Het EVANGELIE van THOMAS
De verklaring van de geheime woorden
De TAO TE CHING van LAO TZU
Geen copyright. Mag vrij en onbeperkt, gekopiëerd en zoveel mogelijk geciteerd worden. Het staat iedereen vrij om alles wat hier staat zonder toestemming te verspreiden, maar wees zo attent wel te verwijzen naar www.evangelievanthomas.net




Downloaden als Word-document op de Downloadpagina



LETTRE DE M. DE VOLTAIRE AU DOCTEUR
JEAN-JACQUES PANSOPHE 1766



Inleiding:


De brief aan doctor Pansophe (“Alwijs”) is ontegenzeggelijke door Voltaire geschreven, maar hij heeft dat zelf altijd ontkend. Ook geadresseerde Jean-Jacques Rousseau heeft daar nooit aan getwijfeld. In een brief aan David Hume, schrijft hij: “Ongeveer in dezelfde tijd …. zegt hij, verscheen een brief van M. de Voltaire aan mij gericht (aan doctor Pansof) met een Engelse vertaling, die verder gaat dan het origineel. Het edele onderwerp van dat geestige werk is om bij degenen, bij wie ik mijn toevlucht heb gezocht, verachting en haat voor mij op te wekken.” Voltaire zelf heeft geprobeerd het auteurschap van de brief aan anderen toe te schrijven, eerst aan de eerwaarde Croyer en later aan Borde, die beiden verontwaardigd protesteerden.
Hoewel Voltaire regelmatig geestig is, blijft het toch een uitermatig kinderachtige aanval op de ideeën van Rousseau. Natuurlijk heeft Rousseau een aantal tekortkomingen, natuurlijk is hij af en toe tegenstrijdig, natuurlijk is hij voor zijn ijdelheid gezwicht, maar dat doet niets af aan de strekking van zijn boodschap en daar heeft Voltaire het niet over.
Het is de tragiek van alle mystici, alle verlichten en van alle utopisten,dat ze de werkelijkheid hebben aanschouwd, maar allemaal gestruikeld zijn in de uitwerking van hun inzicht. Dat wil dus zeggen dat als ze ook maar één fout maken, één komma verkeerd zetten, ze op een genadeloze afrekening door hun tegenstanders mogen rekenen. Voltaire doet dat in deze brief. En zo werd Jean-Jacques Rousseau een haveloze verliezer en sleet Voltaire zijn laatste jaren op zijn eigen kasteel met tweehonderdveertig knechten.



BRIEF AAN DOCTOR PANSOF ...

Wat u ook moge zeggen, doctor Pansof, ik ben zeker niet de oorzaak van uw ellende: ik ben daar bedroefd over en uw boeken verdienen niet dat ze zoveel aanstoot geven en zoveel opschudding veroorzaken; maar wordt intussen geen lasteraar, dat zou het allerergste zijn. Ik heb in het laatste werk dat u het licht hebt doen aanschouwen, een fraaie personificatie gelezen, waarin u als ongepaste grap te berde brengt, dat ik niet in God geloof. Het verwijt is even verwonderlijk als uw vernuft. De Jezuïet Garasse, de Jezuïet Hardouin, en andere publieke leugenaars, zijn niet licht na te bootsen. Doctor Pansof, ik ben geen atheïst, noch in mijn hart, noch in mijn boeken; oprechte mensen, die ons beiden kennen, zeggen als zij uw artikel lezen: Helaas! doctor Pansof is net zo slecht als andere mensen; dat is heel jammer.
