VIII
“Nu zal hij komen!”
dacht Johannes, toen de sneeuw de eerste keer was weggesmolten en
hier
en daar
de sneeuwklokjes in groepjes tevoorschijn kwamen. “Zou hij nu komen?”
vroeg hij
aan de sneeuwklokjes. Maar zij wisten het niet en bleven met hangende
hoofdjes
naar de aarde kijken, alsof zij zich schaamden over hun haast en wel
weer weg
wilden kruipen.
Konden zij dat
maar!
— De verstijvende oostenwind begon al snel weer te blazen, en de sneeuw
stapelde zich hoog op over de voorbarige stumpertjes.
Weken later
kwamen
de viooltjes, hun zoete geur zweefde tussen het kreupelhout, en toen de
zon
lang en warm op de mossige grond geschenen had, ontloken ook de blonde
primula's bij honderden en duizenden.
De schuwe
violen
met hun sterke geuren waren geheimzinnige voorboden van een komende
heerlijkheid, Maar de vrolijke primula's waren de blije werkelijkheid
zelf. De
ontwaakte aarde had de eerste zonnestralen vastgehouden en maakte er
een gouden
versiersel van.
“Nu dan! nu
komt
hij toch vast!” dacht Johannes. Gespannen bekeek hij de knoppen aan de
takken en
hoe zij van dag tot dag langzaam zwollen en zich uit de schors
loswrongen, tot
de eerste bleekgroene puntjes tussen de bruine schubben te voorschijn
kwamen.
Lang bleef Johannes naar die groene blaadjes kijken, — maar hij zag ze
toch
nooit bewegen, en als hij zich even had omgedraaid, leken ze groter
geworden te
zijn. “Ze durven niet, als ik hen aankijk,” dacht hij.
Het groen begon
al
schaduw te werpen. Nog steeds was Windekind niet gekomen, geen duif was
bij hem
neergestreken, geen muisje had tegen hem gesproken. Als hij tegen de
bloemen
sprak, knikten zij slechts even en antwoordden niet. “Mijn straf is nog
niet
om,” dacht hij.
Toen kwam hij
op
een zonnige lentemorgen aan bij de vijver van het huis. De ramen waren
allemaal
wijd geopend. Zouden er mensen in gekomen zijn?
De
vogelkersstruik,
die aan de vijver stond, was al helemaal met tere blaadjes overdekt,
alle
twijgen hadden fijne, groene vleugeltjes gekregen. Op het gras bij de
vogelkers
lag een meisje. Johannes zag alleen haar lichtblauwe kleedje en blonde
haar.
Een roodborstje, dat op haar schouder zat, pikte uit haar hand.
Opeens draaide
zij
het hoofd om en zag Johannes.
“Dag jongetje!”
zei zij en knikte vriendelijk.
Weer tintelde
Johannes
van het hoofd tot voeten. Dat waren Windekinds ogen, dat was Windekinds
stem.
“Wie ben je?”
vroeg hij. Zijn lippen beefden van ontroering.
“Ik ben
Robinetta!
— en dit is mijn vogel. Hij zal niet bang voor je zijn. Hou je van
vogels?”
Het roodborstje
was niet bang voor Johannes. Het vloog op zijn arm. Dat was net als
vroeger.
Het moest toch Windekind zijn, dat blauwe wezen.
“Vertel me eens
hoe je heet, jongetje,” zei Windekinds stem.
“Ken jij mij
niet?
Weet je niet, dat ik Johannes heet?”
“Hoe zou ik dat
kunnen
weten?”
Wat betekende
dat?
Het was toch die bekende, zoete stem, het waren toch die donkere,
hemeldiepe ogen.
“Waarom kijk je
mij zo aan, Johannes? Heb je mij ooit eerder gezien?”
“Ja ik geloof
het
wel.”
“Dat heb je
toch
zeker gedroomd.”
Gedroomd? dacht
Johannes. Zou ik alles gedroomd hebben? Of zou ik nu dromen?
“Waar ben jij
geboren?” vroeg hij.
“Heel ver van
hier, in een grote stad.”
“Bij mensen?”
Robinetta
lachte.
Het was Windekinds lach. “Ik geloof het wel. Jij niet?”
“Ach ja, ik
ook!”
“Heb je daar
spijt
van? — Hou je niet van mensen?”
“Nee! — Wie
houdt
er nou van mensen?”
“Wie? Wel,
Johannes, wat ben je een raar jongetje! Hou je meer van dieren?”
“O, veel meer,
— en
van bloemen.”
“Ik doe dat
eigenlijk
ook wel eens. Een enkele keer. Maar dat is niet goed. Wij moeten van
mensen
houden, zegt Vader.”
“Waarom is dat
niet
goed? ik hou van wie ik wil, of het goed is of niet.”
“Foei,
Johannes! —
Heb je dan geen ouders of iemand die voor je zorgt? Hou je niet van
hen?”
“Ja,” zei
Johannes
nadenkend. “Ik hou van mijn vader. Maar niet, omdat het goed is. Ook
niet omdat
hij een mens is.”
“Waarom dan?”
“Dat weet ik
niet,
— omdat hij niet zoals andere mensen is, omdat hij ook van bloemen en
vogels
houdt.”
“Dat doe ik ook
Johannes! dat zie je.” En Robinetta riep het roodborstje op haar hand
en sprak
het vriendelijk toe.
“Dat weet ik,”
zei
Johannes. “Ik hou ook veel van jou.”
“Nu al? Dat is
vlug!” lachte het meisje. “Van wie hou je dan het meest?”
“Van ...”
Johannes
twijfelde. Zou hij Windekinds naam noemen? De angst, dat die naam hem
tegenover
mensen mocht ontvallen, was onafscheidelijk van heel zijn denken. En
toch, was
dit blonde wezen in het blauwe kleed Windekind niet? Wie anders kon hem
dat
gevoel van rust en geluk geven?
“Van jou!” zei
hij
opeens en keek met volle blik in de diepe ogen. Moedig waagde hij die
volkomen
overgave, maar hij was toch angstig en wachtte gespannen op de
ontvangst van
zijn kostbare geschenk.
Weer lachte
Robinetta met een heldere lach, Maar zij pakte zijn hand, en haar blik
werd
niet koeler, haar stem niet minder innig.
“Wel,
Johannes,”
zei zij, “waar heb ik dat zo opeens aan verdiend?”
Johannes
antwoordde
niet en bleef haar aankijken met een groeiend vertrouwen. Robinetta
stond op en
legde haar arm om Johannes' schouders. Zij was groter dan hij.
Zo wandelden
zij
door het bos en plukten grote bossen sleutelbloemen, totdat zij wel weg
konden
schuilen onder de berg van doorschijnend geel gebloemte. Het
roodborstje vloog
mee van tak tot tak en gluurde naar hen met schitterende zwarte oogjes.
Zij spraken
niet
veel, Maar keken elkaar vaak van opzij aan. Zij waren allebei verbaasd
over hun
ontmoeting en half onzeker, wat zij van elkaar moesten denken.
Maar al gauw moest Robinetta terug, het speet haar.
“Nu moet ik
weg,
Johannes! Maar wil je nog een keer met me wandelen? Ik vind je een
aardig jongetje,”
zei zij bij 't weggaan.
“Wiet! wiet!”
zei
het roodborstje en vloog haar achterna.
Toen zij weg
was,
en alleen haar beeld bij hem achterbleef, twijfelde hij er niet meer
aan wie
zij was.
Zij was
dezelfde aan
wie hij heel zijn vriendschap had gegeven, de naam Windekind klonk
flauwer in
hem en verwarde zich met Robinetta.
En alles werd
weer
om hem heen, zoals het vroeger geweest was. De bloemen knikten vrolijk,
en hun
geur verdreef het weemoedige verlangen naar huis, dat hij tot nu toe
gevoeld en
gekoesterd had. Tussen het tere groen, in de lauwe, mollige lentelucht,
voelde
hij zich opeens thuis, als een vogel, die zijn nest gevonden had. Hij
moest de
armen uitstrekken en diep ademhalen. Hij was zo gelukkig. Op weg naar
huis
zweefde de lichte blauwe gestalte met de blonde haren voor hem uit,
altijd voor
hem uit, welke kant hij ook opkeek. Het was alsof hij in de zon gekeken
had en
het zonnebeeld overal met zijn blik meevloog.
Van die dag af
ging Johannes elke heldere morgen naar de vijver. Hij ging vroeg, zodra
hij
gewekt werd door het kijven van de mussen in de klimopbladeren rond
zijn
venster, en het gekwetter en langgerekte getjilp van de spreeuwen, die
op de
dakgoot fladderden en krioelden in de prille zonneschijn. Dan snelde
hij vlug
door 't vochtige gras tot dicht bij het huis en wachtte achter de
seringenstruiken, totdat hij de glazen deur hoorde opengaan en de
lichte
gedaante op hem toe zag komen.
Dan wandelden
zij
door het bos en door de duinen, waaraan het Bos grensde. Zij spraken
over alles
wat zij zagen, over de bomen en de planten en duinen. Johannes had een
vreemd,
duizelig gevoel, als hij met haar liep, hij dacht zich soms weer zo
licht dat
hij door de lucht zou kunnen vliegen. Maar dat gebeurde nooit. Hij
vertelde de
geschiedenissen, die hij van de bloemen en dieren wist door Windekind.
Maar hij
vergat hoe hij ze geleerd had, en Windekind bestond niet meer voor hem,
alleen Robinetta.
Hij genoot, als zij tegen hem lachte en hij vriendschap zag in haar
ogen en hij
sprak met haar, zoals hij vroeger met zijn hondje gesproken had: —
alles wat in
hem opkwam, zonder weifeling of verlegenheid. De uren, dat hij haar
niet zag,
dacht hij aan haar, en elke bezigheid deed hij met de vraag, of
Robinetta het
goed of mooi zou vinden.
En zijzelf leek
altijd zo blij, als zij hem zag; dan glimlachte zij en liep haastiger.
Zij had
hem ook gezegd dat zij met niemand zo graag wandelde als met hem.
“Maar,
Johannes,”
vroeg zij een keer, “hoe weet je al die dingen? Hoe weet je wat de
meikevers
denken, wat de lijsters zingen, hoe het er in het konijnenhol en op de
bodem
van het water uitziet?”
“Ze hebben het
mij
verteld,” antwoordde Johannes, “en ik ben zelf in een konijnenhol
geweest en op
de bodem van het water.”
Robinetta trok de fijne wenkbrauwen samen en keek hem half
spottend aan. Maar zij vond geen oneerlijkheid.
Zij zaten onder
seringenbomen, waar dikke, paarse bloemtrossen vanaf hingen.
Vóór hen lag de
vijver, met riet en kroos. Zij zagen de zwarte torretjes in kringen
over het watervlak
glijden en rode spinnetjes bedrijvig op en neer duiken. Het krioelde
van
wriemelend leven daar. Johannes keek, in herinneringen verzonken, in de
diepte
en zei:
“Daar ben ik
een
keer in gedoken; ik gleed langs een riethalm naar beneden en kwam op de
bodem
terecht. Die is helemaal met dorre bladeren bedekt, dat loopt zo licht
en
zacht. Het is er altijd schemerig, — groene schemering, — want het
licht valt
door het groene kroos. En boven mijn hoofd zag ik de lange, witte
worteltjes
van het kroos neerhangen. Er kwamen salamanders om mij heen zwemmen,
die zijn
heel nieuwsgierig. Het is vreemd, als zo’n grote dieren zo over je heen
zwemmen,
— en ik kon niet ver vooruitkijken, daar was het donker, maar ook
groen. En uit
dat donker kwamen de dieren als zwarte schaduwen tevoorschijn.
Watertorren met
roeipoten — en platte wantsen, — soms
ook een klein visje. — Ik ging heel ver, uren ver, geloof ik, en
middenin was
een groot bos van waterplanten, waar slakken tegenop kropen en
waterspinnen
glinsterende nestjes bouwden. Stekelbaarsjes schoten er doorheen en
bleven mij
soms met open mond en trillende vinnen aankijken, — zo verbaasd waren
ze. Daar
heb ik kennis gemaakt met een aal, die ik per ongeluk op zijn staart
trapte.
Die heeft mij over zijn reizen verteld; hij was tot in zee geweest, zei
hij. Ze
hadden hem daarom koning gemaakt in de vijver, — want niemand was zover
geweest. Hij lag altijd in de modder te slapen, behalve wanneer hij
eten kreeg,
dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. Dat was omdat
hij koning
was, — ze wilden graag een dikke koning, dat stond deftig. O, het was
prachtig
mooi in die vijver!”
“Waarom kun je
daar
dan nu niet meer heen gaan?”
“Nu?” vroeg
Johannes en keek haar met grote peinzende ogen aan.
“Nu? Nu kan ik
dat
niet meer. Ik zou daar verdrinken. Maar het is niet nodig. Ik ben
liever hier,
bij de seringen en bij jou.”
Robinetta schudde verwonderd het blonde hoofdje en streek
Johannes over het haar. Toen keek ze naar haar roodborstje, dat aan de
rand van
de vijver allerlei lekkernijen leek te vinden. Hij keek even op en
bleef beiden
een ogenblik met zijn heldere oogjes aankijken.
“Begrijp jij er
iets van, vogeltje?”
Het vogeltje
keek
heel slim en ging toen verder met zoeken en pikken.
“Vertel mij
verder, Johannes, van wat je gezien hebt.”
Dat deed
Johannes
graag, en Robinetta luisterde, gelovig en aandachtig.
“Maar waarom is
dat allemaal opgehouden? Waarom kun je nu niet met mij daar naar
toegaan? — daar
overal heen? Ik zou dat ook graag willen.”
Johannes spande
zijn herinnering in, maar een zonnige waas bedekte de donkere afgrond,
die hij
was overgestoken. Hij wist niet precies meer, hoe hij zijn vorige geluk
verloren had.
“Ik weet het
niet
precies, — je moet er niet naar vragen. Een vervelend klein wezentje
heeft
alles verknoeid. Maar nu is het er weer. Nog beter dan vroeger.”
De seringengeur
daalde uit de heesters op hen neer en het gegons van de vliegen over
het
watervlak en de stille zonnestralen doordrongen hen met een zoete
bedwelming.
Totdat een bel op het huis met piepende zwaai begon te luiden, — en
Robinetta
haastig wegvloog.
Toen Johannes
die
avond in zijn kamertje kwam en naar de maanschaduwen van de
klimopbladeren
keek, die over de ruiten schoven, leek het alsof er tegen het glas
getikt werd.
Johannes dacht dat het een klimopblad was, dat in de nachtwind trilde.
Maar het
tikte zo duidelijk, telkens driemaal achter-elkaar, dat Johannes
zachtjes het
venster opende en behoedzaam rondkeek. De klimopbladeren tegen het
huisje
glansden in de blauwe schijn, — onder hen was een duistere wereld vol
geheimen:
daar waren holen en spelonken, waarin het maanlicht kleine, blauwe
vonkjes
wierp, die hun duisternis nog dieper maakten.
