Het EVANGELIE van THOMAS
De verklaring van de geheime woorden
De TAO TE CHING van LAO TZU
Geen copyright. Mag vrij en onbeperkt, gekopiëerd en zoveel mogelijk geciteerd worden. Het staat iedereen vrij om alles wat hier staat zonder toestemming te verspreiden, maar wees zo attent wel te verwijzen naar www.evangelievanthomas.net




Downloaden als Word-document op de Downloadpagina




DE KLEINE JOHANNES (1886)

FREDERIK VAN EEDEN (1860-1932)


Frederik van Eeden
De kleine Johannes - Frederik van Eeden

 
Aan mijn vrouw

 

I

    
Ik zal je iets over de kleine Johannes vertellen. Het lijkt veel op een sprookje, mijn verhaal, maar het is toch allemaal echt zo gebeurd.
Zodra je het niet meer gelooft, moet je niet verder lezen, want dan schrijf ik niet voor jou. Ook mag je er nooit met de kleine Johannes over praten, als je hem soms tegen zou komen, want dat zou hem verdriet doen en dan zou ik er spijt van hebben, dat ik je dit allemaal verteld heb.
     Johannes woonde in een oud huis met een grote tuin. Je kon er moeilijk de weg te vinden, want in het huis waren veel donkere overloopjes, trappen, kamertjes en grote rommelzolders, en in de tuin waren overal schuttingen en broeikassen. Het was een hele wereld voor Johannes. Hij kon er verre tochten in maken en hij gaf namen aan alles wat hij ontdekte.      
    
Voor het huis had hij namen uit het dierenrijk: de rupsenzolder, omdat hij er rupsen groot bracht; het kippenkamertje, omdat hij daar ooit een kip gevonden had. Die was er niet vanzelf gekomen, maar daar door Johannes' moeder neergezet om te broeden. In de tuin koos hij namen uit het plantenrijk, en lette daarbij vooral op de voortbrengsels, die voor hem van belang waren. Zo onderscheidde hij een frambozenberg, een peertjesbos en een aardbeiëndal. Helemaal achter was een plekje, dat hij het paradijs noemde en daar was het natuurlijk heel heerlijk. Daar was een groot water, een vijver, waar witte waterlelies in dreven en het riet lange fluisterende gesprekken hield met de wind. Aan de overkant lagen de duinen. Het paradijs zelf was een klein grasveldje aan deze oever, omringd door kreupelhout, waartussen het nachtegaalskruid hoog opschoot. Daar lag Johannes vaak in het dichte gras en tuurde tussen de schuifelende rietbladen door over het water naar de duintoppen. Op warme zomeravonden was hij daar altijd en lag uren te staren, zonder zich ooit te vervelen. Hij dacht aan de diepte van het stille, heldere water voor zich, hoe gezellig het daar moest zijn, tussen die waterplanten, in dat vreemde schemerlicht, en dan weer aan de verre, prachtig gekleurde wolken, die boven de duinen zweefden, en wat daar wel achter zou zijn en of het heerlijk zou zijn daarheen te kunnen vliegen.
Als de zon juist was ondergegaan, stapelden de wolken zich daar zó op elkaar, dat ze de ingang van een grot leken te vormen en in de diepte van die grot schitterde het dan van een zachtrood licht. Dat was wat Johannes zou willen. Kon ik daar maar in vliegen! dacht hij dan. Wat zou daar wel achter zijn? Zou ik daar ooit, ooit kunnen komen? ...
     Maar hoe vaak hij dat ook wenste, telkens viel de grot in vale, donkere wolkjes uit elkaar, zonder dat hij er dichterbij kon komen. Dan werd het koud en vochtig aan de vijver en moest hij weer zijn donkere slaapkamertje in het oude huis gaan opzoeken.
Hij woonde daar niet helemaal alleen; hij had een vader, die hem goed verzorgde, een hond die Presto en een kat die Simon heette. Natuurlijk hield hij van zijn vader het meest, maar Presto en Simon achtte hij absoluut niet zoveel beneden hem, zoals een groot mens dat zou doen.
Hij vertrouwde zelfs meer geheimen aan Presto toe dan aan zijn vader, en voor Simon voelde hij een eerbiedig ontzag. Nou, dat was geen
wonder!
Simon was een grote kat met een glanzig zwart vel en een dikke staart. Je kon aan hem zien, dat hij volkomen overtuigd was van zijn eigen grootheid en wijsheid. Hij bleef altijd even deftig en voornaam, zelfs als hij zich verwaardigde even met een rollende kurk te spelen, of achter een boom een vergeten haringkop op te kauwen. Bij de dolle baldadigheid van Presto kneep hij minachtend de groene ogen dicht en dacht: Nou ja! Die honden weten niet beter.
     Begrijp je nu, dat Johannes respect voor hem had? Met de kleine bruine Presto ging hij heel vertrouwelijk om. Het was geen mooi of statig, maar een bijzonder goeiig en slim hondje, dat nooit meer dan twee passen van Johannes weg te krijgen was en geduldig zat te luisteren naar de mededelingen van zijn meester. Ik hoef je niet te zeggen, hoeveel Johannes van Presto hield. Maar hij had toch ook heel wat ruimte in zijn hart voor anderen over. Vind je het vreemd, dat zijn donker slaapkamertje met de kleine ruitjes daar ook een grote plaats innam? Hij hield van het behang met de grote bloemfiguren, waarin hij gezichten zag en waar hij de vormen zo vaak van bestudeerd had, als hij ziek was of 's morgens wakker lag, hij hield van dat ene schilderijtje dat er hing, waarop stijve wandelaars waren afgebeeld, die in een nog stijvere tuin wandelden langs gladde vijvers, waarin hemelhoge fonteinen spoten en sierlijke zwanen zwommen; — maar het meest hield hij van de hangklok. Hij wond die altijd met zorg en aandacht op en hield het voor een noodzakelijke beleefdheid naar haar te kijken als zij sloeg. Dat ging natuurlijk alleen zolang Johannes niet sliep. Was de klok door een nalatigheid stil blijven staan, dan voelde Johannes zich erg schuldig en vroeg haar duizendmaal om vergeving. Je zou misschien lachen, als je hem met zijn kamer in gesprek zou horen. Maar let nou eens op hoe vaak je zelf in jezelf praat. Dat vind je helemaal niet belachelijk. Johannes was er bovendien van overtuigd, dat zijn toehoorders hem volmaakt begrepen en had geen antwoord nodig. Maar stiekem verwachtte hij toch wel eens een antwoord van de klok of van het behang.
     Schoolvrienden had Johannes wel, maar vrienden waren het eigenlijk niet. Hij speelde met hen en smeedde complotten op school en vormde roversbenden met hen buiten, maar hij voelde zich pas echt thuis als hij alleen met Presto was. Dan verlangde hij nooit naar de jongens, en voelde zich volkomen vrij en veilig.
     Zijn vader was een wijze en ernstige man, die Johannes vaak meenam op lange tochten door wouden en duinen; dan praatten ze weinig en Johannes liep tien passen achter zijn vader, de bloemen groetend, die hij tegenkwam en de oude bomen, die altijd maar op dezelfde plaats moesten blijven, vriendelijk met zijn handje langs de ruwe schors strijkend. En ruisend de goedige reuzen bedankten hem dan.
     Soms schreef zijn vader tijdens het lopen letters in het zand, één voor één, en Johannes spelde dan de woorden, die zij vormden en soms ook stond de vader stil en leerde Johannes de naam van een plant of dier.
     En Johannes vroeg ook vaak, want hij zag en hoorde veel raadselachtigs. Vaak stelde hij domme vragen; hij vroeg waarom de wereld was zoals zij was, en waarom dieren en planten dood moesten gaan, en of er wonderen konden gebeuren. Maar Johannes' vader was een wijze man en zei niet alles wat hij wist. Dat was goed voor Johannes.
     's Avonds voordat hij ging slapen, bad Johannes altijd een lang gebed. Dat had het kindermeisje hem zo geleerd. Hij bad voor zijn vader en voor Presto. Simon had het niet nodig, dacht hij. Hij bad ook heel lang voor zichzelf en het slot was meestal de wens, dat er toch ooit een wonder zou mogen gebeuren. En als hij amen gezegd had, keek hij gespannen in het half donkere kamertje rond, naar de figuren op het behang, die in het zwakke schemerlicht nog geheimzinniger leken, naar de deurknop en naar de klok, waar het wonder nu zou beginnen. Maar de klok bleef altijd hetzelfde wijsje tikken en de deurknop bewoog zich niet, het werd helemaal donker en Johannes viel in slaap, zonder dat het wonder gekomen was.
     Maar eens zou het gebeuren, dat wist hij.

 

