectomorfie en cerebrotonie
zich
ooit verplaatsen in iemand aan de grenzen van de endomorfie en de
viscerotonie,
of, uitgezonderd binnen bepaalde nauw omschreven gebieden, de gevoelens
delen met iemand die zich aan de grenzen van de mesomorfie en
somatotonie
bevindt? Voor de onvervalste behaviorist zijn, veronderstel ik, zulke
vragen
zonder betekenis. Maar voor diegenen die theoretisch geloven dat wat
zij
uit de praktijk kennen waar is - namelijk, dat er aan de ervaring zowel
een binnen- als een buitenkant is - zijn de geponeerde problemen
werkelijke
problemen, deste ernstiger, omdat sommige volledig onoplosbaar, sommige
zijn alleen in uitzonderlijke omstandigheden en met methoden, die
niet voor iedereen beschikbaar zijn (het
is
voor iedereen mogelijk, zelfs hoe minder door kennis gehinderd, hoe
gemakkelijker,
om alle problemen op te lossen. Iedereen kan wijs worden, al is het
doorgaans
door schade en schande), op te lossen. Zo lijkt het
ogenschijnlijk
zeker dat ik nooit zal weten hoe het voelt om Sir John Falstaff of Joe
Louis, te zijn. Aan de andere kant heeft het mij altijd mogelijk
geleken,
dat ik, door bijvoorbeeld hypnose, door middel van systematische
meditatie,
of anders door de geschikte drug in te nemen, mijn alledaagse wijze van
bewustzijn zo zou kunnen veranderen, dat ik, van binnenuit, in staat
zou
zijn te weten waar de ziener, het medium of zelfs de mysticus het over
gehad hebben.
Door wat ik
over de
ervaring met mescaline gelezen had, was ik er bij voorbaat van
overtuigd
dat de drug mij, in ieder geval voor enige uren, toe zou laten in het
soort
binnenwereld die door Blake en AE beschreven zijn. Maar wat ik verwacht
had gebeurde niet. Ik had verwacht dat ik met gesloten ogen zou liggen
kijken naar visioenen van veelkleurige meetkundige figuren, naar
bezielde
architecturen, vol edelstenen en sprookjesachtig mooi, van landschappen
met heroïsche figuren, van symbolische drama's die onophoudelijk
op
grens van de ultieme openbaring zouden trillen. Maar ik had, dat
was
duidelijk, geen rekening gehouden met de eigenaardigheden van mijn
mentale
gesteldheid, met de feiten van temperament, opleiding en gewoonten.
Ik ben nu en
zolang
als ik mij kan herinneren, altijd een armzalige visualiseerder geweest.
Woorden, zelfs de veelzeggende woorden van dichters, roepen in mijn
geest
geen beelden op. Geen halfslaapse visoenen begroeten mij op de grens
van
de slaap. Als ik mij iets weer voor de geest roep, toont de herinnering
mij dat niet als een levendige gebeurtenis in mijn geest. Door een
wilsinspanning
kan ik een niet erg levendig beeld van wat er gistermiddag gebeurd is
oproepen,
van hoe de Lugarno er gewoonlijk uitzag voor de bruggen vernield
werden,
van de Bayswaterstraat toen de enige bussen nog groen en klein waren en
door oude paarden met drie en een halve mijl per uur werden
voortgetrokken.
Maar zulke beelden zijn van weinig betekenis en leiden beslist geen
eigen
leven. Zij staan tot werkelijke waargenomen beelden zoals de geesten
van
Homerus, die in de schaduwen tot hen kwamen, tot mensen van vlees en
bloed
stonden. Alleen als ik hoge koorts heb komen mijn eigen mentale beelden
tot een eigen leven. Voor diegenen in wie het visualiseringsvermogen
krachtig
is, moet mijn binnenwereld wel merkwaardig saai, beperkt en
oninteressant
toeschijnen. Het was die binnenwereld - een armzalige maar wel mijn
eigen
- waarvan ik verwachtte die in iets totaal anders dan die was te zien
veranderen.
De verandering
die
er in feite in die wereld plaats vond, was op geen enkele manier
revolutionair.
Een half uur nadat ik de drug had ingenomen werd ik mij van een trage
dans
van gouden lichtjes bewust. Een half uur later waren er weelderige
opzwellende
en zich vanuit stralende knopen uitdijende rode oppervlakken van
energie
die trilden met een doorlopend veranderend schakerend leven. Op een
ander
moment openbaarde het sluiten van mijn ogen mij een complex grijze
structuren,
waarin bleke paarse bollen in een intense vastheid bleven verschijnen
en
eenmaal verschenen geluidloos naar boven uit het zicht bleken te
glijden.
Maar op geen enkel moment waren er beelden of vormen van mensen of
dieren.
Ik zag geen landschappen, geen enorme ruimten, geen magisch groeien en
metamorfose van gebouwen, niets wat in de verste verte op een drama of
parabel leek. De andere wereld waar mescaline mij in toeliet was niet
de
wereld van visioenen; die bestond daar buiten, in wat ik met mijn ogen
kon zien. De grote verandering trad op in het rijk van de objectieve
feiten. Wat
er met mijn subjectieve universum gebeurd was, was betrekkelijk
onbelangrijk.(juist
omdat zijn subjectieve universum veranderde, veranderde de
buitenwereld.
Mescaline legt het denken stil, sluit het ego buiten en maakt het
kijken
naar de buitenwereld tot een onbevooroordeeld zien)
Ik nam mijn pil
om
elf uur. Anderhalf uur later zat ik in mijn studeerkamer en keek strak
naar een kleine glazen vaas. In de vaas stonden maar drie bloemen - een
Belie van Portugal-roos in volle bloei, schelproze met aan de basis van
ieder bloemblad een zweem van een warmere vlammendere tint; een grote
helrode
en roomkleurige anjer; en de koene heraldieke bloesem van een iris,
bleek
purper aan het eind van haar gebroken stengel. Toevallig en zomaar
verbrak
die kleine ruiker alle regels van een gebruikelijke goede smaak. Die
morgen
was ik bij het ontbijt getroffen door de levendige dissonant van de
kleuren
ervan. Maar dat was niet langer het punt. Ik keek nu niet naar een
ongewone
bloemschikking. Ik zag nu wat Adam op de morgen van zijn schepping
gezien
had - het wonder, moment na moment, van het naakte bestaan (en
alle kleine kinderen altijd zien, een betoverende wereld)
"Is het
prettig?" vroeg
iemand (tijdens dit deel van het Experiment werden alle gesprekken op
een
bandrecorder opgenomen, en dat heeft mij in staat gesteld mijn geheugen
over alles wat er gezegd was, op te frissen)
"Niet prettig en niet vervelend,"
antwoordde
ik. "het is alleen maar."
Istigkeit—
was
dat het woord niet dat Meister Eckehart doorgaans gebruikte? "Is-heid."
Het Zijn van de Platoonse filosofie - behalve dat het lijkt dat Plato
de
enorme, groteske fout gemaakt heeft Zijn te scheiden van Worden en het
met de mathematische abstractie van de Idee te identificeren. Hij, de
stakker,
kon nooit een boeket bloemen hebben zien schijnen met hun eigen
innerlijke
licht, dat alleen maar onder de druk van de betekenis waarmee ze
geladen
waren, trilde; kon nooit ontwaard hebben dat wat roos en iris en anjer
zo intens beduidden niets meer of minder was dan wat zij waren - een
voorbijgaan
dat
toch
het eeuwige leven was, een eindeloos tenietgaan
dat
tegelijkertijd zuiver zijn was, een bundel van haarfijne, unieke
bijzonderheden,
waarin door een of andere onuitsprekelijke en toch vanzelfsprekende
paradox
de goddelijke bron van alle bestaan te zien was.
Ik bleef naar
de bloemen
kijken, en het leek alsof ik in hun levende licht het kwalitatieve
equivalent
van ademen bespeurde - maar van een ademen zonder terugkeer naar het
beginpunt,
zonder regelmatig wegebben maar slechts een herhaald vloeien van
schoonheid
naar grotere schoonheid, van een diepere naar een nog diepere
betekenis.
Woorden als "genade" en "verheerlijking" doken op in mijn geest en dat
was onder andere wat er natuurlijk mee bedoeld werd. Mijn ogen gingen
van
de roos naar de anjer, en van die geveerde gloed naar de zachte krullen
van gevoelend amethist die de iris vormden. Voor het eerst begreep ik
Het
Gelukzalige Visioen, Sat Chit Ananda, het Gezegende Bewustzijn,
niet op het verbale niveau, niet door aanvankelijke aanduidingen of van
een afstand, maar precies en volledig waar die wonderlijke lettergrepen
op duiden. En toen herinnerde ik mij een passage die ik in een van
Suzuki's
essays gelezen had. "Wat is het Dharma-lichaam van de Boeddha?" (het
Dharma-lichaam
van de Boeddha is een ander manier om Geest, Zo-Zijn, Leegte, de
Godheid
te zeggen) De vraag wordt in een Zen-klooster door een ernstige en
verbijsterde
novice gesteld. En met de onmiddellijke irrelevantie van een van de
Marx-brothers,
antwoordt de Meester, "De haag achterin de tuin." "en wat is, als ik
vragen
mag," vraagt de novice onzeker, "de man die deze waarheid
verwerkelijkt?"
Groucho geeft hem met zijn staf een klap op zijn schouders en
antwoordt:
"Een goudharige leeuw."
Het was toen ik
het
las slechts een vaag betekenisvol stukje onzin geweest. Nu was het
allemaal
glashelder, even duidelijk als Euclides. Natuurlijk was het
Dharma-lichaam
van de Boeddha de haag achterin de tuin. Tegelijkertijd, en niet minder
overduidelijk was het deze bloemen, en was het alles waar ik - of
liever
dat gezegende Niet-Ik, dat voor een ogenblik uit mijn wurgende omarming
verlost was - naar wilde kijken. De boeken bijvoorbeeld waarmee de
wanden
van mijn studeerkamer bekleed waren. Zij gloeiden toen ik ernaar keek
net
als de bloemen, met stralender kleuren en een diepere betekenis. Rode
boeken
als robijnen; smaragden boeken; in witte jade gebonden boeken; boeken
van
agaat; van aquamarijn, van gele topaas; lapis lazuli boeken waar de
kleur
zo intens van was, zo intrinsiek betekenisvol, dat het leek alsof zij
op
het punt stonden hun planken te verlaten om zich nog indringender aan
mijn
aandacht toe te vertrouwen.
"Hoe zit het
met de
ruimtelijke verhoudingen?" vroeg de onderzoeker, toen ik naar de boeken
keek.
Dat was
moeilijk te
beantwoorden. In werkelijkheid leek het perspectief nogal vreemd en de
muren van de kamer leken niet langer in rechte hoeken bij elkaar te
komen.
Maar dit waren niet de werkelijk echt belangrijke feiten. Het echt
belangrijke
feit was dat de ruimtelijke verhoudingen niet langer meer veel te
betekenen
hadden en dat mijn geest de wereld in andere termen dan ruimtelijke
categorieën
waarnam. Normaal houdt het oog zich bezig met problemen als Waar? -
Hoe ver? - Hoe verhoudt het zich tot wat? Tijdens de
mescaline-ervaring
zijn de impliciete vragen waar het oog op antwoordt van een andere
orde. Plaats
en afstand zijn niet langer bijzonder belangrijk. De geest doet zijn
Waarnemen
in termen van intensiteit van zijn, diepte van betekenis, verhoudingen
binnen een patroon. Wat ik waarnam, wat zelf indruk op mijn geest
maakte,
was het feit dat zij allemaal gloeiden met een levend licht en dat in
sommige
de luister groter was dan in andere. In deze context waren plaats en de
drie dimensies niet ter zake. Natuurlijk was de categorie ruimte niet
opgeheven.
Als ik opstond en wat rondliep, kon ik dat heel gewoon doen, zonder de
plaats van voorwerpen verkeerd in te schatten. De ruimte was er nog,
maar
had zijn overwicht verloren. De geest was op de eerste plaats niet met
maten en posities maar met zijn en betekenen bezig.
En
tegelijkertijd met
de onverschilligheid voor ruimte trad er een nog totalere
onverschilligheid
voor tijd op.
"Het lijkt
alsof er
genoeg van is," was alles wat ik kon antwoorden, toen de onderzoeker
mij
vroeg wat ik over tijd voelde.
Genoeg, maar
precies
hoeveel was volstrekt niet relevant. Ik had natuurlijk op mijn horloge
kunnen kijken; maar ik wist dat mijn horloge in een andere dimensie
was.
Mijn werkelijke ervaren was geweest, en was nog steeds die van een
oneindige
duur of anders gezegd van een eeuwigdurend heden gevormd door een
doorlopend
veranderende apocalyps.
De onderzoeker
stuurde
mijn aandacht van de boeken naar het meubilair. Een kleine schrijftafel
stond in het midden van de kamer; een stuk verder, vanuit mijn
gezichtspunt,
stond een rieten stoel en nog verder een bureau. De drie stukken
vormden
een ingewikkeld patroon van horizontalen, verticalen en diagonalen -
een
deste belangwekkender patroon, omdat het niet in termen van ruimtelijke
verhoudingen vertaald werd. Tafel, stoel en bureau voegden zich aaneen
in een compositie als van Braque of Juan Griz, een zichtbaar met de
herkenbare
wereld verbonden stilleven, maar zonder diepte weergegeven, zonder
enige
poging tot fotografisch realisme. Ik keek naar mijn meubilair, niet als
een gebruiker die op stoelen moet zitten of aan bureaus en tafels moet
schrijven, en niet als de cameraman of wetenschappelijke rapporteur,
maar
als de pure estheet, die zich alleen over de vormen en hun verhoudingen
binnen het gezichtsveld of ruimtelijke beeld, bekommert. Maar terwijl
ik
keek maakte dit puur esthetische, Kubistenoog-beeld plaats voor wat ik
slechts als een sacramentele visie van de werkelijkheid kan
omschrijven.
Ik was terug op het punt waar ik geweest was toen ik naar de bloemen
keek
- terug in een wereld waar alles met het Innerlijke Licht scheen en
oneindig
in betekenis was. Die poten van die stoel bijvoorbeeld - wat een
wonderlijke
buizigheid, wat een bovennatuurlijke opgepoetste gladheid! Ik besteedde
een paar minuten - of was het een paar eeuwen? - niet alleen aan het
staren
naar die poten van bamboe, maar in feite het die zijn - of
beter
gezegd mijzelf in hen; of om nog nauwkeuriger te zijn (want "Ik" was
niet
in de zaak, noch zij in zekere zin, betrokken) mijn Niet-ik in het
Niet-ik
dat de stoel was, zijn.