Toen Johannes
lang
in die wondervolle schaduwwereld had gestaard, zag hij eindelijk de
vorm van
een klein mannetje, vlak naast het venster, verscholen onder een groot
klimopblad.
Hij herkende Wistik meteen — aan de grote,
verwonderde ogen onder de hoog opgetrokken wenkbrauwen. Op het puntje
van Wistiks
lange neus tekende de maan een klein vonkje.
“Ben je mij
vergeten,
Johannes? — Waarom denk je er nu niet aan? Het is de juiste tijd. Heb
je het roodborstje
de weg niet gevraagd?”
“Ach, Wistik,
waar
zou ik naar vragen? Ik heb alles wat ik verlangen kan. Ik heb
Robinetta.”
“Maar dat zal
niet
lang duren. En jij kunt nog gelukkiger worden —
en Robinetta zeker ook. En moet het
sleuteltje daar dan blijven liggen? Denk eens hoe heerlijk het is als
jullie
beiden het boekje vinden. Vraag er het roodborstje naar; ik zal je
helpen als
ik kan.”
“Ik kan er
altijd nog
naar vragen,” zei Johannes.
Wistik knikte
en
klom vlug naar beneden.
Nog lang keek
Johannes naar de donkere schaduwen en de glanzende klimopbladeren voor
hij naar
bed ging.
De volgenden
dag
vroeg hij het roodborstje of het de weg wist naar het gouden kistje.
Robinetta
luisterde verwonderd. Johannes zag het roodborstje knikken en schuins
naar
Robinetta gluren.
“Hier niet!
hier
niet!” tjilpte het vogeltje.
“Wat bedoel je,
Johannes?” vroeg Robinetta.
“Weet je daar
niets van, Robinetta? Weet je niet, waar het te vinden is? Wacht jij
niet op
het gouden sleuteltje?”
“Nee, nee!
Vertel
eens, wat is dat?”
Johannes
vertelde
wat hij over dat boekje wist.
“En ik heb het
gouden
sleuteltje; ik dacht dat jij het gouden kistje had. Is het niet zo,
vogeltje?”
Maar het
vogeltje
deed of het niets hoorde en fladderde tussen het jonge, lichte
beukengroen.
Zij zaten tegen
een duinhelling, waarop kleine beuken- en sparrenbomen stonden. Een
groen
paadje liep er schuin tegenop, en zij zaten aan de rand daarvan, in
dik,
donkergroen mos. Zij konden over de toppen van de laagste boompjes heen
kijken,
op een groene bladerzee met licht- en donkergetinte golven.
“Ik geloof wel,
Johannes,” zei Robinetta nadenkend, “dat ik voor je vinden kan, wat je
zoekt.
Maar wat bedoel je met dat sleuteltje? Hoe kom je daaraan?”
“Ja, hoe was
dat,
hoe was dat ook weer?” prevelde Johannes en staarde over het groen in
de verte.
Alsof ze
plotseling
in het zonnige blauw ontstaan waren, kwamen opeens twee witte vlinders
voor
zijn blik. Zij dwarrelden, trilden en schitterden in het zonlicht, met
een onbestemde,
grillige vlucht. Maar zij kwamen dichterbij.
“Windekind!
Windekind!” fluisterde Johannes opeens in herinnering.
“Wie is dat?
Windekind!” vroeg Robinetta.
Het roodborstje
vloog kwetterend op, en de madelieven tussen het gras
vóór hem, leken Johannes
opeens geweldig geschrokken aan te staren, met hun wijde, witte oogjes.
“Gaf die jou
dat
sleuteltje?” vroeg het meisje verder. Johannes knikte en zweeg, Maar
zij wilde
meer weten. — “Wie was dat? Heeft die je alles geleerd? Waar is hij?”
“Nu is hij er
niet
meer. Nu is het Robinetta, niemand anders dan Robinetta, alleen
Robinetta.” Hij
pakte haar arm en drukte er zijn hoofdje tegenaan.
“Mal jongetje!”
zei zij en lachte. “Ik zal je het boekje laten vinden, — ik weet waar
het is.”
“Maar dan moet
ik
de sleutel gaan halen, en die is ver weg.”
“Nee, nee dat
hoeft
niet. Ik vind het zonder sleutel, — morgen, morgen, ik beloof het je.
Toen zij naar
huis
gingen, fladderden de vlindertjes voor hen uit.
Johannes
droomde
die nacht over zijn vader, over Robinetta en over vele anderen. Het
waren
allemaal goede vrienden; zij stonden om hem heen en keken hem
vriendelijk en
vertrouwelijk aan. Maar opeens waren de gezichten veranderd, hun
blikken koel
en spottend, — hij keek angstig om, — aan alle kanten wrede vijandige
gezichten.
Hij voelde een onnoembare beklemming en werd huilend wakker.
IX
Al lang zat
Johannes te wachten. De lucht was kil, en grote wolken dreven dicht
over de
aarde, in een statige, eindeloze opeenvolging. Ze breidden
sombergrauwe, wijd
golvende mantels uit en krulden hun trotse koppen in het heldere licht,
dat
daarboven scheen. Wondersnel wisselden zonlicht en schaduw op de bomen,
als een
telkens opvlammend vuur. Het werd Johannes daarbij angstig te moede;
hij piekerde
over het boekje, niet echt gelovend, dat hij het vandaag zou vinden.
Tussen de wolken, veel hoger, ontzaglijk hoog, zag hij het heldere,
strakke blauw en daarop tere, witte wolkjes, fijngepluimd, zich kalm
uitstrekkend
in een onbeweeglijke rust.
“Zó
moet
het
zijn,”
dacht hij, “zo hoog, zo licht,
zo stil.” Daar kwam Robinetta aan. Het roodborstje was niet bij haar.
“Het is goed,
Johannes,” riep ze luid; “je mag komen en het boek zien.”
“Waar is het
roodborstje?” vroeg Johannes twijfelend.
“Die is niet
meegekomen, we gaan toch immers niet wandelen.”
Hij ging mee,
voortdurend bij zichzelf denkend:
“Het kan niet,
— zó
kan het niet, — het zou allemaal heel anders moeten zijn.”
Maar hij volgde
het glanzig-blonde haar, dat voor hem oplichtte.
Ach! nu ging
het
verkeerd met de kleine Johannes. Ik zou willen, dat zijn geschiedenis
hier
eindigde. Heb je wel eens heerlijk gedroomd, over een tovertuin met
bloemen en
dieren, die je liefhadden en tot je spraken? En heb je dan ook in je
droom het
besef gekregen, dat je spoedig zou ontwaken en al die heerlijkheid
verliezen
zou? Dan probeer je die tevergeefs vast te houden en wil het koude
morgenlicht
niet zien.
Zo’n gevoel had
Johannes toen hij meeging.
Hij kwam in een
huis, in een gang, waar zijn voetstappen weerklonken. Hij rook de lucht
van kleren
en spijzen; hij dacht aan de lange dagen, toen hij thuis had moeten
blijven, —
aan huiswerk, aan alles wat in zijn leven somber en koud was geweest.
Hij kwam in een
kamer met mensen. Hij zag niet hoeveel. Zij praatten, Maar toen hij
binnenkwam
werd het stil. Hij lette op het vloerkleed, — het had grote,
onmogelijke
bloemen met felle kleuren. Zij waren even vreemd en wanstaltig als die
van het
behang in zijn slaapkamer thuis.
“Is dat nu dat
tuinmansjongetje?” zei een stem recht tegenover hem. “Kom maar hier,
vriendje,
je hoeft niet bang te zijn.”
En een andere
stem
klonk plotseling naast hem: “Nu, Robbi, je hebt daar wel een aardig
vrijertje.”
Wat betekende
dat
allemaal? — Weer kwamen boven de donkere kinderogen van Johannes diepe
rimpels,
en verward en verschrikt keek hij rond.
Daar zat een in
het zwart geklede man en keek hem met koude, grijze ogen aan.
“En jij wilde
dus kennis
maken met het boek der boeken? Het verwondert me, dat je vader, die ik
als een
vroom man ken, je dat niet heeft gegeven.”
“U kent mijn
vader
niet, die is ver weg.”
“Zo! — nou, dat is hetzelfde. — Kijk hier, mijn vriendje!
lees hier veel in, het zal je op je levensweg ...”
Maar Johannes
had
het boek al herkend. Zó kon hij het ook niet krijgen, het moest
helemaal anders
gaan. Hij schudde het hoofd.
“Nee, nee! dat
is
het niet wat ik bedoel. Dit ken ik. Dit is het niet.”
Hij hoorde
geluiden van verbazing en voelde de blikken, die hem van alle kanten
staken.
“Wat? Wat
bedoel
je, mannetje?”
“Ik ken dit
boekje, het is het mensenboek. Maar het geeft niet genoeg, — anders zou
er rust
zijn onder de mensen en vrede. En die zijn er niet. Ik bedoel iets
anders, — waaraan
niemand die het ziet twijfelen kan, waarin staat, waarom alles is zoals
het is,
precies en duidelijk.”
“Hoe is ‘t
mogelijk? Waar heeft de jongen dat vandaan?”
“Wie heeft je
dat
geleerd, vriendje?”
“Ik geloof dat
je
verkeerde boeken gelezen hebt, jongen! en die napraat!”
Zo klonken de
stemmen. Johannes voelde zijn wangen gloeien, — het begon hem te
duizelen, — de
kamer draaide, en de grote bloemen op het vloerkleed zweefden op en
neer. Waar
was het muisje, dat hem zo trouw waarschuwde op school, die eerste dag?
Het was
nu nodig.
“Ik praat het
niet
uit boeken na, en die het mij geleerd heeft is meer waard dan jullie
allemaal.
Ik ken de taal van bloemen en dieren, ik ben hun vertrouweling. Ik weet
ook wat
mensen zijn en hoe zij leven. Ik ken alle geheimen van feeën en
kabouters, want
mij hebben zij lief, meer dan de mensen.”
“Muisje!
muisje!”
—
Johannes hoorde
proesten en lachen, om hem en achter hem. Het zong en suisde in zijn
oren.
“Hij schijnt
Andersen gelezen te hebben.”
“Hij is niet
goed
bij z’n hoofd.”
De man voor hem
zei:
“Als je
Andersen
kent, mannetje! dan zou je meer van zijn eerbied hebben voor God en
zijn Woord.”
”God!” dat woord kende hij, en hij dacht aan de les van Windekind.
“Ik heb geen
eerbied voor God. God is een grote petroleumlamp, waardoor duizenden
verdwalen
en verongelukken.”
Geen gelach, —
maar
een angstige stilte, waarin afschuw en ontzetting voelbaar rondwaarden.
Johannes voelde de stekende blikken in de rug. Het was als in zijn
droom van de
vorige nacht.
De zwartgeklede
man stond op en nam hem bij de arm. Dat deed pijn en brak bijna zijn
moed.
“Hoor eens,
jongen, ik weet niet of je niet wijs bent of diep bedorven, — maar die
goddeloosheid
duld ik hier niet. — Ga weg en kom niet meer onder mijn ogen, zeg ik
je. — Ik
zal navraag naar je doen, maar in deze buurt zet je geen voet meer.
Verstaan?”
De blikken van
allen waren koud en vijandig net als die nacht. Johannes keek angstig
rond.
“Robinetta! —
Waar
is Robinetta!”
“Jawel, mijn
kind
bederven! — Pas op, als je ooit weer met haar praat!”
“Nee! laat me
bij
haar! Ik wil niet van haar weg. — Robinetta!” huilde Johannes.
Maar zij zat
angstig in een hoek en keek niet op.
“Voort, vlegel!
hoor je me niet? Pas op, als je 't hart hebt weer te komen!”
En de pijnlijke
greep leidde hem door de weerklinkende gang, — de glazen deur rammelde,
— en
Johannes stond buiten, onder de donkere, laag drijvende wolken.
Hij huilde niet
meer en staarde stil voor zich uit, terwijl hij langzaam voortliep. De
droevige
rimpels boven zijn ogen waren dieper, en gingen niet meer weg.
Het roodborstje
zat in een lindenhaag en keek naar hem. Hij stond stil en staarde
zwijgend
terug. Maar er was geen vertrouwen meer in de schuwe, glurende oogjes,
en toen
hij een stap naderde, vloog het vlugge diertje in een snorrende vlucht
weg.
“Weg! weg! een mens,”
tjilpten de mussen, die op het tuinpad bij elkaar zaten, en zij vlogen
naar alle
kanten uit elkaar.
Ook de open
bloemen lachten niet, maar staarden ernstig en onverschillig, zoals zij
bij
iedere vreemde doen.
Maar Johannes
begreep die tekens niet, maar dacht aan de krenking, die de mensen hem
hadden
aangedaan. Het voelde alsof zijn innig binnenste door koude, harde
handen was
ontwijd. “Zij zúllen mij geloven,” dacht hij; “ik zal mijn
sleuteltje halen en
het hun laten zien.”
“Johannes!
Johannes!” riep een fijn stemmetje. Daar zat een vogelnestje in een
hulstboom,
en de grote ogen van Wistik keken over de rand. “Waar ga je heen?”
“Het is
allemaal
jouw schuld, Wistik,” zei Johannes. “Laat mij met rust!”
“Waarom moet je
er
ook met de mensen over praten, mensen begrijpen je toch niet. Waarom
vertel je
die dingen aan de mensen? dat is heel dom.”
“Zij hebben mij
uitgelachen en pijn gedaan. Het zijn ellendige wezens! ik haat ze.”
“Nee Johannes,
je
houdt van ze.”
“Nee! nee!”
“Anders zou het
je
minder verdriet doen, dat zij niet zo zijn als jij; dan zou het je
niets kunnen
schelen, wat zij zeggen. Je moet je minder om mensen bekommeren.”
“Ik wil mijn
sleuteltje. Ik wil het hun laten zien.”
“Dat moet je
niet
doen, ze zouden je toch niet geloven. Wat voor nut zou het hebben?”
“Ik wil mijn
sleuteltje, onder de rozenstruik. Weet je die te vinden?”
“Jawel! — bij
de vijver,
nietwaar? Ja, die weet ik.”
“Breng mij er
dan
heen, Wistik!”
Wistik klom op Johannes' schouder en wees hem de weg. Zij
liepen de hele dag, — het woei en van tijd tot tijd vielen er
regenbuien, Maar tegen
de avond werden de wolken stil en verlengden zich tot lange gouden en
grauwe
stroken.
Toen zij bij
het
duin aankwamen, dat Johannes kende, werd het hem week te moede en hij
fluisterde telkens “Windekind! Windekind!”
Daar was het
konijnenhol, — en het duin, waartegen hij een keer geslapen had. Het
grijze
rendiermos was week en vochtig en kraakte niet onder zijn voet. De
rozen waren
uitgebloeid en de gele Teunisbloemen met hun bedwelmende, flauwe geur
staken
bij honderden de kelken omhoog. Hoger nog rezen de lange, trotse
toortsplanten
met dikke, vilten bladeren.
