Lev Shestov
http://www.angelfire.com/nb/shestov/index.html
De
Gave
van
de
Profetie
Ter
gelegenheid
van
de
vijfentwintigste
verjaardag van het overlijden van F.M. Dostojewski
Uit:
VOORLAATSTE WOORDEN
& ANDERE ESSAYS
I
Wladimir
Solowjew [1] noemde
Dostojewski gewoonlijk “de profeet,” en zelfs “de profeet van God.”
Meteen na
Solowjew, hoewel vaak volstrekt onafhankelijk van hem, beschouwden veel
mensen Dostojewski
als de man voor wie de boeken over de bestemming van de mens waren
geopend, en
dat gebeurde niet alleen ná zijn dood, maar zelfs toen hij nog
in leven was.
Blijkbaar achtte Dostojewski, als hij dan zichzelf niet als profeet
beschouwde
– daar was hij te scherpzinnig voor - het zelf tenminste juist als alle
mensen
in hem een profeet zouden zien. Daar dragen de toon van Het Dagboek
van een
Schrijver, en niet minder de vraagstukken die hij daar over het
algemeen in
aanroert, toe bij. Het Dagboek van een Schrijver begon te
verschijnen in
1873, dat wil zeggen na de terugkeer van Dostojewski uit het
buitenland, en
valt daarom samen met wat zijn biografen “de meest belangrijke periode
van zijn
leven” noemen. Op dat moment was Dostojewski de gelukkige vader van een
gezin,
iemand met een onaantastbare positie, een beroemd schrijver en de
auteur van
een hele reeks romans die iedereen kende: De Aantekeningen uit een
Dodenhuis, De Idioot, en De Demonen. Hij heeft dan alles
wat van het
leven kan worden verlangd, of juister, hij heeft alles wat er uit
het
leven kan worden gehaald. Herinner je je nog de ontboezeming van
Tolstoj in
zijn Biecht? “Uiteindelijk zal ik net zo beroemd zijn als
Poesjkin,
Gogolj, Goethe en Shakespeare – en wat komt daarna dan?”
Het is inderdaad niet eenvoudig om een beroemder schrijver dan
Shakespeare te
worden; en zelfs als iemand daarin slaagt, zou de onvermijdelijke vraag
“En wat
komt daarna dan?”, op geen enkele manier zijn weggenomen. Vroeg of laat
duikt
in de activiteiten van een groot schrijver het moment op, waarop
verdere
vervolmaking onmogelijk lijkt. Hoe kan iemand in de litteraire wereld
groter
zijn dan zichzelf? Als hij verder zou willen gaan, dan moet hij dankzij
of
ondanks zijn eigen wilskracht naar een ander niveau overstappen. En dat
is, bij
een schrijver, zonder meer het begin van het profeteren. Vanuit het
algemene
standpunt is de profeet groter dan de schrijver; maar zelfs genialiteit
is niet
altijd een garantie tegen dat algemene standpunt. Zelfs zo sceptische
mensen
als Tolstoj en Dostojewski, mensen die bereid waren om overal aan te
twijfelen,
waren meer dan eens slachtoffer van vooroordelen. Er werden profetische
woorden
van hen verwacht, en zij traden naar buiten om tegemoet te komen aan de
wensen
van het volk, Dostojewski zelfs nog bereidwilliger dan Tolstoj.
Bovendien
profeteerden beiden nogal klunzig: zij beloofden het ene, en er
gebeurde iets
heel anders. Zo beloofde Tolstoj lang geleden, dat mensen uit hun
dwaling
zouden ontwaken, hun broederstrijd zouden opgeven, zouden gaan leven
zoals ware
christenen zouden moeten leven, en het evangelische gebod van de liefde
zouden
vervullen. Tolstoj profeteerde en predikte; de mensen lazen hem zoals
zij
kennelijk geen andere schrijver lazen: maar zij hebben noch hun
gewoonten, noch
hun voorkeuren veranderd. De laatste tien jaar van zijn leven is
Tolstoj
noodgedwongen getuige geweest van een hele reeks gruwelijke en uiterst
barbaarse oorlogen. In nu is er dan onze huidige revolutie [1905] –
gewapende,
muitende bendes, galgen die worden opgericht, mensen die worden
neergeschoten,
bommen – de revolutie, die de plaats innam van de bloedige oorlog in
het Verre
Oosten!
En dat vindt plaats in Rusland, waar Tolstoj was geboren, had geleefd,
had
onderricht en had geprofeteerd, en waar miljoenen mensen hem oprecht
als het allergrootste
genie beschouwden! Zelfs in zijn eigen gezin kon Tolstoj niet de
verandering
bewerkstelligen die hij wilde. Een van zijn zonen is legerofficier; de
andere
schrijft in de Novoje Vremya (De Nieuwe Tijd), alsof hij de
zoon van
Souvorin [2] is, en niet van Tolstoj…Waar blijft die gave van de
profetie dan?
