Downloaden
als
Word-document
op
de
Downloadpagina 
Inleiding:
Mark
Twain,
pseudoniem
van
Samuel
Langhorne Clemens,
(30
november 1835 – 21 april 1910) was een Amerikaans
romanschrijver, satiricus en essayist. Hij werd vooral bekend door zijn
boeken The
Adventures of Tom Sawyer (1876) en The Adventures of
Huckleberry Finn
(1884), die beide klassiekers van de Amerikaanse literatuur geworden
zijn. In
1909 schreef hij “Letters from the Earth,” dat hij waarschijnlijk
tijdens zijn
leven zelf niet uit durfde te geven. In 1962 gaf zijn dochter alsnog
toestemming voor publicatie. Het is een frontale aanval op de Bijbel,
de God
van de Bijbel en de God van de christenen. Geestig en genadeloos legt
hij zijn
vinger op de bizarre tegenstrijdigheden en inconsequenties van een
boek, dat
hedentendagen voor zovelen nog steeds als leidraad in het, met name
door dat
rampzalige boek gesponnen en onderhouden, labyrint dient. Mark Twain
laat zien
dat je daar met dat boek nooit uit kunt komen.
Brieven
verzonden vanaf de
aarde
Door Mark Twain -
1909
De Schepper
zat op Zijn troon en dacht na. Achter Hem
strekte zich de grenzeloze uitgestrektheid van de hemel uit, badend in
een heerlijkheid
van licht en kleur en vóór Hem verrees, als een muur, de
zwarte nacht van de
Ruimte. Zijn machtige gestalte torende ruig en als een berg omhoog, en
daar
boven vlamde Zijn goddelijke hoofd als een verre zon. Aan Zijn voeten
stonden
drie kolossale gestalten, die vergeleken met Hem bijna in het niet
verzonken –
aartsengelen – hun hoofden reikten tot Zijn enkelbot.
Toen de
Schepper was uitgedacht, sprak hij: “Ik heb
nagedacht. Ziedaar!”
Hij hief
Zijn hand op en er barstte een fontein van vuur
uit los, een miljoen kolossale zonnen doorkliefden de duisternis en
verhieven zich
steeds verder en verder. En terwijl ze zich een weg baanden naar de
verre
grenzen van de Ruimte, namen ze in omvang en kracht af, tot ze op het
laatst
nog slechts diamanten speldknoppen waren, die fonkelend onder het
gewelfde,
uitgestrekte dak van het universum hingen.
Na nog geen
uur werd de bijeenkomst van de Grote Raad ontbonden.
Onder de
indruk en peinzend lieten zij het Zijnde achter
en trokken zich terug op een afgezonderde plek, waar ze vrijuit konden
praten.
Geen van de drie scheen te willen beginnen, hoewel ze wel allemaal
wilden dat
iemand dat zou doen. Allemaal brandden ze van verlangen om het grote
gebeuren
te bespreken, maar niemand wilde daar zijn
handen aan branden, vóór hij wist hoe
de anderen daar tegenaan
keken. Dus ontstond er een oeverloos en haperend gesprek over koetjes
en
kalfjes, dat zich langdradig voortsleepte en op niets uitliep, totdat
de
aartsengel Satan ten slotte zijn moed bij elkaar raapte – waar hij een
hele
grote voorraad van had – en het ijs brak. Hij sprak: “Wij weten waar we
het
hier over moeten hebben, mijn heren, en laten we dus niet doen alsof
dat niet
zo is, laten we dus beginnen. Als dat tenminste de mening van de Raad
is…”
"Ja, ja!"
onderbraken Gabriël and Michaël hem
dankbaar.
"Goed dan,
laten we dan beginnen. We zijn getuigen
van iets wonderbaarlijks geweest; daar zijn we het toch wel over eens.
Wat het
betekent – als het wat betekent – is iets dat ons niet persoonlijk
aangaat. We
kunnen er net zoveel meningen over hebben als we willen, maar daar
houdt het
mee op. Wij hebben er geen stem in. Ik vond de Ruimte goed genoeg,
precies
zoals hij moest zijn, en nog nuttig ook. Koud en duister – een plek om
af en
toe uit te rusten, na zo’n seizoen met dat heerlijke klimaat en die
afmattende
pracht van de hemel. Maar dat zijn details, zonder enig gewicht; het
nieuwe
hoofdpunt, dat enorme hoofdpunt is ….wat is het, heren?”
"De
uitvinding en invoering van een automatische, autonome,
zelfregulerende wet voor de besturing
van die ontelbare rondtollende en voortrazende zonnen en werelden!”
"Dat is
het!” zei Satan. Jullie zien dat het een verbluffend
idee is. Nooit eerder is iets dergelijks aan het Meesterbrein
ontsproten. Een
Wet – een automatische Wet – een
exacte en onveranderlijke Wet – die geen toezicht, geen verbetering, en
geen bijstelling
vereist, zolang de eeuwigheden blijven bestaan! Hij zei dat die talloze
reusachtige lichamen zich met een onvoorstelbare snelheid eeuwen en
eeuwenlang
door de woestenijen van de Ruimte zullen voortbewegen, langs enorme
banen, en
toch nooit met elkaar in botsing zullen komen en dat hun omloopbanen in
tweeduizend
jaar nog geen honderdste van een seconde langer of korter zullen
worden! Dat is
het nieuwe wonder, en het grootste van allemaal – de
Automatische Wet En Hij gaf het een naam – de NATUURWET – en hij
zei dat de Natuurwet de GODS WET is – onderling verwisselbare namen
voor één en
hetzelfde ding.”
"Ja," zei
Michaël, "en Hij zei dat hij de
Natuurwet – Gods Wet – over heel zijn gebied zou laten heersen en dat
de
geldigheid van die wet absoluut en onverbrekelijk zou zijn.
"Hij zei
ook nog,” zei Gabriël, “dat Hij straks
dieren gaat scheppen, die hij eveneens onder het gezag van de Wet
plaatst.”
"Ja," zei
Satan, "Ik heb Hem wel gehoord,
maar niet begrepen. Wat is dieren, Gabriël?”
"Ach, hoe
moet ik dat weten? Hoe zou iemand van ons
dat kunnen weten? Het is een nieuwe wereld.”
[Pauze
van drie
eeuwen, hemelse tijd – het equivalent van honderdmiljoen jaar aardse
tijd. Komt
een Boodschapper-Engel binnen: ]
"Heren, Hij
maakt nu dieren. Wilt u komen kijken?”
Ze gingen,
zagen en stonden verbijsterd. Hevig
verbijsterd – en de Schepper zag het en zei, “Vraag, Ik zal
antwoorden.”
"Goddelijke,”
zei Satan, terwijl hij een diepe
buiging maakte, “waar zijn ze voor?”
"Zij zijn
een experiment in Zedelijkheid en Gedrag.
Kijk naar ze en leer ervan.”
Er waren
duizenden van. Ze waren vreselijk actief. Druk,
allemaal druk – voornamelijk met het elkaar achtervolgen. Satan merkte
op –
nadat hij één van hen door een krachtige microscoop had
bestudeerd: “Dat grote
dier doodt zwakkere dieren, Goddelijke.”
"De tijger
– ja. Zijn natuurwet is wreedheid. Zijn
natuurwet is Gods Wet. Hij kan daar niet ongehoorzaam aan zijn.”
"Dus als
hij daaraan gehoorzaamt, begaat hij geen
overtreding, Goddelijke?”
"Nee, hij
is onschuldig."
"Dat andere
schepsel daar, is bang, Goddelijke, en laat
zich zomaar doodmaken.“
"Het konijn
– ja. Hij is niet moedig. Dat is de wet
van zijn natuur – de Wet van God. Hij moet daaraan gehoorzamen.”
"Men kan
dus redelijkerwijs niet van hem verwachten,
dat hij tegen zijn natuur ingaat en weerstand biedt, Goddelijke?”
"Nee. Men
kan redelijkerwijs van geen enkel schepsel
verwachten dat het tegen de wet van zijn natuur – Gods Wet – ingaat.”
Na een
lange tijd en veel vragen, zei Satan, “De spin
doodt de vlieg en eet hem op; de vogel doodt de spin en eet hem op; de
boskat
doodt de gans; de – nou, ze maken elkaar allemaal af. Het is moord over
de hele
linie. Hier zijn dus ontelbare schepsels, en allemaal doden, doden en
doden ze,
het zijn allemaal moordenaars. En kan niemand ze iets kwalijk nemen.
Goddelijke?”
"Hen valt
inderdaad niets kwalijk te nemen. Het is
de wet van hun natuur. En de natuurwet is altijd Gods Wet. Kijk dan,
let op!
Een nieuw schepsel – en hét meesterstuk – de
Mens!”
Mannen,
vrouwen en kinderen, ze krioelden in kudden en
drommen, bij miljoenen.
"Wat gaat u
met ze doen, Goddelijke?"
"Ik ga in
ieder mens afzonderlijk het gehele totaal
aan verscheidenheid van Zedelijke Eigenschappen stoppen, dat ik, met op
zijn
tijd een enkele aparte eigenaardigheid, onder de niet-sprekende dieren
heb
verspreid – moed, lafheid, woestheid, zachtaardigheid, eerlijkheid,
rechtvaardigheid,
sluwheid, verraderlijkheid, grootmoedigheid, wreedheid,
kwaadaardigheid,
wellust, dankbaarheid, medelijden, zuiverheid, egoïsme,
bevalligheid,
eergevoel, haat, laaghartigheid, adeldom, trouw, leugenachtigheid,
waarachtigheid en bedrog – elk menselijk wezen zal die allemaal in
zich
bergen,
en
samen zullen ze zijn natuur vormen. Bij
sommigen zullen hoogstaande en goede eigenschappen de slechte
eigenschappen overheersen,
en dat zullen goede mensen worden genoemd; bij anderen zullen de
slechte
eigenschappen het overwicht hebben, en dat zullen slechte mensen worden
genoemd. Kijk nou – let op – ze verdwijnen!”
"Waar zijn
ze naar toe, Goddelijke?”
"Naar de
aarde – samen met hun mede-dieren.”
"Wat is de
aarde?"