Deskundige bewonderaar van de onnozelheid en dierlijkheid van de wilden, u bent tegen de wetenschappen uitgevaren, en u hebt ze beoefend. U hebt schrijvers en filosofen voor charlatans uitgemaakt; en als voorbeeld, bent u zelf schrijver geweest. U hebt met de toewijding van een kapucijn tegen de komedie geschreven, en u hebt zelf slechte komedies geproduceerd. U bent van mening geweest dat een satraap en een hertog, als iets verfoeilijks, overbodig zouden moeten zijn, en u hebt voor satrapen en hertogen muziek gekopieerd, die u met die overbodigheid hebben betaald. U hebt een saaie roman neergekrabbeld, waarin een pedagoog zijn leerling oprecht verleidt door hem in de deugd te onderwijzen; en het nette meisje gaat oprecht met de pedagoog naar bed; en zij hoopt met heel haar hart dat hij een kind bij haar maakt; en met haar tedere vriend praat zij steeds over wijsheid; en zij wordt vrouw, moeder, en de meest tedere vriendin van een echtgenoot, die toch niet van haar houdt; en zij leeft en sterft al redenerend, maar zonder tot God te willen bidden. Doctor Pansof, u hebt u tot de huisonderwijzer van ene Emile opgeworpen, die u met behulp van onuitvoerbare middelen gevoelloos opvoedt; en om een goede christen te maken, vernietigt u de christelijke godsdienst. Overal belijdt u, door het prediken van het deïsme, een oprechte aanhankelijkheid aan de openbaring, wat niet verhindert dat bij u de deïsten en filosofen consequent slechts atheïsten zijn. Ik bewonder, zoals mij betaamt, zoveel reinheid en gerechtigheid van geest; maar sta me alstublieft toe, in God te geloven. U kunt een sofist zijn, een slechte redenaar en dientengevolge een op zijn minst nutteloze schrijver, zonder dat ik een atheïst ben. Het allerhoogste Wezen zal ons beiden oordelen; laten wij nederig zijn vonnis afwachten. Het lijkt me dat ik mijn best heb gedaan om de zaak van God en deugd te verdedigen, maar met minder gal en drift dan u. Bent u niet bang dat uw nutteloze laster tegen de filosofen en mij u in de ogen van het allerhoogste Wezen niet onaangenaam heeft gemaakt, zoals u dat in de ogen van de mensen al bent?
Uw Brieven uit de bergen staan vol met bitterheid; dat is niet goed, Jean-Jacques. Als uw vaderland u onterecht taboe heeft verklaard, hoeft u het nog niet te vervloeken of in verwarring te brengen. U hebt zeker gelijk als u zegt dat u geen filosoof bent. De wijze Socrates ledigde zwijgend de gifbeker: hij schreef geen smaadschriften tegen de areopaag, zelfs niet tegen de priester Anitus, zijn openlijke vijand; zijn deugdzame mond bezoedelde zich niet met vervloekingen: hij stierf in de volheid van zijn eer en lijdzaamheid; maar u bent geen Socrates, noch een filosoof.
Doctor Pansof, sta mij toe dat ik u hier drie lessen leer, die de filosofie u had moeten leren: een les over oprechtheid, een les over gezond verstand en een les over bescheidenheid.
Waarom zegt u dat de goede man, die zo foutievelijk Gregorius de Grote (paus van 590-604 n.C.) wordt genoemd, al mag dan hij een heilige zijn, een vermaard paus was, omdat hij dom was en een intrigant? Ik heb in de geschiedenis doorlopend gezien dat domheid en onwetendheid nooit iets goeds hebben gebracht, maar integendeel juist veel kwaad. Gregorius prees en loofde zelfs de misdaden van Phocas (Oost-Romeins keizer 602 n.C.), die zijn meester, de ongelukkige Mauritius had vermoord en onttroond. Hij prees en loofde de misdaden van Brunhilde (534-613 dochter van Athanagild, koning der Visigoten), die de schande van de Franse geschiedenis is. Als de kunsten en de wetenschappen de mensen niet het allerbeste hebben verschaft, dan zijn ze op zijn minst bescheidener slecht; en als ze kwaad aanrichten, zoeken ze voorwendsels, ze talmen, ze houden zich in: men kan misdaden voorkomen en grote misdaden zijn zeldzaam. Er zijn tien eeuwen geweest, waarin u niet alleen samen met de rupsen, de sprinkhanen en heksen geëxcommuniceerd zou zijn, maar verbrand en opgehangen, samen met heel veel eerlijke mensen die heden ten dage in vrede brieven schrijven, en geef toe dat de huidige tijd beter is. Het is de filosofie die uw redding is, en u vermoordt haar: ga op de knieën, ondankbare, en ween om uw dwaasheid. Wij zijn geen slaven meer van die spirituele en wereldlijke tirannen, die heel Europa hebben gekweld: het leven is aangenamer, de zeden menselijker, en de Staten rustiger.