Zoekend speurde
Johannes naar het fijne, bruinachtige loof van de duinroos.
“Waar is die,
Wistik, ik zie het niet.”
“Ik weet er
niets
van,” zei Wistik. “Jij hebt het sleuteltje verborgen, ik niet.”
Waar de roos
gebloeid had, was een veld vol gele Teunisbloemen, die wezenloos naar
boven
keken. Johannes vroeg het aan hen — en
ook aan de toortsplanten; die waren echter veel te trots, want hun
lange
bloemtros stak ver boven hem uit, — en hij vroeg het aan de kleine,
driekleurige viooltjes op de zandgrond.
Maar niemand
wist
iets van de duinroos. Ze waren allemaal van deze zomer. Zelfs de
verwaande
toortsplant, die zo hoog was.
“Ach, waar is
hij?
waar is hij?”
“Heb jíj
mij ook al beet genomen?” zei Wistik.
“Ik dacht het wel, dat heb je altijd met mensen.”
En hij liet
zich
van Johannes' schouder glijden en liep weg tussen het helm.
Wanhopig
staarde
Johannes rond, — daar stond een klein duinrozenstruikje.
“Waar is de
grote
roos,” vroeg Johannes, “de grote die hier vroeger stond?”
“Wij spreken
niet
met mensen,” zei het struikje.
Dat was het
laatste, wat hij hoorde, — al het levende om hem heen zweeg, alleen de
helm
suisde in de zachte avondwind.
“Ben ik een
mens?”
dacht Johannes. “Nee, dat kan niet, dat kan niet. Ik wil geen mens
zijn. Ik
haat de mensen.”
Hij was moe en
wazig
van geest. Hij ging liggen aan de rand van 't veldje, op het weke,
grijze mos,
dat een vochtige, sterke geur verspreidde.
“Nu kan ik niet
teruggaan, en nu zie ik Robinetta ook niet weer. Moet ik niet doodgaan,
als ik
haar niet heb? Moet ik blijven leven en een mens zijn, — een mens zoals
die
anderen, die mij uitgelachen hebben?”
Toen zag hij
opeens de twee witte vlinders weer, die van de kant van de ondergaande
zon naar
hem toe fladderden. Gespannen volgde hij hun vlucht. Zouden zij hem de
weg kunnen
wijzen? Zij vlogen over zijn hoofd heen, elkaar naderend en weer
verlatend, om
elkaar heen dwarrelend in een grillig spel. Langzaam verwijderden ze
zich van
de zon en zweefden eindelijk over de rand van de duinen heen naar het
bos, waarvan
alleen de hoogste toppen nog kleurden in de avondzon, die rood en fel
onder de
lange sombere wolkenrijen uit oplichtte.
Johannes volgde
hen. Maar toen ze boven de eerste bomen waren, zag hij hoe een donkere
schaduw
hen in een onhoorbare fladdervlucht achtervolgde en inhaalde. Het
volgende ogenblik
waren zij verdwenen. De zwarte schaduw schoot snel op hem toe, en
angstig bedekte
hij het gezicht met de handen.
“Wel, vriendje!
wat zit je daar te huilen?” klonk een scherpe, spotachtige stem vlak
naast hem.
Johannes had een grote vleermuis op zich zien afkomen, Maar toen hij
opkeek,
stond een zwart mannetje op het duin, niet veel groter dan hijzelf. Hij
had een
groot hoofd met grote oren, die donker afstaken tegen de lichte
avondhemel, en
een mager figuurtje met dunne benen. Van zijn gezicht zag Johannes
alleen de kleine,
schitterende ogen.
“Heb je iets
verloren, kereltje? Dan zal ik je helpen zoeken,” zei hij. Maar
Johannes
schudde zwijgend het hoofd.
“Kijk eens! wil
je
die van mij hebben?” begon hij weer en opende zijn hand.
Daarin zag Johannes iets wits, dat van tijd tot tijd even
bewoog. Het waren de witte vlindertjes, die stervend met de gescheurde
en
gebroken vleugeltjes trilden. Johannes voelde een huivering, alsof
iemand hem tegen
het achterhoofd blies, en angstig keek hij naar het vreemde wezen op.
“Wie ben
jij?” vroeg hij.
“Wou je mijn
naam
weten, ventje? Nou, zeg maar Pluizer, gewoon maar Pluizer. Ik heb nog
wel
mooiere namen, maar die begrijp je toch niet.”
“Ben jij een
mens?”
“Wel nu nog
mooier!
Nou heb ik behoorlijke armen en benen en een hoofd, — kijk eens wat een
hoofd! —
en nu vraagt zo'n jongen ook nog of ik een mens ben. Maar, Johannes! —
Johannes!”
En het mannetje lachte met een piepend, doordringend geluid.
“Hoe weet je
wie
ik ben?” vroeg Johannes.
“O, dat is voor
mij een kleinigheid. Ik weet nog heel wat meer. Ik weet ook waar je
vandaan
komt en wat je hier komt doen. Ik weet verbazend veel, bijna alles.”
“Ach, mijnheer
Pluizer ...”
“Pluizer,
Pluizer,
geen complimenten.”
“Weet je dan
ook
...” Maar Johannes zweeg plotseling. “Het is een mens,” dacht hij.
“Van je
sleuteltje, bedoel je? Wel zeker!”
“Maar ik dacht
niet, dat mensen daar iets van konden weten.”
“Domme jongen!
En
Wistik heeft het al aan zovelen verklapt.”
“Ken je Wistik
dan
ook?”
“O ja! een van
mijn beste vrienden, — en ik heb veel vrienden. Maar ik wist dat ook
zonder
Wistik. Ik weet veel meer dan Wistik. Wistik is een goed ventje, — maar
dom,
buitengewoon dom. Ik niet! lang niet!” —
En Pluizer klopte zelfvoldaan met zijn magere handje op zijn grote
hoofd.
“Weet je,
Johannes,” ging hij verder, “wat een groot gebrek van Wistik is? Maar
je moet
het hem nooit zeggen, want dan wordt hij erg boos.”
“Nou, wat dan?”
vroeg Johannes.
“Hij bestaat
niet.
Dat is een groot gebrek, maar hij wil het niet weten. En hij zegt van
mij, dat
ik niet besta, — maar dat liegt hij. Of ik besta! Drommels goed!”
En Pluizer stak
de
vlindertjes in zijn zak en ging plotseling voor Johannes op zijn hoofd
staan.
Toen grijnsde hij erg lelijk en stak een lange tong uit. Johannes, die
zich
toch al niet op zijn gemak voelde alleen met dit wonderlijke wezen, bij
de vallende
avond in het eenzame duin, rilde nu van angst.
“Dit is een
alleraardigste manier om de wereld te bekijken,” zei Pluizer, nog
steeds op
zijn hoofd staand. “Als je wil, zal ik het je ook leren. Je ziet alles
veel
scherper en veel natuurlijker.”
En hij
spartelde
met de spillebeentjes in de lucht en draaide zich op de handen om. Toen
de rode
avondgloed op het omgekeerde gezicht viel, vond Johannes het
afschuwelijk, — de
kleine oogjes knipperden in het licht en lieten het wit zien, aan de
kant waar
je het niet gewend bent.
“Zie je, zo
lijken
de wolken de vloer, en de aarde het deksel van de wereld. Dat kun je
evengoed
volhouden als het tegenovergestelde. Boven of onder is er toch niet.
Een mooie
wandelplaats zou het op die wolken zijn.”
Johannes keek naar de lange wolken. Hij vond dat zij op een omgeploegd
land leken met rode voren, alsof er bloed uit opwelde. Boven de zee
straalde de
poort van de wolkengrot.
“Kun je
daarheen
gaan en daarin komen?” vroeg hij.
“Gekheid!” zei
Pluizer en stond eensklaps weer op zijn benen, tot grote opluchting van
Johannes. “Gekheid! Als je daar bent, is het precies als hier, — en dan
lijkt
dat moois alleen een eindje verder weg. In die mooie wolken
dáár is het mistig,
grijs en koud.”
“Ik geloof je
niet,”
zei Johannes; “nu zie ik pas goed dat je een mens bent.”
“Och kom!
geloof
je mij niet, beste jongen, omdat ik een mens ben? en wat ben je zelf
dan wel
voor iets bijzonders?”
“O Pluizer, ben
ik
ook een mens?”
“Wat dacht je!
een
elf? Elfen worden niet verliefd.” En Pluizer ging vlak voor Johannes
zitten, de
benen onder zich gekruist en grijnsde hem strak aan. Johannes voelde
zich
onbeschrijfelijk beklemd en verlegen onder die blik en had zich wel
willen
wegstoppen of onzichtbaar maken. Maar hij kon zijn ogen niet meer
afwenden.
“Alleen mensen
worden
verliefd, Johannes, hoor je dat! — en dat is maar goed ook, anders
waren ze er
al lang niet meer. En jij bent verliefd als de beste, al ben je nog zo
klein.
Aan wie denk je op ‘t ogenblik?”
“Aan
Robinetta!”
fluisterde Johannes nauwelijks hoorbaar.
“Naar wie
verlang
je het meest?”
“Robinetta!”
“Zonder wie
denk
je niet te kunnen leven?”
Johannes' lippen bewogen geluidloos: “Robinetta!”
“Nou dan,
ventje,”
grinnikte Pluizer, “wat verbeeld je je dan, een elf te zijn? Elfen
worden niet
verliefd op mensenkinderen.”
“Maar het was
Windekind ...” stamelde Johannes in zijn verlegenheid. Toen keek
Pluizer
ontzettend vals en greep Johannes met zijn knokige handjes bij de oren.
“Wat is dat
voor
onzin! — Wou je mij met die snuiter bang maken? Die is nog veel dommer
dan
Wistik, — veel dommer. Hij begrijpt er niets van. En wat erger is, hij
bestaat
helemaal niet en heeft nooit bestaan. Ik besta alleen, begrijp je? En
als je
mij niet gelooft, zal ik je laten voelen, dat ik er ben.”
En hij schudde
de arme
Johannes hard bij de oren. Deze riep: “Maar ik heb hem toch zo lang
gekend, en
ik ben zo ver met hem weggetrokken.”
“Gedroomd heb
je,
zeg ik. Waar is je sleuteltje dan, hè? — Maar nu droom je niet,
voel je wel?”
“Au!” riep
Johannes, want Pluizer kneep.
Het was al
donker,
en de vleermuizen vlogen nu dicht langs hun hoofden en piepten schril.
De lucht
was zwart en zwaar, — geen blad bewoog in het bos.
“Mag ik naar
huis
gaan?” smeekte Johannes.”Naar mijn vader?”
“Je vader? —
wat
wil je daar doen?” zei Pluizer. “Die man zal je wel vriendelijk
ontvangen,
nadat je zo lang bent weggebleven.”
“Ik verlang
naar
huis,” zei Johannes, en hij dacht aan de huiskamer met het heldere
lamplicht,
waar hij zo vaak bij zijn vader zat, luisterend naar het krassen van
zijn pen.
Daar was het vredig en gezellig.
“Ja, dan had je
maar niet weg moeten gaan en weg moeten blijven, terwille van die rare
snuiter,
die niet bestaat. Nu is het te laat. En het komt er ook niet op aan, ik
zal wel
voor je zorgen. Of ik het doe of je vader, dat is eigenlijk precies
hetzelfde.
Zo’n vader, — dat is toch maar fantasie. Heb je hem soms zelf
uitgezocht? Denk
je dat er geen anderen zijn die even goed en even knap zijn? Ik ben
even goed
en veel knapper, — veel knapper.”
Johannes had
geen
moed om te antwoorden, — hij sloot de ogen en knikte flauw.
“En bij die
Robinetta moet je het ook niet zoeken,” ging het mannetje voort. Hij
legde de
handen op Johannes' schouders en praatte vlak bij zijn oor. “Dat kind
hield je
evengoed voor de gek als die anderen. Heb je niet gezien dat ze in de
hoek
bleef zitten, en geen woord zei, toen je werd uitgelachen? Ze is niets
beter
dan al die anderen. Ze vond je een aardig jongetje en heeft met je
gespeeld, — zoals
ze met een meikever zou spelen. Het kon haar niets schelen of je
wegging. En
van dat boekje wist ze niets. Maar ik wel, — ik weet waar het is, en ik
zal het
je helpen zoeken. Ik weet bijna alles.”
En Johannes
begon
hem te geloven.
“Ga je met mij
mee?
— Wil je met mij zoeken?”
“Ik ben zo
moe,”
zei Johannes, “laat mij ergens slapen.”
“Ik hou anders
niet van slapen,” zei Pluizer, “daar ben ik te levendig voor, — een
mens moet
altijd kijken en denken. Maar ik zal je een poosje met rust laten. —
Tot
morgen.”
Toen zette hij
het
vriendelijkste gezicht, dat hij zetten kon, Johannes keek strak in de
glinsterende oogjes, — tot hij niets anders zag. Zijn hoofd werd zwaar,
hij
leunde tegen de bemoste duinhelling. De oogjes schenen verder en verder
op te
lichten, totdat zij sterren waren aan de zwarte hemel; het was alsof
hij het
geluid van verre stemmen hoorde, — alsof de aarde zich onder hem
verwijderde, —
toen hield zijn denken op.
X
Nog voor hij goed
wakker was, had hij een vaag besef, dat er iets bijzonders met hem was
gebeurd,
terwijl hij sliep. Maar hij wilde het niet weten en om zich heen zien.
Hij
wilde weer terug in de droom, die als een trage nevel langzaam wegtrok,
— daarin
was Robinetta weer naar hem toegekomen en had hem over het haar
gestreken, zoals
vroeger, — daarin had hij zijn vader weer gezien en Presto, in de tuin
met de vijver.
“Au!” dat deed
pijn. Wie deed dat? — Johannes opende de ogen en zag in de grauwe
morgen-schemering
een klein mens vlak bij zich, — die hem aan de haren trok. Hij lag in
een bed
en het licht was zwak en onregelmatig, als in een kamer.
Maar het
gezicht,
dat zich over hem heen boog, bracht hem opeens weer alle ellende en
somberheid
van gisteren te binnen. Het was Pluizers gezicht, minder spookachtig en
meer menselijk,
— maar even lelijk en angstwekkend als de vorige avond.
“Och nee! —
laat
mij dromen,” zei hij.
Maar Pluizer
schudde hem door elkaar: “ben je mal, luiaard, dromen is dwaasheid,
daarmee kom
je niet verder. Een mens moet werken en denken en zoeken. Daar ben je
een mens
voor.”
— “Ik wil geen
mens
zijn. Ik wil dromen.” —
— “Dat helpt
niet.
Je moet. Je bent nu onder mijn hoede en met mij samen zul je werken en
zoeken. Alleen
met mij kan je vinden wat je wil. En ik zal je niet verlaten totdat wij
het
gevonden hebben.” —
Johannes voelde
een vage ontzetting. Maar het was alsof een overmacht hem neerdrukte en
bedwong.