II

     Het was warm bij de vijver en doodstil. De zon, rood en moe van haar dagelijks werk, leek een ogenblik op een verre duinrand uit te rusten, vóór ze onderdook. Bijna volmaakt weerspiegelde het gladde water haar gloeiend gezicht. De over de vijver hangende bladeren van de beuk maakten van de stilte gebruik om zich eens aandachtig in de spiegel te bekijken. De eenzame reiger, die op één poot tussen de brede bladen van de waterlelie stond, vergat dat hij erop uitgegaan was om kikkers te vangen en tuurde in gedachten verzonken langs zijn neus.
     Daar kwam Johannes het grasveldje op, om de wolkengrot te zien. Plomp! plomp! sprongen de kikkers van de kant. De spiegel trok rimpels, het beeld van de zon brak in brede strepen uit elkaar en de beukenbladeren ritselden verstoord, want zij waren nog niet klaar met hun beschouwen.
     Vastgebonden aan de naakte wortels van de beuk lag een oude kleine boot. Het was Johannes ten strengste verboden daarin te gaan. O, wat was op deze avond de verleiding sterk! De wolken vormden zich al tot een ontzaglijke poort, waarachter de zon te ruste zou gaan. Schitterende rijen wolkjes schaarden zich daarnaast als een goudgeharnaste lijfwacht. Het watervlak gloeide mee, en rode vonken vlogen als pijlen door het oeverriet.
     Langzaam maakte Johannes het touw van de boot van de beukenwortels los. Wat zou het heerlijk zijn midden in die pracht te drijven! Presto was al in de boot gesprongen en nog vóór zijn baasje het zelf wilde, schoven de riethalmen uit elkaar en dreven zij beiden weg in de richting van de avondzon. Johannes lag op de voorsteven en staarde in de diepte van de lichtgrot. — Vleugels! dacht hij, nu vleugels! en dan daarheen!
     De zon was verdwenen. De wolken gloeiden verder. In het oosten was de hemel donkerblauw. Daar stond een rij wilgen langs de oever. Roerloos staken zij hun smalle witte blaadjes in de stille lucht. Tegen de donkere achtergrond leek dat wel prachtig bleekgroen kantwerk.
     Stil! wat was dat? Het schoot als een suizelen over het watervlak, — als een lichte windvlaag, die een spitse ploegsnede in het water groeft. Het kwam vanaf de duinen, vanaf de wolkengrot.
     Toen Johannes omkeek, zat een grote blauwe waterjuffer op de rand van de boot. Zo groot had hij er nog nooit een gezien. Zij zat stil, maar haar vleugels bleven in een wijde cirkel trillen. Het leek voor Johannes, alsof de punten van haar vleugels een lichtende ring vormden.
     Dat moet een vuurvlinder zijn, dacht hij, die zijn heel zeldzaam.
     Maar de ring werd groter en groter en de vleugels trilden zo snel, dat Johannes niet meer dan een nevel zag. En langzamerhand zag hij vanuit die nevel twee donkere ogen schitteren, en een lichte, ranke gestalte, in een teerblauw kleedje, zat op de plaats van de libel. In het blonde haar was een krans van witte winde en aan de schouders zaten gazen vleugels, die als een zeepbel in duizend kleuren schitterden.
     Een huivering van geluk doortintelde Johannes. Dát was een wonder!
     “Wil je mijn vriend zijn?” fluisterde hij.
     Dat was wel een rare manier om een vreemde aan te spreken, — maar het ging er hier niet gewoon aan toe. En hij had een gevoel, alsof hij het vreemde, blauwe wezen al lang kende.
     “Ja Johannes!” hoorde hij en de stem klonk als het schuifelen van het riet in de avondwind of het ruisen van de regen op de bladeren in het bos.
     “Hoe moet ik je noemen?” vroeg Johannes.
     “Ik ben geboren in de kelk van een winde. Noem mij maar Windekind!”
     En Windekind lachte en staarde Johannes zo vertrouwelijk in de ogen, dat het hem wonderbaarlijk zalig te moede werd.
     “Het is vandaag mijn verjaardag,” zei Windekind, “ik ben hier in de omtrek geboren, uit de eerste stralen van de maan en de laatste van de zon. Ze zeggen wel dat de zon vrouwelijk is. Dat is niet waar. Hij is mijn vader.”
     Johannes nam zich voor, morgen op school over de zon te praten.
     “En kijk! daar komt het ronde, blanke gezicht van mijn moeder al te voorschijn. Dag moeder! O, o, wat kijkt ze weer goedhartig en somber!”
     Hij wees naar de Oosterkimmen. Groot en glanzig rees toie de maan aan de grauwe hemel, achter het kantwerk van de wilgen, dat zwart tegen de lichte schijf afstak. Zij zette echt een heel pijnlijk gezicht.
     “Kom! kom! moeder! het is niets. Ik kan hem toch vertrouwen!”
     Het fraaie wezen trilde vrolijk met de gazen vleugels en tikte Johannes met de Irisbloem, die hij in de hand had, op de wang.
     “Zij vindt het niet goed dat ik bij jou gekomen ben. Jij bent de eerste. Maar ik vertrouw je, Johannes. Je mag nooit, nooit aan een mens mijn naam noemen of over mij praten. Beloof je dat?”
     “Ja, Windekind,” zei Johannes. Het was nog zo vreemd voor hem. Hij voelde zich onuitsprekelijk gelukkig maar was bang zijn geluk te verliezen. Droomde hij? — Naast hem op de bank lag Presto rustig te slapen. De warme adem van zijn hondje stelde hem gerust. De muggen krioelden op het wateroppervlak en dansten in de zwoele lucht, net als altijd. Het was allemaal zo helder en duidelijk om hem heen. Het moest wel waar zijn. En steeds voelde hij dat Windekinds vertrouwelijke blik op hem rustte.
Toen klonk weer de zoet-ruisende stem:
     “Ik heb je vaak hier gezien, Johannes. Weet je waar ik was? — Soms zat ik op de zandgrond van de vijver tussen de dichte waterplanten en keek naar je omhoog, als je over het water heen boog, om te drinken of om de watertorren en salamanders te bekijken. Maar mijzelf heb je nooit gezien. Vaak ook keek ik naar je vanuit het dichte riet. Daar ben ik heel vaak. Daar slaap ik meestal, als het warm is. In een leeg karkietennest. Ja! dat is heel zacht.”
     Windekind wiegde vergenoegd op de rand van de boot en sloeg met zijn bloem naar de muggen.
     “Nu kom ik je wat gezelschap houden. Het is anders zo eentonig, jouw leven. Wij zullen goede vrienden zijn en ik zal je veel vertellen. Veel betere dingen dan de schoolmeesters je wijsmaken. Die weten er absoluut niets van. En als jij mij niet gelooft, zal ik je het zelf laten zien en horen. Ik zal je meenemen.”
     “O, Windekind! lieve Windekind! kun je mij daarheen meenemen?” riep Johannes, en wees naar de kant, waar net nog het purperen licht van de ondergaande zon uit de gouden wolkenpoort gestraald had. Maar het stralende gevaarte ging al in grijze nevelen vervloeien. Toch drong de bleekrode glans nog uit de verste diepte te voorschijn.
     Windekind staarde in het licht, dat zijn fijne gezichtje en zijn blonde haren verguldde, en schudde zachtjes het hoofd.
     “Nu niet! — nu niet! Johannes. Je moet niet meteen teveel vragen. Ik ben zelf nog nooit bij Vader geweest.”
     “Ik ben altijd bij mijn vader,” zei Johannes.
     “Nee! dat is je vader niet. Wij zijn broers, mijn Vader is ook de jouwe. Maar je moeder is de aarde en daarom verschillen wij veel van elkaar. Ook ben je in een huis bij mensen geboren en ik in een windekelk. Dat laatste is vast beter. Maar wij zullen het toch goed samen kunnen vinden!”
     Toen sprong Windekind lichtjes op de zijkant van de boot, die niet bewoog onder die last, en kuste Johannes op het voorhoofd.
     Wat was dat een vreemde gewaarwording voor Johannes! Het was of alles om hem heen veranderde.
     Hij zag alles nu veel beter en juister, dacht hij. Hij zag hoe de maan nu veel vriendelijker keek, — en hij zag, dat de waterlelies gezichten hadden, waarmee zij hem verwonderd en peinzend aanstaarden.
     Hij begreep nu opeens, waarom de muggen zo vrolijk op en neer dansten, altijd om elkaar heen, op en neer, tot ze met hun lange benen het water raakten. Hij had er wel eens over nagedacht, maar nu begreep hij het vanzelf.
     Hij hoorde ook wat het riet fluisterde en hoe de bomen aan de oever er zachtjes over klaagden, dat de zon was ondergegaan.
     “O, Windekind! ik dank je, dat is heerlijk. Ja, wij zullen het vast goed samen kunnen vinden!”
     “Geef mij een hand,” zei Windekind, en sloeg de veelkleurige vleugels uit. Toen trok hij Johannes in de boot voort over het water, door de plompeblaren, die in het maanlicht glinsterden.
     Hier en daar zat een kikker op een blad. Maar nu sprong hij niet in 't water als Johannes kwam. Hij maakte alleen een kleine buiging en zei: “Kwak!” Johannes boog beleefd terug, — hij wilde zich vooral niet verwaand tonen.
     Toen kwamen zij bij het riet, dat was breed en de hele boot verdween er in, zonder dat zij het land bereikten. Maar Johannes pakte zijn begeleider stevig vast en toen klauterden zij, tussen de hoge halmen door, aan land.
     Johannes dacht wel, dat hij kleiner en lichter was geworden, maar dat was misschien verbeelding. Toch herinnerde hij zich niet dat hij ooit tegen een riethalm had kunnen opklimmen.
     “Let nu goed op,” zei Windekind, “nu zult je iets leuks zien.”
     Zij wandelden tussen het hoge gras onder donker kreupelhout door, dat hier en daar een smal, glanzig straaltje van het maanlicht doorliet.
“Heb je 's avonds de krekels wel eens gehoord, Johannes, in de duinen? — Het lijkt of zij een concert maken nietwaar? en je kunt nooit horen, waar het geluid vandaan komt. Nou, zij zingen nooit voor hun plezier, maar dat geluid komt uit de krekelschool, waar honderd krekeltjes hun lessen van buiten leren. Wees nu stil, want wij zijn er bijna.”
     Shrrr! Shrrr!
     Het kreupelhout werd minder dicht, en toen Windekind met zijn bloem de grashalmen uit elkaar schoof, zag Johannes een helder verlicht open plekje, waar de krekeltjes bezig waren tussen het dunne, spichtige duingras hun lessen te leren.
     Shrrr! Shrrr!
     Een grote, dikke krekel was meester en overhoorde hen. Eén voor één sprongen de leerlingen naar hem toe, altijd met één sprong heen en één sprong weer naar hun plaats terug. Wie mis sprong moest op een paddestoel te kijk staan.
     “Luister goed Johannes! dan kun je misschien óók wat leren,” zei Windekind.
     Johannes verstond heel goed wat de krekeltjes antwoordden. Maar het leek in niets op wat de meester op zijn school vertelde. Eerst kwam aardrijkskunde. Van de werelddelen wisten zij niets. Zij moesten alleen 26 duinen kennen en twee vijvers. Van wat er verder was kon niemand iets weten, zei de meester, en wat erover verteld werd, was hoogmoedige fantasie.
     Toen kwam de plantkunde aan de beurt. Daarin waren ze allemaal erg knap en er werden veel prijzen uitgedeeld, uitgezochte jonge en malse grashalmpjes van verschillende lengte.
     Maar de dierkunde verbaasde Johannes het meest. De dieren werden verdeeld in springende, vliegende en kruipende. De krekels konden springen en vliegen en stonden dus bovenaan, dan volgden de kikkers. Vogels werden met alle tekenen van afschuw hoogst schadelijk en gevaarlijk genoemd. Eindelijk werd ook de mens besproken. Het was een groot, nutteloos en schadelijk dier, dat zeer laag stond, omdat het vliegen noch springen kon, maar dat gelukkig zeldzaam was. Een klein krekeltje, dat nog nooit een mens gezien had, kreeg drie klappen met een rietje, omdat hij de mens per ongeluk tot de onschadelijke dieren rekende.
     Zoiets had Johannes nog nooit gehoord.
     Toen riep de meester opeens: “Stilte! springoefening!” Onmiddellijk hielden alle krekeltjes op met het leren van hun lessen en begonnen op een heel kunstige en ijverige manier haasje-over te spelen. De dikke meester het eerst.
     Dat was zo´n vrolijk gezicht, dat Johannes in de handen klapte van plezier. Op dat geluid stoof de hele school in een oogwenk het duin in en werd het doodstil op het grasveldje.
     “Ja, dat komt er van, Johannes. Je moet je niet zo lomp gedragen! Je kan toch wel merken, dat jij bij de mensen geboren bent!”
     “Het spijt me, ik zal mijn best doen. Maar het was ook zo leuk!”
     “Het wordt nog veel leuker,” zei Windekind.
     Zij staken het grasveldje over en beklommen het duin aan de andere kant. Oef! dat was zwoegen in het dikke zand; — maar toen Johannes Windekind bij het lichte blauwe kleedje vastgreep, vloog hij er vlug en licht tegen op. Halverwege de top was een konijnenhol.
     Het konijntje, dat er thuishoorde, lag met kop en voorpoten uit de ingang. De duinrozen bloeiden nog en hun fijne, zachte geur mengde zich met die van het tijmkruid, dat op de duintop groeide.
     Johannes had vaak konijntjes in hun hol zien verdwijnen en dan gedacht: hoe zou het er daarbinnen uitzien? Hoeveel zouden er daar wel bij elkaar zitten en zouden zij het niet benauwd hebben?
     Hij was dan ook heel blij, toen hij zijn metgezel aan het konijntje hoorde vragen of zij het hol eens mochten bekijken. “Wat mij betreft, wel!” zei het konijntje. “Maar het komt ongelukkig uit, dat ik vanavond net mijn hol heb afgestaan voor het geven van een weldadigheidsfeest, en dus eigenlijk geen baas ben in mijn huis.”
     “Ei! Ei! is er een ongeluk gebeurd?”
     “Ach ja!” zei het konijntje verdrietig: “Een grote ramp! — Wij komen het in geen jaren te boven. Duizend sprongen hier vandaan is een mensenhuis gebouwd, zo groot! zo groot! — En er zijn mensen komen wonen met honden. Er zijn wel zeven leden van mijn familie bij omgekomen en nog drie keer zoveel van hun hol beroofd. En het is met de familie Muis en de familie Mol nog erger gegaan. Ook de Padden hebben zwaar geleden. — Nu hebben wij een feest op touw gezet voor de nagelaten betrekkingen. Ieder doet het zijne, ik geef mijn hol. Je moet wat over hebben voor je mede-schepselen.”
     Het verdrietige konijntje zuchtte en haalde met de rechter voorpoot het lange oor over zijn kopje, om er een traan mee uit het oog te vegen. Dat was zo zijn zakdoek.
     Toen ritselde er iets in het helm en een dikke, logge gedaante kwam op het hol toe scharrelen.
     “Kijk!” riep Windekind, “daar komt vader Pad ook al aangehuppeld. Wel! wel! durf je nog zo laat op pad, Pad!”
     De Pad nam geen notitie van het grapje. Toespelingen op zijn naam verveelden hem al lang. Bedaard legde hij een volle korenaar, netjes in een droog blad gewikkeld, bij de ingang neer en klom behendig over de rug van het konijntje het hol in.
     “Mogen wij naar binnen gaan?” zei Johannes, die erg nieuwsgierig was. “Ik zal ook wat geven.”
     Hij herinnerde zich dat hij in zijn zak nog een beschuitje had. Een rond beschuitje van Huntley en Palmers. Toen hij het te voorschijn haalde, merkte hij pas hoe klein hij geworden was. Hij kon het nauwelijks met twee handen optillen en begreep niet hoe het nog in zijn broekzak gepast had.
     “Dat is heel kostbaar en zeldzaam!” riep het konijntje. “Dat is een kostbaar geschenk!”
     Eerbiedig liet het aan beiden de toegang open. Het was donker in het hol en Johannes liet Windekind maar vóórgaan. Al snel zagen zij een bleekgroen lichtje naderen. Het was een glimworm, die welwillend aanbood hen voor te lichten.
     “Het belooft een gezellige avond te worden,” zei de glimworm onder ‘t voortgaan. “Er zijn al veel gasten. Jullie zijn elfen lijkt me, — niet waar?” De glimworm keek daarbij een beetje wantrouwend naar Johannes.
     “Je kunt ons als elfen aandienen,” antwoordde Windekind.
“Weet je dat jullie koning van de partij is?” ging de glimworm verder.
     “Is Oberon hier? Nou, dat doet mij echt veel genoegen,” riep Windekind, — “ik ken hem persoonlijk.”
     “O?” zei de glimworm, — “ik wist niet dat ik de eer had ...” en zijn lichtje ging bijna uit van schrik. “Ja Z.M. houdt gewoonlijk meer van de buitenlucht, maar voor een liefdadig doel is hij altijd te vinden. Het zal wel een schitterend feest zijn.”
     Dat was het inderdaad. De grote zaal in het konijnenhol was prachtig versierd. De vloer was platgetrapt en met geurige tijm bestrooid; — dwars voor de ingang hing een vleermuis aan de achterpoten. Deze riep de namen van de gasten af en diende tevens als gordijn, dat was een zuinigheidsmaatregel. De wanden van de zaal waren smaakvol versierd met dorre bladen, spinnen-webben en kleine hangende vleermuisjes. Talloze glimwormen kropen daartussen en over de zoldering rond, en vormden een alleraardigste bewegende verlichting. Er was aan 't eind van de zaal een troon gebouwd van stukjes vermolmd hout, die licht gaven. Dat was een mooi gezicht!
     Er waren veel gasten. Johannes voelde zich maar half thuis in de vreemde menigte en drong zich dicht tegen Windekind aan. Hij zag er vreemde dingen. Een mol sprak druk met een veldmuis over de mooie verlichting en de versiering. In een hoekje zaten twee dikke padden hoofdschuddend tegen elkaar te jammeren over het aanhoudend droge weer. Een kikker probeerde gearmd met een hagedis een wandeling door de zaal te maken, — wat hem slecht afging, omdat hij verlegen en gejaagd was en telkens te ver sprong, waarbij hij soms de wandversiering flink in de war bracht.
     Op de troon zat Oberon, de elfenkoning, omringd door een klein gevolg van elfen, die nogal minachtend op de omgeving neerkeken. De koning zelf was zoals een vorst betaamt allerbeminnelijkst en onderhield zich vriendelijk met verschillende gasten. Hij kwam net terug van een reis uit het Oosten — en had een uitheems gewaad van schitterend gekleurde bloembladen aan. Zo´n bloemen groeien hier niet, dacht Johannes. Op het hoofd droeg hij een donkerblauw bloemkelkje, dat nog een frisse geur verspreidde, alsof het net geplukt was. In de hand hield hij de meeldraad van een lotusbloem als koningsstaf.
     Alle aanwezigen waren vol stille lof over zijn goedheid. Hij had het maanlicht in de duinen geprezen en gezegd dat de glimwormen hier bijna even mooi waren als de Oosterse vuurvliegen. Ook had hij met plezier naar de wandversiering gekeken en een mol had zelfs opgemerkt, dat hij goedkeurend met het hoofd had geknikt.
     “Ga mee,” zei Windekind tegen Johannes, “ik zal je voorstellen.” En zij drongen tot aan de zitplaats van de koning door.
     Oberon spreidde de armen vol vreugde uit, toen hij Windekind herkende en kuste hem. — Dit gaf een gefluister onder de gasten en jaloerse blikken van het elfengevolg. De twee dikke padden in de hoek mompelden samen iets van 'vleiers' en 'kruipen' en 'niet lang duren'; toen knikten ze elkaar veelbetekenend toe.
     Windekind sprak lang in een vreemde taal met Oberon en wenkte toen Johannes om dichterbij te komen.
     “Geef mij de hand, Johannes!” zei de koning. “Windekinds vrienden zijn de mijne. Waar ik kan, zal ik je helpen. Ik zal je een teken van ons verbond geven.”
     Oberon maakte van zijn halsketen een klein gouden sleuteltje los en gaf dat aan Johannes, die het vol eerbied aannam en vast in zijn hand sloot.
     “Dat sleuteltje kan je geluk zijn,” ging de koning verder. “Het past op een gouden kistje dat kostbare schatten bevat. Maar wie dat heeft, kan ik je niet zeggen. Je moet maar ijverig zoeken. Als je goede vrienden met mij en Windekind blijft en volhardend en trouw bent, zal het je wel lukken.” De elfenkoning knikte daarbij hartelijk met het mooie hoofdje en overgelukkig bedankte Johannes hem.
     Toen begonnen drie kikkers, op een kleine verhoging van vochtig mos gezeten, de inleiding tot een langzame wals te zingen en er vormden zich paartjes. De niet dansenden werden door een groen hagedisje, dat als ceremoniemeester werkzaam was en schutterig heen en weer vloog, naar de kant geduwd, tot grote ergernis van de twee padden, die klaagden dat zij niets konden zien, — en daarna begon de dans.
     Dat was pas grappig. Ieder danste op zijn eigen manier en verbeeldde zich natuurlijk, dat hij het veel beter deed dan de anderen. De muizen en kikkers sprongen hoog op hun achterste poten, een oude rat draaide zo woest rond, dat alle dansers voor hem opzij weken, en ook een vette boomslak waagde een rondje met een mol, maar gaf het al snel op, onder het mom dat ze er een steek van in de zij kreeg, — de echte reden was, dat ze het niet zo goed kon.
     Het ging er echter zeer ernstig en plechtig aan toe. Ze maakten er een gewetenszaak van, en gluurden benauwd naar de koning om een teken van goedkeuring op zijn gezicht te zien. Maar de koning was bang om ontevredenen te maken en keek heel strak. Zijn gevolg achtte het beneden hun danskunst om mee te doen.
     Johannes had zich bij die ernst lang goed gehouden. Maar toen hij een klein padje zag rondzwieren met een lange hagedis, die het ongelukkige padje soms hoog boven de grond tilde en een halve cirkel in de lucht liet beschrijven, barstte zijn vrolijkheid in een schaterlach uit.
     Dat gaf opschudding. De muziek zweeg. De koning keek verstoord om. De ceremoniemeester vloog in volle vaart op de lacher toe en verzocht hem dringend zich wat gepaster te gedragen.
     “Dansen is een ernstige zaak,” zei hij, “en volstrekt geen bezigheid om uit te lachen. Het is hier een deftig gezelschap, waar ze niet zo maar voor de grap dansen. Iedereen deed zijn best en niemand wilde uitgelachen worden. Dat is onbeschoft. Ze zijn hier bovendien op een treurfeest om droevige redenen. Je moet je hier fatsoenlijk gedragen en niet doen, alsof je bij mensen bent!”
     Daar schrok Johannes van. Overal zag hij vijandige blikken. Zijn vertrouwelijkheid met de koning had hem veel vijanden bezorgd.
     Windekind trok hem naar zijkant:
     “Het is maar beter, dat wij weggaan, Johannes!” fluisterde hij, “je hebt het weer verknoeid. Ja! Ja! dat komt er van, als je bij mensen bent opgevoed!”
     Haastig glipten zij onder de vleugels van de vleermuisportier door en kwamen in de donkere gang. De beleefde glimworm wachtte hen op.
     “Hebben jullie je goed geamuseerd?” vroeg hij. “Hebben jullie koning Oberon gesproken!”
     “O ja! het was een vrolijk feest,” zei Johannes, “moet jij hier altijd in de donkere gang blijven?”
     “Dat is mijn eigen vrije keuze,” zei de glimworm op een droeve en bittere toon. “Ik hou niet meer van die ijdelheden.”
     “Kom,” zei Windekind, “dat meen je niet.”
     “Het is zoals ik zeg. — Vroeger, — vroeger was er een tijd dat ik ook naar feesten ging en danste en mij met zulke beuzelarijen ophield. Maar nu ben ik door het lijden gelouterd, nu ...”
     En hij werd zo ontroerd, dat zijn lichtje weer uitging. Gelukkig waren zij dicht bij de uitgang en het konijntje, dat hen hoorde aankomen, ging een stukje opzij, zodat het maanlicht naar binnen scheen.
     Zodra zij bij het konijntje buiten waren, zei Johannes:
     “Vertel ons jouw verhaal eens, glimworm!”
     “Ach!” zuchtte de glimworm, “dat is eenvoudig en droevig. Jullie zullen daar niet vrolijk van worden.”
     “Vertel ´t, vertel ´t toch maar,” riepen ze allemaal.
     “Nou: — jullie weten dus toch allemaal wel, dat wij glimwormen zeer bijzondere wezens zijn. — Ja, ik geloof dat niemand zou durven tegenspreken, dat wij glimwormen het hoogst begaafd zijn van al wat leeft.”
     “Waarom? dat weet ik niet,” zei het konijntje.
     Minachtend vroeg de glimworm toen: “Kunt jij licht geven?”
     “Nee! dat nou niet echt,” moest het konijntje toegeven.
     “Nu, wij geven licht! Allemaal! En wij kunnen het laten schijnen of doven naar willekeur. Licht is de beste gave van de natuur, en licht geven het hoogste, wat een levend wezen kan bereiken. Zou iemand nog onze voorrang willen betwisten! Wij mannetjes hebben bovendien vleugels en kunnen mijlenver vliegen.”
     “Dat kan ik ook niet,” bekende het konijntje gewillig.
     “Door de goddelijke gave van het licht, die wij hebben,” ging de glimworm verder, “ontzien ook andere dieren ons, geen vogel zal ons aanvallen. Alleen één dier, het laagste van allemaal, zoekt ons en neemt ons mee. Dat is de mens, het verfoeilijkst gedrocht van de schepping.”
     Johannes keek Windekind bij deze uitval aan, alsof hij het niet begreep. Maar Windekind glimlachte en gaf hem een teken om te zwijgen.
     “Op een keer vloog ik vrolijk rond, als een helder dwaallicht tussen de donkere heesters. En op een eenzaam, vochtig grasveldje, aan de oever van een sloot, daar woonde zij, wier bestaan onafscheidelijk met mijn geluk was verbonden. Prachtig schitterde zij met een bleke smaragdglans, als zij tussen de glanshalmen rondkroop en heerlijk bekoorde zij mijn jonge hart. Ik vloog om haar heen en deed mijn best door wisselen van glans haar aandacht te trekken. Dankbaar zag ik, hoe zij mijn groet bespeurde en zedig haar lichtje verduisterde. Sidderend van emotie stond ik op het punt mijn vleugels samen te vouwen en in verrukking bij mijn stralende geliefde neer te zijgen, toen een ontzaglijk geluid de lucht vervulde. Donkere gestalten naderden. Het waren mensen. Ik nam verschrikt de vlucht. — Zij joegen mij na, en sloegen naar mij met grote, zwarte dingen. Maar sneller dan hun logge benen droegen mijn vleugels mij.”
     “Toen ik terug kwam ...”
     Hier stokte de stem van de verteller. Pas na een ogenblik van stille ontroering, waarin de drie toehoorders eerbiedig zwegen, — ging hij verder:
     “Jullie kunnen het al vermoeden. Mijn tere bruid, — de glansrijkste en schitterendste van allemaal, zij was verdwenen, meegesleept door de boosaardige mens. Het stille, vochtige grasveldje was vertrapt en haar geliefde plekje aan de sloot was donker en leeg. Ik was alleen op de wereld.”
     Hier haalde het gevoelige konijntje opnieuw een oor naar beneden om een traan uit het oog te vegen.
     “Sinds die tijd ben ik veranderd. Ik walg van alle ijdele vermaken. Ik denk alleen aan haar, die ik verloren heb en aan de tijd dat ik haar zal weerzien.”
     “Zo! heb je daar nog hoop op?” vroeg het konijntje verheugd.
     “Ik heb meer dan hoop, — ik heb zekerheid. Daarboven zal ik mijn geliefde weerzien.”
     “Maar ...” wilde het konijntje inbrengen.
     “Konijn!” zei de glimworm ernstig, “ik kan mij voorstellen, dat iemand, die in het duister moet rondtasten, twijfelt. Maar wanneer je kan zien, met eigen ogen zien — dan is elke onzekerheid mij een raadsel. Daar!” zei het glimwormpje en keek vol eerbied naar de van sterren fonkelende hemel. “Daar zie ik ze! al mijn vaderen, al mijn vrienden en ook haar, duidelijk stralen, in een nog heerlijker glans dan hier op aarde. Ach! wanneer zal ik mij uit dit lage leven kunnen opheffen, en tot haar vliegen, die mij lonkend wenkt? Ach! wanneer? wanneer?”
     Zuchtend verliet het glimwormpje zijn toehoorders en kroop weer in het donkere hol.
     “Arm schepsel!” zei het konijntje, “ik hoop dat hij gelijk heeft.”
     “Ik hoop het ook,” voegde Johannes daar aan toe.
     “Ik ben er bang voor,” zei Windekind, “maar het was heel aandoenlijk.”
     “Lieve Windekind,” begon Johannes, “ik ben heel moe en heb slaap.”
     “Kom dan naast mij liggen, ik zal je met mijn mantel toedekken.”
     Windekind nam zijn blauwe manteltje en spreidde dat over Johannes en zichzelf uit. Zo legden zij zich neer, in het geurige mos op de duinhelling, de armen om elkaars hals geslagen.
     “Jullie hoofden liggen wat laag,” riep het konijntje, “willen jullie die tegen mij aan laten rusten?”
     Dat deden zij.
     “Nacht, moeder!” zei Windekind tegen de maan.
     Toen sloot Johannes zijn gouden sleuteltje vast in de hand, vlijde zijn hoofd tegen het donzige vel van het goeie konijntje en sliep rustig in.
 


