Het EVANGELIE van THOMAS
De verklaring van de geheime woorden
De TAO TE CHING van LAO TZU
Geen copyright. Mag vrij en onbeperkt, gekopiëerd en zoveel mogelijk geciteerd worden. Het staat iedereen vrij om alles wat hier staat zonder toestemming te verspreiden, maar wees zo attent wel te verwijzen naar www.evangelievanthomas.net


 

Downloaden als Word-document op de Downloadpagina


VIII

     “Nu zal hij komen!” dacht Johannes, toen de sneeuw de eerste keer  was weggesmolten en hier en daar de sneeuwklokjes in groepjes tevoorschijn kwamen. “Zou hij nu komen?” vroeg hij aan de sneeuwklokjes. Maar zij wisten het niet en bleven met hangende hoofdjes naar de aarde kijken, alsof zij zich schaamden over hun haast en wel weer weg wilden kruipen.
     Konden zij dat maar! — De verstijvende oostenwind begon al snel weer te blazen, en de sneeuw stapelde zich hoog op over de voorbarige stumpertjes.
     Weken later kwamen de viooltjes, hun zoete geur zweefde tussen het kreupelhout, en toen de zon lang en warm op de mossige grond geschenen had, ontloken ook de blonde primula's bij honderden en duizenden.
     De schuwe violen met hun sterke geuren waren geheimzinnige voorboden van een komende heerlijkheid, Maar de vrolijke primula's waren de blije werkelijkheid zelf. De ontwaakte aarde had de eerste zonnestralen vastgehouden en maakte er een gouden versiersel van.
     “Nu dan! nu komt hij toch vast!” dacht Johannes. Gespannen bekeek hij de knoppen aan de takken en hoe zij van dag tot dag langzaam zwollen en zich uit de schors loswrongen, tot de eerste bleekgroene puntjes tussen de bruine schubben te voorschijn kwamen. Lang bleef Johannes naar die groene blaadjes kijken, — maar hij zag ze toch nooit bewegen, en als hij zich even had omgedraaid, leken ze groter geworden te zijn. “Ze durven niet, als ik hen aankijk,” dacht hij.
     Het groen begon al schaduw te werpen. Nog steeds was Windekind niet gekomen, geen duif was bij hem neergestreken, geen muisje had tegen hem gesproken. Als hij tegen de bloemen sprak, knikten zij slechts even en antwoordden niet. “Mijn straf is nog niet om,” dacht hij.
     Toen kwam hij op een zonnige lentemorgen aan bij de vijver van het huis. De ramen waren allemaal wijd geopend. Zouden er mensen in gekomen zijn?
     De vogelkersstruik, die aan de vijver stond, was al helemaal met tere blaadjes overdekt, alle twijgen hadden fijne, groene vleugeltjes gekregen. Op het gras bij de vogelkers lag een meisje. Johannes zag alleen haar lichtblauwe kleedje en blonde haar. Een roodborstje, dat op haar schouder zat, pikte uit haar hand.
     Opeens draaide zij het hoofd om en zag Johannes.
     “Dag jongetje!” zei zij en knikte vriendelijk.
     Weer tintelde Johannes van het hoofd tot voeten. Dat waren Windekinds ogen, dat was Windekinds stem.
     “Wie ben je?” vroeg hij. Zijn lippen beefden van ontroering.
     “Ik ben Robinetta! — en dit is mijn vogel. Hij zal niet bang voor je zijn. Hou je van vogels?”
     Het roodborstje was niet bang voor Johannes. Het vloog op zijn arm. Dat was net als vroeger. Het moest toch Windekind zijn, dat blauwe wezen.
     “Vertel me eens hoe je heet, jongetje,” zei Windekinds stem.
     “Ken jij mij niet? Weet je niet, dat ik Johannes heet?”
     “Hoe zou ik dat kunnen weten?”
     Wat betekende dat? Het was toch die bekende, zoete stem, het waren toch die donkere, hemeldiepe ogen.
     “Waarom kijk je mij zo aan, Johannes? Heb je mij ooit eerder gezien?”
     “Ja ik geloof het wel.”
     “Dat heb je toch zeker gedroomd.”
     Gedroomd? dacht Johannes. Zou ik alles gedroomd hebben? Of zou ik nu dromen?
     “Waar ben jij geboren?” vroeg hij.
     “Heel ver van hier, in een grote stad.”
     “Bij mensen?”
     Robinetta lachte. Het was Windekinds lach. “Ik geloof het wel. Jij niet?”
     “Ach ja, ik ook!”
     “Heb je daar spijt van? — Hou je niet van mensen?”
     “Nee! — Wie houdt er nou van mensen?”
     “Wie? Wel, Johannes, wat ben je een raar jongetje! Hou je meer van dieren?”
     “O, veel meer, — en van bloemen.”
     “Ik doe dat eigenlijk ook wel eens. Een enkele keer. Maar dat is niet goed. Wij moeten van mensen houden, zegt Vader.”
     “Waarom is dat niet goed? ik hou van wie ik wil, of het goed is of niet.”
     “Foei, Johannes! — Heb je dan geen ouders of iemand die voor je zorgt? Hou je niet van hen?”
     “Ja,” zei Johannes nadenkend. “Ik hou van mijn vader. Maar niet, omdat het goed is. Ook niet omdat hij een mens is.”
     “Waarom dan?”
     “Dat weet ik niet, — omdat hij niet zoals andere mensen is, omdat hij ook van bloemen en vogels houdt.”
     “Dat doe ik ook Johannes! dat zie je.” En Robinetta riep het roodborstje op haar hand en sprak het vriendelijk toe.
     “Dat weet ik,” zei Johannes. “Ik hou ook veel van jou.”
     “Nu al? Dat is vlug!” lachte het meisje. “Van wie hou je dan het meest?”
     “Van ...” Johannes twijfelde. Zou hij Windekinds naam noemen? De angst, dat die naam hem tegenover mensen mocht ontvallen, was onafscheidelijk van heel zijn denken. En toch, was dit blonde wezen in het blauwe kleed Windekind niet? Wie anders kon hem dat gevoel van rust en geluk geven?
     “Van jou!” zei hij opeens en keek met volle blik in de diepe ogen. Moedig waagde hij die volkomen overgave, maar hij was toch angstig en wachtte gespannen op de ontvangst van zijn kostbare geschenk.
     Weer lachte Robinetta met een heldere lach, Maar zij pakte zijn hand, en haar blik werd niet koeler, haar stem niet minder innig.
     “Wel, Johannes,” zei zij, “waar heb ik dat zo opeens aan verdiend?”
     Johannes antwoordde niet en bleef haar aankijken met een groeiend vertrouwen. Robinetta stond op en legde haar arm om Johannes' schouders. Zij was groter dan hij.
     Zo wandelden zij door het bos en plukten grote bossen sleutelbloemen, totdat zij wel weg konden schuilen onder de berg van doorschijnend geel gebloemte. Het roodborstje vloog mee van tak tot tak en gluurde naar hen met schitterende zwarte oogjes.
     Zij spraken niet veel, Maar keken elkaar vaak van opzij aan. Zij waren allebei verbaasd over hun ontmoeting en half onzeker, wat zij van elkaar moesten denken.
Maar al gauw moest Robinetta terug, het speet haar.
     “Nu moet ik weg, Johannes! Maar wil je nog een keer met me wandelen? Ik vind je een aardig jongetje,” zei zij bij 't weggaan.
     “Wiet! wiet!” zei het roodborstje en vloog haar achterna.
     Toen zij weg was, en alleen haar beeld bij hem achterbleef, twijfelde hij er niet meer aan wie zij was.
     Zij was dezelfde aan wie hij heel zijn vriendschap had gegeven, de naam Windekind klonk flauwer in hem en verwarde zich met Robinetta.
     En alles werd weer om hem heen, zoals het vroeger geweest was. De bloemen knikten vrolijk, en hun geur verdreef het weemoedige verlangen naar huis, dat hij tot nu toe gevoeld en gekoesterd had. Tussen het tere groen, in de lauwe, mollige lentelucht, voelde hij zich opeens thuis, als een vogel, die zijn nest gevonden had. Hij moest de armen uitstrekken en diep ademhalen. Hij was zo gelukkig. Op weg naar huis zweefde de lichte blauwe gestalte met de blonde haren voor hem uit, altijd voor hem uit, welke kant hij ook opkeek. Het was alsof hij in de zon gekeken had en het zonnebeeld overal met zijn blik meevloog.
     Van die dag af ging Johannes elke heldere morgen naar de vijver. Hij ging vroeg, zodra hij gewekt werd door het kijven van de mussen in de klimopbladeren rond zijn venster, en het gekwetter en langgerekte getjilp van de spreeuwen, die op de dakgoot fladderden en krioelden in de prille zonneschijn. Dan snelde hij vlug door 't vochtige gras tot dicht bij het huis en wachtte achter de seringenstruiken, totdat hij de glazen deur hoorde opengaan en de lichte gedaante op hem toe zag komen.
     Dan wandelden zij door het bos en door de duinen, waaraan het Bos grensde. Zij spraken over alles wat zij zagen, over de bomen en de planten en duinen. Johannes had een vreemd, duizelig gevoel, als hij met haar liep, hij dacht zich soms weer zo licht dat hij door de lucht zou kunnen vliegen. Maar dat gebeurde nooit. Hij vertelde de geschiedenissen, die hij van de bloemen en dieren wist door Windekind. Maar hij vergat hoe hij ze geleerd had, en Windekind bestond niet meer voor hem, alleen Robinetta. Hij genoot, als zij tegen hem lachte en hij vriendschap zag in haar ogen en hij sprak met haar, zoals hij vroeger met zijn hondje gesproken had: — alles wat in hem opkwam, zonder weifeling of verlegenheid. De uren, dat hij haar niet zag, dacht hij aan haar, en elke bezigheid deed hij met de vraag, of Robinetta het goed of mooi zou vinden.
     En zijzelf leek altijd zo blij, als zij hem zag; dan glimlachte zij en liep haastiger. Zij had hem ook gezegd dat zij met niemand zo graag wandelde als met hem.
     “Maar, Johannes,” vroeg zij een keer, “hoe weet je al die dingen? Hoe weet je wat de meikevers denken, wat de lijsters zingen, hoe het er in het konijnenhol en op de bodem van het water uitziet?”
     “Ze hebben het mij verteld,” antwoordde Johannes, “en ik ben zelf in een konijnenhol geweest en op de bodem van het water.”
Robinetta trok de fijne wenkbrauwen samen en keek hem half spottend aan. Maar zij vond geen oneerlijkheid.
     Zij zaten onder seringenbomen, waar dikke, paarse bloemtrossen vanaf hingen. Vóór hen lag de vijver, met riet en kroos. Zij zagen de zwarte torretjes in kringen over het watervlak glijden en rode spinnetjes bedrijvig op en neer duiken. Het krioelde van wriemelend leven daar. Johannes keek, in herinneringen verzonken, in de diepte en zei:
     “Daar ben ik een keer in gedoken; ik gleed langs een riethalm naar beneden en kwam op de bodem terecht. Die is helemaal met dorre bladeren bedekt, dat loopt zo licht en zacht. Het is er altijd schemerig, — groene schemering, — want het licht valt door het groene kroos. En boven mijn hoofd zag ik de lange, witte worteltjes van het kroos neerhangen. Er kwamen salamanders om mij heen zwemmen, die zijn heel nieuwsgierig. Het is vreemd, als zo’n grote dieren zo over je heen zwemmen, — en ik kon niet ver vooruitkijken, daar was het donker, maar ook groen. En uit dat donker kwamen de dieren als zwarte schaduwen tevoorschijn. Watertorren met roeipoten  — en platte wantsen, — soms ook een klein visje. — Ik ging heel ver, uren ver, geloof ik, en middenin was een groot bos van waterplanten, waar slakken tegenop kropen en waterspinnen glinsterende nestjes bouwden. Stekelbaarsjes schoten er doorheen en bleven mij soms met open mond en trillende vinnen aankijken, — zo verbaasd waren ze. Daar heb ik kennis gemaakt met een aal, die ik per ongeluk op zijn staart trapte. Die heeft mij over zijn reizen verteld; hij was tot in zee geweest, zei hij. Ze hadden hem daarom koning gemaakt in de vijver, — want niemand was zover geweest. Hij lag altijd in de modder te slapen, behalve wanneer hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. Dat was omdat hij koning was, — ze wilden graag een dikke koning, dat stond deftig. O, het was prachtig mooi in die vijver!”
     “Waarom kun je daar dan nu niet meer heen gaan?”
     “Nu?” vroeg Johannes en keek haar met grote peinzende ogen aan.
     “Nu? Nu kan ik dat niet meer. Ik zou daar verdrinken. Maar het is niet nodig. Ik ben liever hier, bij de seringen en bij jou.”
Robinetta schudde verwonderd het blonde hoofdje en streek Johannes over het haar. Toen keek ze naar haar roodborstje, dat aan de rand van de vijver allerlei lekkernijen leek te vinden. Hij keek even op en bleef beiden een ogenblik met zijn heldere oogjes aankijken.
     “Begrijp jij er iets van, vogeltje?”
     Het vogeltje keek heel slim en ging toen verder met zoeken en pikken.
     “Vertel mij verder, Johannes, van wat je gezien hebt.”
     Dat deed Johannes graag, en Robinetta luisterde, gelovig en aandachtig.
     “Maar waarom is dat allemaal opgehouden? Waarom kun je nu niet met mij daar naar toegaan? — daar overal heen? Ik zou dat ook graag willen.”
     Johannes spande zijn herinnering in, maar een zonnige waas bedekte de donkere afgrond, die hij was overgestoken. Hij wist niet precies meer, hoe hij zijn vorige geluk verloren had.
     “Ik weet het niet precies, — je moet er niet naar vragen. Een vervelend klein wezentje heeft alles verknoeid. Maar nu is het er weer. Nog beter dan vroeger.”
     De seringengeur daalde uit de heesters op hen neer en het gegons van de vliegen over het watervlak en de stille zonnestralen doordrongen hen met een zoete bedwelming. Totdat een bel op het huis met piepende zwaai begon te luiden, — en Robinetta haastig wegvloog.
     Toen Johannes die avond in zijn kamertje kwam en naar de maanschaduwen van de klimopbladeren keek, die over de ruiten schoven, leek het alsof er tegen het glas getikt werd. Johannes dacht dat het een klimopblad was, dat in de nachtwind trilde. Maar het tikte zo duidelijk, telkens driemaal achter-elkaar, dat Johannes zachtjes het venster opende en behoedzaam rondkeek. De klimopbladeren tegen het huisje glansden in de blauwe schijn, — onder hen was een duistere wereld vol geheimen: daar waren holen en spelonken, waarin het maanlicht kleine, blauwe vonkjes wierp, die hun duisternis nog dieper maakten.
     Toen Johannes lang in die wondervolle schaduwwereld had gestaard, zag hij eindelijk de vorm van een klein mannetje, vlak naast het venster, verscholen onder een groot klimopblad. Hij herkende Wistik meteen  — aan de grote, verwonderde ogen onder de hoog opgetrokken wenkbrauwen. Op het puntje van Wistiks lange neus tekende de maan een klein vonkje.
     “Ben je mij vergeten, Johannes? — Waarom denk je er nu niet aan? Het is de juiste tijd. Heb je het roodborstje de weg niet gevraagd?”
     “Ach, Wistik, waar zou ik naar vragen? Ik heb alles wat ik verlangen kan. Ik heb Robinetta.”
     “Maar dat zal niet lang duren. En jij kunt nog gelukkiger worden  — en Robinetta zeker ook. En moet het sleuteltje daar dan blijven liggen? Denk eens hoe heerlijk het is als jullie beiden het boekje vinden. Vraag er het roodborstje naar; ik zal je helpen als ik kan.”
     “Ik kan er altijd nog naar vragen,” zei Johannes.
     Wistik knikte en klom vlug naar beneden.
     Nog lang keek Johannes naar de donkere schaduwen en de glanzende klimopbladeren voor hij naar bed ging.
     De volgenden dag vroeg hij het roodborstje of het de weg wist naar het gouden kistje. Robinetta luisterde verwonderd. Johannes zag het roodborstje knikken en schuins naar Robinetta gluren.
     “Hier niet! hier niet!” tjilpte het vogeltje.
     “Wat bedoel je, Johannes?” vroeg Robinetta.
     “Weet je daar niets van, Robinetta? Weet je niet, waar het te vinden is? Wacht jij niet op het gouden sleuteltje?”
     “Nee, nee! Vertel eens, wat is dat?”
     Johannes vertelde wat hij over dat boekje wist.
     “En ik heb het gouden sleuteltje; ik dacht dat jij het gouden kistje had. Is het niet zo, vogeltje?”
     Maar het vogeltje deed of het niets hoorde en fladderde tussen het jonge, lichte beukengroen.
     Zij zaten tegen een duinhelling, waarop kleine beuken- en sparrenbomen stonden. Een groen paadje liep er schuin tegenop, en zij zaten aan de rand daarvan, in dik, donkergroen mos. Zij konden over de toppen van de laagste boompjes heen kijken, op een groene bladerzee met licht- en donkergetinte golven.
     “Ik geloof wel, Johannes,” zei Robinetta nadenkend, “dat ik voor je vinden kan, wat je zoekt. Maar wat bedoel je met dat sleuteltje? Hoe kom je daaraan?”
     “Ja, hoe was dat, hoe was dat ook weer?” prevelde Johannes en staarde over het groen in de verte.
     Alsof ze plotseling in het zonnige blauw ontstaan waren, kwamen opeens twee witte vlinders voor zijn blik. Zij dwarrelden, trilden en schitterden in het zonlicht, met een onbestemde, grillige vlucht. Maar zij kwamen dichterbij.
     “Windekind! Windekind!” fluisterde Johannes opeens in herinnering.
     “Wie is dat? Windekind!” vroeg Robinetta.
     Het roodborstje vloog kwetterend op, en de madelieven tussen het gras vóór hem, leken Johannes opeens geweldig geschrokken aan te staren, met hun wijde, witte oogjes.
     “Gaf die jou dat sleuteltje?” vroeg het meisje verder. Johannes knikte en zweeg, Maar zij wilde meer weten. — “Wie was dat? Heeft die je alles geleerd? Waar is hij?”
     “Nu is hij er niet meer. Nu is het Robinetta, niemand anders dan Robinetta, alleen Robinetta.” Hij pakte haar arm en drukte er zijn hoofdje tegenaan.
     “Mal jongetje!” zei zij en lachte. “Ik zal je het boekje laten vinden, — ik weet waar het is.”
     “Maar dan moet ik de sleutel gaan halen, en die is ver weg.”
     “Nee, nee dat hoeft niet. Ik vind het zonder sleutel, — morgen, morgen, ik beloof het je.
     Toen zij naar huis gingen, fladderden de vlindertjes voor hen uit.
     Johannes droomde die nacht over zijn vader, over Robinetta en over vele anderen. Het waren allemaal goede vrienden; zij stonden om hem heen en keken hem vriendelijk en vertrouwelijk aan. Maar opeens waren de gezichten veranderd, hun blikken koel en spottend, — hij keek angstig om, — aan alle kanten wrede vijandige gezichten. Hij voelde een onnoembare beklemming en werd huilend wakker.