U hebt het, doctor Pansof, over de deugdzaamheid van de wilden: het lijkt mij echter dat zij magis extra vitia quam cum virtutibus (meer zonder gebreken, dan met deugden) zijn. Hun deugdzaamheid is negatief, en bestaat uit het niet hebben van goede koks, goede muzikanten, mooie meubels, luxe, etc. Ziet u, de deugd veronderstelt kennis, nadenken, filosofie, ofschoon volgens u elk mens dat nadenkt een ontaard dier is; waar logischerwijs uit volgt dat de deugd onmogelijk is. Een onwetende, een complete dwaas is evenmin bevattelijk voor de deugd als een paard of een aap; u hebt vast nooit een deugdzaam paard, noch een deugdzame aap gezien. Meester Aliboron (de ezel in de fabels van La Fontaine) mag dan wel van mening zijn dat uw proza een vurig proza is, het volk beklaagt zich erover dat u nooit een mooie sluitrede hebt gemaakt. Luister, doctor Pansof: de goede Xantippe mopperde onophoudelijk en hevig op de filosofie en het vernuft van Socrates; maar de goede Xantippe was een dwaas, zoals de hele wereld weet. Kom toch.
Vermaarde Pansof! de razernij waarmee u uw tijdgenoten laakt, laat u ten koste van hen de oude en moderne wilden prijzen, in zaken die allesbehalve prijzenswaard zijn.
Alstublieft, waarom laat u Fabricius zeggen dat het enige talent van Rome, het veroveren van de aarde is, aangezien de veroveringen van de Romeinen, en veroveringen over het algemeen, misdaden zijn, en terwijl u in uw belachelijke plan voor een eeuwigdurende vrede zo fel misdaden laakt. Er schuilt ongetwijfeld geen deugd in het veroveren van de aarde. Alstublieft, waarom laat u Curius, als een achtenswaardig maxime, zeggen dat hij liever het bevel voerde over mensen die goud hadden dan dat hij het zelf had? Het is op zich een onbelangrijke zaak om goud te hebben; maar het is een misdaad, zoals Curius, onrechtmatig het bevel willen voeren over mensen die het wel hebben. U hebt dat alles niet begrepen, doctor Pansof, omdat u liever fraai proza schrijft dan helder redeneert. Heb berouw over uw slechte moraal en verdiep u in de logica.
Mijn beste Jean-Jacques, wees eens eerlijk. U die mijn godsdienst aanvalt, ik smeek u, vertel me wat de uwe is. U geeft u, met uw alledaagse bescheidenheid, uit voor de hersteller van het christendom in Europa; u zegt dat de godsdienst, die overal wordt verkondigd, zelfs bij het volk zijn invloed heeft verloren, etc. U hebt inderdaad de wonderen van Jezus, net als de eerwaarde Prades, in diskrediet gebracht, om het aanzien van de godsdienst te verheffen. U hebt gezegd, dat men wel in het Evangelie van Jezus moet geloven, omdat het ongelofelijk is! net als Tertullianus onbeschaamd heeft gezegd, dat hij er zeker van was dat de Zoon van God dood was, omdat het onmogelijk was: Mortuus est Dei Filius; hoc certum est quia impossibile. Zo zou, met een dergelijke redenering, een meetkundige ook kunnen zeggen, dat de drie hoeken van een driehoek ongelijk zijn aan twee rechthoeken, omdat het duidelijk is dat ze dat zijn. Mijn beste Jean-Jacques, verdiep u in de logica, en beschouw, net als Alcibiades, mensen niet zo als bloemkoolhoofden.
Het is ontegenzeggelijk een zeer groot kwaad om niet in de christelijke godsdienst te geloven, die de ene ware is temidden van duizend andere, die voorgeven het ook te zijn: toch kan en moet degene die die pech heeft in God geloven. De fanatiekelingen, de brave vrouwen, de kinderen en doctor Pansof, maken geen onderscheid tussen de atheïst en de deïst. O Jean-Jacques! u hebt God en de waarheid zo beloofd om niet te liegen; waarom liegt u tegen uw geweten? U bent, zoals uzelf zegt, de enige schrijver van uw eeuw en diverse andere, die oprecht heeft geschreven. U hebt ongetwijfeld oprecht geschreven dat de christelijke wet in wezen meer schadelijk dan nuttig is voor de hechte constitutie van een Staat; en dat de ware christenen bestemd zijn om slaven en laf te zijn; dat men kinderen de catechismus niet moet leren, omdat zij de geest niet hebben om in God te geloven, etc. Vraag de hele wereld of dat niet het zuiverste deïsme is: derhalve bent u atheïst of christen net als de deïsten, net naar het u uit zal komen, want u bent een onbegrijpelijke man. Maar nogmaals, verdiep u eens in de logica, en u zult niet meer zo te onpas aangebrand raken. Laat, zoals het u betaamt, oprechte mensen die helemaal geen zin hebben om atheïst, slechte denker en lasteraar te zijn, in hun waarde. Als elke werkeloze burger een schavuit is, bedenk dan eens wat voor benaming een valse burger verdient, die laatdunkend over de hele wereld is, en die de exclusieve eigenaar van de hele godsdienst, de deugd en de rede, zoals die in Europa heerst, wil zijn. Vae misero! lilia nigra videntur, pallentesque rosae.(Wee, heb medelijden! er verschijnen zwarte lelies, vale rozen) Wees christen, Jean-Jacques, want u gaat er prat op dat met alle macht te willen zijn; maar in naam van het gezond verstand en de waarheid, denk niet dat u de enige meester in Israël bent.