"Een kleine
bol, die ik een tijd, twee tijden en een
half geleden heb gemaakt. Jullie hebben dat wel gezien, maar hebben het
niet
opgemerkt in die ontploffing van werelden en zonnen, die uit mijn hand
spoot. De
mens is één experiment, de dieren zijn een ander
experiment. De tijd zal leren
of ze de moeite waard waren. De voorstelling is afgelopen, u kunt gaan,
heren.”
Een aantal
dagen verstreek.
Dat
betekent een lange (van onze) tijd, aangezien in de
hemel één dag duizend jaar is.
Satan had
bewonderende opmerkingen over bepaalde sprankelende
bezigheden van de Schepper gemaakt – opmerkingen die, als men tussen de
regels
door las, sarcastisch bedoeld waren. Hij had ze in vertrouwen tegen
zijn trouwe
vrienden, de andere aartsengelen, gemaakt, maar ze waren door een paar
gewone
engelen afgeluisterd, die het aan het Hoofdkwartier hadden
overgebriefd.
Hij werd
een dag lang verbannen – een hemelse dag. Het
was een straf waar hij, vanwege zijn soepele tong, aan was gewend..
Eerder was
hij al een keer naar de Ruimte gedeporteerd, omdat er niets anders was
om hem
naar toe te sturen, en daar had hij, in de eeuwigdurende nacht en
arctische kou
wat rondgefladderd; maar nu bedacht hij dat hij maar eens wat verderop
moest
gaan kijken en die aarde moest opsnorren, om te zien of het
Menselijk-Ras-Experiment
opschoot.
Al gauw
schreef hij er – heel heimelijk – over naar huis,
naar de Heilige Michaël en Gabriël.
Eerste
Brief van Satan
Dit is een
merkwaardige plek, een buitengewone en
interessante plek. Hier is niets, wat op thuis lijkt. De mensen zijn
allemaal
krankzinnig, de dieren zijn allemaal krankzinnig, de aarde is
krankzinnig en de
Natuur zelf is krankzinnig. De mens is een wonderbaarlijke curiositeit.
Op zijn
allerbest is hij een soort mislukte vernikkelde engel; op zijn slechts
is hij
onuitsprekelijk en onvoorstelbaar; en alles bij elkaar is hij een
bespotting. Toch
noemt hij zichzelf doodleuk en in alle ernst “Gods meest edele werk.”
Ik vertel
jullie echt de waarheid. En dat is geen nieuwe opvatting van hem, maar
hij
heeft dat al eeuwen lang verteld, en het ook nog geloofd. Geloofd, en
niemand
van zijn hele ras heeft er om geschaterd.
Bovendien –
als ik met nog iets anders een beroep op
jullie mag doen – denkt hij dat hij Scheppers lieveling is. Hij gelooft
dat de
Schepper trots op hem is; hij gelooft zelfs dat de Schepper van hem
houdt, genegenheid
voor hem koestert; nachten opzit om hem te bewonderen; ja, zelfs over
hem waakt
en hem voor moeilijkheden behoedt. Hij bidt tot Hem, en denkt dat Hij
luistert.
Is dat niet eigenaardig? Hij vult zijn gebeden met banale, armzalige en
opzichtige vleierijen, en denkt dat Hij van die buitensporigheden zit
te
spinnen en ervan geniet. Hij bidt elke dag om hulp, voorspoed en
bescherming, en
doet dat ook nog in hoop en vertrouwen, hoewel geen enkele van zijn
gebeden
ooit is verhoord. Die dagelijkse belediging en die dagelijkse
nederlaag,
ontmoedigen hem niet, want hij blijft gewoon op dezelfde manier
doorbidden. Er
zit bijna iets moois in dat doorzettingsvermogen. Ik moet jullie nog
iets
ergers vertellen: hij denkt dat hij naar de hemel gaat!
Hij heeft
leraren die zich laten betalen, en die
vertellen hem dat. Die vertellen hem
ook dat er een hel is, met een eeuwigdurend vuur, en dat hij daar
naartoe gaat
als hij zich niet aan de Tien Geboden houdt. Wat de Tien Geboden zijn?
Dat is
een curiositeit. Ik zal jullie daar spoedig over schrijven.
Tweede Brief
"Ik heb
jullie niets over de mens geschreven dat
niet waar is.” Vergeef het me als ik die opmerking in deze brieven nu
en dan herhaal;
ik wil dat jullie de dingen die ik jullie vertel serieus nemen, en ik
heb het
gevoel dat als ik in jullie plaats zou staan en jullie je in de mijne,
ik die waarschuwing
af en toe nodig zou hebben, om mij bij de les te houden.
Want alles
aan de mens is onsterfelijk volmaakt vreemd.
Hij ziet niets zoals wij het zien, zijn gevoel voor verhoudingen is
volstrekt
anders dan het onze, en zijn besef voor waarden is`zo afwijkend van de
onze,
dat ondanks heel ons uitgebreid intellectueel vermogen, zelfs de meest
begaafde
van ons nooit echt in staat zal zijn dat te begrijpen.
Neem nou
eens het volgende staaltje: hij heeft een hemel gefantaseerd,
en heeft daar zijn hoogste genot, die extase die in het hart van elk
individu
van zijn ras op de allereerste plaats staat, - net als bij ons
overigens – de seksuele gemeenschap, volledig uit weggelaten!
Het is
alsof een redder tegen iemand, die in een
brandende woestijn is verdwaald en dreigt om te komen, zou vertellen
dat hij
alles wat hij zou willen mag kiezen, en dat hij daar één
ding uit zou weglaten,
namelijk water!
Zijn hemel
is net als hijzelf: vreemd, verbazingwekkend,
interessant en potsierlijk. Ik zweer het je, die hemel bevat niets waar
hij echt om geeft. Die bestaat enkel en
alleen uit vermaak waar hij hier op aarde geen fluit om geeft, en toch
weet hij
vast en zeker dat hij daar in de hemel van zal genieten. Is dat niet
merkwaardig?
Is dat niet interessant? Jullie moeten niet denken dat ik overdrijf,
want dat
is niet zo. Ik zal jullie nog wat details geven.
De meeste
mensen zingen niet; de meeste mensen kunnen
niet zingen; de meeste mensen zullen het niet uithouden als anderen
langer dan
twee uur blijven zingen. Onthoudt dat.
Maar
ongeveer twee op de honderd mensen kunnen een
muziekinstrument bespelen, en nog geen vier per honderd hebben zin om
het te
leren. Noteer dat.
Veel mensen
bidden, maar weinig mensen doen dat graag.
Maar een paar mensen bidden lang, de andere houden het kort.
Er gaan
meer mensen naar de kerk, dan dat ze echt willen.
Voor
negenenveertig van de vijftig is de Sabbat saai en
vervelend.
Tweederde
van alle mensen is het tijdens een zondagse
kerkdienst al zat als de dienst pas op de helft is, en de rest voordat
die is afgelopen.
Het
heerlijkste moment voor iedereen is, wanneer de
dominee zijn armen voor de zegen opheft. Je kunt dan het zachte
geroezemoes van
opluchting horen dat door het gebouw waart, en je voelt dat het een
teken van
dankbaarheid is.
Alle
volkeren kijken op alle andere volkeren neer.
Alle
volkeren hebben een hekel aan alle andere volkeren.
Alle blanke
volkeren verachten alle gekleurde volkeren,
van wat voor kleur dan ook, en onderdrukken hen als ze maar kunnen.
Blanke
mensen gaan niet met “negers” om, laat staan dat
ze met hen trouwen.
Ze zullen
hen niet in hun scholen en kerken toelaten.
De hele
wereld haat de Jood, en kan hem niet luchten,
tenzij hij rijk is.
Ik vraag
jullie van al die bijzonderheden goed nota te
nemen.
Verder
hebben alle gezonde mensen een hekel aan lawaai.
Alle
mensen, gezond of ongezond, willen graag afwisseling
in hun leven. Eentonigheid verveelt hen al snel.
Ieder mens
gebruikt, naar gelang de hoeveelheid
geestelijke bagage die hem ten deel is gevallen, voortdurend en
onophoudelijk
zijn verstand en dat gebruiken maakt een uitgebreid, waardevol en
wezenlijk
bestanddeel van zijn leven uit. Zowel de meest zwakbegaafden als de
hoogstbegaafden bezitten een of andere vaardigheid en scheppen er een
hartstochtelijk plezier in om die te toetsen, te bewijzen of te
verbeteren. De
blaag die het in een spelletje van zijn vriendje wint, is daarbij even
ijverig
en enthousiast als de beeldhouwer, de schilder, de pianist, de
wiskundige en de
rest. Geen van hen zou gelukkig zijn als zijn talent verboden zou
worden.
Nu kennen
jullie dus de feiten. Jullie weten waar het
mensensoort plezier in schept, en waarin niet. Het heeft helemaal uit
zijn
hoofd en uit zichzelf een hemel uitgevonden: en raad eens hoe die eruit
ziet! Nog
in geen vijftienhonderd eeuwigheden zou jullie dat lukken. Zelfs de
knapste kop
die jullie en ik kennen, zou het nog in geen vijftig miljoen aeonen
kunnen
raden. Goed dan, ik zal het jullie vertellen.
1.
Allereerst wil ik weer even dat buitengewone feit
onder jullie aandacht brengen, waarmee ik ben begonnen. Namelijk dat
het
menselijke wezen, net als de onsterfelijken, van nature de seksuele
gemeenschap
ver boven alle andere geneugten stelt – en het toch uit zijn hemel
heeft weggelaten!
Alleen al de gedachte eraan windt hem op; de gelegenheid ertoe maakt
hem wild;
in dat stadium zal hij zijn leven, zijn reputatie en alles op het spel
zetten –
zelfs die zonderlinge hemel van hem – om van die gelegenheid gebruik te
maken
en het tot een verpletterende climax te laten komen. Van hun jeugd tot
hun
middelbare leeftijd stellen alle mannen en vrouwen het copuleren meer
op prijs
dan alle geneugten bij elkaar, en toch is het in werkelijkheid zoals ik
heb
gezegd: in hun hemel bestaat het niet; in plaats daarvan bidden ze.