Hoe komt het dat iemand die zo groot is als Tolstoj niets kan voorzien,
en
kennelijk starend zijn weg door het leven gaat? “Wat zal de dag van
morgen
brengen?” “Morgen zal ik wonderen verrichten,” sprak de tovenaar tot de
vorst
van lang geleden. Als antwoordt trok de vorst zijn zwaard en sloeg de
tovenaar
het hoofd af; en de opgewonden menigte, die in de tovenaar-profeet
geloofde,
werd rustig en ging naar huis. De geschiedenis onthoofdt altijd
profetische
voorspellingen. Kleingelovig kijkt het volk uit naar een teken, omdat
het naar
een wonder verlangt.
Maar kan het vermogen om te voorspellen als een blijk worden beschouwd
van het
vermogen om wonderen te verrichten? Het is mogelijk om een
zonsverduistering te
voorspellen of de verschijning van een komeet, maar dat betekent
ongetwijfeld
alleen een wonder voor de onwetende. Een verlichte geest weet zeker dat
waar
een voorspelling mogelijk is, geen wonder bestaat, aangezien de
mogelijkheid
van voorspelling en vooruitzien een strikte eensluidendheid
vooronderstelt.
Daarom zal niet iemand met grote spirituele gaven, noch iemand die de
wereld
wil overheersen en wetten wil uitvaardigen, noch de magiër, noch
de tovenaar,
noch de kunstenaar, een profeet blijken te zijn, maar iemand, die zelf
al bij
voorbaat is gezwicht voor de bestaande orde en haar wetten en die zich
heeft
gewijd aan de mechanische arbeid van registreren en cijferen. Bismarck
kon de
grootheid van Rusland en Duitsland voorspellen; en niet alleen
Bismarck, maar
elke gewone Duitse politicus, voor wie alles is teruggebracht tot Deutschland,
Deutschland
über
alles, kon de geschiedenis vele jaren vooruit
lezen; en
toch konden Dostojewski en Tolstoj niets voorzien. Bij Dostojewski is
het falen
nog duidelijker dan bij Tolstoj, omdat hij zich vaker aan een
voorspelling
waagde: meer dan de helft van zijn Dagboek bestaat uit
onvervulde voorspellingen.
Zovaak vertrouwde hij op zijn profetische talent.
II
Er
zullen wellicht mensen
zijn die het ongepast vinden dat ik in een artikel, gewijd aan de
vijfentwintigste verjaardag van het overlijden van de schrijver, zijn
vergissingen en dwalingen in herinnering breng. Dat verwijt is
eigenlijk niet
terecht. Een bepaald soort tekortkoming bij een groot man is op zijn
minst even
kenmerkend als zijn kwaliteiten.
Dostojewski
was
geen
Bismarck.
Maar
is dat nou zó erg dat wij daarom moeten jammeren? Bovendien
zijn voor
schrijvers van het soort van Tolstoj en Dostojewski, hun
maatschappelijke en
politieke denkbeelden van geen enkele betekenis. Zij weten best dat
niemand hen
gehoorzaamt. Wat ze ook zeggen, de geschiedenis en het politieke leven
zullen
op dezelfde manier verdergaan, omdat het niet hun boeken en artikelen
zijn, die
de gebeurtenissen sturen. Dat is waarschijnlijk de verklaring van de
verbijsterende stoutmoedigheid van hun meningen. Als Tolstoj zich echt
had
voorgesteld dat het voor hem voldoende zou zijn om een artikel te
schrijven,
waarin hij eist dat alle “soldaten, politieagenten, rechters en
ministers” en
de rest, al die hoeders van de algemene vrede, die hij verafschuwde –
en dit
terzijde, wie houdt wel van ze? – moeten worden weggestuurd, dat alle
gevangenisdeuren voor de moordenaars en dieven wijd opengezet moeten
worden –
wie zou dan kunnen vertellen of hij zichzelf voldoende standvastig en
doortastend in zijn overtuiging zou hebben getoond, door zelf de
verantwoordelijkheid op zijn schouders te laden voor de gevolgen van de
maatregelen die hij had voorgesteld? Maar hij weet zonder enige
twijfel, dat
hij niet zal worden gehoorzaamd, en daarom predikt hij koelbloedig de
anarchie.
Het aandeel van Dostojewski als prediker was heel anders; maar ook dat
was
zogezegd platonisch. Waarschijnlijk was het zelfs voor hemzelf een
verrassing,
dat hij de profeet werd, niet van een ‘ideale’ politiek, maar van de
realistische
opgaven die regeringen zich altijd stellen, in landen waarin een klein
aantal
mensen het lot van volkeren bepalen.
Als je naar Dostojewski luistert, zou je je kunnen voorstellen dat hij
denkbeelden ontdekt die de regering als haar leidraad moet nemen en
zich ten
taak moet stellen om die te verwerkelijken. Maar je zult al gauw tot de
overtuiging komen dat Dostojewski geen enkel oorspronkelijk politiek
denkbeeld heeft
ontdekt. Elk denkbeeld dat hij koesterde had hij, zonder nader
onderzoek,
ontleend aan de Slavofielen [2], die op hun beurt alleen maar
oorspronkelijk
leken, naarmate zij zonder hulp van buiten in staat waren om uit het
Duits en
het Frans het Rusland, Rusland über alles, te vertalen.