Als ik
terugdenk over
mijn ervaring, merk ik dat ik het met die vooraanstaande Cambridge
filosoof,
Dr. C. D. Broad, eens ben, "dat wij er goed aan zouden doen veel
serieuzer
met het soort theorie die Bergson geopperd heeft in verband met het
geheugen
en gezichtszin, rekening te houden dan we tot nu toe genegen waren. Het
idee
is
dat
de functie van de hersenen en het zenuwstelsel en de
zintuigen
hoofdzakelijk eliminerend en niet productief zijn. Ieder mens
is
op ieder moment in staat zich alles wat er ooit met hem gebeurd is te
herinneren
en alles dat overal in het universum gebeurt waar te nemen. De functie
van het brein en het zenuwstelsel is ons te beschermen tegen een
bedolven
worden onder en verward te worden door deze massa van grotendeels
onbruikbare
en irrelevante kennis, door het meeste wat we anders zouden waarnemen
of
ons zouden herinneren uit te sluiten, en slechts die kleine en speciale
selectie over te laten die praktisch bruikbaar lijkt" Volgens
zo'n
theorie is ieder van ons een potentiële Grote Geest. Maar
voor zover we dieren zijn, is het onze zaak tot elke prijs te overleven.(niet
voorzover we dieren zijn, maar zover we in deze maatschappij leven, in
dit gevecht op leven en dood, waarin we onze plaats moeten bevechten en
verdedigen, waarin we ons moeten aanpassen en zo een ander worden dan
we
eigenlijk zijn) Om een biologische
overleving (een
overling in deze onrechtvaardige maatschappij, waar het recht van de
sterkste
en slimste geldt) mogelijk te maken, moet de Grote Geest
door
de reduceerventiel van het brein en het zenuwstelsel getrechterd worden.(zodat
wij blind worden voor het krankzinnige spel dat wij met z'n allen
spelen
en doof voor alle ellende, zodat wij gedweeë medespelers,
kritiekloze
consumenten en onderdanige knechten worden) Wat er aan de
andere kant uitkomt is een armzalig stroompje van het soort bewustzijn
dat ons zal helpen te overleven op het oppervlak van juist deze
planeet. Om
de inhouden van dit gereduceerde bewustzijn te formuleren en uit te
drukken,
heeft de mens die symboolsystemen en onuitgesproken filosofieën
die
wij talen noemen, ontwikkeld en eindeloos uitgewerkt.(de
primaire funktie van de taal is om macht over de ander en de
buitenwereld
uit te oefenen) Ieder individu is tegelijkertijd de begunstigde
en het slachtoffer van de taalkundige traditie waarin hij is geboren - de
begunstigde
in
zoverre
als taal toegang geeft tot de geaccumuleerde
getuigenissen
van de ervaringen van anderen, het slachtoffer in zoverre dat het hem
bevestigd
in het geloof dat het gereduceerde bewustzijn het enige bewustzijn is
en
het zijn realiteitszin behekst, zodat hij maar al te graag zijn
opvattingen
voor feiten en zijn woorden voor echte dingen houdt. Dat wat in de taal
van de religie "deze wereld" genoemd wordt is het universum van een
gereduceerd
bewustzijn, uitgedrukt en als het ware versteend door de taal.
De verschillende "ander werelden"
waar
menselijke wezens al dwalend contact mee maken zijn even zovele
elementen
in de totaliteit van het bewustzijn dat tot de Grote Geest behoort. De
meeste
mensen
weten
meestal alleen maar wat door de reduceerventiel
passeert
en als onvervalst echt door de plaatselijke taal geheiligd wordt.
Sommige
personen echter, lijken met een soort van omleiding geboren te zijn die
de reduceerventiel ontduikt. Bij anderen kunnen tijdelijke omleidingen
of spontaan verworven worden, of zijn het resultaat van doelgerichte
"spirituele
oefeningen", van hypnose, of van de hulp van drugs. Door deze
permanente
of tijdelijke omleidingen vloeit dan inderdaad niet de waarneming "van
alles wat overal in het universum gebeurt" (want de omleiding schaft de
reduceerventiel, die nog steeds de totale inhoud van de Grote Geest
uitsluit,
niet af) maar iets meer dan, en bovenal iets verschillend van,
het
zorgvuldig geselecteerde utilitaire materiaal dat onze vernauwde,
individuele
geesten als een compleet, in ieder geval voldoende, beeld van de
werkelijkheid
beschouwen.
De hersenen
zijn voorzien
van een aantal enzymsystemen die ervoor dienen de werking ervan te
coördineren.
Een aantal van deze enzymen regelt de glucose-toevoer naar de
hersencellen.
Mescaline verhindert de productie van die enzymen en verlaagt op die
manier
de hoeveelheid glucose die voor een orgaan, dat een constante behoefte
aan suiker heeft, nodig is. Wat gebeurt er als mescaline het normale
rantsoen
aan suiker van de hersenen verlaagt? Er zijn te weinig gevallen
geobserveerd
en daarom kan een alomvattend antwoord nog niet gegeven worden. Maar
wat
er met de meerderheid van die enkelingen die mescaline onder toezicht
hebben
ingenomen gebeurt kan als volgt samengevat worden:
(1) Het
vermogen
tot herinnering en "logisch te denken" is weinig zo niet helemaal
verminderd.
(Als ik naar de opnamen van mijn conversatie onder invloed van de drug
luister, kan ik niet ontdekken dat ik toen ook maar iets dommer was dan
ik normaal ben.)
(2) Visuele
indrukken
worden hevig versterkt en het oog hervindt iets van de onschuldige
waarneming
van de kinderjaren, toen het zintuig nog niet onmiddellijk en
automatisch
ondergeschikt was aan de opvatting. Belangstelling in ruimte is
verminderd
en belangstelling in tijd zakt vrijwel tot nul.
(3) Hoewel
het intellect
onaangetast blijft en hoewel de waarneming enorm verbeterd is,
ondergaat
de wil een diepe verandering ten kwade. De mescaline-slikker ziet geen
enkele reden ook maar iets speciaals te doen en vindt de meeste redenen
waarvoor hij gewoonlijk bereid was te handelen en te lijden, volslagen
onbelangrijk. Hij kan zich daar niet mee bezig houden, om de goede
reden
dat hij wel wat beters heeft om aan te denken.
(4) Deze betere
dingen
kunnen, (zoals ik ze ervaren heb) "daarbuiten" of "hierbinnen" of in
beide
werelden, de binnen en de buiten, tegelijkertijd of opeenvolgend
ervaren
worden. Dat zij beter zijn wordt door alle mescaline-slikkers die met
een
gezonde lever en niet vertroebelde geest aan de drug beginnen, als
vanzelfsprekend
beschouwd.
Deze effecten
van mescaline
zijn van die soort dat je zou kunnen verwachten van de toediening van
een
drug die het vermogen heeft de doelmatigheid van de cerebrale
reduceerventiel
aan te tasten. Als de hersenen aan het eind van hun voorraad suiker
raken,
wordt het ondervoede ego zwak, kan zich niet meer bezig houden met het
ondernemen van noodzakelijke klusjes en verliest alle belangstelling
voor
die ruimtelijke en tijdelijke verhoudingen die voor een organisme, dat
er op uit is in de wereld vooruit te komen, zoveel betekenen. Wanneer
de
Grote Geest langs de niet langer waterdichte klep sijpelt beginnen er
allerlei biologisch (maatschappelijke!)nutteloze
dingen
te
gebeuren.
In sommige gevallen kunnen er buitenzinnelijke
waarnemingen
optreden. Andere personen ontdekken een wereld van een visionaire
schoonheid.
Weer anderen wordt de glorie, de oneindige waarde en zinvolheid van het
naakte bestaan, van het gegeven, onbegrijpelijke gebeuren, onthuld. In
het laatste stadium van de ego-loosheid is er een "verborgen weten" dat
Alles in alles is - dat in feite Alles iedereen is. Zo dichtbij is
het, voor zover ik het begrijp, dat een eindige geest ooit kan komen
tot
een "alles wat er overal in het universum gebeurt waar te nemen"
Hoe
veelbetekenend
is in dit kader de enorme verhoging onder invloed van mescaline van het
waarnemen van kleur! Voor sommige dieren is het biologisch zeer
belangrijk
dat zij staat zijn bepaalde kleurtinten te onderscheiden. Maar buiten
de
grenzen van hun utilitaire spectrum zijn de meeste schepsels totaal
kleurenblind.
Bijen besteden bijvoorbeeld hun meeste tijd aan het "onteren van de
frisse
maagden van het voorjaar"; maar zij kunnen zoals Von Frisch heeft
aangetoond,
maar heel weinig kleuren onderscheiden. De hoogontwikkelde kleurzin van
de mens is een biologische luxe - voor hem, als een intellectueel en
spiritueel
wezen, onschatbaar waardevol , maar niet noodzakelijk voor zijn biologische(maatschappelijke!)
overleving.
Te oordelen naar de adjectieven die Homerus in hun mond legt,
overtroffen
de helden van de Trojaanse oorlog in hun vermogen kleuren te
onderscheiden,
de bijen nauwelijks. Wat dat betreft is de vooruitgang(het
feit dat hij daar gevoelig voor is gebleven) van het mensdom
althans
wonderbaarlijk geweest.
Mescaline verheft
alle kleuren tot een hogere macht (laat
de
mens weer de kleuren zien zoals ze werkelijk zijn)en maakt de
waarnemer
van ontelbare fijne kleurnuanceverschillen bewust, waarvoor hij normaal
gesproken volledig blind is. Het lijkt erop dat voor de Grote Geest het
zogenoemde secundaire karakter van de dingen primair is. Anders dan bij
Locke, voelt het duidelijk dat kleuren belangrijker zijn, meer waard
zijn
er aandacht aan te besteden, dan massa's, posities en dimensies. Net
als
mescaline-gebruikers, ontwaren veel mystici bovennatuurlijke
stralende
kleuren, niet alleen met hun inwendige oog, maar zelfs in de objectieve
wereld rondom hen. Gelijkluidende mededelingen worden door
paranormalen
en mediums gedaan. Er zijn bepaalde mediums voor wie de voor de
mescaline-gebruiker
kortdurende openbaring , gedurende lange perioden, een zaak van dagen-
en urenlange ervaren is.
Laten we nu,
van deze
lange maar onmisbare uitwijding in het rijk van de theorie, terugkeren
naar de wonderbaarlijke feiten - vier rieten stoelpoten in het midden
van
een kamer. Net als de narcissen van Wordsworth, brachten zij alle
manieren
van rijkdom - de onschatbare gave van een nieuw onmiddellijk
inzicht
in de waarachtige Natuur van de Dingen, samen met een bescheidener
schat van begrip in het bijzonder op het gebied van de kunsten.
Een roos is een
roos
is een roos. Maar deze stoelpoten waren stoelpoten, waren Sint Michael
en alle engelen. Vier of vijf uur na het gebeuren, toen de effecten van
het suikertekort in de hersenen afnamen, werd ik meegenomen voor een
rondje
door de stad, wat ondermeer een bezoek, tegen zonsondergang, aan
waarvan
men eenvoudig beweert dat het Werelds Grootste Drug Store is, inhield.
Achter in de W.G.D.S stond temidden van het speelgoed, de wenskaarten
en
stripboeken, verrassend genoeg een rij kunstboeken. Ik pakte het eerste
boek dat bij de hand lag. Het was over Van Gogh en het schilderij
waarmee
het boek opende was "De Stoel" - het verbazingwekkende portret van een Ding
an
Sich, dat de krankzinnige schilder met een soort verheerlijkende
verschrikking zag en geprobeerd had op het doek over te brengen. Maar
het
was een taak waarvoor zelfs het vermogen van het genie volledig
ontoereikend
bewees te zijn. De stoel die Van Gogh gezien had was in wezen duidelijk
dezelfde die ik had gezien. Maar, hoewel onvergelijkbaar meer werkelijk
dan gewoon waargenomen stoelen, bleef de stoel in zijn schilderij niet
meer dan een ongewoon uitdrukkingssymbool van het feit. Het feit
was
een gemanifesteerd Zo-Zijn geweest; dit was slechts een zinnebeeld.Zulke
zinnebeelden zijn bronnen van ware kennis over de Natuur van de Dingen (zinnebeelden
kunnen wel ergens naar verwijzen, maar zijn nooit bronnen van
kennis.Kunst
is per definitie onecht, het woord zegt het zelf, en is altijd een slap
aftreksel van de werkelijkheid. Elke kunstuiting is een produkt van de
vervreemding van de kunstenaar), en deze ware kennis zou kunnen
dienen om de geest voor te bereiden op onmiddellijke inzichten voor
eigen
rekening. Maar daar blijft het bij. Hoe veelzeggend symbolen ook kunnen
zijn, zij kunnen nooit de dingen zijn waar ze voor staan.
Het zou in dit
verband
interessant zijn een studie van de kunstwerken die de grote kenners van
het Zo-Zijn ter beschikking stonden te maken. Naar wat voor
schilderijen
heeft Eckehart gekeken? Wat voor beeldhouwwerken en schilderijen hebben
een rol gespeeld in de religieuze ervaring van St. Johannes van het
Kruis,
van Hakuin, van Hui-neng, van William Law? De beantwoording van die
vragen
ligt buiten mijn vermogen; maar ik heb een sterk vermoeden dat de
meeste
van die grote kenners van het Zo-Zijn weinig aandacht aan kunst
geschonken
hebben - sommigen hebben geweigerd om er ook maar iets mee te maken
te hebben, anderen hebben zich tevreden gesteld met wat een kritisch
oog
als tweederangs, of zelfs tienderangs werken zou hebben beschouwd.
(voor
een persoon van wie de verheerlijkte en verheerlijkende geest het Al in
al ditgene kan zien, zal het eersterangse of tienderangse van
zelfs
een religieuze schildering een zaak van opperste onverschilligheid
zijn)
Ik veronderstel dat Kunst slechts voor beginners is, of anders voor
die vastberaden doodlopers die hun geesten erop ingesteld hebben
tevreden
te zijn met het Ersatz van Zo-Zijn, liever met de symbolen dan
met
wat zij betekenen, met het smaakvol gecomponeerde recept in plaats van
het diner zelf.
Ik zette de Van
Gogh
terug in zijn rek en pakte het boek dat ernaast stond. Het was een boek
over Botticelli. Ik sloeg de bladzijden om. "De Geboorte van Venus" -
nooit
een van mijn favorieten. "Mars en Venus," die door die arme Ruskin op
het
toppunt van zijn langdurige seksuele tragedie zo hartstochtelijk
verketterde
verrukkelijkheid. De magnifiek rijke en ingewikkelde "Lastering van
Apelles."
En toen een wat minder bekend en niet erg goed schilderij, "Judith".
Mijn
aandacht werd geboeid en ik staarde gefascineerd, niet naar de bleke
neurotische
heldin of haar dienaar, niet naar het harige hoofd van het slachtoffer
of het lentelandschap op de achtergrond, maar naar het paarsachtige
zijde
van Judith's geplooide lijfje en lange door de wind bewogen rokken.
Dit was iets
dat ik
eerder had gezien - diezelfde morgen had gezien, tussen de bloemen en
de
meubels, toen ik per ongeluk naar beneden keek, en zomaar
hartstochtelijk
bleef staren naar mijn eigen gekruiste benen. Die plooien in mijn broek
- wat een labyrint van oneindige betekenisvolle ingewikkeldheid! En het
weefsel van het grijze flanel - hoe rijk, hoe diep geheimzinnig
weelderig!
En hier waren ze opnieuw in Botticelli's schilderij.