Ze stellen
het dus zeer op prijs; maar net als hun
zogenaamde ‘zegeningen’ is het er droevig mee gesteld. Op zijn
allerbest en
allerlangst, duurt de daad onvoorstelbaar kort – in de voorstelling van
een
onsterfelijke bedoel ik. En als het om nóg een keer gaat, is de
man nogal
beperkt – ach, daarin gaat hij elk onsterfelijk bevattingsvermogen te
boven. Wij,
die de daad en de opperste extase daarvan ononderbroken en zonder
terugtrekken
eeuwenlang kunnen volhouden, zullen nooit in staat zijn gepast
medelijden te hebben
- laat staan dat we het kunnen begrijpen - met de verschrikkelijk
armzalige
manier waarop deze mensen, met deze kostbare gave omgaan, die zij net
zo
bezitten als wij, en waarbij alle andere bezit in het niet valt en niet
noemenswaard
is.
2. In de
hemel van de mens zingt iedereen! De mens die op
aarde niet zingt, zingt daar; de
mens die op aarde niet kon zingen, kan het daar opeens wel. Het
alomvattende
zingen is niet zomaar, niet af en toe, wordt niet afgelost door
rustpauzes,
maar gaat door, de hele dag, elke dag en duurt wel twaalf uur lang. En iedereen
blijft; terwijl op aarde de
plek binnen twee uur leeg zou zijn. Ze zingen alleen maar lofzangen.
Nee, het
is één grote lofzang. De woorden zijn
altijd hetzelfde, het zijn er maar ongeveer twaalf, ze rijmen niet op
elkaar,
en er is geen dichtvorm. “Hosanna, hosanna, hosanna, de Heer der
Heerscharen,
‘hoera! hoera! hoera! Tsjing! …boem! …a-a-ah!”
3. Intussen
speelt iedereen op een harp – al die
miljoenen en miljoenen! – terwijl er op aarde niet meer dan twintig op
de
duizend een instrument konden bespelen, of het ook maar hadden willen
bespelen.
Denk eens
aan die oorverdovende orkaan van geluid –
miljoenen en miljoenen stemmen die tegelijk schreeuwen en miljoenen en
miljoenen harpen, die tegelijkertijd hun tanden laten knarsen! Ik vraag
het je:
is dat afschuwelijk, is het verfoeilijk of is het verschrikkelijk?
Bedenk
verder dat een lofdienst
is; een dankdienst, een slijmdienst, een kruipdienst! Vraag je dan af
wie die
vreemde gelukwens zou willen verduren, zo’n krankzinnige gelukwens; en
wie het
niet alleen verduurt, maar er ook nog van houdt, het eist en zelfs gebiedt?
Hou
je
adem
in!
Het is God!
De god van dit ras, bedoel ik. Hij zit op
zijn troon, temidden van zijn vierentwintig oudsten en nog wat andere
hoogwaardigheidsbekleders
die tot zijn hofhouding behoren, en kijkt uit over zijn, zich
kilometers en
kilometers uitstrekkende, menigte van onstuimige aanbidders, glimlacht
en
spint, en knikt voldaan noordwaarts, oostwaarts, en zuidwaarts; ik
vermoed dat
zo’n eigenaardig en naïef schouwspel in dit universum nog nooit
eerder is
vertoond.
Het is
duidelijk dat de uitvinder van de hemelen dit niet
heeft bedacht, maar dat het is overgenomen van de show-plechtigheden
van een of
ander zielig klein soeverein Staatje ergens in de uithoeken van de
Oriënt.
Alle
gezonde blanke mensen haten lawaai; toch accepteren
ze rustig dit soort hemel – zonder te denken, zonder na te denken en
zonder
onderzoek – en ze willen er echt naar toe! Zeer vrome oude grijsaards
besteden
een groot deel van hun tijd aan het dromen over de gelukzalige dag,
waarop zij
de zorgen van dit leven van zich af zullen leggen en de geneugten van
die plek
mogen smaken. Toch kun je zien hoe onwerkelijk het voor hen is, en hoe
weinig
ze het als feitelijk kunnen beschouwen, aan het feit dat ze geen
daadwerkelijke
voorbereidingen treffen voor de grote verandering: je ziet nooit iemand
van hen
met een harp, je hoort nooit iemand van hen zingen.
Zoals
jullie hebben begrepen is die zonderlinge voorstelling
een lofdienst: men looft met hymnen en looft met knielen. Het is in
plaats van
de “kerk.” Nou dan, op aarde kunnen deze mensen niet veel kerk hebben –
een uur
en een kwartier is het maximum, en ze trekken de grens bij
één keer per week.
Dat wil zeggen, op zondag. Een op de zeven dagen en zelfs dan kijken ze
er niet
verlangend naar uit. En dus – stel je nu eens voor wat de hemel hen
biedt: een
“kerk” die eeuwig duurt en een Sabbat zonder einde! Hier worden ze al
gauw moe
van hun wekelijkse Sabbat, en toch verlangen ze naar die eeuwige; ze
dromen
ervan, ze praten erover, ze denken dat
ze denken dat ze ervan zullen genieten – met hun eenvoud van hart
denken ze dat
ze denken dat ze daar gelukkig zullen zijn!
Dat komt
omdat ze helemaal niet denken; ze denken alleen
dat ze denken. Aangezien ze niet kunnen denken, hebben niet eens twee
op de
tienduizend menselijke wezens iets waarmee ze kunnen denken. En wat hun
verbeelding betreft – ach, ja, kijk maar naar hun hemel! Die aanvaarden
ze, die
bevelen ze aan en die bewonderen ze. Dat geeft jullie een beeld van hun
intellectuele vermogens.
4. De
uitvinder van hun hemel stort daar alle volkeren
van de wereld in uit, in één gezamenlijke warboel. Ze
moeten allemaal gelijk
zijn, niemand mag zich van een ander onderscheiden, ze moeten
“broeders” zijn;
ze moeten zich met elkaar vermengen, samen bidden, samen harpspelen,
samen
hosanna zingen – blanken, negers, Joden, iedereen – zonder onderscheid.
Hier op
aarde haten alle volkeren elkaar, en iedereen haat de Jood. Toch is
iedere
vrome dol op de hemel en wil erin komen. Echt waar. En als hij in een
heilige
vervoering verkeert, denkt hij dat hij denkt dat als hij daar maar
eenmaal is,
hij de hele bevolking aan zijn hart zal drukken en zal omhelzen, en
omhelzen en
omhelzen!
Hij is een
wonder – hij is dat echt! Ik zou heel graag willen
weten wie hem heeft uitgevonden.
5. Ieder
mens op aarde bezit een bepaalde hoeveelheid
verstand, veel of weinig; en of het nu veel of weinig is, hij is er
trots op. Ook
zwelt zijn hart op bij het vermelden van de namen van die majestueuze
intellectuele
topmensen van zijn soort, en hij geniet van de geschiedenissen van hun
grootse
prestaties. Want hij is van hetzelfde bloed en door zichzelf te eren,
hebben ze
hem geëerd. Zie, wat de geest van de mens vermag! roept hij uit,
en dan loopt
hij de lijst van beroemdheden uit alle tijden door; en dan wijst hij op
de
onvergankelijke litteratuur die zij de wereld hebben geschonken, en de
mechanische
wonderen die ze hebben uitgevonden, en de roem waarmee zij de
wetenschappen en
de kunsten hebben bekleed; en hij neemt zijn hoed voor hen af als waren
het
koningen, en bewijst hen de hoogste, en de meest oprechte eer, die zijn
jubelende hart kan verschaffen – waarmee hij het verstand boven al het
andere
in de wereld verheft, en het daar onder het gewelfde uitspansel in een
ongenaakbare oppermacht doet tronen. En vervolgens bedacht hij een
hemel zonder
ook maar één grein intellect.
Is dat niet
vreemd, is dat niet eigenaardig, is dat niet
raadselachtig? Hoe ongelofelijk het ook klinkt, het is precies zoals ik
het heb
verteld. Deze oprechte bewonderaar van het verstand en kwistige beloner
van haar
diensten hier op aarde, heeft een godsdienst en een hemel uitgevonden,
die geen
enkele waardering voor het intellect opbrengen, het geen aanzien
verlenen en zich
er niets aan gelegen laten liggen; in feite hebben ze het er nooit
over.
Inmiddels
zullen jullie wel hebben begrepen, dat de hemel
van de menselijke wezens is bedacht en geconstrueerd volgens een
absoluut
omschreven ontwerp; en dat dit ontwerp behelst, dat het volledig tot in
het
kleinste detail al het denkbare zal bevatten, dat mensen weerzinwekkend
vinden,
en niets waar hij van houdt!
Helemaal
juist. Hoe verder we komen, hoe duidelijker dit
merkwaardige gegeven zal worden.
Onthoudt
het goed: in de hemel van de mens heeft het
verstand niets te zoeken, niets waar het van kan leven. Het zou daar
binnen het
jaar wegrotten – wegrotten en stinken. Wegrotten en stinken – en daarna
heilig
worden. Gelukkig maar: want alleen de heilige zou de vreugden van zo’n
gekkenhuis kunnen verdragen.
Derde
Brief
Jullie
hebben inmiddels begrepen dat het menselijke wezen
een curiositeit is. In het verleden heeft hij honderden en honderden
godsdiensten gehad (versleten en weggegooid); tegenwoordig heeft hij
honderden
en honderden godsdiensten en lanceert elk jaar niet minder dan drie
nieuwe. Ik
zou dat aantal best groter kunnen maken en nog binnen de feiten
blijven.
Een van
zijn voornaamste godsdiensten wordt de Christelijke
genoemd. Een beschrijving daarvan zal jullie ongetwijfeld interesseren.
Die
godsdienst wordt in een boek, dat twee miljoen woorden bevat, tot in
detail
uiteengezet. Dat boek wordt het Oude en het Nieuwe Testament genoemd.
Het heeft
ook een andere naam – Het Woord van God. Want de Christen denkt dat elk
woord
daarvan door God is gedicteerd – die god waar ik het al over heb gehad.
Het staat
vol interessants. Het bevat prachtige
gedichten, en een aantal knappe fabels; nog wat bloederige geschiedenis
en wat
goede moraal; verder een rijkdom aan obsceniteiten en meer dan duizend
leugens.
Die Bijbel
is voornamelijk uit fragmenten van oudere
Bijbels samengesteld, die hun tijd hadden gehad en in stof uiteen
gevallen
waren. Daarom mist de Bijbel noodzakelijkerwijs elke
oorspronkelijkheid. De
drie of vier meest indrukwekkende en belangrijke gebeurtenissen zijn
allemaal
in vroegere Bijbels voorgevallen; ook al zijn beste voorschriften en
gedragsregels stamden uit die Bijbels; er staan maar twee nieuwe dingen
in: de
hel onder andere en die merkwaardige hemel waar ik het met jullie al
over heb
gehad.