 


IX

     Al lang zat Johannes te wachten. De lucht was kil, en grote wolken dreven dicht over de aarde, in een statige, eindeloze opeenvolging. Ze breidden sombergrauwe, wijd golvende mantels uit en krulden hun trotse koppen in het heldere licht, dat daarboven scheen. Wondersnel wisselden zonlicht en schaduw op de bomen, als een telkens opvlammend vuur. Het werd Johannes daarbij angstig te moede; hij piekerde over het boekje, niet echt gelovend, dat hij het vandaag zou vinden. Tussen de wolken, veel hoger, ontzaglijk hoog, zag hij het heldere, strakke blauw en daarop tere, witte wolkjes, fijngepluimd, zich kalm uitstrekkend in een onbeweeglijke rust.
      “Zó moet het zijn,” dacht hij, “zo hoog, zo licht, zo stil.” Daar kwam Robinetta aan. Het roodborstje was niet bij haar.
     “Het is goed, Johannes,” riep ze luid; “je mag komen en het boek zien.”
     “Waar is het roodborstje?” vroeg Johannes twijfelend.
     “Die is niet meegekomen, we gaan toch immers niet wandelen.”
     Hij ging mee, voortdurend bij zichzelf denkend:
     “Het kan niet, — zó kan het niet, — het zou allemaal heel anders moeten zijn.”
     Maar hij volgde het glanzig-blonde haar, dat voor hem oplichtte.
     Ach! nu ging het verkeerd met de kleine Johannes. Ik zou willen, dat zijn geschiedenis hier eindigde. Heb je wel eens heerlijk gedroomd, over een tovertuin met bloemen en dieren, die je liefhadden en tot je spraken? En heb je dan ook in je droom het besef gekregen, dat je spoedig zou ontwaken en al die heerlijkheid verliezen zou? Dan probeer je die tevergeefs vast te houden en wil het koude morgenlicht niet zien.
     Zo’n gevoel had Johannes toen hij meeging.
     Hij kwam in een huis, in een gang, waar zijn voetstappen weerklonken. Hij rook de lucht van kleren en spijzen; hij dacht aan de lange dagen, toen hij thuis had moeten blijven, — aan huiswerk, aan alles wat in zijn leven somber en koud was geweest.
     Hij kwam in een kamer met mensen. Hij zag niet hoeveel. Zij praatten, Maar toen hij binnenkwam werd het stil. Hij lette op het vloerkleed, — het had grote, onmogelijke bloemen met felle kleuren. Zij waren even vreemd en wanstaltig als die van het behang in zijn slaapkamer thuis.
     “Is dat nu dat tuinmansjongetje?” zei een stem recht tegenover hem. “Kom maar hier, vriendje, je hoeft niet bang te zijn.”
     En een andere stem klonk plotseling naast hem: “Nu, Robbi, je hebt daar wel een aardig vrijertje.”
     Wat betekende dat allemaal? — Weer kwamen boven de donkere kinderogen van Johannes diepe rimpels, en verward en verschrikt keek hij rond.
     Daar zat een in het zwart geklede man en keek hem met koude, grijze ogen aan.
     “En jij wilde dus kennis maken met het boek der boeken? Het verwondert me, dat je vader, die ik als een vroom man ken, je dat niet heeft gegeven.”
     “U kent mijn vader niet, die is ver weg.”
“Zo! — nou, dat is hetzelfde. — Kijk hier, mijn vriendje! lees hier veel in, het zal je op je levensweg ...”
     Maar Johannes had het boek al herkend. Zó kon hij het ook niet krijgen, het moest helemaal anders gaan. Hij schudde het hoofd.
     “Nee, nee! dat is het niet wat ik bedoel. Dit ken ik. Dit is het niet.”
     Hij hoorde geluiden van verbazing en voelde de blikken, die hem van alle kanten staken.
     “Wat? Wat bedoel je, mannetje?”
     “Ik ken dit boekje, het is het mensenboek. Maar het geeft niet genoeg, — anders zou er rust zijn onder de mensen en vrede. En die zijn er niet. Ik bedoel iets anders, — waaraan niemand die het ziet twijfelen kan, waarin staat, waarom alles is zoals het is, precies en duidelijk.”
     “Hoe is ‘t mogelijk? Waar heeft de jongen dat vandaan?”
     “Wie heeft je dat geleerd, vriendje?”
     “Ik geloof dat je verkeerde boeken gelezen hebt, jongen! en die napraat!”
     Zo klonken de stemmen. Johannes voelde zijn wangen gloeien, — het begon hem te duizelen, — de kamer draaide, en de grote bloemen op het vloerkleed zweefden op en neer. Waar was het muisje, dat hem zo trouw waarschuwde op school, die eerste dag? Het was nu nodig.
     “Ik praat het niet uit boeken na, en die het mij geleerd heeft is meer waard dan jullie allemaal. Ik ken de taal van bloemen en dieren, ik ben hun vertrouweling. Ik weet ook wat mensen zijn en hoe zij leven. Ik ken alle geheimen van feeën en kabouters, want mij hebben zij lief, meer dan de mensen.”
     “Muisje! muisje!” —
     Johannes hoorde proesten en lachen, om hem en achter hem. Het zong en suisde in zijn oren.
     “Hij schijnt Andersen gelezen te hebben.”
     “Hij is niet goed bij z’n hoofd.”
     De man voor hem zei:
     “Als je Andersen kent, mannetje! dan zou je meer van zijn eerbied hebben voor God en zijn Woord.” ”God!” dat woord kende hij, en hij dacht aan de les van Windekind.
     “Ik heb geen eerbied voor God. God is een grote petroleumlamp, waardoor duizenden verdwalen en verongelukken.”
     Geen gelach, — maar een angstige stilte, waarin afschuw en ontzetting voelbaar rondwaarden. Johannes voelde de stekende blikken in de rug. Het was als in zijn droom van de vorige nacht.
     De zwartgeklede man stond op en nam hem bij de arm. Dat deed pijn en brak bijna zijn moed.
     “Hoor eens, jongen, ik weet niet of je niet wijs bent of diep bedorven, — maar die goddeloosheid duld ik hier niet. — Ga weg en kom niet meer onder mijn ogen, zeg ik je. — Ik zal navraag naar je doen, maar in deze buurt zet je geen voet meer. Verstaan?”
     De blikken van allen waren koud en vijandig net als die nacht. Johannes keek angstig rond.
     “Robinetta! — Waar is Robinetta!”
     “Jawel, mijn kind bederven! — Pas op, als je ooit weer met haar praat!”
     “Nee! laat me bij haar! Ik wil niet van haar weg. — Robinetta!” huilde Johannes.
     Maar zij zat angstig in een hoek en keek niet op.
     “Voort, vlegel! hoor je me niet? Pas op, als je 't hart hebt weer te komen!”
     En de pijnlijke greep leidde hem door de weerklinkende gang, — de glazen deur rammelde, — en Johannes stond buiten, onder de donkere, laag drijvende wolken.
     Hij huilde niet meer en staarde stil voor zich uit, terwijl hij langzaam voortliep. De droevige rimpels boven zijn ogen waren dieper, en gingen niet meer weg.
     Het roodborstje zat in een lindenhaag en keek naar hem. Hij stond stil en staarde zwijgend terug. Maar er was geen vertrouwen meer in de schuwe, glurende oogjes, en toen hij een stap naderde, vloog het vlugge diertje in een snorrende vlucht weg.
 “Weg! weg! een mens,” tjilpten de mussen, die op het tuinpad bij elkaar zaten, en zij vlogen naar alle kanten uit elkaar.
     Ook de open bloemen lachten niet, maar staarden ernstig en onverschillig, zoals zij bij iedere vreemde doen.
     Maar Johannes begreep die tekens niet, maar dacht aan de krenking, die de mensen hem hadden aangedaan. Het voelde alsof zijn innig binnenste door koude, harde handen was ontwijd. “Zij zúllen mij geloven,” dacht hij; “ik zal mijn sleuteltje halen en het hun laten zien.”
     “Johannes! Johannes!” riep een fijn stemmetje. Daar zat een vogelnestje in een hulstboom, en de grote ogen van Wistik keken over de rand. “Waar ga je heen?”
     “Het is allemaal jouw schuld, Wistik,” zei Johannes. “Laat mij met rust!”
     “Waarom moet je er ook met de mensen over praten, mensen begrijpen je toch niet. Waarom vertel je die dingen aan de mensen? dat is heel dom.”
     “Zij hebben mij uitgelachen en pijn gedaan. Het zijn ellendige wezens! ik haat ze.”
     “Nee Johannes, je houdt van ze.”
     “Nee! nee!”
     “Anders zou het je minder verdriet doen, dat zij niet zo zijn als jij; dan zou het je niets kunnen schelen, wat zij zeggen. Je moet je minder om mensen bekommeren.”
     “Ik wil mijn sleuteltje. Ik wil het hun laten zien.”
     “Dat moet je niet doen, ze zouden je toch niet geloven. Wat voor nut zou het hebben?”
     “Ik wil mijn sleuteltje, onder de rozenstruik. Weet je die te vinden?”
     “Jawel! — bij de vijver, nietwaar? Ja, die weet ik.”
     “Breng mij er dan heen, Wistik!”
Wistik klom op Johannes' schouder en wees hem de weg. Zij liepen de hele dag, — het woei en van tijd tot tijd vielen er regenbuien, Maar tegen de avond werden de wolken stil en verlengden zich tot lange gouden en grauwe stroken.
     Toen zij bij het duin aankwamen, dat Johannes kende, werd het hem week te moede en hij fluisterde telkens “Windekind! Windekind!”
     Daar was het konijnenhol, — en het duin, waartegen hij een keer geslapen had. Het grijze rendiermos was week en vochtig en kraakte niet onder zijn voet. De rozen waren uitgebloeid en de gele Teunisbloemen met hun bedwelmende, flauwe geur staken bij honderden de kelken omhoog. Hoger nog rezen de lange, trotse toortsplanten met dikke, vilten bladeren.
     Zoekend speurde Johannes naar het fijne, bruinachtige loof van de duinroos.
     “Waar is die, Wistik, ik zie het niet.”
     “Ik weet er niets van,” zei Wistik. “Jij hebt het sleuteltje verborgen, ik niet.”
     Waar de roos gebloeid had, was een veld vol gele Teunisbloemen, die wezenloos naar boven keken. Johannes vroeg het aan hen  — en ook aan de toortsplanten; die waren echter veel te trots, want hun lange bloemtros stak ver boven hem uit, — en hij vroeg het aan de kleine, driekleurige viooltjes op de zandgrond.
     Maar niemand wist iets van de duinroos. Ze waren allemaal van deze zomer. Zelfs de verwaande toortsplant, die zo hoog was.
     “Ach, waar is hij? waar is hij?”
     “Heb jíj mij ook al beet genomen?” zei Wistik. “Ik dacht het wel, dat heb je altijd met mensen.”
     En hij liet zich van Johannes' schouder glijden en liep weg tussen het helm.
     Wanhopig staarde Johannes rond, — daar stond een klein duinrozenstruikje.
     “Waar is de grote roos,” vroeg Johannes, “de grote die hier vroeger stond?”
     “Wij spreken niet met mensen,” zei het struikje.
     Dat was het laatste, wat hij hoorde, — al het levende om hem heen zweeg, alleen de helm suisde in de zachte avondwind.