Willoos onderwierp hij zich.
Weg waren
duinen, bomen
en bloemen. Hij was in een klein, schemerig verlicht kamertje, —
daarbuiten zag
hij, zover hij zien kon, huizen en weer huizen, somber en grauw, in
lange, eentonige
rijen.
Rook steeg
overal
op in dikke kronkels en sloeg als een bruinachtige nevel in de straten
neer. En
op die straten liepen de mensen als grote, zwarte mieren haastig door
elkaar.
Een verward gerucht steeg dof en aanhoudend uit hun massa op.
— “Kijk,
Johannes,”
zei Pluizer, “is dat nu niet aardig? Dat zijn nu allemaal mensen en al
die
huizen zover je zien kunt, — nog verder dan die blauwe toren daar, —
zijn ook
vol mensen, van boven tot beneden vol. Is dat niet merkwaardig? Dit is
nog eens
wat anders dan een mierenhoop.” —
Johannes
luisterde
met een angstige nieuwsgierigheid, alsof hem een groot, verschrikkelijk
ondier
getoond werd. Het was voor hem alsof hij op de rug van het monster
stond, het
zwarte bloed door dikke aderen zag stromen en de donkere adem uit
honderd
neusgaten zag opstijgen. En hij werd bang voor het onheilspellend
grommen van
de ontzaglijke stem. —
— “Kijk hoe
hard
al die mensen lopen, Johannes,” ging Pluizer voort. “Je kunt zien dat
zij haast
hebben en iets zoeken, nietwaar? Maar het is grappig, dat niemand
precies weet
wat hij zoekt. Als ze nou een poosje gezocht hebben, dan komen ze
iemand tegen,
— die heet Hein ...”
— “Wie is dat?”
vroeg Johannes.
— “O! een goede
kennis van me, ik zal je wel eens aan hem voorstellen. Nou, die Hein
zegt dan: “Zoek
je mij?” Daarop zeggen de meesten gewoonlijk: “O nee! ... jou bedoel ik
niet!”
maar dan antwoordt Hein weer: “Er is toch niets anders te vinden dan
mij.” Dan
moeten ze zich wel met Hein tevreden stellen.”
Johannes
begreep,
dat hij over de dood sprak.
— “En gaat dat
altijd, altijd zo?”
“Jazeker,
altijd.
Er komen echter iedere dag weer een massa nieuwe en die beginnen
dagelijks te
zoeken, zonder te weten waarnaar, en zoeken en zoeken totdat ze
eindelijk Hein
vinden, — zo gaat het al een aardig poosje lang en zo zal het ook nog
wel een
poosje blijven aanhouden.” —
— “Zal ik ook
niets anders vinden, Pluizer, niets anders dan ...”
— “Ja, Hein
vind
je zeker ooit, maar dat doet er niet toe, zoeken maar! altijd blijven
zoeken!”
— “Maar het
boekje
dan, Pluizer, jij zou mij het boekje laten vinden.”
— “Nou! wie
weet!
ik heb het niet tegengesproken. Wij moeten zoeken, zoeken. Wij weten
tenminste
waarnaar wij zoeken. Dat heeft Wistik ons geleerd. En er zijn er, die
hun hele
leven zoeken om te weten waarnaar zij eigenlijk zoeken. Dat zijn de
wijsgeren,
Johannes. Maar als Hein komt, is het met hun gezoek óók
uit.”
— “Dat is
vreselijk,
Pluizer.”
— “O nee,
volstrekt niet. Hein is een heel goedige man. Maar hij wordt miskend.”
Iemand
stommelde
buiten de kamerdeur op de trap. Klos! Klos! klonk het op de houten
treden.
Klos! Klos!
dichter en dichterbij. Toen tikte iemand tegen de deur en het was alsof
ijzer
op hout tikte.
Er kwam een
grote
man binnen. Hij had diepliggende ogen en lange, magere handen. Een
koude tocht
woei in het kamertje.
“Wel wel,” zei
Pluizer,
“ben je daar, ga zitten! Wij hadden het net over jou. Hoe gaat het met
je?”
— “Druk, druk!” —
zei
de
lange
man en wiste zich
het koude
zweet van het benige bleke voorhoofd.
Roerloos en
schuw
staarde Johannes in de diepliggende ogen, die strak op hem gericht
waren. Zij
waren heel ernstig en donker, Maar niet wreed, niet vijandig. Na enige
ogenblikken
ademde hij weer vrijer en klopte zijn hart minder hevig.
— “Dit is
Johannes,” zei Pluizer, “hij heeft van een zeker boekje gehoord, waarin
staat,
waarom alles is zoals het is, en dat zullen wij nu samen gaan zoeken,
nietwaar?” — Toen lachte Pluizer
veel-betekenend.
— “Zo! zo! —
nou
dat is goed!” — zei de Dood vriendelijk,
en knikte Johannes toe.
— “Hij is bang
het
niet te vinden, — maar ik zei hem dat hij maar eerst vlijtig moet
zoeken.” —
— “Zeker!” —
zei
de
Dood,
“vlijtig zoeken is het beste.”
— “Hij dacht,
dat
jij zo verschrikkelijk bent. — Nu zie je toch Johannes, dat je je
vergist hebt,
nietwaar?”
“Ach ja!” — zei
de
Dood welwillend, “ze spreken veel kwaad over mij. Ik heb geen innemend
uiterlijk, — maar ik meen het toch goed.”
Hij glimlachte
flauw, als iemand die met ernstiger dingen vervuld is dan waarover hij
spreekt.
Toen wendde zijn donkere blik zich van Johannes af naar buiten en
dwaalde
peinzend over de grote stad.
Lang durfde
Johannes niet te praten, eindelijk zei hij zacht:
— “Ga jij mij
meenemen?”
— “Wat denk je,
mijn jongen?” zei de Dood, opkijkend uit zijn mijmering: “Nee! nu nog
niet. Jij
moet opgroeien en een goed mens worden.” —
— “Ik wil geen
mens
worden als de anderen.” —
— “Kom! kom!”
zei de
Dood, “daar is niets aan te doen.”
Je kon horen,
dat
dit een dagelijkse uitdrukking van hem was. Hij ging verder.
— “Mijn vriend
Pluizer kan je leren, hoe je een goed mens wordt. Je kunt het op
verschillende
manieren, maar Pluizer leert het ook uitstekend. Het is iets heel moois
en
begeerlijks een goed mens te zijn. Daar moet je niet op neerkijken,
ventje!”
“Zoeken,
denken,
kijken!” zei Pluizer.
“Zeker, zeker!”
— zei
de Dood; — en toen tot Pluizer: “Waar ga je hem naar toebrengen?”
— “Naar dokter
Cijfer, mijn oud-leerling.”
— “A ja! dat is
een goede leerling. Dat is een zeer fraai voorbeeld van een mens. Bijna
volmaakt
in zijn soort.” —
— “Zal ik
Robinetta terugzien?” — vroeg Johannes
bevend.
— “Wie bedoelt
het
ventje?” — vroeg de Dood.
“O! hij is al
verliefd geweest en verbeeldde zich toch een elf te zijn, hi! hi! hi!”
— lachte
Pluizer geniepig!
— “Nee! beste
jongen, dat gaat niet,” — zei de Dood, — “die dingen zul je bij dokter
Cijfer
wel afleren. Wie zoekt wat jij zoekt, moet al het andere verliezen.
Alles of
niets.” —
— “Ik zal een
mens
uit één stuk van hem maken, — ik zal hem eens laten zien
wat verliefdheid eigenlijk
is, dan zal hij er zich wel doorheen pluizen.”
En Pluizer
lachte vrolijk,
— de Dood richtte weer zijn zwarte ogen op de arme Johannes, die met
moeite het
snikken bedwong. Want hij schaamde zich voor de Dood.
Die rees
plotseling overeind. — “Ik moet weg,” zei hij, — “ik verpraat mijn
tijd. Er is
hier veel te doen. Goede dag, Johannes! — wij zullen elkaar nog wel
terugzien.
Jij moet niet bang voor mij zijn.” —
— “Ik ben niet
bang voor jou, — ik zou willen dat je mij meeneemt. Toe! neem mij toch
mee!” —
Maar de Dood wees hem zacht terug, hij was dergelijke vragen
gewend.
— “Nee!
Johannes, —
ga nu aan je werk, zoek en zie! Vraag mij niets meer. Ik vraag maar
één keer en
dan is het tijd genoeg.” —
Toen hij
verdwenen
was gedroeg Pluizer zich weer heel overdreven. Hij sprong over stoelen,
buitelde over de grond, kroop op de kast en de schoorsteenmantel en
voerde
halsbrekende kunsten uit in de open vensters.
— “Dat was nou
Hein! mijn goede vriend Hein!” — riep
hij, “vond je hem niet aardig? — Een beetje lelijk en knorrig van
uiterlijk.
Maar hij kan ook heel vrolijk zijn, als hij plezier heeft in zijn werk.
Maar vaak
verveelt het hem. 't Is ook wel wat eentonig.”
— “Wie zegt
hem,
Pluizer, waar hij naar toe moet gaan?”
Pluizer gluurde
Johannes vals en onderzoekend aan.
— “Waarom vraag
je
dat? — Hij gaat zijn eigen gang, —
hij
neemt wie hij krijgen kan.” —
Later heeft
Johannes gezien dat het anders was. Maar nu wist hij niet beter of
Pluizer
sprak in alles de waarheid.
Zij gingen de
straat op en bewogen zich door de krioelende menigte. De zwarte mensen
liepen door
elkaar, lachten, praatten, zo vrolijk dat Johannes zich moest
verwonderen. Hij
zag hoe Pluizer velen toeknikte, maar niemand beantwoordde de groet,
allemaal keken
vóór zich alsof ze niets gezien hadden.
— “Ze lopen nu
te
lachen,” zei Pluizer, “alsof zij mij geen van allen kennen. Maar dat
lijkt maar
zo. Als ik alleen met hen ben, kunnen ze mij niet negeren en dan zijn
ze ook niet
zo vrolijk. “ — En onder het lopen was
Johannes zich bewust dat er iemand achter hem liep. Als hij omkeek zag
hij de lange,
bleke man, die met grote, onhoorbare schreden tussen de mensen door
schreed.
Hij knikte Johannes toe.
“Zien de mensen
hem ook?” vroeg Johannes aan Pluizer.
“Ja zeker!
allemaal, maar zij willen hem ook niet kennen. Nou, ik gun hun die
trots!” —
De drukte en
het
geraas brachten Johannes in een soort verdoving, die hem zijn verdriet
deed
vergeten. De smalle straten en de hoge huizen, die het hemelblauw in
rechte
stroken verdeelden, de mensen die langs hem af en aan liepen, het
slepen van de
voetstappen en het ratelen van de wagens verstoorden de oude visioenen
en de droom
van die nacht, als een storm de beelden op een waterspiegel. Het leek
hem alsof
er niets anders bestond dan muren, ramen en mensen, — alsof hij mee
moest doen,
meehollen in het rusteloze, ademloze gewoel.
Toen kwamen zij
in
een stille buurt, waar een groot huis stond met grauwe, sierloze ramen.
Het zag
er streng en onvriendelijk uit. Daarbinnen was het stil en rook
Johannes een
mengeling van vreemde, scherpe geuren, — met een dompige kelderlucht
als
grondtoon. In een kamer, vol wonderlijke werktuigen, zat een eenzame
man. Hij
was omringd door boeken, glazen en koperen voorwerpen, allemaal vreemd
voor
Johannes. Er viel een enkele zonnestraal over zijn hoofd heen de kamer
in en
fonkelde op flessen met fraai gekleurde stoffen. De man tuurde
ingespannen door
een koperen buis en keek niet op.
Toen Johannes
naderbij kwam hoorde hij hem mompelen: — “Wistik! Wistik!” —
Naast de man,
op
een lang, zwart bankje, lag iets wits en wolligs, — dat Johannes niet
goed kon
onderscheiden.
— “Goede
morgen, dokter!” — zei Pluizer, — maar de
dokter
keek nog
niet op.
Toen schrok
Johannes, want het witte voorwerp waar hij ingespannen naar keek, kwam
opeens
in een krampachtig rukkende beweging. Wat hij gezien had, was het witte
buikdons van een konijntje. Het kopje met de beweeglijke neus lag
achterover in
ijzer geklemd, en de vier pootjes waren strak naast het lichaam
vastgebonden.
Kort duurde de wanhopige poging om zich te bevrijden, toen lag het
beestje weer
stil en alleen de snelle beweging van de bloedige keel toonde dat het
nog
leefde.
En Johannes zag
het ronde, goedige oog dat zo wijd staarde in machteloze angst en het
was alsof
hij het herkende. Ach! was dat niet het zachte lijfje, waartegen hij
gerust had
in die eerste, zalige elfennacht? Oude herinneringen drongen met geweld
in hem naar
boven. Hij vloog op het diertje toe:
— “Wacht!
wacht!
arm konijntje, ik zal je helpen.” — En
haastig trachtte hij de koordjes los te knopen, die de tere pootjes
striemden.
Maar zijn beide
handen werden tegelijk vastgegrepen en een scherpe lach klonk bij zijn
oor.
— “Wat betekent
dat, Johannes? — Ben je nog zó kinderachtig? Wat moet de dokter
wel van je
denken?” —
— “Wat wil die
jongen? wat doet hij hier?” — vroeg de
dokter
verbaasd.
— “Hij wilde
een mens
worden, daarom kwam ik met hem bij u. Maar hij is nog wat klein en
kinderachtig. Dit is niet de manier om te vinden wat je zoekt,
Johannes!”
— “Nee! dit is
de
manier niet,” — zei de dokter. —
— “Dokter, maak
dat konijntje los!” —
Maar Pluizer
kneep
zijn beide handen vast, zodat hij ineenkromp.
“Wat hebben wij
afgesproken, mannetje?” siste hij hem in ‘t oor. “Zoeken zouden wij,
niet waar?
Wij zijn hier niet in de duinen, bij Windekind en bij de stomme dieren.
Wij
zouden mensen zijn, — mensen! versta je. Als je een kind wil blijven, —
als je
niet sterk genoeg bent om mij te helpen, — laat ik je gaan, zoek dan
maar alleen!”
Johannes zweeg
en
geloofde hem. Hij wilde sterk zijn. Hij sloot de ogen, om het konijntje
niet te
zien.
— “Beste
jongen!” — zei de dokter, “je lijkt nog
wat
teergevoelig te zijn om te beginnen. Het is waar, — de eerste keer is
zoiets akelig
om te zien. Ik zie het zelf ook niet graag —
en vermijd het zoveel mogelijk. Maar het is noodzakelijk.
En je moet begrijpen: wij zijn mensen en geen dieren, — en het heil van
de mensheid
en van de wetenschap gaat boven dat van een paar konijnen.” —
— “Hoor je!”
zei
Pluizer, “de wetenschap en de mensheid!”