III

     Waar is hij dan, Presto? — Waar is het kleine baasje dan? — Wat een schrik, wakker te worden in de boot, in het riet — helemaal alleen, de baas spoorloos verdwenen. Het was om bang van te worden.
     En loop je hem nu al zolang te zoeken, onder voortdurend zenuwachtig piepen? — Arme Presto! — Hoe kon je ook zo vast slapen en niet merken dat de baas uit de boot ging? Anders word je altijd meteen wakker, zodra hij ook maar één beweging maakt.
     Nauwelijks kon je herkennen, waar de baas aan land was gegaan en hier in de duinen ben je nu het spoor helemaal bijster geraakt. Het ijverig snuffelen hielp niet. Wat een wanhoop! de baas weg! spoorloos weg! — Zoek dan Presto, zoek hem dan!
     Wacht! daar recht voor je, tegen die duinhelling, — ligt daar niet een kleine donkere gedaante? kijk eens goed!
     Een ogenblik staat het hondje onbeweeglijk, en kijkt gespannen in de verte. Dan strekt het opeens de kop vooruit en holt, vliegt met al de kracht van zijn vier dunne pootjes, naar dat donkere plekje op de duinhelling.
     Maar toen dat echt het zo smartelijk vermiste baasje bleek te zijn, toen vond hij alle pogingen nog onvoldoende om zijn hele blijdschap en dankbaarheid uit te drukken. Hij kwispelde, verdraaide zijn hele lijfje, sprong, jankte, blafte en duwde de lang gezochte zijn koude neus likkend en snuffelend in “t gezicht.
     “Koest, Presto, in je mand!” riep Johannes half slapend.
     Wat dom van de baas! Er is geen mand in de buurt, zover je kan zien.
     Langzaam begon de schemering te dagen in de ziel van de kleine slaper. Het snuffelen van Presto, dat was hij iedere morgen zo gewend. Maar voor zijn geest hingen nog lichte droombeelden van elfen en maneschijn, als morgennevels om een duinlandschap. Hij was bang dat de kille adem van de ochtend die zou verjagen. “Ogen dichthouden,” dacht hij, “anders zie ik de klok en het behang weer, zoals altijd!”
     Maar hij lag raar. Hij voelde, dat hij geen deken had. — Langzaam en voorzichtig opende hij de oogleden op een kier.
     Helder licht. Blauwe hemel. Wolken.
     Toen opende Johannes de ogen wagenwijd en zei: “Is het dan toch waar?”
    