     “Ben ik een mens?” dacht Johannes. “Nee, dat kan niet, dat kan niet. Ik wil geen mens zijn. Ik haat de mensen.”
     Hij was moe en wazig van geest. Hij ging liggen aan de rand van 't veldje, op het weke, grijze mos, dat een vochtige, sterke geur verspreidde.
     “Nu kan ik niet teruggaan, en nu zie ik Robinetta ook niet weer. Moet ik niet doodgaan, als ik haar niet heb? Moet ik blijven leven en een mens zijn, — een mens zoals die anderen, die mij uitgelachen hebben?”
     Toen zag hij opeens de twee witte vlinders weer, die van de kant van de ondergaande zon naar hem toe fladderden. Gespannen volgde hij hun vlucht. Zouden zij hem de weg kunnen wijzen? Zij vlogen over zijn hoofd heen, elkaar naderend en weer verlatend, om elkaar heen dwarrelend in een grillig spel. Langzaam verwijderden ze zich van de zon en zweefden eindelijk over de rand van de duinen heen naar het bos, waarvan alleen de hoogste toppen nog kleurden in de avondzon, die rood en fel onder de lange sombere wolkenrijen uit oplichtte.
     Johannes volgde hen. Maar toen ze boven de eerste bomen waren, zag hij hoe een donkere schaduw hen in een onhoorbare fladdervlucht achtervolgde en inhaalde. Het volgende ogenblik waren zij verdwenen. De zwarte schaduw schoot snel op hem toe, en angstig bedekte hij het gezicht met de handen.
     “Wel, vriendje! wat zit je daar te huilen?” klonk een scherpe, spotachtige stem vlak naast hem. Johannes had een grote vleermuis op zich zien afkomen, Maar toen hij opkeek, stond een zwart mannetje op het duin, niet veel groter dan hijzelf. Hij had een groot hoofd met grote oren, die donker afstaken tegen de lichte avondhemel, en een mager figuurtje met dunne benen. Van zijn gezicht zag Johannes alleen de kleine, schitterende ogen.
     “Heb je iets verloren, kereltje? Dan zal ik je helpen zoeken,” zei hij. Maar Johannes schudde zwijgend het hoofd.
     “Kijk eens! wil je die van mij hebben?” begon hij weer en opende zijn hand.
Daarin zag Johannes iets wits, dat van tijd tot tijd even bewoog. Het waren de witte vlindertjes, die stervend met de gescheurde en gebroken vleugeltjes trilden. Johannes voelde een huivering, alsof iemand hem tegen het achterhoofd blies, en angstig keek hij naar het vreemde wezen op. “Wie ben jij?” vroeg hij.
     “Wou je mijn naam weten, ventje? Nou, zeg maar Pluizer, gewoon maar Pluizer. Ik heb nog wel mooiere namen, maar die begrijp je toch niet.”
     “Ben jij een mens?”
     “Wel nu nog mooier! Nou heb ik behoorlijke armen en benen en een hoofd, — kijk eens wat een hoofd! — en nu vraagt zo'n jongen ook nog of ik een mens ben. Maar, Johannes! — Johannes!” En het mannetje lachte met een piepend, doordringend geluid.
     “Hoe weet je wie ik ben?” vroeg Johannes.
     “O, dat is voor mij een kleinigheid. Ik weet nog heel wat meer. Ik weet ook waar je vandaan komt en wat je hier komt doen. Ik weet verbazend veel, bijna alles.”
     “Ach, mijnheer Pluizer ...”
     “Pluizer, Pluizer, geen complimenten.”
     “Weet je dan ook ...” Maar Johannes zweeg plotseling. “Het is een mens,” dacht hij.
     “Van je sleuteltje, bedoel je? Wel zeker!”
     “Maar ik dacht niet, dat mensen daar iets van konden weten.”
     “Domme jongen! En Wistik heeft het al aan zovelen verklapt.”
     “Ken je Wistik dan ook?”
     “O ja! een van mijn beste vrienden, — en ik heb veel vrienden. Maar ik wist dat ook zonder Wistik. Ik weet veel meer dan Wistik. Wistik is een goed ventje, — maar dom, buitengewoon dom. Ik niet! lang niet!”  — En Pluizer klopte zelfvoldaan met zijn magere handje op zijn grote hoofd.
     “Weet je, Johannes,” ging hij verder, “wat een groot gebrek van Wistik is? Maar je moet het hem nooit zeggen, want dan wordt hij erg boos.”
     “Nou, wat dan?” vroeg Johannes.
     “Hij bestaat niet. Dat is een groot gebrek, maar hij wil het niet weten. En hij zegt van mij, dat ik niet besta, — maar dat liegt hij. Of ik besta! Drommels goed!”
     En Pluizer stak de vlindertjes in zijn zak en ging plotseling voor Johannes op zijn hoofd staan. Toen grijnsde hij erg lelijk en stak een lange tong uit. Johannes, die zich toch al niet op zijn gemak voelde alleen met dit wonderlijke wezen, bij de vallende avond in het eenzame duin, rilde nu van angst.
     “Dit is een alleraardigste manier om de wereld te bekijken,” zei Pluizer, nog steeds op zijn hoofd staand. “Als je wil, zal ik het je ook leren. Je ziet alles veel scherper en veel natuurlijker.”
     En hij spartelde met de spillebeentjes in de lucht en draaide zich op de handen om. Toen de rode avondgloed op het omgekeerde gezicht viel, vond Johannes het afschuwelijk, — de kleine oogjes knipperden in het licht en lieten het wit zien, aan de kant waar je het niet gewend bent.
     “Zie je, zo lijken de wolken de vloer, en de aarde het deksel van de wereld. Dat kun je evengoed volhouden als het tegenovergestelde. Boven of onder is er toch niet. Een mooie wandelplaats zou het op die wolken zijn.”
Johannes keek naar de lange wolken. Hij vond dat zij op een omgeploegd land leken met rode voren, alsof er bloed uit opwelde. Boven de zee straalde de poort van de wolkengrot.
     “Kun je daarheen gaan en daarin komen?” vroeg hij.
     “Gekheid!” zei Pluizer en stond eensklaps weer op zijn benen, tot grote opluchting van Johannes. “Gekheid! Als je daar bent, is het precies als hier, — en dan lijkt dat moois alleen een eindje verder weg. In die mooie wolken dáár is het mistig, grijs en koud.”
     “Ik geloof je niet,” zei Johannes; “nu zie ik pas goed dat je een mens bent.”
     “Och kom! geloof je mij niet, beste jongen, omdat ik een mens ben? en wat ben je zelf dan wel voor iets bijzonders?”
     “O Pluizer, ben ik ook een mens?”
     “Wat dacht je! een elf? Elfen worden niet verliefd.” En Pluizer ging vlak voor Johannes zitten, de benen onder zich gekruist en grijnsde hem strak aan. Johannes voelde zich onbeschrijfelijk beklemd en verlegen onder die blik en had zich wel willen wegstoppen of onzichtbaar maken. Maar hij kon zijn ogen niet meer afwenden.
     “Alleen mensen worden verliefd, Johannes, hoor je dat! — en dat is maar goed ook, anders waren ze er al lang niet meer. En jij bent verliefd als de beste, al ben je nog zo klein. Aan wie denk je op ‘t ogenblik?”
     “Aan Robinetta!” fluisterde Johannes nauwelijks hoorbaar.
     “Naar wie verlang je het meest?”
     “Robinetta!”
     “Zonder wie denk je niet te kunnen leven?”
Johannes' lippen bewogen geluidloos: “Robinetta!”
     “Nou dan, ventje,” grinnikte Pluizer, “wat verbeeld je je dan, een elf te zijn? Elfen worden niet verliefd op mensenkinderen.”
     “Maar het was Windekind ...” stamelde Johannes in zijn verlegenheid. Toen keek Pluizer ontzettend vals en greep Johannes met zijn knokige handjes bij de oren.
     “Wat is dat voor onzin! — Wou je mij met die snuiter bang maken? Die is nog veel dommer dan Wistik, — veel dommer. Hij begrijpt er niets van. En wat erger is, hij bestaat helemaal niet en heeft nooit bestaan. Ik besta alleen, begrijp je? En als je mij niet gelooft, zal ik je laten voelen, dat ik er ben.”
     En hij schudde de arme Johannes hard bij de oren. Deze riep: “Maar ik heb hem toch zo lang gekend, en ik ben zo ver met hem weggetrokken.”
     “Gedroomd heb je, zeg ik. Waar is je sleuteltje dan, hè? — Maar nu droom je niet, voel je wel?”
     “Au!” riep Johannes, want Pluizer kneep.
     Het was al donker, en de vleermuizen vlogen nu dicht langs hun hoofden en piepten schril. De lucht was zwart en zwaar, — geen blad bewoog in het bos.
     “Mag ik naar huis gaan?” smeekte Johannes.”Naar mijn vader?”
     “Je vader? — wat wil je daar doen?” zei Pluizer. “Die man zal je wel vriendelijk ontvangen, nadat je zo lang bent weggebleven.”
     “Ik verlang naar huis,” zei Johannes, en hij dacht aan de huiskamer met het heldere lamplicht, waar hij zo vaak bij zijn vader zat, luisterend naar het krassen van zijn pen. Daar was het vredig en gezellig.
     “Ja, dan had je maar niet weg moeten gaan en weg moeten blijven, terwille van die rare snuiter, die niet bestaat. Nu is het te laat. En het komt er ook niet op aan, ik zal wel voor je zorgen. Of ik het doe of je vader, dat is eigenlijk precies hetzelfde. Zo’n vader, — dat is toch maar fantasie. Heb je hem soms zelf uitgezocht? Denk je dat er geen anderen zijn die even goed en even knap zijn? Ik ben even goed en veel knapper, — veel knapper.”
     Johannes had geen moed om te antwoorden, — hij sloot de ogen en knikte flauw.
     “En bij die Robinetta moet je het ook niet zoeken,” ging het mannetje voort. Hij legde de handen op Johannes' schouders en praatte vlak bij zijn oor. “Dat kind hield je evengoed voor de gek als die anderen. Heb je niet gezien dat ze in de hoek bleef zitten, en geen woord zei, toen je werd uitgelachen? Ze is niets beter dan al die anderen. Ze vond je een aardig jongetje en heeft met je gespeeld, — zoals ze met een meikever zou spelen. Het kon haar niets schelen of je wegging. En van dat boekje wist ze niets. Maar ik wel, — ik weet waar het is, en ik zal het je helpen zoeken. Ik weet bijna alles.”
     En Johannes begon hem te geloven.
     “Ga je met mij mee? — Wil je met mij zoeken?”
     “Ik ben zo moe,” zei Johannes, “laat mij ergens slapen.”
     “Ik hou anders niet van slapen,” zei Pluizer, “daar ben ik te levendig voor, — een mens moet altijd kijken en denken. Maar ik zal je een poosje met rust laten. — Tot morgen.”
     Toen zette hij het vriendelijkste gezicht, dat hij zetten kon, Johannes keek strak in de glinsterende oogjes, — tot hij niets anders zag. Zijn hoofd werd zwaar, hij leunde tegen de bemoste duinhelling. De oogjes schenen verder en verder op te lichten, totdat zij sterren waren aan de zwarte hemel; het was alsof hij het geluid van verre stemmen hoorde, — alsof de aarde zich onder hem verwijderde, — toen hield zijn denken op.

