Het EVANGELIE van THOMAS
De verklaring van de geheime woorden
De TAO TE CHING van LAO TZU
Geen copyright. Mag vrij en onbeperkt, gekopiëerd en zoveel mogelijk geciteerd worden. Het staat iedereen vrij om alles wat hier staat zonder toestemming te verspreiden, maar wees zo attent wel te verwijzen naar www.evangelievanthomas.net




Downloaden als Word-document op de Downloadpagina



JEAN-JACQUES ROUSSEAU

BRIEF OVER DE VOORZIENIGHEID,

gericht aan Monsieur Voltaire, naar aanleiding van diens gedicht over de aardbeving van Lissabon op 1 november 1755, waarbij 100.000 mensen (1 op de drie inwoners) omkwamen en het grootste deel van de stad werd vernietigd. Het epicentrum van de beving lag 200 km ver in de Atlantische oceaan en werd gevolgd door een enorme tsunami, die wat nog overeind stond vernietigde.

18 AUGUSTUS 1756
 
Uw twee laatste gedichten, mijnheer, hebben mij in mijn eenzaamheid bereikt, en hoewel mijn vrienden van de liefde die ik voor uw geschriften koester op de hoogte zijn, weet ik niet van welke kant zij tot mij zijn gekomen, tenzij het van uw kant is geweest…Ik ga u niet vertellen dat alles bij mij even in de smaak is gevallen, maar de zaken erin die mij kwetsten hebben ervoor gezorgd dat ik me met meer vertrouwen laat inspireren door de zaken die mij hebben geroerd… Al mijn grieven zijn dus tegen uw Gedicht over de ramp van Lissabon gericht, omdat ik daar wat waardiger reacties van de Menselijkheid, die u lijkt te hebben geïnspireerd, van had verwacht. U verwijt Pope en Leibniz dat zij onze kwaden beschimpen door te beweren dat alles goed is, en u overdrijft de beschrijving van onze ellende doordat u de betekenis erger maakt: in plaats van de vertroosting waarop ik hoopte, doet u mij alleen maar verdriet; men zegt dat u bang bent dat ik niet besef hoe ongelukkig ik ben, en u gelooft, lijkt het, dat u mij zeer gerust kunt stellen door mij te bewijzen dat alles slecht is.
  Vergis u niet, Mijnheer, het is net het omgekeerde van wat u stelt. Dat optimisme dat u zo wreed vindt, troost mij echter in dezelfde smarten die u als ondraaglijk voor mij afschildert. Het Gedicht van Pope verzacht mijn kwalen, en geeft mij geduld, het uwe verergert mijn leed, wekt mij op tot klagen, en door mij alles behalve een wankelende hoop te ontnemen, brengt het me tot wanhoop. Kalmeer, in die vreemde tegenstelling die heerst tussen wat u bewijst en ik ervaar, de onthutsing die mij opwindt, en vertel mij wat zich vergist, het gevoel of de rede.
  “Mens, heb geduld,” vertellen Pope en Leibniz mij. Jouw kwaden zijn een noodzakelijke gevolg van je natuur, en van de aard van het universum. Het eeuwige en weldoend Wezen die het universum bestuurt, wil je verzekeren: dat het uit alle mogelijke maatschappijen diegene heeft uitgekozen, die het minste kwaad en het meeste goed in zich verenigt, of om hetzelfde minder omwonden dan nodig is te zeggen: als het eeuwige Wezen het niet beter heeft gemaakt, komt dat omdat hij niet in staat was het beter te maken.”
  Wat vertelt uw gedicht mij nu? “Lijdt voor altijd, ongelukkige. Als er een God bestaat die jou heeft geschapen, is hij ongetwijfeld almachtig; hij had alle kwaden kunnen voorkomen: verwacht dus niet dat ze ooit zullen eindigen; want men kan niet begrijpen waarom jij bestaat, als het niet om te lijden en te sterven is.”  Ik kan niet zien hoe een dergelijke doctrine meer troostend kan zijn dan het optimisme en het fatalisme zelf: wat mijzelf betreft, moet ik bekennen dat het me nog wreder lijkt dan het manicheïsme. Als het probleem van de oorsprong van het kwaad u dwingt een aantal van de volmaaktheden van God te verdraaien, waarom wilt u dan zijn macht ten koste van zijn goedheid rechtvaardigen? Als men moet kiezen tussen twee dwalingen, geef ik de voorkeur aan de eerste.