Doctor Pansof, wees bescheiden, alstublieft. Nog een belangrijke les: waarom moet u tegen de aartsbisschop van Parijs zeggen dat u met bepaalde talenten bent geboren? U bent kennelijk niet met het talent van de nederigheid, noch van de zuiverheid van geest geboren. Waarom moet u openlijk zeggen dat u de opvoeding van een prins hebt geweigerd, en hem hooghartig waarschuwen dat hij u voortaan niet meer dergelijke voorstellen behoort te doen? Ik denk dat een dergelijke openlijke waarschuwing eerder ijdel dan nuttig is: als zelfs Diogenes, op een keer, tegen de voorbijgangers zei: Koop een meester, liet men hen in zijn ton achter met al zijn hoogmoed en dwaasheid. Waarom moet u zeggen dat die beroerde geloofsbelijdenis van de Allobroogse (Gallische volksstam) Kapelaan het beste boek is dat in deze eeuw is verschenen? U liegt behoorlijk, Jean-Jacques: een goed boek is een boek dat de mensen verlicht en ze in het goede versterkt; en een slecht boek is een boek dat de mist, die voor hen de waarheid verbergt, verdicht, dat ze in nieuwe twijfels onderdompelt, en hen hun zekerheden ontneemt. Waarom moet u, met een arrogantie zonder weerga, doorlopend herhalen dat u de dwaze lezers en het dwaze publiek trotseert? Het publiek is niet dwaas: het trotseert op zijn beurt de waanzin die ten koste van het publiek leeft en kwaadspreekt. Waarom, o doctor Pansof, zegt u zomaar dat een verstandige Staat standbeelden voor de schrijver van Emile zou moeten oprichten? Dat betekent dat de schrijver van Emile is als een kind, dat nadat het zeepbellen heeft geblazen, of spuwend in een put cirkels trekt, zich als een zeer belangrijk wezen beschouwt. Bovendien, doctor, al heeft men dan geen standbeelden voor u opgericht, men heeft u gegraveerd; heel de wereld kan op de straathoeken naar uw gezicht en glorie kijken. Dat lijkt me toch wel voldoende voor iemand die geen filosoof wil zijn, en die het in feite ook niet is. Quam pulchrum est digito monstrari, et diceri:Hic est! (maar het is mooi als men met de vinger kan wijzen en zeggen: Hij is het! (Persius, saturae 1, 28)) Waarom, mijn vriend Jean-Jacques, zou men op zijn deugd, zijn verdienste en zijn talenten prat moeten gaan? Door zijn hoogmoed kan de mens net zo stevig worden als de bult van de kamelen van Idumea of de vacht van de woestijnezel. Jezus zei dat hij zachtmoedig en nederig van hart was; Jean-Jacques, die doet alsof hij zijn leerling is, maar een ondeugende leerling die vaak met zijn meestert vit, is noch zachtmoedig, noch nederig van hart. Maar dat zijn mijn zaken niet. Toch zou hij moeten leren dat de ware verdienste niet bestaat uit het ongewoon zijn, maar uit het redelijk zijn. De Duitser Cornelius Agrippa heeft lang vóór hem op de wetenschappen en geleerden afgegeven; desondanks was het allesbehalve een groot man.