 


X

     Nog voor hij goed wakker was, had hij een vaag besef, dat er iets bijzonders met hem was gebeurd, terwijl hij sliep. Maar hij wilde het niet weten en om zich heen zien. Hij wilde weer terug in de droom, die als een trage nevel langzaam wegtrok, — daarin was Robinetta weer naar hem toegekomen en had hem over het haar gestreken, zoals vroeger, — daarin had hij zijn vader weer gezien en Presto, in de tuin met de vijver.
     “Au!” dat deed pijn. Wie deed dat? — Johannes opende de ogen en zag in de grauwe morgen-schemering een klein mens vlak bij zich, — die hem aan de haren trok. Hij lag in een bed en het licht was zwak en onregelmatig, als in een kamer.
     Maar het gezicht, dat zich over hem heen boog, bracht hem opeens weer alle ellende en somberheid van gisteren te binnen. Het was Pluizers gezicht, minder spookachtig en meer menselijk, — maar even lelijk en angstwekkend als de vorige avond.
     “Och nee! — laat mij dromen,” zei hij.
     Maar Pluizer schudde hem door elkaar: “ben je mal, luiaard, dromen is dwaasheid, daarmee kom je niet verder. Een mens moet werken en denken en zoeken. Daar ben je een mens voor.”
     — “Ik wil geen mens zijn. Ik wil dromen.” —
     — “Dat helpt niet. Je moet. Je bent nu onder mijn hoede en met mij samen zul je werken en zoeken. Alleen met mij kan je vinden wat je wil. En ik zal je niet verlaten totdat wij het gevonden hebben.”  
     Johannes voelde een vage ontzetting. Maar het was alsof een overmacht hem neerdrukte en bedwong. Willoos onderwierp hij zich.
     Weg waren duinen, bomen en bloemen. Hij was in een klein, schemerig verlicht kamertje, — daarbuiten zag hij, zover hij zien kon, huizen en weer huizen, somber en grauw, in lange, eentonige rijen.
     Rook steeg overal op in dikke kronkels en sloeg als een bruinachtige nevel in de straten neer. En op die straten liepen de mensen als grote, zwarte mieren haastig door elkaar. Een verward gerucht steeg dof en aanhoudend uit hun massa op.
     — “Kijk, Johannes,” zei Pluizer, “is dat nu niet aardig? Dat zijn nu allemaal mensen en al die huizen zover je zien kunt, — nog verder dan die blauwe toren daar, — zijn ook vol mensen, van boven tot beneden vol. Is dat niet merkwaardig? Dit is nog eens wat anders dan een mierenhoop.” —
     Johannes luisterde met een angstige nieuwsgierigheid, alsof hem een groot, verschrikkelijk ondier getoond werd. Het was voor hem alsof hij op de rug van het monster stond, het zwarte bloed door dikke aderen zag stromen en de donkere adem uit honderd neusgaten zag opstijgen. En hij werd bang voor het onheilspellend grommen van de ontzaglijke stem. —
     — “Kijk hoe hard al die mensen lopen, Johannes,” ging Pluizer voort. “Je kunt zien dat zij haast hebben en iets zoeken, nietwaar? Maar het is grappig, dat niemand precies weet wat hij zoekt. Als ze nou een poosje gezocht hebben, dan komen ze iemand tegen, — die heet Hein ...”
     — “Wie is dat?” vroeg Johannes.
     — “O! een goede kennis van me, ik zal je wel eens aan hem voorstellen. Nou, die Hein zegt dan: “Zoek je mij?” Daarop zeggen de meesten gewoonlijk: “O nee! ... jou bedoel ik niet!” maar dan antwoordt Hein weer: “Er is toch niets anders te vinden dan mij.” Dan moeten ze zich wel met Hein tevreden stellen.”
     Johannes begreep, dat hij over de dood sprak.
     — “En gaat dat altijd, altijd zo?”
     “Jazeker, altijd. Er komen echter iedere dag weer een massa nieuwe en die beginnen dagelijks te zoeken, zonder te weten waarnaar, en zoeken en zoeken totdat ze eindelijk Hein vinden, — zo gaat het al een aardig poosje lang en zo zal het ook nog wel een poosje blijven aanhouden.” —
     — “Zal ik ook niets anders vinden, Pluizer, niets anders dan ...”
     — “Ja, Hein vind je zeker ooit, maar dat doet er niet toe, zoeken maar! altijd blijven zoeken!”
     — “Maar het boekje dan, Pluizer, jij zou mij het boekje laten vinden.”
     — “Nou! wie weet! ik heb het niet tegengesproken. Wij moeten zoeken, zoeken. Wij weten tenminste waarnaar wij zoeken. Dat heeft Wistik ons geleerd. En er zijn er, die hun hele leven zoeken om te weten waarnaar zij eigenlijk zoeken. Dat zijn de wijsgeren, Johannes. Maar als Hein komt, is het met hun gezoek óók uit.”
     — “Dat is vreselijk, Pluizer.”
     — “O nee, volstrekt niet. Hein is een heel goedige man. Maar hij wordt miskend.”
     Iemand stommelde buiten de kamerdeur op de trap. Klos! Klos! klonk het op de houten treden.
     Klos! Klos! dichter en dichterbij. Toen tikte iemand tegen de deur en het was alsof ijzer op hout tikte.
     Er kwam een grote man binnen. Hij had diepliggende ogen en lange, magere handen. Een koude tocht woei in het kamertje.
     “Wel wel,” zei Pluizer, “ben je daar, ga zitten! Wij hadden het net over jou. Hoe gaat het met je?”
     — “Druk, druk!”  — zei de lange man en wiste zich het koude zweet van het benige bleke voorhoofd.
     Roerloos en schuw staarde Johannes in de diepliggende ogen, die strak op hem gericht waren. Zij waren heel ernstig en donker, Maar niet wreed, niet vijandig. Na enige ogenblikken ademde hij weer vrijer en klopte zijn hart minder hevig.
     — “Dit is Johannes,” zei Pluizer, “hij heeft van een zeker boekje gehoord, waarin staat, waarom alles is zoals het is, en dat zullen wij nu samen gaan zoeken, nietwaar?”  — Toen lachte Pluizer veel-betekenend.
     — “Zo! zo! — nou dat is goed!”  — zei de Dood vriendelijk, en knikte Johannes toe.
     — “Hij is bang het niet te vinden, — maar ik zei hem dat hij maar eerst vlijtig moet zoeken.” —
     — “Zeker!”  — zei de Dood, “vlijtig zoeken is het beste.”
     — “Hij dacht, dat jij zo verschrikkelijk bent. — Nu zie je toch Johannes, dat je je vergist hebt, nietwaar?”
     “Ach ja!” — zei de Dood welwillend, “ze spreken veel kwaad over mij. Ik heb geen innemend uiterlijk, — maar ik meen het toch goed.”
     Hij glimlachte flauw, als iemand die met ernstiger dingen vervuld is dan waarover hij spreekt. Toen wendde zijn donkere blik zich van Johannes af naar buiten en dwaalde peinzend over de grote stad.
     Lang durfde Johannes niet te praten, eindelijk zei hij zacht:
     — “Ga jij mij meenemen?”
     — “Wat denk je, mijn jongen?” zei de Dood, opkijkend uit zijn mijmering: “Nee! nu nog niet. Jij moet opgroeien en een goed mens worden.” —
     — “Ik wil geen mens worden als de anderen.” —
     — “Kom! kom!” zei de Dood, “daar is niets aan te doen.”
     Je kon horen, dat dit een dagelijkse uitdrukking van hem was. Hij ging verder.
     — “Mijn vriend Pluizer kan je leren, hoe je een goed mens wordt. Je kunt het op verschillende manieren, maar Pluizer leert het ook uitstekend. Het is iets heel moois en begeerlijks een goed mens te zijn. Daar moet je niet op neerkijken, ventje!”
     “Zoeken, denken, kijken!” zei Pluizer.
     “Zeker, zeker!” — zei de Dood; — en toen tot Pluizer: “Waar ga je hem naar toebrengen?”
     — “Naar dokter Cijfer, mijn oud-leerling.”
     — “A ja! dat is een goede leerling. Dat is een zeer fraai voorbeeld van een mens. Bijna volmaakt in zijn soort.” —
     — “Zal ik Robinetta terugzien?”  — vroeg Johannes bevend.
     — “Wie bedoelt het ventje?”  — vroeg de Dood.
     “O! hij is al verliefd geweest en verbeeldde zich toch een elf te zijn, hi! hi! hi!” — lachte Pluizer geniepig!
     — “Nee! beste jongen, dat gaat niet,” — zei de Dood, — “die dingen zul je bij dokter Cijfer wel afleren. Wie zoekt wat jij zoekt, moet al het andere verliezen. Alles of niets.” —
     — “Ik zal een mens uit één stuk van hem maken, — ik zal hem eens laten zien wat verliefdheid eigenlijk is, dan zal hij er zich wel doorheen pluizen.”
     En Pluizer lachte vrolijk, — de Dood richtte weer zijn zwarte ogen op de arme Johannes, die met moeite het snikken bedwong. Want hij schaamde zich voor de Dood.
     Die rees plotseling overeind. — “Ik moet weg,” zei hij, — “ik verpraat mijn tijd. Er is hier veel te doen. Goede dag, Johannes! — wij zullen elkaar nog wel terugzien. Jij moet niet bang voor mij zijn.” —
     — “Ik ben niet bang voor jou, — ik zou willen dat je mij meeneemt. Toe! neem mij toch mee!” —
Maar de Dood wees hem zacht terug, hij was dergelijke vragen gewend.
     — “Nee! Johannes, — ga nu aan je werk, zoek en zie! Vraag mij niets meer. Ik vraag maar één keer en dan is het tijd genoeg.” —
     Toen hij verdwenen was gedroeg Pluizer zich weer heel overdreven. Hij sprong over stoelen, buitelde over de grond, kroop op de kast en de schoorsteenmantel en voerde halsbrekende kunsten uit in de open vensters.
     — “Dat was nou Hein! mijn goede vriend Hein!”  — riep hij, “vond je hem niet aardig? — Een beetje lelijk en knorrig van uiterlijk. Maar hij kan ook heel vrolijk zijn, als hij plezier heeft in zijn werk. Maar vaak verveelt het hem. 't Is ook wel wat eentonig.”
     — “Wie zegt hem, Pluizer, waar hij naar toe moet gaan?”
     Pluizer gluurde Johannes vals en onderzoekend aan.
     — “Waarom vraag je dat? — Hij gaat zijn eigen gang,   — hij neemt wie hij krijgen kan.” —
     Later heeft Johannes gezien dat het anders was. Maar nu wist hij niet beter of Pluizer sprak in alles de waarheid.
     Zij gingen de straat op en bewogen zich door de krioelende menigte. De zwarte mensen liepen door elkaar, lachten, praatten, zo vrolijk dat Johannes zich moest verwonderen. Hij zag hoe Pluizer velen toeknikte, maar niemand beantwoordde de groet, allemaal keken vóór zich alsof ze niets gezien hadden.
     — “Ze lopen nu te lachen,” zei Pluizer, “alsof zij mij geen van allen kennen. Maar dat lijkt maar zo. Als ik alleen met hen ben, kunnen ze mij niet negeren en dan zijn ze ook niet zo vrolijk. “  — En onder het lopen was Johannes zich bewust dat er iemand achter hem liep. Als hij omkeek zag hij de lange, bleke man, die met grote, onhoorbare schreden tussen de mensen door schreed. Hij knikte Johannes toe.
     “Zien de mensen hem ook?” vroeg Johannes aan Pluizer.
     “Ja zeker! allemaal, maar zij willen hem ook niet kennen. Nou, ik gun hun die trots!” —
     De drukte en het geraas brachten Johannes in een soort verdoving, die hem zijn verdriet deed vergeten. De smalle straten en de hoge huizen, die het hemelblauw in rechte stroken verdeelden, de mensen die langs hem af en aan liepen, het slepen van de voetstappen en het ratelen van de wagens verstoorden de oude visioenen en de droom van die nacht, als een storm de beelden op een waterspiegel. Het leek hem alsof er niets anders bestond dan muren, ramen en mensen, — alsof hij mee moest doen, meehollen in het rusteloze, ademloze gewoel.
     Toen kwamen zij in een stille buurt, waar een groot huis stond met grauwe, sierloze ramen. Het zag er streng en onvriendelijk uit. Daarbinnen was het stil en rook Johannes een mengeling van vreemde, scherpe geuren, — met een dompige kelderlucht als grondtoon. In een kamer, vol wonderlijke werktuigen, zat een eenzame man. Hij was omringd door boeken, glazen en koperen voorwerpen, allemaal vreemd voor Johannes. Er viel een enkele zonnestraal over zijn hoofd heen de kamer in en fonkelde op flessen met fraai gekleurde stoffen. De man tuurde ingespannen door een koperen buis en keek niet op.
     Toen Johannes naderbij kwam hoorde hij hem mompelen: — “Wistik! Wistik!” —
     Naast de man, op een lang, zwart bankje, lag iets wits en wolligs, — dat Johannes niet goed kon onderscheiden.
     — “Goede morgen, dokter!”  — zei Pluizer, — maar de dokter keek nog niet op.
     Toen schrok Johannes, want het witte voorwerp waar hij ingespannen naar keek, kwam opeens in een krampachtig rukkende beweging. Wat hij gezien had, was het witte buikdons van een konijntje. Het kopje met de beweeglijke neus lag achterover in ijzer geklemd, en de vier pootjes waren strak naast het lichaam vastgebonden. Kort duurde de wanhopige poging om zich te bevrijden, toen lag het beestje weer stil en alleen de snelle beweging van de bloedige keel toonde dat het nog leefde.
     En Johannes zag het ronde, goedige oog dat zo wijd staarde in machteloze angst en het was alsof hij het herkende. Ach! was dat niet het zachte lijfje, waartegen hij gerust had in die eerste, zalige elfennacht? Oude herinneringen drongen met geweld in hem naar boven. Hij vloog op het diertje toe:
     — “Wacht! wacht! arm konijntje, ik zal je helpen.”  — En haastig trachtte hij de koordjes los te knopen, die de tere pootjes striemden.
     Maar zijn beide handen werden tegelijk vastgegrepen en een scherpe lach klonk bij zijn oor.
     — “Wat betekent dat, Johannes? — Ben je nog zó kinderachtig? Wat moet de dokter wel van je denken?” —
     — “Wat wil die jongen? wat doet hij hier?”  — vroeg de dokter verbaasd.
     — “Hij wilde een mens worden, daarom kwam ik met hem bij u. Maar hij is nog wat klein en kinderachtig. Dit is niet de manier om te vinden wat je zoekt, Johannes!”
     — “Nee! dit is de manier niet,”  — zei de dokter. —
     — “Dokter, maak dat konijntje los!” —
     Maar Pluizer kneep zijn beide handen vast, zodat hij ineenkromp.
     “Wat hebben wij afgesproken, mannetje?” siste hij hem in ‘t oor. “Zoeken zouden wij, niet waar? Wij zijn hier niet in de duinen, bij Windekind en bij de stomme dieren. Wij zouden mensen zijn, — mensen! versta je. Als je een kind wil blijven, — als je niet sterk genoeg bent om mij te helpen, — laat ik je gaan, zoek dan maar alleen!”
     Johannes zweeg en geloofde hem. Hij wilde sterk zijn. Hij sloot de ogen, om het konijntje niet te zien.
     — “Beste jongen!”  — zei de dokter, “je lijkt nog wat teergevoelig te zijn om te beginnen. Het is waar, — de eerste keer is zoiets akelig om te zien. Ik zie het zelf ook niet graag  — en vermijd het zoveel mogelijk. Maar het is noodzakelijk. En je moet begrijpen: wij zijn mensen en geen dieren, — en het heil van de mensheid en van de wetenschap gaat boven dat van een paar konijnen.” —
     — “Hoor je!” zei Pluizer, “de wetenschap en de mensheid!”
     — “De man van de wetenschap,” ging de dokter voort, “staat hoger dan alle andere mensen. Maar hij moet dan ook de kleine gevoeligheden, die de gewone mensen kennen, laten varen voor dat éne grote: — de wetenschap. Wil je zo’n mens worden? was dat je roeping, mijn jongen?”
     Johannes twijfelde, — hij wist nog niet goed wat een roeping was, net zomin als de meikever.
     — “Ik wilde het boekje vinden,” zei hij, “waar Wistik het over had.” —
     De dokter keek verbaasd en vroeg: — “Wistik?” —
     Maar Pluizer zei snel: — “Hij wil dat, dokter, ik weet het wel. Hij wil de hoogste wijsheid zoeken, hij wil het wezen van de dingen begrijpen.”
     Johannes knikte, — “Ja!”  — Zover hij begreep, was dat zijn bedoeling.
     — “Nou, dan moet je sterk zijn, Johannes, en niet klein en teergevoelig. Dan zal ik je helpen. Maar bedenk: alles of niets.” —
     En Johannes hielp met sidderende handen de losgemaakte koorden weer vaster om de pootjes van het konijntje strikken.
 