Wat zullen
we doen? Als wij samen met die mensen geloven
dat hun god die wreedheden heeft uitgevonden, belasteren we hem; als we
geloven
dat die mensen ze zelf hebben uitgevonden, belasteren we hen. Het is in
beide
gevallen een onaangenaam dilemma, want geen van beide partijen heeft
ons enig
kwaad berokkend.
Laten wij
voor onze gemoedsrust partij kiezen. Laten wij
ons achter de mensen scharen en die hele onaangename last bij hem
neerleggen – hemel, hel, Bijbel en
al. Het lijkt niet juist, het lijkt niet eerlijk; en toch, als je die
hemel
beschouwt en ziet hoe stampvol die zit met alles wat voor een menselijk
wezen
weerzinwekkend is, hoe kunnen wij dan nog geloven dat een menselijk
wezen die
heeft uitgevonden? En als ik jullie over de hel ga vertellen, zal het
nog
schandelijker worden, en zullen jullie waarschijnlijk zeggen: Nee, een
mens zou
niet voor zo’n plek zorgen, noch voor zichzelf, noch voor wie dan ook;
hij zou
het gewoon niet kunnen.
Die
onschuldige Bijbel vertelt over de Schepping. Waarvan…het
universum? Ja, het universum. In zes dagen!
God deed
dat. Hij noemde het niet universum – dat is een
nieuwerwetse naam. Zijn hele aandacht was op deze wereld gericht. Hij
construeerde die in vijf dagen – en toen? Het kostte hem maar
één dag om
twintig miljoen zonnen en tachtig miljoen planeten te maken.
Waar
dienden die dan voor – volgens hem? Om deze kleine
speelgoedwereld licht te verschaffen. Dat was zijn enige bedoeling; hij
had
geen andere. Een van die twintig miljoen zonnen (de kleinste) was
bedoeld om
die wereld overdag te verlichten, de rest was bedoeld om
één van de ontelbare
manen in het universum de duisternis van zijn nachten te helpen
verzachten.
Het is
volstrekt duidelijk dat hij dacht, dat zijn
pasgemaakte uitspansel vanaf het moment dat zijn zon op de eerste dag
onder de
horizon verdween, met die ontelbare flonkerende sterren als diamanten
bezaaid
zou zijn; maar in werkelijkheid flikkerde er geen enkele ster aan dat
duistere
gewelf, totdat er, na die gedenkwaardige week van ontzagwekkende
werkzaamheden,
drie en een half jaar waren verstreken. (Noot I) Toen verscheen er
één ster, heel
eenzaam en alleen en begon te knipperen. Drie jaar later verscheen er
nog een.
Meer dan vier jaar flonkerde die twee samen, voordat een derde zich bij
hen
voegde. Aan het einde van de eerste honderd jaar waren er nog geen
vijfentwintig sterren die in de uitgestrekte woestenij van dat duistere
uitspansel flikkerden. Aan het eind van de eerste duizend jaren waren
er niet
genoeg sterren om ook maar iets voor te stellen. Na één
miljoen jaar had pas de
helft van de huidige groep hun licht over de telescopische grenzen heen
gestuurd, en het kostte nog een miljoen jaar voordat de rest hun
voorbeeld had
gevolgd, zoals het algemeen bekende gezegde luidt. In die tijd bestond
er nog
geen telescoop, dus hun komst werd niet opgemerkt.
De
Christelijke astronoom weet nu al driehonderd jaar,
dat zijn Godheid de sterren niet in die geweldige zes dagen heeft
gemaakt; maar
de Christelijke astronoom weidt niet over dat detail uit. De priester
ook niet.
In zijn
Boek heeft God zijn mond vol van het prijzen van
zijn eigen machtige werken en benoemt ze met de grootste bewoordingen,
die hij
maar kan vinden – waarmee hij aangeeft dat hij een grote en terechte
bewondering heeft voor grootheden; toch heeft hij die miljoenen
reusachtige
zonnen gemaakt om dit pietepeuterige kleine hemelbolletje te
verlichten, in
plaats van die kleine zon van dat bolletje die andere op hun wenken te
laten
bedienen. Hij maakt in zijn boek vermelding van Arcturus (alpha
Boötis, een rode reus) – jullie herinneren je Arcturus toch
nog wel? We zijn er een keer geweest. Dat is een van de nachtlampen van
de
aarde! – die reuzenbol, die vijftigduizend keer zo groot is als de zon
van de
aarde, en die je als een meloen met een kathedraal kunt vergelijken.
Maar op de
zondagschool wordt het kind nog steeds
geleerd, dat Arcturus is geschapen om deze aarde te helpen verlichten,
en dat
kind groeit dan op en blijft dat geloven, lang nadat het heeft begrepen
dat de
waarschijnlijkheid van het tegendeel getuigt.
Volgens het
Boek en zijn letterknechten is het universum
pas zesduizend jaar oud. Pas in de afgelopen honderd jaar hebben
leergierige en
onderzoekende geesten ontdekt dat het eerder honderd miljoen is.
In die Zes
Dagen schiep God de mens en de andere dieren.
Hij maakte
een man en een vrouw en plaatste hen in een
aangename Tuin, samen met de andere schepselen. Zij leefden daar een
tijdje
allemaal in harmonie, tevredenheid en een stralende jeugd; en toen
kwamen de
problemen. God had de man en de vrouw gewaarschuwd, om niet de vruchten
van een
bepaalde boom te eten. En hij voegde daar een uiterst merkwaardige
opmerking
aan toe: hij zei dat ze vast dood zouden gaan, als ze daar toch van
zouden eten.
Merkwaardig, want aangezien zij nog nooit een voorbeeld van de dood
hadden
gezien, konden ze onmogelijk begrijpen wat hij bedoelde. Noch hij, noch
enige
andere god zou in staat geweest kunnen zijn om die onwetende kinderen
duidelijk
te maken, wat zij bedoelden, zonder daar een voorbeeld te geven. Het
woord
alleen kon voor hen geen betekenis hebben, net zomin als het dat voor
een baby
zou kunnen hebben.
Weldra kwam
een slang hen persoonlijk opzoeken, en kwam
rechtop naar hen toelopen, wat in die dagen de gewoonte van slangen
was. De
slang vertelde dat de verboden vrucht hun lege hoofden met kennis zou
vullen.
Dus aten ze ervan, wat volmaakt vanzelfsprekend was, want de mens is
zó gemaakt
dat hij graag alles wil weten; terwijl de priester, net als God, wiens
imitator
en vertegenwoordiger hij is, zich vanaf het begin tot taak heeft
gesteld de
mens van elke nuttige kennis af te houden.
Adam en Eva
aten van de verboden vrucht, en onmiddellijk
stroomde er een helder licht hun schemerige hoofden binnen. Ze hadden
kennis
gekregen. Wat voor kennis? Nuttige kennis? Nee, alleen maar kennis dat
er
zoiest als goed en zoiets als kwaad bestaat, en hoe ze kwaad moesten
doen. Vóór
die tijd konden ze dat niet. Daarom waren al hun daden tot dan toe
vlekkeloos,
zonder schuld en zonder overtreding.
Maar nu
konden ze kwaad doen – en daar onder lijden; nu
hadden ze een Zedelijk Besef, wat de kerk als een onschatbaar bezit
beschouwt;
dat besef dat de mens van het dier onderscheidt en hem boven het dier
plaatst,
in plaats van beneden het dier – waar men van zou veronderstellen dat
dat zijn
eigenlijke plaats zou zijn, aangezien hij altijd een verdorven geest
heeft en
schuldig is, en het dier altijd rein van geest is en onschuldig is. Je
kunt het
vergelijken met waarde toekennen aan een horloge, dat vast niet goed
loopt,
boven een horloge dat dat niet kan. Toch prijst de Kerk tot op de dag
van
vandaag het Zedelijke Besef als het meest edele bezit van de mens,
hoewel de
Kerk weet dat God er duidelijk niet veel mee op had en op zijn eigen
stuntelige
manier er alles aan heeft gedaan om zijn gelukkige Kinderen in het
Paradijs daarvan
af te houden.
Maar goed,
Adam en Eva wisten nu wat kwaad was, en hoe ze
het moesten doen. Ze wisten hoe ze allerlei kwaads konden uithalen,
waaronder
dat ene belangrijke – dat God met name op het oog had. Dat was het
kunstje en
het mysterie van de seksuele gemeenschap. Voor hen was het een
geweldige
ontdekking, en ze hielden meteen met luieren op en richtten er hun hele
aandacht op, die arme jubelende jonkies!
Midden in
een van die festijnen, hoorden ze God in de
bosjes wandelen, wat hij ’s middags placht te doen, en ze raakten in
paniek.
Waarom? Omdat ze naakt waren. Eerder wisten ze dat nog niet. Ze hadden
zich
daar nooit aan gestoord; God overigens ook niet.
Op dat
gedenkwaardige moment werd de onzedigheid geboren;
en sommige mensen hebben dat vanaf die tijd altijd op prijs gesteld,
hoewel het
hen heel wat hoofdbrekens zou kosten om uit te leggen waarom.
Adam en Eva
betraden de wereld naakt en zonder schaamte –
naakt en zuiver van geest; en geen enkele van hun afstammelingen heeft
dat ooit
anders gedaan. Allemaal hebben ze de wereld naakt, zonder schaamte en
zuiver
van geest betreden. Ze zijn er kuis ingekomen. Ze moesten onkuisheid en
een bezoedelde
geest verwerven; want op een andere manier was dat niet te krijgen. De
eerste
plicht van een Christelijke moeder is om het breintje van haar kind te
bezoedelen en dat laat ze niet na. Haar jongen groeit op tot
missionaris, gaat
naar de onschuldige wilde en de beschaafde Japanner, en bezoedelt hun
breinen. Waarop
ze`zijn zedeloosheid overnemen, hun lichamen verbergen, en niet meer
samen
naakt baden.