Doctor Pansof, men heeft mij verteld dat u naar Engeland wil gaan. Dat is het land van de schone vrouwen en goede filosofen. Die schone vrouwen en goede filosofen zijn misschien benieuwd om u te zien, en u zult u laten zien. De journalisten zullen openlijk en nauwkeurig aantekening van al uw doen en laten houden, en zullen over de grote Jean-Jacques praten als ware hij de olifant van de koning of de zebra van de koningin: want de Engelsen vermaken zich met zeldzame produkten van elk soort, als ze het maar als zeldzaam beschouwen. Men zal u de komedie wijzen, als u er naartoe gaat; en men zal zeggen: ziedaar het uitmuntende genie dat ons verwijt dat wij niet over een natuurlijk goed beschikken, en die zegt dat de onderdanen van Zijne Majesteit niet vrij zijn! Dat daar is de profeet van het meer van Genève, die ons in het 45e vers van zijn Apocalyps rampen en onze ondergang heeft voorzegd, omdat wij rijk zijn. Men zal u met verbazing van top tot teen bekijken, terwijl men zijn gedachten over de menselijke dwaasheid zal laten gaan. De Engelse vrouwen die, zoals ik u zeg, heel mooi zijn, zullen, als men hen vertelt dat u wilt dat zij slechts vrouwen, vrouwtjesdieren zijn, schaterlachen; dat zij zich uitsluitend met de zorg voor het koken voor hun echtgenoot moeten bezig houden, met het verstellen van hun overhemden en hen, met een deugdzame en onwetende inborst, vermaak en kinderen moeten verschaffen. De schone en spirituele hertogin d’A.. .r, milady’s de..., de..., de..., zullen hun schouders ophalen, en de mensen zullen u, terwijl zij hun gezicht en geest bewonderen, vergeten. De schrandere lord W... e, de wijze lord L.. n, de filosofen milord C.. .d, de hertog van G.. n, sir F.. .x, sir C.. .d, en zovele anderen, zullen een blik op u werpen, en zullen weer aan het werk gaan voor het algemeen welzijn of zich met de letteren bezighouden, ver van het lawaai en het volk, zonder dat zij daardoor ontaarde dieren zijn. Ziedaar, mijn vriend Jean-Jacques, wat ik in het grote boek van het lot heb gelezen; maar het staat u vrij de Engelsen zoveel u wilt te verachten, zoals u de Fransen hebt veracht, en uw slechte humeur zal ze doen schateren. Toch is er iets wat u onder handen moet nemen als u uw geloofwaardigheid wil behouden en misschien op den duur standbeelden op wil richten: namelijk een kerk van uw godsdienst stichten, die niemand begrijpt; maar daar gaat het niet om. In plaats van dat u uw zending door middel van wonderen, die u niet aanstaan, bewijst, of door de rede, die u niet kent, zult u een beroep op het innerlijke gevoel doen, op die goddelijke stem die in de harten van de verlichten zo het hoogste woord voert, en die niemand hoort. U zult machtig in woorden en daden worden, zoals George Fox, de eerwaarde Whitfield, etc., zonder dat u bang hoeft te zijn voor afkeuring door de politie, want de Engelsen straffen geen dwazen. Nadat u uw discipelen, in uw apocalyptische stijl, hebt bepreekt en opgewekt, zult u ze in het Hyde-Park laten grazen, of in het bos van Windsor eikels laten eten, en hen telkens weer op het hart drukken niet zoals andere wilden om een appel of een wortel te vechten, omdat de corrupte politie van de Europeanen u niet toestaat uw systeem in al zijn omvang te volgen. Tenslotte zult u zich, als u uw grote werk hebt voleindigt, en u de dood voelt naderen, op vier poten naar vergadering van de dieren slepen, en u zult hen, o Jean-Jacques, het volgende zeggen:
“In naam van de heilige deugd, Amen. Omdat het zo is, mijn broeders, dat ik onafgebroken bezig ben geweest om jullie dwaas en onwetend te maken, sterf ik met de troost dat ik daarin ben geslaagd, en dat ik mijn woorden niet de lucht in heb laten vliegen. Jullie weten dat ik kroegen heb geopend waar jullie je verstand konden verdrinken, maar geen academie om het te ontwikkelen: want, nogmaals, een dronkaard is meer waard dan alle filosofen van Europa. Vergeet nooit mijn verhaal over het regiment van Saint-Gervais, waarin alle officieren en soldaten dronken met verheffing op het plein in Genève dansten, zoals ooit een heilige joodse koning voor de ark danste. Ziedaar de oprechte mensen. De wijn en de onwetendheid zijn de som van alle wijsheid. Sobere mensen