Beschaafde
menselijke
wezens dragen kleren en daarom kan er geen portret, geen mythologische
of historische vertelling zijn zonder afbeeldingen van gevouwen geweven
stoffen. Maar hoewel het als de bronnen beschouwd wordt, kan alleen het
kleermaken nooit de overdadige ontwikkeling van het draperen als
hoofdthema
van alle beeldende kunsten verklaren. Het is overduidelijk dat
kunstenaars
altijd van het draperen op zich gehouden hebben - of liever omwille van
zichzelf. Als je geplooide stoffen schildert of beeldhouwt, schilder of
beeldhouw je voor alle gemak vormen die niet representatief zijn - het
soort van onvoorwaardelijke vormen waarin kunstenaars zich, zelfs in de
meest naturalistische traditie schijnen uit te leven. In de gemiddelde
Madonna of Apostel is het echt menselijke, geheel representatieve
element
maar voor tien procent van het geheel verantwoordelijk. De hele rest
bestaat
uit vele gekleurde variaties op het onuitputtelijke thema van
verkreukelde
wol of linnen. En dit niet representatieve negentiende van een Madonna
of een Apostel kan misschien kwalitatief net zo belangrijk zijn als
kwantitatief.
Heel vaak zetten ze de toon van het hele kunstwerk, bepalen ze de
sleutel
waarin het thema is weergegeven, drukken de stemming uit, het
temperament
en de levenshouding van de kunstenaar. Stoïcijnse sereniteit
openbaart
zichzelf in de gladde oppervlakken, de brede ongekwelde vouwen van
Piero's
draperieën. Verscheurd tussen feit en wens, tussen cynisme en
idealisme,
verzacht Bernini de bijna karikaturale waarheidsgetrouwheid van zijn
gezichten
met reusachtige kleermakers-abstracties, die de belichaming, in steen
of
brons, van de altijddurende gemeenplaatsen van de retoriek zijn - het
heldendom,
de heiligheid, de verhevenheid waar de mens, onophoudelijk, grotendeels
tevergeefs, naar streeft. En hier zijn El Greco's verontrustende tot
het
binnenwerk behorende rokken en mantels; hier zijn de scherpe,
verstrengelde,
vlammige vouwen waarin Cosima Tura zijn figuren kleedt: in het begin
bezwijkt
de traditionele spiritualiteit in een naamloos fysiologisch smachten;
vervolgens
is er een ineenkrimpen van een hartverscheurend besef van de wezenlijke
vreemdheid en vijandigheid van de wereld. Of kijk naar Watteau; zijn
mannen
en vrouwen spelen luit, maken zich klaar voor bals en harlekinades,
schepen
zich, op fluwelen grasvelden en onder edele bomen, in voor de Cythera
van
iedere minnaar's droom; hun immense melancholie en de gehekelde,
gefolterde
gevoeligheid van hun schepper vindt zijn uitdrukking, niet in de
getoonde
handelingen, niet in de gebaren en geportretteerde gezichten, maar in
het
reliëf en weefsel van hun tafzijden rokken, hun satijnen capes en
wambuizen. Hier geen centimeter glad oppervlak, geen moment van vrede
of
vertrouwen, alleen een zijden wildernis van ontelbare kleine plooien en
rimpels, met een onophoudelijk moduleren - innerlijke onzekerheid met
de
volmaakte zekerheid van de hand van de meester neergezet - van toon op
toon, van de ene onbestemde kleur in de andere. De mens wikt en god
beschikt
in het leven. In de beeldende kunsten wordt het wikken gedaan door het
onderwerp; wat beschikt is uiteindelijk het temperament van de
kunstenaar,
naast (tenminste in de portretkunst, geschiedenis- en genre-kunst) de
gebeeldhouwde
of geschilderde draperie. Deze twee kunnen onder elkaar uitmaken of het
fête
galante tot tranen toe zal bewegen, dat een kruisiging tot een punt
van vrolijkheid sereen zal zijn, dat een stigmatisering bijna
onverdraaglijk
erotisch, dat de gelijkenis van een wonder van vrouwelijke
hersenloosheid
(ik denk nu aan Ingres' onvergelijkelijke Mme. Moitessier) de meest
strenge,
de meest compromisloze intellectualiteit zal uitdrukken.
Maar dit is
niet het
hele verhaal. Draperieën zijn, zoals ik nu ontdekt had, veel meer
dan middelen om niet representatieve vormen in naturalistische
schilderijen
en beeldhouwwerken in te brengen. Wat de rest van ons slechts onder
invloed
van mescaline ziet, dat is de kunstenaar aangeboren altijd te zien.
Zijn
waarneming is niet beperkt tot wat biologisch of maatschappelijk
bruikbaar
is. Een beetje van de kennis die aan de Grote Geest toebehoort sijpelt
langs de reduceerventiel van brein en ego in zijn bewustzijn. Het
is
de kennis van de intrinsieke betekenis van al het bestaande.
Net als voor de kunstenaar zijn ook voor de mescaline-gebruiker
draperieën
levende hiëroglyfen die op een of andere bijzondere veelzeggende
manier
staan voor het onpeilbare geheim van het zuivere zijn. Nog meer dan de
stoel, hoewel misschien minder dan die volledig bovennatuurlijke
bloemen, waren de vouwen van mijn grijze flanellen broek vol "Is-heid."
Ik kan niet zeggen, waaraan het deze bevoorrechte status ontleende. Is
het misschien omdat de vormen van gevouwen draperie zo vreemd en
dramatisch
zijn dat zij in het oog vallen en op die manier de aandacht op het
miraculeuze
feit van louter bestaan vestigen? Wie weet? Wat van belang is minder de
reden van de ervaring dan de ervaring zelf. Toen ik naar Judith's
rokken tuurde, daar in de Grootste Drug Store ter Wereld, wist ik dat
Botticelli
- en niet alleen Botticelli, maar ook vele anderen - naar de
draperieën
gekeken hadden met dezelfde verheerlijkte en verheerlijkende ogen als
de
mijne die ochtend waren geweest. Zij hadden de Istigkeit, het
Alzijn
en Oneindigheid van gevouwen kleren gezien en hadden hun best gedaan om
het in verf of steen weer te geven. Natuurlijk noodzakelijkerwijs,
zonder
sukses. Want de glorie en het wonder van zuiver bestaan horen tot
een
andere orde, voorbij het Vermogen waarmee zelfs de hoogste kunst kan
uitdrukken.
Maar in Judith's rok kon ik duidelijk zien wat ik, als ik een geniale
schilder
was geweest, van mijn oude grijze flanel had kunnen maken. Niet veel,
de
hemel weet het, in vergelijking met de werkelijkheid, maar genoeg om
generatie
na generatie van toeschouwers te verrukken, genoeg om hen tenminste een
beetje van de ware betekenis van wat wij in onze zielige imbeciliteit
"slechts
dingen" noemen en veronachtzamen terwijl van de televisie, te laten
begrijpen.
"Dit is
zoals men
eigenlijk zou behoren te zien," bleef ik zeggen toen ik op mijn
broek
neerkeek, of een blik wierp op de bejuweelde boeken in de kasten, naar
de poten van mijn oneindig meer dan Van Goghiaanse stoel. "Zo zou
men
eigenlijk moeten zien, hoe de dingen werkelijkheid zijn." En toch
waren
er reserves. Want als iemand altijd op deze manier zou zien, zou
hij
nooit
meer
iets anders willen doen. Alleen maar kijken, alleen
het goddelijke Niet-Ik van bloem, boek, stoel of flanel, zijn.
Dat zou genoeg zijn. Maar hoe zou het in dat geval met andere mensen
moeten?
Hoe met menselijke relaties? In de opnamen van de gesprekken die morgen
vind ik de vraag voortdurend herhaald "Hoe is het nu met menselijke
verhoudingen?' Hoe
zou iemand deze tijdloze gelukzaligheid van zien zoals men eigenlijk
zou
moeten zien kunnen rijmen met de tijdelijke plichten van te doen wat
men
eigenlijk moet doen en te voelen wat men eigenlijk zou moeten voelen?
" (dat is inderdaad het onverenigbare van twee
werelden.
De Ware Wereld van het zijn, onafhankelijheid, vrijheid, genieten en
niet-doen
en de kunstmatige wereld bepaald door verleden en toekomst, door
worden,
plichten en rechten, afhankelijkheid en verantwoordelijkheden, van
schuld
en boete) Men zou in staat moeten zijn," zei ik, "om deze
broek als oneindig belangrijk te zien en menselijke wezens als nog veel
oneindiger belangrijk." Men zou moeten - maar in de praktijk
lijkt
het onmogelijk te zijn. De deelname aan de geopenbaarde glorie van
de
dingen lieten geen ruimte, zogezegd, voor de gewone en noodzakelijke
bezigheden
van het menselijke(maatschappelijke)
bestaan,
bovenal in de aangelegenheden met betrekking tot andere personen. Want
Personen zijn Ikken en tenminste in een opzicht, was ik nu een Niet-Ik,
die tegelijkertijd het Niet-Ik van de dingen rondom mij zag en was.
Voor
dit wedergeboren Niet-Ik, was het gedrag, de verschijning, zelfs de
gedachte
aan het Ik voor een ogenblik opgehouden en denken aan die andere Ikken,
zijn voormalige soortgenoten, leek niet alleen onaangenaam (want
onaangenaam
was niet een van de categorieën waarin ik dacht) maar ontzaglijk
irrelevant.(relaties
in deze maatschappij worden gekenmerkt door wederzijdse
afhankelijkheid,
leven met elkaars eigenaardigheden en tekortkomingen, compromissen,
voor
wat hoort wat, machtsspelletjes, onbewuste manipulatie, eigenbelang en
onvrijheid.Dat noemen mensen dan liefde. Belangeloze liefde is niet van
deze wereld, want dat is allen mogelijk tussen twee vrije mensen, die
elkaar
niet nodig hebben) Aangespoord door de onderzoeker om wat ik
aan
het doen was te analyseren en er verslag van te doen (en wat verlangde
ik er naar om met de Eeuwigheid in een bloem, Oneindigheid in vier
stoelpoten
en het Absolute in de vouwen van een flanellen broek alleen gelaten te
worden) realiseerde ik mij dat ik opzettelijk de ogen van diegenen die
bij mij in de kamer waren ontweek, en opzettelijk naliet mij te zeer
van
hen bewust te zijn. De ene was mijn vrouw, de ander een man die ik
respecteerde
en waar ik zeer op gesteld was; maar beiden behoorden tot de wereld,
waaruit
de mescaline mij voor een moment bevrijd had; de wereld van Ikken,
van
tijd, van morele oordelen en utilitaristische overwegingen, de wereld
(en
het was dit aspect van het menselijk leven dat ik boven alles wilde
vergeten)
van zelfbevestiging, van zelfverzekerdheid, van overgewaardeerde
woorden
en afgodisch aanbeden begrippen.
Op dit punt van
het
gebeuren werd mij een grote kleurreproductie van het bekende
zelfportret
van Cézanne overhandigd - het hoofd en de schouders van een man
met een grote strohoed, met rode wangen en lippen, met uitbundige
zwarte
bakkebaarden en een duister en onvriendelijk oog. Het is een prachtig
schilderij;
maar het was niet als een schilderij dat ik het nu zag. Want
onmiddellijk
nam het hoofd een derde dimensie aan en kwam als een kleine trolachtige
man tot leven, die door in raam in de bladzijde voor me naar buiten
keek.
Ik begon te lachen. En toen ze me vroegen waarom, bleef ik herhalen "Wat
een
pretenties!"
"Wie
ter wereld denkt hij wel dat hij is?" De vraag
was
niet in het bijzonder tot Cézanne gericht, maar tot de
menselijke
soort in het algemeen. Wie dachten ze allemaal dat ze wel waren?
"Het is net
Arnold
Bennett in de Dolomieten," zei ik, terwijl ik me plotseling een,
gelukkig
in een kiekje vereeuwigd, tafereel herinnerde van A.B. ongeveer vier of
vijf jaar voor zijn dood, kuierend over een winterse weg in Cortina
d'Ampezzo.
Rond hem lag de maagdelijke sneeuw en op de achtergrond was een meer
dan
gothisch streven van rode rotspunten. En daar was een beminnelijke,
aardige
ongelukkige A.B., die de rol van zijn favoriete ingebeelde karakter
bewust
overdreef, zichzelf, het Typetje in eigen persoon. Daar ging hij,
langzaam
kuierend in de stralende Alpenzon, zijn duimen in de armsgaten van een
geel vest dat een beetje lager uitbolde met de gracieuze boog van een
Regency
koepelvenster in Brighton - zijn hoofd achterover gegooid alsof hij een
of andere gestamelde voordracht, als een houwitser, naar het blauwe
hemelgewelf
richtte. Wat hij in werkelijkheid zei ben ik vergeten, maar wat zijn
hele
manier, voorkomen en houding eigenlijk uitschreeuwden was,"Ik ben net
zo
goed als die verdomde bergen." En op een of andere manier was hij
natuurlijk
oneindig beter; maar niet, zoals hij best wist, op de manier die zijn
favoriete
ingebeelde karakter zich graag verbeeldde.
Met (wat dat
ook moge
betekenen) of zonder succes, wij overdrijven allemaal ons favoriete
ingebeelde
karakter. En het feit, het bijna oneindig onwaarschijnlijke feit, van
het
in werkelijkheid Cézanne zijn, maakt geen verschil.. Want de
volmaakte
schilder, met zijn kleine pijpleiding die het breinventiel en
ego-filter
naar de Grote Geest omzeilt, was ook en even oprecht deze bebakkebaarde
trol met het onvriendelijke oog.
Ter opluchting
keerde
ik naar de vouwen in mijn broek terug. "Zo zou men moeten zien,"
herhaalde
ik nog eens. En ik zou er aan toe hebben kunnen voegen, "Dit is het
soort dingen waar men naar zou moeten kijken." Dingen zonder
pretenties,
tevreden met slechts zichzelf, genoeg in hun Zo-Zijn, niet gespeeld, en
zonder krankzinnig, afgescheiden van het Dharma-lichaam, in een
Luciferiaans
tarten van Gods genade, proberen het helemaal alleen te doen.
"Een Vermeer,"
zei
ik, "zou dit het meest benaderen".
Ja, een
Vermeer. Want
deze geheimzinnige kunstenaar was echt begiftigd met het zien dat het
Dharma-lichaam
als de haag achter in de tuin waarneemt, met het talent zoveel van dat
zien weer te geven als de beperkingen van het menselijk vermogen
toestaan,
en met de bedachtzaamheid zich in zijn schilderijen te beperken tot de
meer hanteerbare aspecten van de werkelijkheid; want hoewel Vermeer
menselijke
wezens afbeeldde, was hij toch altijd een schilder van het stilleven.
Cézanne,
die zijn vrouwelijke modellen vertelde dat zij hun best moesten doen er
als appels uit te zien, probeerde in dezelfde geest portretten te
schilderen.