Ja, hij lag midden in het duin. Vrolijke zonneschijn verwarmde hem, frisse morgenlucht ademde hij in, een fijne nevel omgaf de bossen in de verte. Hij zag alleen de hoge beuk bij de vijver en het dak van zijn huis, dat boven het groen uitstak. Bijen en kevers gonsden om hem heen, boven hem zong de opstijgende leeuwerik, in de verte klonk hondengeblaf en het gerucht van de afgelegen stad. Het was allemaal pure werkelijkheid.
     Maar wat had hij gedroomd en wat niet? Waar was Windekind? en het konijntje?
     Hij zag geen van beiden. Alleen Presto zat zo dicht mogelijk bij hem en keek hem afwachtend aan.
     “Zou ik aan ‘t slaapwandelen geweest zijn?” mompelde Johannes zacht.
     Naast hem was een konijnenhol. Maar zo waren er zoveel in 't duin. Hij richtte zich op om het goed te bekijken. Wat voelde hij daar in de nog dichtgeknepen hand?
     Een tinteling liep van de kruin van zijn hoofd tot zijn voeten, toen hij de hand opende. Daar schitterde een klein gouden sleuteltje.
     Een tijd lang zat hij sprakeloos.
     “Presto!” zei hij toen, terwijl de tranen hem in de ogen kwamen.
“Presto, het is tóch waar!”
     Presto sprong op  — en probeerde door blaffen zijn baasje aan ’t verstand te brengen, dat hij honger had en naar huis wilde.
     Naar huis? — Ja! daar had Johannes niet aan gedacht en hij had er weinig zin in. Maar al gauw hoorde hij door verschillende stemmen zijn naam roepen. Toen begon hij te begrijpen, dat zijn gedrag allebehalve braaf en passend gevonden zou worden en dat hem vast geen vriendelijke woorden te wachten stonden.
     Een ogenblik scheelde het weinig, of zijn vreugdetranen waren in één moeite door, tranen van angst en berouw geworden. Maar toen dacht hij aan Windekind, die nu zijn vriend was, zijn vriend en vertrouweling, aan het geschenk van de elfenkoning en aan die heerlijke, onbetwistbare waarheid van alles wat er gebeurd was en hij zocht kalm en op alles voorbereid de weg naar huis op.
     De ontmoeting viel niet mee. Zo erg had hij zich de onrust en angst van zijn huisgenoten niet voorgesteld. Hij moest plechtig beloven, nooit meer zo ondeugend en onvoorzichtig te zijn.
     “Dat kan ik niet,” zei hij vastberaden. Daar keken ze vreemd van op. Hij werd ondervraagd, gesmeekt, gedreigd. Maar hij dacht aan Windekind en hield vol.
     Wat konden hem straffen schelen als hij Windekinds vriendschap maar behield — en wat zou hij niet allemaal voor Windekind willen lijden! Vast klemde hij het sleuteltje aan zijn borst en de lippen op elkaar, terwijl hij iedere vraag met schouderophalen beantwoordde. “Ik kan niets beloven,” zei hij weer.
     Maar zijn vader zei: “Laat hem nu maar met rust, hij meent het. Er moet iets bijzonders met hem gebeurd zijn. Hij zal het ons ooit wel vertellen.”
     Johannes glimlachte, at zwijgend zijn boterham en sloop naar zijn kamertje. Daar sneed hij een stuk van het gordijnkoord af, deed er het kostbare sleuteltje aan en hing het om zijn hals op de blote borst. Toen ging hij getroost naar school.
     Het ging heel slecht die dag op school. Hij kende zijn lessen geen van allen en lette helemaal niet op. Voortdurend vlogen zijn gedachten naar de vijver en naar de wonderbaarlijke gebeurtenissen van de vorige avond. Hij kon het zich nauwelijks voorstellen, dat een vriend van de elfenkoning nu weer verplicht zou zijn, sommen te maken en werkwoorden te vervoegen. Maar het was toch allemaal waar geweest, en niemand om hem heen wist er iets van af of zou het kunnen geloven of begrijpen, zelfs de meester niet, hoe boos hij ook keek en hoe neerbuigend hij Johannes ook een luie vlegel noemde. Blijmoedig verdroeg hij de slechte aantekening en maakte hij het strafwerk, dat hij zich door zijn verstrooidheid op de hals haalde.
     “Zij begrijpen het toch allemaal niet. Zij mogen mij uitschelden, zoveel zij willen. Ik blijf Windekinds vriend, en Windekind is mij meer waard dan zij allemaal samen. Ja, met de meester erbij.”
     Dat was niet eerbiedig van Johannes. Maar zijn achting voor zijn medemensen was, na al het kwaad dat hij er de vorige avond over had moeten horen, niet gestegen.
     Maar, zoals het vaker gaat, hij kon zijn wijsheid nog niet verstandig genoeg toepassen, of liever, te verzwijgen.
     Toen de meester vertelde, dat alleen de mens door God met rede was begiftigd en als heerser was gesteld over alle andere dieren, begon hij te lachen. Dat bezorgde hem een slechte aantekening en een ernstige vermaning. En toen zijn buurman uit een themaboek de volgende zin oplas: “De ouderdom van mijn plaagzieke tante is groot, maar niet zo groot als die van de zon” — riep Johannes haastig en luid: “van den zon!”
Allemaal lachten ze hem uit en de meester, verbaasd, over zo´n arrogante domheid, zoals hij het noemde, liet Johannes nablijven en honderdmaal overschrijven: “De ouderdom van mijn plaagzieke tante is groot, maar niet zo groot als die van de zon, maar het grootst  is mijn arrogante domheid.”
De leerlingen waren verdwenen en Johannes zat eenzaam in het grote schoollokaal te schrijven. Het zonlicht scheen vrolijk naar binnen, deed duizenden stofjes glinsteren op zijn weg en vormde op de gewitte muur lichte plekken, die met de wisseling van de uren langzaam voortkropen. De meester was weggegaan en had de deur hard dichtgeslagen. Johannes was al aan de twee-en-vijftigste plaagzieke tante, toen een klein, vlug muisje, met zwarte kraaloogjes en zijdeachtige oortjes, uit de verste hoek van het lokaal onhoorbaar langs de muur aan kwam lopen. Johannes hield zich doodstil om het leuke diertje niet te verjagen. Het was niet schuw en kwam tot dicht bij Johannes' zitplaats. Toen gluurde het een tijdlang met de kleine heldere oogjes scherp in het rond — en sprong behendig met één sprong op de bank en met een tweede op de lessenaar, waaraan Johannes schreef.
     “Ei, ei!” zei deze, half in zichzelf, “jij bent pas een dapper muisje!”
     “Ik zou niet weten voor wie ik bang zou moeten zijn,” zei een fijn stemmetje, — en het muisje liet de tandjes zien alsof het lachte.
     Johannes was al aan veel wonderlijks gewend, — maar zette nu toch weer grote ogen op. Zo midden op de dag en op school, — 't was ongelofelijk.
     “Voor mij hoef je niet bang te zijn,” zei hij zacht, — bang het muisje te laten schrikken, — “kom je van Windekind?”
     “Ik kom je even zeggen, dat de meester groot gelijk heeft en dat je je strafwerk echt verdiend hebt.”
     “Maar Windekind zei toch dat de zon mannelijk was, — de zon was onze vader.”
     “Ja, maar dat hoeft niemand anders te weten. Wat hebben de mensen daarmee te maken. Je moet nooit over zo´n gevoelige zaken met mensen praten. Daar zijn zij te grof voor. De mens is een verbazend boosaardig en lomp wezen, die liefst alles vangt en doodtrapt wat onder zijn bereik komt. Daar hebben wij, muizen, ervaring mee.”
     “Maar muisje! waarom blijf je dan in zijn buurt? Waarom ga je niet ver weg, naar de bossen?”
     “Ach, dat kunnen wij niet meer. Wij zijn te veel aan het stadsvoedsel gewend. En als je voorzichtig bent en altijd oppast om hun vallen en zware voeten te vermijden, dan is het onder mensen wel uit te houden. Wij zijn gelukkig nogal vlug. Het ergste is, dat de mens zijn eigen logheid verhelpt door een verbond te sluiten met de kat, — dat is een grote ramp, maar in het bos zijn uilen en sperwers, en sterven moeten wij toch allemaal een keer. Nou, Johannes, onthoudt mijn raad, daar komt de meester!”
     “Muisje! muisje! — ga niet weg. Vraag aan Windekind wat ik met mijn sleuteltje moet doen. Ik heb het om mijn hals gehangen, op mijn blote borst. Maar Zaterdag krijg ik schoon ondergoed en ik ben zo bang dat iemand het dan zal zien. Zeg mij, waar ik het veilig kan verstoppen, muisjelief!”
     “Onder de grond, — altijd onder de grond, — daar is alles het veiligst. Zal ik het bewaren?”
     “Nee! niet hier op school.”
     “Begraaf het dan buiten in de duinen. Ik zal aan mijn neef de veldmuis laten weten, dat hij er op moet passen.”
     “Dank je muisje!”
     Bom! Bom! Daar kwam de meester aanstappen. In de tijd dat Johannes zijn pen indoopte, was het muisje verdwenen. De meester, die zelf naar huis wilde, schold Johannes achtenveertig strafregels kwijt. —
     Twee dagen lang leefde Johannes in voortdurende angst. Hij werd streng in het oog gehouden en elke gelegenheid, om naar de duinen te ontsnappen, werd hem ontnomen. Het werd Vrijdag en nog liep hij met het kostbare sleuteltje rond. De volgende avond zou hij schoon ondergoed krijgen, ze zouden het sleuteltje ontdekken en het hem afnemen, — hij kreeg het koud bij de gedachte eraan. — In huis of tuin durfde hij het niet te verstoppen, — geen plekje leek hem veilig genoeg.
     Het werd Vrijdagavond en de schemering begon te vallen. Johannes zat voor het raam van zijn slaapkamer en keek verlangend naar buiten, over de groene heesters van de tuin, naar de verre duinen.
     “Windekind! Windekind! help mij,” fluisterde hij angstig.
     Toen ruiste er een zachte vleugelslag naast hem, hij rook de geur van lelietjes van dalen en hoorde plotseling de bekende, zoete stem.
     Windekind zat naast hem op de vensterbank en liet de klokjes van een lelie van dalen aan de slanke stengel wiegelen.
     “Ben je daar eindelijk! — Ik heb zo naar je verlangd!” zei Johannes.
     “Ga met mij mee, Johannes, wij zullen je sleuteltje gaan begraven.”
     “Ik kan niet,” zuchtte Johannes bedroefd.
     Maar Windekind pakte hem bij de hand, en hij voelde hoe hij, licht als het gepluisde zaadje van een paardebloem, wegzweefde door de stille avondlucht.
     “Windekind,” zei Johannes onder het zweven, “ik hou zoveel van je. Ik geloof dat ik alle mensen voor jou zou willen opgeven en Presto ook.”
     Windekind zei: “en Simon?”
     “O, het kan Simon niet zoveel schelen, of ik van hem hou. Ik geloof, dat hij dat te kinderachtig vindt. Simon houdt alleen maar van de visvrouw en dat ook alleen maar, als hij honger heeft. Geloof je, dat Simon een gewone kat is, Windekind?”
     “Nee, hij is vroeger een mens geweest.”
     Hoe-oe-oe! boms! — daar vloog een dikke meikever tegen Johannes aan.
     “Kun je niet beter vóór je kijken,” bromde de meikever  — “dat elfengoed vliegt maar, alsof het de hele lucht in pacht had! Dat krijg je met die nietsdoeners, die altijd maar voor hun plezier rondzwerven, — iemand als ik die zijn plicht doet, altijd voedsel zoekt en zo hard eet, als hij kan, wordt er door uit de koers gebracht.”
     Onder luid gebrom vloog hij verder.
     “Neemt hij ons kwalijk, dat wij niet eten?” vroeg Johannes.
     “Ja, dat is zo de meikevergewoonte. Bij de meikevers wordt het als de hoogste plicht beschouwd, veel te eten. Zal ik je eens de geschiedenis van een jongen meikever vertellen?”
     “Ja doe dat, Windekind.”
     “Het was een mooie, jonge meikever, die pas uit de grond was gekropen. Nou, dat was een grote verrassing. Een heel jaar had hij onder de donkere aarde gezeten en gewacht op de eerste warme avond. En toen hij zijn kop uit de kluitjes stak, bracht al dat groen en het wuivende gras en de zingende vogels hem helemaal in verlegenheid. Hij wist niet, wat hij eigenlijk beginnen moest. Hij betastte de grashalmpjes in de buurt met zijn sprieten en stak die waaiervormig uit. Daaraan merkte hij, Johannes, dat hij een mannetje was. Hij was heel mooi in zijn soort, had glanzige, zwarte poten, een dik, bestoven achterlijf en een borstschild, dat glom als een spiegel. — Gelukkig zag hij al gauw, niet ver van hem vandaan, een andere meikever, wel niet zo'n mooie, maar een die al een dag eerder uitgevlogen en dus al heel oud was. Heel bescheiden, omdat hij nog zo jong was, roept hij deze aan.”
     “Wat wou je, vriendje!” zegt de tweede uit de hoogte, omdat hij zag, dat het een nieuweling was, “wou je mij de weg vragen?”
     “Nee, ziet u!” zei de jongste beleefd, “maar ik weet niet, wat ik hier moet doen. Wat doe je zoal als meikever?”
     “Zo! zo!” zei de ander, “weet je dat niet. Nou, dat neem ik niet kwalijk, ik ben óók zo geweest; luister maar goed, dan zal ik het je zeggen. De hoofdzaak in het meikeverleven is eten. Niet ver hier vandaan is een heerlijke lindenhaag, die is daar voor ons neergezet om er zo vlijtig mogelijk van te eten.”
     “Wie heeft die lindenhaag daar neergezet?” vroeg de jonge kever.
     “Wel, een groot wezen, dat het heel goed met ons meent. Iedere morgen komt hij langs de haag en wie dan het meeste gegeten heeft, neemt hij met zich mee, naar een heerlijk huis, waar een helder licht schijnt en waar alle meikevers gelukkig bij elkaar zijn. Wie echter, in plaats van te eten, de hele nacht blijft rondvliegen, wordt door de vleermuis gevangen.”
     “Wie is dat?” vroeg de nieuweling.
     “Dat is een vreselijk monster met scherpe tanden, dat plotseling achter ons aan komt vliegen en ons onder afgrijselijk gekraak opeet.” Toen de kever dat zei, hoorden ze boven zich een schel gepiep, dat hen door merg en been drong.
     “Hu! dat is hij,” riep de oudste. “Pas op voor hem, jonge vriend. Wees dankbaar dat ik je op tijd heb gewaarschuwd. Je hebt een hele nacht voor je, verknoei die nu niet. Hoe minder je eet hoe meer kans je hebt door de vleermuis te worden verslonden. En alleen zij, die zich een ernstige levensroeping kiezen, komen in het huis met het heldere schijnsel. Denk er om! Een ernstige roeping!”
     “Toen scharrelde de kever, die een hele dag ouder was, tussen de grashalmen verder en liet de eerste getroffen achter. Weet je wat een roeping is, Johannes? Niet! Nou, dat wist die jonge kever ook niet. Het stond met eten in verband, dat begreep hij. Maar hoe moest hij bij die lindenhaag komen?
     “Vlak naast hem stond een slanke, stevige grashalm, die zachtjes wiegelde in de avondwind. Die pakte hij maar vast beet, met zijn zes kromme pootjes. Het leek een hoog gevaarte van onderaf gezien en erg steil. Toch wilde de meikever er in.”
     “Dat is een roeping!” dacht hij, en begon moedig te klimmen. Het ging langzaam, — vaak gleed hij terug, — maar hij vorderde; en toen hij eindelijk in het dunste topje was geklommen en meewiegelde met de schommelingen, voelde hij zich voldaan en gelukkig. Wat een uitzicht had hij hier! Het leek hem, alsof hij de wereld overzag. Hoe zalig was het, zo van alle kanten door lucht te zijn omgeven! Gretig zoog hij het achterlijf vol. Hoe wonderlijk werd het hem daarbij te moede! Nog hoger wilde hij!”
     “Hij lichtte de dekschilden in verrukking op, liet de vliezige vleugels even trillen. — Hoger wilde hij! Hoger! — Weer trilden zijn vleugels, — de poten lieten de grashalm los en — O, vreugde ... Hoe-oe-oe! daar vloog hij  — vrij en vrolijk in de stille, warme avondlucht.” —
     “En toen?” vroeg Johannes.
     “Het vervolg is niet vrolijk. Dat vertel ik je later wel eens.”
     Zij waren over de vijver heengevlogen. Een paar late, witte vlindertjes fladderden met hen mee.
     “Waar gaat de reis naartoe, elfen?” vroegen zij.
     “Naar de grote duinroos, die daar bloeit, tegen de helling, daarachter.”
     “Wij gaan mee! wij gaan mee!”
     Al van verre was zij zichtbaar, met haar talrijke zachtgele zijdezachte bloemen. De knopjes waren rood gekleurd  — en de geopende bloemen vertoonden rode streepjes, als tekenen van de tijd toen zij nog knoppen waren.
     In eenzame rust bloeide de wilde duinroos en vervulde de omtrek met haar wonderzoete geuren. Zo heerlijk zijn die, dat de duinelfen daar alleen van leven.
     De vlinders dwarrelden op haar toe en kusten bloem na bloem.
     “Wij komen je een schat toevertrouwen,” riep Windekind, “wil je die voor ons beschermen?”
     “Waarom niet? — waarom niet?” fluisterde de duinroos, “het wachten verveelt mij niet, — en ik denk hier niet weg te gaan, als ze mij niet weghalen. Ook heb ik scherpe doorns.”
     Toen kwam de veldmuis, de neef van het muisje uit school, en groef een gang onder de wortels van de roos. Daar droeg hij het sleuteltje in.
     “Als je het nu weer hebben wil, dan moet je mij weer roepen. Dan hoef je de roos niet te beschadigen.”
     De roos vlocht zijn gedoornde twijgen dicht over de ingang en zwoer plechtig het trouw te bewaken. De vlindertjes waren getuigen.
     De volgende morgen werd Johannes in zijn eigen bedje wakker, bij Presto, de klok en het behang. Het koord om zijn hals en het sleuteltje daaraan waren verdwenen.
 