De afspraak
die abusievelijk kuisheid wordt genoemd heeft
geen richtsnoer en kan er ook geen hebben, omdat kuisheid
tegennatuurlijk is en
onredelijk, en daarom een artefact is en onderhevig aan ieders grillen,
en
ieders zieke nukkigheid. En dus bedekt in India de beschaafde vrouw
haar gezicht
en borsten en laat haar benen vanaf de heupen bloot, terwijl de
beschaafde
Europese dame haar benen bedekt en haar gezicht en borsten ontbloot. In
landen
die door de onschuldige wilde wordt bewoond, raakt de beschaafde
Europese dame al
gauw gewend aan het volkomen spiernaakte van de inboorling, en laat
zich daar
niet meer door kwetsen. Een uiterst beschaafde Franse graaf en gravin –
niet
aan elkaar verwant – die in de achttiende eeuw schipbreuk leden en in
hun
nachtkleding op een onbewoond eiland aanspoelden, liepen al snel naakt
rond. Ze
schaamden zich wel, maar niet langer dan één week. Daarna
hadden ze geen last
meer van hun naaktheid en al gauw dachten ze daar helemaal niet meer
aan.
Jullie
hebben nooit een mens met kleren aan gezien. Nou,
ja, dan heb je niets gemist.
Maar laat
ik verder gaan met de Bijbelse
eigenaardigheden. Jullie denken natuurlijk dat het dreigement om Adam
en Eva voor
hun ongehoorzaamheid te straffen allicht niet werd uitgevoerd,
aangezien zij
zichzelf niet hadden geschapen, noch hun natuur, noch hun neigingen,
noch hun
zwakheden, en daarom eigenlijk niemands geboden hoefden te gehoorzamen,
en
niemand verantwoording voor hun daden hoefden af te leggen. Het zal
jullie
verbazen dat dat dreigement wel degelijk werd uitgevoerd. Adam en Eva
werden
gestraft en tot op heden bestaan er verdedigers van die misdaad. De
doodstraf
werd ten uitvoer gebracht.
Zoals
jullie hebben gemerkt is de enige persoon, die voor
de overtreding van het stel verantwoordelijk was, ontsnapt en niet
alleen ontsnapt,
maar hij werd ook nog eens de beul van de onschuldige.
In jullie
en mijn land zouden wij het voorrecht genieten
om grapjes over dit soort zedelijkheid te maken, maar het zou onaardig
zijn om dat
hier te doen. Veel van deze mensen beschikken over een denkvermogen,
maar
niemand maakt daar gebruik van als het over godsdienst gaat.
De knapste
koppen zullen jullie vertellen dat, als iemand
een kind heeft gekregen, hij de morele plicht heeft daar liefhebbend
voor te
zorgen, het tegen kwaad te behoeden, tegen ziekte te beschermen, het te
kleden,
te voeden, zijn koppigheid te verdragen, het niet te slaan behalve uit
liefde en
voor zijn eigen bestwil, en er in geen enkel geval ooit een wreedheid
tegen te
begaan. De manier waarop God zijn aardse kinderen, elke dag en elke
nacht,
behandelt is precies het tegenovergestelde van dat alles, en toch
rechtvaardigen die knappe koppen die misdaden vol vuur, zien ze door de
vingers, praten ze goed en weigeren ze verontwaardigd ook maar als
misdaden te
beschouwen, als hij ze begaat. Jullie
en mijn land is interessant, maar daar bestaat niets wat maar half zo
interessant is als de menselijke geest.
Maar goed,
God verdreef Adam en Eva uit de Tuin, en
vermoordde ze ten slotte. En dat allemaal omdat ze niet aan een verbod
hadden
gehoorzaamd, wat hij niet had mogen uitvaardigen. Maar zoals jullie
zullen zien
ging hij nog verder. Hij had een zedenwet voor zichzelf, en een hele
andere
voor zijn kinderen. Hij eiste van zijn kinderen dat zij zondaars
rechtvaardig –
en zacht – moesten bejegenen, en hen zevenenzeventig maal moesten
vergeven;
terwijl hij niemand rechtvaardig of zacht behandelt, en dat eerste
onwetende en
onnadenkende jonge stel vergaf hij zelfs hun eerste kleine overtreding
niet door
te zeggen: “Deze keer gaan jullie nog vrijuit, ik zal jullie nog een
kans
geven.”
In
tegendeel! Hij koos ervoor hun kinderen te straffen,
door alle eeuwen heen tot het einde der
tijden, voor een onbenullige overtreding, die door anderen
vóór hun geboorte
was begaan. Hij straft ze nog steeds. Doet hij dat mild? Nee, hij doet
het
wreed.
Jullie
zouden niet verwachten dat dit soort Wezen veel
bijval krijgt. Maak je geen illusies: de wereld noemt hem de Absoluut
Rechtvaardige, de Absoluut Goede, de Absoluut Barmhartige, de Absolute
Vergever, de Absoluut Ware, de Absoluut Liefhebbende, en de Bron van de
Absolute Zedelijkheid. Deze sarcastische benamingen worden dagelijks,
over de
hele wereld uitgesproken. Maar niet als bewust sarcastisch. Nee, ze
zijn echt
zo bedoeld. Zij worden zonder glimlach uitgesproken.
Vierde Brief
Zo vertrok
het Eerste Paar vervloekt uit de Tuin – een blijvende
vervloeking. Ze waren alle plezier van vóór “De Zondeval”
kwijtgeraakt, en toch
waren ze rijk, want zij hadden er een pleziertje bij gekregen, dat meer
waard
was dan
de hele rest: zij verstonden het Sublieme Kunstje.
Dat
brachten zij ijverig in praktijk en dat vervulde hen
met tevredenheid. De Godheid had hen dat zelf bevolen. Dit keer
gehoorzaamden
ze. Maar Hij zou dat hen net zo goed hebben kunnen verbieden, want ze
zouden dat
hoe dan ook in praktijk hebben gebracht, al hadden duizend Godheden het
verboden.
De gevolgen
bleven niet uit. Kaïn en Abel genaamd. En die
hadden een paar zusters; en ze wisten wat ze met hen moesten doen. En
zo
volgden er nog meer gevolgen: Kaïn en Abel verwekten een aantal
neefjes en
nichtjes. Op hun beurt verwekten die een aantal achterneefjes en
achternichtjes. Op dat moment begon de indeling van de familieverbanden
ingewikkeld te worden, en de poging om dat te handhaven werd opgegeven.
De
aangename bezigheid om de wereld te bevolken ging van eeuw
tot eeuw door, en uitermate voortvarend; want in die gelukkige tijden
waren de
geslachten nog bekwaam in dat Sublieme Kunstje, zelfs als ze eigenlijk
al
achthonderd jaar dood hadden moeten zijn. Het bevalligere geslacht, het
lievere
geslacht, het verrukkelijkere geslacht was destijds duidelijk op haar
allerbest,
want het was zelfs in staat de goden aan te trekken. Zij daalden uit de
hemel
neer en brachten heerlijke tijden met die hete jonge blommen door. De
Bijbel
verhaalt daar over.
Dankzij de
bezoekjes van die vreemdelingen nam de
bevolking steeds verder toe, tot enige miljoenen. Maar voor de Godheid
was dat
een teleurstelling. De zedelijkheid van het volk, die in een aantal
opzichten
geen haar beter was dan de zijne, beviel hem niet. Het was inderdaad
een weinig
vlijende getrouwe nabootsing van zijn eigen zedelijkheid. Het was een
zeer
zondig volk, en omdat hij niet wist hoe hij het kon verbeteren, besloot
hij
wijselijk het maar te vernietigen. Dat is het enige echt verlichte en
voortreffelijke idee dat zijn Bijbel aan hem heeft toegeschreven, en
het zou
zijn reputatie voor altijd hebben gevestigd, als hij zich daar maar aan
had
gehouden en het had uitgevoerd. Maar hij was altijd al wat labiel –
behalve in
zijn propaganda – en zijn fraaie oplossing viel in het water. Hij was
trots op
de mens; de mens was zijn mooiste uitvinding; de mens was, naast de
vlieg, zijn
speeltje, en hij kon het niet aan om hem helemaal te kwijt te raken;
daarom nam
hij ten slotte het besluit een aantal exemplaren te houden en de rest
te
verdrinken.
Er is
niets, dat meer tekenend voor hem kan zijn. Hij had
zelf al die schandelijke mensen geschapen, en alleen hij was
verantwoordelijk
voor hun gedrag. Niemand van hen verdiende de dood, en toch was het
ongetwijfeld een juist beleid om hen uit te roeien; met name, omdat
door hen te
scheppen de grootste misdaad al was begaan, en het hen maar aan laten
fokken alleen
maar een aparte toevoeging aan de misdaad was geweest. Maar
tegelijkertijd mocht
er natuurlijk geen sprake zijn van rechtvaardigheid, eerlijkheid, of
enige
voortrekkerij – ze zouden allemaal verdronken moeten worden of niemand.
Nee, zo
wilde hij het niet hebben; hij zou er een half
dozijn houden en proberen het ras over te doen. Hij was kennelijk niet
in staat
te voorzien dat het soort weer zou verloederen, want alleen in zijn
propaganda
is hij de Vérziende.
Noach en
zijn familie hield hij apart en hij trof
maatregelen om de rest te vernietigen. Hij ontwierp een Ark, en Noach
bouwde
die. Geen van beiden had ooit eerder een Ark gebouwd, en ze wisten dus
niets
over Arken; en dus verwachtten ze iets buitengewoons. En het
geschiedde. Noach
was een boer, en hoewel hij wist wat er van de Ark werd verwacht, was
hij
volledig ongeschikt om te weten of die groot genoeg zou zijn om al dan
niet (niet
dus) aan de behoefte te voldoen, maar hij waagde het erop en verrichtte
onvoldoende
metingen. Uiteindelijk voldeed de boot lang niet aan alle eisen, en tot
op de
dag van vandaag lijdt de wereld daar nog steeds onder.
Noach
bouwde de Ark. Hij bouwde die zo goed als hij kon, maar
de meeste hoofdzaken liet hij achterwege. De Ark had geen roer, geen
zeilen,
geen kompas, geen pompen, geen zeekaarten, geen dieploden, geen ankers,
geen logboek,
geen licht, geen ventilatie, en wat het vrachtruim betreft: – waar het
eigenlijk om ging – hoe minder we daar over zeggen, hoe beter. Hij zou
elf
maanden lang op zee moeten kunnen blijven, en zou dus genoeg water
nodig
hebben, om twee Arken van dezelfde grootte te vullen – maar in een
extra Ark
was niet voorzien. Water van buiten kon niet worden gebruikt: de helft
ervan
zou zout water zijn en mensen en landdieren zouden dat niet kunnen
drinken.