Maar zijn pippelingachtige vrouwen hebben meer te maken met Plato's
Ideeën
dan met het Dharma-lichaam in de haag. Zij zijn Eeuwigheid en
Oneindigheid,
niet in zand of bloem gezien, maar in de abstracties van een of andere
zeer hogere meetkunde. Vermeer vroeg zijn meisjes nooit er als appels
uit
te zien. Hij stond er integendeel op dat zij tot het uiterste meisje
waren
- maar altijd onder het voorbehoud dat zij zich er van weerhielden
meisjesachtig
te zijn. Zij mochten zitten of rustig staan maar nooit giechelen, nooit
verlegenheid uitstralen, nooit gebeden opzeggen of smachten naar
afwezige
vrijers, nooit roddelen, nooit afgunstig naar baby’s van andere vrouwen
staren, nooit vuil worden, nooit liefhebben, haten of werken. Met het
doen
van een van deze dingen zouden zij ongetwijfeld intenser zichzelf
worden,
maar zouden om diezelfde reden ophouden met hun goddelijke wezenlijke
Niet-Ik
te tonen. Met de woorden van Blake waren de deuren van Vermeer's
waarneming
slechts gedeeltelijk gereinigd. Een enkel paneel was bijna volmaakt
doorzichtig
geworden; de rest van de deur was nog onder de modder. Het wezenlijke
Niet-Ik
zou zeer helder in de dingen en in levende schepsels aan gene zijde van
goed en kwaad waargenomen kunnen worden. Het was in menselijke wezens
alleen
zichtbaar als zij in rust waren, hun geesten onbekommerd, hun lichamen
onbeweeglijk. Onder deze omstandigheden kon Vermeer het Zo-Zijn in al
zijn
hemelse schoonheid zien - kon het zien en in zeer geringe mate
weergeven
- in een doordringend en weids stilleven. Vermeer is ongetwijfeld de
grootste
schilder van menselijke stillevens. Maar er zijn andere geweest
bijvoorbeeld
de Franse tijdgenoten van Vermeer, de gebroeders Le Nain. Zij stelden
zich
tot doel, meen ik, genreschilders te zijn; maar wat zij werkelijk
voortbrachten
was een reeks menselijke stillevens, waarin hun gereinigde waarneming
van
de oneindige betekenis van alle dingen niet, zoals bij Vermeer, wordt
weergegeven
door een doordringende verrijking van kleur en samenstelling, maar door
een verhoogde helderheid, een obsessieve bepaaldheid van vorm, met een
strenge, bijna monochromatische toonzetting. In onze eigen tijd hebben
we Vuillard gehad, de schilder, op zijn best, van onvergetelijk
prachtige
schilderijen van het Dharma-lichaam, geopenbaard in een bourgeois
slaapkamer,
van het Absolute opvlammen temidden van een of andere
effectenmakelaarsgezin,
dat in een voorstedelijke tuin, aan de thee is.
Ce qui fait que l'ancien
bandagiste renie
Le comptoir dont le faste
alléchait
les passants,
C'est son jardin d'Auteuil,
où,
veufs de tout encens,
Les Zinnias ont l'air d'être
en
tôle vernie.
Voor Laurent
Taillade
was het schouwspel alleen maar onzedelijk. Maar als de handelaar in
rubberartikelen
in ruste stil genoeg had gezeten, zou Vuillard in hem alleen maar het
Dharma-lichaam
gezien hebben en zou hij in de zinnia's, de goudvissenvijver, de Moorse
toren en Chinese lantaarns van de villa, een hoek van de Hof van Eden
voor
de val hebben geschilderd.
Maar
ondertussen bleef
mijn vraag onbeantwoord. Hoe zou deze gereinigde waarneming met een
passende betrokkenheid met menselijke relaties verzoend kunnen worden,
met de noodzakelijke werkzaamheden en plichten, om maar niet te spreken
van barmhartigheid en werkelijk mededogen?(juist
de
gereinigde
waarneming
doet je de medemens zien als datzelfde
onderdeel
van de werkelijkheid, al is hij zich daar zelf niet van bewust. Je ziet
hem dwalen, verstrikt in zijn eigen vooroordelen, onzekerheden,
gedreven
door drijfveren waar hij zich niet van bewust is en een krankzinnig
spel
spelen, waar hij zelf de regels niet van heeft gemaakt en in de illusie
dat dat het ware leven is. Dat kan alleen maar mededogen opwekken) De
eeuwenoude
woordenstrijd
tussen
de actieven en de comtemplatieven werd
hernieuwd - hernieuwd, voorzover het mij betrof, met een ongekende
bewogenheid.
Want tot op deze morgen had contemplatie alleen zijn eenvoudigere, zijn
gewonere vorm gekend - als onsamenhangend denken; als een verrukt
opgaan
in dichtkunst, schilderkunst of muziek; als een geduldig wachten op
inspiratie
zonder welke zelfs de meest prozaïsche schrijver niet kan hopen
ook
maar iets tot stand te brengen; als incidentele blikken in de Natuur,
van
Wordsworth's "iets veel diepers ineengesmoltens"; als een stelselmatige
stilte die soms tot zwemen van "duistere kennis" leidt. Maar nu kende
ik
beschouwing op zijn hoogtepunt. Op zijn hoogtepunt, maar nog niet in
zijn
volheid. Want in zijn volheid omvat de weg van Maria de weg van Martha
en verheft die, zogezegd, tot zijn eigen hogere kracht. Mescaline legt
de weg van Maria open, maar sluit de deur voor die van Martha. Het
geeft
toegang tot beschouwing - maar tot een beschouwing die niet verenigbaar
is met handelen en zelfs niet met de wil tot handelen, niet eens aan de
gedachte tot handelen. In de tussenpozen tussen die openbaringen is de
mescalinegebruiker geneigd, hoewel aan de ene kant alles ten hoogste is
zoals het zou moeten zijn, aan de andere kant te voelen dat er iets
verkeerd
is. Zijn probleem is in wezen hetzelfde als dat wat de quiëtist
tegenkomt,
de arhat en op een ander niveau de landschapschilder en de schilder van
menselijke stillevens. Mescaline kan dat probleem nooit oplossen, het
kan
het alleen, apocalyptisch, stellen aan diegenen die het zichzelf nog
nooit
tevoren had gesteld. De volledige en uiteindelijke oplossing kan
alleen
door diegenen gevonden worden, die bereid zijn de juiste manier van Weltanschauung
door middel van de juiste manier van gedrag en de juiste manier van
standvastige
en ontspannen waakzaamheid, te betrachten. Tegenover de
quiëtist
staat de actief-beschouwende, de heilige, de man die in de woorden
van
Eckehart, bereid is uit de zevende hemel neer te dalen met de bedoeling
zijn zieke broeder een kop water te brengen. Tegenover de arhat,
uit
de schone schijn teruggetrokken naar een volledig transcendentaal
Nirwana,
staat de Bodhisattva, voor wie Zo-Zijn en de wereld van toevallige
omstandigheden
één zijn, en voor wiens grenzeloze mededogen elk van die
omstandigheden niet alleen een gelegenheid om inzicht te herscheppen
is,
maar ook voor de meest feitelijke barmhartigheid. En in het
universum
van de kunst staat tegenover Vermeer en de andere Schilders van
menselijke
stillevens, tegenover de meesters van de Chinese en Japanse
landschapschilderkunst,
tegenover Constable en Turner, tegenover Sisley, Seurat en
Cézanne,
de alomvattende kunst van Rembrandt. Dit zijn kolossale namen,
ongenaakbare (maatschappelijke) grootheden.
Voor
mijzelf
kon
ik, op deze gedenkwaardige morgen in Mei, alleen maar
dankbaar zijn voor een ervaring die mij, duidelijker dan ik ooit eerder
had gezien, de ware aard van de uitdaging en het volledig
bevrijdende
antwoord had laten zien.
Laat ik er,
voor we
dit onderwerp verlaten, aan toevoegen dat er geen enkele vorm van
beschouwing,
zelfs niet de meest quiëtistische, is, die zonder zijn ethische
waarden
is. Minstens de helft van alle moraal is negatief en bestaat uit het
buiten
houden van onheil. Het Onze Vader telt minder dan vijftig woorden en
zes
van die woorden zijn gewijd aan de vraag aan God ons niet in verleiding
te brengen. De eenzijdige beschouwende mens laat vele dingen die
hij
eigenlijk zou moeten doen ongedaan; maar om dat goed te maken, onthoudt
hij zich van een menigte dingen die hij niet behoort te doen. De som
van
het kwaad, heeft Pascal opgemerkt, zou veel minder worden als mensen
alleen
maar zouden leren rustig in hun kamers te zitten. De beschouwende mens
wiens waarneming gereinigd is hoeft niet in zijn kamer te blijven. Hij
kan zich, zo volledig tevreden met het zien en een deel te zijn van de
goddelijke Orde van de Dingen, aan zijn zaken wijden, dat hij zelfs
nooit
in de verleiding komt zich aan de, wat Traherne "de lage Listen van de
Wereld" noemde, over te geven. Wanneer wij onszelf de enige erfgenamen
van het universum voelen, wanneer "de zee in onze aderen stroomt.....en
de sterren onze juwelen zijn," wanneer alle dingen als oneindig en
heilig
beschouwd worden, wat voor drijfveer kunnen we dan hebben voor hebzucht
of zelfbevestiging, voor het najagen van macht of treuriger vormen van
plezier? Het is aannemelijk dat beschouwende mensen geen gokkers,
koppelaars
of dronkaards worden; zij prediken doorgaans geen onverdraagzaamheid,
of
voeren oorlog; zij vinden het niet nodig de armen te bestelen, te
bedriegen
of te onderdrukken. En aan deze enorm negatieve deugden zouden we
een
andere die, hoewel moeilijk definieerbaar, zowel positief als
belangrijk
is, kunnen toevoegen. De arhat en de quiëtist mogen
dan
wel de beschouwing niet in zijn volheid uitoefenen; maar mochten ze die
in de praktijk brengen dan zouden ze verlichtende berichten van een
andere,
een transcendente streek van de geest, mee kunnen terugbrengen; en als
zij die het op zijn verhevenst uitoefenen zullen ze gidsen worden door
wie wat weldadige invloed vanuit die andere streek in de wereld van de
verduisterde zelven kan stromen, die chronisch sterven bij gebrek
daaraan.
In tussen had
ik mij,
op verzoek van de onderzoeker, van het portret van Cézanne
gekeerd
naar wat er binnen in mijn hoofd, gebeurde als ik mijn ogen sloot. Deze
keer was het landschap bijzonder weinig belovend. Het blikveld was
gevuld
met stralend gekleurde, doorlopend veranderende structuren, die uit
kunststof
of geëmailleerd blik gemaakt leken te zijn.
"Goedkoop,"
merkte
ik op. "Afgezaagd. Als dertien in een dozijn."
En al deze
vulgariteit
bevond zich in een gesloten en verkrampt universum.
"Het is alsof
je benedendeks
in een schip bent,'zei ik, "een dertien-in-een-dozijn-schip."
En terwijl ik
keek,
werd het overduidelijk dat dit dertien-in-een-dozijn-schip op een of
ander
manier verbonden was met menselijke pretenties, met het portret van
Cézanne,
met A.B. die, temidden van de Dolomieten, zijn favoriete ingebeelde
karakter
overdreef. Dit verstikkende inwendige van een stuiverswinkel-schip was
mijn eigen persoonlijke ik; deze prullerige mobielen waren mijn
persoonlijke
bijdrage aan het universum.
Ik voelde dat
de les
heilzaam was, maar het speet me desalniettemin dat die op dit moment en
in deze vorm toegediend moest worden. In de regel ontdekt de
mescalinegebruiker
een binnenwereld als een duidelijk gegeven, als vanzelfsprekend
"oneindig
en heilig," als die getransfigureerde buitenwereld die ik met mijn open
ogen had gezien. Vanaf het begin was mijn eigen geval anders geweest.
De
mescaline had mij tijdelijk met het vermogen begiftigd dingen met mijn
ogen gesloten te zien; maar het kon, of in ieder geval bij deze
gelegenheid
niet een innerlijk landschap openbaren dat in de verte vergelijkbaar
was
met bloemen, stoel of flanel "daarbuiten." Wat het me had
toegestaan
binnenin te ontwaren was niet het Dharma-lichaam, in beelden, maar mijn
eigen geest; geen Zo-Zijn, maar een stel symbolen - met andere woorden
een eigengemaakt surrogaat voor Zo-Zijn.
De meeste
visualiseerders
veranderen door mescaline in visionairen. Enkelen van hen - en dat zijn
er Misschien meer dan over het algemeen wordt aangenomen - hebben geen
transformatie nodig; zij zijn altijd visionairen. Het mentale soort
waar
Blake toe behoorde is zelfs in de geïndustrialiseerde stedelijke
gemeenschappen
van tegenwoordig, tamelijk wijd verspreid. Het unieke van de
dichter-kunstenaar
bestaat niet in het feit dat hij (om uit zijn Descriptive Catalogue
te
citeren ) werkelijk "die schitterende oorspronkelijke wezens die in de
Heilige Schriften de Cherubijnen genoemd" zag. Het bestaat
niet
uit het feit dat "deze schitterende oorspronkelijke wezens, die ik in
mijn
visioenen zag, waarvan sommigen honderd voet hoog waren .....allen een
mythologische en verborgen betekenis bevatten." Het bestaat enkel uit
zijn
bekwaamheid om in woorden of (wat minder geslaagd) in lijn en kleur in
ieder geval enige zweem van een niet buitensporig ongewone ervaring af
te beelden. De niet getalenteerde visionair mag dan een niet minder
geweldige,
prachtige en betekenisvolle innerlijke werkelijkheid dan de door Blake
aanschouwde wereld, waarnemen; maar hij mist ten ene male het
vermogen,
in literaire of beeldende symbolen, uit te drukken wat hij heeft
gezien.
Uit de
getuigenissen
van religie en de overgeleverde monumenten van dichtkunst en de
beeldende
kunsten is het zeer duidelijk dat mensen, in de meeste tijden en op de
meeste plaatsen, meer belang hebben gehecht aan het innerlijke
landschap
dan aan de objectief bestaande dingen en hebben gevoeld dat wat zij met
hun ogen gesloten zagen een spiritueel hogere betekenis bezat dan wat
zij
met hun ogen open zagen. De reden? Bekend maakt onbemind en hoe te
overleven
is een probleem dat zich noodzakelijkerwijs beweegt tussen het
chronisch
saaie en het ondragelijke. De buitenwereld is waarin wij elke morgen
van
ons leven ontwaken, is de plaats waar wij of het willen of niet, moeten
proberen iets van ons leven te maken. In de binnenwereld is werk noch
eentonigheid.
Wij bezoeken die alleen in onze dromen en overpeinzingen, en de
vreemdheid
ervan is zodanig dat we nooit op twee opeenvolgende gelegenheden
dezelfde
wereld vinden. Is het dan te verwonderen dat als mensen in hun zoeken
naar
het goddelijke er in het algemeen de voorkeur aan hebben gegeven naar
binnen
te kijken? In het algemeen, maar niet altijd! Niet minder in hun
kunst
dan in hun religie hebben de Taoïsten en de Zen-Boeddhisten
voorbij
visioenen van de Leegte gekeken, en door de Leegte naar "de tienduizend
dingen" van de objectieve werkelijkheid. Door hun leer van "het Woord
is
Vlees geworden" zouden de Christenen vanaf het begin in staat geweest
moeten
zijn een dergelijke houding ten opzichte van het universum rondom hen
aan
te nemen. Maar door de leer van de Zondeval hebben zij het erg moeilijk
gevonden dat te doen. Nog geen driehonderd jaar geleden was een
getuigen
van een radicale wereldverloochening en zelfs wereld-veroordeling zowel
orthodox als begrijpelijk. "Wij zouden ons over volstrekt niets in de
Natuur
mogen verwonderen, behalve alleen over de Vleeswording van Christus."