XI

     Zo ging het verder. Er waren ook magere, uitgeteerde gestalten met wit haar, dat blauw glinsterde in het zwakke licht, en kleine kinderen met grote hoofden en oudachtige denkersgezichten.        “Kijk, die zijn pas na hun dood oud geworden!” — zei Pluizer.
     Zij kwamen bij een man met een volle baard en opgetrokken lippen, wiens witte tanden blonken. Midden in het voorhoofd had hij een rond zwart gaatje.
     — “Deze heeft Hein een handje geholpen. Waarom geen beetje geduld? Hij zou toch wel hier gekomen zijn.”
     En weer kwamen er gangen en nieuwe gangen en opnieuw rechte gestalten met strakke, grijnzende gezichten en roerloze, over elkaar gelegde handen.
     — “Nu ga ik niet verder,” zei de oorworm, “ik weet hier de weg niet meer.”
— “Laten we omkeren,” zei de pier. —
— “Nog één, nog één!” riep Pluizer.
     Verder ging de tocht.
     — “Alles wat je ziet bestaat,”  — zei Pluizer onder het verdergaan, “het is allemaal waar. Eén ding alleen is niet waar. Dat ben je zelf, Johannes. Jij bent hier niet, en je kunt hier niet zijn.” —
     En hij schaterlachte, toen hij de angstige, wezenloze blik van Johannes bij zijn woorden zag.
     — “Dit is de laatste! — echt de laatste!”
     — “De gang loopt dood, — ik ga niet verder,” — zei de oorworm knorrig.
     — “Ik wil verder!” zei Pluizer, en waar de gang eindigde, begon hij met beide handen te graven.
     — “Help mij, Johannes!” — Willoos in zijn ellende, gehoorzaamde deze en groef de vochtige, fijne aarde weg.
     Zwijgend en zwoegend werkten zij door, totdat het zwarte hout tevoorschijn kwam.
     De pier had de geringde kop ingetrokken en was achteruit verdwenen. De oorworm liet het licht vallen en ging terug.
     — “Zij komen er niet in, — het hout is te nieuw,” zei hij bij 't weggaan.
     — “Ik wil,” zei Pluizer en scheurde met de haakvingers lange, witte splinters krakend uit het hout.
     Een vreselijke beklemming bedrukte Johannes. Maar hij moest, — hij kon niet anders.
Eindelijk ging de donkere ruimte open. Pluizer nam het licht en kroop haastig naar binnen.
     — “Hier, hier!”  — riep hij en liep naar het hoofdeinde.
     Maar toen Johannes bij de handen kwam, die stil over elkaar gevouwen op de borst lagen, moest hij rusten. Hij staarde naar de magere, witte vingers, half verlicht aan de bovenzijde. Opeens herkende hij ze, hij herkende de vorm en de plooien van de vingers, de vorm van de lange nagels, nu donkerblauw verkleurd. Hij herkende een bruin vlekje aan de wijsvinger.
     Het waren zijn eigen handen.
     — “Hier, hier!” riep Pluizers stem van het hoofdeinde. “Kijk eens, — herken je hem?” —
     Nog wilde de arme Johannes zich weer oprichten en naar het licht toegaan, dat hem wenkte. Maar hij kon niet meer. Het lichtje doofde uit tot volkomen duisternis, en hij viel bewusteloos neer.
 


XII

     Diep zonk hij weg in de slaap, tot in de diepte waar geen dromen zijn.
Toen hij uit die duisternissen herrees, — langzaam, — naar het grauwe, koele licht van de morgen, — vloog hij door bonte, zachte dromen uit vroeger tijd heen. Hij ontwaakte en zij gleden van zijn ziel als dauwdruppels van een bloem. Kalm en vriendelijk was de uitdrukking van zijn ogen, half nog starend in het wemelen van de lieflijke beelden.
     Maar in pijn, als een lichtschuwe, sloot hij ze voor het vale daglicht. Hij zag, wat hij ook de vorige morgen gezien had. Het leek hem ver en lang geleden. Maar uur na uur kwam alles hem weer te binnen, — van de droevige morgen tot de vreselijke nacht. Hij kon niet geloven, dat al die verschrikkingen in één dag waren verschenen. Het begin van zijn ellende leek zo ver weg, verloren in een grauwe mist.
     Spoorloos gleden de zachte dromen van zijn ziel weg, Pluizer schudde aan hem, — en de sombere dag begon, — traag en kleurloos, — de voorloper van vele, vele andere.
     Maar wat hij de vorige avond op die bange tocht gezien had, bleef hem bij. Was het alleen maar een afschuwelijk visioen geweest?
     Toen hij Pluizer er weifelend naar vroeg, keek deze hem spottend en verwonderd aan.
     — “Wat bedoel je?” vroeg hij.
     Maar Johannes zag de spot in zijn blik niet, en vroeg of het niet echt zo gebeurd was, hij zag het nog zo scherp en duidelijk voor zich!
     — “Maar Johannes, wat ben je toch dom! Zulke dingen kunnen toch niet gebeuren!”
     En Johannes wist niet wat hij denken moest.
     — “We zullen je gauw aan 't werk zetten. Dan zul je zo’n domme vragen niet meer stellen.”
     En zij gingen naar de dokter Cijfer, die Johannes zou helpen vinden, wat hij zocht.
     Maar in de drukke straten hield Pluizer een keer plotseling stil en wees Johannes een mens uit de menigte aan.
     — “Ken je hem nog?”  — vroeg Pluizer en schaterde het uit toen Johannes bleek werd en de man verschrikt nastaarde.
     Hij had hem de vorige nacht gezien, diep onder de aarde.
     Vriendelijk ontving de dokter hen en deelde Johannes zijn wijsheid mee. Urenlang luisterde hij die dag, en vele dagen daarna.
     Wat hij zocht had de dokter nog niet gevonden. Maar hij had het bijna, zei hij. Hij zou Johannes zover brengen als hij zelf was en dan zouden zij er beiden wel komen.
     Johannes leerde en luisterde, ijverig en geduldig, — dagen en maanden lang. Hij voelde weinig hoop, — maar hij begreep, dat hij nu dóór moest gaan, — zo ver mogelijk. Hij vond het vreemd, — dat terwijl hij het licht zocht, het hoe langer hoe duisterder voor hem werd. Het begin van alles wat hij leerde was het beste, maar hoe dieper hij doordrong hoe doodser en duisterder het werd. Hij begon met planten en dieren, met alles wat om hem heen was  — en als hij er lang op gestaard had, werden het cijfers. Alles viel uitelkaar tot cijfers, — bladen vol cijfers. Dat vond dokter Cijfer heerlijk, en hij zei, dat het voor hem licht werd, als de cijfers kwamen, Maar voor Johannes was dat duisternis.
     Pluizer verliet hem niet en dreef en zweepte hem voort, als hij moedeloos en vermoeid was. Alle ogenblikken van genot of bewondering bedierf hij voor hem.
     Johannes verbaasde en verheugde zich, toen hij leerde en zag, hoe fijn de bloemen waren gebouwd, hoe zij vruchten vormden en hoe de insecten hen onwetend hielpen in die taak.
     — “Dat is toch prachtig,” zei hij, “wat is dat allemaal juist berekend en wat fijn en doelmatig gemaakt.” — “Ja, verbazend doelmatig,”zei Pluizer, “jammer dat het grootste deel van die doelmatigheid en fijnheid tot niets dient. Hoeveel bloesems worden vruchten en hoeveel pitten worden bomen?”
     — “Maar het lijkt toch allemaal volgens een groot plan gemaakt,” antwoordde Johannes. “Kijk! de bijen zoeken honing voor zichzelf en weten niet dat zij de bloemen helpen, — en de bloemen lokken de bijen door hun kleur. Het is een plan, en zij werken allebei mee zonder het te weten.” —
     — “Dat lijkt heel mooi, maar er mankeert veel aan. Als de bijen kans zien, bijten zij een gat onder in de bloem en maken de hele ingewikkelde organisatie te schande. Een slimme plannenmaker, die zich door een bij voor de gek laat houden.”
     Bij de wonderbaarlijke bouw van mensen en dieren werd het nog erger. Van alles wat Johannes mooi en knap vond, toonde hij de onvolkomenheid en de gebreken aan. Het hele leger van kwalen en ellende dat mens en dier treffen kan, liet hij hem zien, met voorliefde het walgelijkste en afzichtelijkste uitkiezend.
     — “Die plannenmaker, Johannes, was erg slim, maar bij alles wat hij maakte vergat hij iets, — en de mensen hebben handen vol werk, om al die gebreken zo goed mogelijk bij te lappen. Kijk maar om je heen! een paraplu, een bril, zelfs kleren en huizen, het is allemaal menselijk lapwerk. Het hoort volstrekt niet bij het plan. Maar de plannenmaker heeft niet bedacht dat mensen het koud zouden hebben en boeken zouden lezen en duizend dingen meer zouden gaan doen, waarvoor zijn plan niet deugde. Hij heeft zijn kinderen kleertjes gegeven, zonder te bedenken, dat zij er uit zouden groeien. Nu zijn bijna alle mensen al lang hun natuurpakje ontgroeid. Nu gaan zij alles zelf doen en storen zich volstrekt niet meer aan de plannenmaker en zijn plannen. Wat hij hun niet gegeven heeft, nemen ze brutaal en eigenmachtig, — en waar het hem blijkbaar te doen was hen te doen sterven, ontduiken zij de dood soms voor lange tijd, door allerlei kunstgrepen.” —
     — “Maar het is de schuld van de mensen,” riep Johannes, “waarom wijken zij moedwillig af van de natuur?” —
     — “O domme Johannes! — als een kindermeisje een onnozel kind met vuur laat spelen en het brandt zich, wie heeft dan schuld? — Het kind dat geen vuur kende, of het kindermeisje dat wist dat het kind zich zou branden? En wie is schuldig, als de mensen afdwalen in ellende en onnatuur, zijzelf of de alwijze plannenmaker, voor wie zij als onwetende kinderen zijn?” —
     — “Maar zij zijn niet onwetend, zij wisten ...”
     — “Johannes! als jij tegen een kind zegt: “raak dat vuur niet aan! het doet pijn” — en als het kind het dan toch doet, omdat het niet weet wat pijn is, kun jij je dan van schuld vrijpleiten en zeggen: “kijk! het kind was niet onwetend”? Jij wist toch, dat het jouw raad niet zou opvolgen. Mensen zijn dwaas en dom als kinderen. Maar glas is bros en leem is week. En wie mensen maakt en geen rekening houdt met hun dwaasheid, — is als iemand die wapens maakt van glas en niet bedenkt dat zij zullen breken, en pijlen van leem en niet bedenkt, dat zij zullen buigen.” —
     En de woorden vielen als druppels vloeiend vuur op Johannes' ziel. En in zijn borst zwol het grootste leed, dat zijn vroegere smarten verdrong en hem vaak deed huilen, in de stille, slapeloze uren van de nacht.
     Ach! slaap! slaap! — Er kwam een tijd, na lange dagen, — dat slaap hem het liefst was van alles. Daarin was geen gedachte en geen leed; en zijn dromen brachten hem altijd naar zijn vroegere leven terug. Heerlijk leek het hem, als hij er van droomde, maar overdag kon hij zich niet meer te binnen brengen, hoe het geweest was. Hij wist alleen, dat zijn verdriet en verlangen van vroeger beter waren, dan het lege, dode gevoel dat hij nu kende. Hij had een keer smartelijk naar Windekind verlangd, hij had een keer uur na uur op Robinetta gewacht. Wat was dat heerlijk geweest!
     Robinetta! — Verlangde hij nog? — Hoe meer hij leerde, hoe meer zijn verlangen verdween. Want ook dat werd ontleed en Pluizer legde hem uit wat liefde was. — Toen schaamde hij zich en dokter Cijfer zei dat hij er nog geen cijfers van maken kon, maar dat het wel spoedig gebeuren zou. Zo werd het duisterder en duisterder voor de kleine Johannes.
     Hij had een flauw gevoel van dankbaarheid, dat hij Robinetta niet herkend had op zijn vreselijke tocht met Pluizer.
     Als hij er met Pluizer over sprak, zei die niets en lachte slim. Maar Johannes begreep dat het niet was geweest, om hem te sparen.
     De uren dat Johannes niet leerde en werkte, gebruikte Pluizer, om hem de mensen te laten zien. Hij wist hem overal te brengen, — in de ziekenhuizen, waar de zieken in grote zalen lagen, — lange rijen bleke, uitgeteerde gezichten met een doffe of pijnlijke uitdrukking, waar een naargeestige stilte heerste, slechts door kuchen en kermen verbroken. En Pluizer wees hem aan, wie van hen nooit die zalen zouden verlaten. En als op een bepaald uur stromen mensen het huis binnenkwamen om hun zieke verwanten te bezoeken, zei Pluizer:
     — “Kijk! die weten allemaal, dat ook zij ooit in dit huis en in die droeve zalen terecht zullen komen, om er in een zwarte kist weer uitgedragen te worden.” —
     — “Hoe kunnen zij nog ooit vrolijk zijn?” — dacht Johannes.
     En Pluizer bracht hem op een klein bovenzaaltje, waar een weemoedig halfduister heerste en waar de verwijderde klanken van een piano uit een naburig huis onophoudelijk en dromerig doordrongen. Daar wees Pluizer hem, tussen de anderen, een zieke aan, die suffend voor zich uit staarde naar een smal zonnestraaltje, dat traag langs de muur kroop.
     — “Die ligt daar al zeven jaar,” — zei Pluizer. “Hij is zeeman geweest en heeft de palmen van Indië, de blauwe zeeën van Japan, de bossen van Brazilië gezien. Nu amuseert hij zich al die lange dagen van zeven lange jaren, met dat zonnestraaltje en dat pianospel. Hij komt hier niet meer vandaan; maar het kan nog net zo lang duren.”
     Na die dag was het Johannes' bangste droom, opeens in dat zaaltje te ontwaken, in dat weemoedige halfduister bij die dromerige klanken, om tot het einde toe niets anders meer te zien dan het gaande en komende licht.
Pluizer bracht hem ook in de grote kerkgebouwen en liet hem luisteren naar wat daar gezegd werd. Hij bracht hem bij feesten, bij grote plechtigheden, in de binnenvertrekken van vele huizen.
     Johannes leerde de mensen kennen, en het gebeurde hem soms, dat hij aan zijn vroegere leven moest denken, aan de sprookjes, die Windekind hem verteld had, en aan zijn eigen ontmoetingen. Er waren mensen die hem aan het glimwormpje herinnerden, dat in de sterren zijn gestorven makkers meende te zien, — of aan die ene meikever, die een dag ouder was dan de andere en zoveel over een roeping gesproken had, — en hij hoorde verhalen, die hem aan Kribbelgauw, de held van de kruis-spinnen, deden denken; of aan de aal, die niets deed en gevoed werd omdat een dikke koning deftig stond. Zichzelf vergeleek hij wel met de jonge meikever, die niet wist wat een roeping was en het licht invloog. Hij voelde zich alsof hij hulpeloos en verminkt op het vloerkleed rondkroop, met een draadje om 't lijf, een scherp draadje, waaraan Pluizer rukte en trok.
     Ach, de tuin zou hij wel niet meer vinden, — wanneer zou de zwarte voet komen en hem verpletteren?
     Pluizer spotte met hem, als hij over Windekind sprak. En langzamerhand begon hij te geloven, dat Windekind er nooit geweest was.
     — “Maar, Pluizer! dan is het sleuteltje er ook niet, dan is er niets!”
     — “Niets! Niets! Er zijn mensen en cijfers, dat is allemaal waar, dat bestaat, eindeloos veel cijfers.”
     — “Maar, Pluizer, dan heb je mij bedrogen. Laat mij ophouden, — laat mij niet meer zoeken, — laat mij alleen!” —
     — “Weet je niet meer wat de Dood gezegd heeft? — Een mens zou je worden, een volmaakt mens.”         — “Ik wil niet, — het is vreselijk.”
     — “Je moet, — je hebt het ééns gewild. Kijk dokter Cijfer eens, — vindt die het vreselijk? Word zoals hij is.” —
     Het was waar. Dokter Cijfer leek altijd rustig en gelukkig. Onvermoeid en onverstoorbaar ging hij zijn weg, studerend en onderrichtend, tevreden en gelijkmoedig.
     — “Kijk hem,” zei Pluizer, “hij ziet alles en ziet ook niets. Hij bekijkt de mensen alsof hij zelf een ander wezen is, dat niets met hen te maken heeft. Hij gaat tussen kwalen en ellende door als een onkwetsbare en verkeert met de dood als een onsterfelijke. Hij wil alleen begrijpen wat hij ziet, en hij vindt alles wat hij te weten komt even goed. Hij is met alles tevreden, zodra hij het bereikt. Zó moet je ook worden.” —
     — “Maar dat kan ik nooit.” —
     — “Ja, dat kan ik niet helpen.” —
     Dat was altijd het hopeloze einde van hun gesprek. Johannes werd dof en onverschillig, zocht en zocht, niet meer wetend waarnaar en waarom. Hij werd als de velen, die Wistik gesproken hadden.
     't Werd winter, en hij merkte het nauwelijks.
     Op een kille, mistige morgen, toen de natte, vuile sneeuw op de straten lag en van bomen en daken droop, ging hij met Pluizer zijn dagelijkse gang.
Op een plein ontmoette hij een paar jonge meisjes, op een rij, met schoolboeken in de hand. Ze gooiden elkaar met sneeuw en lachten en stoeiden. Helder klonken hun stemmetjes over het besneeuwde plein. Je hoorde geen geluid van voetstappen of rijtuigen, alleen de rinkelende bellen van de paarden of het rammelen van een winkeldeur. Helder klonk de blije lach door de stilte. Johannes zag hoe een van de meisjes hem aankeek en bleef nastaren. Zij had een bontmanteltje om en droeg een zwarte hoed. Hij kende haar gezicht heel goed, maar wist toch niet wie zij was. Zij knikte een keer, en nog een keer.
     — “Wie is dat? ik ken haar.” —
     — “Ja, dat is wel mogelijk. Zij heet Maria. Sommigen noemen haar Robinetta.” —
     — “Nee, dat kan niet. Zij lijkt niet op Windekind. Het is een gewoon meisje.” —
     — “Ha! ha! ha! Zij kan niet lijken op niemand. Maar zij is wie zij is. Je hebt naar haar verlangd, ik wil je nu wel bij haar brengen.” —
     — “Nee, ik wil haar niet zien. Ik had haar liever dood gezien, zoals de anderen.”
     En Johannes keek niet meer om, maar liep haastig door en mompelde:
     “Dat is het laatste, er is niets! niets!” —
 