(zelfs het ritme
van de uitspraak wordt door het vervangen van dat ene woord niet
aangetast.) Maar
het meest belangrijke is, dat de Slavofielen met hun Duits-Russische
verheerlijking van de volksaard, en samen met hen Dostojewski, die zich
bij dat
koor voegde, helemaal niemand van de heersende klasse hebben onderricht
of
opgevoed. Onze regering wist alles wat zij moest weten zelf al, zonder
de
Slavofielen en zonder Dostojewski. Sinds onheugelijke tijden was zij
haar gang
gegaan langs de weg die de theoretici zo hartstochtelijk prezen, zodat
zij
niets anders konden doen dan de loftrompet steken over de machthebbers
en het
beleid van de Russische regering verdedigen tegen de publieke opinie,
die daar
vijandig tegenover stond. Autocratie, Orthodoxie en Nationaliteit,
waren in de
zeventiger jaren, waarin Dostojewski begon te prediken in Rusland
zó van
kracht, dat zij hoe dan ook geen steun nodig hadden. En iedereen weet
natuurlijk dat macht nooit echt op de hulp van de litteratuur rekent.
Zij
verzoekt de Muzen ongetwijfeld dat zij er samen met de anderen aan
bijdragen,
waarbij zij haar eis grootmoedig formuleert met de woorden: Gezegend
de
vereniging
van
het
zwaard met de lier.
Doorgaans weigerden de Muzen dat verzoek niet, soms oprecht, soms omdat
het,
zoals Heine zei, vanwege de strenge vrieskou bijzonder onaangenaam is
om
ijzeren ketenen te dragen. In ieder geval was het de Muzen alleen maar
toegestaan om de lof van het zwaard te bezingen, en om het in geen
geval te
hanteren. Er bestaan allerlei soorten verbonden. En hier verscheen
opnieuw Dostojewski,
met name zijn onafhankelijke karakter, in de rol van een profeet van de
Russische regering: dat wil zeggen, dat hij de geheime middelen van de
toenmalige krachten voorspelde, en in dit verband zich toen alle
“verheven en
prachtige” woorden herinnerde, die hij tijdens zijn lange omzwervingen
had
weten te verzamelen. De regering begon bijvoorbeeld een begerige blik
op het
Oosten te werpen (toentertijd nog het Nabije Oosten); Dostojewski
begint ervoor
te pleiten dat wij Constantinopel moeten hebben, en te voorspellen dat
Constantinopel spoedig aan ons zal behoren. Zijn “argument” is
vanzelfsprekend
van een zuiver “morele aard,” en natuurlijk, hij is een schrijver.
Alleen
vanuit Constantinopel, zegt hij, kunnen wij het zuiver Russische ideaal
van het
omarmen van de hele mensheid ingang doen vinden.
Natuurlijk was voor onze regering, hoewel wij inderdaad geen Bismarcken
hadden,
de waarde van morele argumenten en van voorspellingen die daarop waren
gebaseerd, volstrekt duidelijk en zij zou de voorkeur hebben gegeven
aan een
paar goeduitgeruste divisies en verbeterde vuurwapens. Voor
realistische
politici is een enkele soldaat, niet bewapend met een geweer maar met
een
donderbus, belangrijker dan de meest sublieme opvatting over
moraalfilosofie. Maar
toch zullen zij de nederige profeet niet verdrijven, als de profeet
zijn plaats
weet. Dostojewski aanvaardde de rol, omdat het hem nog steeds de
mogelijkheid
gaf om in zijn gevecht met de liberale litteratuur zijn koppige aard
ten toon
te spreiden. Hij zong overwinningsliederen, diende protesten in, en
ventileerde
absurditeiten – en meer dan absurditeiten. Hij raadde bijvoorbeeld alle
Slavische volkeren aan om zich onder de hoede van Rusland te verenigen,
waarbij
hij hen verzekerde, dat voor hen alleen op die manier een volledige
onafhankelijkheid was gewaarborgd, en het recht om zichzelf door hun
eigen
cultuur te ontwikkelen, enzovoort – en dat ten overstaan van de
miljoenen
Poolse Slaven die in Rusland woonden.
Of als het Moskowski Vedomosti (Moskous Dagblad) van
mening is
dat het voor de Krimtartaren goed zou zijn om naar Turkije te
emigreren, omdat
het dan voor Russen mogelijk zou worden om zich op het schiereiland te
vestigen, dan pikt Dostojewski dit originele idee enthousiast op.