In
de zeventiende eeuw leek die uitspraak van Lallemant zinvol.
Tegenwoordig
is het een teken van waanzinnigheid.
In China vond
de opkomst
van de landschapschilderkunst tot de graad van een grote kunstvorm
ongeveer
duizend, in Japan ongeveer zeshonderd en in Europa ongeveer driehonderd
jaar geleden plaats. De vergelijking van het Dharma-lichaam met de haag
werd door die Zenmeesters gemaakt, die het Taoïstische naturalisme
paarden aan het Boeddhistische transcendentalisme.Daarom was het alleen
in het verre Oosten dat de landschapsschilders hun kunst bewust als
religieus
beschouwden. In het Westen was het religieuze schilderen een zaak van
het
portretteren van heilige personages, van het illustreren van gewijde
teksten.
Landschapsschilders beschouwden zichzelf als wereldlijk. Tegenwoordig
herkennen
we in Seurat een van de voortreffelijkste meesters van wat mystiek
landschapsschilderen
genoemd zou kunnen worden. En toch werd deze man, die
doeltreffender
dan wie dan ook, in staat was het Ene in de velen weer te geven,
helemaal
verontwaardigd als iemand hem voor de "poëzie" van zijn werk
prees.
"Ik gebruik alleen maar het Systeem," wierp hij tegen. Hij was met
andere
woorden slechts een pointilliste en, in zijn eigen ogen, niets
anders.
Een vergelijkbare anekdote wordt van John Constable verteld. Op
een dag tegen het einde van zijn leven ontmoette Blake Constable in
Hampstead
en men liet hem een van de schetsen van de jongere kunstenaar zien.
Ondanks
zijn minachting voor naturalistische kunst begreep de oude visionair
het
heel goed toen hij het zag - tenzij het natuurlijk van Rubens geweest
was.
"Dit is geen tekenen," riep hij uit, "dit is inspiratie!" "Ik had het
als
tekenen bedoeld," was het karakteristieke antwoord van Constable. Beide
mannen hadden gelijk. Het was tekenen, precies en
waarheidsgetrouw,
en tezelfdertijd washet inspiratie - inspiratie van een
minstens
even hoge orde als die van Blake. De grove dennen van Hampstead Heath
waren
in werkelijkheid hetzelfde gezien als het Dharma-lichaam. De schets was
een weergave, noodzakelijkerwijs onvolmaakt maar toch zeer
indrukwekkend,
van wat een gereinigde waarneming voor de open ogen van een groot
schilder
had geopenbaard. Van een beschouwen in de traditie van Wordsworth en
Whitman,
van het Dharma-lichaam als haag, en van visioenen als van Blake, van de
"prachtige oorspronkelijken" in de geest, hebben contemporaine dichters
zich teruggetrokken in een onderzoek naar het persoonlijke, als het
tegenovergestelde
van het meer dan persoonlijke, onderbewuste en in het in zeer abstracte
termen weergeven niet van het gegeven objectieve feit maar van louter
wetenschappelijke
en theologische begrippen. En iets dergelijks is met de inhoud van het
schilderen gebeurd, waar we van een algemene terugtocht van het
landschap
getuige zijn geweest, de overheersende kunstvorm van de negentiende
eeuw.
Die terugtocht uit het landschap heeft niet geleid naar dat andere,
innerlijke,
goddelijke Gegeven, waarmee de meeste traditionele scholen van het
verleden
zich bezig gehouden hebben, die Archetypische Wereld, waar mensen
altijd
de ruwe grondstoffen van mythe en religie gevonden hebben. Nee, het is
een terugtocht van het uiterlijke Gegeven naar het persoonlijke
onbewuste
geweest, naar een zelfs armoediger en geslotener mentale wereld dan de
wereld van een bewuste persoonlijkheid. Waar had ik deze uitvindsels
van
prullig en felgekleurd plastic eerder gezien? In elk schilderijenmuseum
dat de laatste voorstellingsloze kunst tentoonstelt.
En nu haalde
iemand
een grammofoon te voorschijn en legde een plaat op de draaischijf. Ik
luisterde
met plezier, maar ervoer niets vergelijkbaars aan de apocalyps van
bloemen
of flanel, die ik gezien had. Zou een van nature begaafde musicus de
openbaringen,
die voor mij uitsluitend visueel geweest waren, horen ? Het
zou
interessant zijn de proef op de som te nemen. Intussen droeg de muziek,
hoewel niet getransfigureerd en ofschoon zij haar normale kwaliteit en
intensiteit behield, er niet in geringe mate toe bij dat ik begreep wat
er gebeurd was en aan de verdere problemen die deze gebeurtenissen
hadden
opgeroepen..
Vreemd genoeg
liet
instrumentele muziek me nogal koud. Mozart's Piano Concert in C-Mineur
werd na het eerste deel afgebroken en daarvoor kwam de opname van een
paar
madrigalen van Gesualdo in de plaats
"Deze stemmen,"
zij
ik waarderend, "deze stemmen - zijn als een soort brug terug naar de
menselijke
wereld."
En zij bleven
een brug
terug, ook toen zij de meest ontstellende chromatische composities van
de krankzinnige prins zongen. Door de ongelijkmatige frasen van de
madrigalen
heen, vervolgde de muziek zijn weg, zonder ooit twee maten aan dezelfde
sleutel te blijven hangen. In Gesualdo, dat fantastische personage uit
een melodrama van Webster, was de psychologische ontbinding overdreven,
tot een uiterste grens gedreven, een tendens die inherent is aan modale
in tegenstelling tot volledig tonale muziek. De daaruit voortgekomen
werken
klonken alsof zij door de latere Schönberg gecomponeerd waren.
"En toch,"
voelde ik
mijzelf verplicht te zeggen, toen ik naar deze vreemde voortbrengselen
van een Contra-reformatie-psychose luisterde, die op een laat
middeleeuwse
kunstvorm inwerkte, "en toch maakt het niet uit dat hij volledig
in stukken uiteenligt. Het geheel is ontregeld. Maar elk afzonderlijk
fragment
klopt en is een vertegenwoordiger van een Hogere Orde. De Hoogste Orde
overheerst zelfs in de desintegratie. De totaliteit is zelfs in de
brokstukken
aanwezig. Misschien zelfs duidelijker aanwezig dan in een compleet
samenhangend
werk. In ieder geval word je niet door een of andere slechts
menselijke,
slechts gefabriceerde orde in een gevoel van valse zekerheid gesust. Je
moet afgaan op je directe waarneming van de ultieme orde. In
zekere
zin kan desintegratie dus zijn voordelen hebben. Maar het is natuurlijk
gevaarlijk, afschuwelijk gevaarlijk. Stel je voor dat je uit die chaos
niet terug zou kunnen komen...."(zoals een
pop
eerst moet desintegreren om een vlinder te worden, moet de mens ook
eerst
desintegreren, zijn schijnzekerheden opgeven, zijn twijfels aan zijn
eigen
spelregels toe durven laten, zijn kunstig geconstrueerde
overlevingsstrategieën,
zijn altijd goedgeprate zelfbedrog, zijn onwaarachtigheid en onechtheid
onder ogen durven te zien, voordat hij zich daarvan kan bevrijden. Wie
niet beseft dat hij gevangen zit, kan nooit bevrijd worden. In onze
ppsychiatrische
inrichtingen zitten diegenen die op weg naar die Andere Wereld het
spoor
zijn bijster geraakt, omdat zij tegen de stroom durfden in te zwemmen
en
voor gek werden verklaart.)
Van Gesualdo's
madrigalen
sprongen wij over een golf van drie eeuwen naar Alban Berg en de Lyrische
Suite.
"Dit" kondigde
ik van
tevoren aan, "gaat de hel worden."
Maar het bleek
dat
ik het bij het verkeerde eind had. De muziek klonk in werkelijkheid
nogal
grappig. Opgedregd uit het persoonlijke onbewuste volgde twaalftonige
zielenstrijd
op zielenstrijd; maar wat me trof was alleen maar de wezenlijke
tegenstrijdigheid
tussen een nog totalere psychologische desintegratie dan die van
Gesualdo
en de verbazingwekkende hulpmiddelen, in talent en techniek, die bij de
uitdrukking ervan gebruikt waren.
"Wat heeft hij
met
zichzelf te doen!" merkte ik met een spottend gebrek aan medegevoel op.
En daarna, "Katzenmusik—geleerde Katzenmusik." En
tot
slot, na nog een paar minuten van foltering, "Het zal me een zorg zijn
wat zijn gevoelens zijn. Waarom kan hij zijn aandacht niet aan wat
anders
besteden?"
Het was als
kritiek
op wat ongetwijfeld een zeer opmerkelijk werk is, oneerlijk en
onredelijk
- maar ik denk niet ontoepasselijk. Ik haal het aan voor wat het
waard
is en omdat ik zo, in een toestand van volledige beschouwing, op de Lyrische
Suite
reageerde.
Toen het
voorbij was,
stelde de onderzoeker een wandeling in de tuin voor. Ik wilde wel; en
hoewel
mijn lichaam zich bijna volledig van mijn geest had afgescheiden - of
preciezer,
hoewel mijn bewustzijn van de getransfigureerde buitenwereld niet
langer
vergezeld werd door het bewustzijn van mijn fysieke organisme - bleek
ik
in staat op te staan, de openslaande deur te openen en met slechts een
minieme aarzeling naar buiten te lopen. Het was natuurlijk raar het
gevoel te hebben dat "ik" niet hetzelfde was als deze armen en benen
"daar
buiten" als deze hele objectieve romp en nek en zelfs hoofd. Het was
raar;
maar ik raakte er al gauw aan gewend. En het lichaam leek in ieder
geval
uitstekend in staat op zichzelf te letten. In werkelijkheid let het
natuurlijk
altijd goed op zichzelf. Alles wat het bewuste ego kan doen is wensen
formuleren
die dan door krachten die het maar weinig onder controle heeft en
helemaal
niet begrijpt, uitgevoerd worden. Als het iets meer doet - als het te
zeer
zijn best doet, wanneer het zich bijvoorbeeld zorgen maakt, als het
bezorgd
voor de toekomst is - vermindert het de effectiviteit van die krachten
en kan er zelfs voor zorgen dat het van zijn levenskracht beroofde
lichaam
ziek wordt. In mijn huidige toestand was het bewustzijn niet toe te
schrijven aan het ego; het stond zogezegd op zichzelf. Voorlopig
was
dat bemoeizuchtige neurotische dat, in uren van waken de show probeert
te stelen, zalig uit de weg.
Ik wandelde
door de
openslaande deuren naar buiten onder een soort pergola die deels door
een
klimroos bedekt was, deels door latjes van een paar centimeter breed
met
een centimeter tussenruimte. De zon scheen en de schaduw van de latjes
maakten een zebra-achtig patroon op de grond en over de zitting en
rugleuning
van een tuinstoel die aan deze kant van de pergola stond. Zal ik die
stoel
ooit vergeten? Waar de schaduwen op de canvas bekleding vielen,
wisselden
strepen van een diep maar stralend indigo elkaar af met strepen van een
zo intens stralend gloeien dat het nauwelijks te geloven was dat die
uit
iets anders dan uit blauw vuur gemaakt waren. Gedurende wat een immens
lange tijd leek, staarde ik zonder te weten, zelfs zonder willen weten,
naar wat het was dat zich tegenover mij bevond. Bij elke andere
gelegenheid
zou ik de stoel afwisselend met licht en schaduw gestreept hebben
gezien.
Vandaag had het waargenomene de voorstelling verzwolgen. Ik was zo
volledig
in beslag genomen door het kijken, zo overdonderd door wat ik in
werkelijkheid
zag, dat ik me van niets anders bewust kon zijn. Tuinmeubels,
latjes,
zonlicht, schaduw - dat waren niet meer dan namen en begrippen, slechts
verwoordingen, voor gebruiks- of wetenschappelijke doeleinden,
naderhand.
Het gebeuren was deze opeenvolging van azuren ovendeuren gescheiden
door
golven van onpeilbaar gentiaan. Het was onuitsprekelijk prachtig,
prachtig
bijna op het afschrikwekkende af. En plotseling kreeg ik een flauw
vermoeden
van hoe het zou moeten voelen gek te zijn. Schizofrenie heeft zowel
zijn
hemels als zijn hellen en vagevuren. Ik herinnerde me wat een oude
vriend die al jaren dood is, mij over zijn krankzinnige vrouw vertelde.
Hij was op een dag, in een vroeg stadium van de ziekte, toen zij nog
haar
heldere ogenblikken had, met haar begonnen over hun kinderen te praten.
Ze luisterde een tijdje en viel hem toen in de rede. Hoe kon hij het
opbrengen
zijn tijd te verdoen aan een paar afwezige kinderen , als alles wat er
werkelijk hier en nu toe deed, de onuitsprekelijke schoonheid van de
patronen
was, die hij, in zijn bruine tweedjasje, telkens wanneer hij zijn armen
bewoog, maakte? Helaas was dit Paradijs van de gereinigde waarneming,
van
een zuiver eenzijdige beschouwing, onverdraaglijk. De gelukzalige
onderbrekingen
werden zeldzamer, werden korter, tot er tot slot geen meer waren; er
was
alleen nog maar afgrijzen.
De meeste
mescaline-slikkers
ervaren alleen het hemelse deel van de schizofrenie. De drug brengt
alleen
hel en vagevuur aan diegenen die kortgeleden nog geelzucht hebben
gehad,
of die aan periodieke depressies of chronische angsten lijden. Als
mescaline,
zoals de andere in kracht wat vergelijkbare drugs, opvallend toxisch
zou
zijn, zou het innemen op zich al genoeg zijn om onrust op te wekken.
Maar
de redelijk gezonde persoon weet van tevoren dat, voor zoverre het om
hem
gaat, mescaline volledig onschadelijk is, dat de effecten ervan na acht
of tien uur zullen verdwijnen en geen kater zal opleveren en
dientengevolge
geen verlangen naar een nieuwe dosis. Gesterkt door deze wetenschap,
laat
hij zich onbevreesd in met het experiment - met andere woorden, zonder
neiging een ongekend vreemde en anders dan een menselijke ervaring in
iets
ontzettends, iets werkelijks duivels te veranderen.