IV

     “Jongen! Jongen! Wat is zo'n zomer toch vreselijk vervelend,”  — zuchtte één van de drie grote kachels, die op een zolder in het oude huis, in een donkere hoek bij elkaar stonden te kniezen, — “weken lang heb ik geen levende ziel gezien en geen verstandig woord gehoord. En dan die leegte van binnen. 't Is afschuwelijk!”
     “Ik zit vol spinnenwebben,” zei de tweede, “dat zou 's winters ook niet gebeuren.”
     “En ik ben zo stoffig, dat ik mij dood zal schamen, als tegen de winter de zwarte man weer verschijnt, zoals van Alphen zegt.”  — Die wijsheid had de derde kachel natuurlijk van Johannes opgevangen, toen die 's winters voor de haard versjes opzei.
     “Je moet niet zo oneerbiedig over de Smid praten,” zei de eerste kachel, die de oudste was, “dat hindert mij!”
     Ook een paar tangen en asschoppen die hier en daar op de grond lagen, in papier gewikkeld tegen 't roesten, gaven duidelijk hun verontwaardiging te kennen over die ondoordachte uitdrukking.
     Maar plotseling verstomde het gesprek, want het zolderluik werd opgetild, een lichtstraal drong tot in de duistere hoek door en stelde het gehele gezelschap in hun stoffige verwarring ten toon.
     Het was Johannes, die hun gesprek kwam storen. De zolder had altijd een grote aantrekkingskracht voor hem. Nou, na al de vreemde gebeurtenissen van de laatste tijd kwam hij er vaak. Hij vond er rust en eenzaamheid. Ook was er een venster, dat door een luik gesloten was en op de duinkant uitkeek. Het was een groot genot, dat luik plotseling open te maken, en na het geheimzinnige schemerduister van de zolder opeens het wijde, hel verlichte landschap voor zich te zien, begrensd door de blanke, zacht-golvende duinenrij.
     Er waren drie weken na die Vrijdagavond verlopen, zonder dat Johannes iets van zijn vriend bespeurd had. Het sleuteltje was nu ook weg en er was niets dat voor hem nog een zeker bewijs, dat hij niet gedroomd had. Vaak kon hij de angst niet wegredeneren, dat het allemaal toch maar inbeelding was geweest. Hij werd er stil van, en bezorgd maakte zijn vader de opmerking, dat Johannes na die nacht in de duinen vast een ziekte onder de leden had gekregen. Johannes echter verlangde naar Windekind.
     “Zou hij net zoveel van mij houden, als ik van hem?” mijmerde hij, terwijl hij aan het zoldervenster stond en over de groene, tuin vol bloemen uit staarde, “waarom zou hij dan niet vaker en langer bij mij komen. Als ik kon ... Maar misschien heeft hij meer vrienden. Zou hij daar ook van houden, meer dan van mij. Ik heb geen andere vrienden, — geen één. — Ik houd alleen van hem. Zo veel! o zo veel!”
     Tegen de diepblauwe hemel zag hij een vlucht van zes witte duiven afsteken, die met klepperende vleugelslag over het huis zwenkten. Het leek alsof één gedachte hen dreef, zo snel en gelijktijdig veranderden zij telkens van richting, alsof ze volop wilden genieten van de zee van zonlicht waarin zij zweefden.
     Opeens vlogen zij naar Johannes' dakvenstertje toe en streken met veel gefladder en wiekgeklepper op de dakgoot neer, waar zij bedrijvig kirrend heen en weer bleven trippelen. — Een van hen had een rood veertje in zijn vleugel. Hij pluisde en trok er net zolang aan, totdat hij het in de bek hield, toen vloog hij op Johannes toe en gaf het hem.
     Nauwelijks had Johannes het aangepakt, of hij voelde dat hij net zo licht en vlug werd als een van de duiven. Hij strekte zijn armen en benen uit, — de vlucht duiven vloog op, — en Johannes zweefde in hun midden mee, in de ruime, vrije lucht en de heldere zonneschijn. Niets, dan het heldere blauw en de felle schittering van de blanke duivenvleugels was er om hem heen.
     Zij vlogen over de grote tuin naar het bos, waarvan de dichte boomtoppen in de verte wuifden als de golven van een groene zee. Johannes keek naar beneden en zag zijn vader voor het open raam zitten in de huiskamer, — Simon zat met gevouwen voorpoten in de vensterbank en koesterde zich in de zon.
     “Zouden zij mij zien?” dacht hij, — maar hij durfde niet te roepen.
     Presto holde door de tuinpaden en snuffelde aan iedere heester, achter elke muur, en krabbelde tegen elk deurtje van de broeikas of de oranjerie, om zijn baasje te vinden.
    