“Inderdaad”,
zegt hij, “het is noodzakelijk om uit politieke, staats- en dergelijke
overwegingen” – ik weet niet hoe dat bij andere mensen is, maar als ik
dergelijke woorden als “staats” en “politieke” uit de mond van
Dostojewski hoor,
moet ik echt grinniken – “de Tartaren te verdrijven en Russen op hun
grond te
vestigen.” Als het Moskous Dagblad een dergelijke maatregel
voorstelt,
is dat begrijpelijk. Maar Dostojewski! Dostojewski, die zichzelf een
christen
noemt, die zo hartstochtelijk liefde tot de naaste, zelfvernedering en
zelfverloochening predikt, die leerde dat Rusland “de volkeren moet
dienen”-
hoe kon hij door zo’n hebzuchtig idee worden gegrepen? En bijna al zijn
politieke ideeën dragen inderdaad het stempel van hebzucht:
graaien en graaien,
en nog meer graaien…Als de omstandigheden het eisen, spreekt hij het
ene moment
de hoop uit dat wij vriendschap met Duitsland zouden moeten sluiten, en
vervolgens verraadt hij dat weer; het ene moment bepleit hij dat wij
Engeland
nodig hebben, en vervolgens benadrukt hij dat wij het zonder Engeland
kunnen, -
net als een hoofdredacteur in een bien-pensant provinciale
krant.
In al die lachwekkende en eeuwig tegenstrijdige beweringen is maar een
enkel
ding voelbaar, - Dostojewski begrijpt niets, absoluut niets van
politiek, en
bovendien heeft hij helemaal niets met politiek te maken. Hij wordt
gedwongen
om in het kielzog van anderen te varen, die vergeleken met hem,
absolute nullen
zijn en hij doet het. Zelfs zijn eerzucht – en hij bezat een enorme
eerzucht, een
eerzucht die in zijn soort uniek was, zoals een universeel iemand
betaamt – heeft
er geen enkele last van: voornamelijk omdat mensen profeteren van hem
verwachtten, omdat de naaste benaming van een groot schrijver die van
een
profeet is, en omdat de combinatie van overtuiging en een luide stem de
tekenen
zijn van een profetische gave. Dostojewski kon luid spreken; hij kon
ook
spreken met de toon van iemand die geheimen kent, en van iemand met
gezag. Je
leert veel in het ondergrondse. Al deze dingen kwamen hem van pas.
Mensen
hielden de gelauwerde dichter van de gevestigde orde voor de bezieler
van
gedachten en de bestuurder van de oneindig ver gelegen bestemming van
Rusland.
Dat was genoeg voor Dostojewski. Dat had Dostojewski zelfs nodig. Hij
wist
natuurlijk wel dat hij geen profeet was; maar hij wist ook dat er nooit
een profeet
op aarde was geweest, en dat degenen die profeet waren, niet meer recht
op die
titel hadden dan hij.
III
Ik
ben
zo vrij om de lezer
te herinneren aan de brief van Tolstoj aan zijn zoon, die onlangs door
de
laatste in de kranten is gepubliceerd. Het is heel boeiend. Opnieuw
zijn, niet
vanuit het standpunt van de praktische mens, die uitspraken moet doen
over de
dagelijkse problemen – maar vanuit dit standpunt, Tolstoj, Dostojewski
en dergelijken
volstrekt onbruikbaar – maar de mens leeft niet van brood alleen.
Zelfs nu, in de vreselijke tijden die wij moeten doormaken, nu, zo je
wilt,
meer dan ooit, kun je niet alleen maar kranten lezen, noch alleen maar
denken
aan de afschuwelijke verrassingen die de dag van morgen voor ons in
petto
heeft. Iedereen heeft wel een uurtje vrij tussen het lezen van de
kranten en de
partijprogramma’s, en als het dan niet een uur overdag is als het
lawaai van de
gang van zaken en het eigenlijke werk voor afleiding zorgen, dan is het
wel een
uur in het holst van de nacht, als al het mogelijke al is gedaan, en al
het
nodige is gezegd. Dan komen de oude gedachten en vragen aanwieken, die
door het
werk waren afgeschrikt, en voor de duizendste maal keer je terug naar
het
mysterie van het menselijke genie en de menselijke grootsheid. Waar en
in
hoeverre kan het genie meer bereiken dan gewone mensen?
Dan de brief van Tolstoj, die overdag alleen maar boosheid en
verontwaardiging
uitlokte, - sommigen vinden het niet schandalig en onsmakelijk, dat
Tolstoj in
de grote botsing der machten, die in Rusland met elkaar wedijveren,
niet de
juiste van de verkeerde macht van elkaar kan onderscheiden, maar alle
strijdende partijen met die ene benaming van het goddeloze brandmerkt.
Overdag
vind ik dat het echt schandalig is: overdag zouden wij willen dat
Tolstoj er
met en voor ons zou zijn, omdat wij ervan overtuigd zijn, dat wij en
wij alleen
de waarheid zoeken, ja, dat wij de waarheid kennen, terwijl onze
vijanden het
kwaad en de leugen verdedigen, hetzij uit kwaadwilligheid, hetzij uit
onwetendheid. Maar dat is overdag. ‘s Nachts is het anders. Bedenk dat
Goethe
ook de grote Franse Revolutie over het hoofd zag, gewoon niet in de
gaten had.
Maar hij was een Duitser, die ver van Parijs woonde, terwijl Tolstoj
vlak bij
Moskou woonde, waar mannen, vrouwen en kinderen werden doodgeschoten,
neergestoken en levend werden verbrand. Bovendien is het zonder meer
duidelijk
dat Tolstoj niet alleen Moskou over het hoofd heeft gezien, maar ook
alles dat
vóór Moskou plaatsvond. Wat daar gebeurt, lijkt voor hem
niet belangrijk of
bijzonder. Voor hem is alleen datgene belangrijk waarop hij, Tolstoj,
zich heeft
toegelegd: alles wat buiten hem en naast hem gebeurt, bestaat niet voor
hem.