Geconfronteerd
met
een stoel die er als het Laatste Oordeel uitzag - of
nauwkeuriger,
met het Laatste Oordeel dat ik na een hele tijd en nogal wat moeite als
een stoel herkende - bevond ik me opeens op de rand van paniek. Plotseling
voelde
ik
dat
dit te ver ging. Te ver, zelfs nu het naar een intensere
schoonheid en diepere betekenis voerde. Het was, naar ik achteraf
analyseerde,
de angst verpletterd te worden of te desintegreren onder de druk van
een
werkelijkheid, groter dan een geest die meestal gewend is in een
behaaglijke
wereld van symbolen te leven, mogelijk zou kunnen dragen. De
litteratuur
van de religieuze ervaring wemelt van de verwijzingen naar de pijnen en
verschrikkingen waar diegenen, die te overijld van aangezicht tot
aangezicht
met een openbaring van het Mysterium tremendum stonden, door
overstelpt
werden. De angst is, in theologische taal, te wijten aan de
onverenigbaarheid
tussen de zelfverheerlijking van de mens en de goddelijke zuiverheid,
tussen
de door de mens zelf verergerde afgescheidenheid en de oneindigheid van
God.. In navolging van Boehme en William Law, zouden we kunnen zeggen
dat
het goddelijke Licht in zijn volle gloed, door niet herboren zielen,
slechts
als een brandend vagevuur opgevat kan worden. Een vrijwel
gelijkluidende
leer kan men in het Tibetaanse Dodenboek vinden, waar
de
heengaande ziel als in doodsangst krimpend voor het Zuivere Licht van
de
Leegte beschreven wordt en zelfs voor de mindere, getemperde Lichten,
ten
einde regelrecht de vertroostende duisternis van de zelfzucht van een
herboren
menselijk wezen in te vluchten, of zelfs als van een beest, een
ongelukkig
spook, een bewoner van de hel. Alles liever dan de brandende
helderheid
van een grenzeloze Werkelijkheid - alles liever!
De schizofreen
is een
niet alleen niet wedergeboren ziel, maar ook nog eens wanhopig ziek.
Zijn
ziekte bestaat uit zijn onmacht uit de inwendige en uitwendige
werkelijkheid
te vluchten (zoals de geestelijk gezonde (de
persoon die bereid is zich aan te passen) persoon doorgaans
doet)
- de strikte menselijke(maatschappelijke) wereld
van bruikbare begrippen, gedeelde symbolen en maatschappelijk
aanvaardbare
conventies. De schizofreen is als iemand die doorlopend onder
invloed
van mescaline is en daardoor niet in staat is het ervaren van een
werkelijkheid,
waarvoor hij niet heilig genoeg is om mee te leven, buiten te sluiten,
die hij niet weg kan redeneren omdat het de koppigste van alle primaire
feiten is, en die hem, omdat het hem nooit toestaat met alleen maar
menselijke
ogen naar de wereld te kijken, te bang maakt om de aanhoudende
vreemdheid
en de brandende intensiteit van haar betekenis, als de uitingen van
menselijke
of zelfs kosmische boosaardigheid te interpreteren en die de meest
wanhopige
tegenmaatregelen oproept, van moorddadig geweld aan het ene uiteinde
tot
katatonie, of psychologische zelfmoord aan het ander uiteinde van de
schaal.
En eenmaal op de neerwaartse (opwaartse),
de weg naar de hel (hemel),
zou
men
nooit
meer in staat zijn halt te houden. Dat nu, was maar al te
duidelijk.
"Als je op de
verkeerde
manier begint," antwoordde ik op de vragen van de onderzoeker, "dan zou
alles wat er zou gebeuren een bewijs voor de samenzwering tegen jou
zijn.
Het zou allemaal zelfbevestigend zijn. Geen ademhaling zou mogelijk
zijn
zonder besef dat het een deel van het complot was."
"Dus je denkt
te weten
waar krankzinnigheid in ligt?'
Mij antwoord
was overtuigd
en hartgrondig, "Ja."
"En je zou het
niet
in de hand kunnen houden?"
"Nee, ik zou
het niet
in de hand kunnen houden. Als iemand met angst en haat als de
belangrijkste
premisse zou beginnen, zou hij tot het einde door moeten gaan."
"Zou je in
staat kunnen
zijn," vroeg mijn vrouw, "je aandacht op wat het Tibetaanse
Dodenboekhet
Heldere Licht noemt te vestigen?"
Ik twijfelde..
"Zou het het
kwaad
weghouden als je het vast zou kunnen houden?"
Ik dacht enige
tijd
na over de vraag. "Misschien," antwoordde ik tenslotte, "misschien zou
ik het kunnen - maar alleen als er iemand zou zijn die me over het
Heldere
Licht zou kunnen vertellen. Je zou het niet alleen kunnen. Dat is het,
geloof ik, waar het bij het Tibetaanse ritueel om gaat - iemand die er
de hele tijd bij zit en je vertelt wat wat is."(het
gaat
er
niet
om dat iemand vertelt wat wat is, maar dat iemand
bevestigt
dat het geen onzin is wat je ziet en de manier waarop je het ziet. Dat
het klopt dat deze maatschappij krankzinnig is, een ingewikkelde
samenzwering
van slapenden, van mensen die niet weten wat ze doen)
Nadat ik naar
dit deel
van de opname van het experiment had geluisterd, pakte ik mijn
exemplaar
van de uitgave van Evans-Wentz van Het Tibetaanse Dodenboek en
sloeg
het zomaar open. "O edelgeborene, laat uw geest niet afgeleid worden."
Dat was het probleem - niet afgeleid worden. Niet afgeleid door de
herinnering
aan voorbije zonden, door verbeeld vermaak, door de bittere nasmaak van
oude misstappen en vernederingen, door de angsten en haatgevoelens en
begeerten
die het Licht gewoonlijk overschaduwen. Zouden de psychiaters niet,
wat die Boeddhistische monniken voor de stervenden en de doden deden,
voor
de krankzinnigen kunnen doen? Laat er een stem zijn die hen, overdag en
als zij slapen, verzekert dat ondanks alle verschrikkingen, alle
verwarring
en verbijstering, de ultieme Werkelijkheid onschokbaar zichzelf blijft
en dat het van dezelfde substantie is als het innerlijk Licht van zelfs
de wreedst gefolterde geest. Met behulp van apparaten als
bandrecorders,
schakelklokken, publieke omroepsystemen en hoofdkussen-luidsprekers zou
het heel gemakkelijk zijn de bewoners van zelfs een
personeelsonderbezette
inrichting voortdurend aan dit fundamentele feit te herinneren.
Misschien
zouden op die manier een paar van die verloren zielen geholpen kunnen
worden
in enige mate controle over het universum te verkrijgen -
tegelijkertijd
prachtig en aantrekkelijk, maar altijd anders dan menselijk, altijd
volledig
onbegrijpelijk - waarin zij zichzelf veroordeeld vinden te leven.
Niet vlug
genoeg werd
ik van de verontrustende pracht van mijn tuinstoel weggeleid. Het
klimop-loof
scheen, in groene parabolen afhangend van de haag, met een soort
glasachtige jade schittering. Even later spatte een groep Red Hot
Pokers,
in volle bloei, in mijn blikveld uiteen. Zo hartstochtelijk levend, dat
zij op de uiterste rand van spreken stonden, drongen de bloemen naar de
hemel omhoog. Net als de stoel onder de latten beschutten zij teveel.
Ik
keek op de bladeren neer en ontdekte een spelonkachtige warrigheid van
de tederste groene lichten en schaduwen, die met een niet te
ontcijferen
geheimenis pulseerden.
Rozen :
De bloemen zijn eenvoudig te
schilderen,
De bladeren moeilijk.
De haiku
van Shiki
(die ik aanhaal in de vertaling van R. H. Blyth) drukt indirect precies
uit wat ik toen voelde - de overdadige, al te duidelijke glorie van de
bloemen, in contrast met het delicatere wonder van hun groen.
We liepen
naar buiten
de straat op. Een grote lichtblauwe auto stond aan de stoep. Bij de
aanblik overviel mij plotseling een enorme vrolijkheid. Wat een
arrogantie,
wat een absurde zelfgenoegzaamheid straalde van die uitpuilende
vreselijk
glanzende gelakte oppervlakken af! De mens had het ding naar zijn
eigen beeld geschapen - of liever naar het beeld van zijn favoriete
ingebeelde
karakter. Ik lachte tot de tranen mij langs de wangen stroomden.
We gingen het
huis
weer binnen. Er was een maaltijd bereid, Iemand, die nog niet identiek
was aan mijzelf, viel met een uitgehongerde trek aan. Vanaf een
beduidende
afstand en zonder veel belangstelling keek ik toe.
Toen de
maaltijd op
was stapten we in de auto op weg voor een ritje. De werking van de
mescaline
zakte al af: maar de bloemen in de tuinen trilden nog op de rand van
het
bovennatuurlijke, de peperbomen en de johannesbroodbomen aan de kant
van
de straten behoorden duidelijk nog tot een of ander heilig woud. Eden
afgewisseld
met Dodona. Yggdrasil met de mystieke Roos. En opeens stonden we toen
op
een kruispunt en wachtten om de Sunset Boulevard over te steken.Voor
ons rolden de auto's in een gestage stroom voorbij - duizenden,
allemaal
stralend en blinkend als de droom van een advertentieblad en de een nog
belachelijker dan de ander. Opnieuw schudde ik van het lachen.
De Rode Zee van
het
verkeer week uiteindelijk uiteen en we staken over naar een andere oase
van bomen en grasperken en rozen. In een paar minuten waren we naar een
geschikt uitkijkpunt in de heuvels geklommen en daar lag de stad
uitgespreid
beneden ons. Nogal teleurstellend, het zag er precies uit als de stad
die
ik bij andere gelegenheden had gezien. Wat mij betrof was
transfiguratie
evenredig aan afstand. Hoe dichterbij hoe anders goddelijker. Dit
uitgestrekte
vage panorama was nauwelijks anders dan zichzelf.
We reden verder
en
zolang we in de heuvels bleven, met het ene verre uitzicht volgend op
het
andere, bleef de betekenis op zijn niveau van alledag, ver beneden het
transfiguratie-punt. De betovering begon pas weer te werken toen we een
nieuwe voorstad insloegen en tussen de twee rijen huizen doorgleden.
Hier
waren, ondanks de bijzondere afzichtelijkheid van de architectuur,
hernieuwde
momenten van de transcendentale andersheid, zwemen van de hemel van die
morgen. Bakstenen schoorstenen en groene kunststofdaken gloeiden in de
zonneschijn, als brokstukken van het Nieuwe Jeruzalem. En opeens zag ik
wat Guardi gezien had en (met wat een onvergelijkbare vaardigheid) zo
vaak
in zijn schilderingen had weergegeven - een gepleisterde muur met een
schuin
opvallende schaduw, nietszeggend maar onvergetelijk prachtig, leeg maar
beladen met heel de betekenis en het geheim van het bestaan. De
openbaring
daagde en was binnen een fractie van een seconde weer verdwenen. De
auto
was verder gereden; de tijd ontblootte een andere uiting van het
eeuwige
Zo-Zijn. "Binnen gelijkheid is verscheidenheid. Maar dat die
verscheidenheid
van gelijkheid zou verschillen is op geen enkele manier de bedoeling
van
alle Boeddha's. Hun bedoeling is zowel totaliteit als verscheidenheid."
Dit
bed rode en witte geraniums bijvoorbeeld - het was volmaakt
verschillend
van die gepleisterde muur honderd meter verder op de weg. Maar het
"is-zijn"
van beide was hetzelfde, de eeuwige hoedanigheid van hun
vergankelijkheid
was dezelfde.
Een uur later
en tien
mijl verder en het bezoek aan De Grootste Drug Store van de Wereld
veilig
achter ons, waren we weer thuis en was ik teruggekeerd naar die
geruststellende
maar uiterst onbevredigende toestand die wij als "bij zijn volle
verstand" kennen.
Dat de mensheid in
zijn geheel
het ooit zonder Kunstmatige Paradijzen kan stellen lijkt erg
onwaarschijnlijk.
(zolang
mensen
in dit door hen zelf gecreëerde tranendal leven, in hun
uitzichtsloze
gevangenissen, zullen ze blijven vluchten in hun kortstondige
Kunstmatige
Paradijzen. Altijd zullen ze weer terugkeren in hun Kunstmatige Wereld)
De meeste mannen en
vrouwen leven
op zijn slechts zo'n pijnlijk, op zijn best zo'n eentonig, armzalig en
beperkt leven dat de drang om te ontsnappen, het verlangen zichzelf al
is het maar voor een paar ogenblikken te overstijgen, een van de
belangrijkste
begeerten van de ziel is en altijd geweest is. Kunst
en religie, carnavals en uitspattingen, dansen en het luisteren naar
oratoria
- allemaal hebben ze, in de woorden van H. G. Wells als Deuren in de
Muur
gediend. En voor persoonlijk en dagelijks gebruik zijn er altijd
chemische
bedwelmende middelen geweest. Alle plantaardige kalmerende en
narcotische
middelen, alle euphorica die aan bomen groeien, de hallucinogenen die
rijpen
in bessen of uit wortels geperst kunnen worden - allemaal zijn ze
zonder
uitzondering bekend geweest en stelselmatig sinds onheuglijke tijden
door
menselijke wezens gebruikt. En aan deze natuurlijke
bewustzijnsveranderende
middelen heeft de moderne wetenschap haar aandeel synthetische middelen
toegevoegd - chloralhydraat, bijvoorbeeld, en amfetamine, de bromiden
en
de barbituraten.
De meeste van
deze
bewustzijnsveranderende middelen kunnen nu alleen op doktersvoorschrift
gebruikt worden, of anders illegaal en met groot risico. Voor onbeperkt
gebruik heeft het Westen alleen alcohol en tabak toegestaan. Alle
andere
chemische Deuren in de Muur worden Dope genoemd en hun onwettige
gebruikers
zijn maniakken.
Wij besteden nu
heel
wat meer tijd aan drinken en roken dan we aan opvoeding besteden. Dat
is
natuurlijk niet verrassend. De drang te ontsnappen aan ikheid en de
omgeving is in bijna iedereen bijna altijd aanwezig. De drang iets
voor de jeugd te doen is alleen bij ouders sterk en bij hen alleen voor
die paar jaar dat hun kinderen naar school gaan. Evenmin verrassend is
de huidige houding ten opzichte van drinken en roken. Ondanks het
wassende
leger van hopeloze alcoholisten, ondanks de honderdduizenden mensen die
jaarlijks verminkt of gedood worden door dronken automobilisten, tappen
populaire komieken nog steeds moppen over alcohol en de
alcoholverslaafden.
En ondanks het bewezen (statistisch en niet
causaal) verband
tussen roken en longkanker, beschouwt vrijwel iedereen het roken van
tabak
nauwelijks minder normaal en natuurlijk dan eten. Uit het oogpunt van
de
rationele utilitarist mag dit vreemd lijken. Voor de historicus is dat
precies wat je zou verwachten. Een stellige overtuiging van de
materiele
werkelijkheid van de Hel heeft middeleeuwse Christenen er nooit van
weerhouden
te doen wat hun eerzucht, lust en begeerte hen ingaf. Longkanker,
verkeersongelukken
en de miljoenen ellendige en ellende voortbrengende alcoholisten zijn
zelfs
zekerder feiten dan in Dante's dagen het feit van het Inferno was. Maar
al dat soort feiten zijn ver verwijderd en onwerkelijk vergeleken met
het
nabije, hier en nu gevoelde feit van een snakken naar bevrijding of
verdoving,
naar drank of roken.