“Presto! Presto !” riep Johannes. Het hondje keek op en begon te kwispelstaarten en klagelijk te janken.
     “Ik kom terug, Presto! wachten!” riep Johannes, maar hij was al te ver weg.
     Zij zweefden boven het bos en de kraaien vlogen krassend uit de hoge toppen op, waarin zij hun nesten hadden. Het was in 't midden van de zomer en de geur van de bloeiende linden steeg in wolken uit het groene woud omhoog.
     In een leeg nest, in de top van een hoge linde zat Windekind, met zijn krans van windekelken op het hoofd. Hij knikte Johannes toe.
     “Ben je daar! dat is goed,” zei hij. “Ik heb je laten halen. Nu kunnen wij lang bij elkaar blijven — als je wilt.”
     “Ik wil wel graag,” zei Johannes.
     Toen bedankte hij de vriendelijke duiven, die hem gebracht hadden en daalde met Windekind in het bos af.
     Daar was het fris en schaduwrijk. De wielewaal floot, altijd bijna hetzelfde maar toch net anders.
     “De arme vogel,” zei Windekind, “hij was ooit een paradijsvogel. Dat zie je nog wel aan zijn vreemde gele veren, — maar hij is veranderd en uit het paradijs verjaagd. Er is een woord, dat hem zijn vroegere prachtige kleding kan teruggeven en hem weer in het paradijs terug kan brengen. Maar dat woord is hij vergeten. Nu probeert hij dag in dag uit, om het terug te vinden. Het lijkt er wel iets op, maar het juiste is het niet.”
     Talloze vliegen glinsterden als zwevende kristallen in de zonnestralen, die door het donkere gebladerte drongen. Als je aandachtig luisterde, kon je hun gonzen horen als een groot eentonig concert, dat het hele bos vervulde. Het was alsof de zonnestralen zongen.
     Dik, donkergroen mos bedekte de grond en Johannes was weer zo klein geworden, dat het hem een nieuw bos op de bodem van het grote Bos toescheen. Wat een sierlijke stammetjes! — En wat groeiden ze dicht op elkaar! Het was moeilijk er tussendoor te komen en het moswoud leek ontzettend groot.
     Toen kwamen zij aan bij een mierenpaadje. Honderden mieren liepen bedrijvig af en aan, sommige droegen stukjes hout, blaadjes of grassprietjes in de kaken. Het was zo’n gewoel, dat Johannes er bijna duizelig van werd.
     Het duurde lang, voordat een van de mieren hen te woord wilde staan. Zij hadden het allemaal zo druk. Eindelijk vonden zij een oude mier, die was aangesteld om de bladluisjes, waar de mieren de honingdauw van trekken, te bewaken. Omdat zijn kudde erg rustig was, kon hij zich wel een poosje met de vreemdelingen bemoeien en hen het grote nest laten zien. Het was aan de voet van een oude boomstam aangelegd, heel groot en honderden gangen en kamertjes rijk. De bladluisherder gaf uitleg en leidde de bezoekers overal rond, tot in de kinderkamers, waar de jonge larven uit de witte windsels kruipen. Johannes was verbaasd en opgetogen.
De oude mier vertelde, dat ze erg druk waren in verband met de veldtocht, die binnenkort ophanden was. Ze zouden een andere mierenkolonie, niet ver verwijderd, met een grote macht gaan overvallen, het nest vernielen en de larven roven of doden, daarvoor zouden alle krachten nodig zijn en ze moesten dus eerst het dringendste werk afmaken.
     “Waarom is die veldtocht?” zei Johannes, “dat lijkt mij niet goed.”
     “Nee! nee!” zei de luizenhoeder, “het is een zeer mooie en lofwaardige tocht. Je moet bedenken, het zijn de Strijdmieren, die wij gaan aanvallen, — wij gaan hun geslacht uitroeien en dat is een heel goed werk.”
     “Zijn jullie dan geen Strijdmieren?”
     “Zeker niet! Wat denk je wel? Wij zijn Vredemieren.”
     “Wat betekent dat dan?”
     “Weet je dat niet? Dat zal ik je uitleggen. Ooit waren alle mieren voortdurend aan 't vechten, — geen dag ging er voorbij zonder grote slachtingen. Toen kwam er een wijze, goede mier, die bedacht dat het veel moeite zou besparen, als de mieren onderling zouden afspreken niet meer te vechten.
     “Toen hij dat zei, vonden ze het erg vreemd en om die reden begonnen ze maar met hem in kleine stukjes te bijten. Later kwamen nog andere mieren die hetzelfde dachten. Ook die werden in kleine stukjes gebeten. Maar eindelijk kwamen er zoveel, dat het stukbijten te veel werk was voor de anderen.
     “Toen noemden zij zich Vredemieren en hielden allemaal vol dat de eerste Vredemier gelijk had; wie dat tegensprak beten zij op hun beurt in stukjes. Op die manier zijn tegenwoordig bijna alle mieren Vredemieren geworden, en de stukjes van de eerste Vredemier worden met zorg en eerbied bewaard. Wij hebben de kop. De echte. Wij hebben al twaalf andere kolonies verwoest en uitgemoord, die beweerden de echte kop te hebben. Nu zijn er nog maar vier over die dat doen. Zij noemen zich Vredemieren, maar het zijn natuurlijk Strijdmieren, — want wij hebben de echte kop en de Vredemier had maar één kop. Nu gaan wij binnenkort de dertiende kolonie uitroeien. Dat is dus wel een goed werk.”
     “Ja! Ja!” zei Johannes — “het is heel merkwaardig!”
     Hij was eigenlijk een beetje bang geworden, — en voelde zich veel rustiger, toen zij de gedienstige herder dankend vaarwel hadden gezegd en ver van het mierenvolk wiegelend op een grashalm zaten uit te rusten, in de schaduw van een sierlijk varenblad.
     “Hu!” zuchtte Johannes, “dat was een bloeddorstig en dom gezelschap.”
     Windekind lachte en schommelde met zijn grashalm op en neer.
     “O!”  — zei hij, — “je moet ze niet dom noemen. De mensen gaan naar de mieren om wijs te worden.”
     Zo liet Windekind aan Johannes alle wonderen van het bos zien, — zij vlogen beiden tot aan de vogels in de boomtoppen en in de dichte heesters, — daalden af in de kunstige woningen van de mollen, en zagen het bijennest in de oude boomstam.
     Eindelijk kwamen zij aan op een open plek, omringd door kreupelhout. Kamperfoelie groeide er in grote overvloed. Overal slingerden zich de weelderige twijgen over de struiken en prijkten de welriekende bloemkransen tussen het groen. Een zwerm meesjes sprong en fladderde tussen de blaadjes, onder luidruchtig getjilp en gekwetter.
     “Laten we hier wat blijven,” vroeg Johannes, “hier is het heerlijk.”
     “Goed,” zei Windekind. “Dan zul je ook iets grappigs zien.”
     Op de grond stonden blauwe klokjes in het gras. Johannes ging naast een ervan zitten en begon een gesprek over de bijen en de vlinders. Dat waren goede vrienden van het klokje en daarom vlotte het gesprek ook voorspoedig.
     Wat was dat? Een grote schaduw kwam over het gras en iets als een witte wolk daalde op het klokje neer ... Nauwelijks had Johannes tijd om weg te komen, — en vloog naar Windekind, die in een hoogbloeiende kamperfoeliebloem zat. Toen zag hij dat de witte wolk een zakdoek was  — en bom! daar ging een dikke juffrouw op de zakdoek zitten en op het arme klokje dat er onder was.
     Hij had geen tijd om het te beklagen, want gerucht van stemmen en gekraak van takken vervulden de open plek van het bos. Een menigte mensen naderde.
     “Nu gaan we lachen,” zei Windekind.
     Daar kwamen zij aan, de mensen. — De vrouwen met manden en paraplu’s in de hand, de mannen met hoge, rechte, zwarte hoeden op. Ze waren bijna allemaal zwart, erg zwart. In het zonnige, groene bos zagen zij eruit als grote, lelijke inktvlekken op een prachtig schilderij.
     Er werden heesters uit elkaar gedrongen, bloemen neergetrapt, nog vele witte zakdoeken uitgespreid en de lijdzame grassprietjes en de geduldige mosplantjes gaven zuchtend mee onder het gewicht dat ze te torsen kregen en vreesden nooit meer van de slag te herstellen.
     Sigarenrook krinkelde over de kamperfoeliestruiken en verdreef nijdig de tere geur van hun bloemen.
     Harde stemmen verjoegen de vrolijke mezenzwerm, die onder verschrikt en verontwaardigd getjilp in de nabije bomen toevlucht zocht.
     Een man rees op uit de menigte en ging op een heuveltje staan. Hij had lang, blond haar en een bleek gezicht. Hij zei iets en toen deden alle mensen hun mond erg wijd open en begonnen te zingen, zo hard, dat de kraaien krassend van hun hoge nesten opvlogen en de nieuwsgierige konijntjes, die van de duinrand gekomen waren om eens te kijken, verschrikt aan 't lopen gingen en een kwartier lang bleven doorlopen, toen zij al veilig weer in 't duin waren.
     Windekind lachte en sloeg de sigarenrook voor zich weg met een varentak, Johannes kwamen de tranen in de ogen, maar niet van de rook.
     “Windekind,” zei hij, — “ik wil weg, het is zo afschuwelijk en zo hard.”
     “Nee, wij moeten nog blijven. Je zal lachen, — het wordt nog grappiger.”
     Het zingen hield op en de bleke man begon te spreken. Hij schreeuwde hard, zodat ze hem allemaal zouden verstaan, maar wat hij zei klonk erg vriendelijk. Hij noemde de mensen broeders en zusters en sprak van de heerlijke natuur en de wonderen van de schepping, van Gods zonneschijn en van de lieve vogels en bloemen ...
     “Wat is dat?” vroeg Johannes. “Hoe kan hij daarover praten? — Kent hij jou? Is hij een vriend van jou?”
     Windekind schudde minachtend het omkranste hoofdje.
     “Hij kent mij niet, — de zon, de vogels, de bloemen evenmin. Het zijn allemaal leugens wat hij zegt.”
     De mensen luisterden allemaal zeer aandachtig. De dikke juffrouw, die op het blauwe klokje zat, begon een paar keer te huilen  — en wiste de tranen met de slip van haar rok af, omdat zij haar zakdoek niet gebruiken kon.
     De bleke man zei, dat God terwille van hun bijeenkomst de zon zo vrolijk had laten schijnen; toen lachte Windekind en wierp vanuit de dichte bladeren een eikel op zijn neus.
     “Hij zal het anders ervaren,” zei hij, “mijn vader zou voor hem schijnen, wat verbeeldt hij zich wel.”
     Maar de bleke man was teveel in vuur geraakt om op de eikel te letten, die uit de lucht leek te vallen, — hij sprak lang en hoe langer hoe harder. Op 't laatst werd hij rood en blauw in 't gezicht, balde de vuisten en schreeuwde zo hard, dat de bladeren trilden en de grashalmen ontzet heen en weer wiebelden. Toen hij eindelijk tot bedaren gekomen was, begonnen ze allemaal weer te zingen. —
     “Wel foei!” zei een merel, die vanuit een hoge boom het rumoer aanhoorde. “Is dat een afschuwelijk kabaal maken! Ik heb nog liever dat er koeien in het bos komen. Hoor dat nou eens. — Wel foei!”
     Nou! de merel is een kenner en heeft een fijne smaak.
     Na het gezang haalden de mensen uit manden, dozen en zakken, allerlei etenswaren voor de dag. Er werden papieren uitgespreid en broodjes en sinaasappels uitgedeeld. Ook flessen en glazen kwamen tevoorschijn.
     Toen riep Windekind zijn bondgenoten bijelkaar en begon de smullende troep te belegeren.
     Een dappere kikker sprong op de schoot van een oude juffrouw, vlak naast het broodje dat zij juist wilde gaan opeten en bleef daar zitten, verbaasd over zijn eigen dapperheid. De juffrouw gaf een ijselijke gil en staarde de aanvaller ontzet aan, zonder zich te durven verroeren. Het moedige voorbeeld vond navolging. Groene rupsen kropen onverschrokken over hoeden, zakdoeken en broodjes, overal angst en schrik teweegbrengend; grote dikke kruisspinnen lieten zich aan glinsterende draden neer in bierglazen, op hoofden of halzen en op hun aanval volgde steeds een luid gegil; talloze vliegjes bestormden de mensen regelrecht in 't gezicht en offerden hun leven voor de goede zaak, door zich op spijzen en dranken te storten en ze met hun lichaam onbruikbaar te maken. Eindelijk kwamen de mieren in onafzienbare scharen en tastten de vijand op de meest onverwachte plaatsen, bij honderden tegelijk, aan. Dat bracht een verwarring en ontsteltenis teweeg! Haastig vlogen mannen en vrouwen van de zo lang verdrukte mos- en grasplantjes op; — ook het arme, blauwe klokje werd bevrijd, door de welgeslaagden aanval van twee oorwurmen op de benen van de dikke juffrouw. De vertwijfeling nam toe: dansend en springend, onder de meest zonderlinge gebaren, trachtten de mensen aan hun vervolgers te ontkomen. De bleke man bood lang weerstand en sloeg met een zwart stokje in 't rond, Maar een paar baldadige mezen, die geen aanvalsmiddel te min achtten en een wesp, die hem door zijn zwarte broek heen in de kuit stak, stelden hem buiten gevecht.
     Toen kon de vrolijke zon zich niet langer goed houden en verborg het gezicht achter een wolk. Grote regendruppels daalden op de strijdende partijen neer. Het was alsof door de regen plotseling een bos van grote, zwarte paddestoelen uit de grond opschoot. Dat waren de paraplu's die werden uitgeklapt. Vrouwen sloegen de rokken over het hoofd, waardoor witte onderrokken, wit gekouste benen en schoenen zonder hakken zichtbaar werden. O, wat had Windekind een pret! hij moest zich aan de bloemstengel vasthouden van 't lachen.
     Dichter en dichter stroomde de regen, hij begon het bos met een grauwe, glinsterende sluier te omhullen. Kletterende waterstralen vielen van de paraplu's, hoge hoeden en zwarte jassen, die glommen als de schilden van de watertor, de schoenen zoenden en smakten in de doorweekte grond. Toen gaven de mensen het op, en dropen bij kleine groepjes zwijgend af, een hoop papieren, lege flessen en sinaasappelschillen als onooglijke sporen van hun bezoek, achterlatend. Op het open veldje in het bos werd het weer verlaten en hoorde je spoedig niet meer dan het eentonige ruisen van de regen.
     “Kijk, Johannes! — nu hebben wij ook mensen gezien. Waarom lach je ook niet om hen?”
     “Ach, Windekind! zijn alle mensen zo?”
     “O! er zijn nog veel ergere en lelijkere. Soms razen en tieren zij en vernielen alles wat mooi en heerlijk is. Zij hakken bomen om en zetten er plompe, vierkante huizen voor in de plaats. Zij vertrappen expres de bloemen en doden voor hun plezier elk dier, dat onder hun bereik komt. In hun steden, waar zij op elkaar kruipen, is alles vuil en zwart en de lucht bedompt en vergiftigd door stank en rook. Zij zijn helemaal vervreemd van de natuur en hun medeschepsels. Daarom slaan zij zo’n dwaas en droevig figuur, als zij er in terugkeren.”
     “Ach! Windekind! Windekind!”
     “Waarom huil je, Johannes? — Je moet niet huilen, omdat je bij de mensen geboren bent. Ik hou toch van je en heb je uitgekozen uit hen allemaal. Ik heb je de taal van vlinders en vogels geleerd en de blik van de bloemen leren begrijpen. De maan kent je, en de goede, milde aarde heeft je lief als haar liefste kind.
     “Waarom zou je niet blij zijn, want ik ben toch je vriend?”
     “O, Windekind, dat ben ik! dat ben ik! — maar ik moet toch huilen om al die mensen!”
     “Waarom? — Je hoeft niet bij ze te blijven, als je dat verdriet doet. Je kunt hier wonen en mij altijd vergezellen. Wij zullen wonen in het dichtste van het bos, in de eenzame, zonnige duinen of in het riet aan de vijver. Ik zal je overal brengen, op de bodem van het water tussen de waterplanten, in de paleizen van elfen en in de woningen van de kabouters. Ik zal met je zweven over velden en wouden, over vreemde landen en zeeën. Ik zal spinnen fijne kleren voor je laten maken en jou vleugels geven, zoals ik ze draag. Wij zullen leven van bloemengeur en met de elfen in het maanlicht dansen. Als de herfst komt, zullen wij met de zomer meetrekken, daarheen waar de hoge palmen oprijzen, waar kleurige bloemtrossen aan de rotsen hangen en het donkerblauwe zeeoppervlak schittert in de zon. En ik zal je altijd sprookjes vertellen. Wil je dat Johannes?”
     “Zal ik dan nooit meer onder de mensen wonen?”
     “Onder de mensen staat je eindeloos verdriet, verveling, vermoeienis en zorg, te wachten. Dag in dag uit zul je tobben en zuchten onder de last van je leven. Zij zullen je tere ziel schokken en pijnigen met hun grofheden. Zij zullen je dood vervelen en martelen. Hou je meer van de mensen dan van mij?”
     “Nee! nee! Windekind, ik wil bij je blijven!”
     Nu kon hij laten zien, hoeveel hij van Windekind hield. Ja! hij wilde iedereen en alles voor hem verlaten en vergeten. Zijn kamertje, Presto en zijn vader. Vol vreugde en vastberaden herhaalde hij zijn wens.
     De regen hield op. Onder de grauwe wolken door straalde een heldere glimlach van de zon over het woud, op de vochtige glanzende bladeren en op de druppels, die aan elk twijgje en halmpje fonkelden en de spinnenwebben versierden, die over het eikenloof gespannen waren. Langzaam steeg een fijne nevel uit de vochtige grond tussen het kreupelhout omhoog, duizend zwoele dromerige geuren meevoerend. — De merel vloog nu naar de hoogste boomtop en zong in korte, innige melodieën tot de dalende zon, — alsof zij wilde laten zien welke zang hier paste, in de plechtige avondstilte, onder de zachte begeleiding van de vallende druppels.
     “Is dat niet mooier dan mensengeluid, Johannes? — Ja! de merel weet wel de juiste toon te treffen. Hier is alles in harmonie, zo volmaakt zult je het bij mensen nooit vinden.”
     “Wat is harmonie, Windekind?”
     “Dat is hetzelfde als geluk. Het is dat, waar alles naar streeft. Ook de mensen. Maar zij doen als jongens, die een vlinder willen vangen. Zij jagen haar juist weg door hun domme pogingen.”
     “Zal ik het bij jou vinden?”
     “Ja Johannes! — Maar dan moet je de mensen vergeten. Het is een slecht begin, bij de mensen geboren te zijn, — maar jij bent nog jong, — jij moet alle herinneringen aan je mensenleven van je afzetten, — bij hen zou je dwalen en in verwarring, strijd en ellende geraken, het zou met je gaan als met de jonge meikever, waar ik je over verteld heb.”
     “Wat is daar verder mee gebeurd?”
     “Hij heeft het heldere schijnsel gezien, waarover de oude kever sprak; hij dacht niet beter te kunnen doen, dan er dadelijk heen te vliegen. Regelrecht vloog hij een kamer in en viel in mensenhanden. Drie dagen lang is hij daar gemarteld, — hij heeft in kartonnen doosjes gezeten, — ze hebben hem draadjes aan de poten gebonden en zo laten vliegen, — toen heeft hij zich losgerukt, een vleugel en een poot verloren en is eindelijk, — hulpeloos op een vloerkleed rondkruipend en nog vruchteloos proberend de tuin te bereiken, — door een zware voet verpletterd. —
     “Alle dieren, Johannes, die in de nacht ronddwalen, zijn net zo goed kinderen van de zon als wij. En al hebben zij nooit hun schitterende vader gezien, toch drijft een onbewuste herinnering hen steeds weer naar alles waar licht uitstraalt. En duizenden arme schepsels van de duisternis vinden een jammerlijke dood door die liefde tot de zon, van wie zij al zo lang gescheiden en vervreemd zijn. Zo voert een onbegrepen, onweerstaanbare neiging de mensen ten verderve in de schijnbeelden van dat Grote Licht, dat hen doet ontstaan en dat zij niet meer kennen.”
     Vragend keek Johannes op naar Windekinds ogen. Maar zij waren diep en vol geheimen, als de donkere hemel tussen de sterren. —
     “Bedoel je God?” vroeg hij eindelijk schuchter.
     “God?”  — De diepe ogen lachten zacht. — “Ik weet, Johannes, waaraan jij denkt, als jij dat woord uitspreekt. Aan de stoel voor je bed, waartegen je het lange gebedje iedere avond opzegt, — aan de groene saaie gordijnen voor het kerkraam, waar je Zondagmorgen zo lang naar kijkt, — aan de grote letters van je bijbeltje, — aan het kerkenzakje met de lange steel, — aan lelijk gezang en een muffe mensenlucht. Wat jij met die naam bedoelt, Johannes, is een belachelijk schijnbeeld, — in plaats van de zon, een grote petroleumlamp, waarop honderden en duizenden mugjes hulpeloos vastgeplakt zitten.”
     “Maar hoe heet dat Grote Licht dan, Windekind? en tot wie moet ik dan bidden?”
     “Johannes, het is alsof een schimmelplantje mij zou vragen hoe de aarde heet, die met haar ronddraait. Als er een antwoord op jouw vraag zou zijn, zou jij het begrijpen zoals een aardworm de muziek van de sterren. Maar ik zal je leren bidden.”
     En met de kleine Johannes, die in stille verwondering over Windekinds woorden peinsde, vloog hij uit het bos omhoog, zo hoog, dat over de duinrand een lange, als goud fonkelende streep zichtbaar werd. Zij vlogen verder, de grillig beschaduwde duinvlakte gleed onder hun blikken weg en breder en breder werd de lichtstreep. De groene kleur van de duinen week, het helm zag er vaal uit en vreemde, bleek-blauwe planten groeiden ertussen. Nog een hoge heuvelrij, een lang gestrekte, smalle zandstrook en dan de wijde, ontzaglijke zee. —
     Blauw was het grote vlak, tot aan de kim, maar onder de zon straalde een smalle strook in een verblindend rode schittering.
     Een lange, donzig witte schuimrand omzoomde het zeeoppervlak, zoals hermelijn het blauwe fluweel omzoomt.
     En aan de kim scheidde lucht en water op een fijne, wonderbare lijn. Een wonder scheen het: recht en toch gebogen, scherp en toch onbestemd, zichtbaar en toch onnaspeurlijk. Het was als de toon van een harp, die lang en dromend naklinkt, die schijnt weg te sterven en toch blijft.
     Toen ging de kleine Johannes op de duinrand zitten en staarde, — staarde in lang, roerloos zwijgen  — totdat het hem leek, alsof hij ging sterven, alsof de grote, gouden deuren van het heelal zich statig ontsloten en zijn kleine ziel het eerste licht van de oneindigheid tegemoet zweefde.
     En totdat de tranen, die in zijn wijd geopende ogen opwelden, de mooie zon omfloersten en de pracht van hemel en aarde deden wegdeinzen in een duistere, trillende schemering ...
     “Zo moet je bidden!” zei Windekind toen.

 