Dat is het grote voorrecht van grote mensen. En soms denk ik –
misschien alleen
maar omdat ik zou willen dat het zo zou lijken – dat in dat voorrecht
een diepe
en verborgen betekenis ligt.
Als wij de kracht niet meer in ons hebben om naar de eindeloze verhalen
over
gruwelijke wreedheden te luisteren, die al zijn begaan, en in onze
verbeelding
vooruitlopen op alles wat de toekomst voor ons in petto heeft, dan
denken wij
weer aan Tolstoj en zijn onverschilligheid. Het ligt niet in ons
menselijk
vermogen om de vermoorde vaders en moeders naar hun kinderen terug te
laten
keren, noch de kinderen naar hun vaders en moeders. Het ligt zelfs niet
in onze
macht om ons op de moordenaars te wreken, noch zal wraak iedereen met
zijn
verlies verzoenen. En wij proberen niet langer logisch te denken, en
een
rechtvaardiging te zoeken voor de gruwelen, waar geen gruwelen zijn en
kunnen
zijn. Maar hoe zit het als wij ons afvragen of Tolstoj en Goethe de
revolutie
niet zagen en de ellende daarvan niet ondergingen, alleen omdat zij
iets anders
zagen, iets dat misschien nog noodzakelijker en belangrijker was?
Misschien
zijn er inderdaad meer dingen tussen hemel en aarde, dan waarover in
onze
filosofie wordt gedroomd.
Nu kunnen wij weer terugkeren naar Dostojewski en zijn “ideeën”;
wij kunnen ze
nu onbevreesd met de naam noemen die zij verdienen, want hoewel
Dostojewski een
geniale schrijver is, betekent dat niet dat wij onze dagelijkse
behoeften
moeten vergeten. Dag en nacht hebben beiden hun rechten. Dostojewski
wilde een
profeet zijn, hij wilde dat het volk naar hem luisterde en “Hosanna”
riep,
omdat hij dacht, ik herhaal, dat als mensen altijd tegen iedereen
“Hosanna”
hadden geroepen, er geen redden was geweest waarom hem, Dostojewski, de
eer zou
worden ontzegd. Dat is de reden, waarom hij in de zeventiger jaren
opdook in de
nieuwe rol van prediker van het christendom, en niet alleen maar van
het
christendom, maar van de orthodoxie.
Opnieuw wil ik de aandacht vestigen op de allesbehalve toevallige
omstandigheden, dat zijn prediken samenviel met de “meest serene”
periode van
zijn leven. Hij, die in de voorafgaande tijd een thuisloze zwerver was
geweest,
een armzalige man, die niet wist waar hij zijn hoofd moest neerleggen,
had zichzelf
voorzien van een gezin, een eigen huis en zelfs geld (want hij had een
spaarzame vrouw). De mislukkeling was een beroemdheid geworden; de
veroordeelde
een echte burger. Het ondergrondse, waar zijn lot hem nog kort tevoren
had
binnengedreven, ogenschijnlijk voor altijd, was in zijn ogen nu een
hersenspinsel, dat nooit werkelijkheid was geweest. In de galeien en
het
ondergrondse was in hem een grote honger naar God ontstaan, die lang
duurde;
daar had hij een grote strijd gestreden, de strijd van het leven tegen
de dood;
daar hadden de nieuwe en ontzagwekkende experimenten plaats gevonden,
die Dostojewski
verbond met alles dat rebels en rusteloos is op aarde. Wat Dostojewski
gedurende de afsluitende jaren van zijn leven schreef (niet alleen Het
Dagboek
van
een
Schrijver, maar net zo goed De Gebroeders
Karamazow) heeft
slechts in zoverre waarde dat het verleden van Dostojewski
daarin wordt weerspiegeld.
Hij maakte geen nieuwe stap voorwaarts. Hij bleef zoals hij was, dus
aan de
vooravond van een grote waarheid.
Maar in vroegere tijden was dat niet voldoende voor hem geweest, hij
hunkerde
naar iets dat daar voorbij lag; maar nu wil hij niet meer worstelen en
hij kan
zichzelf en anderen niet uitleggen wat er echt in hem gebeurt. Hij doet
nog
steeds alsof hij worstelt, ja, sterker nog, hij gedraagt zich alsof hij
de eindoverwinning
heeft behaald, en eist dat zijn triomf door de publieke opinie wordt
erkend. Hij
houdt ervan om te denken dat de nacht al voorbij is en de echte dag al
is
begonnen, en de galeien en het ondergrondse, die hem eraan herinneren
dat de
dag nog niet is aangebroken, bestaan niet meer. Alle tekenen van een
volstrekte
illusie van een overwinning lijken aanwezig te zijn – hij hoeft alleen
maar de
tekst te kiezen en te prediken! Dostojewski grijpt zich vast aan de
orthodoxie.