— “De man van
de wetenschap,”
ging de dokter voort, “staat hoger dan alle andere mensen. Maar hij
moet dan
ook de kleine gevoeligheden, die de gewone mensen kennen, laten varen
voor dat
éne grote: — de wetenschap. Wil je zo’n mens worden? was dat je
roeping, mijn
jongen?”
Johannes
twijfelde,
— hij wist nog niet goed wat een roeping was, net zomin als de meikever.
— “Ik wilde het
boekje vinden,” zei hij, “waar Wistik het over had.” —
De dokter keek
verbaasd en vroeg: — “Wistik?” —
Maar Pluizer
zei
snel: — “Hij wil dat, dokter, ik weet het wel. Hij wil de hoogste
wijsheid
zoeken, hij wil het wezen van de dingen begrijpen.”
Johannes
knikte, —
“Ja!” — Zover hij begreep, was dat zijn
bedoeling.
— “Nou, dan
moet
je sterk zijn, Johannes, en niet klein en teergevoelig. Dan zal ik je
helpen.
Maar bedenk: alles of niets.” —
En Johannes
hielp
met sidderende handen de losgemaakte koorden weer vaster om de pootjes
van het
konijntje strikken.
XI
Zo ging het verder.
Er waren ook magere, uitgeteerde gestalten met wit haar, dat blauw
glinsterde
in het zwakke licht, en kleine kinderen met grote hoofden en oudachtige
denkersgezichten.—
“Kijk,
die zijn pas na hun dood oud geworden!” — zei Pluizer.
Zij kwamen bij
een
man met een volle baard en opgetrokken lippen, wiens witte tanden
blonken.
Midden in het voorhoofd had hij een rond zwart gaatje.
— “Deze heeft
Hein
een handje geholpen. Waarom geen beetje geduld? Hij zou toch wel hier
gekomen
zijn.”
En weer kwamen
er gangen
en nieuwe gangen en opnieuw rechte gestalten met strakke, grijnzende
gezichten
en roerloze, over elkaar gelegde handen.
— “Nu ga ik
niet
verder,” zei de oorworm, “ik weet hier de weg niet meer.”
— “Laten we omkeren,” zei de pier. —
— “Nog één, nog één!” riep Pluizer.
Verder ging de
tocht.
— “Alles wat je
ziet bestaat,” — zei Pluizer onder het
verdergaan, “het is allemaal waar. Eén ding alleen is niet waar.
Dat ben je
zelf, Johannes. Jij bent hier niet, en je kunt hier niet zijn.” —
En hij
schaterlachte, toen hij de angstige, wezenloze blik van Johannes bij
zijn
woorden zag.
— “Dit is de
laatste!
— echt de laatste!”
— “De gang
loopt
dood, — ik ga niet verder,” — zei de oorworm knorrig.
— “Ik wil
verder!”
zei Pluizer, en waar de gang eindigde, begon hij met beide handen te
graven.
— “Help mij,
Johannes!” — Willoos in zijn ellende, gehoorzaamde deze en groef de
vochtige,
fijne aarde weg.
Zwijgend en
zwoegend werkten zij door, totdat het zwarte hout tevoorschijn kwam.
De pier had de
geringde
kop ingetrokken en was achteruit verdwenen. De oorworm liet het licht
vallen en
ging terug.
— “Zij komen er
niet in, — het hout is te nieuw,” zei hij bij 't weggaan.
— “Ik wil,” zei
Pluizer en scheurde met de haakvingers lange, witte splinters krakend
uit het
hout.
Een vreselijke
beklemming bedrukte Johannes. Maar hij moest, — hij kon niet anders.
Eindelijk ging de donkere ruimte open. Pluizer nam het licht
en kroop haastig naar binnen.
— “Hier, hier!” —
riep
hij
en
liep naar het
hoofdeinde.
Maar toen
Johannes
bij de handen kwam, die stil over elkaar gevouwen op de borst lagen,
moest hij
rusten. Hij staarde naar de magere, witte vingers, half verlicht aan de
bovenzijde. Opeens herkende hij ze, hij herkende de vorm en de plooien
van de vingers,
de vorm van de lange nagels, nu donkerblauw verkleurd. Hij herkende een
bruin
vlekje aan de wijsvinger.
Het waren zijn
eigen handen.
— “Hier, hier!”
riep Pluizers stem van het hoofdeinde. “Kijk eens, — herken je hem?” —
Nog wilde de
arme
Johannes zich weer oprichten en naar het licht toegaan, dat hem wenkte.
Maar
hij kon niet meer. Het lichtje doofde uit tot volkomen duisternis, en
hij viel
bewusteloos neer.
XII
Diep zonk hij weg
in de slaap, tot in de diepte waar geen dromen zijn.
Toen hij uit die duisternissen herrees, — langzaam, — naar
het grauwe, koele licht van de morgen, — vloog hij door bonte, zachte
dromen
uit vroeger tijd heen. Hij ontwaakte en zij gleden van zijn ziel als
dauwdruppels van een bloem. Kalm en vriendelijk was de uitdrukking van
zijn ogen,
half nog starend in het wemelen van de lieflijke beelden.
Maar in pijn,
als
een lichtschuwe, sloot hij ze voor het vale daglicht. Hij zag, wat hij
ook de vorige
morgen gezien had. Het leek hem ver en lang geleden. Maar uur na uur
kwam alles
hem weer te binnen, — van de droevige morgen tot de vreselijke nacht.
Hij kon
niet geloven, dat al die verschrikkingen in één dag waren
verschenen. Het begin
van zijn ellende leek zo ver weg, verloren in een grauwe mist.
Spoorloos
gleden
de zachte dromen van zijn ziel weg, Pluizer schudde aan hem, — en de
sombere
dag begon, — traag en kleurloos, — de voorloper van vele, vele andere.
Maar wat hij de
vorige
avond op die bange tocht gezien had, bleef hem bij. Was het alleen maar
een
afschuwelijk visioen geweest?
Toen hij
Pluizer
er weifelend naar vroeg, keek deze hem spottend en verwonderd aan.
— “Wat bedoel
je?”
vroeg hij.
Maar Johannes
zag
de spot in zijn blik niet, en vroeg of het niet echt zo gebeurd was,
hij zag
het nog zo scherp en duidelijk voor zich!
— “Maar
Johannes,
wat ben je toch dom! Zulke dingen kunnen toch niet gebeuren!”
En Johannes
wist
niet wat hij denken moest.
— “We zullen je
gauw aan 't werk zetten. Dan zul je zo’n domme vragen niet meer
stellen.”
En zij gingen
naar
de dokter Cijfer, die Johannes zou helpen vinden, wat hij zocht.
Maar in de
drukke
straten hield Pluizer een keer plotseling stil en wees Johannes een
mens uit de
menigte aan.
— “Ken je hem
nog?” — vroeg Pluizer en schaterde het
uit
toen Johannes bleek werd en de man verschrikt nastaarde.
Hij had hem de
vorige
nacht gezien, diep onder de aarde.
Vriendelijk
ontving de dokter hen en deelde Johannes zijn wijsheid mee. Urenlang
luisterde
hij die dag, en vele dagen daarna.
Wat hij zocht
had
de dokter nog niet gevonden. Maar hij had het bijna, zei hij. Hij zou
Johannes
zover brengen als hij zelf was en dan zouden zij er beiden wel komen.
Johannes leerde
en
luisterde, ijverig en geduldig, — dagen en maanden lang. Hij voelde
weinig
hoop, — maar hij begreep, dat hij nu dóór moest gaan, —
zo ver mogelijk. Hij
vond het vreemd, — dat terwijl hij het licht zocht, het hoe langer hoe
duisterder
voor hem werd. Het begin van alles wat hij leerde was het beste, maar
hoe dieper
hij doordrong hoe doodser en duisterder het werd. Hij begon met planten
en
dieren, met alles wat om hem heen was — en
als hij er lang op gestaard had, werden het cijfers. Alles viel
uitelkaar tot
cijfers, — bladen vol cijfers. Dat vond dokter Cijfer heerlijk, en hij
zei, dat
het voor hem licht werd, als de cijfers kwamen, Maar voor Johannes was
dat
duisternis.
Pluizer verliet
hem niet en dreef en zweepte hem voort, als hij moedeloos en vermoeid
was. Alle
ogenblikken van genot of bewondering bedierf hij voor hem.
Johannes
verbaasde
en verheugde zich, toen hij leerde en zag, hoe fijn de bloemen waren
gebouwd,
hoe zij vruchten vormden en hoe de insecten hen onwetend hielpen in die
taak.
— “Dat is toch
prachtig,” zei hij, “wat is dat allemaal juist berekend en wat fijn en
doelmatig gemaakt.” — “Ja, verbazend doelmatig,”zei Pluizer, “jammer
dat het
grootste deel van die doelmatigheid en fijnheid tot niets dient.
Hoeveel bloesems
worden vruchten en hoeveel pitten worden bomen?”
— “Maar het
lijkt
toch allemaal volgens een groot plan gemaakt,” antwoordde Johannes.
“Kijk! de
bijen zoeken honing voor zichzelf en weten niet dat zij de bloemen
helpen, — en
de bloemen lokken de bijen door hun kleur. Het is een plan, en zij
werken allebei
mee zonder het te weten.” —
— “Dat lijkt
heel
mooi, maar er mankeert veel aan. Als de bijen kans zien, bijten zij een
gat onder
in de bloem en maken de hele ingewikkelde organisatie te schande. Een
slimme
plannenmaker, die zich door een bij voor de gek laat houden.”
Bij de
wonderbaarlijke
bouw van mensen en dieren werd het nog erger. Van alles wat Johannes
mooi en knap
vond, toonde hij de onvolkomenheid en de gebreken aan. Het hele leger
van
kwalen en ellende dat mens en dier treffen kan, liet hij hem zien, met
voorliefde het walgelijkste en afzichtelijkste uitkiezend.
— “Die
plannenmaker, Johannes, was erg slim, maar bij alles wat hij maakte
vergat hij
iets, — en de mensen hebben handen vol werk, om al die gebreken zo goed
mogelijk bij te lappen. Kijk maar om je heen! een paraplu, een bril,
zelfs
kleren en huizen, het is allemaal menselijk lapwerk. Het hoort
volstrekt niet
bij het plan. Maar de plannenmaker heeft niet bedacht dat mensen het
koud zouden
hebben en boeken zouden lezen en duizend dingen meer zouden gaan doen,
waarvoor
zijn plan niet deugde. Hij heeft zijn kinderen kleertjes gegeven,
zonder te bedenken,
dat zij er uit zouden groeien. Nu zijn bijna alle mensen al lang hun
natuurpakje
ontgroeid. Nu gaan zij alles zelf doen en storen zich volstrekt niet
meer aan
de plannenmaker en zijn plannen. Wat hij hun niet gegeven heeft, nemen
ze
brutaal en eigenmachtig, — en waar het hem blijkbaar te doen was hen te
doen
sterven, ontduiken zij de dood soms voor lange tijd, door allerlei
kunstgrepen.”
—
— “Maar het is
de
schuld van de mensen,” riep Johannes, “waarom wijken zij moedwillig af
van de
natuur?” —
— “O domme
Johannes! — als een kindermeisje een onnozel kind met vuur laat spelen
en het
brandt zich, wie heeft dan schuld? — Het kind dat geen vuur kende, of
het kindermeisje
dat wist dat het kind zich zou branden? En wie is schuldig, als de
mensen
afdwalen in ellende en onnatuur, zijzelf of de alwijze plannenmaker,
voor wie
zij als onwetende kinderen zijn?” —
— “Maar zij
zijn
niet onwetend, zij wisten ...”
— “Johannes!
als jij
tegen een kind zegt: “raak dat vuur niet aan! het doet pijn” — en als
het kind
het dan toch doet, omdat het niet weet wat pijn is, kun jij je dan van
schuld
vrijpleiten en zeggen: “kijk! het kind was niet onwetend”? Jij wist
toch, dat
het jouw raad niet zou opvolgen. Mensen zijn dwaas en dom als kinderen.
Maar
glas is bros en leem is week. En wie mensen maakt en geen rekening
houdt met hun
dwaasheid, — is als iemand die wapens maakt van glas en niet bedenkt
dat zij
zullen breken, en pijlen van leem en niet bedenkt, dat zij zullen
buigen.” —
En de woorden
vielen als druppels vloeiend vuur op Johannes' ziel. En in zijn borst
zwol het
grootste leed, dat zijn vroegere smarten verdrong en hem vaak deed
huilen, in
de stille, slapeloze uren van de nacht.
Ach! slaap!
slaap!
— Er kwam een tijd, na lange dagen, — dat slaap hem het liefst was van
alles.
Daarin was geen gedachte en geen leed; en zijn dromen brachten hem
altijd naar
zijn vroegere leven terug. Heerlijk leek het hem, als hij er van
droomde, maar
overdag kon hij zich niet meer te binnen brengen, hoe het geweest was.
Hij wist
alleen, dat zijn verdriet en verlangen van vroeger beter waren, dan het
lege,
dode gevoel dat hij nu kende. Hij had een keer smartelijk naar
Windekind
verlangd, hij had een keer uur na uur op Robinetta gewacht. Wat was dat
heerlijk geweest!
Robinetta! —
Verlangde
hij nog? — Hoe meer hij leerde, hoe meer zijn verlangen verdween. Want
ook dat
werd ontleed en Pluizer legde hem uit wat liefde was. — Toen schaamde
hij zich
en dokter Cijfer zei dat hij er nog geen cijfers van maken kon, maar
dat het
wel spoedig gebeuren zou. Zo werd het duisterder en duisterder voor de
kleine
Johannes.
Hij had een
flauw
gevoel van dankbaarheid, dat hij Robinetta niet herkend had op zijn
vreselijke
tocht met Pluizer.
Als hij er met
Pluizer
over sprak, zei die niets en lachte slim. Maar Johannes begreep dat het
niet
was geweest, om hem te sparen.
De uren dat
Johannes niet leerde en werkte, gebruikte Pluizer, om hem de mensen te
laten
zien. Hij wist hem overal te brengen, — in de ziekenhuizen, waar de
zieken in grote
zalen lagen, — lange rijen bleke, uitgeteerde gezichten met een doffe
of
pijnlijke uitdrukking, waar een naargeestige stilte heerste, slechts
door
kuchen en kermen verbroken. En Pluizer wees hem aan, wie van hen nooit
die
zalen zouden verlaten. En als op een bepaald uur stromen mensen het
huis
binnenkwamen om hun zieke verwanten te bezoeken, zei Pluizer:
— “Kijk! die
weten
allemaal, dat ook zij ooit in dit huis en in die droeve zalen terecht
zullen
komen, om er in een zwarte kist weer uitgedragen te worden.” —
— “Hoe kunnen
zij
nog ooit vrolijk zijn?” — dacht Johannes.