V    

     Heb je wel eens op een fraaie herfstdag door het bos gedwaald? Als de zon zo stil en helder op het rijkgetinte gebladerte schijnt, als de takken kraken en de dorre bladeren ritselen onder je voet?
     Dan lijkt het woud zo moe, — het kan nog alleen maar langzaam terugwijken en leeft in oude herinneringen. Een blauwe nevel omringt het, als een droom, met geheimzinnige pracht en de glinsterende herfstdraden zweven door de lucht in een trage golving, als mooie, doelloze mijmeringen.
     Maar uit de vochtige grond, tussen mos en dorre bladeren, verrijzen dan plotseling en raadselachtig de wonderlijke gestalten van de paddestoelen. Sommige dik, wanstaltig en vlezig, andere slank en rijzig, met een geringde steel en schitterend gekleurde hoed. Dat zijn de zonderlinge droombeelden van het woud.
     Dan zie je ook op vermolmde boomstronken talloze kleine, witte stompjes, met zwarte topjes, alsof zij verbrand zijn. Sommige wijze mensen houden ze voor een soort zwammen. Maar Johannes leerde ‘t beter:
     Het zijn kaarsjes. Zij branden in stille herfstnachten, — dan zitten er de kaboutermannetjes bij en lezen in kleine boekjes.
     Dat leerde Windekind hem op zo’n stille herfstdag, en Johannes ademde een droomsfeer in met de doffe geur, die uit de bosgrond opsteeg.
     Hoe komen de bladeren van de esdoorn zo zwartgevlekt?
     “Ja, dat doen de kabouters ook,” zei Windekind.
     “Als zij ‘s nachts geschreven hebben, gooien zij ‘s morgens de rest van hun inktpotjes over die bladeren uit. Zij houden niet van die boom. Van essenhout maken ze kruisjes en stelen voor kerkenzakjes.”
     Johannes werd nieuwsgierig naar die kleine, vlijtige kabouters, en hij liet Windekind beloven, hem naar één van hen te brengen.
     Lang was hij al bij Windekind geweest, en hij was zo gelukkig in zijn nieuwe leven, dat hij nog weinig berouw voelde over zijn belofte, al het achtergelatene te vergeten. Er waren geen tijden van angst of eenzaamheid, waarin altijd het berouw opkomt. Windekind verliet hem nooit, en bij hem was elke plek een thuis. Rustig sliep hij in het wiegelend nest van een karkiet, dat tussen de groene riethalmen hing, al brulde de roerdomp en krasten de kraaien nog zo onheilspellend. Geen angst voelde hij bij kletterende regen of een suizende storm, — dan school hij in holle bomen, of konijnenholen, en kroop dicht onder Windekinds manteltje en luisterde naar zijn stem die sprookjes vertelde.
     En nu zou hij de kabouters zien.
     't Was er een goede dag voor. Zo stil! zo stil! Johannes dacht al hun fijne stemmetjes en het geschuifel van hun voetjes te horen. Maar het was nog middag. De vogels waren bijna allemaal weg, alleen de lijsters smulden van de felrode bessen. Eén zat er gevangen in een strik. Met uitgespreide vleugels hing hij daar en spartelde, tot het scherp omknelde pootje bijna uitelkaar scheurde. Gauw bevrijdde Johannes hem, en onder blij getwinkel vloog hij haastig weg.
     De paddestoelen hadden het druk onder elkaar.
     “Kijk mij eens!” zei een dikke duivelszwam. “Heb je ooit zo iets gezien? Kijk eens hoe dik en wit mijn steel is en wat mijn hoed glimt. Ik ben de grootste van allemaal. En dat in één nacht!”
     “Ba!” zei de rode vliegezwam, “jij bent heel lomp, zo bruin en grof. Ik wiegel op mijn slanke steel als een riethalm. Ik ben prachtig rood als de lijsterbessen en sierlijk gespikkeld. Ik ben mooier dan allemaal.”
     “Stil!” zei Johannes, die hen wel kende van vroeger: “jullie zijn allebei giftig.”
     “Dat is een deugd,” zei de vliegezwam.
     “Ben jij toevallig een mens?” bromde de dikke schamper. “Dan mag ik lijden dat jij mij opeet.”
     Dat deed Johannes echter niet. Hij nam dorre takjes en stak die in de vlezige hoed. Dat stond gek en alle anderen lachten. Ook een troepje dunne paddestoelen met bruine kopjes, die tezamen in een paar uur waren opgeschoten en elkaar verdrongen om de wereld in te kijken. De duivelszwam werd blauw van kwaadheid. Daardoor kwam zijn giftige aard voor de dag.
     Aardsterren hieven hun ronde, opgeblazen hoofdjes op vierpuntige voetstukjes omhoog. Van tijd tot tijd vloog een bruin wolkje uiterst fijn poeder uit de opening van het ronde hoofdje. Waar dat poeder in vochtige bodem neerviel, zouden zich draden door de zwarte aarde vlechten en het volgende jaar honderden nieuwe aardsterren opschieten.
     “Wat een prachtig bestaan!” zeiden zij tot elkaar.
     “Stuiven is het hoogste levensdoel! Wat een geluk te kunnen stuiven zo lang je leeft!”
     En met aandachtige toewijding dreven zij de kleine poederwolkjes de lucht in.
     “Hebben zij gelijk, Windekind?”
     “Waarom niet? — Wat kan voor hen hoger zijn?
Gelukkig dat zij niet méér willen, want zij kunnen niet anders.”
     Toen de nacht was neergedaald en de schaduwen van de bomen tot een gelijkmatig duister waren ineengevloeid, hield het geheimzinnige woudleven niet op. De takjes kraakten en knapten, de dorre blaadjes ritselden hier en daar, tussen het gras en in het kreupelhout. Johannes voelde de tocht van onhoorbare vleugelslagen en was zich bewust van de nabijheid van onzichtbare wezens. Nu hoorde hij toch duidelijk stemmetjes fluisteren en voetjes trippelen. Kijk, daar in de duistere diepte van de struiken gloeide even een klein, blauw vonkje en verdween. Daar weer een  — en weer! Stil ... als hij goed luisterde, hoorde hij geschuifel in de bladeren vlak bij hem, — bij die donkere boomstronk. De blauwe lichtjes kwamen er achter te voorschijn  — en hielden halt op de top.
     Overal zag Johannes nu lichtglanzen glimmen, zij zweefden tussen het donkere gebladerte, dansten met kleine sprongen langs de grond, en daar straalde een grote tintelende massa als een blauw vreugdevuur.
     “Wat is dat voor een vuur?” vroeg Johannes. “Dat brandt prachtig!”
     “Dat is een vermolmde boomstam,” zei Windekind. Zij gingen op een stil, helder lichtje af.
     “Nu zal ik je aan Wistik voorstellen. Dat is de oudste en wijste van de kabouters.”
     Dichterbij gekomen, zag Johannes hem bij zijn kaarsje zitten. Duidelijk kon je bij de blauwe schijn het gerimpelde gezichtje met de grijze baard onderscheiden; hij las hardop met samengetrokken wenkbrauwen. Op het hoofd droeg hij een eikelkapje met een klein veertje, — vóór hem zat een kruisspin en luisterde naar de voorlezing.
     Toen de twee naderden, keek de kabouter zonder het hoofd op te heffen, uit zijn boekje op en trok de wenkbrauwen omhoog. De kruisspin kroop weg. “Goede avond!” zei de kabouter. “Ik ben Wistik. Wie zijn jullie beiden?”
     “Ik heet Johannes. Ik wilde graag met je kennismaken. Wat lees jij daar?”
     “Dat is niet voor jouw oren bestemd,” zei Wistik; “dat is alleen voor kruisspinnen.”
     “Laat het mij ook eens zien, lieve Wistik!” vroeg Johannes.
     “Dat mag ik niet. Dat is het heilige boek van de spinnen, — dat bewaar ik en mag ik nooit uit mijn handen geven. Ik heb de heilige boeken van torren en vlinders en egels en mollen en van alles wat hier leeft. Zij kunnen niet allemaal lezen  — en als zij nu iets willen weten, lees ik het hen voor. Dat is een grote eer voor mij, — een post van vertrouwen, begrijp je?”
     Het mannetje knikte een paar keer heel ernstig en stak een wijsvingertje op.
     “Waarmee was je nu bezig?”
     “Met de geschiedenis van Kribbelgauw, de grote held van de kruisspinnen, die heel lang geleden leefde en een net had, dat over drie bomen gespannen was, waarin hij miljoenen vliegen op één dag ving. Vóór Kribbelgauw's tijd maakten de spinnen geen netten en leefden van gras en dode beestjes; maar Kribbelgauw was een knappe kop en bewees, dat ook levende beestjes tot spinnenvoedsel  konden dienen. Toen vond Kribbelgauw ook de kunstige netten uit, door moeilijke berekeningen, want hij was een groot wiskunstenaar. En de kruisspinnen maken nog altijd hun netten precies, draadje voor draadje, zoals hij het geleerd heeft, maar veel kleiner. Want het spinnengeslacht is erg ontaard. Kribbelgauw ving grote vogels in zijn net en vermoordde duizend van zijn eigen kinderen, — dat was nog eens een grote spin. Uiteindelijk is er een geweldige storm gekomen en heeft Kribbelgauw met zijn net en de drie bomen, waaraan het vastzat, door de lucht meegesleept, naar verre bossen, waar hij nu eeuwig vereerd wordt om zijn grote moordlust en vlugheid.”
     “Is dat allemaal waar?” vroeg Johannes.
     “Het staat in dit boekje,” zei Wistik.
     “Geloof jij het?”
     De kabouter kneep één oog dicht en legde de wijsvinger langs de neus.
     “In de heilige boekjes van andere dieren, waarin over Kribbelgauw gesproken wordt, heet hij een verfoeilijk en verachtelijk monster. Maar ik hou mij er buiten.”
     “Is er ook een kabouterboekje, Wistik?”
     Wistik keek Johannes enigszins wantrouwend aan.
     “Wat ben jij eigenlijk voor een wezen, Johannes? Jij hebt zo iets — zo iets — menselijks, zou ik zeggen.”
     “Nee! nee! wees gerust, Wistik,” zei Windekind toen, “wij zijn elfen. Maar Johannes heeft vroeger veel mensen gezien. Jij kunt hem echter vertrouwen. Het zal hem geen kwaad doen.”
     “Ja! ja! dat is goed en wel, maar ik wordt de wijste van de kabouters genoemd en ik heb lang en ijverig gestudeerd vóórdat ik wist wat ik weet. Nu moet ik voorzichtig zijn met mijn wijsheid. Als ik teveel vertel, verlies ik mijn reputatie.”
     “Maar in welk boekje denk jij dan, dat het ware staat?”
     “Ik heb veel gelezen, maar ik geloof niet, dat ik dat boekje ooit gelezen heb. Het is niet het elfenboekje, ook niet het kabouterboekje. Toch moet het er zijn.”
     “Het mensenboekje misschien?”
     “Dat ken ik niet, maar ik zou zo denken van niet. Want het ware boekje moet groot geluk en grote vrede brengen, — daarin moet nauwkeurig staan, waarom alles is zoals het is, zodat niemand iets meer kan vragen of verlangen. Nou, zóver zijn de mensen, geloof ik, niet.”
     “O! O nee!” lachte Windekind.
     “Is er echt zo’n boekje?” vroeg Johannes gretig.
     “Ja! ja!” fluisterde het kaboutertje, “ik weet het uit oude, — oude verhalen. En — stil! — ik weet ook waar het is en wie het vinden kan.”
     “O! Wistik! Wistik!”
     “Waarom heb je het dan nog niet?” vroeg Windekind.
     “Geduld maar, — dat zal wel gebeuren. Een paar bijzonderheden weet ik nog niet. Maar ik zal het spoedig vinden. Ik heb er mijn leven lang voor gewerkt en naar gezocht. Want voor hem, die het vindt, zal het leven zijn als een eeuwige herfstdag, — blauwe lucht boven en blauwe nevel rondom, — maar geen vallend blad zal ritselen, geen takje zal kraken en geen druppel zal tikken, — de schaduwen zullen niet veranderen, en het goud op de boomtoppen zal niet verbleken. Wat voor ons licht lijkt, zal duister zijn, en wat voor ons gelukkig lijkt, zal droevig zijn voor hem die dat boekje gelezen heeft. Ja! dit weet ik allemaal, en ik zal het ook ooit vinden.”
     Het kaboutertje trok de wenkbrauwen heel hoog op en legde de vinger op zijn mond.
     “Wistik zou jij mij kunnen leren ...” begon Johannes; Maar voordat hij kon uitpraten, voelde hij een hevige windvlaag en zag een grote, zwarte gedaante vlak boven zich, die snel en onhoorbaar voorbijschoot.
     Toen hij weer naar Wistik keek, zag hij nog even een voetje in de boomstronk verdwijnen. Wip! was het kaboutertje voorover in zijn hol gesprongen, met boek en al. Het kaarsje begon flauwer en flauwer te branden en ging opeens uit. Het zijn zeer bijzondere kaarsjes.
     “Wat was dat?” vroeg Johannes, zich in het duister angstig aan Windekind vastklemmend.
     “Een nachtuil,” zei Windekind.
     Zij zwegen allebei een tijdlang. Toen vroeg Johannes: “Geloof je wat Wistik gezegd heeft?”
     “Wistik is niet zo wijs als hij zelf denkt. Zo’n boekje vindt hij nooit, en jij ook niet.”
     “Maar bestaat het?”
     “Dat boekje bestaat zoals je schaduw bestaat, Johannes! Hoe hard jij ook loopt en hoe behoedzaam jij er ook naar grijpt, jij zult haar niet kunnen inhalen of pakken. En uiteindelijk merk je dat je jezelf zoekt. Wees niet dwaas en vergeet die kabouterpraat! Ik zal je honderd mooiere geschiedenissen vertellen. Ga mee; wij zullen naar de rand van 't bos gaan en kijken hoe onze goede Vader de witte wollen dauwdekens van de slapende weilanden oplicht. Ga mee!”
     Johannes ging, Maar Windekinds woorden begreep hij niet en zijn raad volgde hij niet op. En terwijl hij de schitterende herfstmorgen zag oprijzen, mijmerde hij over het boekje, waarin stond, waarom alles is zoals het is, en herhaalde zachtjes bij zichzelf: “Wistik! ...”
 