Waarom niet aan het christendom? Omdat het christendom niet voor hem,
met een
huis, een gezin, geld, roem en een vaderland, is. Christus sprak: “Laat
hij
afstand doen van al wat hij heeft en mij volgen.” Maar Dostojewski was
bang
voor de eenzaamheid, hij wilde de profeet zijn van moderne, gevestigde
mensen
voor wie het pure christendom, niet aangepast aan de behoeften van het
beschaafde bestaan in een geregeerde staat, ongepast is. Hoe zou een
christen
Constantinopel moeten innemen, de Tartaren van de Krim moeten
verdrijven, alle
Slaven tot het niveau van de Polen degraderen, en de rest? – want alle
plannen
van Dostojewski en het Moskous Dagblad zijn met geen pen te
beschrijven.
Hij moet dus het Evangelie, voordat hij het aanvaardt, eerst
interpreteren…
Hoe vreemd het ook lijkt, maar je zult moeten toegeven dat je in de
hele
litteratuur helemaal niemand tegenkomt die bereid is om het Evangelie
in zijn
geheel te aanvaarden, zonder interpretatie. De een wil volgens het
Evangelie
Constantinopel innemen, de ander de bestaande orde rechtvaardigen, een
derde
wil zichzelf verheffen of zijn vijand vernederen; en allemaal
beschouwen zij
het als hun recht om de tekst van de Heilige Schrift af te zwakken of
zelfs aan
te vullen. Ik heb natuurlijk alleen de mensen op het oog, die tenminste
in woorden,
de goddelijke oorsprong van het Nieuwe Testament erkennen; want iemand
die in
het Evangelie alleen maar een van de min of meer opmerkelijke boeken
van zijn
bibliotheek ziet, heeft natuurlijk het recht om het te onderwerpen aan
welke
kritische ingrepen hij ook maar wil.
Maar hier gaat het om Tolstoj, Dostojewski en Wladimir Solowjew. Over
het
algemeen gelooft men, en dat geloof wordt door de huidige kritiek
bijzonder
gesteund en ontwikkeld, dat alleen Tolstoj het christendom
rationaliseerde,
terwijl Dostojewski en Solowjew het in de hele volheid van zijn mystiek
aanvaardden, en het verstand het recht ontzegden om in het Evangelie de
waarheid van de leugen te scheiden. Ik vind dit geloof een vergissing:
want
Dostojewski en Solowjew waren bang om het Evangelie als de bron van
kennis te aanvaarden,
en vertrouwden meer op hun eigen verstand dan op de woorden van
Christus. Maar
als er onder ons iemand was die, zij het deels, het risico nam om de
geheimzinnige en duidelijk gevaarlijke woorden van de geboden van het
Evangelie
te aanvaarden, dan was dat Leo Tolstoj. Ik zal mijzelf verduidelijken.
Men zegt dat Tolstoj, in zijn boeken die in het buitenland zijn
verschenen, een
poging doet om de wonderen uit het Evangelie op een voor het menselijke
verstand begrijpelijke manier te verklaren. Dostojewski en Solowjew,
aan de
andere kant, aanvaardden het onverklaarbare meteen. Maar in het
algemeen
oefenen de wonderen uit het Evangelie aantrekkingskracht uit op mensen
die het
minst geloven, want het is onmogelijk om de wonderen te herhalen, en
als dat
dan zo is, volgt daaruit dat louter een uiterlijk geloof voldoende is,
alleen
maar een woordelijke verklaring. Als iemand zegt dat hij in wonderen
gelooft,
maakt hij zowel in zijn eigen brein als in de breinen van anderen naam
als een
religieus mens, en wat de rest van het Evangelie betreft resteert er
dan alleen
maar “interpretatie.” Neem bijvoorbeeld de leer van het niet ‘weerstaan
van de
boze’ (Matth. 5:39) Er moet worden gezegd, dat de leer van het niet
‘weerstaan
van de boze’ het meest vreselijke, meest irrationele en geheimzinnige
is, dat
wij in het Evangelie lezen. Onze hele logica komt in opstand bij de
gedachte
dat aan een moordenaar een volstrekte materiele vrijdom zou moeten
worden
verleend om met zijn moorddadige bezigheden door te gaan. Hoe kun je
toestaan
dat een moordenaar voor je eigen ogen een onschuldig kind doodt, en
toch niet
je zwaard trekken? Wie heeft het recht om dat afschuwelijke gebod te
geven?