XIII

     Het heldere, warme zonlicht van een eerste lentemorgen stroomde over de grote stad. Felle stralen vielen in 't kamertje, waar Johannes woonde; op de lage zoldering trilde en schommelde een grote lichtplek, — een weerkaatsing van het rimpelende water van de gracht.
     Johannes zat voor het raam in de zonneschijn en staarde over de stad. Die was helemaal van aanblik veranderd. De grauwe mist was een glanzige blauwe zonnewaas geworden, dat het einde van de lange straten en de torens in de verte omhulde. De lichtkanten van de leien daken schitterden zilverwit, alle huizen hadden heldere lijnen en lichte vlakken door het zonlicht, — er was een warme tinteling in de bleekblauwe lucht. Het water scheen levend geworden te zijn. De bruine knopjes van de iepebomen waren dik en glanzig, en luidruchtige mussen fladderden tussen de takjes.
     Het werd Johannes zo vreemd te moede, terwijl hij staarde. De zonneschijn bracht hem in een zoete verdoving.
     Er zat vergetelheid en onmiddellijke overvloed in. Dromend staarde hij naar de schittering van de golfjes, naar de zwellende iepeknopjes, — en hij luisterde naar het tjilpen van de mussen. Er zat vreugde in dat geluid.
     Zo gevoelig was hij in lange tijd niet geweest; zo gelukkig had hij zich in lange tijd niet gevoeld.
     Dat was de oude zonneschijn, die hij herkende. Dat was de zon die hem vroeger naar buiten riep, naar de tuin, waar hij dan, in de luwte van een oud muurtje, op de warme grond ging liggen, — en lang kon genieten van al dat licht en die warmte, starend naar de halmpjes en kluitjes vóór hem, gekoesterd in de zon.
     Hij voelde zich zó goed in dat licht, het gaf hem het veilige thuisgevoel, — zoals hij zich herinnerde dat het heel vroeger was, in de armen van zijn moeder. Hij moest aan heel het verleden denken, maar hij huilde of verlangde niet. Hij zat stil en droomde, — niet anders wensend dan dat de zon mocht blijven.
     — “Wat zit je daar te suffen, Johannes?” riep Pluizer, “je weet, ik hou niet van dromen.” —
     Johannes hief smekend de peinzende ogen omhoog.
     — “Laat mij nog even zo blijven,” zei hij. “De zon is zo goed.” —
     — “Wat vind je aan die zon?” zei Pluizer. “Het is toch niets anders dan een grote kaars, — of je in kaarslicht of zonlicht zit is volmaakt hetzelfde. Kijk! die schaduwen en die lichte plekken op straat, — dat is toch niets anders dan het schijnsel van een licht, wat stil brandt en niet flikkert. En dat licht is eigenlijk een heel klein vlammetje, dat op een heel klein stukje van de wereld schijnt. Daar! daar! voorbij dat blauw, onder en boven ons, is het donker, koud en donker! — daar is het nu nacht, nu en altijd.” —
     Maar zijn woorden hadden geen invloed op Johannes. De stille, warme zonnestralen doordrongen hem en vervulden zijn hele ziel, — het was licht en vredig in hem.
     Pluizer nam hem mee naar het kille huis van dokter Cijfer. Een tijd lang nog zweefden de beelden van de zon voor zijn geest, toen verflauwden zij langzamerhand en midden op de dag was het helemaal duister in hem.
Maar toen de avond kwam en hij weer door de straten van de stad liep, was de lucht zwoel en vol vochtige voorjaarsgeuren. Alles geurde sterker en in de enge straten beklemde het hem. Maar op de open pleinen rook hij het gras en de knoppen van buiten. En boven de stad zag hij het voorjaar in de rustige wolkjes, in het tere rood van de westelijke hemel.
     De schemering spreidde een zachte, grijze nevel over de stad, vol fijne tinten. Het werd stil in de straten, alleen een straatorgel in de verte speelde een weemoedig wijsje, — de huizen leken zwarte schimmen tegen de rode avondhemel, als talloze armen staken ze hun grillige spitsen en schoorstenen omhoog.
     Het was voor Johannes als een vriendelijke glimlach van de zon, toen zij voor het laatst over de grote stad lichtte, — vriendelijk als de glimlach die een dwaasheid vergeeft. En de zoelte streek Johannes liefkozend over de wangen.
     Toen kwam er een grote weemoed in Johannes' hart, — zo groot dat hij niet verder kon gaan en diep ademend zijn gezicht moest opheffen naar de wijde hemel. Het voorjaar riep hem en hij hoorde het. Hij wilde antwoorden, hij wilde komen. Het was allemaal berouw en liefde en vergeving in hem.
     Verlangend staarde hij omhoog en tranen gleden uit zijn droeve ogen.
     — “Kom! Johannes! — doe niet zo raar, de mensen kijken!” zei Pluizer.
     De lange, eentonige huizenrijen strekten zich aan beide zijden somber en naargeestig uit. Een gejammer in de zwoele lucht, een klaagtoon tussen het roepen van de lente!
     De mensen zaten voor de deuren en op de stoepen, — om van de lente te genieten. Het leek voor Johannes op een bespotting. De vuile deuren stonden open en de bedompte ruimte daarbinnen wachtte op hen. Het orgel in de verte rekte nog zijn weemoedige tonen.
     — “O! kon ik hier maar uit wegvliegen, ver weg, naar de duinen, naar — de zee!”
     Maar hij moest mee naar het hoge kleine kamertje en hij lag die nacht wakker.
     Hij moest denken aan zijn vader en de lange wandelingen, die hij met hem maakte, — als hij tien passen achter hem liep en zijn vader letters voor hem schreef in het zand. Hij moest aan de plaatsen denken, waar de viooltjes groeien tussen het kreupelhout en aan de dagen, dat hij ze met zijn vader gezocht had. De hele nacht zag hij het gezicht van zijn vader, zoals het was, als hij ‘s avonds bij het stille lamplicht naar hem zat te kijken en luisterde naar het krassen van zijn pen.
     Iedere morgen vroeg hij Pluizer toen, om nog één keer terug te mogen gaan, naar zijn huis en zijn vader, om nog één keer zijn tuin en de duinen te mogen zien. Nu merkte hij dat hij zijn vader meer had liefgehad dan Presto en zijn kamertje, — want het was om hem dat hij het vroeg.
     — “Vertel mij alleen hoe het met hem is  — en of hij nog boos op mij is, omdat ik zolang ben weg-gebleven.” —
     Pluizer haalde de schouders op. — “Al zou je dat nu weten, wat zou het je helpen?”
     Maar de lente bleef hem roepen, luider en luider. Iedere nacht droomde hij van het donkergroene mos op de duinhellingen en van zonnestralen, die door het fijne, jonge groen schenen.
     — “Het kan zó niet langer duren,” dacht Johannes, “ik kan het niet volhouden.” —
     En vaak, als hij niet slapen kon, stond hij zachtjes op, — ging naar het venster, en staarde in de nacht. Hij zag hoe de dommelige, donzen wolkjes langzaam langs de maanschijf schoven, vreedzaam drijvend in een zee van zachte glans. Hij dacht hoe nu daar in de verte de duinen sliepen in de zwoele nacht, hoe wondervol het moest zijn in de lage bosjes, waar geen van de jonge blaadjes zou bewegen en waar het zou geuren van vochtig mos en jonge berkenspruiten. Hij meende van verre het golvende koor van de kikkers te horen, dat zo geheimzinnig aanzweeft over de velden, — en het lied van de enige vogel, die de plechtige stilte mag begeleiden, die zijn zang zo zacht en klagend begint en zo plotseling afbreekt, waardoor de stilte nog stiller schijnt. En het riep hem, het riep hem allemaal. Hij boog het hoofd op de vensterbank en snikte op zijn arm.
     — “Ik kan niet meer! — ik kan het niet verdragen. Ik zal wel gauw sterven, als ik niet mag komen.”
     Toen Pluizer hem de volgende dag wekte, zat hij nog bij het venster, waar hij was ingeslapen met het hoofd op de arm. De dagen gingen voorbij, werden lang en warm, en er kwam geen verandering. Maar Johannes stierf niet en zijn smart moest hij dragen.
     Op een morgen zei dokter Cijfer tegen hem:
     — “Ga je mee Johannes, ik moet een zieke bezoeken.”
     Dokter Cijfer stond bekend als een geleerd man en velen riepen zijn hulp in tegen ziekte en dood. Al vaak was Johannes met hem meegegaan.
     Pluizer was bijzonder vrolijk die morgen. Hij ging telkens op het hoofd staan, danste en buitelde, en maakte allerlei uitgelaten grappen. Hij grinnikte voortdurend geheimzinnig, als iemand die voor een ander een verrassing bereid heeft. Johannes was heel bang voor hem als hij in zo’n bui was.
     Dokter Cijfer bleef echter ernstig als altijd.
     Zij maakten die morgen een verre reis. In een spoortrein en te voet. Zij gingen verder dan anders, nog nooit hadden ze Johannes buiten de stad meegenomen.
     Het was een warme, zonnige dag. Vanuit de spoortrein zag Johannes de grote, groene weiden voorbijgaan met langgepluimd gras en grazende koeien. Hij zag witte vlinders fladderen boven het bloemrijke land, waar de lucht trilde van de zonnehitte.
     Maar opeens voelde hij een tinteling, — daar strekte zich de lange, golvende duinenrij uit!
     — “Nou Johannes!” grinnikte Pluizer. “Nou krijg je toch je zin, zie je wel!” —
     Half ongelovig bleef Johannes naar de duinen staren. Zij kwamen nader- en naderbij. De lange sloten aan beide kanten leken om hun middelpunt te draaien en snel vlogen enkele woningen langs de weg voorbij.
     Toen kwamen de bomen: dichtbebladerde kastanjebomen, rijkelijk bloeiend met duizenden grote, witte of rode bloemtrossen, — donkerblauwgroene dennen, grote, statige linden.
     Het was toch waar, hij ging zijn duinen terugzien.
De trein stond stil, — en toen liepen de drie te voet, onder het schaduwrijke loof.
     Daar was het donkergroene mos, daar waren de ronde plekken van de zonnestralen op de bosgrond, dat was de geur van berkenspruiten en dennennaalden.
     — “Is het waar! — is het werkelijk waar?”  — dacht Johannes, — “zou het geluk komen?” —
     Zijn ogen schitterden en zijn hart klopte krachtig. Hij begon te geloven in zijn geluk. Deze bomen, deze grond kende hij, — over dit bospad was hij vaak gelopen.
     Zij waren alleen op de weg. Maar Johannes moest omkijken, alsof hen iemand volgde. En hij meende tussen het eikenloof de donkere figuur van een mens te zien, die telkens door de laatste kronkeling van het pad verborgen bleef.
     Pluizer keek hem vals en geheimzinnig aan. Dokter Cijfer liep met lange stappen en staarde naar de grond.
     De weg werd hem bekender en vertrouwder, — iedere steen, ieder struikje kende hij, — toen schrok Johannes opeens hevig, want hij stond voor zijn eigen huis.
     De kastanjeboom voor het huis breidde zijn grote, handvormige bladen schaduwend uit. Tot boven in de hoge top prijkten de prachtig witte bloesems in de volle, ronde bladermassa.
     Hij hoorde het geluid van de opengaande deur, dat hij zo goed kende, — en hij rook de geur van zijn eigen huis. Daar herkende hij de gang, de deuren, allemaal stuk voor stuk, — met een smartelijk gevoel van verloren vertrouwelijkheid. Het was allemaal een deel van zijn leven, — van zijn eenzame, mijmerende kinderleven. Tegen al die voorwerpen had hij gesproken, hij had met hen geleefd in zijn gedachteleven, — waar hij geen mens in toeliet. Maar nu voelde hij zich afgescheiden en afgestorven van het hele oude huis, met zijn kamers en gangen en portaaltjes. Hij voelde dat die scheiding onherroepelijk was en het was voor hem alsof hij een kerkhof bezocht, zo weemoedig en droevig.
     Was Presto hem maar tegemoet gesprongen, dan zou het minder akelig zijn, — maar Presto was zeker weg of dood.
     Maar waar was zijn vader?
     Hij keek terug naar de open deur en de zonnige tuin daarbuiten, en zag de man, die hem op weg leek te achtervolgen, nu al op het huis toelopen. Hij kwam dichter en dichterbij en leek groter te worden bij het naderen. Toen hij bij de deur was vervulde een grote, kille schaduw de gang. Toen herkende Johannes de Man.
     Het was doodstil in huis en zij gingen zwijgend de trap op. Er was een trede, die altijd kraakte onder de voetstappen, dat wist Johannes. En nu hoorde hij haar driemaal kraken, het klonk als een pijnlijk kreunen. Maar onder de vierde voetstap was het als een doffe snik.
     En boven hoorde Johannes een gekreun, zacht en zo regelmatig als een langzaam klokgetik. Het was een pijnlijk akelig geluid.
     De deur van Johannes' kamertje stond open. Hij wierp er even een schuwe blik in. De wonderlijke bloemfiguren van het behang staarden hem verbaasd en wezenloos aan. De hangklok stond stil.