En Pluizer
bracht
hem op een klein bovenzaaltje, waar een weemoedig halfduister heerste
en waar
de verwijderde klanken van een piano uit een naburig huis onophoudelijk
en dromerig
doordrongen. Daar wees Pluizer hem, tussen de anderen, een zieke aan,
die
suffend voor zich uit staarde naar een smal zonnestraaltje, dat traag
langs de muur
kroop.
— “Die ligt
daar
al zeven jaar,” — zei Pluizer. “Hij is zeeman geweest en heeft de
palmen van
Indië, de blauwe zeeën van Japan, de bossen van Brazilië
gezien. Nu amuseert
hij zich al die lange dagen van zeven lange jaren, met dat
zonnestraaltje en
dat pianospel. Hij komt hier niet meer vandaan; maar het kan nog net zo
lang
duren.”
Na die dag was
het
Johannes' bangste droom, opeens in dat zaaltje te ontwaken, in dat
weemoedige
halfduister bij die dromerige klanken, om tot het einde toe niets
anders meer
te zien dan het gaande en komende licht.
Pluizer bracht hem ook in de grote kerkgebouwen en liet hem
luisteren naar wat daar gezegd werd. Hij bracht hem bij feesten, bij
grote plechtigheden,
in de binnenvertrekken van vele huizen.
Johannes leerde
de
mensen kennen, en het gebeurde hem soms, dat hij aan zijn vroegere
leven moest
denken, aan de sprookjes, die Windekind hem verteld had, en aan zijn
eigen
ontmoetingen. Er waren mensen die hem aan het glimwormpje herinnerden,
dat in
de sterren zijn gestorven makkers meende te zien, — of aan die ene
meikever,
die een dag ouder was dan de andere en zoveel over een roeping
gesproken had, —
en hij hoorde verhalen, die hem aan Kribbelgauw, de held van de
kruis-spinnen,
deden denken; of aan de aal, die niets deed en gevoed werd omdat een
dikke koning
deftig stond. Zichzelf vergeleek hij wel met de jonge meikever, die
niet wist
wat een roeping was en het licht invloog. Hij voelde zich alsof hij
hulpeloos
en verminkt op het vloerkleed rondkroop, met een draadje om 't lijf,
een scherp
draadje, waaraan Pluizer rukte en trok.
Ach, de tuin
zou
hij wel niet meer vinden, — wanneer zou de zwarte voet komen en hem
verpletteren?
Pluizer spotte
met
hem, als hij over Windekind sprak. En langzamerhand begon hij te
geloven, dat
Windekind er nooit geweest was.
— “Maar,
Pluizer!
dan is het sleuteltje er ook niet, dan is er niets!”
— “Niets!
Niets!
Er zijn mensen en cijfers, dat is allemaal waar, dat bestaat, eindeloos
veel
cijfers.”
— “Maar,
Pluizer,
dan heb je mij bedrogen. Laat mij ophouden, — laat mij niet meer
zoeken, — laat
mij alleen!” —
— “Weet je niet
meer wat de Dood gezegd heeft? — Een mens zou je worden, een volmaakt
mens.” —
“Ik wil niet, — het is vreselijk.”
— “Je moet, —
je
hebt het ééns gewild. Kijk dokter Cijfer eens, — vindt
die het vreselijk? Word zoals
hij is.” —
Het was waar.
Dokter
Cijfer leek altijd rustig en gelukkig. Onvermoeid en onverstoorbaar
ging hij
zijn weg, studerend en onderrichtend, tevreden en gelijkmoedig.
— “Kijk hem,”
zei Pluizer,
“hij ziet alles en ziet ook niets. Hij bekijkt de mensen alsof hij zelf
een
ander wezen is, dat niets met hen te maken heeft. Hij gaat tussen
kwalen en
ellende door als een onkwetsbare en verkeert met de dood als een
onsterfelijke.
Hij wil alleen begrijpen wat hij ziet, en hij vindt alles wat hij te
weten komt
even goed. Hij is met alles tevreden, zodra hij het bereikt. Zó
moet je ook
worden.” —
— “Maar dat kan
ik
nooit.” —
— “Ja, dat kan
ik
niet helpen.” —
Dat was altijd
het
hopeloze einde van hun gesprek. Johannes werd dof en onverschillig,
zocht en
zocht, niet meer wetend waarnaar en waarom. Hij werd als de velen, die
Wistik
gesproken hadden.
't Werd winter,
en
hij merkte het nauwelijks.
Op een kille,
mistige morgen, toen de natte, vuile sneeuw op de straten lag en van
bomen en
daken droop, ging hij met Pluizer zijn dagelijkse gang.
Op een plein ontmoette hij een paar jonge meisjes, op een
rij, met schoolboeken in de hand. Ze gooiden elkaar met sneeuw en
lachten en stoeiden.
Helder klonken hun stemmetjes over het besneeuwde plein. Je hoorde geen
geluid
van voetstappen of rijtuigen, alleen de rinkelende bellen van de
paarden of het
rammelen van een winkeldeur. Helder klonk de blije lach door de stilte.
Johannes zag hoe een van de meisjes hem aankeek en bleef nastaren. Zij
had een
bontmanteltje om en droeg een zwarte hoed. Hij kende haar gezicht heel
goed,
maar wist toch niet wie zij was. Zij knikte een keer, en nog een keer.
— “Wie is dat?
ik
ken haar.” —
— “Ja, dat is
wel mogelijk.
Zij heet Maria. Sommigen noemen haar Robinetta.” —
— “Nee, dat kan
niet. Zij lijkt niet op Windekind. Het is een gewoon meisje.” —
— “Ha! ha! ha!
Zij
kan niet lijken op niemand. Maar zij is wie zij is. Je hebt naar haar
verlangd,
ik wil je nu wel bij haar brengen.” —
— “Nee, ik wil
haar niet zien. Ik had haar liever dood gezien, zoals de anderen.”
En Johannes
keek
niet meer om, maar liep haastig door en mompelde:
“Dat is het
laatste, er is niets! niets!” —
XIII
Het heldere, warme
zonlicht van een eerste lentemorgen stroomde over de grote stad. Felle
stralen
vielen in 't kamertje, waar Johannes woonde; op de lage zoldering
trilde en
schommelde een grote lichtplek, — een weerkaatsing van het rimpelende
water van
de gracht.
Johannes zat
voor het
raam in de zonneschijn en staarde over de stad. Die was helemaal van
aanblik
veranderd. De grauwe mist was een glanzige blauwe zonnewaas geworden,
dat het
einde van de lange straten en de torens in de verte omhulde. De
lichtkanten van
de leien daken schitterden zilverwit, alle huizen hadden heldere lijnen
en
lichte vlakken door het zonlicht, — er was een warme tinteling in de
bleekblauwe lucht. Het water scheen levend geworden te zijn. De bruine
knopjes
van de iepebomen waren dik en glanzig, en luidruchtige mussen
fladderden tussen
de takjes.
Het werd
Johannes
zo vreemd te moede, terwijl hij staarde. De zonneschijn bracht hem in
een zoete
verdoving.
Er zat
vergetelheid
en onmiddellijke overvloed in. Dromend staarde hij naar de schittering
van de golfjes,
naar de zwellende iepeknopjes, — en hij luisterde naar het tjilpen van
de mussen.
Er zat vreugde in dat geluid.
Zo gevoelig was
hij in lange tijd niet geweest; zo gelukkig had hij zich in lange tijd
niet
gevoeld.
Dat was de oude
zonneschijn, die hij herkende. Dat was de zon die hem vroeger naar
buiten riep,
naar de tuin, waar hij dan, in de luwte van een oud muurtje, op de
warme grond
ging liggen, — en lang kon genieten van al dat licht en die warmte,
starend
naar de halmpjes en kluitjes vóór hem, gekoesterd in de
zon.
Hij voelde zich
zó
goed in dat licht, het gaf hem het veilige thuisgevoel, — zoals hij
zich
herinnerde dat het heel vroeger was, in de armen van zijn moeder. Hij
moest aan
heel het verleden denken, maar hij huilde of verlangde niet. Hij zat
stil en
droomde, — niet anders wensend dan dat de zon mocht blijven.
— “Wat zit je
daar
te suffen, Johannes?” riep Pluizer, “je weet, ik hou niet van dromen.” —
Johannes hief
smekend
de peinzende ogen omhoog.
— “Laat mij nog
even zo blijven,” zei hij. “De zon is zo goed.” —
— “Wat vind je
aan
die zon?” zei Pluizer. “Het is toch niets anders dan een grote kaars, —
of je
in kaarslicht of zonlicht zit is volmaakt hetzelfde. Kijk! die
schaduwen en die
lichte plekken op straat, — dat is toch niets anders dan het schijnsel
van een
licht, wat stil brandt en niet flikkert. En dat licht is eigenlijk een
heel
klein vlammetje, dat op een heel klein stukje van de wereld schijnt.
Daar!
daar! voorbij dat blauw, onder en boven ons, is het donker, koud en
donker! — daar
is het nu nacht, nu en altijd.” —
Maar zijn
woorden
hadden geen invloed op Johannes. De stille, warme zonnestralen
doordrongen hem
en vervulden zijn hele ziel, — het was licht en vredig in hem.
Pluizer nam hem
mee
naar het kille huis van dokter Cijfer. Een tijd lang nog zweefden de
beelden van
de zon voor zijn geest, toen verflauwden zij langzamerhand en midden op
de dag
was het helemaal duister in hem.
Maar toen de avond kwam en hij weer door de straten van de stad
liep, was de lucht zwoel en vol vochtige voorjaarsgeuren. Alles geurde
sterker
en in de enge straten beklemde het hem. Maar op de open pleinen rook
hij het
gras en de knoppen van buiten. En boven de stad zag hij het voorjaar in
de
rustige wolkjes, in het tere rood van de westelijke hemel.
De schemering
spreidde een zachte, grijze nevel over de stad, vol fijne tinten. Het
werd stil
in de straten, alleen een straatorgel in de verte speelde een weemoedig
wijsje,
— de huizen leken zwarte schimmen tegen de rode avondhemel, als talloze
armen
staken ze hun grillige spitsen en schoorstenen omhoog.
Het was voor
Johannes
als een vriendelijke glimlach van de zon, toen zij voor het laatst over
de grote
stad lichtte, — vriendelijk als de glimlach die een dwaasheid vergeeft.
En de
zoelte streek Johannes liefkozend over de wangen.
Toen kwam er
een grote
weemoed in Johannes' hart, — zo groot dat hij niet verder kon gaan en
diep
ademend zijn gezicht moest opheffen naar de wijde hemel. Het voorjaar
riep hem
en hij hoorde het. Hij wilde antwoorden, hij wilde komen. Het was
allemaal
berouw en liefde en vergeving in hem.
Verlangend
staarde
hij omhoog en tranen gleden uit zijn droeve ogen.
— “Kom!
Johannes! —
doe niet zo raar, de mensen kijken!” zei Pluizer.
De lange,
eentonige huizenrijen strekten zich aan beide zijden somber en
naargeestig uit.
Een gejammer in de zwoele lucht, een klaagtoon tussen het roepen van de
lente!
De mensen zaten
voor de deuren en op de stoepen, — om van de lente te genieten. Het
leek voor Johannes
op een bespotting. De vuile deuren stonden open en de bedompte ruimte
daarbinnen wachtte op hen. Het orgel in de verte rekte nog zijn
weemoedige
tonen.
— “O! kon ik
hier maar
uit wegvliegen, ver weg, naar de duinen, naar — de zee!”
Maar hij moest
mee
naar het hoge kleine kamertje en hij lag die nacht wakker.
Hij moest
denken
aan zijn vader en de lange wandelingen, die hij met hem maakte, — als
hij tien
passen achter hem liep en zijn vader letters voor hem schreef in het
zand. Hij
moest aan de plaatsen denken, waar de viooltjes groeien tussen het
kreupelhout
en aan de dagen, dat hij ze met zijn vader gezocht had. De hele nacht
zag hij
het gezicht van zijn vader, zoals het was, als hij ‘s avonds bij het
stille
lamplicht naar hem zat te kijken en luisterde naar het krassen van zijn
pen.
Iedere morgen
vroeg
hij Pluizer toen, om nog één keer terug te mogen gaan,
naar zijn huis en zijn
vader, om nog één keer zijn tuin en de duinen te mogen
zien. Nu merkte hij dat
hij zijn vader meer had liefgehad dan Presto en zijn kamertje, — want
het was
om hem dat hij het vroeg.
— “Vertel mij
alleen hoe het met hem is — en of hij
nog boos op mij is, omdat ik zolang ben weg-gebleven.” —
Pluizer haalde
de
schouders op. — “Al zou je dat nu weten, wat zou het je helpen?”
Maar de lente
bleef hem roepen, luider en luider. Iedere nacht droomde hij van het
donkergroene mos op de duinhellingen en van zonnestralen, die door het
fijne,
jonge groen schenen.
— “Het kan
zó niet
langer duren,” dacht Johannes, “ik kan het niet volhouden.” —
En vaak, als
hij
niet slapen kon, stond hij zachtjes op, — ging naar het venster, en
staarde in
de nacht. Hij zag hoe de dommelige, donzen wolkjes langzaam langs de
maanschijf
schoven, vreedzaam drijvend in een zee van zachte glans. Hij dacht hoe
nu daar
in de verte de duinen sliepen in de zwoele nacht, hoe wondervol het
moest zijn
in de lage bosjes, waar geen van de jonge blaadjes zou bewegen en waar
het zou geuren
van vochtig mos en jonge berkenspruiten. Hij meende van verre het
golvende koor
van de kikkers te horen, dat zo geheimzinnig aanzweeft over de velden,
— en het
lied van de enige vogel, die de plechtige stilte mag begeleiden, die
zijn zang
zo zacht en klagend begint en zo plotseling afbreekt, waardoor de
stilte nog
stiller schijnt. En het riep hem, het riep hem allemaal. Hij boog het
hoofd op
de vensterbank en snikte op zijn arm.
— “Ik kan niet
meer! — ik kan het niet verdragen. Ik zal wel gauw sterven, als ik niet
mag komen.”
Toen Pluizer
hem
de volgende dag wekte, zat hij nog bij het venster, waar hij was
ingeslapen met
het hoofd op de arm. De dagen gingen voorbij, werden lang en warm, en
er kwam
geen verandering. Maar Johannes stierf niet en zijn smart moest hij
dragen.
Op een morgen
zei dokter
Cijfer tegen hem:
— “Ga je mee
Johannes, ik moet een zieke bezoeken.”
Dokter Cijfer
stond bekend als een geleerd man en velen riepen zijn hulp in tegen
ziekte en
dood. Al vaak was Johannes met hem meegegaan.
Pluizer was
bijzonder
vrolijk die morgen. Hij ging telkens op het hoofd staan, danste en
buitelde, en
maakte allerlei uitgelaten grappen. Hij grinnikte voortdurend
geheimzinnig, als
iemand die voor een ander een verrassing bereid heeft. Johannes was
heel bang voor
hem als hij in zo’n bui was.