Solowjew en Dostojewski evenzeer, herhalen die vraag, de een in een
verhulde,
de andere in een open aanval op Tolstoj. Maar aangezien het Evangelie
duidelijk
uitspreekt “weersta de boze,” hebben onze beide gelovigen in wonderen
opeens aan
het verstand gedacht en zich tot zijn getuigenverklaring gewend, in het
besef
dat het verstand ongetwijfeld elke betekenis zal vernietigen, wat er
ook in dat
gebod moge schuilen. Met andere woorden herhalen zij de vraag van de,
ten aan
zien van Christus, twijfelende Joden: “Wie is die man, die spreekt als
een
gezaghebbende?” God beval Abraham om zijn zoon te offeren. Met zijn
verstand,
zijn menselijke verstand, weigerde Abraham enige begrijpelijke
betekenis aan
dat wrede bevel toe te kennen, maar maakte aanstalten om naar Gods
woord te
handelen en deed geen poging om zichzelf van die harde en onmenselijke
plicht
te ontdoen door een vernuftige interpretatie. Maar Dostojewski en
Solowjew
weigeren aan de eisen van Christus te voldoen zo gauw zij daarvoor geen
rechtvaardiging vinden in het menselijke verstand. Toch zeggen ze dat
ze geloven
dat Lazarus uit de doden is opgestaan en dat de lamme werd genezen, en
alle
andere wonderen waarover de apostelen berichten. Waarom houdt hun
geloof dan
net op, op het punt waar het hen verplichtingen op gaat leggen? Waarom
dat
plotselinge toevlucht zoeken bij het verstand, als we heel zeker weten
dat Dostojewski
zich alleen maar tot de Evangeliën wendde om zich te bevrijden van
de macht van
het verstand?
Maar dat was in de tijd van het ondergrondse. Nu is de “serene” periode
van
zijn leven aangebroken. Maar Solowjew had duidelijk het ondergrondse
nooit
gekend. Alleen Tolstoj probeert stoutmoedig en vastberaden de waarheid
van de
christelijke leer te toetsen, niet alleen in zijn gedachten, maar ook
deels in
zijn leven. Vanuit een menselijk standpunt is het dwaas om de boze niet
te
weerstaan. Hij weet dat in elk opzicht net zo goed als Dostojewski,
Solowjew en
de rest van zijn tegenstanders. Maar hij zoekt echt in de
Evangeliën de
goddelijke waanzin, omdat het menselijke verstand hem niet bevredigt.
Tolstoj
begon het Evangelie na te volgen in die sombere periode van zijn leven,
toen
hij werd achtervolgd door de spoken van Iwan Iljitsj en Pozdnysjew.
Hier baat
geloof in wonderen, geloof in het abstracte, afgescheiden van het
leven, niets.
In het belang van het geloof moet je alles wat je het meest lief is –
zelfs een
zoon – uitleveren aan het offer. Wie is Hij die als een gezaghebbende
sprak?
Wij kunnen nu niet verifiëren of Hij werkelijk Lazarus uit de dood
opwekte, of
duizenden met een paar handenvol broden spijzigde. Maar als wij
vastberaden
Zijn geboden uitvoeren, kunnen wij misschien ontdekken of Hij ons de
waarheid heeft
geschonken….
Zo ging het met Tolstoj, en hij wendde zich tot het Evangelie, dat de
enige en
oorspronkelijke bron van het christendom is. Maar Dostojewski wendde
zich tot
de Slavofielen en de leer van hun staatsgodsdienst. Geen onfeilbare
orthodoxie,
geen katholicisme noch protestantisme, zelfs geen eenvoudig
christendom; en
vervolgens het originele idee: Rusland, Rusland über alles. Tolstoj
kon
niets
in
de
geschiedenis voorspellen, maar zo greep hij, alsof hij het
zorgvuldig had overwogen, ook niet in het historische leven in. Voor
hem
bestaat onze huidige werkelijkheid niet: hij concentreert zich volledig
op het
raadsel dat God aan Abraham had opgegeven. Maar Dostojewski wilde koste
wat
kost voorspellen, hij voorspelde doorlopend en vergiste zich constant.
Wij
hebben Constantinopel niet ingenomen, wij hebben de Slaven niet
verenigd en
zelfs de Tartaren leven nog op de Krim. Hij joeg ons schrik aan door te
voorspellen dat Europa door de klassenstrijd in rivieren van bloed zou
worden
gedrenkt, terwijl in Rusland, dankzij ons ideaal van universele
menselijkheid,
onze interne problemen niet alleen vreedzaam zouden worden opgelost,
maar dat er
toch nog een nieuw en ongekend woord zou worden gevonden, waarmee wij
het
ongelukkige Europa zouden redden.
Inmiddels is een kwart eeuw voorbijgegaan. Tot nu toe is er in Europa
niets gebeurd.
Maar wij verdrinken onszelf, verdrinken onszelf letterlijk, in bloed.
Niet
alleen onze buitenlandse bevolking wordt onderdrukt, de Slaven evenzeer
als de
niet-Slaven, maar onze eigen broeder wordt gemarteld, de ellendige
hongerende
Russische boer die er niets van begrijpt. In Moskou, in het hart van
Rusland,
zijn vrouwen, kinderen en oude mensen neergeschoten. Waar is nu die
Russische
universele ziel, waarover Dostojewski in zijn toespraak tot Poesjkin
heeft
geprofeteerd? Waar is de liefde, waar zijn de christelijke geboden? Wij
zien
alleen maar “gouvernementalisme,” waar de Westerse landen ook over
hebben
gevochten; maar zij vochten met middelen die minder wreed waren en
minder
vijandig ten opzichte van de beschaving. Rusland zal opnieuw van het
Westen
moeten leren zoals het vroeger meer dan eens heeft gedaan. En
Dostojewski had
er veel beter aan gedaan als hij nooit had geprobeerd om te profeteren.