Want
er
moest niet alleen een aantal exemplaren van de
mens behouden worden, maar ook een monstercollectie van de andere
dieren.
Jullie moeten begrijpen dat, toen Adam in de Tuin van de appel at en
leerde hoe
hij zich moest vermenigvuldigen en de aarde moest vervullen (Gen.
1:28), de
andere dieren dat Kunstje ook leerden door het van Adam af te kijken.
Dat was
listig van ze en knap, want ze konden al het waardevolle uit de appel
halen
zonder daar zelf van te proeven en zichzelf met dat rampzalige
Zedelijke Besef
op te zadelen, de vader van alle onzedelijkheid.
Vijfde Brief
Noach begon
dieren te verzamelen. Er moest van elk soort,
lopend of kruipend in de wereld van de bezielde natuur, zwemmend of
vliegend, schepsel
een paartje komen. We kunnen slechts raden hoe lang het duurde en
hoeveel het
kostte, om die schepsels te verzamelen, want er bestaat geen verslag
van deze
details. Toen Symmachus voorbereidingen trof om zijn jonge zoon kennis
te laten
maken met de wereld van de volwassenen in het keizerlijke Rome, stuurde
hij
mensen uit naar Azië, Afrika en overal, om wilde dieren te
verzamelen, voor de
gevechten in de arena. Het kostte die mensen drie jaar om de dieren
bijeen te
brengen en ze naar Rome te vervoeren. Alleen viervoeters en alligators,
weet je
– geen vogels, geen slangen, geen kikkers, geen wormen, geen luizen,
geen
ratten, geen vlooien, geen sprinkhanen, geen spinnen, geen huisvliegen,
geen
muggen – alleen maar duidelijke en gewone viervoeters en alligators: en
dan nog
alleen maar vechtende viervoeters. En het was echt zoals ik heb gezegd:
het
kostte drie jaar om ze te verzamelen, en de kosten van de dieren, het
transport
en het salaris van de mensen, bedroegen meer dan 4.500.000 dollar.
Hoeveel
dieren? Dat weten we niet. Maar het waren er
minder dan vijfduizend, want dat was het grootste aantal dat ooit voor
die
Romeinse voorstellingen bijeen is gebracht, en het was Titus, niet
Symmachus,
die dat deed. Vergeleken met het contract van Noach waren het maar
babymuseums.
Van de vogels, de wilde dieren en de zoetwaterschepsels moest hij
146.000
soorten bij elkaar brengen; en van de insecten meer dan twee miljoen
exemplaren.
Duizenden
en duizenden van die dingen waren heel moeilijk
te vangen, en als Noach het niet op had gegeven en er voor had bedankt,
zou hij
er, zoals Leviticus placht te zeggen, nog steeds mee bezig zijn. Maar
ik bedoel
niet dat hij zich terugtrok. Nee, dat deed hij niet. Hij verzamelde
zoveel als
hij kon bergen, en toen stopte hij.
Als hij in
het begin alle consequenties had overzien, zou
hij zich hebben gerealiseerd, dat hij een hele vloot Arken nodig zou
hebben.
Maar hij wist niet hoeveel soorten schepsels er bestonden, en zijn Baas
wist
dat ook niet. Dus hij had geen kangaroe, geen opossum, geen gilamonster
en geen
vogelbekdier, en er ontbraken een heleboel andere onmisbare zegeningen,
die een
liefdevolle Schepper de mensen had geschonken en vervolgens vergeten
had, omdat
ze lang geleden naar de andere kant van de wereld waren verhuisd, die
hij dus nooit
had gezien en waar hij niet van wist wat zich daar afspeelde. Dus het
scheelde
maar een haar of ze waren allemaal verdronken.
Ze
ontsnapten slechts bij toeval. Rondom was er niet
genoeg water. Er was maar net genoeg water om een klein hoekje van de
aardbol
onder water te zetten – de rest was toen nog niet ontdekt en werd als
niet-bestaande
beschouwd.
Maar wat er
werkelijk, uiteindelijk en duidelijk voor
zorgde dat Noach, toen hij voldoende exemplaren voor zuiver zakelijke
doeleinden had verzameld, ophield en de rest liet uitsterven, was iets
dat op
een van de laatste dagen voorviel: er arriveerde een opgewonden
vreemdeling met
hoogst alarmerend nieuws. Hij vertelde dat hij ergens midden in de
bergen en
dalen ongeveer zeshonderd mijl verderop had gekampeerd, en daar iets
wonderlijks had gezien: hij had aan de rand van een afgrond gestaan die
op een
uitgestrekte vallei uitkeek, en zag toen een zwarte aanzwellende zee
van
merkwaardig dierlijk leven de vallei in stromen. Al snel kwamen de
schepsels
hem zwoegend, vechtend, jakkerend, krijsend en snuivend voorbij – een
verschrikkelijk grote massa onstuimig vlees! Luiaarden zo groot als een
olifant, kikkers zo groot als een koe; een ongelofelijk grote
reuzenluiaard met
zijn harem, sauriërs en sauriërs en sauriërs, horde na
horde, familie na
familie, soort na soort – honderd voet lang, dertig voet hoog en dubbel
zo
ruziënd; een van raakte met een slag van zijn staart een volmaakt
onschuldige
Durham stier en zond hem fluitend driehonderd voet de lucht in, waarna
hij met
een zucht aan de voeten van de man neerviel en de laatste adem
uitblies. De man
vertelde dat die wonderlijke dieren over de Ark hadden gehoord en dat
ze eraan
kwamen. Kwamen om van de zondvloed gered te worden. En ze kwamen niet
in
paartjes, maar ze kwamen er allemaal aan:
ze wisten niet dat de passagiers tot paartjes beperkt waren, zei de
man, en die
verordening zou hen hoe dan toch geen lor schelen – ze wilden mee in de
Ark en
het waarom deed er niet toe. De man zei dat de Ark nog niet de helft
van hen
zou kunnen bevatten, en bovendien zouden ze hongerig aankomen en alles
wat er
was opeten, het beestenspul en de familie incluis.
Al die
feiten werden uit het Bijbelverhaal weggelaten. Je
zult daar geen fluit van vinden. Het is allemaal in de doofpot gestopt.
Zelfs
de namen van die enorme schepsels worden niet genoemd. Daaraan kun je
zien dat,
als mensen in een contract een onvergefelijke onduidelijkheid hebben
laten
staan, ze daar in de Bijbel net zo onbetrouwbaar over kunnen zijn als
ergens
anders. Die geweldige dieren zouden op dit moment, nu het vervoer zo
onder druk
staat en zo kostbaar is, voor de mens van onschatbare waarde kunnen
zijn, maar
ze zijn voor hem allemaal verloren gegaan. Allemaal verloren, allemaal
Noachs
schuld. Ze zijn allemaal verdronken. Sommigen van hen wel acht miljoen
jaar
geleden.
Nou goed,
de vreemdeling vertelde zijn verhaal, en Noach
begreep dat hij weg moest zijn voordat de monsters arriveerden. Hij had
meteen
uit willen varen, maar de stoffeerders en behangers van de huiskamer
van de
huisvlieg moesten daar nog de laatste hand aan leggen, en dat kostte
hem een
dag. Er ging nog een dag verloren omdat de vliegen aan boord moesten
worden
gebracht, waar er zesentachtig miljoen van waren en de Godheid toch
bang van
was dat het er niet genoeg zouden zijn. En de laatste dag ging verloren
omdat
er als proviand voor de vliegen, veertig ton uitgelezen stront
verstouwd moest worden.
En toen
voer Noach tenslotte uit; op het nippertje, want
de Ark was nog maar net achter de horizon uit het zicht aan het
verdwijnen, toen
de monsters arriveerden en hun geweeklaag voegden bij die van de
menigte
vaders, moeders en angstige kleine kinderen, die zich in de stortregen
aan de
door golven omspoelde rotsen vastklampten en smeekbeden verhieven naar
een
Absoluut Rechtvaardige, Absoluut Vergevende en Absoluut Meedogende, die
nog
nooit een gebed had verhoord, vanaf de tijd dat die rotsen korrel voor
korrel uit
zand waren opgebouwd, en die nog steeds niemand zou hebben geantwoord,
wanneer
de eeuwen ze weer tot zand zouden hebben verkruimeld.
Zesde Brief
Op de derde
dag, om ongeveer twaalf uur ’s middags, merkte
ze dat ze een vlieg hadden achtergelaten. De terugreis bleek lang en
moeizaam
te zijn, wegens het ontbreken van kaart en kompas, en vanwege de
verandering
van alle kustlijnen. Het gestaag rijzende water had een aantal van de
lager
gelegen bakens overspoeld en de hogergelegene een ander aanzicht
gegeven; maar
na zestien dagen van ijverig en nauwgezet zoeken, werd de vlieg ten
slotte
gevonden en met lofzangen en dankbaarheid aan boord ontvangen, waarbij
de
Familie uit eerbied voor zijn goddelijke oorsprong het hoofd
ontblootte. Hij
was vermoeid en uitgeput en had wat van het weer te lijden gehad, maar
verkeerde verder in een goede toestand. Mannen en hun gezinnen waren op
kale
bergtoppen van de honger omgekomen, maar hij had geen gebrek aan
voedsel gehad,
want de talrijke lijken hadden hem dat in een ranzige en rotte
overvloed
verschaft. Zo werd die heilige snuiter door de voorzienigheid gered.
Door de
Voorzienigheid. Dat is het woord. Want de vlieg
was niet bij toeval achtergebleven. Nee, de Voorzienigheid had daar een
hand in
gehad. Toeval bestaat niet. Alles wat gebeurt, gebeurt met een doel.