VI

     Toen leek het hem, de volgende dagen, alsof het niet zo vrolijk en prettig meer was bij Windekind in het bos en de duinen. Zijn gedachten waren niet helemaal meer vol van alles wat Windekind zei en hem liet zien. Telkens moest hij weer over dat boekje piekeren  — en daarover durfde hij niet te praten. Wat hij zag, leek hem niet zo mooi en wonderlijk meer als vroeger. De wolken waren zo zwart en zwaar  — en maakten hem angstig, alsof zij op hem neer zouden komen. Het deed hem pijn, als de herfstwind zo rusteloos de arme, moeie bomen schudde en zweepte, dat de bleke achterkant van de groene bladeren boven kwam en geel loof en dorre takken opvlogen in de lucht.
     Wat Windekind vertelde, gaf hem geen bevrediging meer. Veel begreep hij niet, en nooit kreeg hij een volkomen duidelijk en bevredigend antwoord, wanneer hij een van zijn oude vragen stelde.
     Dan moest hij weer aan dat boekje denken, waarin alles zo helder en eenvoudig geschreven stond, en aan die eeuwig zonnige stille herfstdag, die dan zou volgen.
     “Wistik! Wistik!”
     Windekind hoorde het.
     “Johannes! jij zal toch een mens blijven, ben ik bang. Zelfs je vriendschap is als die van de mensen, de eerste, die na mij met je sprak, heeft heel je vertrouwen weggenomen. Ach, mijn moeder had wel gelijk!”
     “Nee Windekind! maar jij bent zoveel wijzer dan Wistik, — jij bent ook zo wijs als dat boekje. Waarom zeg jij mij niet alles? Kijk nou! waarom blaast de wind door de bomen, dat zij moeten buigen en weer buigen? Kijk, zij kunnen niet meer, — de mooiste takken breken, en bij honderden laten de blaadjes los ook al zijn ze nog groen en fris. Ze zijn zo moe en kunnen zich niet meer vasthouden, en toch worden ze telkens weer opnieuw geschud en geslagen door die ruwe nijdige wind. Waarom is dat? Wat wil de wind?”
     “Arme Johannes! dat is mensentaal!”
     “Laat het stil worden, Windekind! Ik wil stilte en zonneschijn!”
     “Jij vraagt en wil als een mens, daarop is geen antwoord noch verwezenlijking. Als jij niet beter leert vragen en wensen, zal de herfstdag nooit voor je aanbreken, en zul jij net zo worden als de duizenden mensen, die Wistik gesproken hebben.”
     “Zijn er zoveel?”
     “Ja, duizenden! Wistik hield zich heel geheimzinnig maar toch is hij een prater, die zijn geheim niet achterhouden kan. Hij hoopt het boekje bij de mensen te vinden, en deelt zijn wijsheid aan iedereen mee, die hem misschien kan helpen. En hij heeft daar al veel ongelukkigen mee gemaakt. Zij geloven hem en gaan het boekje zoeken, met evenveel ijver als sommigen de kunst om goud te maken. Zij offeren alles op, — vergeten heel hun bedrijf en geluk  — en sluiten zich op tussen dikke boeken, vreemde stoffen en werktuigen. Zij riskeren hun leven en gezondheid, ze vergeten de blauwe hemel en de goede, milde natuur en ook hun medemensen. Soms vinden zij mooie en nuttige dingen als goud-klompen, die zij uit hun holen op de lichte, zonnige aardoppervlakte gooien, Maar zelf bekommeren zij zich daar niet om, laten anderen er van genieten  — en graven en wroeten ingespannen en rusteloos in het duister verder. Zij zoeken geen goud, maar het boekje. Sommigen versuffen ook onder dat werk, vergeten hun doel en hun wens en dwalen af tot een jammerlijk gebeuzel. Dan heeft de kabouter hen kinds gemaakt. Je ziet ze torentjes van zand bouwen en tellen hoeveel korrels er nodig zijn voordat ze omvallen; ze maken watervalletjes en berekenen precies elk bochtje en golfje, dat het water zal maken; ze graven kuiltjes en besteden al hun geduld en vernuft, om die mooi glad en zonder steentjes te krijgen. Stoor je die arme verdwaasden in hun werk en vraag je wat zij doen, dan kijken zij je ernstig en gewichtig aan, schudden het hoofd en mompelen: “Wistik! Wistik!”
     “Ja, dit is allemaal de schuld van die kleine, nare kabouter. Pas op voor hem, Johannes!”
     Maar Johannes staarde voor zich uit naar de zwaaiende en piepende bomen; boven zijn heldere kinderogen plooide zich de tere huid tot rimpels. Nog nooit had hij zo ernstig gekeken.
     “Maar toch, — je hebt het zelf gezegd, — het boekje was er! O, ik weet zeker, daar staat ook in over het Grote Licht, dat jij mij niet vertellen wil.”
     “Arme, arme Johannes!” zei Windekind, en zijn stem was boven het roezige geruis van de storm als een vredig koraalgezang, dat van verre klonk. “Heb mij lief, heb mij lief met heel je wezen. In mij vindt je meer dan dat wat je wenst. Jij zult begrijpen wat je niet bedenken kunt, en jij zult zelf zijn, wat jij wil weten. Aarde en hemel zullen je vertrouwden, de sterren zullen je naasten, de oneindigheid zal je woning zijn.”
“Heb mij lief, heb mij lief! omvat mij zoals de hoprank de boomstam, blijf mij trouw zoals het meer de bodem, — in mij alleen is heel je rust, Johannes!”
     Windekinds woorden zwegen, maar het was alsof het koraalgezang voortduurde. Uit de verre verte leek het aan te zweven, plechtig en gelijkmatig, door het razen en suizen van de wind, vredig als het maanlicht, dat door de jagende wolken scheen.
Windekind breidde de armen uit, en Johannes sliep aan zijn borst, beschermd door het blauwe manteltje. —
     Maar in de nacht werd hij wakker. De stilte was plotseling en onmerkbaar over de aarde gekomen, de maan onder de kimmen gedaald. Roerloos hing het afgematte gebladerte, — een zwijgende duisternis vervulde het bos.
     Toen kwamen de vragen in een snelle, spookachtige opeenvolging in Johannes' hoofd terug en dreven het nog zo prille vertrouwen voor zich uit. Waarom waren de mensen zo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren vallen en de bloemen sterven? Waarom? Waarom?
     Daar dansten in de diepte van 't kreupelhout de blauwe lichtjes weer. Zij kwamen en gingen. Ingespannen staarde Johannes hen na. Hij zag het grote, heldere lichtje glanzen op de donkere boomstronk. Windekind sliep vast en rustig.
     “Nog één vraag!” dacht Johannes en gleed onder het blauwe manteltje vandaan.
     “Ben je daar weer!” zei Wistik en knikte hartelijk. “Dat doet mij heel veel genoegen. Waar is je vriend?”
     “Daarginds. Ik wilde je alleen nog één vraag stellen. Wil jij mij daarop antwoorden?”
     “Jij bent bij mensen geweest, nietwaar? — Is het je om mijn geheim te doen?”
     “Wie zal dat boekje vinden, Wistik?”
     “Ja, Ja! dat is het! dat is het! — Wil je mij helpen, als ik het je zeg?”
     “Als ik kan, — zeker!”
     “Luister dan, Johannes!” Wistik zette verbazend grote ogen op en trok zijn wenkbrauwen hoger op dan ooit. Toen fluisterde hij langs de rug van zijn handje: “Mensen hebben het gouden kistje, elfen hebben de gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, slechts mensenvriend opent het. Lentenacht is de juiste tijd, en roodborstje weet de weg.”
     “Is dat waar? Is dat waar?” riep Johannes en dacht aan zijn sleuteltje.
     “Ja!” zei Wistik.
     “Waarom heeft niemand het dan nog gevonden? Zoveel mensen zoeken ernaar.”
     “Ik heb geen mens, geen mens gezegd, wat ik je toevertrouwd heb. Ik heb nog nooit een elfenvriend gevonden.”
     “Ik heb het, Wistik! ik kan je helpen!” Johannes juichte en klapte in de handen. “Ik zal het Windekind vragen.”
     Weg vloog hij over mos en dorre bladeren. Maar hij struikelde telkens, en zijn gang was zwaar. Dikke takken knapten onder zijn voet, waar hij anders geen grashalmpje boog.
     Daar was de dichte varenplant, waaronder zij geslapen hadden, — wat leek die hem laag.
     “Windekind!” riep hij. Maar hij schrok van het geluid van zijn stem.
     “Windekind!” Het klonk als een mensenstem, — een schuwe nachtvogel vloog krijsend op.
     Leeg was het onder de varenstruik, Johannes zag niets.
     De blauwe lichtjes waren verdwenen; het was kil en peilloos duister om hem heen. Boven zich zag hij de zwarte schimmen van de boomkruinen tegen de sterrenlucht.
     Nog één keer riep hij. Toen durfde hij niet meer. Zijn stem was een inbreuk op de stilte, en Windekinds naam leek een spotklank.
     Toen viel het arme Johannesje neer en snikte in een radeloos berouw.
 


VII

     Kil en grauw was de morgen. De zwarte glimmende takken, door de storm ontbladerd, huilden in de mist.
     Over het natte, neergeslagen gras liep de kleine Johannes haastig voort, voor zich uit starend naar de kant, waar het woud lichter werd, alsof hij daar een doel had. Zijn ogen waren rood van 't huilen en strak van angst en diepe ellende. Zo had hij de hele nacht gelopen, alleen maar zoekend naar het licht, — met Windekind was het veilige thuisgevoel weg. In elke donkere plek zat het spook van de eenzaamheid, en hij durfde niet om te kijken.
     Eindelijk kwam hij aan bij de bosrand. Hij keek uit over een weiland, waarop een fijne, klamme regen langzaam neerdaalde. Er stond een paard middenin, naast een kale wilgeboom. Het stond onbeweeglijk met gebogen kop, en het water druppelde traag van zijn glimmende flanken en uit de samengepakte manen.
     Johannes liep door, langs het bos. Hij keek met een matte, angstige blik naar het eenzame paard en de grauwe regennevel en kreunde zacht.
     “Nu is alles voorbij,” dacht hij; “nu zal de zon wel nooit meer terugkomen. Nu zal het voor mij altijd blijven zoals hier.”
     Toch durfde hij in zijn wanhoop niet stil te blijven staan, — dan zou het vreselijkste komen, dacht hij.
     Toen zag hij het grote hek van een buitenplaats en een huisje, onder een lindeboom met heldergele bladeren.
     Hij ging het hek door en liep door de brede lanen, waar de bruine en gele lindebladeren in een dikke laag de grond bedekten. Langs de grasperken groeiden paarse asters en andere kleurige herfst-bloemen verwilderd door elkaar.
     Hij kwam bij een vijver. Daarbij stond een groot huis met lage ramen en glazen deuren. Rozenstruiken en klimop groeiden tegen de muren. Het was overal doods en gesloten. Half ontbladerde kastanjebomen stonden stil rondom, en op de grond, tussen de afgevallen bladeren, zag Johannes de glimmend bruine kastanjes blinken.
     Toen week het kille, dode gevoel van hem. Hij dacht aan zijn eigen huis, — daar waren ook kastanjebomen, en in deze tijd ging hij altijd de gladde kastanjes zoeken. Hij begon er plotseling naar te verlangen, — alsof hij een bekende stem had horen roepen. Hij ging op een bank bij het grote huis zitten en huilde zich rustig.
     Een eigenaardige geur deed hem opkijken. Er stond een man naast hem, met een witte voorschoot om en een pijp in de mond. Om zijn middel had hij stroken lindebast, waarmee hij de bloemen opbond. Johannes kende die geur zo goed, hij deed hem aan zijn eigen tuin denken en aan de tuinman, die hem mooie rupsen bracht en spreeuweneieren voor hem uithaalde.
     Hij schrok niet, — al was het een mens, die naast hem stond. Hij vertelde de man dat hij eenzaam en verdwaald was, en dankbaar volgde hij hem naar de kleine woning onder de geelgebladerde lindeboom.
     Daarbinnen zat de tuinmansvrouw en breide zwarte kousen. Boven het turfvuurtje op de haardplaat hing een grote ketel water te koken. Op de vloermat bij het vuur zat een kat met gevouwen voorpoten, net zoals Simon gezeten had, toen Johannes van huis wegging.
     Johannes werd bij het vuur gezet, om zijn voeten te drogen. “Tik! — Tik! — Tik! — Tik!” zei de grote hangklok. Johannes keek naar de stoom, die suizend uit de ketel vloog, en naar de kleine vlammetjes, die vlug en grillig om de turven huppelden.
     “Nu ben ik onder de mensen,” dacht hij.
     Dat was niet vervelend. Hij voelde zich kalm en rustig. Zij waren goed en vriendelijk en vroegen hem, wat hij nu het liefst wilde.
     “Het liefst zou ik hier willen blijven,” antwoordde hij.
     Hier had hij rust, en als hij naar huis zou gaan, zouden er verdriet en tranen komen. Hij zou moeten zwijgen, en ze zouden hem zeggen, dat hij kwaad had gedaan. Hij zou alles terug moeten zien en alles nog een keer moeten overdenken.
     Wel verlangde hij naar zijn kamertje, naar zijn vader, naar Presto, — maar hij droeg liever het stille verlangen hier, dan het pijnlijke moeilijke weerzien. En het was of hij hier aan Windekind kon blijven denken, en thuis niet.
     Windekind was nu vast weggegaan. Ver weg naar het zonnige land, waar de palmen over de blauwe zee heenbuigen. Hij wilde hier boete doen en op hem wachten.
     Daarom smeekte hij de beide goede mensen, of hij bij hen mocht blijven. Hij zou gehoorzaam zijn en voor hen werken. Hij zou helpen de tuin en de bloemen te verzorgen. Alleen deze winter maar. Want hij hoopte in stilte, dat Windekind in de lente zou terugkomen.
     De tuinman en zijn vrouw dachten dat Johannes was weggelopen, omdat hij thuis hard behandeld werd. Zij hadden medelijden met hem, en beloofden hem, dat hij mocht blijven.
     Hij bleef en hielp de bloemen in de tuin verzorgen. Een slaapkamertje gaven ze hem, met een bedstede van blauwe planken. Van daaruit zag hij 's ochtends de natte, gele lindebladeren langs het venster strijken en 's nachts de donkere stammen heen en weer wiegelen, waarachter de sterren verstoppertje speelden. Nu gaf hij namen aan de sterren en noemde de helderste: Windekind.
     Aan de bloemen, die hij bijna allemaal kende van huis, vertelde hij zijn verhaal. Aan de ernstige, grote asters, aan de kleurige zinnia's, aan de witte chrysanten, die zo lang bleven bloeien in het ruwe najaar. Toen alle andere bloemen dood waren, stonden de chrysanten nog, — en zelfs toen op een morgen de eerste sneeuw gevallen was en Johannes vroeg naar hen kwam kijken, staken zij hun vrolijke gezichtjes omhoog en zeiden: “Ja, wij zijn er nog! Dat had je niet gedacht!” Zij hielden zich goed, Maar twee dagen later waren zij allemaal dood.
     Maar in de serre prijkten dan nog palmen en boomvarens en hingen de vreemde bloemtrossen van de orchideeën in de vochtige zwoelte. Met verwondering staarde Johannes in hun prachtige kelken en dacht aan Windekind. Hoe kil en kleurloos leek het allemaal dan, als hij buiten kwam, de natte sneeuw met de zwarte voetstappen en de rafelende, druipende boomgeraamten.
     Alleen als de sneeuwvlokken uren en uren achter elkaar zwijgend waren neergedaald, zodat de twijgen bogen onder het aangroeiende dons, liep Johannes graag in de violette schemering van het sneeuwbeschaduwde bos. Dat was stilte, maar geen dood. En het was bijna mooier dan zomergroen, als het blinkend wit van de gekruiste takjes tegen de helderblauwe hemel afstak, of als een te zwaar beladen struik het sneeuwloof van zich af liet glijden, zodat het, tot een schitterend wolkje verstuivend, neerdaalde.
     Eens op zo’n wandeling, toen hij zo ver gekomen was, dat hij niets om zich heen zag dan sneeuw en sneeuwdragende takken, — half wit, half zwart — en alle geluid en leven verdoofd leken in het glinsterend donzen omhulsel, gebeurde het, dat hij een klein, wit diertje snel voor zich uit dacht te zien lopen. Hij volgde het, — het leek niet op een diertje, dat hij kende, — maar toen hij het wilde grijpen, verdween het plotseling in een boomstronk. Johannes tuurde in de ronde zwarte opening waarin het verdwenen was, en dacht: “Zou dat Wistik zijn?”
     Hij dacht niet veel aan hem. Het leek hem niet goed, en hij wilde zijn boete niet verzwakken. En het leven bij de twee goede mensen liet hem weinig vragen. Wel moest hij 's avonds voorlezen uit een dik boek waarin veel over God gesproken werd, maar hij kende dat boek en las gedachteloos.
     Die nacht echter, na die wandeling in de sneeuw, lag hij wakker in zijn bedstee en keek naar het koude schijnsel van de maan op de vloer. Toen zag hij opeens twee kleine handjes, die boven de beddenplank uitkwamen en zich stevig om de rand haakten. Daar verscheen de punt van een wit pelsmutsje tussen de twee handjes, en eindelijk zag hij een paar ernstige oogjes onder hoog opgetrokken wenkbrauwen.
     “Goede avond, Johannes!” zei Wistik. “Ik kwam je even herinneren aan onze afspraak. Jij kunt het boekje nog niet gevonden hebben, want het is nog geen lente. Maar denk je er wel aan? Wat is dat voor een dik boek, waarin ik je heb zien lezen? — Dat kan niet het echte zijn. Denk dat niet.”
     “Dat denk ik niet, Wistik,” zei Johannes. Hij draaide zich om en wilde slapen. Maar het sleuteltje wilde niet uit zijn hoofd. En als hij voortaan in het dikke boek las, dacht hij erbij, en hij zag dan duidelijk dat het niet het echte was.

Naar hoofdstuk VIII
 Naar boven