  Ik kan niet zien hoe men de bron van het morele kwaad ergens anders kan vinden dan in de vrije mens, vervolmaakt, maar corrupt; en wat de fysieke kwalen betreft, als het een tegenstrijdigheid is als iets gevoelig én gevoelloos is, en dat lijkt mij zo, zijn die in elk systeem waar de mens deel van uit maakt onontkoombaar; het merendeel van onze fysieke kwalen zijn nog altijd ons eigen werk. Om op uw onderwerp van Lissabon terug te komen, u bent het toch met mij eens, dat de natuur niet die vijfduizend huizen van zes en zeven verdiepingen bij elkaar heeft gebracht, en dat als de inwoners van die grote stad meer gelijkmatig verspreid en eenvoudiger gehuisvest zouden zijn geweest, de verwoesting veel geringer zou zijn geweest, en misschien wel helemaal niet. Zij zouden allemaal bij de eerste schok zijn gevlucht, en men zou hen de volgende dag op twintig mijl van de stad hebben aangetroffen, net zo gelukkig alsof er niets zou zijn gebeurd. Maar zij moesten blijven, om te babbelen temidden van de puinhopen, moesten zichzelf blootstellen aan nieuwe schokken, omdat wat men had achtergelaten meer waard was dan wat ze met zich mee hadden genomen. Hoeveel ongelukkigen zijn in die ramp omgekomen, omdat de een zijn bezittingen wilde redden, de ander zijn papieren en de derde zijn geld? U zou gewild hebben, en wie niet! dat de aardbeving zich diep in een woestijn had voorgedaan. Maar wat zou zo’n voorrecht voor betekenis hebben gehad? Zou dat willen zeggen dat de natuur aan onze wetten onderworpen zou moeten zijn? 
Ik heb uit Zadig (verhaal van Voltaire) geleerd, en de natuur bevestigt mij dat dag in dag uit, dat een bespoedigde dood niet altijd een werkelijk kwaad is en soms voor een betrekkelijk goed kan doorgaan. Van al die mensen die onder de puinhopen van Lissabon zijn verpletterd, zijn er ettelijke die ongetwijfeld aan grotere ellende zijn ontkomen; en ondanks het feit dat een dergelijke beschrijving iets treffends heeft en de dichtkunst materiaal levert, is het niet zeker dat ook maar een van die ongelukkigen meer heeft geleden, dan wanneer hij, naar de gewone loop der dingen, in langdurige doodsangsten op de dood had moet wachten, die hem nu heeft verrast. Is er een tragischer einde dan het sterven van iemand die men belast met zinloze zorgen, die door de notaris en zijn erfgenamen niet met rust wordt gelaten, die de artsen als het hun schikt in zijn bed vermoorden, en voor wie barbaarse priesters kundig de angst voor de dood verergeren? Wat mij betreft, zie ik dat de kwalen waar de natuur ons aan onderwerpt minder wreed zijn dan die we onszelf aandoen.
  Om op het systeem, Mijnheer, dat u aanvalt terug te komen, denk ik dat men het niet gepast kan onderzoeken, zonder zorgvuldig het persoonlijke kwaad, waar geen enkele filosoof ooit het bestaan van heeft ontkend, van het algemene kwaad te onderscheiden, dat het optimisme loochent. Het is niet de vraag te weten of ieder van ons al dan niet lijdt, maar of het juist was wat het universum deed, en of onze ellende in de ordening van het universum onvermijdelijk was, en in plaats van te zeggen dat Alles goed is, zou men misschien beter kunnen zeggen: Het alles is goed, of Alles is goed voor alles. Het is dus zeer voor de hand liggend dat geen enkel mens noch vóór noch tegen een onmiddellijk bewijs kan leveren. Als ik die verschillende vragen tot hun gemeenschappelijke kern terugbreng, lijkt het mij dat zij allemaal het bestaan van God opleveren. Als God bestaat, is hij volmaakt; als hij volmaakt is, is hij wijs, machtig en rechtvaardig; als hij rechtvaardig en machtig is, is mijn ziel onsterfelijk; als mijn ziel onsterfelijk is, betekenen dertig jaar voor mij niets, en zijn dan waarschijnlijk noodzakelijk voor het behoud van het universum. Als men het met mij over de eerste propositie eens is, zal men nooit de daarop volgende aan het wankelen kunnen brengen; als men die eerste loochent, heeft het geen zin om over de gevolgen te redetwisten. Nee, ik heb in dit leven teveel geleden om niet op een ander leven te hopen. Alle spitsvondigheden van de metafysica hebben mij nooit één moment aan de onsterfelijkheid van de ziel en aan een weldoende Voorzienigheid doen twijfelen. 

Ik kan niet nalaten, Mijnheer, om een opmerking over een enkele tegenstelling tussen u en mij te maken, die met het onderwerp van deze brief verband houdt. Omgeven door roem en zonder al die ijdele grootsheid, leeft u vrij aan de boezem van de overvloed; zeker van uw onsterfelijkheid, filosofeert u vredig over de natuur van de ziel, en als het lichaam en het hart lijden, hebt u Tronchin als dokter en vriend: toch ziet u niets dan kwaad op de aarde. En ik, een onbetekenend man, arm en gekweld door een ziekte zonder genezing, mediteer met genoegen in mijn afzondering en vind dat alles goed is. Waar komen deze ogenschijnlijke tegenstellingen vandaan? U hebt het voor uzelf verklaard: u geniet van uzelf, maar ik hoop, en hoop maakt alles prachtig.

18 augustus 1956