Alles is
van de aanvang der tijden voorzien. Alles is van de aanvang der tijden
beschikt. Vanaf de dageraad van de Schepping, had de Heer voorzien dat
Noach, geschrokken
en in verwarring door de invasie van die wonderbaarlijke fossielen in
wording, voortijdig
naar zee zou vluchten, met achterlating van een bepaalde onschatbare
ziekte. Hij
zou wel alle andere ziekten hebben meegenomen, en ze onder de nieuwe
mensenvolkeren, als ze weer zouden verschijnen kunnen verspreiden, maar
een van
de allerbeste zou ontbreken - de tyfus; een ziekte die, onder
bijzonder
gunstige omstandigheden, in staat is om een patiënt volledig te
slopen, zonder hem
te doden, want de patiënt kan wel weer op de been komen en nog
lang blijven
leven, maar dan wel doof, blind, kreupel en zwakzinnig. De huisvlieg is
de
belangrijkste verspreider van de tyfus, en hij is daarin bekwamer en
rampzaliger
doeltreffend dan alle andere verspreiders van die gevreesde plaag
samen. En dus
bleef deze vlieg, zoals van de aanvang der tijden was voorbeschikt,
achter, om
een tyfuslijk te zoeken, zich met die rottigheid te voeden, zijn poten
met
ziektekiemen in te smeren en die naar de opnieuw bevolkte wereld over
te
brengen, als een onuitputtelijke taak. Uit die ene vlieg zijn, in de
eeuwen die
sindsdien voorbij zijn gegaan, miljarden ziekbedden bevoorraad,
miljarden
gesloopte lichamen zwalkend de wereld ingestuurd en miljarden kerkhoven
van
doden voorzien.
Het is
vreselijk moeilijk de houding van de Bijbelse God
te begrijpen. Het is zo’n warboel van tegenstrijdigheden, van
verwaterde
onevenwichtigheden tegenover stalen onwrikbaarheid; van een
schoonschijnende
abstracte zedelijke woordenkraam tegenover betonnen helse zedelijke
daden, en van
een vluchtige vriendelijkheid die overgaat in blijvende
kwaadaardigheid.
Maar als je
na een hoop gepuzzel zijn houding door hebt, zul
je die uiteindelijk min of meer kunnen begrijpen. Met een uiterst
eigenaardige,
kinderachtige en verbazingwekkende openhartigheid heeft hij zelf de
oplossing
aangereikt. Hij is jaloers!
Ik neem aan
dat dit jullie de adem beneemt. Jullie weten
– want dat heb ik jullie al in een eerdere brief verteld – dat bij de
menselijke
wezens jaloezie duidelijk als een zwakheid geldt, een handelsmerk van
kleingeestigen, een eigenschap van alle
kleingeestigen en toch een eigenschap waar zelfs de meest kleingeestige
zich
voor schaamt, en als hij daarvan wordt beschuldigd zal hij dat
leugenachtig
ontkennen en de beschuldiging als een belediging beschouwen.
Jaloezie.
Vergeet dat niet, onthoud dat. Dat is de
sleutel. Daarmee kunnen jullie als we straks verder gaan, God
gedeeltelijk
begrijpen; zonder dat kan niemand hem begrijpen. Zoals ik al heb
verteld heeft
hij zelf die verraderlijke sleutel openlijk en voor iedereen zichtbaar
laten
zien. Hij zegt argeloos, openhartig en zonder blikken of blozen: “Ik,
de Heer
uw God, ben een jaloerse God.”
Weet je,
dat is slechts een andere manier om te zeggen: “Ik,
de Heer uw God ben een klein Godje; een klein Godje, dat over
pietluttigheden
zit te kniezen.”
Hij had
gewaarschuwd: hij kon de gedachte niet verdragen
dat een andere God wat van dat zondagse eerbetoon van dat koddige
kleine mensenrasje
zou krijgen – hij wilde dat allemaal voor zichzelf. Hij stelde dat op
prijs.
Voor hem was dat rijkdom, net zoals tinnen muntjes dat voor een Zoeloe
zijn.
Maar wacht
even – ik ben niet duidelijk, ik geef een
onjuist beeld van hem; mijn vooringenomenheid heeft me in de verleiding
gebracht om iets te zeggen dat niet waar is. Hij heeft niet gezegd dat
hij al
dat geslijm niet wilde; hij heeft er wel iets over gezegd, namelijk dat
hij dat
niet met zijn medegoden wilde delen; wat hij zei was: “Gij zult geen
andere
goden voor mijn aangezicht hebben.”
Dat is heel
iets anders, en dat plaatst hem in een veel
beter licht – dat geef ik toe. Er was een overvloed aan goden, de
wouden zaten
er vol mee, zoals het gezegde luidt, en het enige wat hij vroeg was dat
hij net
zo hoog ingeschat zou worden als de andere – niet hoger dan zij, maar
ook niet
lager. Hij wilde dat zij aardse maagden zouden bevruchten, maar niet op
gunstiger voorwaarden dan waar hij op zijn beurt over zou beschikken.
Hij wilde
als hun gelijke worden beschouwd. Hij stond daar in de meest duidelijke
bewoordingen op: hij wilde geen andere goden voor zijn
aangezicht hebben. Ze zouden naast hem mogen lopen, maar
geen van mocht aan het hoofd van de optocht lopen; dat recht om voorop
te lopen
eigende hij zichzelf toe.
Denken
jullie dat hij op die rechtschapen en
verdienstelijke plaats bleef? Nee. Aan een onjuiste beslissing kon hij
zich
voor altijd houden, maar aan een juiste niet langer dan een maand. Een
voor een
gooide hij die andere goden aan de kant en onbeschaamd riep hij
zichzelf uit
tot de enige God in het hele universum.
Jaloezie
was, zoals ik al zei, de sleutel, en Gods hele
geschiedenis door is dat uitgesproken aanwezig. Het is het merg en been
van
zijn houding, het is de basis van zijn karakter. Wat kan een
kleinigheidje toch
zijn kalmte en zijn oordeel verstoren, als het de zwakke plek van zijn
jaloezie
raakt! En niets prikkelt dat trekje zo snel en zo zeker als de
verdenking dat
een of ander concurrent de Stichting God bedreigt. De angst dat, als
Adam en
Eva van de vrucht van de Boom der Kennis aten, zij dan “als de goden”
zouden
worden, deed zijn jaloezie zo ontvlammen dat zijn redelijkheid werd
aangetast, zodat
hij die arme schepsels niet meer eerlijk of barmhartig kon bejegenen,
en het zelfs
niet kon laten hun schuldeloze nageslacht wreed en misdadig te
behandelen.
Tot op de
dag van vandaag is zijn redelijkheid nooit meer
van die klap hersteld; sindsdien is hij altijd door een woeste en
wraakzuchtige
nachtmerrie bezeten geweest en heeft hij zijn aangeboren
vindingrijkheid in het
bedenken van pijnen, ellende, vernederingen en hartzeer, waarmee hij
het korte
leven van Adams nakomelingen vergalde, bijna bankroet doen gaan. Denk
maar aan
de ziekten die hij voor ze heeft uitgedacht! Dat zijn er talrijke; er
is geen
boek dat ze allemaal kan bevatten. En elke ziekte is een valstrik,
uitgezet
voor een onschuldig slachtoffer.
Het
menselijke wezen is een machine. Een automaat,
samengesteld uit duizenden ingewikkelde en gevoelige mechanieken, die
hun werking
eenstemmig en volmaakt uitvoeren, in overeenstemming met wetten die
voor hun besturing
zijn uitgevonden, en waarover de mens zelf geen zeggenschap heeft, geen
meester
is en geen controle heeft. En voor elk van die duizenden mechanieken
heeft de
Schepper een vijand ontworpen wiens taak het is het te teisteren, te
pesten,
het lastig te vallen, het te beschadigen, het pijn te doen, ellende te
brengen,
en het uiteindelijk te vernietigen. Hij heeft er geen een over het
hoofd
gezien.
Van de wieg
tot het graf zijn die vijanden altijd aan het
werk, dag en nacht, ze kennen geen rust. Ze vormen een leger: een
georganiseerd
leger, een belegerend leger, een aanvallend leger, een leger dat op
zijn hoede,
waakzaam, geestdriftig en genadeloos is; een leger dat nooit aflaat en
nooit
een wapenstilstand sluit.
Het beweegt
zich voort in rotten, in compagnieën, in bataljons,
in regimenten, in brigades, in divisies, en in legerkorpsen; en nu en
dan
groeperen ze zich en storten ze zich met alle macht op de mensheid. Het
is het
Grote Leger van de Schepper, en hij is de Opperbevelhebber. En langs de
frontlinie wapperen, tegen de zon in, zijn sinistere banieren:
Rampspoed,
Ziekte en de rest.
Ziekte! Dat
is de belangrijkste kracht, de ijverige
kracht, de verwoestende kracht. Zij valt het kind al aan op het moment
dat het
wordt geboren; zij verschaft het de ene ziekte na de andere: kroep,
mazelen,
bof, poepproblemen, pijn bij tandjes krijgen, roodvonk, en andere
kindertijdspecialiteiten. Zij achtervolgt het naar de jeugdjaren en
levert het dan
wat specialiteiten die bij die leeftijd horen. Zij achtervolgt het van
jeugdjaren naar volwassenheid, van volwassenheid naar ouderdom, van
ouderdom
naar het graf.
Met dit
alles voor ogen mogen jullie nu proberen te raden
welk troetelnaampje de mens voor deze wrede Opperbevelhebber hebben. Ik
zal
jullie de moeite besparen – maar jullie moeten niet lachen. Het is Onze
Vader
in de Hemel!
Het is
zonderling – de manier waarop de menselijke geest
werkt. De Christen begint met de volgende letterlijke stelling, een
duidelijk
omschreven stelling, een onbuigzame en onverzoenlijke stelling: God
is alwetend en almachtig.
Als dat zo
is, kan er niets gebeuren zonder dat hij van
tevoren weet dat het gaat gebeuren; dan gebeurt er niets zonder zijn
toestemming;
en kan er niets gebeuren, wat hij kan voorkomen.
Dat is
duidelijk genoeg, nietwaar? Het maakt de Schepper echt
verantwoordelijk voor alles wat er gebeurt, nietwaar?
De Christen
geeft dat in dat schuingedrukte zinnetje toe.
Hij doet dat van harte en enthousiast.
En
vervolgens, nadat hij op die manier de Schepper voor
al die pijnen, ziekte en bovengenoemde ellende, die hij dus had kunnen
voorkomen, verantwoordelijk heeft gesteld, noemt die begaafde Christen
hem
doodleuk Onze Vader!
Het is echt
zoals ik jullie het vertel. Hij zadelt de
Schepper op met elke eigenschap die nodig is om een vijand te maken, en
komt
dan tot de conclusie dat een vijand en een vader een en hetzelfde zijn!