Aan ons is,
onder andere,
de tijd van de auto en de snelle bevolkingtoename. Alcohol is
onverenigbaar
met veiligheid op de wegen en de productie ervan, net als van tabak,
veroordeelt
vele miljoenen hectaren van de meest vruchtbare grond feitelijk tot
onvruchtbaarheid.
Het is vanzelfsprekend dat de problemen door alcohol en tabak
veroorzaakt
niet door verboden opgelost kunnen worden. De universele en altijd
aanwezige
drang tot zelf-transcendentie mag niet door de huidige populaire Deuren
in de Muur dicht te slaan, vernietigd worden.(toch
is
het
zo
dat zolang die kunstmatige deuren aanwezig zijn, de drang om
met eigen kracht de enge poort te bereiken, nauwelijks aanwezig is. Dat
is het verraderlijke van de kunstdeuren) Het
enige
zinnige
beleid
is andere, betere deuren te openen in de hoop
mannen
en vrouwen ertoe te brengen hun oude slechte gewoonten in te ruilen
voor
nieuwe en minder schadelijke. Sommige van deze andere, betere deuren
zullen
maatschappelijk en technologisch van aard zijn, andere religieus of
psychologisch,
andere diëtistisch, opvoedkundig of gymnastisch. Maar de noodzaak
voor veelvuldige chemische vakanties, weg uit de onverdraaglijke
ik-heid
en weerzinwekkende omstandigheden, zullen ongetwijfeld blijven
bestaan.Wat
nodig is een nieuwe drug die ons lijdend mensdom zal verlichten en
troosten(wat
de mensheid echt nodig is een routebeschrijving en handleiding om de de
uitgang uit dit tranendal te vinden, de poort naar de Andere Wereld,
het
Nirvana, de apatheia of het Koninkrijk. Al het andere is alleen een
tijdelijk
surrogaat) zonder op de lange termijn meer kwaad te doen, dan
het
goed doet op de korte. Zo'n drug moet in minieme doseringen werkzaam en
bereidbaar zijn. Als het die eigenschappen niet heeft zal de productie
ervan, net als van wijn, bier, alcoholica en tabak, de verbouw van
onmisbare
voedingsmiddelen en vezels verstoren. Het moet minder toxisch zijn dan
opium of cocaïne, minder waarschijnlijk dan alcohol of
barbituraten
tot onwenselijke maatschappelijke consequenties leiden, minder
schadelijk
voor hart en longen zijn dan de teer en nicotine van sigaretten. En aan
de positieve kant, zou het belangwekkender en intrinsiek waardevollere
veranderingen in het bewustzijn moeten veroorzaken dan slechts
verdoving
of dromerigheid, wanen van almacht of bevrijding van remmingen.
Voor de meeste
mensen
is mescaline vrijwel geheel onschadelijk. Anders dan alcohol voert het
de gebruiker niet tot dat soort van ongeremde actie dat uitloopt in
vechtpartijen,
geweldsmisdrijven en verkeersongelukken. Iemand die onder invloed van
mescaline
is gaat rustig zijn eigen gang. Bovendien is de zaak waar hij mee bezig
is een ervaring van het meest verlichtende soort, waar hij niet (en dit
is zeker belangrijk) met een compenserende kater voor hoeft te betalen
Van de lange termijngevolgen van regelmatig mescaline-gebruik weten we
heel weinig. De Indianen die peyote gebruiken schijnen door die
gewoonte
niet fysiek of moreel te degenereren. Het beschikbare bewijs is echter
nog schaars en oppervlakkig. Hoewel duidelijk superieur aan
cocaïne,
opium, alcohol en tabak, is mescaline toch niet de ideale drug.
Evenzeer
als er een gelukkige verheerlijkte meerderheid van mescaline-gebruikers
is, is er een minderheid die in het middel slechts hel en vagevuur
vindt.
Bovendien duren, voor een drug die net als alcohol voor algemeen
gebruik
bestemd zou moeten zijn, de effecten een onhandig lange tijd.
Maar
de chemie en de fysiologie zijn tegenwoordig praktisch tot bijna alles
in staat. Als de psychologen en sociologen een definitie van het ideaal
zullen geven, kan men het aan de neurologen en farmacologen overlaten
de
middelen waarmee dat ideaal gerealiseerd kan worden te ontdekken of
tenminste
(want misschien kan dit soort ideaal, uit de aard van zijn natuur,
nooit
helemaal verwerkelijkt worden) kan het dichterbij gebracht worden dan
in
het wijn-doordrenkte verleden of het whisky-drinkende,
marihuana-rokende
en barbituraten-slikkende heden.
De drang om
de zelfverzekerde
zelfzucht te overstijgen is, zoals ik al gezegd heb, een hoofdverlangen
van de ziel. Als om wat voor reden dan ook, mannen en vrouwen er
niet in slagen zichzelf door middel van erediensten, goede werken en
spirituele
oefeningen, te overstijgen, zijn zij geneigd hun toevlucht te zoeken
bij
het chemische surrogaat van religie - alcohol en peppillen in het
moderne
Westen, alcohol en opium in het Oosten, hasjiesj in de Mohammedaanse
wereld,
alcohol en marihuana in Centraal Amerika, alcohol en coca in de Andes,
alcohol en de barbituraten in de meer bijdetijdse gebieden van Zuid
Amerika. In Poisons
Sacrés, Ivresses Divines heeft Philippe de Felice uitvoerig
en met een schat aan documentatie over het onheugelijke verband tussen
religie en het gebruik van drugs, geschreven. Hier zijn in het kort of
in zijn eigen woorden, zijn conclusies. Het gebruik van toxische
stoffen
voor religieuze doeleinden is "buitengewoon wijdverbreid.... De
praktijken
die in dit boek bestudeerd zijn kunnen in alle gebieden in de wereld
waargenomen
worden, niet minder onder primitieven dan onder diegenen die een hoge
graad
van beschaving hebben bereikt. We hebben dus niet met uitzonderlijke
feiten
die verdedigbaar over het hoofd gezien kunnen worden, te maken, maar
met
een algemeen en in de breedste zin van het woord, menselijk fenomeen,
het
soort fenomeen dat door niemand die probeert te ontdekken wat religie
is
en wat de diepe behoeften zijn die het moet bevredigen, genegeerd kan
worden."
Het zou ideaal
zijn
als iedereen in staat zou zijn zelf-transcendentie in een of andere
vorm
van zuivere of toegepaste religie, te vinden. In de praktijk lijkt het
erg onwaarschijnlijk dat deze gehoopte vervulling ooit werkelijkheid
zal
worden. Er zijn, en ongetwijfeld zullen ze er altijd zijn, goede
kerkgangers
en -gangsters, voor wie helaas vroomheid niet genoeg is. Wijlen G. K.
Chesterton,
die minstens zo lyrisch over drank als over devotie schreef, kan als
hun
welsprekende zegsman dienen.
De moderne
kerken,
met enkele uitzonderingen onder de Protestante denominaties, tolereren
alcohol, maar zelfs de meest tolerante hebben geen poging ondernomen om
de drug tot het Christendom te bekeren, of het gebruik ervan te wijden.
De vrome drinker wordt gedwongen zijn religie in het ene hokje tot zich
te nemen, zijn religie-surrogaat in het andere. En misschien is dit
onvermijdelijk.
Drinken kan alleen in religies, die geen belang hechten aan decorum,
tot
sacrament verheven worden. De eredienst van Dionysus of de Keltische
God
van het Bier was een luidruchtige en ordeloze aangelegenheid. De riten
van het Christendom zijn zelfs onverenigbaar met religieuze
dronkenschap.
Dit schaadt de brouwers niet, maar is zeer slecht voor het Christendom.
Ontelbare mensen wensen zelf-transcendentie en zouden blij zijn als ze
dat in de kerk zouden kunnen vinden. Maar helaas, "de hongerige schapen
zien op, maar worden niet gevoed" . Zij nemen deel aan de rituelen, zij
luisteren naar preken, zij herhalen gebeden; maar hun dorst blijft
ongelest.
Teleurgesteld wenden zij zich tot de fles. Voor een tijdje in ieder
geval
en op een of andere manier, werkt het. Ze mogen nog steeds naar de
Kerk;
maar het is niet meer dan de Muzikale Bank in Samuel Butler's Erewhon.
God mag nog steeds erkend worden; maar Hij is slechts God op verbaal
niveau,
slechts op een zuiver Pickwickiaanse manier. Het uiteindelijke voorwerp
van verering is de fles en de enige religieuze ervaring is die toestand
van ongeremde en strijdlustige euforie die volgt op het innemen van de
derde cocktail.
We zien dus dat
Christendom
en alcohol niet met elkaar samen kunnen gaan en dat ook niet doen.
Christendom
en mescaline lijken veel meer met elkaar verenigbaar te zijn. Dit is
door
veel Indianenstammen, van Texas tot zo noordelijk als Winsconsin,
aangetoond.
Onder deze stammen worden groepen gevonden die zich aangesloten hebben
bij de Native American Church, een sekte waarvan het belangrijkste
ritueel
een soort van Vroegchristelijke agape of liefdesfeest is, waar stukjes
peyote de plaats hebben ingenomen van het sacramentele brood en wijn.
Deze
autochtone Amerikanen beschouwen de cactus als de speciale gave Gods
aan
de Indianen, en vergelijken de effecten ervan met de werking van de
Heilige
Geest.
Professor J. S.
Slotkin,
een van de sporadische blanken die ooit aan de rituelen van een
Peyote-broederschap
heeft deelgenomen, vertelt van zijn medeaanbidders dat zij "zeker niet
verdoofd of dronken zijn.....Zij raken nooit uit hun ritme of zoeken
nooit
naar woorden, zoals een dronken of bedwelmde man zou doen.... Ze zijn
allemaal
rustig, hoffelijk en houden rekening met elkaar. Ik ben nog nooit in
een
enig kerkgebouw van de blanken geweest waar zoveel religieus gevoel of
decorum was." En wat, mogen we vragen, ervaren die toegewijde en zich
goed
gedragende Peyotisten dan wel? Niet het milde deugdzame gevoel dat de
gemiddelde
Zondagse kerkganger negentig minuten verveling doet verdragen. Ook niet
die verheven gevoelens, geïnspireerd door gedachten aan de
Schepper
en Verlosser, de Rechter en de Vertrooster, die de vromen bezielen.
Voor
deze autochtone Amerikanen is de religieuze ervaring iets directer en
verlichtender,
spontaner en minder een eigengemaakt product van de oppervlakkige,
zelfbewuste
geest. Soms (volgens de verslagen die door Dr. Slotkin zijn verzameld)
zien ze visioenen, wellicht van Christus zelf. Soms horen ze de stem
van
de Grote Geest. Soms worden ze zich bewust van de aanwezigheid van God
en van die persoonlijke tekortkomingen die verbeterd moeten worden
indien
zij Zijn wil moeten doen. De praktische consequenties van deze
chemische
deuren naar de Andere Wereld schijnen volmaakt in orde te zijn. Dr.
Slotkin
bericht dat gewoonte-Peyotisten over het algemeen ijveriger, matiger
(veel
van hen onthouden zich geheel van alcohol), en Vreedzamer dan
niet-Peyotisten
zijn. Een boom met zulke voldoening schenkende vruchten kan niet zomaar
als kwaad veroordeeld worden.
Door het
gebruik van
peyote tot een gewijde handeling te maken hebben de Indianen van de
Native
American Church iets gedaan dat tegelijkertijd psychologisch gezond als
historisch achtenswaard is. In de vroege eeuwen van het Christendom
zijn
veel heidense rituelen en festiviteiten zogezegd gedoopt, en
gebruikt
om de doeleinden van de Kerk te dienen. Deze grappen waren niet
bijzonder
stichtend; maar zij stilden een zekere psychologische honger en in
plaats
van te trachten ze te onderdrukken, hadden de vroege missionarissen het
gezonde verstand ze te accepteren voor wat ze waren, zielsbevredigende
uitdrukkingen van fundamentele driften, en ze op te nemen bij de opbouw
van de nieuwe religie. Wat de autochtone Amerikanen hebben gedaan is in
wezen hetzelfde. Zij hebben een heidense gewoonte genomen (een gewoonte
die toevallig veel verheffender en verlichtender was dan de meeste van
de nogal rauwe drinkgelagen en maskerades die van het Europese
heidendom
waren overgenomen) en het een Christelijke betekenis gegeven.
Hoewel pas
onlangs
in het noorden van de Verenigde Staten geïntroduceerd, zijn het
eten
van peyote en de religie die daarop gebaseerd is belangrijke symbolen
geworden
van de rechten van de Roodhuid op spirituele onafhankelijkheid.
Sommigen
van de Indianen hebben op de blanke overheersing gereageerd door zich
te
Amerikaniseren, anderen hebben zich in het traditionele Indianisme
teruggetrokken.
Maar sommigen hebben gepoogd uit twee werelden het beste te maken, in
feite
van alle werelden - het beste van het Indianisme, het beste van het
Christendom
en het beste van die Andere Werelden van transcendentale ervaring, waar
de ziel zichzelf als onvoorwaardelijk en van dezelfde natuur als het
goddelijke
kent. Vandaar de Native American Church. Daarin werden twee grote
begeerten
van de ziel - de drang naar onafhankelijkheid en zelfbeschikking en de
drang naar zelf-transcendentie - samengesmolten met en
geïnterpreteerd
in het licht van een derde - de drang tot aanbidding, de wegen van God
naar de mens te rechtvaardigen en het universum te verklaren door
middel
van een samenhangende theologie.
Zie de arme Indiaan, wiens
onbewerkte geest
Hem van voren kleedt, maar hem van
achteren
bloot laat
Maar in werkelijkheid zijn
wij het,
de rijke en hoogopgeleide blanken, die onszelf van achteren naakt
hebben
gelaten. Wij bedekken onze naaktheid van voren met wat filosofie -
Christelijk,
Marxistisch, Freudo-Natuurkundig - maar van achteren blijven we
onbedekt,
ten prooi aan alle winden der omstandigheden. De arme Indiaan,
daarentegen,
is zo verstandig geweest zijn achterkant te beschermen door het
vijgenblad
van een theologie aan te vullen met de lendendoek van de
transcendentale
ervaring.