Dokter Cijfer
bleef echter ernstig als altijd.
Zij maakten die
morgen een verre reis. In een spoortrein en te voet. Zij gingen verder
dan
anders, nog nooit hadden ze Johannes buiten de stad meegenomen.
Het was een
warme,
zonnige dag. Vanuit de spoortrein zag Johannes de grote, groene weiden
voorbijgaan met langgepluimd gras en grazende koeien. Hij zag witte
vlinders
fladderen boven het bloemrijke land, waar de lucht trilde van de
zonnehitte.
Maar opeens
voelde
hij een tinteling, — daar strekte zich de lange, golvende duinenrij uit!
— “Nou
Johannes!”
grinnikte Pluizer. “Nou krijg je toch je zin, zie je wel!” —
Half ongelovig
bleef Johannes naar de duinen staren. Zij kwamen nader- en naderbij. De
lange
sloten aan beide kanten leken om hun middelpunt te draaien en snel
vlogen
enkele woningen langs de weg voorbij.
Toen kwamen de
bomen:
dichtbebladerde kastanjebomen, rijkelijk bloeiend met duizenden grote,
witte of
rode bloemtrossen, — donkerblauwgroene dennen, grote, statige linden.
Het was toch
waar,
hij ging zijn duinen terugzien.
De trein stond stil, — en toen liepen de drie te voet, onder
het schaduwrijke loof.
Daar was het
donkergroene mos, daar waren de ronde plekken van de zonnestralen op de
bosgrond,
dat was de geur van berkenspruiten en dennennaalden.
— “Is het waar!
— is
het werkelijk waar?” — dacht Johannes, —
“zou het geluk komen?” —
Zijn ogen
schitterden
en zijn hart klopte krachtig. Hij begon te geloven in zijn geluk. Deze
bomen,
deze grond kende hij, — over dit bospad was hij vaak gelopen.
Zij waren
alleen
op de weg. Maar Johannes moest omkijken, alsof hen iemand volgde. En
hij meende
tussen het eikenloof de donkere figuur van een mens te zien, die
telkens door
de laatste kronkeling van het pad verborgen bleef.
Pluizer keek
hem
vals en geheimzinnig aan. Dokter Cijfer liep met lange stappen en
staarde naar
de grond.
De weg werd hem
bekender
en vertrouwder, — iedere steen, ieder struikje kende hij, — toen schrok
Johannes opeens hevig, want hij stond voor zijn eigen huis.
De kastanjeboom
voor het huis breidde zijn grote, handvormige bladen schaduwend uit.
Tot boven
in de hoge top prijkten de prachtig witte bloesems in de volle, ronde
bladermassa.
Hij hoorde het
geluid van de opengaande deur, dat hij zo goed kende, — en hij rook de
geur van
zijn eigen huis. Daar herkende hij de gang, de deuren, allemaal stuk
voor stuk,
— met een smartelijk gevoel van verloren vertrouwelijkheid. Het was
allemaal
een deel van zijn leven, — van zijn eenzame, mijmerende kinderleven.
Tegen al die
voorwerpen had hij gesproken, hij had met hen geleefd in zijn
gedachteleven, — waar
hij geen mens in toeliet. Maar nu voelde hij zich afgescheiden en
afgestorven van
het hele oude huis, met zijn kamers en gangen en portaaltjes. Hij
voelde dat
die scheiding onherroepelijk was en het was voor hem alsof hij een
kerkhof
bezocht, zo weemoedig en droevig.
Was Presto hem
maar tegemoet gesprongen, dan zou het minder akelig zijn, — maar Presto
was
zeker weg of dood.
Maar waar was
zijn
vader?
Hij keek terug
naar de open deur en de zonnige tuin daarbuiten, en zag de man, die hem
op weg
leek te achtervolgen, nu al op het huis toelopen. Hij kwam dichter en
dichterbij en leek groter te worden bij het naderen. Toen hij bij de
deur was
vervulde een grote, kille schaduw de gang. Toen herkende Johannes de
Man.
Het was
doodstil
in huis en zij gingen zwijgend de trap op. Er was een trede, die altijd
kraakte
onder de voetstappen, dat wist Johannes. En nu hoorde hij haar driemaal
kraken,
het klonk als een pijnlijk kreunen. Maar onder de vierde voetstap was
het als
een doffe snik.
En boven hoorde
Johannes een gekreun, zacht en zo regelmatig als een langzaam
klokgetik. Het
was een pijnlijk akelig geluid.
De deur van
Johannes' kamertje stond open. Hij wierp er even een schuwe blik in. De
wonderlijke bloemfiguren van het behang staarden hem verbaasd en
wezenloos aan.
De hangklok stond stil.
Zij gingen naar
de
kamer van waaruit het geluid kwam. Het was de slaapkamer van zijn
vader. De zon
scheen vrolijk naar binnen, op de gesloten, groene gordijnen van het
bed. Simon
de kat zat op de vensterbank in de zonneschijn. Er heerste een
beklemmende geur
van wijn en kamfer. Het zachte kreunen klonk nu van dichtbij.
Johannes hoorde
fluisteren van stemmen en schuifelen van voorzichtige voetstappen. Toen
werden
de groene gordijnen opengeslagen.
Hij zag het
gezicht van zijn vader, dat hij de laatste tijd zo vaak voor zich had
gezien. Maar
het was helemaal anders. De vriendelijke, ernstige uitdrukking was weg
en het
keek strak en benauwd. Het was vaalbleek, met bruine schaduwen. De
tanden waren
zichtbaar in de halfgeopende mond en het wit van de ogen onder de
halfgesloten
oogleden. Het hoofd lag weggezonken in het kussen en regelmatig hief
het zich
bij het kreunen even op, om dan weer moe opzij te vallen.
Roerloos stond
Johannes bij het bed en staarde met wijde strakke ogen naar dat bekende
gezicht.
Hij wist niet wat hij dacht, — hij durfde geen vinger te bewegen, — hij
durfde
die oude, bleke handen, die slap op het witte linnen lagen, niet vast
te pakken.
Het was
allemaal
zwart om hem heen, de zon en de lichte kamer, het groen daarbuiten en
de blauwe
lucht van zo even, alles wat achter hem lag, het werd zwart, zwart, dof
en
ondoordringbaar. En in die nacht zag hij alleen dat bleke hoofd daar
vóór hem.
En hij moest alleen denken aan dat arme hoofd, dat zo moe leek, en zich
telkens
en telkens weer met een smartelijk geluid moest optillen.
Toen kwam een
ogenblik
een verandering in de regelmatige beweging. Het kreunen hield even op,
de
oogleden gingen langzaam open, de ogen staarden zoekend rond en de
lippen
trachtten iets te zeggen.
— “Dag vader!”
fluisterde Johannes en staarde angstig bevend in de zoekende ogen. De
matte
blik rustte toen even op hem en een flauw, flauw glimlachje rimpelde de
holle
wangen. De smalle, samengeplooide hand werd van het laken opgetild en
maakte
een onzekere beweging naar Johannes, toen viel zij krachteloos weer
neer.
— “Kom! kom!”
zei Pluizer,
— “geen scène hier.”
— “Ga uit de
weg,
Johannes,” — zei dokter Cijfer, — “wij moeten zien wat er te doen
valt.” — De dokter
begon het onderzoek, maar Johannes ging weg van het bed en stond voor
het raam.
Hij keek naar het zonnige gras en de heldere lucht en naar de brede
kastanjebladeren, waarop dikke vliegen zaten, die blauw glansden in de
zonneschijn.
Het kreunen begon weer met dezelfde gelijkmatigheid.
Een zwarte
merel
huppelde tussen het hoge gras in de tuin, — grote rood en zwarte
vlinders
dwarrelden over de bloemperken, uit het gebladerte van de hoogste bomen
drong
het zachte, vleiende gekir van de houtduiven tot Johannes door.
Hier binnen
hield
het kreunen aan, — altijd maar door, altijd maar door. Hij moest er
naar
luisteren, — en het kwam regelmatig, onafwendbaar als de vallende
druppel, die
krankzinnig maakt. Gespannen wachtte hij bij elke tussenpoos en telkens
kwam
het weer, — verschrikkelijk als de voetstap van de naderende dood.
En daarbuiten
heerste een warme, weelderige zonnevrede. Alles koesterde zich en
genoot. De
grashalmen trilden en de bladeren ritselden van zoete overvloed, —
boven de hoge
boomtoppen, diep in het wemelende blauw, zweefde een reiger met kalme
vleugelslag.
Johannes
begreep
het niet, — het was allemaal een raadsel voor hem. Het was zo verward
en
duister in zijn ziel. — “Hoe kan dit allemaal tegelijk in mij zijn!” —
dacht
hij.
— “Ben ik dit
werkelijk? — Is dat mijn vader, mijn eigen vader? — Van mij, mij,
Johannes?”
Het was voor
hem
alsof hij over een vreemde praatte. Het was allemaal een verhaal, dat
hij
gehoord had. Hij had iemand horen vertellen over Johannes en over het
huis,
waar hij woonde en over zijn vader, die hij verlaten had en die nu ging
sterven.
Hij was het zelf niet, — hij had het horen vertellen. Het was wel een
droevig
verhaal, echt droevig. Maar het ging hem niet aan.
Ja! — ja! —
toch.
Hij was het zelf, hij! Johannes!
— “Ik begrijp
de
zaak niet,” — zei dokter Cijfer, zich
oprichtend,
“het is een raadselachtig geval.”
Pluizer kwam
bij
Johannes staan.
— “Kom je niet
even kijken, Johannes, het is een belangrijk geval. De dokter weet het
niet.” —
— “Laat mij,”
zei Johannes,
zonder zich om te wenden. “Ik kan niet denken.” —
Maar Pluizer
ging
achter hem staan en fluisterde scherp in zijn oor, zoals zijn gewoonte
was.
— “Niet denken!
— Dacht
je dat je niet denken kon? — Dat heb je mis. Je moet denken. — Al kijk
je nu
naar het groen en naar de blauwe lucht, dat helpt niet. Windekind komt
toch
niet. En die zieke man dáár gaat toch dood. Dat heb je
net zo goed gezien als
wij. Maar wat zou zijn kwaal zijn, denk je?” —
— “Ik weet het
niet! ik wil het niet weten.”
Johannes zweeg
en
luisterde naar het kreunen, het klonk zacht klagend en verwijtend.
Dokter
Cijfer maakte aantekeningen in een boekje. Bij het hoofd van het bed
zat de
donkere gestalte, die hen gevolgd was, — het hoofd gebogen, de lange
hand naar
de zieke uitgestrekt en de diepliggende ogen naar de klok gericht.
Het scherpe fluisteren aan zijn oor begon weer.
— “Waarom kijk
je
zo bedroefd, Johannes? Nu heb je toch je zin. Daar liggen de duinen,
daar zijn
de zonnestralen door het groen, daar fladderen vlinders en zingen
vogels. Wat
wil je nu nog?
— Wacht je,
Windekind?
— Als hij ergens is, moet hij dáár zijn. Waarom komt hij
nu niet? — Zou hij
bang zijn voor die donkere vriend aan het hoofdeind? Die was er toch
altijd al.”
“Zie je nu wel
dat
het allemaal inbeelding geweest is, Johannes?”
“Hoor je dat
kreunen wel? Het klinkt al zachter dan daar net. Je kan horen dat het
wel gauw
helemaal zal ophouden. Nou, wat is dat? Er hebben er al zoveel
gekreund, ook
toen jij hier buiten rondliep tussen de duinrozen. Waarom sta je nu
hier te
treuren en ga je niet de duinen in, zoals vroeger? — Kijk! alles bloeit
en
geurt en zingt daar, alsof er niets gebeurt. Waarom doe je niet mee met
al die vrolijkheid
en dat leven?”
“Eerst klaag je
en
verlang je, — nu breng ik je waar je wilde zijn en nu is het weer niet
goed.
Kijk! ik laat je gaan, loop door het hoge gras, ga in die koele schaduw
liggen,
laat de vliegen om je heen gonzen en ruik de geur van het jonge kruid!
— ik
laat je vrij, ga nu! Zoek Windekind nu weer!”
“Je wil niet? —
Geloof
je nu dan toch alleen in mij? — Is het waar wat ik je verteld heb? Loog
Windekind of ik?”
“Hoor het
kreunen!
— zo kort en zwak. Het zal gauw stil zijn.”
“Kijk maar niet
zo
angstig om, Johannes. Hoe eerder het stil is, hoe beter. — Nu zullen er
geen
lange wandelingen meer komen, — nu zul je niet meer met hem naar
viooltjes
zoeken. Met wie zou hij die twee jaren gewandeld hebben, denk je? toen
je weg
was? Ja, je kunt het hem nu niet meer vragen. Dat zul je nooit weten.
Nu moet
je je wel met mij tevreden stellen. Als je mij wat eerder gekend had,
zou je nu
niet zo jammerlijk kijken. Je bent nog lang niet zoals je moet zijn.
Denk je dat
dokter Cijfer in jouw geval zo zou kijken? Het zou hem even bedroefd
maken als
die kat, die daar spint in de zonneschijn. En dat is goed. Waartoe
dient die
rampzaligheid? Hebben de bloemen je dat geleerd? Die treuren ook niet
als er
een geplukt wordt. Is dat niet gelukkig? Zij weten niets, daarom zijn
zij zo.
Jij bent ooit begonnen met iets te weten, nu moet je ook alles weten om
gelukkig te worden. Dat kan alleen ik je leren. Alles of niets.”
“Luister naar
mij.
Wat maakt het uit of dat je vader is? Het is een mens die sterft, — dat
is een
gewone zaak.”
“Hoor je het
kreunen nog? — Erg zwak nietwaar? — Het zijn nu wel de laatste.”
Johannes keek
naar
het bed in een bange beklemming.
Simon de kat
sprong van de vensterbank, rekte zich uit —
en legde zich spinnend naast de stervende in
het bed.
Het arme, moeie
hoofd bewoog niet meer, — het lag stil in het kussen weggezonken, —
maar uit de
half geopende mond kwamen nog regelmatig de korte, matte klanken.
Zij werden
zachter, zachter, nauwelijks hoorbaar.
Toen wendde de
Dood de donkere ogen van de klok naar het weggezonken hoofd en hief de
hand op.
Daarna werd het stil.
Een vale
schaduw
viel over het strakke gezicht.
Stilte, —
doffe,
lege stilte! —
Johannes
wachtte
en wachtte. —
Maar de
regelmatige
klank kwam niet terug. Het bleef stil, een grote, suizende stilte.
De spanning van
het luisteren van de laatste uren hield op, en het was voor Johannes
alsof zijn
ziel werd losgelaten en neerviel in een zwarte en bodemloze leegte.
Hij viel
dieper,
en dieper. Het werd stiller en duisterder om hem heen.
Toen klonk
Pluizers
stem, als vanaf een grote afstand.