     Zij gingen naar de kamer van waaruit het geluid kwam. Het was de slaapkamer van zijn vader. De zon scheen vrolijk naar binnen, op de gesloten, groene gordijnen van het bed. Simon de kat zat op de vensterbank in de zonneschijn. Er heerste een beklemmende geur van wijn en kamfer. Het zachte kreunen klonk nu van dichtbij.
     Johannes hoorde fluisteren van stemmen en schuifelen van voorzichtige voetstappen. Toen werden de groene gordijnen opengeslagen.
     Hij zag het gezicht van zijn vader, dat hij de laatste tijd zo vaak voor zich had gezien. Maar het was helemaal anders. De vriendelijke, ernstige uitdrukking was weg en het keek strak en benauwd. Het was vaalbleek, met bruine schaduwen. De tanden waren zichtbaar in de halfgeopende mond en het wit van de ogen onder de halfgesloten oogleden. Het hoofd lag weggezonken in het kussen en regelmatig hief het zich bij het kreunen even op, om dan weer moe opzij te vallen.
     Roerloos stond Johannes bij het bed en staarde met wijde strakke ogen naar dat bekende gezicht. Hij wist niet wat hij dacht, — hij durfde geen vinger te bewegen, — hij durfde die oude, bleke handen, die slap op het witte linnen lagen, niet vast te pakken.
     Het was allemaal zwart om hem heen, de zon en de lichte kamer, het groen daarbuiten en de blauwe lucht van zo even, alles wat achter hem lag, het werd zwart, zwart, dof en ondoordringbaar. En in die nacht zag hij alleen dat bleke hoofd daar vóór hem. En hij moest alleen denken aan dat arme hoofd, dat zo moe leek, en zich telkens en telkens weer met een smartelijk geluid moest optillen.
     Toen kwam een ogenblik een verandering in de regelmatige beweging. Het kreunen hield even op, de oogleden gingen langzaam open, de ogen staarden zoekend rond en de lippen trachtten iets te zeggen.
     — “Dag vader!” fluisterde Johannes en staarde angstig bevend in de zoekende ogen. De matte blik rustte toen even op hem en een flauw, flauw glimlachje rimpelde de holle wangen. De smalle, samengeplooide hand werd van het laken opgetild en maakte een onzekere beweging naar Johannes, toen viel zij krachteloos weer neer.
     — “Kom! kom!” zei Pluizer, — “geen scène hier.”
     — “Ga uit de weg, Johannes,” — zei dokter Cijfer, — “wij moeten zien wat er te doen valt.” — De dokter begon het onderzoek, maar Johannes ging weg van het bed en stond voor het raam. Hij keek naar het zonnige gras en de heldere lucht en naar de brede kastanjebladeren, waarop dikke vliegen zaten, die blauw glansden in de zonneschijn. Het kreunen begon weer met dezelfde gelijkmatigheid.
     Een zwarte merel huppelde tussen het hoge gras in de tuin, — grote rood en zwarte vlinders dwarrelden over de bloemperken, uit het gebladerte van de hoogste bomen drong het zachte, vleiende gekir van de houtduiven tot Johannes door.
     Hier binnen hield het kreunen aan, — altijd maar door, altijd maar door. Hij moest er naar luisteren, — en het kwam regelmatig, onafwendbaar als de vallende druppel, die krankzinnig maakt. Gespannen wachtte hij bij elke tussenpoos en telkens kwam het weer, — verschrikkelijk als de voetstap van de naderende dood.
     En daarbuiten heerste een warme, weelderige zonnevrede. Alles koesterde zich en genoot. De grashalmen trilden en de bladeren ritselden van zoete overvloed, — boven de hoge boomtoppen, diep in het wemelende blauw, zweefde een reiger met kalme vleugelslag.
     Johannes begreep het niet, — het was allemaal een raadsel voor hem. Het was zo verward en duister in zijn ziel. — “Hoe kan dit allemaal tegelijk in mij zijn!”  — dacht hij.
     — “Ben ik dit werkelijk? — Is dat mijn vader, mijn eigen vader? — Van mij, mij, Johannes?”
     Het was voor hem alsof hij over een vreemde praatte. Het was allemaal een verhaal, dat hij gehoord had. Hij had iemand horen vertellen over Johannes en over het huis, waar hij woonde en over zijn vader, die hij verlaten had en die nu ging sterven. Hij was het zelf niet, — hij had het horen vertellen. Het was wel een droevig verhaal, echt droevig. Maar het ging hem niet aan.
     Ja! — ja! — toch. Hij was het zelf, hij! Johannes!
     — “Ik begrijp de zaak niet,”  — zei dokter Cijfer, zich oprichtend, “het is een raadselachtig geval.”
     Pluizer kwam bij Johannes staan.
     — “Kom je niet even kijken, Johannes, het is een belangrijk geval. De dokter weet het niet.” —
     — “Laat mij,” zei Johannes, zonder zich om te wenden. “Ik kan niet denken.” —
     Maar Pluizer ging achter hem staan en fluisterde scherp in zijn oor, zoals zijn gewoonte was.
     — “Niet denken! — Dacht je dat je niet denken kon? — Dat heb je mis. Je moet denken. — Al kijk je nu naar het groen en naar de blauwe lucht, dat helpt niet. Windekind komt toch niet. En die zieke man dáár gaat toch dood. Dat heb je net zo goed gezien als wij. Maar wat zou zijn kwaal zijn, denk je?” —
     — “Ik weet het niet! ik wil het niet weten.”
     Johannes zweeg en luisterde naar het kreunen, het klonk zacht klagend en verwijtend. Dokter Cijfer maakte aantekeningen in een boekje. Bij het hoofd van het bed zat de donkere gestalte, die hen gevolgd was, — het hoofd gebogen, de lange hand naar de zieke uitgestrekt en de diepliggende ogen naar de klok gericht.
Het scherpe fluisteren aan zijn oor begon weer.
     — “Waarom kijk je zo bedroefd, Johannes? Nu heb je toch je zin. Daar liggen de duinen, daar zijn de zonnestralen door het groen, daar fladderen vlinders en zingen vogels. Wat wil je nu nog?
     — Wacht je, Windekind? — Als hij ergens is, moet hij dáár zijn. Waarom komt hij nu niet? — Zou hij bang zijn voor die donkere vriend aan het hoofdeind? Die was er toch altijd al.”
     “Zie je nu wel dat het allemaal inbeelding geweest is, Johannes?”
     “Hoor je dat kreunen wel? Het klinkt al zachter dan daar net. Je kan horen dat het wel gauw helemaal zal ophouden. Nou, wat is dat? Er hebben er al zoveel gekreund, ook toen jij hier buiten rondliep tussen de duinrozen. Waarom sta je nu hier te treuren en ga je niet de duinen in, zoals vroeger? — Kijk! alles bloeit en geurt en zingt daar, alsof er niets gebeurt. Waarom doe je niet mee met al die vrolijkheid en dat leven?”
     “Eerst klaag je en verlang je, — nu breng ik je waar je wilde zijn en nu is het weer niet goed. Kijk! ik laat je gaan, loop door het hoge gras, ga in die koele schaduw liggen, laat de vliegen om je heen gonzen en ruik de geur van het jonge kruid! — ik laat je vrij, ga nu! Zoek Windekind nu weer!”
     “Je wil niet? — Geloof je nu dan toch alleen in mij? — Is het waar wat ik je verteld heb? Loog Windekind of ik?”
     “Hoor het kreunen! — zo kort en zwak. Het zal gauw stil zijn.”
     “Kijk maar niet zo angstig om, Johannes. Hoe eerder het stil is, hoe beter. — Nu zullen er geen lange wandelingen meer komen, — nu zul je niet meer met hem naar viooltjes zoeken. Met wie zou hij die twee jaren gewandeld hebben, denk je? toen je weg was? Ja, je kunt het hem nu niet meer vragen. Dat zul je nooit weten. Nu moet je je wel met mij tevreden stellen. Als je mij wat eerder gekend had, zou je nu niet zo jammerlijk kijken. Je bent nog lang niet zoals je moet zijn. Denk je dat dokter Cijfer in jouw geval zo zou kijken? Het zou hem even bedroefd maken als die kat, die daar spint in de zonneschijn. En dat is goed. Waartoe dient die rampzaligheid? Hebben de bloemen je dat geleerd? Die treuren ook niet als er een geplukt wordt. Is dat niet gelukkig? Zij weten niets, daarom zijn zij zo. Jij bent ooit begonnen met iets te weten, nu moet je ook alles weten om gelukkig te worden. Dat kan alleen ik je leren. Alles of niets.”
     “Luister naar mij. Wat maakt het uit of dat je vader is? Het is een mens die sterft, — dat is een gewone zaak.”
     “Hoor je het kreunen nog? — Erg zwak nietwaar? — Het zijn nu wel de laatste.”
     Johannes keek naar het bed in een bange beklemming.
     Simon de kat sprong van de vensterbank, rekte zich uit  — en legde zich spinnend naast de stervende in het bed.
     Het arme, moeie hoofd bewoog niet meer, — het lag stil in het kussen weggezonken, — maar uit de half geopende mond kwamen nog regelmatig de korte, matte klanken.
     Zij werden zachter, zachter, nauwelijks hoorbaar.
     Toen wendde de Dood de donkere ogen van de klok naar het weggezonken hoofd en hief de hand op. Daarna werd het stil.
     Een vale schaduw viel over het strakke gezicht.
     Stilte, — doffe, lege stilte! —
     Johannes wachtte en wachtte. —
     Maar de regelmatige klank kwam niet terug. Het bleef stil, een grote, suizende stilte.
     De spanning van het luisteren van de laatste uren hield op, en het was voor Johannes alsof zijn ziel werd losgelaten en neerviel in een zwarte en bodemloze leegte.
     Hij viel dieper, en dieper. Het werd stiller en duisterder om hem heen.
     Toen klonk Pluizers stem, als vanaf een grote afstand.
     — “Ziezo! dat verhaaltje is weer uit.” —
     — “Dat is goed,” zei dokter Cijfer, “nu kun je zien wat het geweest is. Ik laat dat aan jou over. Ik moet weg.” —
     Half nog in een droom zag Johannes glinsterende messen blinken.
     De kat zette een hoge rug op. Het werd koud naast het lichaam, en hij zocht weer de zonneschijn op.
     Johannes zag hoe Pluizer een mes nam, het zorgvuldig bekeek en ermee naar het bed ging.
     Toen schudde Johannes de verdoving van zich af. Voordat Pluizer bij het bed was, stond hij vóór hem.
     — “Wat wil je? “ vroeg hij. Zijn ogen waren wijd geopend van ontzetting.
     — “Wij gaan kijken wat het geweest is,”  — zei Pluizer.
     — “Nee!” zei Johannes, en zijn stem was laag als een mannenstem.
     — “Wat betekent dat?” — zei Pluizer met een grimmig flikkerende blik. — “Kun jij mij verbieden? Weet je niet hoe sterk ik ben?” —
     — “Ik wil het niet,” — zei Johannes. Hij sloot de tanden op elkaar en haalde diep adem. Zeker staarde hij Pluizer aan en strekte de hand naar hem uit.
     Maar Pluizer kwam dichterbij. Toen greep Johannes hem bij de polsen en worstelde met hem.
     Pluizer was sterk, hij wist het, nog nooit had hij hem getrotseerd. Maar hij gaf niet op, en zijn wil brak niet.
     Het mes schitterde voor zijn ogen, hij zag vonken voor zijn blik en rode vlammen, Maar hij gaf niet toe en bleef worstelen.
     Hij wist wat er zou gebeuren als hij bezweek. Hij kende het, hij had het vroeger gezien. Maar wat daar achter hem lag was zijn vader, en hij wilde het niet zien.
     En terwijl zij hijgend worstelden, lag achter hem het dode lichaam uitgestrekt en bewegingloos, zoals het gelegen had op het ogenblik, toen de stilte kwam, het wit van de ogen zichtbaar als een smalle streep, de mondhoeken opgetrokken in een strakke grijnslach.
     Alleen als beiden in hun gevecht tegen het bed stootten, schudde het hoofd zachtjes heen en weer.
     Nog steeds hield Johannes vol, de adem liet hem in de steek en hij zag niets meer. Een sluier van bloedrood licht lag voor zijn ogen. Toch hield hij vol.
     Toen verzwakte langzamerhand de weerstand van de beide polsen onder zijn greep. Zijn spieren ontspanden zich, — zijn armen vielen slap langs zijn lijf en zijn gesloten handen waren leeg. —
     Toen hij opkeek was Pluizer verdwenen. Alleen de Dood zat bij het bed en knikte.
     — “Dat was goed van je, Johannes,” zei hij.
     — “Zal hij terugkomen?” fluisterde Johannes. De Dood schudde het hoofd.
     — “Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem nooit weer.” —
     — “En Windekind? Zal ik Windekind nu terugzien?” —
     Lang keek de sombere man Johannes aan. Zijn blik was niet angstwekkend meer, — maar zacht en ernstig, hij trok Johannes aan, als een grote diepte.
     — “Ík alleen kan je bij Windekind brengen. Door mij alleen kun je het boekje vinden.”
     — “Neem mij dan mee, — er is nu niemand meer, — neem mij nu ook mee, — zoals de anderen, — ik wil niets anders meer ...”
     Nogmaals schudde de Dood het hoofd.
     — “Jij hebt de mensen lief, Johannes. Jij wist het niet, maar jij hebt hen altijd liefgehad. Jij moet een goed mens worden. Het is een schone zaak een goed mens te zijn.” —
     — “Ik wil niet, neem mij mee ...”
     — “Zo gaat het niet. Jij wil. Jij kunt niet anders!”
     Toen werd de lange, donkere gestalte nevelig voor Johannes' ogen, vervloeide in vage vormen, een ijle, grijze mist zweefde ’t vertrek binnen en trok weg langs de zonnestralen.
     Johannes boog het hoofd over de rand van het bed en huilde bij de dode man.
 