Ik ben niet zo dwaas
om wat
onder invloed van mescaline of welke andere drug, bereid of in de
toekomst
bereidbaar, ook gebeurt, gelijk te stellen met de verwerkelijking van
het
eind en het ultieme doel van het menselijk leven: Verlichting, de
Gelukzalige
Visie. Ik suggereer alleen maar dat de mescaline-ervaring een wat de
Katholieke
Theologen "genade om niet" noemen is, niet noodzakelijk voor het heil
maar
mogelijk nuttig en als het beschikbaar gesteld zou worden, in dank
aanvaard
zou moeten worden. Om uit de sleur van de gewoonlijke waarneming
geramd te worden, om gedurende een paar tijdloze uren de buiten- en de
binnenwereld getoond te krijgen, niet zoals zij zich voordoen aan een
dier
dat bezeten is door overlevingsdrang of aan een mens bezeten door
woorden
en begrippen, maar zoals zij direct en onvoorwaardelijk door de Grote
Geest
begrepen worden - dit is een ervaring van onschatbare waarde voor
eenieder
en in het bijzonder voor de intellectueel (het
is
juist de intellectueel, met zijn hoofd vol theorieën, dus
overtuigingen
en vooroordelen, en daardoor met zijn hoofd leeft, die zich het verst
verwijderd
heeft van het zijn. Hij is de geëerde, de bewonderde, die anderen
tot voorbeeld is geweest, die hoog geklommen is op de maatschappelijke
ladder, die als de dood is voor de Leegte, het opgeven van zijn rol,
het
erkennen dat hij zich zijn hele leven vergist heeft) . Want de
intellectueel
is per definitie de mens voor wie, met de woorden van Goethe, "het
woord
wezenlijk vruchtbaar is." Hij is de mens die voelt dat "wat wij met het
oog waarnemen als zodanig vreemd voor ons is en ons niet diep hoeft te
raken." En toch, hoewel hij zelf een intellectueel was en een van de
grootste
meesters van de taal, was Goethe het niet altijd eens met zijn eigen
waardering
van het woord. "Wij praten," schreef hij op middelbare leeftijd,
" veel te veel. We zouden minder moeten praten en meer moeten tekenen.
Persoonlijk zou ik het liefst helemaal van de spraak willen afzien en
net
als de organische Natuur, alles wat ik te zeggen heb met schetsjes
meedelen. Die
vijgenboom, die kleine slang, de cocon op de vensterbank van mijn raam
die rustig zijn toekomst afwacht - dat zijn allemaal zwaarwichtige
tekenen.
Iemand die in staat is hun betekenis te ontcijferen zou al gauw in
staat
zijn het helemaal zonder het geschreven of gesproken woord te stellen.
Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer is er iets futiels, middelmatigs,
zelfs
(ben ik geneigd te zeggen) iets fatterigs aan de spraak. Hoe
verbazingwekkend
is in tegenstelling daarmee de ernst van de natuur en haar stilte, als
je oog in oog met haar staat, niet afgeleid, voor een dorre bergkam of
in de verlatenheid van de oude heuvels" We
kunnen het nooit zonder de taal en de andere symboolsystemen stellen (elk
klein kind en elk ander schepsel op deze aarde kan het perfect zonder
taal
stellen. Taal is slechts nodig om het spel in deze maatschappij te
kunnen
spelen) ; want het is door middel van
hen,
en alleen door middel van hen, dat wij onszelf boven de bruten verheven
hebben (alleen door middel van hen kunnen
mensen tot bruten verworden, tot machthebbers, tot blinden die blinden
leiden), tot het niveau van menselijkewezens(maatschappelijke
humanoïden) . Maar we kunnen net zo gemakkelijk
slachtoffers
als begunstigden van deze systemen worden (dat
kunnen
wij niet alleen, maar dat zijn wij allemaal, meester of slaaf, zonder
uitzondering). Wij
moeten leren woorden juist te hanteren(de
enige ware manier om woorden te gebruiken is om ze overbodig te maken);
maar
tegelijkertijd
moeten
we onze mogelijkheid om direct naar de
wereld
te kijken en door dat halfmatte medium van opvattingen, dat elk gegeven
feit vervormd tot de al te vertrouwde gelijkenis met een of ander
algemeen
etiket of verklarende abstractie, behouden en zonodig versterken.
Literair of
wetenschappelijk,
liberaal of specialistisch, onze hele opvoeding is overheersend verbaal
en slaagt er daardoor niet in te volbrengen wat zij verondersteld wordt
te doen. In plaats van kinderen om te vormen in volledig ontwikkelde
volwassenen,
levert zij studenten in de natuurwetenschappen op die volledig onbewust
zijn van de Natuur als het primaire ervaringsfeit, en zadelt de wereld
op met studenten in de menswetenschappen, die niets van menselijkheid,
noch van hun eigen noch van die van anderen weten.
Gestaltpsychologen,
als Samuel Renshaw, hebben methoden ontworpen om de omvang van de
menselijke
waarneming te verwijden en de scherpte ervan te doen toenemen. Maar
passen
onze opvoeders die toe? Het antwoord is: Nee.
Leraren op elk
terrein
van de psycho-fysieke deskundigheden, van zien tot tennissen, van
koorddansonderwijs
tot gebed, hebben met vallen en opstaan de voorwaarden voor een
optimaal
functioneren binnen hun speciale gebieden, ontdekt. Maar heeft ook maar
een van die grote Stichtingen een project gefinancierd om deze
empirische
vondsten tot een algemene theorie en praktijk van een verhoogde
creativiteit
te coördineren? Weer is het antwoord, voor zover ik weet, Nee.
Allerlei
soorten cultus-aanhangers
en vreemde vogels onderrichten allerlei soorten technieken om gezond te
worden, om tevredenheid en zielenrust te bereiken; en voor veel van hun
toehoorders zijn veel van deze technieken aantoonbaar effectief. Maar
zien
wij achtenswaardige psychologen, filosofen en theologen moedig in die
vreemde
en soms onwelriekende bronnen afdalen, waar op de bodem de arme
Waarheid
zovaak veroordeeld is te verblijven? En weer is het antwoord: Nee.
En kijk nu naar
de
geschiedenis van het mescaline-onderzoek. Zeventig jaar geleden
beschreven
eerste klas mensen de transcendentale ervaringen van diegenen die in
goede
gezondheid, onder de juiste voorwaarden en met de juiste instelling de
drug ingenomen hebben. Hoeveel filosofen, hoeveel theologen, hoeveel
beroepsopvoeders
zijn zo nieuwsgierig geweest om deze Deur in de Muur te openen? Het
antwoord
is feitelijk: Geen.
In een wereld waarin
opvoeding
overwegend verbaal is, vinden hoogopgeleide mensen het bijna onmogelijk
serieuze aandacht aan iets anders dan woorden en begrippen te besteden.
Er is altijd geld voor, er zijn altijd doctoraten in de geleerde
dwaasheid
van onderzoek naar wat voor geleerden het allerbelangrijkste probleem
is:
Wie beïnvloedde wie om wat wanneer te zeggen? Zelfs in dit
technologisch
tijdperk worden de verbale menswetenschappen hogelijk geëerd. De
niet-verbale
menswetenschappen, de kunst van een direct bewustzijn van de gegeven
feiten
van ons bestaan, worden bijna volledig genegeerd. Een catalogus, een
bibliografie,
een definitieve uitgave van de ipsissima verba ven een
derderangs
versjesschrijver, een verbazingwekkende index die aan alle indexen een
eind maakt - ieder waarachtig Alexandrijns project is zeker van bijval
en financiële ondersteuning. Maar als het er op aankomt om uit te
zoeken hoe u en ik, onze kinderen en kleinkinderen opmerkzamer zouden
kunnen
worden en intenser bewust van de innerlijke en uiterlijke
werkelijkheid,
meer open voor de Geest, minder geneigd door psychologische
wanpraktijken,
onszelf fysiek ziek te maken, en meer in staat ons eigen autonome
zenuwstelsel
te beheersen - als het aankomt op de een of andere vorm van non-verbale
opvoeding die fundamenteler is (en waarschijnlijk van meer praktisch
nut)
dan de Zweedse gymnastiek, zal geen echt achtenswaardig persoon van
enige
echt achtenswaardige universiteit of kerk er iets aan doen. Letterknechten
zijn
achterdochtig
wat
betreft het non-verbale; rationalisten vrezen
het
gegeven, niet rationele feit; intellectuelen voelen dat "wat wij met
het
oog (of op een andere manier) waarnemen, als zodanig vreemd voor ons is
en ons niet diep hoeft te raken." Bovendien zal deze zaak van
opvoeding
in de non-verbale menswetenschappen, niet in de gevestigde hokjes
passen.
Het is geen religie, geen neurologie, geen gymnastiek, geen moraal of
staatsinrichting,
zelfs geen experimentele psychologie. Om deze redenen bestaat dit
onderwerp
als het ware niet voor academische en kerkelijke doeleinden en kan het
veilig geheel en al genegeerd worden of, met een minzame glimlach
overgelaten
worden aan hen, die door de Farizeeërs van de verbale orthodoxie,
zonderlingen, charlatans en onbevoegde amateurs genoemd worden.
"Ik heb altijd
gevonden,"
schreef Blake nogal bitter, "dat Engelen de ijdelheid hebben om over
zichzelf
als de enige wijzen te spreken. Dit doen ze met een vrijmoedige
onbeschaamdheid
die uit een systematisch beredeneren voortspruit."
Systematisch
beredeneren
is iets waar wij, als soort of als individu, mogelijk niet zonder
kunnen.
Maar wij kunnen, als wij gezond van geest willen blijven, mogelijk ook
niet zonder directe waarneming, hoe onsystematischer hoe beter, van de
binnen- en buitenwereld waarin wij geboren zijn. Deze gegeven
werkelijkheid,
is een oneindigheid die alle begrip te boven gaat en toch onmiddellijk
en op een of andere manier volledig begrepen kan worden. Het is een
transcendentie
die van een andere orde dan de menselijke is en toch kan het voor ons
als
immanent gevoeld aanwezig zijn, als een ervaren deelnemen. Verlicht
zijn
is
een
altijd bewust zijn van een volledige werkelijkheid in zijn
immanente anderszijn - je er bewust van zijn en toch in een
toestand
blijven om als dier (maatschappelijk
wezen) te overleven (als je aan de andere
kant van de deur bent geweest en teruggekeerd bent, zul je uiterst
behoedzaam
het spel mee moeten spelen, listig als een slang en argeloos als een
duif,
want je hebt het spel dan door en dat is voor deze maatschappij niet te
tolereren), als menselijk wezen te denken en voelen en hoe dan
ook
voor systematisch redeneren geschikt te blijven. Ons doel is te
ontdekken
dat we altijd geweest zijn, wat we hadden behoren te zijn. Wij maken
helaas
de taak buitengewoon moeilijk voor onszelf. Intussen zijn er echter
genaden
om niet, in de vorm van een gedeeltelijk en vluchtig beseffen. Onder
een
meer realistisch, een minder uitgesproken verbaal systeem van opvoeden
dan het onze, zou iedere Engel (in Blake's betekenis van het woord) als
een sabbaths-traktatie moeten worden toegestaan, zou moeten aangespoord
worden en als het nodig was zelfs gedwongen moeten worden af en toe een
trip door de een of andere chemische Deur in de Muur naar de wereld van
de transcendentale ervaring te maken. Als het hem angst zou aanjagen,
zou
dat jammer zijn maar waarschijnlijk wel heilzaam. Als het hen een korte
maar tijdloze verlichting zou brengen, zoveel te beter. In beide
gevallen
zou de Engel iets van de overtuigde onbeschaamdheid, die voortspruit
uit
het systematisch redeneren en het idee alle boeken gelezen te hebben,
kunnen
verliezen.
Tegen het einde
van
zijn leven ervoer Thomas van Aquino de Bezielde Beschouwing. Daarna
weigerde
hij terug te keren naar zijn nog niet afgemaakte boek. Hiermee
vergeleken
was alles wat hij gelezen, over geredetwist had en wat hij geschreven
had
- Aristoteles en de Spreuken, de Vragen, de Stellingen, de majestueuze
Summa's - niet beter dan het kaf en het koren. Voor de meeste
intellectuelen
zou zo'n sit-down-staking niet raadzaam en zelfs moreel verkeerd zijn.
Maar de Engelachtige Doctor had meer aan systematisch redeneren gedaan
dan twaalf gewone Engelen samen en was al rijp voor de dood. Hij had,
in
die laatste maanden van zijn sterfelijke leven, het recht verworven om
zich van dat slechts symbolische kaf en koren af te wenden naar het
brood
van het werkelijke en substantiële Feit. Voor Engelen van een
lagere
orde en met betere vooruitzichten op een lang leven, moet er een
terugkeer
naar het koren mogelijk zijn. Maar de mens die terugkeert door de
Deur
in de Muur zal nooit meer dezelfde zijn als de mens die erdoor naar
buiten
ging. Hij zal wijzer maar minder verwaand zijn, gelukkiger maar minder
zelfgenoegzaam, bescheidener in het erkennen van zijn onwetendheid en
toch
beter toegerust om de verhouding tussen woorden en dingen te begrijpen,
om het systematisch redeneren tot aan het ondoorgrondelijke Mysterie
dat
het, altijd tevergeefs, proberen te begrijpen.
*See the
following papers:
"Schizophrenia. A New Approach." By Humphry Osmond and John Smythies. Journal
of
Mental
Science. Vol. XCVIII. April, 1952.
"On Being Mad."
By Humphry
Osmond. Saskatchewan Psychiatric Services Journal. Vol. I. No.
2.
September. 1952.
"The Mescalin
Phenomena."
By John Smythies. The British Journal of the Philosophy of Science.
Vol. III. February, 1953.
"Schizophrenia:
A New Approach."
By Abram Hoffer, Humphry Osmond and John Smythies. Journal of
Mental
Science. Vol. C. No. 418. January, 1954.
Talrijke andere
artikelen
over de biochemie, farmacologie, psychologie en neurofysiologie van
schizofrenie
en het verschijnsel mescaline zijn in voorbereiding.
*In zijn
monografie, Menomini
Peyotism, gepubliceerd (December 1952) in de Transactions of the
American
Philosophical Society, heeft Professor J. S. Slotkin geschreven dat
"het
gewoontegebruik van Peyote geen enkele verhoogde tolerantie of
afhankelijkheid
lijkt te veroorzaken. Ik ken veel mensen die veertig of vijftig jaar
lang
Peyotist geweest zijn. De hoeveelheid Peyote die ze gebruiken hangt af
van de plechtigheid van de gelegenheid; over het algemeen gebruiken ze
nu niet meer Peyote dan ze jaren geleden deden. Bovendien is er soms
een
tussentijd van een of meer maanden tussen de rituelen, en ze gaan
gedurende
die periode door zonder enige begeerte naar Peyote te voelen. Wat
mijzelf
betreft, zelfs na een reeks rituelen op vier opeenvolgende weekenden.
Ik
heb de hoeveelheid genuttigde peyote nooit opgevoerd, noch heb ik enige
blijvende behoefte ernaar gevoeld. "Het is overduidelijk met een goede
reden, dat Peyote wettelijk nooit tot narcoticum verklaard is, of dat
het
gebruik ervan door de federale regering verboden is." Hoewel."gedurende
de lange geschiedenis van het contact tussen Indianen en blanken,
hebben
blanke ambtenaren het gebruik van Peyote gewoonlijk geprobeerd te
onderdrukken,
omdat aangenomen werd dat het hun eigen moraal zou verkrachten. Maar
deze
pogingen hebben altijd gefaald." In een voetnoot voegt Dr. Slotkin
daaraan
toe dat "het verbazingwekkend is de fantastische verhalen over de
effecten
van Peyote en de aard van het ritueel te horen, die door blanke en
Katholieke
Indiaanse ambtenaren in het Menomini reservaat verteld worden. Geen
een van hen had ook maar de minste ervaring uit de eerste hand met de
plant
of de religie.en toch verbeeldden sommigen zich autoriteiten te zijn en
schrijven officiële rapporten over het onderwerp."