— “Ziezo! dat
verhaaltje is weer uit.” —
— “Dat is
goed,”
zei dokter Cijfer, “nu kun je zien wat het geweest is. Ik laat dat aan
jou over.
Ik moet weg.” —
Half nog in een
droom zag Johannes glinsterende messen blinken.
De kat zette
een hoge
rug op. Het werd koud naast het lichaam, en hij zocht weer de
zonneschijn op.
Johannes zag
hoe
Pluizer een mes nam, het zorgvuldig bekeek en ermee naar het bed ging.
Toen schudde
Johannes de verdoving van zich af. Voordat Pluizer bij het bed was,
stond hij
vóór hem.
— “Wat wil je?
“ vroeg
hij. Zijn ogen waren wijd geopend van ontzetting.
— “Wij gaan
kijken
wat het geweest is,” — zei Pluizer.
— “Nee!” zei
Johannes,
en zijn stem was laag als een mannenstem.
— “Wat betekent
dat?” — zei Pluizer met een grimmig flikkerende blik. — “Kun jij mij
verbieden?
Weet je niet hoe sterk ik ben?” —
— “Ik wil het
niet,”
— zei Johannes. Hij sloot de tanden op elkaar en haalde diep adem.
Zeker
staarde hij Pluizer aan en strekte de hand naar hem uit.
Maar Pluizer
kwam dichterbij.
Toen greep Johannes hem bij de polsen en worstelde met hem.
Pluizer was
sterk,
hij wist het, nog nooit had hij hem getrotseerd. Maar hij gaf niet op,
en zijn
wil brak niet.
Het mes
schitterde
voor zijn ogen, hij zag vonken voor zijn blik en rode vlammen, Maar hij
gaf
niet toe en bleef worstelen.
Hij wist wat er
zou gebeuren als hij bezweek. Hij kende het, hij had het vroeger
gezien. Maar
wat daar achter hem lag was zijn vader, en hij wilde het niet zien.
En terwijl zij
hijgend worstelden, lag achter hem het dode lichaam uitgestrekt en
bewegingloos, zoals het gelegen had op het ogenblik, toen de stilte
kwam, het
wit van de ogen zichtbaar als een smalle streep, de mondhoeken
opgetrokken in
een strakke grijnslach.
Alleen als
beiden
in hun gevecht tegen het bed stootten, schudde het hoofd zachtjes heen
en weer.
Nog steeds
hield Johannes
vol, de adem liet hem in de steek en hij zag niets meer. Een sluier van
bloedrood
licht lag voor zijn ogen. Toch hield hij vol.
Toen verzwakte
langzamerhand de weerstand van de beide polsen onder zijn greep. Zijn
spieren
ontspanden zich, — zijn armen vielen slap langs zijn lijf en zijn
gesloten
handen waren leeg. —
Toen hij opkeek
was Pluizer verdwenen. Alleen de Dood zat bij het bed en knikte.
— “Dat was goed
van je, Johannes,” zei hij.
— “Zal hij
terugkomen?”
fluisterde Johannes. De Dood schudde het hoofd.
— “Nooit. Wie
hem
eenmaal aandurft, ziet hem nooit weer.” —
— “En
Windekind?
Zal ik Windekind nu terugzien?” —
Lang keek de
sombere man Johannes aan. Zijn blik was niet angstwekkend meer, — maar
zacht en
ernstig, hij trok Johannes aan, als een grote diepte.
— “Ík
alleen kan je bij Windekind brengen.
Door mij alleen kun je het boekje vinden.”
— “Neem mij dan
mee,
— er is nu niemand meer, — neem mij nu ook mee, — zoals de anderen, —
ik wil
niets anders meer ...”
Nogmaals
schudde
de Dood het hoofd.
— “Jij hebt de
mensen
lief, Johannes. Jij wist het niet, maar jij hebt hen altijd liefgehad.
Jij moet
een goed mens worden. Het is een schone zaak een goed mens te zijn.” —
— “Ik wil niet,
neem mij mee ...”
— “Zo gaat het
niet. Jij wil. Jij kunt niet anders!”
Toen werd de
lange, donkere gestalte nevelig voor Johannes' ogen, vervloeide in vage
vormen,
een ijle, grijze mist zweefde ’t vertrek binnen en trok weg langs de
zonnestralen.
Johannes boog
het
hoofd over de rand van het bed en huilde bij de dode man.
XIV
Na een lange tijd
tilde hij het hoofd op. De zonnestralen vielen schuin naar binnen en
hadden een
rode glans. Het leken rechte, gouden staven.
“Vader! Vader!”
fluisterde Johannes.
Buiten vulde de
zon de hele natuur met een wolk van een schitterend gouden gloed. Elk
blad hing
roerloos en alles zweeg in een plechtige zonnewijding.
En langs het
licht
daalde een zachte suizeling naar binnen. Het was alsof de lichte
stralen zongen.
“Zonnezoon!
Zonnezoon!”
Johannes tilde
het
hoofd op en luisterde. Het ruiste in zijn oren.
“Zonnezoon!
Zonnezoon!”
Het leek op de
stem van Windekind. Hij alleen had hem zo genoemd, — zou hij hem nu
roepen?
Maar hij keek
naar
het gezicht naast hem, — hij wilde niet meer luisteren.
“Arme, lieve
vader!” zei hij.
Maar plotseling
klonk het weer om hem heen, — van alle kanten om hem heen, — zo sterk,
zo indringend,
dat hij huiverde in een wonderbaarlijke ontroering.
“Zonnezoon!
Zonnezoon!”
Johannes stond
op
en staarde naar buiten. Wat een licht! wat een heerlijk licht. Het
stroomde
over de volle boomkruinen, het tintelde tussen de grashalmen en
fonkelde in de
donkere schaduwplekken. De hele lucht was ermee gevuld, tot hoog in het
blauw,
waar zich de eerste, tere avondwolkjes vormden.
Over het
grasveld tussen
de groene bomen en heesters zag hij de duinen. Op hun toppen lag rood
goud en
in hun schaduwen hing het blauw van de hemel.
Rustig lagen
zij uitgestrekt
in een kleed van tere tinten. De fijne golving van hun omtrekken was
vredebrengend als een gebed. Johannes voelde weer hoe het was, toen
Windekind
hem had leren bidden.
Was zij daar
niet,
de lichte gestalte in het blauwe kleed? Kijk! daar midden in het licht,
wat
daar in een waas van goud en blauw schemert, is dat niet Windekind, die
hem
wenkt?
Johannes vloog
naar buiten in de zonneglans. Daar stond hij een ogenblik stil. Hij
voelde de
heilige wijding van het licht, — en durfde, waar het gebladerte zo stil
was,
zich nauwelijks te bewegen.
Maar daar
vóór hem
was de lichte gestalte weer. Het was Windekind, zeker! Hij was het. Het
stralende hoofdje naar hem toegekeerd, de mond half geopend, als om te
roepen.
Hij wenkte hem met de rechterhand. In de linker hield hij iets omhoog.
Hoog
hield hij het met de toppen van de slanke vingers, en het flonkerde en
schitterde
in zijn hand.
Met een blije
kreet van geluk en verlangen snelde Johannes naar de geliefde
verschijning. Maar
ze verhief zich en zweefde vóór hem uit met een lachend
gezicht en een wenkende
hand. Soms raakte zij de aarde in een langzame daling, maar dan rees
zij weer
op, licht en snel en zweefde verder als het zaadpluis, dat
voortgedreven wordt
door de wind.
Johannes wilde
zich ook verheffen en zweven, zoals vroeger en zoals in zijn droom.
Maar de
aarde trok aan zijn voeten, en zijn loop bleef zwaar op de grazige
grond. Hij
moest met moeite zijn weg zoeken door de struiken, waarvan het
gebladerte
ritselend langs zijn kleren streek en waarvan de takken hem in het
gezicht
striemden. Zwoegend moest hij de mossige hellingen van de duinen
beklimmen. Maar
hij volgde onvermoeid en zijn oog werd niet afgewend van Windekinds
stralende
verschijning, van wat daar blonk in de omhoog geheven hand.
Toen was hij
midden in het duin. In de gloeiende valleien bloeiden de duinrozen en
keken met
hun duizenden bleekgele kelkjes in het zonlicht. Ook bloeiden er veel
andere
bloemen, helder blauwe, gele en purperen, een zwoele hitte lag in de
kleine
dalen en koesterde de geurige kruiden. Sterke, harsachtige geuren
hingen in de
lucht. Johannes rook ze terwijl hij voortliep, de tijm rook hij en de
geur van
het droge rendiermos, dat kraakte onder zijn voet. Het was bedwelmend
heerlijk.
En voor het
liefelijke beeld dat hij volgde uit, zag hij de bonte duinvlinders
fladderen.
Kleine zwarte en rode vlindertjes, en het zandoogje, het vrolijke
vlindertje
met de zijdeachtige vleugeltjes van het teerste blauw. Om zijn hoofd
snorden de
gouden kevers, die op de duinroos leven en dikke hommels dansten
gonzend tussen
het geblakerde duingras.
Wat was het
heerlijk, wat zou hij gelukkig zijn, als hij maar bij Windekind zou
zijn. Maar
Windekind zweefde verder en steeds verder. Ademloos moest hij volgen.
De grote
bleekbebladerde doornstruiken hielden hem tegen en krasten hem met hun
doornen;
de vale, wollige toortsplanten schudden de lange hoofden, als hij ze in
zijn
vaart wegduwde. Hij klom tegen de zandige walletjes op en bezeerde zijn
handen
aan het stekelige helmgras.
Hij drong door
de
lage berkenbosjes heen waar het gras hem tot aan de knieën reikte
en de
watervogels opvlogen van de kleine vijvers, die glinsterden tussen de
struiken.
Dichte witbloeiende meidoorns mengden hun geur met die van het
berkenloof en
van de munt, die talrijk groeide op de moerassige grond.
Maar toen
hielden
de bosjes, het groen en de kleurige bloemen op. Alleen de wonderlijke,
bleekblauwe zeedistel groeide tussen het vale, dorre helm.
Op de top van
de laatste
hoge duinenrij zag Johannes Windekinds beeld. Verblindend schitterde
het in
zijn opgeheven hand. Geheimzinnig lokkend klonk een groot gestaag
bruisen van
de andere zijde, door een koele wind overgedragen. Het was de zee.
Johannes
voelde dat hij haar naderde en langzaam klom hij de laatste helling op.
Daar boven
viel hij op de knieën neer en staarde uit over de zee. —
Toen hij zich
boven de duinrand verhief, omgaf een rode gloed hem. De avondwolken
hadden zich
voor de uitvaart van het licht geschaard. Als een wijde kring van
geweldige
rotsblokken met rood-gloeiende randen omgaven zij de dalende zon. Op de
zee was
een brede weg van levend purpervuur, — een vlammende, schitterende
lichtweg,
die naar de ingang van de verre hemel leidde.
Achter de zon,
waar het oog nog niet in kijken kon, wemelden tere tinten van blauw en
roze
door elkaar, in de diepte van de lichtgrot. Daarbuiten langs de hele
wijde
hemel glansden rode vlammen en strepen, lichte vlokjes van bloedig dons
en
vegen van uiteenvloeiend vuur.
Johannes
wachtte, —
totdat de zonneschijf de gloeiende weg die tot hem leidde, aan het
verste einde
aanraakte.
Toen keek hij
omlaag, en dichtbij was het lichte beeld, dat hij gevolgd was. Een
vaartuig,
helder en glinsterend als kristal, dreef aan het strand op de brede
vuurbaan.
Aan het ene eind van de boot stond Windekinds ranke gestalte, met het
gouden
voorwerp dat blonk in zijn hand. Aan het andere einde herkende Johannes
de duistere
Dood.
“Windekind!
Windekind!” riep Johannes. Maar in dezelfde tijd dat Johannes het
wonderbaarlijke vaartuig naderde, keek hij naar de horizon. In het
midden van
de lichte ruimte, door de grove, vurige wolken omgeven, zag hij een
kleine,
zwarte gestalte. Zij werd groter en groter, — langzaam naderde een
mens, rustig
schrijdend over de woelende, vurige wateren.
De
roodgloeiende
golven rezen en daalden onder zijn voet, maar kalm en rustig kwam hij
naderbij.
Het was een
mens,
zijn gezicht was bleek en zijn oog diep en donker. Zo diep als de ogen
van
Windekind. Maar in hun blik was een eindeloos zachte weemoed, zoals
Johannes
die nog nooit in andere ogen gezien had.
— “Wie bent u?”
vroeg Johannes. “Bent u een mens?”
— “Ik ben
meer!”
zei hij.
— “Bent u
Jezus,
bent u God?” vroeg Johannes.
— “Noem die
namen
niet,” zei de gestalte, “zij waren ooit heilig en rein als
priestergewaden en voortreffelijk
als voedend koren, Maar zij zijn tot spoeling geworden voor de zwijnen
en tot
narrekleren voor de dwazen. Noem hen niet, want hun betekenis is tot
dwaling,
hun wijding tot spot geworden. Wie mij kennen wil, werpe die namen weg
en
luistere naar zichzelf.”
— “Ik ken u! ik
ken u!” zei Johannes.
— “Ik was het,
die
je deed huilen om de mensen, terwijl je je tranen niet kon begrijpen.
Ik was
het, die je deed liefhebben, waar je je liefde niet begreep. Ik ben bij
je geweest,
en jij hebt mij niet gezien, ik heb je ziel geroerd en jij hebt mij
niet
gekend.”
— “Waarom zie
ik
je nu pas?”
— “Vele tranen
moeten de ogen verhelderen, die mij zullen zien. En niet voor jezelf
alleen,
maar voor mij moet je huilen, dan zal ik aan je verschijnen en jij zal
mij
herkennen als een oude vriend.”
— “Ik ken u. —
Ik
herkende u. Ik wil bij u zijn.”
Johannes
strekte
de handen uit. Maar de mens wees op het glinsterende vaartuig, dat
langzaam
voortdreef op de vurige weg.
“Kijk!” —
zei
hij,
“dat
is de weg naar alles waar je
naar
verlangd hebt. Een andere is er niet. Zonder die beiden zul je het niet
vinden.
Maak nu je keuze. Daar is het Grote Licht, daar zul je zelf zijn wat je
verlangt
te kennen. Daar!” — en hij wees naar het
donkere Oosten, — “waar de mensheid is en haar smart, daar is mijn weg.
Niet
het dwaallicht, dat je gedoofd hebt, maar ik zal je begeleiden. Kijk
nu, je
weet het. Maak je keuze.”
Toen wendde
Johannes langzaam het oog van Windekinds wenkende gestalte af en
strekte de
handen uit naar de ernstige mens. En met zijn begeleider ging hij de
kille
nachtwind tegemoet, de zware weg naar de grote, duistere stad, waar de
mensheid
was en haar smart.
*
* *
* *
* *
*
Misschien
vertel ik je ooit meer over de kleine Johannes, Maar op een sprookje
zal het
dan niet meer lijken.