zijn dwazen; dronkaards zijn vrijmoedig en deugdzaam. Maar ik ben bang voor wat er aan dreigt te komen, dat wil zeggen dat de wetenschap, die moeder van alle misdaden en alle ondeugden, bij ons binnensluipt. De vijand waart onder jullie rond; hij heeft de scherpzinnigheid van een slang en de kracht van een leeuw; hij bedreigt jullie. Helaas zullen misschien weldra de luxe, de kunsten, de filosofie, de goede sier, de schrijvers, de pruikenmakers, de priesters en de modekooplieden, bij jullie mijn werk vergiftigen en vernietigen. O heilige deugd! wendt al die kwaden af! Mijn kinderkens, volhardt in jullie onwetendheid en jullie eenvoud; dat wil zeggen, wees altijd deugdzaam, want dat komt op hetzelfde neer. Wees mijn woorden aandachtig; laten hen die oren hebben horen. De wereldsen zullen zeggen: Onze instellingen zijn goed; zij maken ons gelukkig; en ik, ik zeg jullie dat hun instellingen verfoeilijk zijn en hen ongelukkig maken. Het ware geluk van de mens is in zijn eentje leven, wilde vruchten eten, naakt op de aarde of in een holle boom slapen en nooit nadenken. De wereldsen hebben jullie gezegd: Wij zijn geen wilde beesten, wij doen goed aan onze medemensen; wij bestraffen ondeugden en wij houden van elkaar; en ik, ik zeg jullie dat alle Europeanen wilde beesten of struikrovers zijn; dat heel Europa binnenkort slechts een afschuwelijke woestenij zal zijn; dat de wereldsen slechts goed doen om kwaad te doen; dat ze iedereen haten en dat zij de ondeugd belonen. O heilige deugd! De wereldsen hebben jullie gezegd: Jullie zijn dwazen; de mens is gemaakt om in de maatschappij te leven en niet om eikels in het bos te eten; maar ik, ik zeg jullie dat jullie de enige wijzen zijn, en dat zij dwaas en kwaadaardig zijn: de mens is niet meer voor de maatschappij gemaakt, die noodzakelijkerwijs de school van de misdaad is, om op de grote wegen te gaan stelen. O mijn kinderkens, blijf in het bos, dat is de plaats voor de mens. O heilige deugd! Emile, mijn eerste leerling, is naar mijn hart; hij zal mij opvolgen. Ik heb hem leren lezen, leren schrijven en veel leren praten; dat is genoeg om jullie te leiden. Hij zal jullie nu en dan uit de Bijbel voorlezen, uit de prachtige geschiedenis van Robinson Crusoé, en uit mijn werken; alleen dat is goed. De godsdienst die ik jullie heb gegeven is vreselijk eenvoudig: aanbid een God, maar praat er niet met je kinderen over; wacht tot ze er zelf achter komen of er een is. Blijf zowel uit de handen van de dokters voor de ziel, als die voor het lichaam; het zijn charlatans: als de ziel ziek is, is er geen hoop op genezing, want ik heb duidelijk gezegd dat terugkeer naar de deugd onmogelijk is; toch zijn welsprekende zedenpreken niet nutteloos; het is goed de kwaden tot wanhoop te drijven en hen van schaamte of van pijn te laten verdorren, door hen de schoonheid van de deugd te tonen, die zij niet meer kunnen liefhebben. Toch heb ik bij andere gelegenheden het tegenovergestelde gezegd; maar dat betekent niets. Mijn kinderkens, ik herhaal nog een keer mijn grote les: verban onder u het verstand en de filosofie, zoals ik die uit mijn boeken heb verbannen. Wees werktuiglijk deugdzaam; denk nooit na, of heel zelden; verzoen je onophoudelijk met de dierlijke toestand, die jullie natuurlijke toestand is. Op grond daarvan beveel ik jullie de heilige deugd aan. Vaarwel, mijn kinderkens; ik sterf. Dat God jullie tot hulp moge wezen! Amen. »
Doctor Pansof, luister thans naar mijn geloofsbelijdenis; u hebt het nodig gemaakt. Ziehier zoals ik die onverschrokken aan het publiek, dat mijn en uw rechter is, zal aanbieden:
Ik aanbid een scheppende, intelligente, wrekende en belonende God; ik heb hem lief en ik dien hem zoveel ik kan in mijns gelijken. O God! die mijn hart en mijn verstand doorschouwt, vergeef mij mijn beledigingen, zoals ik de beledigingen van Jean-Jacques Pansof vergeef, en laat mij u altijd onder mijns gelijken eren.
Overigens geloof ik dat het op klaarlicht dag licht is, en dat de blinden daar niets van merken. En nu, grote doctor Pansof, bid ik God dat hij u onder zijn heilige hoede moge hebben, en ben ik filosofisch uw vriend en dienaar.
V***
(April 1766.)

EINDE VAN DE BRIEF AAN DOCTOR PANSOF.