Toch
zou hij het er niet mee eens zijn, dat een kwaadaardige krankzinnige en
een
directeur van een zondagsschool in wezen hetzelfde`zijn. Wat denken
jullie nu
van de menselijke geest? Ik bedoel, voor het geval dat jullie denken
dat er een
menselijke geest bestaat?
Zevende
Brief
Noach en
zijn familie werden dus gelukkig gered – als je dat
gelukkig zou kunnen noemen.
Ik voeg dat als in omdat er nog nooit
een zinnige zestigjarige is geweest die zijn leven over zou willen
doen. Noch
hij, noch iemand anders. De Familie werd gered, dat wel, maar ze hadden
het
niet gemakkelijk, want ze zaten vol microben. Vol tot hun kruin, vet
vol, dik
vol, opgeblazen als ballonnen. Het was een onaangename toestand, maar
er viel
niets aan te doen, omdat er voldoende microben gered hadden moeten
worden, om
de toekomstige wereldbevolking van troosteloze ziekten te voorzien, en
er waren
maar acht personen aan boord om als hotel voor hen te fungeren. De
microben
waren verreweg het belangrijkste deel van Noachs vracht, en het was het
deel
waar de Schepper het meest bezorgd over en het meest dol op was. Ze
moesten juist
voedsel en een prettige verblijfplaats hebben. Er waren tyfusbacillen,
cholerabacillen, hondsdolheidbacillen, tetanusbacillen en
tuberkelbacillen;
zwarte pestbacillen en nog een paar honderd andere aristocraten;
bijzondere
kostbare creaties, gulden dragers van Gods liefde voor de mens,
gezegende gaven
van die dolverliefde Vader voor zijn kinderen – die allemaal weelderig
gehuisvest en rijkelijk onderhouden moesten worden; ze bevonden zich in
de
meest uitgelezen plekken die de binnenkant van de Familie hen kon
bieden: in de
longen, in het hart, in de hersenen, in de nieren, in het bloed en in
de
darmen. Met name in de darmen. De dikke darm was het lievelingsoord.
Daar zaten
ze bij elkaar, ontelbare miljarden, en werkten, aten, krioelden, en
kweelden lof-
en dankliederen; en ’s nachts, als het stil was, kon je ze zachtjes
horen
murmelen. Eigenlijk was de dikke darm hun hemel. Ze vulden hem stevig;
ze
maakten hem zo star als een gebogen gaspijp. Ze waren daar trots op.
Hun
belangrijkste gezang maakte daar dankbaar melding van:
Verstopping,
o verstopping
Die blijde boodschap zal
verheugd
Tot in de verre bochten van de
darm
Prijzen des Scheppers naam.
De Ark had
veel en allerlei ongemakken. De familie moest
midden tussen die enorme menigte dieren leven, de benauwende stank die
ze
produceerden inademen en het oorverdovende en overdonderende lawaai van
hun
gebrul en gekrijs aanhoren; en afgezien van die ondragelijke ongemakken
was het
voor de dames ook nog eens een bijzonder vermoeiende plek, want ze
konden geen
enkele kant opkijken of ze zagen duizenden van die schepsels zich
vermenigvuldigen
en maar aanfokken. En dan nog de vliegen. Die krioelden overal, en
achtervolgden de familie, de hele dag door. Ze waren de eerste dieren
die ’s
morgens op waren en de laatste die gingen slapen. Maar ze mochten niet
worden
gedood en niet beschadigd worden, ze waren heilig, hun oorsprong was
goddelijk,
ze waren de speciale speeltjes van de Schepper, zijn lievelingen.
Straks
zouden de andere schepsels hier en daar over de
aarde rondgedeeld worden – verspreid: de tijgers naar India, de leeuwen
en de
olifanten naar de lege woestijn en geheime plekken in het oerwoud, de
vogels
naar de grenzeloze gewesten van de lege ruimte, de insecten naar een of
andere
streek, die bij hun natuur en behoeften paste; maar de vlieg? Die heeft
geen
vaderland; alle gewesten vormen zijn thuis, de hele aardbol is zijn
vaderland,
alle ademende schepsels vormen zijn prooi, en voor hen allen is hij een
gesel
en een hel.
Voor de
mens is hij een goddelijke afgezant, een
gevolmachtigde minister, de speciale vertegenwoordiger van de Schepper.
Hij
teistert de baby in de wieg; hangt in trossen aan zijn plakkerige
oogleden;
zoemt, steekt en kwelt het, berooft het van zijn slaap en zijn
vermoeide moeder
van haar kracht, in die lange nachtwaken die zij besteed aan het
beschermen van
haar kind tegen de pesterijen van die lastpost. De vlieg kwelt de mens
thuis,
in het ziekenhuis, en zelfs tijdens zijn laatste ademtocht op zijn
sterfbed.
Pest hem tijdens zijn maaltijden; maakt jacht op patiënten die aan
walgelijke
en dodelijke ziekten lijden; waadt in hun zweren, smeert miljoenen dood
en
verderf zaaiende bacillen aan zijn poten; en vliegt dan naar de tafel
van de
gezonde en veegt die dingen vervolgens aan de boter af en schijt een
lading vol
tyfusbacillen op zijn kadetjes. De huisvlieg brengt meer schade aan de
gezondheid toe en vernietigd meer mensenlevens dan die hele troep van
Gods
onheilbrengers en moordwerktuigen bij elkaar.
Sem zat vol
met mijnwormen. Het is geweldig om te zien hoeveel
grondige en uitgebreide arbeid de Schepper heeft besteed, aan de grote
klus om
de mens diep ongelukkig te maken. Ik heb al verteld dat hij voor echt
elk
detail van het menselijke gestel een speciale kwelgeest had bedacht,
zonder er
ook maar één over het hoofd te zien, en dat is waar. Veel
armen mensen moeten
op blote voeten lopen, omdat zij zich geen schoenen kunnen veroorloven.
De
Schepper greep zijn kans. Ik wil tussendoor even opmerken, dat hij het
altijd
op de armen heeft gemunt. Negentig procent van zijn ziektebedenksels
waren voor
de armen bedoeld en ze krijgen ze. De welgestelden krijgen alleen wat
er over
blijft. Denk nou niet dat ik zomaar wat zeg, want dat is niet zo: de
overgrote
meerderheid van de kwelbedenksels van de Schepper zijn speciaal
ontworpen om de
armen lastig te vallen. Je kunt dat opmaken uit het feit dat een van de
fraaiste
en meest algemene kanselnamen voor de Schepper “De Vriend van de Armen”
is. Onder
geen enkele voorwaarde geeft de kansel de Schepper ooit een compliment
dat een
grein van waarheid bevat. De meest onverzoenlijke en onvermoeibare
vijand van
de armen is hun Vader in de Hemel. De enige echte vriend van de arme is
zijn
medemens. Die heeft medelijden met hem, heeft met hem te doen, en laat
dat door
zijn daden zien. Hij doet veel om zijn smart te lenigen en altijd gaat
hun
Vader in de Hemel weer met de eer strijken.
Net zo met
ziekten. Als de wetenschap een ziekte
uitroeit, die voor God zijn werk heeft verricht, dan wordt het aan hem
toegeschreven
en alle kansels barsten in dankbare propaganda-extases uit en wijzen
erop hoe
goed hij is! Ja, hij heeft het
gedaan. Misschien heeft hij wel duizend jaar gewacht om het te doen.
Dat zegt
niks; de kansel zegt dat hij er al die tijd aan gedacht heeft. Als
verbitterde
mensen in opstand komen, een eeuwenlange tirannie verjagen en het volk
bevrijden, is het als het werk van God aan te prijzen, het eerste wat
die
verrukkelijke kansel doet, en de mensen te vragen om op hun knieën
neer te
zijgen en hem daar hun dank voor te betuigen. En de kansel zegt met een
aanbiddelijke ontroering, “Tirannen moeten weten dat het Oog, dat nooit
slaapt,
op hen rust; en zij moeten bedenken dat de Heer onze God niet altijd
geduldig
zal blijven, maar de wervelstormen van zijn toorn op zíjn
uitverkoren dag zal
uitstorten.”
Ze vergeten
te zeggen dat hij de sloomste beweger in het
universum is; dat zijn Oog dat nooit slaapt, dat wellicht ook is, omdat
het dat
Oog een eeuw kost om te zien wat een ander oog binnen een week zou
zien; dat er
in de hele geschiedenis geen enkel voorbeeld valt aan te wijzen, waarop
hij eerst aan een edele daad dacht, maar
daar altijd pas een tijdje later, nadat iemand anders het had bedacht
en gedaan had, aan dacht. Dan komt hij
eraan, en strijkt het dividend op.
Maar goed,
zesduizend jaar geleden zat Sem vol
mijnwormen. Microscopisch klein, onzichtbaar voor het blote oog. Al die
speciale dodelijke ziekteverwekkers van de Schepper zijn onzichtbaar.
Het is
een geniaal idee. Vierduizend jaar lang bleef daardoor voor de mens de
bron van
zijn ziekten verborgen, en strandden zijn pogingen om ze meester te
worden. Pas
heel kort geleden is de wetenschap erin geslaagd een aantal van die
verraderlijke verwekkers te ontmaskeren.
De
allerlaatste van deze gezegende triomfen van de
wetenschap is de ontdekking en herkenning van de sluipmoordenaar, die
bekend
staat onder naam ‘mijnworm.’ Met name de blootsvoets lopende arme is
zijn
prooi. Hij ligt in warme gebieden en op zanderige plekken te wachten en
graaft
zich in zijn onbedekte voeten naar binnen.
De mijnworm
werd twee of drie jaar geleden ontdekt door
een arts, die de slachtoffers een tijd lang geduldig had bestudeerd.
Vanaf het
moment dat Sem op de Ararat aan land kwam, had de ziekte die door de
mijnworm
wordt veroorzaakt over de hele aarde zijn rampzalige werk verricht,
maar men
had echt nooit vermoed dat het om een ziekte ging. Men veronderstelde
dat de
mensen, die aan die ziekte leden, alleen maar lui waren, en daarom
werden ze
veracht en maakte men grappen over hen, terwijl men eigenlijk
medelijden met
hen had moeten hebben. De mijnworm is een bijzonder geniepige en
achterbakse
uitvinding, en heeft zijn slinkse werk eeuwenlang ongehinderd kunnen
verrichten; maar die arts en zijn helpers zullen hem nu uitroeien.