Maar er is niet veel verloren, zelfs als hij heeft geprofeteerd. Ik ben
zelfs
nu van ganser harte blij, dat hij aan het eind van zijn leven nog wat
van de galeien
heeft kunnen uitrusten. Ik ben er echt van overtuigd dat hij, zelfs al
was hij
tot het moment van zijn overlijden in het ondergrondse gebleven, toch
geen
antwoord had gevonden op de vragen die hem kwelden. Hoeveel geestelijke
inspanning iemand in zijn werk stopt, toch zal hij “voor de poort” van
de
waarheid blijven hangen en zal de oplossing waar hij naar verlangt niet
vinden.
Dat is de wet van het mensensoort. En het prediken van Dostojewski
heeft geen
kwaad aangericht. De mensen die naar hem luisterden, - die zelfs zonder
zijn
stem, naar Constantinopel zouden zijn opgetrokken, - onderdrukten de
Polen, en
bereidden het lijden, dat zo nodig is voor de boerenziel. Hoewel
Dostojewski
over het geheel genomen hen zijn goedkeuring gaf, voegt hij niets aan
hen toe.
Zij hadden geen litteraire goedkeuring nodig, omdat zij terecht van
mening
waren dat in praktische zaken niet de gedrukte pagina, maar bajonetten
en
artillerie beslissend zijn.
Alles wat hij had te vertellen, heeft Dostojewski ons in zijn romans
verteld,
die zelfs nu, vijfentwintig jaar na zijn dood, alle mensen boeien, die
aan het
leven haar geheimen zouden willen ontworstelen. En de titel van
profeet, die
hij zo ijverig nastreefde, omdat hij dacht dat hij daar recht op had,
paste hem
helemaal niet. Mensen als Bismarck zijn profeet, maar zij zijn ook
kanselier.
De grootste in het dorp is de grootste in Rome…Is een Dostojewski
gedoemd om
eeuwig “voor de poort” te blijven? Laten wij nogmaals proberen om de
logica te
verwerpen, dit keer misschien niet alleen de logica, en zeggen: “Het
zij zo.”
*******
NOTEN
[1]
Solowjew, Vladimir Sergejevitsj (Moskou 16 jan. 1853 – Oeskoj, bij
Moskou, 31
juli 1900), Russisch filosoof, theoloog en dichter, zoon van S.M.
Solowjew,
promoveerde in 1874, waarna hij te Moskou en St.-Petersburg doceerde,
totdat
hij in 1881 ontslagen werd wegens zijn kritiek op de regering (hij
verklaarde
zich tegen de doodstraf voor de moordenaars van tsaar Alexander II).
Zijn
verdere leven bracht hij in armoedige omstandigheden door.
Na korte
tijd in de ban van het West-Europese positivisme te zijn geweest,
bestreed hij
dit fel vanuit een mystiek-christelijk gezichtspunt. Hij geloofde in
een
omvattende Al-eenheid, die hij in een hegeliaanse terminologie, en
onder
invloed van de late Friedrich von Schelling, beschreef. De vereniging
van God
en mens wordt in de ‘sofiologie’, een gnostieke leer van de wijsheid
(sofia),
beschreven.
Solowjew
streefde naar een wereldomvattende theocratie, uitlopend op de
verwezenlijking
van het rijk Gods, door middel van de hereniging van kerken, met name
van de
Russisch-Orthodoxe met de Rooms-Katholieke Kerk. Later helde hij over
naar een
apocalyptische eschatologie en een bovenconfessioneel, buitenkerkelijk
christendom. De ethiek zag hij op de natuur van de mens gebaseerd, zich
vooral
uitend in schaamtegevoel en solidariteit.
Solowjews
invloed op het Russische theologische en filosofische denken is zeer
groot
geweest; vooral Nikolaj Aleksandrowitsj Berdjajew is door hem
geïnspireerd. Als
dichter was hij een voorloper van de symbolisten; zijn poëzie is
grotendeels
mystiek en religieus van aard, maar hij wist deze elementen dikwijls
door
humoristische passages te relativeren.
Solowjew is
door zijn vriend Fjodor Michajlovitsj Dostojewski getekend in de figuur
van de
edele Aljosja in De Gebroeders Karamazov
[2] Souvorin,
de uitgever van de Novoye Vremia. Zie het artikel van Lenin
over
Souvorin en de Novoye Vremia op http://www.marxists.org/archive/lenin/works/1914/mar/20.htm
[3]
Eeuwenlang was Rusland verdeeld door de strijd tussen de Slavofielen en
de Westerlingen.
De Slavofielen vonden dat Rusland haar eigen trots, cultuur en
gebruiken moest
ontwikkelen en de door God aan haar voorbestemde bijzondere positie wat
betreft
andere landen moest zien te vinden. De Westerlingen zagen in Rusland
slechts
achterstand en mislukking en wilden op een grootse manier de Europese
ideeën,
techniek en waarden overnemen.