XIV

     Na een lange tijd tilde hij het hoofd op. De zonnestralen vielen schuin naar binnen en hadden een rode glans. Het leken rechte, gouden staven.
     “Vader! Vader!” fluisterde Johannes.
     Buiten vulde de zon de hele natuur met een wolk van een schitterend gouden gloed. Elk blad hing roerloos en alles zweeg in een plechtige zonnewijding.
     En langs het licht daalde een zachte suizeling naar binnen. Het was alsof de lichte stralen zongen.
     “Zonnezoon! Zonnezoon!”
     Johannes tilde het hoofd op en luisterde. Het ruiste in zijn oren.
     “Zonnezoon! Zonnezoon!”
     Het leek op de stem van Windekind. Hij alleen had hem zo genoemd, — zou hij hem nu roepen?
     Maar hij keek naar het gezicht naast hem, — hij wilde niet meer luisteren.
     “Arme, lieve vader!” zei hij.
     Maar plotseling klonk het weer om hem heen, — van alle kanten om hem heen, — zo sterk, zo indringend, dat hij huiverde in een wonderbaarlijke ontroering.
     “Zonnezoon! Zonnezoon!”
     Johannes stond op en staarde naar buiten. Wat een licht! wat een heerlijk licht. Het stroomde over de volle boomkruinen, het tintelde tussen de grashalmen en fonkelde in de donkere schaduwplekken. De hele lucht was ermee gevuld, tot hoog in het blauw, waar zich de eerste, tere avondwolkjes vormden.
     Over het grasveld tussen de groene bomen en heesters zag hij de duinen. Op hun toppen lag rood goud en in hun schaduwen hing het blauw van de hemel.
     Rustig lagen zij uitgestrekt in een kleed van tere tinten. De fijne golving van hun omtrekken was vredebrengend als een gebed. Johannes voelde weer hoe het was, toen Windekind hem had leren bidden.
     Was zij daar niet, de lichte gestalte in het blauwe kleed? Kijk! daar midden in het licht, wat daar in een waas van goud en blauw schemert, is dat niet Windekind, die hem wenkt?
     Johannes vloog naar buiten in de zonneglans. Daar stond hij een ogenblik stil. Hij voelde de heilige wijding van het licht, — en durfde, waar het gebladerte zo stil was, zich nauwelijks te bewegen.
     Maar daar vóór hem was de lichte gestalte weer. Het was Windekind, zeker! Hij was het. Het stralende hoofdje naar hem toegekeerd, de mond half geopend, als om te roepen. Hij wenkte hem met de rechterhand. In de linker hield hij iets omhoog. Hoog hield hij het met de toppen van de slanke vingers, en het flonkerde en schitterde in zijn hand.
     Met een blije kreet van geluk en verlangen snelde Johannes naar de geliefde verschijning. Maar ze verhief zich en zweefde vóór hem uit met een lachend gezicht en een wenkende hand. Soms raakte zij de aarde in een langzame daling, maar dan rees zij weer op, licht en snel en zweefde verder als het zaadpluis, dat voortgedreven wordt door de wind.
     Johannes wilde zich ook verheffen en zweven, zoals vroeger en zoals in zijn droom. Maar de aarde trok aan zijn voeten, en zijn loop bleef zwaar op de grazige grond. Hij moest met moeite zijn weg zoeken door de struiken, waarvan het gebladerte ritselend langs zijn kleren streek en waarvan de takken hem in het gezicht striemden. Zwoegend moest hij de mossige hellingen van de duinen beklimmen. Maar hij volgde onvermoeid en zijn oog werd niet afgewend van Windekinds stralende verschijning, van wat daar blonk in de omhoog geheven hand.
     Toen was hij midden in het duin. In de gloeiende valleien bloeiden de duinrozen en keken met hun duizenden bleekgele kelkjes in het zonlicht. Ook bloeiden er veel andere bloemen, helder blauwe, gele en purperen, een zwoele hitte lag in de kleine dalen en koesterde de geurige kruiden. Sterke, harsachtige geuren hingen in de lucht. Johannes rook ze terwijl hij voortliep, de tijm rook hij en de geur van het droge rendiermos, dat kraakte onder zijn voet. Het was bedwelmend heerlijk.
     En voor het liefelijke beeld dat hij volgde uit, zag hij de bonte duinvlinders fladderen. Kleine zwarte en rode vlindertjes, en het zandoogje, het vrolijke vlindertje met de zijdeachtige vleugeltjes van het teerste blauw. Om zijn hoofd snorden de gouden kevers, die op de duinroos leven en dikke hommels dansten gonzend tussen het geblakerde duingras.
     Wat was het heerlijk, wat zou hij gelukkig zijn, als hij maar bij Windekind zou zijn. Maar Windekind zweefde verder en steeds verder. Ademloos moest hij volgen. De grote bleekbebladerde doornstruiken hielden hem tegen en krasten hem met hun doornen; de vale, wollige toortsplanten schudden de lange hoofden, als hij ze in zijn vaart wegduwde. Hij klom tegen de zandige walletjes op en bezeerde zijn handen aan het stekelige helmgras.
     Hij drong door de lage berkenbosjes heen waar het gras hem tot aan de knieën reikte en de watervogels opvlogen van de kleine vijvers, die glinsterden tussen de struiken. Dichte witbloeiende meidoorns mengden hun geur met die van het berkenloof en van de munt, die talrijk groeide op de moerassige grond.
     Maar toen hielden de bosjes, het groen en de kleurige bloemen op. Alleen de wonderlijke, bleekblauwe zeedistel groeide tussen het vale, dorre helm.
     Op de top van de laatste hoge duinenrij zag Johannes Windekinds beeld. Verblindend schitterde het in zijn opgeheven hand. Geheimzinnig lokkend klonk een groot gestaag bruisen van de andere zijde, door een koele wind overgedragen. Het was de zee. Johannes voelde dat hij haar naderde en langzaam klom hij de laatste helling op. Daar boven viel hij op de knieën neer en staarde uit over de zee. —
     Toen hij zich boven de duinrand verhief, omgaf een rode gloed hem. De avondwolken hadden zich voor de uitvaart van het licht geschaard. Als een wijde kring van geweldige rotsblokken met rood-gloeiende randen omgaven zij de dalende zon. Op de zee was een brede weg van levend purpervuur, — een vlammende, schitterende lichtweg, die naar de ingang van de verre hemel leidde.
     Achter de zon, waar het oog nog niet in kijken kon, wemelden tere tinten van blauw en roze door elkaar, in de diepte van de lichtgrot. Daarbuiten langs de hele wijde hemel glansden rode vlammen en strepen, lichte vlokjes van bloedig dons en vegen van uiteenvloeiend vuur.
     Johannes wachtte, — totdat de zonneschijf de gloeiende weg die tot hem leidde, aan het verste einde aanraakte.
     Toen keek hij omlaag, en dichtbij was het lichte beeld, dat hij gevolgd was. Een vaartuig, helder en glinsterend als kristal, dreef aan het strand op de brede vuurbaan. Aan het ene eind van de boot stond Windekinds ranke gestalte, met het gouden voorwerp dat blonk in zijn hand. Aan het andere einde herkende Johannes de duistere Dood.
     “Windekind! Windekind!” riep Johannes. Maar in dezelfde tijd dat Johannes het wonderbaarlijke vaartuig naderde, keek hij naar de horizon. In het midden van de lichte ruimte, door de grove, vurige wolken omgeven, zag hij een kleine, zwarte gestalte. Zij werd groter en groter, — langzaam naderde een mens, rustig schrijdend over de woelende, vurige wateren.
     De roodgloeiende golven rezen en daalden onder zijn voet, maar kalm en rustig kwam hij naderbij.
     Het was een mens, zijn gezicht was bleek en zijn oog diep en donker. Zo diep als de ogen van Windekind. Maar in hun blik was een eindeloos zachte weemoed, zoals Johannes die nog nooit in andere ogen gezien had.
     — “Wie bent u?” vroeg Johannes. “Bent u een mens?”
     — “Ik ben meer!” zei hij.
     — “Bent u Jezus, bent u God?” vroeg Johannes.
     — “Noem die namen niet,” zei de gestalte, “zij waren ooit heilig en rein als priestergewaden en voortreffelijk als voedend koren, Maar zij zijn tot spoeling geworden voor de zwijnen en tot narrekleren voor de dwazen. Noem hen niet, want hun betekenis is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelf.”
     — “Ik ken u! ik ken u!” zei Johannes.
     — “Ik was het, die je deed huilen om de mensen, terwijl je je tranen niet kon begrijpen. Ik was het, die je deed liefhebben, waar je je liefde niet begreep. Ik ben bij je geweest, en jij hebt mij niet gezien, ik heb je ziel geroerd en jij hebt mij niet gekend.”
     — “Waarom zie ik je nu pas?”
     — “Vele tranen moeten de ogen verhelderen, die mij zullen zien. En niet voor jezelf alleen, maar voor mij moet je huilen, dan zal ik aan je verschijnen en jij zal mij herkennen als een oude vriend.”
     — “Ik ken u. — Ik herkende u. Ik wil bij u zijn.”
     Johannes strekte de handen uit. Maar de mens wees op het glinsterende vaartuig, dat langzaam voortdreef op de vurige weg.
     “Kijk!”  — zei hij, “dat is de weg naar alles waar je naar verlangd hebt. Een andere is er niet. Zonder die beiden zul je het niet vinden. Maak nu je keuze. Daar is het Grote Licht, daar zul je zelf zijn wat je verlangt te kennen. Daar!”  — en hij wees naar het donkere Oosten, — “waar de mensheid is en haar smart, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht, dat je gedoofd hebt, maar ik zal je begeleiden. Kijk nu, je weet het. Maak je keuze.”
     Toen wendde Johannes langzaam het oog van Windekinds wenkende gestalte af en strekte de handen uit naar de ernstige mens. En met zijn begeleider ging hij de kille nachtwind tegemoet, de zware weg naar de grote, duistere stad, waar de mensheid was en haar smart.

*       *       *       *       *       *       *       *

 
Misschien vertel ik je ooit meer over de kleine Johannes, Maar op een sprookje zal het dan niet meer lijken.